Liefde in de wildernis gaat over het lef om een vrij en authentiek leven te leiden, en is wederom een fantastisch inspirerend verhaal! – FLOORTJE DESSING
MIRIAM LANCEWOOD (1983) is geboren en getogen in de Achterhoek. Ze was een competitieve polsstokhoogspringer en studeerde Lichamelijke Opvoeding. Tijdens een van haar reizen in Afrika en India ontmoette ze de 30 jaar oudere Peter Lancewood.
Ook verkrijgbaar:
www.kosmosuitgevers.nl ISBN 9789021564098
LIEFDE IN DE WILDERNIS
In haar eerste boek, Mijn leven in de wildernis, vertelt Miriam Lancewood over haar leven in de wildernis van NieuwZeeland met haar man. Na het succes van dit boek zwerven Miriam en Peter twee jaar als nomaden door de bossen van Europa en langs de kustlijn van Turkije. Het is een leven vol liefde, overleven en zelfontdekking, maar ook zonder enige zekerheid. Totdat Peter ernstig ziek wordt en overleven in een heel ander daglicht komt te staan. Heeft Miriam genoeg geleerd in de wildernis om ook dit persoonlijke drama te overleven?
LIEFDE IN DE WILDERNIS Een tocht op de rand van leven en dood
Inhoud
Voorwoord 9 1 Frankrijk 13
Het voorjaar tegemoet
2 Zwitserland 43
Het land van de precisie
3 Duitsland 65
In de voetsporen van de koning
4 Bulgarije 93
Onverwachte ontmoetingen
5 Turkije 131
De Lycische Weg in de winter
6 Bulgarije 161
De terugkeer
7 Australië 187
Onverwachte waanzin
8 Australië 205
‘Het leven is een reis door de woestijn’
9 Australië 221
H van Hospital
10 Nieuw-Zeeland 241
Een heroïsche vrouwenexpeditie
11 Nieuw-Zeeland 279
Op het randje
Epiloog 299 Dankbetuiging 302
Dit boek is opgedragen aan mijn man Peter Raine, die velen inspireert met de onbevreesde beslissingen die hij neemt in het leven. En aan mijn nichtje Bonnie en neefje Rafael. Dat ze op een dag allebei de vrijheid tegemoet durven vliegen.
Gedicht van mijn vader: In de voren van de aarde wachten zaden tot de zon hen doet opstaan uit de grond als je luistert zingt het koren hoe van sterven leven komt.
Voorwoord
I
k ben geboren in 1983 en groeide op in een liefdevol gezin in Nederland. Na mijn studie heb ik een jaar in Afrika gewerkt, waarna ik naar India ben gereisd waar ik Peter ontmoette, een Nieuw-Zeelander die vijf jaar daarvoor zijn baan als universitair docent had opgegeven om een vrij, nomadisch leven te leiden. Samen hebben we een paar jaar rondgetrokken in de Himalaya, Zuidoost-AziĂŤ en Papoea-Nieuw-Guinea, voor we naar Nieuw-Zeeland gingen. Na daar een jaar als gymlerares te hebben gewerkt hebben we al onze bezittingen weggegeven, afscheid genomen van familie en vrienden en zijn we de wildernis van het Nieuw-Zeelandse Zuidereiland ingetrokken. We waren benieuwd hoe we fysiek en mentaal zouden reageren op het leven in een uitgestrekt en ongerept landschap. Een jaar werd twee jaar, en uiteindelijk leefden we zeven jaar lang als nomaden in de bergen. Met een minimale voedselvoorraad leefden we voornamelijk van de jacht en het verzamelen van planten en bessen. Ik leerde jagen met pijl en boog, en later met een geweer, en Peter bereidde smakelijke maaltijden van de geiten, varkens en konijnen die ik schoot. We vergaarden kennis over medicinale planten, Peter leerde me hoe ik een moestuin kon houden, we vingen possums in vallen en van hun vacht maakte ik kleren. We kookten op een houtvuur, hadden altijd wel een snelstromende rivier in de
9
buurt, en op zonnige dagen trokken we de bergen in. Soms zagen we wekenlang geen andere mensen, maar we voelden ons nooit eenzaam in de schoonheid en rust van de Zuidelijke Alpen. We vonden er innerlijke rust, zuiverheid en geluk. Na zeven jaar in de wildernis besloten we aan een nieuw avontuur te beginnen en Nieuw-Zeeland te verlaten om door Europa te wandelen...
10
WildAtHeart_TEXT_FNL.indd 10
WEST-EUROPA
wandelroute
D UI TS L A ND F R A N KRIJ K
Bodenmeer
Kasteel Neuschwanstein
Salzburg Berchtesgaden
Bregenz
(eind van de tocht)
O O S T E NRI JK
Z WITSERL AND 10
Zwitserse Alpen Genève
I TA L I Ë
Grenoble 27/07/20 11:02 AM
Valence
Grande Chartreuse
Vassieuxen-Vercors
(begin van de tocht)
1 Frankrijk Het voorjaar tegemoet
W
e zeiden de besneeuwde bergen en bosrijke valleien, heldere rivieren, ongerepte meren, gletsjers en grillige kusten vaarwel. We keken naar de langzaam dovende kooltjes van ons vuur en voor de laatste keer dronken we het pure water van een heldere rivier. We floten een afscheidsmelodie voor de tu--ı en de klokvogel, rolden onze tent op, hesen onze rugzak op de schouders en liepen naar het vliegveld. We wilden een nieuw gebied leren kennen: Europa. ‘Het is een groot continent, er gaat vast van alles gebeuren,’ had Peter gezegd. ‘Als ik nu niet ga, komt het er niet meer van.’ We vlogen vierentwintig uur lang boven wolken, oceanen, woestijnen en uitgestrekte wildernissen. In Parijs werden we het vliegtuig uit geloodst en door eindeloze gangen en hallen naar de douane geleid. Het was lang geleden dat ik zoveel mensen bij elkaar had gezien, en ik vergaapte me aan al die verschillende gezichten en luisterde naar de vele talen om mij heen. Op knipperende schermen lazen we waar we heen moesten en wat we konden verwachten. Overal hingen klokken, zodat we konden zien hoeveel tijd er nog van de dag over was, en in de verte riepen mechanische stemmen boardingtijden om. Maar het overheersende geluid was het constante geratel van rolkoffers over de betegelde vloer.
13
We liepen door lange hallen naar de metro. Daar gingen we op zoek naar een loket met een mens van vlees en bloed om kaartjes te kopen, maar zagen alleen mensen in de rij staan voor een machine. We stonden een poosje naar de gele automaat te kijken. Omdat we niets fout wilden doen, besloten we hulp te vragen. Een meisje met een vriendelijk gezicht liep onze kant uit, maar schudde haar hoofd toen ik op haar af liep, en verdween in een tunnel. Toen kwam er een jongetje op blote voeten om geld bedelen. Met zijn donkere huid en zijn halflange, ongekamde haar zag hij eruit als een Roma, en zijn korte broek was veel te groot voor zijn dunne beentjes. ‘Ticket?’ vroeg ik met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Billet?’ Zonder ook maar te kijken drukte hij razendsnel een paar toetsen in. Hij liet ons zien hoeveel de kaartjes zouden kosten, en daar rolden ze al uit de automaat. ‘Merci beaucoup, monsieur!’ Ik schudde zijn plakkerige hand en gaf hem een euro voor zijn moeite. Het muntstuk verdween in zijn zak, hij groette ons en daar ging hij: de kleine chef van het metrostation. Met ons kaartje gingen we door de tourniquets, en meteen raakten we in een menigte verzeild die zich snel, vastberaden en geconcentreerd voortbewoog. We lieten ons meevoeren door de stroom, maar instinctief bleef ik met mijn rug naar de muur lopen, zodat ik alles om me heen kon zien. Jarenlang had ik in de bossen gejaagd, waar ik me in de schaduwen verborg, vaak met mijn rug tegen een boom of een rots, wachtend op een beweging. Diezelfde instincten namen het hier in het hart van Parijs weer over. We moesten veel tunnels door, waar een bedompte, viezige lucht hing. Het was een vreemde gewaarwording om onder de grond te zitten, onzichtbaar, en verstoken van frisse lucht. In de metro hielden we onze rugzak om en stonden heen en weer deinend in het middenstuk waar we ons vasthielden aan de vet-
14
tige stangen, zoals miljoenen voor ons hadden gedaan. Iedereen zweeg. Aangekomen bij onze halte liepen we snel de trap op, naar het natuurlijke licht van het perron, blij dat we weer onder de levenden waren. Na even te hebben gewacht op het prachtige oude station stapten we in een trein naar het zuiden. We waren in de herfst uit Nieuw-Zeeland vertrokken, maar in Frankrijk was het volop voorjaar. Vanuit de trein zagen we overal bloesem, bloemen en bomen die net in blad stonden. Een zacht glooiend landschap trok aan ons voorbij, velden met heggen, stroken heldergroen bos en in de verte vaak de toren van een dorpskerkje. Een paar jaar geleden hadden mijn ouders in Nederland hun hele hebben en houden verkocht en waren naar Frankrijk geÍmigreerd. In het noorden van de Ardèche hadden ze een watermolen uit de zestiende eeuw gekocht, en door hun achtertuin liep een prachtige beek tussen de rotsen en keien door. Het was een land van heuvels en bossen, kastanjes en bosbessen. En vanaf de heuveltoppen kon je de Franse Alpen zien liggen. Het was heerlijk om mijn ouders na drie jaar weer terug te zien. We logeerden bij hen in hun ruime huis, waar Peter en ik plannen maakten voor onze voorgenomen trektocht. We wisten al dat wandelen de beste manier is om een land te leren kennen, en we waren vertrouwd met een leven van lange voettochten. We waren allebei redelijk fit, hadden onze hele uitrusting meegenomen en waren klaar voor een nieuw avontuur. In de loop der jaren hadden we onze bezittingen tot het minimum beperkt. Van alles wat niet absoluut nodig was, zoals een camera, telefoon of horloge, hadden we al lang geleden afscheid genomen. Het afgelopen jaar hadden we drieduizend kilometer gelopen, van het noordelijkste puntje van Nieuw-Zeeland naar het uiterste zuiden. Een trektocht door Europa zou minder primitief worden, minder zwaar, maar leek ons wel romantischer. Die riep beelden
15
op van rondtrekkende pelgrims, middeleeuwse zwervers en zigeuners met paard-en-wagen. We bestudeerden lange-afstandspaden in zonnige landen, en ontdekten dat er tientallen paden door Europa liepen met namen als E1, E2, E3, enzovoort. De E4 liep van west naar oost en leek ons het meest geschikt. Eigenlijk was het een aaneenschakeling van bestaande, kortere wandelpaden. In Frankrijk zouden we de Grande Randonnée 9 volgen, in Zwitserland de Route des Crètes du Jura, en in Oostenrijk en Duitsland de Maximilliansweg. Wat we na Oostenrijk zouden doen, zagen we dan wel weer. Maar ons uiteindelijke doel was Istanbul. De vroegere naam Constantinopel klonk ons exotisch en opwindend in de oren. We stelden ons al voor dat mensen ons onderweg zouden vragen: ‘Waar gaan jullie naartoe?’ en dat we dan antwoordden: ‘We lopen naar Istanbul!’ Ik ben er nooit achter gekomen hoeveel kilometer de hele route besloeg, maar we zouden alvast een begin maken, en daar ging het om. Het begin van een reis is het belangrijkst, want daarna dient het avontuur zich vanzelf aan. Het was al in de middag toen mijn ouders ons bij het begin van de route afzetten in een klein dorp bij Valence. We bedankten hen voor alles en namen afscheid met een omhelzing. We hadden een maand samen doorgebracht en wisten niet wanneer we elkaar weer zouden zien. Mijn vader sloot me in zijn armen en zei dat hij heel blij was dat ik mijn eigen weg had gevonden – en dat het jammer was dat we weer afscheid moesten nemen. ‘Maar ik ben vooral erg blij dat je bestaat,’ zei hij. ‘Dat je er bent.’ ‘Dag liefke,’ zei mijn moeder. Ze hield me vast en keek me aan: ‘Heb ik alles gezegd wat ik wilde zeggen?’ ‘Ja, dat denk ik wel,’ zei ik. ‘Je hebt ver gereisd, je hebt jezelf vrijgevochten, een eigen weg gebaand. Maar je hebt er ook veel voor moeten opgeven.’
16
‘Ja,’ zei ik. De tranen schoten me in de ogen. ‘Jullie.’ ‘Het kan niet anders, liefke.’ Ze veegde een traan van mijn wang. ‘Vrijheid is je innerlijke vuur. Zonder dat vuur is er geen licht in je hart.’ Ze gaf me mijn wandelstokken aan en zei met een lach: ‘Op goed geluk!’ ‘Op roakeldais!’ zei mijn vader op zijn Gronings. Peter lachte, de woorden begreep hij niet, maar de strekking wel. ‘Bye bye,’ zei Peter. ‘Bye bye,’ zei mijn vader en hij nam Peters hand in beide handen. ‘Dag laiverds,’ zei ik, door mijn tranen heen lachend. Peter en ik deden onze zware rugzakken om en begonnen aan onze lange wandeling over een smal weggetje. Telkens als ik over mijn schouder keek, zag ik mijn moeder midden op de weg staan zwaaien. Op het laatst was ze nog maar een klein figuurtje, maar ik zag dat ze daar wilde blijven staan tot we de bocht om waren. Want het was de laatste keer dat we elkaar zouden zien in de komende jaren. Toen we voor de laatste keer zwaaiden, dacht ik aan de levenslessen die mijn ouders me hadden meegegeven. Ze hadden me altijd aangemoedigd het avontuur tegemoet te gaan – om dapper te zijn. Maar ze hebben me ook geleerd dat het belangrijk is je kwetsbaar te kunnen opstellen. Want in kwetsbaarheid schuilt juist de kracht met anderen contact te kunnen maken. Ik draaide me om en volgde Peter de bocht om. Naast de weg stonden een paar eiken, en ik was ze dankbaar voor hun schaduw. Het was een warme middag, we hadden amper vijftig meter gelopen, maar ik was al drijfnat van het zweet. We bereikten het eind van de weg, vanwaar een pad steil omhoog liep. Ik keek Peter aan en vroeg: ‘Ben je er klaar voor?’ ‘Nee. En jij?’ ‘Ik ook niet. Ik ben nu al moe.’
17
Liefde in de wildernis gaat over het lef om een vrij en authentiek leven te leiden, en is wederom een fantastisch inspirerend verhaal! – FLOORTJE DESSING
MIRIAM LANCEWOOD (1983) is geboren en getogen in de Achterhoek. Ze was een competitieve polsstokhoogspringer en studeerde Lichamelijke Opvoeding. Tijdens een van haar reizen in Afrika en India ontmoette ze de 30 jaar oudere Peter Lancewood.
Ook verkrijgbaar:
www.kosmosuitgevers.nl ISBN 9789021564098
LIEFDE IN DE WILDERNIS
In haar eerste boek, Mijn leven in de wildernis, vertelt Miriam Lancewood over haar leven in de wildernis van NieuwZeeland met haar man. Na het succes van dit boek zwerven Miriam en Peter twee jaar als nomaden door de bossen van Europa en langs de kustlijn van Turkije. Het is een leven vol liefde, overleven en zelfontdekking, maar ook zonder enige zekerheid. Totdat Peter ernstig ziek wordt en overleven in een heel ander daglicht komt te staan. Heeft Miriam genoeg geleerd in de wildernis om ook dit persoonlijke drama te overleven?
LIEFDE IN DE WILDERNIS Een tocht op de rand van leven en dood