Skip to main content

Sara@Berkenhart.nl - Jan Paul Bresser

Page 1

Jan Paul Bresser

Sara@Berkenhart.nl Roman in brieven

Ambo|Anthos Amsterdam


Nooit voltooid terwijl er veel gedaan is


Einde en begin

‘Ik dacht aan geluk en vrees overviel me.’ Hij bladert voorzichtig door de nog maar pas losgesne­ den bladzijden met gedichten van Wislawa Szymborska en zijn oog valt op deze ene zin. Hij had van Sara kunnen zijn. Hij komt uit een versgeplukte bloemlezing van de Pool­ se dichteres. Einde en begin staat erop, onder haar naam. Het boek ligt op zijn schoot. Hij pakt het even op. Voelt eraan. Bekijkt het. Het cadeautje voor Sara ziet er ongeschonden uit. Hij stopt het terug in een papieren draagtasje. ‘Boeken moet je niet laten inpakken,’ had zij hem een keer geschreven, ‘dan krijgen ze geen lucht.’ Hij vist uit het tasje een ander boekje op. Het ziet er ver­ geeld uit, maar niet versleten. Op de voorkant een geknipt silhouet van een jonge vrouw die lachend een lange neus trekt. Hij draait het boekje om en ziet dat ze op de achter­ zijde een duif vrijlaat. ‘Ja, laten we elkander goed begrij­ pen: Het is voorbij. Dit moet het afscheid zijn,’ leest hij als hij de bundel openslaat en hij glimlacht bij de tweede zin: ‘Nu zal ik heel hard in mijn vingers knijpen, dan doet het me vanbinnen niet zo’n pijn.’ En wat dan nog? heet het bundeltje gedichten van An­

7


nie M.G. Schmidt. Het komt uit 1950. Hij heeft het voor haar opgediept. Van en voor Koningin Caballero, heeft hij er met potlood zacht in geschreven, onder Zorgvliet Den Haag, 21 maart 2013. Hij is met Wislawa en Annie op weg naar Sara.

8

Gelukkig zit hij in een bijna lege trein. De eersteklascoupé is voor hem alleen. Hij kijkt naar buiten. Waaiende wolken en flintertjes zonlicht komen langs. Opgejaagd door de winter die maar niet wil vertrekken en de lente die op zich laat wachten, als op een geblokkeerde trein. Ze naderen Gouda, hoort hij. Godzijdank regent het niet. Koud, maar droog op de eerste lentedag. Het is weinig, maar tenminste wat, denkt hij, en na Utrecht wordt het een blauwtje beter en voelt het minder guur aan. Achter glas. Zo voelde het vanmorgen vroeg al, toen hij samen met het ochtendgloren naar buiten ging, na een nacht zonder slaap. Hij had de brieven teruggelezen. Die van haar en die van hem. Om en om. Met de muis. Klik na klik kwamen ze in het blauw de witte bladspiegel binnen. Het had hem opnieuw verbaasd en opgemonterd. Hij keek er naar uit of zijn beeld van Sara zou kloppen. Het moest haast wel. ‘Wat denk je nou, JJ,’ voorspelde Sara in een nagestuur­ de voetnoot bij haar laatste brief, ‘je komt op 21 maart, dus sturen ze je niet de regen in. Ik ontregel desnoods de bui­ enradar. Tot woensdag, en zonder kleerscheuren, je toege­ negen Sara.’ Toegenegen. Hij glimlacht. Toegenegen. Dat ene woord. En buienradar. Een nieuw woord. Een ‘nerveuze wolken­


fluisteraar’. Ze speelde met taal. Hij was haar leerling ge­ worden. ‘Je bent een talige tovenaarsleerling, JJ, je ver­ baast...’ Kijk, hoe hij bij de gedachte alleen al opfleurt. En hoe hij erbij zit in de trein. Rechtop, of beter gezegd pront, met een winterjas naast zich. En zijn wollen sjaal om en wollen sokken en bontlaarzen (zonder veters). Je wist maar nooit. Geschoren. Luchtje op. Tweedjasje, trui eronder, overhemd met open boord. ‘Toch geen zijden stropdas? Dat beneemt je adem en lucht.’ Hij heeft de stropdas thuis gelaten. Hij voelt zich als een jonge reiziger zonder bagage. Tot nu toe niets te mopperen en zonder één klaagliedje. ‘Die zingen niet, JJ. En potjes mopperen niet. Een potje huilen, mij best. Ik heb ze in alle soorten en maten.’ Hij is ruim op tijd door een taxi afgezet en is monter voor zijn doen in een zo goed als lege trein gestapt. De intercity is precies om 11.04 uur van Den Haag Centraal vertrokken. Van spoor 9. Het was even zoeken geweest in het tochtgat van de reuze bouwkeet van wat ooit het Staatsspoor is ge­ weest. Maar goed, hij zit. En is – veilig hoopt hij – op weg naar Sara. Met alleen haar laatste brief in de binnenzak van zijn winterjas. En de bloemlezing Einde en begin. En natuurlijk En wat dan nog? Een jaar na zijn eerste brief aan Sara Berkenhart, is Jan Jacob Mooijman onderweg met de trein naar Wolvega. Voor zijn gevoel vanaf Den Haag naar het einde van de wereld. Hij is geen treinreiziger meer, eigenlijk nooit geweest. Vanaf zijn stoel kan hij op een beeldscherm volgen dat de trein

9


10

op tijd is, via Zwolle en dan de stoptrein rechtstreeks naar Wolvega - 13.26 uur precies. Haar laatste brief kent hij zo ongeveer uit zijn hoofd. (Hij heeft de korte ‘uitnodiging met twijfel’ overgeschre­ ven, met adres en route) ‘Voor een keertje dan JJ,’ had zij hem op het hart gedrukt, ‘anders raak je de weg nog kwijt en kom je in Wemeldinge terecht, in plaats van in Wol­ vega. Laat mijn brief nergens slingeren. Niet per ongeluk verliezen, JJ! Toevertrouwen en wantrouwen kunnen niet samen.’ Een man van zijn leeftijd komt de coupé binnen en vraagt of hij wel in de trein naar Maastricht zit. ‘Ik geloof van niet. Deze gaat naar Wolvega.’ Hij schrikt. ‘Mijn he­ mel, dat is de verkeerde richting. Ik moet eruit. Kan dat nog?’ Hij verontschuldigt zich en zoekt een conducteur. Jan Jacob heeft Sara nooit ontmoet, maar kent haar. Dat denkt hij tenminste. Vandaag is het de eerste lentedag en precies een jaar geleden heeft hij Sara Berkenhart gevonden of beter herontdekt. Tussen Gouda en Wolvega is het ruim twee uur te gaan en heeft hij tijd voor het spoor terug. In zijn hoofd, als op een dubbelspoor. Hij moet alleen op­ passen dat hij straks in Amersfoort op de goede trein over­ stapt. Richting Leeuwarden. Hij heeft maar drie minuten. Het kijkt op zijn horloge, strijkt door zijn grijze haar en zijn smalle gezicht weerspiegelt in het raam dat met hem meerijdt. Zijn geheugen is nog helder, weer helder. Opgeklaard, schoongewassen, ‘met de schrobber erdoor, JJ, al die blub­ ber ook’. Hij glimlacht bij het oprakelen, het gaat vanzelf. Wonderlijk hoe het bij hem blijft, vanaf het eerste


contact, de aarzelende toenadering, het aftasten, en toen de komst van de regelmaat met tussenpauzes ‘regelmaat, geen regelneef’, van mail- naar briefwisseling, ‘ik zit in een envelop, alleen jij maakt hem open. Breek het zegel niet, want dan sluit ik mijn schelp.’ De terugkeer van de bin­ nenpretjes, van een sikkeneurig een goed humeur krijgen, van schrijfplezier, van openhartigheid, van verdriet kun­ nen delen. Vriendschap op afstand. Vertrouwelijk. Bin­ nenskamers. Zo voelde het. Die zondagmorgen. Bijna van­ af de allereerste minuut. Hij weet nog hoe het dagen regende, dat vergeet je niet.

11


Windows Live

12

Er gebeurde die morgen nagenoeg niets om hem heen. Zover hij kijken kon was er stilstand, de brede straat door, langs de stammen van kastanjes, tot de grote ramen aan de overkant met tussen de gordijnen een paar schimmen die net als hij meer van steen leken dan van beweging. Het was hem opgevallen dat de duiven de laatste dagen zo goed als verdwenen waren. Het koeren was weg uit de smalle dakgoten. Vijf dagen van regen en mist, bijna on­ ophoudelijk, logisch dat ze zich verstopten, ook al was het 21 maart en voorjaar. Maar ook op lente kon je niet meer rekenen. Die was in de war, van slag, uit het spoor van de getijden geknikkerd. Net als de tijd zelf, daar was tegenwoordig geen touw aan vast te knopen. Of was dat vroeger ook zo. Een halve eeuw geleden. Hij glimlachte meewarig en klikte met het hendeltje zijn bureaustoel iets omlaag, zodat het grijze uitzicht ver­ dween en het scherm voor hem bij het openvouwen van zijn laptop als vanzelf in beeld kwam. Alsof hij aan een voorzichtige etude van Chopin begon – deinde hij met twee vingers behendig Windows Live Mail binnen, zijn mailbox, zijn nieuwe brievenbus.


Geen berichten van enig belang. Alleen wat rommel met een uitroepteken. Lokkertjes. U bent de mogelijke winnaar van de Postcodeloterij of Alles voor een sterke prostaat. Is uw pensioen wel goed geregeld? Ze wisten hem te vinden. Door de mazen heen. Het sloop naar binnen. Onophou­ delijk. De Antivirus hield het lang niet allemaal tegen en buiten zijn blikveld en zijn irritatie. Alles kwam zomaar binnendringen op dat ding. Spam heette dat. Spèm. Er was voor hem niet veel nodig geweest om de illusie te­ rug te vinden die hij jaren geleden had verloren. Sinds hij besloten had een computer aan te schaffen, was wat hij de illusie noemde, wonderlijk genoeg vanzelf teruggekeerd. Een gedroomde en gemaakte, tussen waan en werkelijk­ heid. Tikkend en klikkend de wereld over vanuit zijn bijna nog negentiende-eeuwse werkkamer, waar het naar boe­ ken rook en tapijten en bedaarde dagen. Ruim een jaar zat hij daar nu haast iedere dag, soms drie, vier uur achtereen, wellicht als een van de oudste netsurfers van het land, op zoek naar van alles, naar avon­ tuur, naar verbazing en verwondering, naar herinnering en heimwee ook, stuitend op beelden die van voor de oorlog terugkeerden, vanuit zijn jongensjaren, zomaar en in een handomdraai. ‘Ik surf al aardig mee op de digitale golf over de global village.’ Hij had het op een papiertje geschreven, met nieu­ we woorden die hem tot voor kort wereldvreemd waren. Tot die tijd had hij alles met de hand geschreven, met plezier en nog redelijk vloeiend. Hardnekkig ook tegen de tijd in, toen de schrijfmachines kwamen en alles daarna.

13


Hij hield van een handschrift, van zijn handschrift. Van inkt. Van blauwe vingers. Hij had dozen met brieven op zolder, allemaal geordend op naam en tijd. Hij had er zijn leven mee gevuld, voor een deel dan. Maar toen zijn zoon en huisarts Kasper hem na een tweede infarct had gezegd dat zijn hart een eindje versleten was en hij ondanks dot­ teren en bypasses – zacht gezegd – niet zo heel lang meer had, toen was hij voor zijn suggestie bezweken. Al had hij dat woord natuurlijk gemeden. Hij was om. 14

Het opgeruimde bureau werd voor het raam gezet, er werd een lichtgewicht laptop aangeschaft en via een simpel sys­ teem van zoeken en vinden, van oefenen en herhalen, leer­ de hij schrijven en opslaan, zoeken en mailen, surfen en googelen, wereldwijd vanaf zijn laatste smalle zandbank in een voor hem volstrekt onbekende en bleek later oeverloze zee. Het was zijn geheime tuin geworden, aan de achterkant van een kleine matte spiegel. Hij hoefde nauwelijks meer van zijn plaats. Bij een beginnend pijntje in zijn borst had hij pillen bij de hand. Via een rijdende stoel rolde hij naar de keuken voor een boterham, een kop koffie – ‘niet te veel, vader’ – of een glas wijn. En zelfstandig een typediploma halen bleek met alleen de twee wijsvingers als voertuig een fluitje van een cent. Deze laatste jaren, had hij later tegen zichzelf gezegd, ga ik niet meer met een stok de al lang niet meer wijde we­ reld in. Zijn trouwe wandelstok voor het ommetje, dat was voldoende. Hij had hem altijd bij zich. Ze gingen regelma­ tig samen aan de wandel. Als twee oude vrienden. Sara had


er plezier in. Zijn stukjes dwalen zonder verdwalen. Zijn vaste pad. Van huis naar park en terug. Van Zorgvliet naar Zorgvliet. En naar zee, als het kon vroeg in de morgen. En natuurlijk als het nog ging naar zijn Pan van Persijn, naar zijn Oostdorp, naar thuis in de duinen. Verder had hij het wel gezien, laat mij maar tot op de dag dat ik het niet meer kan, de heilige computer ontdekken. Heilige computer, had hij dat gedacht? Was het ironisch bedoeld geweest, vanuit zijn onver­ woestbare scepsis bij nieuwigheden, bij ‘hypes’, vooral in de huiskamer? Of was het toch een laatste en misschien wel meest gemakkelijke verbinding met een oneindig laagland achter Gods rug? De verbinding was in werking voor hij er erg in had. De mooie glimmend zwarte laptop was al uitgepakt en ge­ ïnstalleerd, terwijl het idee alleen al nog tegenstribbelde. Maar toen een behulpzame jongeman van de een of an­ dere helpdesk hem alle kneepjes van het ding had toever­ trouwd, werd aarzeling hulpeloos en won de nieuwsgierig­ heid. Voor de spiegel zag hij weer wat helderheid in zijn gezicht. Zijn ogen waren de fletsheid van de schok van zijn gekneusde hart kwijt. Door zijn enige kleindochter Femke was hij vrij snel naar Facebook gelokt. ‘U kunt niet zonder, opa,’ en lachend ‘ik kan uw gezicht hier in Frankrijk niet missen. Ik help u wel uw book bin­ nen.’ ‘Laat maar lieve kind, mail me maar. Dat is mooi (en moeilijk) genoeg en ik kan je altijd nog een gewóne brief schrijven. Als verrassing in de Franse brievenbus. Met een Hollandse postzegel.’

15


16

‘Maar, lieve opa,’ had Femke gewaarschuwd, ‘ik vind het fijn als u op Facebook komt, maar denk er wel aan dat u zich daar dan niet in verliest. Er is nog zo veel voor u te beleven, computers zijn maar dooie dingen, alle diepte is bedrog, alle opgeroepen spanning schijn, plat is het, en we kunnen u toch overal naartoe rijden als we in Nederland zijn. Naar het Concertgebouw, tentoonstellingen, de film. Wandelen langs zee, uit eten in uw favoriete restaurants, dat is nog lang niet afgelopen, daar hield u zo van, dat lukt nog best wel.’ ‘Mijn lieve Femke, dat gaat misschien nog wel, maar ik wil het niet meer,’ had hij geantwoord. ‘De goeie god heeft ons de computer verschaft en in die kleine kast is wellicht meer betovering en afleiding te vinden dan in alle piano­ concerten van Mozart samen of in de schilderijen van Bon­ nard of in de smaak van een goed bereide rog met bruine boter en wilde spinazie. Mijn nieuwsgierigheid beurt mijn vermoeide lijf misschien juist een beetje op, in deze kamer loop ik mijn laatste wandelingen, dus als je langs komt hier, vertél me dan maar van buiten, laat me weten hoe het daar is, al is het alleen maar de geur van de tuinen na een regenbui of het morgenlicht in de stille hoeken van de stad of de kleur van de ogen van die jongen van laatst.’ Ze had gelachen, en hem een kus toegeworpen en ze was uit beeld gegaan, met een licht gevoel van verbijste­ ring. Eigenzinnig, eigengereid, maar ongelooflijk was hij, haar opa. Geen haar op zijn grijze hoofd dacht eraan om van plooi te veranderen. Zijn laatste wil was al in werking, voor ze het hadden geweten.


Zijn kleindochter woonde samen met haar moeder op het Franse platteland. Zijn zoon had zijn praktijk in Scheve­ ningen tijdelijk overgedaan aan een collega en werkte voor drie jaar bij Artsen zonder Grenzen. Dan maar vrolijk verder op twee vingers, had hij tegen zichzelf gezegd. Taal kan best zonder papier, en als je op een laptop een zin schrijft als ‘het vochtige morgenlicht hangt tussen de schaduwen van de kastanjebomen’, dan is het goed mogelijk om in een enigszins schemerige werk­ kamer in de stad het buitenleven te ruiken. Googelen was voor hem een soort van goochelen. Tover waar je bij zat. In een handomdraai van nergens naar over­ al. En terug. Hij zat daar kaarsrecht in zijn bureaustoel, geconcen­ treerd met de bril op het puntje van zijn neus en als je hem daar zou kunnen zien, soms heel vroeg in de morgen, terwijl hij nog in zijn badjas bijna fluitend de computer opstartte, een jaar na zijn infarcten, zou je het bijna niet geloven. Zo begon het digitale leven van Jan Jacob Mooijman. Met pijn in zijn handen soms en in het begin doodmoe na een uur van kijken en zoeken, van klikken en tikken, zette hij zijn rest aan tijd om in wat hij weer als een belevenis voelde. Hij vond een even oneindige als omsloten wereld, waarin hij ongehinderd kon rondneuzen in de tijd, over grenzen heen, oeverloos en veel te veel. Fascinerend was het. En schokkend, dat ook. Alles was mogelijk. Alles mocht. Alles kon. Met je neus overal bovenop. Hij nam een andere naam aan. Surfde over het net, ging op Facebook. Ongegeneerd, want niemand

17


18

die erop lette. Ongepast bestond niet. Niemand keek over zijn gebogen schouders met hem mee. Hij moest eraan wennen, aan dat eenrichtingsverkeer. Iedereen is met el­ kaar bezig, maar niemand ziet je. Onopgemerkt in een afgeladen voetbalstadion. Als hij niet uitkeek, werd alles net Êcht. Zo googelde hij binnen waar hij maar wilde. Het werkte verslavend, waar hij bij zat, de laptop. Het waren gelukkige dagen, maar ook die slijten snel aan te veel van hetzelfde. Deze wereld is niet de mijne, dacht hij na een blauwtje en een slapeloze nacht en bijna had hij de laptop in de vuilnisbak gekieperd. Bijna.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Sara@Berkenhart.nl - Jan Paul Bresser by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu