Skip to main content

Maggie Brookes - De verwisseling

Page 1

1

Vijf jaar lang woedde de oorlog al in Europa – een orkaan van geweld die hele families uiteenrukte en miljoenen mensen voor eeuwig van hun dierbaren scheidde. Maar soms, heel soms, bracht het mensen bij elkaar. Zoals Bill en mij. Een Tsjechisch boerenmeisje en een Londense jongen die elkaar anders nooit zouden hebben ontmoet werden op elkaars pad geworpen. En wij reikten naar elkaar, grepen elkaars hand en hielden elkaar stevig vast. Het was aan de Gladde Kapitein te danken dat wij elkaar vonden. Ik noemde hem in gedachten altijd de Gladde Kapitein omdat zijn manier van doen iets overdreven gedienstigs had, dat ik verachtelijk vond. Hoewel hij een nazi-officier was, leek hij in niets op de bendes ss’ers die zonder enige waarschuwing binnenvielen om de boerderij te doorzoeken en ons uit te horen over mijn vader en mijn oudste broer, Jan. We merkten meteen dat de Gladde Kapitein anders was, want op de eerste dag dat hij de boerderij bezocht, klopte hij zowaar op de achterdeur voordat hij hem openduwde. Hij stond in de deuropening, gedrongen en goed doorvoed – dankzij ‘gevorderde’ producten van onze boerderijen. Mijn moeder stond bij het aanrecht aardappelen te schillen. Ze liet een aardappel in het water vallen en draaide zich om met het mes in haar rechterhand. Met één blik nam hij de keuken in zich op – het mes, mijn

17


moeder in haar schort, ik met mijn boeken uitgespreid op de tafel, en Marek spelend op de vloer. ‘Spreekt u Duits?’ vroeg hij haar beleefd, al spraken de meeste mensen in onze regio niets anders. ‘Natuurlijk,’ antwoordde mijn moeder met haar onberispelijke Hoogduitse accent, terwijl ze met de rug van haar linkerhand een pluk haar uit haar ogen veegde. Ik knikte ook, onmerkbaar. Zijn gezicht klaarde op. ‘Mag ik binnenkomen?’ Mijn moeder maakte een klein gebaar met haar vingers dat zoveel wilde zeggen als ‘Kan ik daar iets tegen doen?’ en hij zette een stap vooruit. Ze legde haar mes op de rand van de gootsteen en keek met een frons naar de modder die hij op haar schone vloer achterliet. Mijn broertje Marek stond op. Hij was pas acht, maar nam zijn positie als de man des huizes heel serieus. De kapitein zette zijn pet af. Daaronder was zijn haar kort en hier en daar grijzend. Hij had het open gezicht van een boer die gewend is naar de lucht te kijken. Zijn lippen waren dun en wellicht zuinig, maar uit de rimpels rond zijn ogen bleek dat hij iemand was die graag lachte. Zonder zijn pet zag hij er ouder uit. ‘Ik heb uw boerderij bekeken...’ Mijn moeders gezicht betrok en met een handgebaar maakte hij duidelijk dat hij geen verwijten wilde maken. ‘Ik wil u hulp aanbieden om de oogst binnen te halen.’ Alleen maar zodat jullie er beslag op kunnen leggen, dacht ik, wetend dat mijn moeder hetzelfde dacht. Ze vorderden elke raap, elke schepel haver die we oogstten, elke ham die we rookten. ‘Ik heb een groep krijgsgevangenen aan het werk bij de zagerij in Mankendorf. Ze zijn de weg aan het opknappen voor de houtwagens, maar ik zou een man of twee kunnen missen om jullie te helpen in drukke tijden. Ik heb opdracht om de bosbouw en de landbouw in de regio te bevorderen. Dit is een grote boerderij voor jullie tweeën.’

18


‘Drieën,’ zei mijn broertje, en mijn moeder legde een waarschuwende hand op zijn schouder. De kapitein knikte ernstig. ‘Jullie drieën.’ Hij had natuurlijk gelijk. Zelfs al werkten we van zonsopgang tot zonsondergang, mijn moeder en ik konden niet al het werk doen van mijn vader, mijn broer Jan en de twee knechten die we kwijt waren. ‘Hoe heet jij?’ vroeg de kapitein op vriendelijke toon aan mijn broertje. Hij aarzelde en zei toen: ‘Marek’, de naam die hij van zijn Tsjechische grootvader had geërfd. Buitenshuis en op school gebruikte hij anders altijd zijn andere naam, Heinrich, naar de vader van mijn moeder. Mijn moeder en ik wisselden een blik, maar zeiden niets. ‘Het is een mooie boerderij,’ vervolgde de kapitein. ‘Ik ben op een boerderij opgegroeid, en ik weet hoeveel werk het kan zijn.’ Ik besloot dat ik de voorkeur gaf aan echte nazi’s, die niet de moeite namen om een gesprek te voeren, maar elke kamer doorzochten en elke kast overhoophaalden zonder iets te vragen, alsof dat hun goed recht was. Die kon je gewoon bitter haten. We hielden onze ogen strak op de vloer gericht als zij in huis waren, omdat onze diepe afkeer op ons gezicht te lezen zou zijn. Maar zelfs die keer al wendde de Gladde Kapitein zijn blik als eerste af toen ik hem aanstaarde. ‘Waar hebben jullie het dringendst hulp nodig?’ vroeg hij. ‘Er moet gehooid worden voordat we onweer krijgen,’ zei mijn moeder, en hij knikte. Het was vreemd om haar in huis Duits te horen spreken. We spraken thuis al vijf jaar lang alleen maar Tsjechisch, sinds de nazi’s Praag waren binnengevallen. ‘Morgenochtend dan,’ zei hij, en hij zette zijn pet weer op en stak zijn arm op in een saluut dat er eerder uitzag alsof hij zijn ogen wilde beschermen tegen de zon. ‘Heil Hitler.’ Wij mompelden iets onverstaanbaars en hij draaide zich om

19


en liep weg. Marek ging weer zitten. De voetstappen van de kapitein verwijderden zich van het huis. Hij hield zijn ene been stram, en dat kon je horen aan het onregelmatige klakken van zijn laarzen. Ik nam aan dat hij daarom geen Russen aan het afslachten was, of op partizanen joeg zoals mijn vader en Jan. Misschien had hij wel een kunstbeen. Toen hij buiten gehoorsafstand was, slaakte mijn moeder een zucht en zei, weer in het Tsjechisch: ‘Ik moet toegeven dat het wel zal schelen. Als hij maar niet constant in de buurt blijft om overal zijn neus in te steken.’ Om halfzes de volgende ochtend zaten mijn moeder en ik nog aan het ontbijt toen er harde dreunen klonken op de wagendeuren die onze binnenplaats van de straat scheidden. Mijn moeder dronk haar laatste slok koffie op en legde een dunne sjaal om haar schouders. Ze stond heel rechtop, met een strak gezicht, alsof ze verwachtte te moeten bewijzen dat zij de boerin was en dan niet in de zin van de vrouw van de boer. Ze had haar krullen weggestopt onder een zwarte hoofddoek, waardoor ze er streng en bijna angstaanjagend uitzag. We schoven net in onze klompen toen de Gladde Kapitein op de achterdeur klopte en beleefd vroeg of we klaar waren voor hem en zijn mannen. Hij keek zo tevreden met zichzelf dat ik hem wel had kunnen slaan. ‘Ik moet wel een bewaker achterlaten, vanwege je man en je oudere zoon.’ Hij zei het met een verontschuldigend schouderophalen. Mijn moeder reageerde niet, maar deed de deur voor zijn neus dicht en beende de keuken door en de binnenplaats over om de grote balk op te tillen waarmee onze wagendeuren afgesloten werden. Buiten stond een kleine vrachtwagen met ongeveer twintig mannen erop. Er klommen vijf gevangenen en een bejaarde bewaker af. Mijn moeder hield een van de grote deuren net wijd

20


genoeg open om hen er in ganzenpas door te laten, en terwijl ze haar voorbijliepen nam ze elke man scherp op. De rij werd afgesloten door de Gladde Kapitein, die haar bemoeizuchtig en volstrekt overbodig hielp om de balk weer op zijn plaats te laten zakken. De vijf krijgsgevangenen marcheerden onze binnenplaats op en de bewaker gaf luidkeels en stampvoetend bevel om halt te houden. Ik stond geeuwend tegen de sponning van de keukendeur geleund en keek toe. De kleine Marek gluurde langs me heen. De mannen gingen op een rij staan, en daar zag ik Bill voor het eerst. Hij viel me op vanwege zijn blonde haar, zijn blauwgrijze ogen en zijn gladde gezicht, bijna te mooi voor een man. Ik dacht dat hij misschien Pools was; ik wist niet dat Engelsen zulke kleuren konden hebben. Alle gevangenen, hij ook, gaapten mijn moeder aan, die naast de Gladde Kapitein stond. Even zag ik haar door hun ogen: haar vrouwelijke gestalte, haar donkere ogen en haar trots geheven hoofd. Ondanks haar versleten werkrokken had ze iets vorstelijks, een koningin vermomd als boerin. ‘Ze kunnen ermee door,’ zei ze, en ze klepperde op haar klompen de binnenplaats over om gereedschap uit de stal te halen. De gevangenen keken rond en namen alles in zich op: het huis, de stallen, de schuur en de hooischuur, die samen een strak, afgesloten vierkant vormden rond onze binnenplaats. Misschien zochten ze naar manieren om te ontsnappen. Hun blik richtte zich op mij toen ik aan kwam lopen en toen ik hen op mijn beurt aanstaarde, sloegen ze hun ogen neer of keken snel naar iets neutraals op het erf: de waterpomp, het oude zinken bad, onze felrode dakpannen. Ze wisten dat de bewaker hen nauwlettend in de gaten hield. Alleen Bill bleef openlijk en taxerend naar me kijken, en ik stak mijn neus in de lucht en keek terug. Het was geen liefde op het eerste gezicht en ook geen lust, maar er gebeurde wel iets: een metalige trilling in de lucht, iets uitdagends, een handschoen die geworpen en opgeraapt werd. Misschien een soort herkenning.

21


De Gladde Kapitein kletste tegen mijn moeder terwijl zij zeisen, harken en hooivorken uitdeelde, maar de bewaker richtte zijn geweer op de jongemannen die nu gereedschap in handen hadden dat ze als wapens konden gebruiken. Hij schraapte zijn keel en sprak de gevangenen in het Engels toe: ‘Denk erom dat jullie niets stoms uithalen. Vergeet niet dat ik in de loopgraven heb gezeten en nog heel wat oude rekeningen te vereffenen heb.’ Zij knikten en ik nam me voor te onthouden dat de oude bewaker uitstekend Engels sprak. Mijn moeder maakte de deur van de hooischuur open en liep door de schuur heen naar de akkers. Ik liep helemaal achteraan. Een paar stappen lang hinkte de Gladde Kapitein naast haar voort met zijn stijve been en probeerde hun gesprek af te ronden, terwijl zij al weg beende. Onwillekeurig glimlachte ik en weer ving ik de blik van Bill, waarin ik zowel geamuseerdheid las als waardering voor mijn moeder. Zijn gezicht leek op te lichten als hij glimlachte. De Gladde Kapitein moet hebben gemerkt dat hij uitgelachen werd, want hij hield ineens halt, klakte zijn hakken tegen elkaar en wenste haar een zeer goede dag. Mijn moeder keerde zich om en bedankte hem beleefd voor de hulp op de boerderij die hij haar had bezorgd. Hij keek zeer met zichzelf ingenomen toen hij terugliep naar zijn auto. Aan de rand van het eerste hooiland liet mijn moeder vier van de mannen die ons waren toegewezen de juiste manier zien om een zeis te gebruiken. Twee van hen besteedden nauwelijks aandacht aan haar uitleg, maar Bill keek heel belangstellend en deed haar bewegingen na. Ik vermoedde dat hij een stadsjongen was, voor wie dit allemaal nieuw was. Ze liet de mannen oefenen tot ze dacht dat ze hun werk goed zouden doen. De twee die niet hadden opgelet hadden duidelijk al meer dan genoeg oogsten binnengehaald, maar Bill en zijn vriend zwaaiden heel wat keren wild in het rond voordat ze iets wisten te maaien. Ik kreeg het

22


warm van plaatsvervangende schaamte, maar mijn moeder bleef geduldig en ging achter Bill staan om zijn rechterelleboog in de juiste positie te duwen, tot hij eindelijk dwars door de stengels maaide en mij verrukt en triomfantelijk aankeek. Onwillekeurig glimlachte ik terug. De bewakers hadden er goed aan gedaan om de gevangenen vroeg te wekken, want al snel blakerde de zon aan een wolkeloze hemel. Het maaien was vermoeiend en dorstig werk, maar we moesten het hooi in de schuur zien te krijgen voordat de regen begon. Op zulke hete dagen bestond er altijd kans op onweersbuien. Een voor een vroegen de mannen toestemming om het jasje van hun veldtenue en het hemd eronder uit te trekken. Het was een schok om te zien hoe mager ze waren; hun ribben staken uit als die van een verwaarloosd paard. Een paar mannen, onder wie Bill, droegen gescheurde onderhemden. De bewaker negerend die tegen hem schreeuwde dat hij snel weer aan het werk moest, knoopte hij zijn hemd zorgvuldig tot een geïmproviseerd hoofddeksel dat ook zijn nek en zijn magere schouders tegen de zon beschermde. Ik zag zijn blauwig-bleke huid en dacht: ik wed dat hij heel gemakkelijk verbrandt. Zelf werd ik alleen maar bruin in de zon, ik verbrandde nooit. Mijn moeder en ik werkten mee om ervoor te zorgen dat ze alles deden zoals zij het graag had. Wie weet welke rare manieren ze in Engeland hadden om zulk werk te doen? Bill en drie anderen maaiden het geurige hooi op de regels af met hun zeis, terwijl mijn moeder en ik samen met de vijfde man voorovergebogen achter hen aan liepen om het hooi in schoven te bundelen en vervolgens met een stengel losjes tot een schoof te binden die we rechtop zetten om aan de lucht te drogen. We werkten langzaam en gestaag door, zonder te praten; zo nu en dan rechtten moeder en ik onze rug en keken om ons heen. Zij keek naar de mannen met de zeisen – of ze wel wisten wat ze deden, of ze niets oversloegen, of ze misschien de slijpsteen

23


nodig hadden om hun gereedschap te scherpen. Ik keek naar het goudkleurige veld, de porseleinblauwe lucht en – tersluiks – naar de behendige, soepele zwaaibewegingen die Bill inmiddels maakte met zijn zeis. Ik zag hoe alle spieren in zijn rug en zijn schouders in de zwaai samenspeelden. Zijn bewegingen hadden iets vlugs, iets vloeiends. Iets lichts en kwikzilverachtigs. Onder het werken floot Bill het ene deuntje na het andere, en hij zwaaide met de zeis op het ritme van de muziek. Ik herkende geen van de liedjes, maar soms vielen de andere mannen in en zongen een refrein mee. Toen duidelijk werd dat ze van de bewaker de hele ochtend in de hitte zouden moeten werken zonder iets te drinken, stuurde moeder me terug naar de boerderij om water te halen. Ik schonk steeds wat water in een blikken beker en bood hen die aan om uit te drinken. Bill schonk me een brede en vrolijke grijns. Aan een van zijn voortanden ontbrak een klein hoekje. ‘Ik wou... bier,’ zei ik in mijn haperende Engels, en zijn grijns werd nog breder. ‘Ik doe wel alsof het bier is,’ antwoordde hij met een grijns, en hij smakte verlekkerd met zijn lippen. Ik zag dat hij iets probeerde te bedenken om ons gesprek langer te laten duren. ‘Maken jullie hier bier?’ vroeg hij. Ik knikte. ‘Wij telen...’ Ik kende het woord voor ‘gerst’ niet. ‘Jullie telen bier?’ zei hij met gespeelde verbazing. ‘Dan ben ik gestorven en in de hemel beland!’ Er ontsnapte me een lach en de bewaker kwam aanlopen om Bill hard in zijn ribben te porren met de loop van het geweer, op een manier waarvan ik wist dat die blauwe plekken zou achterlaten, en schreeuwde tegen hem in het Engels: ‘Aan je werk! Lui varken.’ Ik leerde al snel dat ik niet hardop moest lachen en de aandacht van de bewaker niet op de gevangenen moest vestigen.

24


Hij bleef aan de rand van het veld in de smalle schaduw van een miezerige boom staan om toe te kijken op ons werk, prutsend aan zijn geweer en sjorrend aan zijn nauwe boord. Het zweet droop van zijn gezicht. Hij sloeg voortdurend naar een hardnekkige paardenvlieg of een mug en ik hoopte dat die hem zou steken. Hij was een Posten, geen gewone soldaat – misschien was hij blij dat hij als gevangenbewaker werkte, in plaats van weer naar het front te moeten. Ik was ervan overtuigd dat hij wist hoe gemakkelijk dit stel jongemannen hem zou kunnen overmeesteren, als ze dat zouden willen. Het enige wat hun dat belette was zijn geweer en zijn opgeblazen eigendunk. En het feit dat ze zich diep in het hart van nazi-Duitsland bevonden – als ze ooit een ontsnappingspoging waagden, waren ze hier meer dan duizend kilometer verwijderd van de neutrale landen Zwitserland en Zweden. Ik voelde dat Bill me naar de bewaker zag kijken, maar ik keek hem niet aan. De gevangenen mochten stoppen voor het middageten en haalden kleine vierkantjes brood uit hun rugzakken. Moeder wierp één blik op hun rantsoenen en gebaarde dat ik naar de boerderij moest om het brood te halen dat ze gisteren had gebakken, samen met de boerenboter en de kaas. Ik nam ook bier mee, voor de bewaker, om hem zoet te houden en ervoor te zorgen dat hij de mannen zou blijven brengen. Ik zorgde ervoor dat ik hem als eerste bediende en slikte mijn ergernis weg over de hoeveelheid kaas die hij zich toe-eigende. Ik wou dat ik niet had laten zien hoeveel er was en hem zijn portie apart had gebracht. Wat er overbleef bracht ik naar de gevangenen, die de schaduw van een grote eik hadden opgezocht. Sommigen lagen te slapen. Alleen Bill zat met zijn rug tegen de boomstam en volgde me met zijn ogen terwijl ik de anderen langsging. Ze keken allemaal alsof ik ze de lekkerste maaltijd bracht die ze ooit hadden geproefd. Die van Bill bewaarde ik tot het laatst. Hij lachte naar me toen ik me naar hem overboog met het klei-

25


ne beetje eten, en ik glimlachte terug. De half toegeknepen ogen waarmee hij naar me opkeek leken nog blauwer dan daarstraks op de binnenplaats. Zijn mond was breed, alsof die graag lachte. De andere mannen hadden alleen maar belangstelling voor het eten dat ik bezorgde, maar hij hield mijn blik vast. ‘Maken jullie het brood en de kaas hier ook?’ vroeg hij langzaam en duidelijk. Ik worstelde om mijn schaarse Engels op te halen en wou dat ik daar op school harder aan had gewerkt. ‘Ja, maken wij.’ ‘Beste wat ik in jaren heb gegeten.’ Hij lachte naar me tot ik mijn ogen neersloeg. Ik stond niet vaak met mijn mond vol tanden, maar ik kon de Engelse woorden niet vinden. ‘Ik... hoop... lekker,’ zei ik langzaam. Zijn ogen fonkelden ondeugend. ‘O ja, heel erg lekker.’ Mijn buik spande zich, in de wetenschap dat hij niet de kaas bedoelde, maar ik reageerde in het Tsjechisch: ‘Je hebt hier niet veel meisjes waar je mij mee kunt vergelijken,’ mezelf vervloekend omdat ik dat niet in het Engels kon zeggen. Ik voelde zijn blik in mijn rug toen ik terugliep naar mijn moeder. Tegen het eind van de middag was het grootste veld gemaaid en de schoven werden met hooivorken op onze paardenkar getild. Het was mijn taak om op de merrie te passen, haar hoofd vast te houden en haar voort te leiden, al was ze zo aan het werk gewend dat ze mij niet echt nodig had. Ik aaide haar over haar neus en bracht haar het zoetste gras. Zonder te kijken wist ik waar Bill was, vanwege zijn gewoonte om te fluiten of te neuriën onder het werk. Hij zinderde welhaast van muziek. Het werk was warm en zweterig en ik ging twee keer thuis

26


koud water halen om de gevangenen te drinken te geven. Telkens wanneer ik hun water bracht, bewaarde ik Bill tot het laatst en probeerde ik, onder het waakzame oog van de bewaker, een woord of twee met hem te wisselen. ‘Ik ben Bill,’ zei hij. ‘Hoe heet jij?’ ‘Izabela,’ zei ik tegen hem. Hij herhaalde het op ernstige toon, tot twee keer toe – ‘Isabella, Isabella’ – alsof hij het belangrijk vond om het goed uit te spreken. ‘Betekent dat iets?’ vroeg hij, maar ik wist niet hoe ik dat in het Engels moest uitleggen. Ik haalde mijn schouders op en schudde mijn hoofd. ‘Ik geloof dat er een koningin Isabella was. Van Spanje,’ zei hij en ik schudde verwonderd mijn hoofd. ‘Bill,’ zei ik. ‘Wat betekent?’ ‘Weet ik niet. Het is de naam van een koning. William de Veroveraar.’ Schamper wees hij op zijn sjofele kleren. ‘Mooie veroveraar.’ Ik had geen idee waar hij het over had of waarom hij begon te lachen, in stilte, zodat de bewaker het niet zou horen, maar zijn vrolijkheid was aanstekelijk en ik begon zelf ook onderdrukt te giechelen. Plotseling kreeg ik het overweldigende gevoel dat het te midden van alle ontberingen en ellende nog mogelijk was om blijdschap te ervaren. Hetzelfde gevoel stond op Bills gezicht te lezen. Tegen het eind van de dag zaten we allemaal onder het stof van het hooi, dat in ons haar stak en aan onze zweterige huid kleefde. De bewaker hield de mannen in het oog terwijl ze om beurten water voor elkaar oppompten om zich op het erf te kunnen wassen. Een voor een kleedden ze zich tot op hun middel uit en staken hun hoofd en hun bovenlijf onder het ijskoude water, naar adem happend en lachend bij de schok van de kou, stoeiend en elkaar nat spetterend als een stel kinderen. Ik stond in de deuropening van de schuur onverschillig te doen, druk met iets wat net uit het zicht lag, alsof ik niet keek, alsof ik niet wachtte tot Bill aan de beurt was.

27


Vanuit mijn ooghoek keek ik echter wel hoe hij zijn onderhemd van zijn porselein-witte bovenlichaam trok. Ik zag hoe vreselijk mager hij was en ik zag de strakke spieren op zijn pezige armen, en er klapte en kantelde iets in mij, als een vis die ineens op het droge belandde. Hij wreef onder het stromende water met zijn vingers door zijn haar en gooide zijn hoofd in zijn nek toen hij zijn rug rechtte, met een lach alsof hij geen half verhongerde gevangene was in een land ver van huis, maar gewoon een jongen die wist dat er een meisje stiekem naar hem stond te kijken en waardeerde wat ze zag. Hij trok zijn kleren weer aan. Zijn haar was donkerder als het nat was en werd geleidelijk lichter naarmate het opdroogde. Ik schopte mijn klompen uit en sloop naar het raam op de overloop, boven de wagendeuren, zodat mijn moeder niet kon zien dat ik de wegrijdende vrachtwagen nakeek. Maar op de een of andere manier wist Bill waar ik zat en hij salueerde bijna onmerkbaar naar me toen ze de bocht in de weg omsloegen. Toen ik de keuken binnenkwam, stond mijn moeder een dubbele portie brooddeeg te kneden op tafel. Marek lag op de vloer met zijn autootjes te spelen. Moeder glimlachte op een manier die ik niet meer had gezien sinds mijn vader en Jan vertrokken waren, maar toen ze mij zag, veranderde haar glimlach in een frons. ‘Wees voorzichtiger,’ zei ze. Ik bloosde weer en vroeg me af of ik ooit iets voor haar verborgen zou kunnen houden. ‘De bewaker kan alles zien wat ik zie,’ vervolgde ze. Dat betwijfelde ik. ‘Ik weet dat het moeilijk is nu alle jongens weg zijn, maar dit kan niet.’ ‘Welke jongens?’ vroeg Marek. We negeerden hem allebei. Ik had er altijd een hekel aan gehad om te horen dat iets niet kón en besloot dan meteen te bewijzen dat het wél kon. Dat heb ik van mijn moeder; zij was precies hetzelfde. Als iemand tegen

28


haar had gezegd dat ze niet mee kon met de partizanen, zou ze het geprobeerd hebben, net als ik. Haar idee van opvoeden was mijn wil naar de hare te buigen, maar ik had altijd flink partij gegeven. Toen ik klein was, besloot ik dat ik geen konijn wilde eten. Ik perste mijn lippen opeen en weigerde het eten dat ze had gekookt. Dus zette ze me bij elke maaltijd hetzelfde bord voor en weigerde me elk ander voedsel, met de woorden: ‘Zoveel honger heb je niet, als je dit niet wilt eten.’ Dagenlang at ik helemaal niets, tot ik licht in mijn hoofd was van de honger. Toen ze dat bord met gestoofd konijn op de derde dag bij het ontbijt weer onder mijn neus schoof, groeide er een dun bontlaagje van schimmel op. Daarop greep mijn vader in, zoals ik wel verwacht had; hij voerde de stoofpot aan het varken en zei tegen mijn moeder: ‘Ze is gewoon net als jij.’ Later gaf ze mij altijd een bord gekookte rapen als we konijnenstoofpot aten, zelfs nadat ik haar had verteld dat ik het nu wel lustte. Maar ze had gelijk wat het gebrek aan jongens betrof. In de wijde omtrek was er niet eentje meer van boven de veertien. Het kleine handjevol Tsjechen was weggelopen om zich bij het verzet aan te sluiten, net als mijn vader en Jan, maar de Duitstalige meerderheid had zich vrijwillig bij het nazi-leger aangemeld of was in fabrieken elders in het Reich gaan werken. Veel meisjes met wie ik op school was geweest waren ook vertrokken, en er werd gefluisterd dat Matylda en Dagmar, twee van de meisjes die wel gebleven waren, zich vrijelijk gaven aan soldaten die in de buurt waren ingekwartierd. Hun leven ging tenminste door, terwijl het mijne gestold was als een vlieg in barnsteen, in een onveranderlijke dagelijkse routine sinds ik vijftien was. Vijf lange jaren waarin ik zoveel nieuwe dingen had moeten ontdekken, maar in plaats daarvan was mijn wereld beperkt tot deze boerderij en dit huis, met slechts af en toe een uitstapje naar de markt of naar de kerk. Een leven dat knelde als te strakke schoenen. ‘Je hebt hard gewerkt,’ zei ze, in een poging iets goed te maken.

29


Ik glimlachte met tegenzin. ‘Jij ook.’ Was er ooit een dag voorbijgegaan dat zij niet hard werkte? Wat had ze verder nog in haar leven, anders dan werken? Na de maaltijd glipte ik naar mijn kamer en haalde mijn stoffige Engelse leerboek van school tevoorschijn, sloeg het open op de eerste pagina en begon met absolute concentratie te lezen. Mijn moeders leven zou niet het mijne worden. Daar zou ik wel voor zorgen.

30


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Maggie Brookes - De verwisseling by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu