Skip to main content

Cavanagh - Fifty/Fifty

Page 1

Januari Eddie Er zijn drie woorden die een strafpleiter het meeste vreest. Die drie woorden staarden me vanaf mijn telefoon aan. Een paar seconden geleden had ik het bericht ontvangen. ‘Ze zijn terug.’ De jury had maar achtenveertig minuten beraadslaagd. Je kunt veel doen in achtenveertig minuten. Je kunt lunchen. Je kunt de olie van je auto verversen. Je kunt misschien zelfs een aflevering van een serie kijken. Maar je kunt in achtenveertig minuten niet tot een eerlijke, afgewogen uitspraak in de meest complexe moordzaak uit de geschiedenis van New York komen. Onmogelijk. De jury heeft waarschijnlijk een vraag, bedacht ik. Dit is niet de uitspraak. Dat kán niet. Aan de overkant van de straat, op de hoek van Lafayette, is het Corte Café. Vanbuiten ziet het er uitnodigend uit. Binnen kun je koffiedrinken en ontbijtsandwiches eten op plastic stoelen aan plastic tafels. Meestal zitten er zeker drie advocaten op die stoelen. Degenen die op een uitspraak wachten pik je er zo uit. Ze kunnen geen hap door hun keel krijgen. Ze zitten geen moment stil. Ze zetten de boel op scherp alsof er een kerel met een machete op schoot in de zaak zit. Ik ging er ook altijd heen om een uitspraak af te wachten, maar zodra je een andere advocaat in jurylimbo ziet vergaat je de lust in een kop koffie van Corte Café. En de koffie is er lang niet slecht. Dus in plaats van me daar te gaan zitten verbijten bestelde ik een koffie to-go en liep weer naar buiten om over het plein te wandelen. Ik ben de tel kwijt hoe vaak ik over Foley Square heb gewandeld. 7


Mijn record is drie dagen. Zo lang had de jury nodig om een van mijn cliënten vrij te spreken; ik had haast een geul uitgesleten in de stoep. Dit keer was ik net het Corte Café uit, mijn koffie in de hand, toen ik het bericht ontving. Ik gooide de koffiebeker in een vuilnisbak, stak de straat over en sloeg de hoek om naar het gerechtsgebouw van Manhattan. De Stars and Stripes wapperde tien meter boven de ingang aan een mast. Het was een oude vlag. Harde wind, regen en tijd hadden hun sporen nagelaten. De kleuren waren vervaagd en de vlag was bijna doormidden gescheurd. Een paar stukken met sterren waren losgerafeld en weggewaaid. Aan de rode en witte strepen fladderden lange draden die bijna de stoep raakten. Er was geen geld voor een nieuw exemplaar. Het waren moeilijke tijden en er was geen uitzicht op verbetering, maar meestal werd de vlag in ere gehouden, zelfs als het dak lekte. Wat mij betreft deden ze dit oude ding niet weg – de door de zon verschoten kleuren en de scheuren en flarden leken me toepasselijk in deze tijd. Blijkbaar dachten de magistraten er hetzelfde over. Met kinderen in kooien aan de grens had de vlag voor sommige mensen zijn glans verloren. Ik had mijn land nog nooit zo verdeeld gezien. Een raaf streek op het puntje van de vlaggenmast neer. Een grote zwarte vogel met een lange snavel en scherpe klauwen. In 2016 werden er voor het eerst weer raven in New York gespot. Ze kwamen normaal in landelijke gebieden voor; niemand wist waarom ze waren teruggekomen. Ze bouwden hun nesten in hoge hoeken van bruggen en viaducten, soms zelfs in telefoonmasten en elektriciteitstorens. Ze leefden van afval en de dode dingen die opgekruld lagen in de krochten van de stad. Toen ik onder de raaf door liep kraste hij – korrr korrr. Ik wist niet of het een groet of een waarschuwing was. Hoe dan ook, ik kreeg er de zenuwen van. Voordat ik deze zaak op me nam geloofde ik niet in het kwaad. Tot dat moment in mijn leven had ik genoeg mannen en vrouwen ontmoet en bijgestaan die slechte dingen deden, maar ik had hun daden aan puur menselijke zwakheden toegeschreven – hebzucht, lust, woede of verlangen. En sommige mensen waren ziek. In hun hoofd. Je zou kunnen beweren dat ze niet voor hun vreselijke misdaden verantwoordelijk waren. 8


Terwijl ik door de beveiliging in de hal van het gerechtsgebouw werd gewuifd, lukte het me niet die gedachten van me af te zetten. Ze drongen mijn geest binnen – vergiftigden die. Elke gedachte was als een nieuwe druppel bloed in een glas koud water. Binnen de kortste keren kleurt het glas helemaal rood. Bij de meeste moordenaars die ik ben tegengekomen kon ik wel een gooi doen naar een verklaring voor hun gedrag. Er was altijd iets in hun verleden of in hun geest wat de sleutel voor hun beweegredenen en criminele gedrag bevatte. Ik kon het altijd ergens toe herleiden. In dit geval was er geen simpele verklaring. Geen sleutel. Dit kon ik niet beredeneren. Niet afdoende. Er bevond zich iets duisters in het hart van deze zaak. Iets kwaadaardigs. En ik had daarvan de aanraking gevoeld. Het had boven deze zaak gezweefd zoals de raven boven de stad. Loerend. Afwachtend. Om vervolgens een duikvlucht te nemen en met een puntige klauw en vlijmscherpe snavel toe te slaan. Duister en zwart, snel en dodelijk. Er was geen andere manier om het te beschrijven. Geen beter woord. Mensen kunnen goedaardig zijn. Er bestaat zoiets als een goed persoon. Iemand die goeddoet omdat hij daar plezier aan beleeft. Waarom zou het tegenovergestelde niet waar kunnen zijn? Waarom zou iemand niet kwaadaardig kunnen zijn omdat hij daar plezier aan beleeft? Ik had er niet eerder op die manier over nagedacht, maar het leek me nu logisch. Het kwaad bestaat. Het verschuilt zich in het donker en het kan een menselijk wezen verteren als kanker. Er waren veel slachtoers gevallen. En misschien zouden er voor dit was afgelopen nog meer vallen. Als kind, toen we in een klein, koud huisje in Brooklyn woonden, zei mijn moeder altijd dat monsters niet echt zijn. De verhalen die ik las over monsters en heksen die kinderen bij hun ouders weghaalden en meenamen naar het bos waren volgens haar allemaal verzinsels. Monsters bestaan niet, zei ze. Ze had het mis. De liften in het gerechtsgebouw zijn oud en tergend langzaam. Op mijn verdieping stapte ik uit en ik liep door de gang naar de rechts9


zaal, waar ik de anderen naar binnen volgde. Ik nam mijn plek naast mijn cliënt aan de tafel van de verdediging in. Nadat het massaal toegestroomde publiek was gaan zitten werden de deuren gesloten. De rechter had al plaatsgenomen op zijn stoel. Stilte nam bezit van de zaal terwijl de jury binnenkwam. Ze hadden het papierwerk al aan de parketwacht overhandigd. Papierwerk dat ze in de jurykamer hadden ingevuld. Mijn cliënt zei iets tegen me, maar ik kon haar niet goed verstaan. Ik hoorde haar niet. Mijn bloed raasde in mijn oren. Ik kon meestal tamelijk goed inschatten hoe een jury zou oordelen. Ik kon het voorspellen. En ik had gelijk, elke keer weer. Ik wist voordat ik een zaak aannam of mijn cliënt schuldig was of niet. Ik ben jarenlang oplichter geweest voordat ik mijn vaardigheden – zonder veel aanpassing – inzette in de advocatuur. Een drugsdealer twee ton afhandig maken is bijna net zoiets als een jury bewerken om de juiste uitspraak te doen. Onschuldige mensen belanden om de haverklap achter de tralies, maar niet door mij. Niet meer. Ik heb – in cafés, restaurants, op straat – geleerd mensen in te schatten. Ik was er goed in. Dus bij het uitoefenen van mijn vak in de rechtszaal wist ik vanaf de eerste ontmoeting of mijn cliënten schuldig waren. En als dat zo was, maar ze in de rechtszaal hun onschuld wilden volhouden, dan wenste ik ze succes en was ik weg. Ik had dat pad jaren geleden bewandeld, maar de prijs was te hoog. Ik had mijn intuïtie genegeerd en gezorgd dat mijn cliënt vrijuit ging. Hij was schuldig en ik had hem laten ontkomen. Vervolgens deed hij iemand iets aan. Dus ik pakte hem terug. Op een bepaalde manier probeerde ik nog altijd mijn fout goed te maken. Niemand is onfeilbaar. Iedereen kan misleid worden. Zelfs ik. Cliënten en jury’s inschatten was mijn sterke punt. Deze zaak was niet normaal. Hij was allesbehalve normaal. Voor het eerst kon ik de juryuitspraak niet voorspellen. Ik zat er te dicht bovenop. Het kon volgens mij beide kanten op gaan. Een uitspraak alsof je een muntje opgooide. Het was fiftyfifty. Ik wist wel wat ik graag wilde. Ik wist nu wie de moordenaar was. Ik wist alleen niet of de jury dat ook zou zien. Ik was juryblind. 10


En ik was moe. Al wekenlang sliep ik niet. Niet meer sinds die donkerrode nacht. De parketwacht ging staan en richtte zich tot de juryvoorzitter. ‘Bent u in deze zaak tot een uitspraak gekomen waarover u het allemaal eens bent?’ vroeg de parketwacht. ‘Ja, dat zijn we,’ antwoordde de juryvoorzitter.

11


deel een zussen

Drie maanden eerder


Transcriptie van een -oproep Incidentnummer:  –   oktober  Tijdstip: :: Centralist:  New York City, belt u voor politie, brandweer of ambulance? Beller: Politie en ambulance. Snel! Centralist: Wat is het adres? Beller: Franklin Street . Schiet alstublieft op, ze heeft hem gestoken en ze komt naar boven. Centralist: Is er iemand in de woning neergestoken? Beller: Ja, mijn vader. O mijn god, ik hoor haar op de trap. Centralist: De politie en de ambulance zijn onderweg. Waar bevindt u zich in de woning? En uw vader? Beller: Hij is op de tweede verdieping. In de grote slaapkamer. Er is overal bloed. Ik... Ik ben in de badkamer. Het is mijn zus. Ze is er nog. Volgens mij heeft ze een mes. O god [onverstaanbaar] Centralist: Blijf rustig. Hebt u de deur op slot gedaan? Beller: Ja. Centralist: Bent u gewond? Beller: Nee, ik ben niet gewond. Maar ze gaat me vermoorden. Laat ze alstublieft snel komen. Ik heb hulp nodig. Schiet alstublieft op... Centralist: Ze zijn onderweg. Hou u stil. Zet uw voet tegen de deur, als dat lukt. Oké, zo bent u voorlopig veilig. Haal even diep adem, de politie komt eraan. Blijf rustig en wees stil. Wat is uw naam? 15


Beller: Alexandra Avellino. Centralist: En hoe heet uw vader? Beller: Frank Avellino. Het is mijn zus, Sofia, ze is helemaal door het lint gegaan. Ze heeft hem compleet overhoopgestoken... ze [onverstaanbaar] Centralist: Zijn er meerdere badkamers? In welke bevindt u zich? Beller: In de badkamer die grenst aan de grote slaapkamer. Volgens mij hoor ik haar. Ze is in de slaapkamer. O jezus... Centralist: Blijf stil. Het komt goed. De politie is nog maar een paar straten bij u vandaan. Blijf aan de lijn. Beller: [onverstaanbaar] Centralist: Alexandra... Alexandra? Ben je daar nog? Gesprek beëindigd om :: Transcriptie van een -oproep Incidentnummer:  –   oktober  Tijdstip: :: Centralist:  New York City, belt u voor politie, brandweer of ambulance? Beller: Politie en ambulance. Mijn vader gaat dood! Ik ben op Franklin Street . Papa! Papa, blijf bij me... Hij is aangevallen. Er moet een ambulance komen. Centralist: Wat is uw naam? Beller: Sofia. Sofia Avellino. Shit, ik weet niet wat ik moet doen. Er is overal bloed. Centralist: Is uw vader aangevallen? Bevindt hij zich in de woning? Beller: Hij is in de slaapkamer. Zij heeft het gedaan. Ze heeft... [onverstaanbaar] Centralist: Is er nog iemand in de woning aanwezig? Bent u op een veilige plek?

16


Beller: Volgens mij is ze weg. Stuur alstublieft iemand, ik ben doodsbang. Ik weet niet wat ik moet doen. Centralist: Bloedt uw vader? Zo ja, druk de wond dan stevig dicht met een stuk stof of een handdoek. Blijf druk geven. De politie kan er elk moment zijn. Ik zie dat er nog een oproep vanuit de woning is gedaan. Beller: Wat? Belt iemand anders u ook? Centralist: Is er nog iemand in de woning aanwezig? Beller: O mijn god! Het is Alexandra. Ze is in de badkamer. Ik zie haar schaduw door de kier onder de deur. Shit! Ze staat daar! Ik moet hier weg. Ze gaat me vermoorden. Help me alstublieft, alstublieft... [geschreeuw] Gesprek beëindigd om ::

17


1 Eddie Ik haat advocaten. De meeste. Bijna allemaal, op een paar noemenswaardige uitzonderingen na. Mijn mentor, rechter Harry Ford, en een stuk of wat oudgedienden die in het gerechtsgebouw van Manhattan rondwaarden als geesten op hun eigen begrafenis. Toen ik in mijn late tienerjaren grote zwendeltrucs uithaalde, kende ik veel meer advocaten dan nu. Veel advocaten waren gemakkelijk te bedriegen omdat ze zelf niet deugden. Nooit gedacht dat ik ooit een van hen zou worden. Op het visitekaartje in mijn achterzak stond: ‘Eddie Flynn, strafadvocaat.’ Als mijn vader, zelf ook een getalenteerd flessentrekker, nog had geleefd had hij zich kapotgeschaamd. Ik had bokser kunnen worden, of oplichter, of zakkenroller of zelfs bookmaker. Hij zou zijn zoon, de advocaat, hoofdschuddend gadeslaan en zich afvragen waar hij als ouder had gefaald. Het grote probleem is dat advocaten vaak meer met zichzelf bezig zijn dan met hun cliënten. Ze beginnen vol goede bedoelingen: ze hebben To Kill A Mockingbird gezien, misschien zelfs het boek van Harper Lee gelezen, en ze willen de nieuwe Atticus Finch worden. Ze willen het opnemen voor de kleine man. Als David tegen Goliath. Vervolgens ontdekken ze dat ze niet behoorlijk van dat soort werk kunnen leven, dat al hun cliënten schuldig zijn, en dat de rechter, zelfs als ze een Atticus-waardig pleidooi zouden schrijven, verdomme nooit luistert naar wat ze te zeggen hebben. Degenen die wijs genoeg zijn om te beseffen dat het één groot luchtkasteel is komen erachter dat ze zich bij een grote firma moeten 18


aansluiten, zich uit de naad moeten werken en het vóór hun eerste hartaanval tot partner moeten zien te schoppen. Met andere woorden, ze komen erachter dat het recht een bedrijf is. En voor sommige mensen gaan de zaken voor de wind. Op de stoep voor Ericcson Place 16 werd ik eraan herinnerd hoe goed grote strafadvocaten soms boeren. Hier bevond zich het Eerste District van de New York Police Department. De parkeervakken voor de deur, in de regel gereserveerd voor patrouillewagens, waren overgenomen door een vloot dure wagens van Duitse makelij. Ik telde vijf Mercedessen, negen bmw’s en een Lexus. Er was daarbinnen iets aan de hand. De ingang van het bureau had blauw-wit geschilderde mahoniehouten deuren met door ijzeren nagels geaccentueerde sierpanelen. Ze leidden naar de Transportation Security Office en daarachter het kantoor van de wachtcommandant. Daar was een opstootje gaande. Een rechercheur in burger, gekleed in een geel overhemd, zwaaide met zijn vinger in het gezicht van brigadier Bukowski, terwijl in de wachtruimte aan de andere kant van het kantoor zeker tien advocaten met elkaar stonden te bekvechten. De wachtruimte was nog geen zes bij drie meter, met geel betegelde muren. De tegels waren misschien ooit wit geweest, maar in de jaren zeventig en tachtig rookten agenten als ketters. Bukowski had me twintig minuten geleden gebeld. Hij zei dat ik als de bliksem naar het bureau moest komen. Er was een zaak. Een grote. Dit betekende dat ik Bukowski Knicks-tickets schuldig was. We hadden een afspraak. Als er iets belangwekkends op het bureau voorbijkwam belde hij me. Het enige probleem was dat Bukowski niet de enige omkoopbare agent was, en aan de drom advocaten te zien had de tamtam zijn werk gedaan. ‘Bukowski,’ zei ik. Hij was één bonk spieren, lichaamsbeharing en vet, gehuld in het donkerblauwe nypd-uniform. Zijn zweterige kale hoofd glom in het licht van de plafondlampen terwijl hij zich omdraaide, naar me knipoogde en de rechercheur monter opdroeg zijn vinger uit zijn gezicht te halen, omdat die anders ergens in diens moeder zou verdwijnen. Ik luisterde niet naar de details. 19


‘Ik ben het zat, Bukowski. Ze krijgen allemaal één minuut met de verdachte. Geen seconde langer. Daarna kiest ze haar advocaat en beginnen we met het verhoor. Gesnopen?’ zei de rechercheur in het gele overhemd. ‘Klinkt prima. Heel redelijk. Ik kan ermee leven. Ga een halfuurtje koffiedrinken. Of bel je moeder – zeg maar dat ik na mijn dienst langskom.’ De rechercheur deed al knikkend naar Bukowski een stap achteruit, draaide zich om en verdween door de stalen deur achter in de wachtruimte. Bukowski sprak de horde advocaten toe alsof hij een bingo-omroeper was die de spelregels uitlegde. ‘Goed, zo gaan we het doen. Jullie zakkenwassers trekken allemaal een nummertje, en als ik jouw nummer roep krijg je één minuut met de verdachte. Als ze je opdrachtovereenkomst niet tekent, dan lazer je op. Begrepen? Meer kan ik er niet van maken.’ Sommige advocaten staken hun handen in de lucht en begonnen verwoed op hun mobiele telefoons te tikken, terwijl andere zich mopperend naar de ticketdispenser drongen om een nummertje te trekken. De nummertjes waren bedoeld voor burgers die op hun beurt wachtten om een klacht in te dienen – niet voor advocaten die een cliënt wilden spreken. ‘Waar slaat dit op, Bukowski?’ zei ik. ‘Waarom zou ik Knicks-tickets voor je kopen als je alle advocaten in Manhattan afbelt?’ ‘Sorry, Eddie. Moet je horen, dit is een zaak van formaat. Je wilt hem. Dit is nog niets; morgenochtend staat er een heel leger paparazzi voor het bureau te wachten om foto’s te maken als de dames worden voorgeleid.’ ‘Welke dames? Wat is de tenlastelegging?’ ‘De noodeenheid heeft om middernacht twee vrouwen binnengebracht. Zussen. Allebei in de twintig. Hun ouweheer lag in mootjes gehakt boven in de slaapkamer. De zussen hebben allebei de politie gebeld. Ze zeggen allebei dat de ander het heeft gedaan. Deze zaak wordt gigantisch.’ Ik keek om me heen in de wachtruimte. De crème de la crème van de strafrechtadvocatuur in Manhattan had zich verzameld, alle grote 20


spelers in hun kostuums van duizend dollar met een sleep assistenten in hun kielzog. Ik keek omlaag. Ik droeg lage zwart-witte Air Jordans, een blauwe spijkerbroek en een ac/dc-shirt met een zwarte blazer erover. Mijn cliënten maakten zich over het algemeen niet druk om mijn kleding. Het viel me op dat een paar van de mannen in pak elkaar aanstootten en in mijn richting knikten. Ik zag er kennelijk niet uit als concurrentie voor die kerels. Maar ik begreep nog steeds niet waarom dit zo’n grote zaak was. ‘De zussen wijzen elkaar als dader aan. En wat dan nog? Hebben ze geld of zo? Wat heeft de leeuwen vannacht naar de oevers van de rivier gelokt?’ ‘Jezus, je hebt het nieuws zeker niet gevolgd?’ vroeg Bukowski. ‘Nee, ik lag te slapen.’ ‘De vrouwen zijn Sofia en Alexandra Avellino. De dochters van Frank.’ ‘Is Frank dood?’ Bukowski knikte. ‘Ik heb een van de agenten van de noodeenheid gesproken. Frank was helemaal aan gort gestoken. Toegetakeld met een mes. De agent in kwestie zei dat het niet fraai was. En je kent de noodeenheid – die zijn wel wat gewend.’ De noodeenheid van de nypd functioneerde als een gespecialiseerd arrestatieteam. Ze kregen met alles te maken – van terroristische aanslagen en bankovervallen tot gijzelingen en schietpartijen. Als een agent van het noodteam zei dat het niet fraai was, dan kon je ervan uitgaan dat het een nachtmerrie was. Maar het was niet zozeer de extreme gewelddadigheid van het misdrijf waar de toppleiters van Manhattan op af waren gekomen – het waren het slachtoffer en de vermeende daders. Tot november vorig jaar was Frank Avellino de burgemeester van New York geweest. ‘Hoe groot is de kans dat ik deze zaak binnenhaal als ik achter aan de rij sta?’ ‘Je staat voor aan de rij. Carol heeft de cliënt niet overtuigd. De kerel die nu binnen zit maakt geen schijn van kans. Ik laat je zo naar binnen,’ zei Bukowski. 21


‘Wacht, was ik nummer drie?’ ‘Carol Cipriani gaf me een rug om als eerste naar binnen te mogen, maar de cliënt heeft niet getekend. Sorry, Eddie. Ik moet ook eten.’ ‘Hé, en wij dan? Wij zijn er ook nog! Hoe zit dit?’ zei een van de mannen in pak. ‘Geen zorgen, rustig aan. Hij dringt niet voor. Jij krijgt ook een kans,’ zei Bukowski. ‘Het is oké, Eddie. De meeste van die eikels zijn hier voor Alexandra. Jij gaat naar Sofia.’ ‘Wacht eens, krijgen we niet beide zussen te spreken?’ vroeg een van de advocaten, waarna ze allemaal luidkeels begonnen te mopperen. Bukowski was mijn contact bij de politie, samen met een handvol andere brigadiers die me een seintje gaven als ze een grote vis vingen, en ik vergat nooit iets terug te doen. In dit geval rook de nypd een grote zaak en iedere smeris met een advocaat die hun portemonnee spekte had onmiddellijk naar zijn telefoon gegrepen. Ik had dit eerder meegemaakt. De rechercheurs die belast waren met de zaak zouden de brigadiers de wind van voren geven, maar zolang er niet te veel van de tijd van de voorlopige hechtenis af ging konden ze er niets tegen doen. De rechercheurs beklaagden zich niet bij hun superieuren; dat zou betekenen dat ze een collega verlinkten. Bij de nypd is geen ruimte voor ratten. Sommige advocaten hier kregen een kans en degenen die die niet kregen, zouden niet klagen. Als ze dat wel deden, werden ze nooit meer gebeld. De cliënten klaagden niet omdat zij uit de beste advocaten konden kiezen. Een spraakmakende moordzaak betekende flink cashen voor de dienders. Zoals voor veel dingen in deze stad gold: een beetje corruptie en een smak geld deden wonderen. Welkom in New York. ‘Ik pak mijn sleutels, dan zal ik je aan Sofia voorstellen.’ ‘Waarom wil je dat ik Sofia ontmoet?’ vroeg ik. Bukowski boog zich naar me toe. ‘Ik ken jou. Jij neemt een zaak niet aan als de cliënt probeert weg te komen met een misdrijf dat hij wel degelijk heeft gepleegd. Over Alexandra heb ik mijn twijfels. Deze meid, Sofia... Tja, je merkt het zelf wel. Ik zie dagelijks twintig tot dertig mensen in mijn cellen voorbijkomen. Ik pik de echte daders er zo uit, net als jij. Zij is geen dader. Maar ik moet je waarschuwen: 22


maak geen plotselinge bewegingen in haar bijzijn. Geef haar niets, laat geen pen of papier bij haar achter.’ ‘Hoezo niet?’ ‘De detentiearts denkt dat ze gek is... Maar ze valt jou niet aan. Jij wordt haar advocaat.’

23


2 Kate Kate Brooks had als een blok geslapen, weggekropen onder de wollen dekens in haar Taylor Swift-pyjama, die ze over haar sportkleding had aangetrokken, en met twee paar dikke witte sportsokken. Hoe ze ook aan de oude radiatoren in haar appartement prutste, ze werden maar niet warm. De studio was in de huuradvertentie aangeprezen als ‘een parel van een leefruimte geheel voorzien van centrale verwarming’. Twee radiatoren aan weerszijden van de kamer golden strikt genomen inderdaad als ‘geheel voorzien van verwarming’. Kate pakte zich elke avond voor het slapengaan dik in. Hoe ze het in hartje winter zou aanpakken wist ze nog niet. Haar telefoon piepte – een elektronisch belletje dat met de seconde luider werd. Kate zwaaide haar arm uit bed richting het nachtkastje en swipete twee keer over het schermpje om hem te laten stoppen. Ze trok haar arm vlug weer onder het dekbed en draaide zich zonder echt wakker te worden om. De telefoon piepte opnieuw. Deze keer dwong ze zichzelf haar ogen open te doen. Het geluidje van haar telefoon klonk anders dan haar wekker. Het drong tot haar door dat haar baas belde – Theodore Levy. En dat ze hem de eerste keer had weggedrukt. ‘Hallo, meneer Levy,’ bracht ze met schorre stem uit. ‘Kleed je aan. Ik wil dat je een document oppikt van kantoor en linea recta naar het politiebureau in Tribeca komt,’ zei Levy. ‘O, natuurlijk. Wat moet ik ophalen?’ ‘Scott is nu op kantoor om wat informatie na te trekken, maar ik 24


heb hem hier nodig. Ik wil dat je een opdrachtovereenkomst voor Alexandra Avellino voor me ophaalt. En hem hier aflevert. Ik heb hem over drie kwartier nodig. Wees niet te laat.’ En met die woorden hing hij op. Kate sloeg de dekens van zich af en sprong uit bed. Dit hoorde bij het leven van een pas afgestudeerd advocaat. Ze had de baan nu bijna een halfjaar; de inkt op haar licentie was nog nat. Scott, een ander jonkie bij de firma, was al op kantoor, en waarom hij niet mee kon nemen wat Levy nodig had deed voor Kate niet ter zake. Levy deelde bevelen uit en iedereen gehoorzaamde hem blind. Het deed er niet toe of er een eenvoudiger of snellere manier was om iets te doen; zolang iedereen zich de benen uit het lijf liep, was Levy tevreden. Ze keek op haar horloge. Ze moest een taxi nemen. Het was twintig minuten van haar appartement naar kantoor. Ze schatte in hoe ver het was van haar advocatenkantoor naar het Eerste District, en concludeerde dat dat waarschijnlijk nog eens twintig minuten zou duren. Geen tijd om te douchen. Ze trok haar pyjama en sportkleding uit en schoot in haar blouse en mantelpak. De rok was ietwat verfomfaaid, maar dat was niet belangrijk. Ze trok op haar rechterkuit een ladder in haar panty toen ze hem aantrok. Haar laatste paar. Vloekend ging ze op jacht naar haar schoenen. Ze stootte haar hoofd tegen de boog die het gedeelte waar haar bed stond scheidde van de krappe ruimte waar ze een bank en een boekenkast in had weten te proppen – de ruimte die voor haar woonkamer doorging. Het liet een schram op haar voorhoofd achter, het deed pijn en ze ademde scherp in. ‘Kak,’ zei ze. Bij de voordeur lagen haar Adidas-sportschoenen. Ze deed ze aan, pakte haar jas en tas, en vertrok. Twintig minuten later sprong ze op Wall Street uit een taxi. Ze vroeg de chauffeur te wachten en snelde naar de ingang van haar gebouw. Met haar pas opende ze de deur en ze haastte zich door de met glas afgescheiden receptie, waar een bewaker achter de balie zat. De lift pingde. De deuren gleden open en Kate liep naar voren, klaar om erin te stappen. Scott kwam de lift uit gestormd met een dossiermap onder 25


zijn arm. Hij botste tegen Kate op, schouder tegen schouder, waardoor zij een halve slag omdraaide. ‘Sorry, Kate, ik moet rennen. Levy’s secretaresse is bezig de overeenkomst te printen. Ik had geen tijd om erop te wachten; Levy wil dat ik nu naar het bureau kom.’ ‘Wacht, geef me twee minuten. Mijn taxi wacht buiten,’ zei ze. Scott knikte, draaide zich om en rende naar de uitgang. Kate drukte op de knop van de vijfentwintigste verdieping, vijfentwintig keer, en telde de verdiepingen terwijl de lift omhoogging. Levy’s secretaresse Maureen pakte papieren uit de printer. Ze stopte ze in een map en hield die voor Kate op. ‘Is dat de opdrachtovereenkomst?’ Maureen knikte. Het papier voelde nog warm aan. Waarom kon Scott niet wachten en dit zelf meenemen? Ze had het allang afgeleerd om naar het antwoord op dit soort vragen te gissen. In de wereld van de grote advocatenkantoren was het doodnormaal om twintig advocaten en vijftig assistenten in te zetten als het je een haarbreedte voorsprong op je tegenstander opleverde. Ze werd eropuit gestuurd om die overeenkomst op te pikken omdat dat kón. Kate stapte weer in de lift, koos de begane grond en hamerde met haar middelvinger op de knop om de deuren te sluiten. ‘ Schiet op, schiet op, schiet op,’ mompelde ze terwijl de deuren dichtgleden. Zodra ze op de begane grond weer openschoven, stoof Kate naar buiten. De bewaker ging staan toen hij haar zag aankomen en haalde met zijn pas de deur van het slot. Hij pakte de deurklink en trok hem voor haar open. ‘Bedankt,’ zei Kate buiten adem terwijl ze de koude buitenlucht in rende. Ze bleef abrupt staan. Haar taxi was weg. Scott. Wat een klootzak. Wanhopig speurde ze links en rechts de straat af. Geen taxi’s. Ze opende de Uber-app op haar telefoon. Haar vader vond het maar niets als ze een Uber nam en had haar vaak gewaarschuwd dat ze dat niet moest doen. Volgens de app was er twee straten verderop een chauffeur. 26


Binnen een paar tellen stond hij voor haar, en Kate stapte achter in. Het was een metallic blauwe Ford. Een oud barrel dat naar hond stonk. Het was te donker om de chauffeur goed te kunnen zien, maar ze zag dat het een blonde, magere man was met tatoeages op zijn armen. Scott was echt een ontzettende klootzak. Scott was vier maanden na Kate als associé begonnen. De firma Levy, Bernard & Groff was een fullservice advocatenkantoor. Dat hield in dat ze miljoenen voor je konden wegsluizen, zodat je geen cent aan de fiscus hoefde af te dragen, dat ze konden zorgen dat je wederhelft onder zijn echtscheidingsconvenant uitkwam en dat mensen die je om wat voor reden dan ook kwaad hadden gemaakt voor het gerecht werden gedaagd, en als de pleuris uitbrak hadden ze Theodore Levy achter de hand, procestijger en meesterpleiter. Kate had eerst op verschillende andere afdelingen gewerkt voor ze uiteindelijk bij Strafzaken terechtkwam. Ze had er aanleg voor. En ze gooide hoge ogen. Levy had twaalf advocaten in zijn team, maar hij werkte graag samen met de nieuwe associés aan zijn eigen zaken, zodat de ervarener advocaten zich erop konden concentreren hun uren in rekening te brengen. Het was Kate opgevallen dat Levy zich vooral graag mocht omringen met de jonge, vrouwelijke associés. Scott was een maand geleden bij Strafzaken begonnen en hij kon het uitstekend met de baas vinden. Hij was Levy’s favoriet. Kate merkte het aan alles. Zij had één keer met Levy geluncht, en ze werkte al twee maanden voor Scotts komst op de afdeling. In de vier maanden dat Scott nu bij Strafzaken werkte, had hij al vier keer met Levy geluncht. Terwijl Levy klein van stuk was en wel iets weg had van een pad, was Scott lang, zo mager als een lat en kon je met zijn jukbeenderen een biefstuk mals slaan. De hoekige verschijning van de associé werd bekroond met donkerblauwe ogen die licht leken te geven, alsof er achter elk oog een gloeilampje brandde. Hij had Kates taxi ingepikt, en ze nam zich voor om hem de eerstvolgende keer dat ze met z’n tweeën waren de wind van voren te geven. De chauffeur zweeg tijdens de rit, en het duurde niet lang voordat ze de auto uit stapte en op het politiebureau af beende. Binnen was de hel losgebroken. 27


Alle advocaten van Manhattans topfirma’s stonden op een kluitje ergens op te wachten. Ze spotte Levy en Scott op een aluminium bankje achter in de ruimte, diep in gesprek. Om bij hen te komen moest ze zich door de krappe wachtruimte langs tien andere advocaten wringen. Sommigen herkende ze van tv, anderen van advertenties of foto’s in ABA-magazine. Dit waren de advocaten die altijd werden gefotografeerd op de evenementen van de Balie van New York. Ze waren allemaal boven de veertig. Allemaal wit. Allemaal rijk. Allemaal man. En ze negeerden haar straal. ‘Sorry,’ zei Kate terwijl ze zich door de menigte perste. Een paar mannen stonden in een groepje te praten. Over golf. Rijke witte advocaten waren dol op golf. Anderen waren aan het ruziën of bezig met hun telefoon. Niemand keek haar aan. Ze baande zich met gebogen hoofd een weg naar voren, beleefd ‘sorry’ mompelend. In het gedrang, schouders langs schouders, werden er handen op haar onderrug gelegd, en terwijl ze doorliep gleden die handen van haar af en streek een andere hand langs haar achterste; ze voelde dat iemand in haar bovenbeen kneep en daarna in haar bil. Kate kuchte. Ze duwde een advocaat met wit haar die in de weg stond een stuk harder opzij dan hij had verwacht en worstelde zich verder naar de andere kant van het vertrek. Achter haar werd gelachen. Twee of drie mannen die een grapje onder elkaar maakten. Waarschijnlijk lachten ze om de billenknijperij. Levy en Scott keken niet op of om. Kate keek over haar schouder, haar gezicht knalrood nu, en sloeg de groep mannen gade. De advocaat met het witte haar had zijn plek weer ingenomen; de opening waar zij doorheen was gelopen had zich weer gesloten. Ze kon onmogelijk weten wie haar had betast. Haar gezicht en hals gloeiden van schaamte. Als ze er iets van zei, zou er een scène ontstaan. Achter zich hoorde ze de zeurderige stem van Levy. ‘Katie, waar bleef je in godsnaam? Scott was er tien minuten geleden al.’ Kate deed haar ogen dicht. En weer open. Ze herpakte zich. Het was een rotnacht geweest. Ze wilde niet ten overstaan van Levy uit haar vel springen. Hij zou zeggen dat ze zich moest vermannen en klagen dat ze hem voor schut had gezet. Ze liet het los. Het vergde al haar 28


zelfbeheersing om met Levy te dealen. Er waren maar twee mannen die haar Katie noemden. De ene was haar vader, de andere was Levy. Zo fijn als ze het vond als haar vader haar zo noemde, zo erg haatte ze het als Levy het deed. Ze deed een stap naar achteren en draaide zich om naar haar baas. Hij pakte de map van haar aan en zei nors: ‘Dit is een gigantische zaak voor ons. Voor de firma. We móéten deze cliënt binnenhalen. Ik hoop dat jullie in vorm zijn.’ Kate knikte en antwoordde: ‘Ik wel. Wat is het voor zaak?’ Levy’s mond zakte open en bleef een paar tellen zo staan. Het was alsof hij op een langsvliegend insect aasde, alsof hij elk moment zijn reptielentong kon uitsteken om het beestje uit de lucht te plukken en in zijn roze mond te laten verdwijnen. ‘De voormalige burgemeester Frank Avellino is dood. Vermoord in zijn slaapkamer, met... hoeveel waren het er ook alweer, Scott?’ ‘Drieënvijftig,’ zei Scott. ‘Drieënvijftig messteken, schat. En wij gaan zijn oudste dochter vertegenwoordigen. Beide dochters zijn op de plaats delict gearresteerd. Ze wijzen allebei de ander als dader aan. Een van hen liegt, en het is onze taak om te bewijzen dat het niet onze cliënt is. Begrijp je dat?’ Levy’s woorden hadden een neerbuigende ondertoon, maar Kate besloot er niet op in te gaan. De toevoeging ‘schat’ was niet hoffelijk bedoeld. Ze was aan de meeste shit die ze over zich heen kreeg inmiddels wel gewend, maar ‘schat’ of ‘meisje’ deed haar nog altijd knarsetanden. Ze duwde haar boosheid weg; dit was het moment waarop ze sinds ze voor de firma werkte had gewacht. Met opdringerige kerels in cafés en alledaags seksisme op straat maakte ze korte metten. Als het aankwam op de man die haar carrière kon maken of breken, was het een ander verhaal. Ze wist dat het niet was zoals het hoorde, dat het niet in de haak was, maar het leek haar beter om zich gedeisd te houden en op de achtergrond te blijven. Voorlopig. Zij hadden de touwtjes in handen. Als ze haar beklag deed, zou ze binnen de kortste keren de zak krijgen – en zou haar carrière in de kiem gesmoord zijn. Maandenlang had ze pleitinstructies geschreven, cliënten verwelkomd en hapjes rondgedeeld op de kantoorborrels. Nu zat ze op een 29


zaak. Een echte, geruchtmakende moordzaak. Opwinding fladderde in haar maag, en ze streek haar jasje glad, likte over haar droge lippen en schraapte haar keel. Dit was wat ze wilde. Ze was er klaar voor. ‘Ik begrijp het,’ zei Kate. Levy monsterde haar van top tot teen. ‘Wat heb je aan? Zijn dat hardloopschoenen?’ Kate deed haar mond open om te antwoorden, maar ze kreeg de kans niet. ‘Levy! Je kunt komen!’ riep een agent vanuit de opening van een stalen deur. ‘Onze beurt,’ zei Levy. Hij ging staan en trok zijn broek op. Die zakte steeds onder zijn buikje. Een riem of bretels hielpen niet – het leek wel alsof Levy non-stop zijn broek omhoog moest sjorren. Kate zag een groepje advocaten door de stalen deur naar buiten komen. Het was duidelijk dat ze de potentiële cliënt hadden gesproken. Hun hoofd was gebogen en ze maakten een uitgeputte indruk. Levy zou de zaak krijgen. Wie de cliënt ook was. Hier blonk Levy in uit. Hij was goed met cliënten. Hij had ze binnen no-time aan boord. Hij was een pr-machine met een juristenlicentie. Ze zouden deze zaak binnenhalen, en Kate zou vanaf het allereerste begin bij de verdediging betrokken zijn. Ze onderdrukte de glimlach die op haar gezicht dreigde door te breken – een glimlach van opwinding en zenuwen. ‘Goed, kom mee,’ zei Levy. Scott knikte Kate toe. Kate knikte terug. Alle drie zetten ze een stap richting de deur. Vervolgens werd er met een dossiermap in Kates gezicht gewapperd. Ze stak haar handen uit toen de map omlaagging en tegen haar borst werd gedrukt, en bleef stilstaan. Kate pakte de map met beide handen vast. ‘In Scotts dossier staan een paar dingen die de cliënt en de nypd niet onder ogen mogen krijgen,’ zei Levy. ‘Stop het maar in de documentenkluis in de kofferbak van mijn auto. Hij staat voor de deur geparkeerd. De gouden bmw.’ Een sleutelbos bungelde voor haar gezicht. Kate nam hem aan en slikte; haar keel voelde rauw. Alsof ze scherpe stenen doorslikte. ‘We zijn zo terug. Gebruik je tijd om na te denken over waarom je 30


hier zo laat was. Als we klaar zijn kan ik je een lift naar huis geven,’ zei Levy. En met die woorden beenden Scott en Levy op de geopende stalen deur af. Kate verstijfde. ‘Trek het je niet aan, mop. Jij hebt de belangrijkste taak. Je mag op Levy’s auto passen,’ zei een stem achter haar. Een van de rivaliserende advocaten. De hele groep barstte vervolgens uit in een bulderend gelach dat door de kamer daverde. Kates gezicht werd rood. Omdat ze er niet meer dwars doorheen durfde perste ze zich langs de rand van de groep naar de uitgang. Het brandende gevoel verspreidde zich naar haar hals terwijl ze dacht aan Levy’s laatste woorden. Als hij klaar was, wilde hij haar een lift naar huis geven. Dat betekende dat hij ongetwijfeld weer ongepaste avances zou maken. Kate duwde zich door de deuren naar buiten, de straat op.

31


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Cavanagh - Fifty/Fifty by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu