Skip to main content

De vrouw die haar stoute schoenen zocht - Cecelia ahern

Page 1

1 De vrouw die langzaam verdween 1 Er wordt zacht geklopt, waarna de deur opengaat. Rada, de verpleegkundige, komt binnen en doet de deur achter zich dicht. ‘Hier ben ik,’ fluistert de vrouw. Rada kijkt zoekend de kamer door en volgt het geluid van haar stem. ‘Hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik,’ herhaalt de vrouw zachtjes, totdat Rada niet meer rondkijkt. Ze kijkt te hoog en te veel naar links, meer naar de vogelpoep op het raam, die de afgelopen drie dagen door de regen deels is weggespoeld. De vrouw slaakt een zucht in haar stoel bij de vensterbank, van waaruit ze uitzicht heeft over het universiteitscomplex. Toen ze naar dit academische ziekenhuis ging, had ze goede hoop dat ze genezen kon worden, maar in plaats daarvan voelt ze zich na een halfjaar net een laboratoriumrat. Wetenschappers en artsen doen onderzoeken en steken naalden in haar, in steeds wanhopiger pogingen om te achterhalen waar ze aan lijdt. Ze blijkt een zeldzame, complexe genetische afwijking te hebben waardoor de chromosomen in haar lichaam verdwijnen. Ze vernietigen zichzelf niet, ze houden er ook niet mee op, ze mute-

11


ren niet eens. Haar organen lijken allemaal perfect te werken; uit alle onderzoeken blijkt dat alles in orde en gezond is. Eenvoudig gezegd: ze verdwijnt, maar ze is er nog steeds. In het begin gebeurde het heel geleidelijk. Het viel bijna niet op. Ze hoorde vaak: ‘O, ik had je helemaal niet gezien.’ Mensen schatten de ruimte die ze innam verkeerd in: ze botsten tegen haar schouders en trapten op haar tenen, maar dat deed nog geen belletje rinkelen. Aanvankelijk niet. Ze vervaagde gelijkmatig. Er verdween niet ineens een hand of teen, noch had ze plotseling een oor minder, het was een geleidelijke, gelijkmatige vervaging; ze verdween. Ze werd een schim, zoals de trillende lucht boven een snelweg in de hitte. Ze was een vage contour met een wankel centrum. Als je goed je best deed, kon je wel zien dat ze er was, afhankelijk van de achtergrond en omgeving. Ze kwam er al snel achter dat hoe rommeliger en drukker afgewerkt de ruimte was, hoe makkelijker mensen haar konden zien. Voor een effen muur was ze nagenoeg onzichtbaar. Ze zocht behang met een patroon uit als achtergrond, rijkelijk versierde stoffen stoelen om op te gaan zitten, want haar contouren maakten het patroon vager, zodat mensen hun ogen half dichtknepen en nog een keer keken. Zelfs toen ze bijna helemaal onzichtbaar was, deed ze haar uiterste best om gezien te worden. Wetenschappers en artsen hebben haar maandenlang onderzocht, journalisten hebben haar geïnterviewd, fotografen hebben hun best gedaan om haar te verlichten en op beeld te vangen, maar eigenlijk deden ze niet veel om haar te helpen bij haar herstel. Eerlijk gezegd raakten ze, hoe zorgzaam en lief sommigen ook waren, alleen maar opgewondener naarmate het erger met haar gesteld was. Ze vervaagt en niemand, zelfs de beste deskundigen ter wereld niet, weet waarom. ‘Ik heb een brief voor je,’ zegt Rada, die haar uit haar gedachten wekt. ‘Volgens mij moet je deze direct lezen.’

12


Haar nieuwsgierigheid is gewekt, de vrouw ontwaakt uit haar gemijmer. ‘Hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik,’ zegt ze zachtjes, zoals haar is opgedragen. Rada volgt het geluid van haar stem, met de knisperende envelop in haar uitgestoken hand. Ze houdt hem omhoog. ‘Dank je wel,’ zegt de vrouw, die de envelop van haar aanpakt en hem bestudeert. Hoewel hij een chique poederroze tint heeft, doet hij haar denken aan een uitnodiging voor een kinderfeestje. Ze voelt eenzelfde opwinding. Rada is enthousiast, wat de vrouw nieuwsgierig maakt. Het is niet uitzonderlijk dat ze post krijgt – ze krijgt elke week talloze brieven van over de hele wereld: deskundigen die zichzelf aanprijzen, vleiers die haar vriend willen worden, religieuze fundamentalisten die haar willen verjagen, ranzige mannen die erom smeken elk walgelijk verlangen dat ze hebben te botvieren op een vrouw die ze wel kunnen voelen, maar niet zien. Maar ze moet toegeven dat deze envelop anders voelt dan de andere, met haar naam in prachtige gekalligrafeerde letters erop geschreven. ‘Ik herken de envelop,’ antwoordt Rada opgewonden, terwijl ze naast haar gaat zitten. Ze opent de dure envelop voorzichtig. Hij voelt luxe aan, en hij heeft iets veelbelovends en troostrijks. Ze laat het handgeschreven kaartje eruit glijden. ‘Professor Elizabeth Montgomery,’ lezen ze in koor voor. ‘Ik wist het wel. Dit is het dan!’ zegt Rada. Ze pakt de hand van de vrouw waarin het kaartje zit en geeft er een kneepje in.

2 ‘Hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik,’ herhaalt de vrouw, terwijl het team van artsen en verpleegkundigen haar helpt verhuizen naar de nieuwe instelling, die wie weet hoelang

13


haar nieuwe thuis zal zijn. Rada en de paar verpleegkundigen met wie ze een hechte band heeft gekregen vergezellen haar van haar slaapkamer naar de gereedstaande limousine, die professor Elizabeth Montgomery heeft gestuurd. Niet alle artsen zijn er om afscheid te nemen; degenen die er niet zijn protesteren daarmee tegen haar vertrek, na al hun werk en toewijding aan haar. ‘Ik ben binnen,’ zegt ze, en dan gaat het portier dicht.

3 Verdwijnen doet niet fysiek pijn. Emotioneel gezien is het een heel ander verhaal. Het emotionele gevoel van verdwijnen begon toen ze net vijftig was, maar ze werd zich pas drie jaar geleden bewust van het feit dat ze fysiek verdween. Het proces verliep langzaam maar gestaag. Ze hoorde: ‘Sorry, ik zag je niet’, of: ‘Ik hoorde je helemaal niet binnenkomen’, of een collega onderbrak zijn verhaal om haar het begin ervan te vertellen, dat ze al had gehoord omdat ze er de hele tijd bij had gestaan. Ze werd het zat hun te moeten zeggen dat ze er al vanaf het begin bij was geweest en het baarde haar zorgen dat het zo vaak gebeurde. Ze begon kleding met fellere kleuren te dragen, ze liet highlights in haar haren aanbrengen, ze sprak harder, ventileerde haar mening, liep stampend – alles om maar op te vallen. Ze wilde mensen bij hun wangen grijpen en hen in haar richting draaien, om zo oogcontact af te dwingen. Ze wilde schreeuwen: Kijk naar me! Op de ergste dagen ging ze volkomen verpletterd en wanhopig naar huis. Dan keek ze in de spiegel om te controleren of ze er nog was, om zich dat feit in te prenten; ze stak zelfs een zakspiegeltje in haar tas voor die momenten in de metro dat ze ervan overtuigd was dat ze was verdwenen.

14


Ze was opgegroeid in Boston en daarna naar New York verhuisd. Ze had gedacht dat een stad met acht miljoen mensen een ideale plek zou zijn om vriendschap, liefde en relaties te vinden, om een leven op te bouwen. En lange tijd was dat ook zo, maar de afgelopen jaren heeft ze ondervonden dat ze zich eenzamer voelde naarmate er meer mensen waren. Omdat daardoor haar eenzaamheid versterkt werd. Ze is nu met ziekteverlof, maar daarvoor werkte ze bij een financieel dienstverlener met 150.000 werknemers in 156 landen. Bij haar op kantoor aan Park Avenue werkten bijna drieduizend mensen en toch voelde ze zich naarmate de jaren verstreken steeds vaker over het hoofd gezien, helemaal niet gezien. Op haar 38e kwam ze vervroegd in de overgang. Het was intens, het zweet doorweekte haar lakens, vaak zo erg dat ze twee keer per nacht haar bed moest verschonen. Vanbinnen voelde ze explosieve boosheid en frustratie. In die jaren wilde ze alleen zijn. Bepaalde stoffen irriteerden haar huid en deden haar opvliegers opflakkeren, waardoor haar woede ook weer opflakkerde. Ze kwam in twee jaar tijd tien kilo aan. Ze kocht nieuwe kleding, maar niets voelde lekker of paste goed. Ze voelde zich ongemakkelijk in haar eigen huid; ze was onzeker tijdens de door mannen gedomineerde vergaderingen waar ze zich daarvoor wel op haar gemak had gevoeld. Ze dacht dat elke man in de ruimte het wist, dat iedereen de plotselinge opvlieger zag als haar hals rood aanliep en haar gezicht begon te zweten, als haar kleren tijdens een presentatie of zakenlunch aan haar lijf plakten. In die periode wilde ze niet dat iemand naar haar keek. Ze wilde niet dat iemand haar zag. Als ze ’s avonds uitging zag ze de prachtige jonge lijven in minuscule jurken en schoenen met belachelijk hoge hakken sexy dansen op nummers die ze kende en die ze kon meezingen omdat ze nog steeds op deze planeet leefde, ook al was die niet meer

15


op haar afgestemd, terwijl mannen van haar eigen leeftijd meer aandacht besteedden aan de jonge vrouwen op de dansvloer dan aan haar. Zelfs nu is ze nog een betekenisvol iemand die de wereld iets te bieden heeft, maar zo voelt het niet. ‘Vervagende vrouw’ en ‘Verdwijnende vrouw’ noemen de kranten haar; op haar achtenvijftigste is ze overal ter wereld voorpaginanieuws. Specialisten zijn uit de hele wereld ingevlogen om haar lichaam en geest te onderzoeken, waarna ze weer vertrokken zonder een conclusie getrokken te hebben. Desondanks zijn er veel artikelen geschreven en prijzen toegekend, en is er geapplaudisseerd voor de toppers van hun vakgebied. Een halfjaar geleden is ze voor het laatst verder vervaagd. Ze is nu nog maar een schim, en ze is uitgeput. Ze weet dat ze haar niet kunnen genezen; ze ziet elke specialist enthousiast arriveren, haar opgewonden onderzoeken en dan lusteloos vertrekken. Elke keer dat ze ziet dat ze hun hoop verliezen, kalft haar eigen hoop verder af.

4 Als ze Provincetown op het schiereiland Cape Cod nadert, haar nieuwe bestemming, maken onzekerheid en angst plaats voor hoop bij de aanblik vóór haar. Professor Elizabeth Montgomery staat bij de deur van haar praktijk op haar te wachten; wat vroeger een verlaten vuurtoren was, staat er nu bij als een imposant baken van hoop. De chauffeur opent het portier. De vrouw stapt uit. ‘Hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik, hier ben ik,’ zegt de vrouw, die zich over het pad haast om de professor te begroeten. ‘Wat zeg je?’ vraagt professor Montgomery met gefronst voorhoofd.

16


‘Dat moest ik in het ziekenhuis zeggen,’ zegt ze zachtjes. ‘Zodat iedereen weet waar ik ben.’ ‘Nee, nee, nee, zo doen we dat hier niet,’ zegt de professor bruusk. Eerst heeft de vrouw het gevoel dat ze een standje heeft gekregen, en ze is van slag omdat ze in de eerste minuut na haar aankomst al iets verkeerd heeft gedaan, maar dan dringt het tot haar door dat professor Montgomery haar recht in de ogen heeft aangekeken, verwelkomend een kasjmier deken om haar schouders heeft geslagen en nu samen met haar de trap naar de vuurtoren op loopt terwijl de chauffeur haar tassen meeneemt. Het is het eerste oogcontact dat ze in lange tijd met iemand anders dan de kat op het universiteitsterrein heeft gehad. ‘Welkom in de Montgomery-vuurtoren, waar de opmars van vrouwen begint,’ zegt professor Montgomery, die haar het gebouw in begeleidt. ‘Het zijn wat veel woorden en het is wat narcistisch, maar het is toch aangeslagen. Eerst noemden we het de “Montgomery-retraite voor vrouwen”, maar dat heb ik snel veranderd. Een retraite komt zo negatief over: je bij iets moeilijks, gevaarlijks of onprettigs vandaan bewegen. Terugschrikken, terugdeinzen, wegkruipen, je terugtrekken. Nee, dat gebeurt hier niet. Hier doen we het tegenovergestelde: het is een opmars. We gaan vooruit, boeken vooruitgang, we verheffen ons, we groeien.’ Ja, ja, ja, dit heeft ze nodig. Niet teruggaan, niet terugkijken. Dr. Montgomery brengt haar naar de inschrijfbalie. Het voelt griezelig verlaten aan in de vuurtoren, hoewel het er prachtig is. ‘Tiana, dit is onze nieuwe gast.’ Tiana kijkt haar recht aan en geeft haar een kamersleutel. ‘Hartelijk welkom.’ ‘Dank u wel,’ fluistert de vrouw. ‘Hoe kan het dat ze me zag?’ vraagt ze.

17


Dr. Montgomery geeft haar een opbeurend kneepje in haar schouder. ‘We hebben veel te doen. Zullen we maar beginnen?’ De eerste sessie vindt plaats in een kamer met uitzicht op Race Point Beach. Als ze de golven tegen de kust hoort breken, de zilte lucht en de geurkaarsen ruikt, de meeuwen hoort krijsen, weg van de karakteristieke steriele ziekenhuisomgeving die als haar toevluchtsoord had gediend, staat de vrouw het zichzelf toe om te ontspannen. Professor Elizabeth Montgomery, 66 jaar, met een geweldig stel hersens en een stapel diploma’s, zes kinderen, een echtscheiding en twee huwelijken, is de meest glamoureuze vrouw die ze ooit in levenden lijve heeft gezien. Ze zit in een rieten stoel die wordt verzacht door een hele berg kussens, en schenkt muntthee in niet bij elkaar passende theekopjes. ‘Mijn theorie,’ zegt professor Montgomery, die haar benen dicht tegen haar lichaam optrekt, ‘is dat jij jezelf hebt laten verdwijnen.’ ‘Heb ik dit zélf gedaan?’ vraagt de vrouw. Ze hoort haar stem omhooggaan, voelt de woede opvlammen als haar korte ogenblik van vrede doorbroken wordt. Professor Montgomery glimlacht die prachtige glimlach. ‘Ik wijt het niet alleen aan jou, maar ook deels aan de maatschappij. Ik wijt het aan de ophemeling en seksualisering van jonge vrouwen. Ik wijt het aan de nadruk op schoonheid en uiterlijk, de druk om te voldoen aan andermans verwachtingen, terwijl mannen dat niet hoeven.’ Haar stem is hypnotiserend. Hij klinkt vriendelijk. Kordaat. Hij klinkt niet boos. Of veroordelend. Of verbitterd. Of verdrietig. Hij is gewoon. Omdat alles gewoon is. De vrouw heeft kippenvel. Ze gaat rechtop zitten, haar hart bonkt. Dit heeft ze nog niet eerder gehoord. Deze theorie – de

18


eerste nieuwe theorie in maanden – haalt haar fysiek en emotioneel overhoop. ‘Zoals je je wel kunt voorstellen, zijn veel van mijn mannelijke collega’s het niet met me eens,’ zegt professor Montgomery laconiek, terwijl ze een slok thee neemt. ‘Het is een bittere pil. Voor hen. Dus ben ik mijn eigen kliniek begonnen. Jij bent niet de eerste verdwijnende vrouw die ik heb gesproken.’ De vrouw gaapt haar aan. ‘Ik heb vrouwen onderzocht en geanalyseerd, net als die deskundigen bij jou hebben gedaan, maar het heeft even geduurd voordat ik wist hoe ik jouw aandoening moest genezen. Ik moest zelf ouder worden om het echt te begrijpen. Ik heb dit uitvoerig onderzocht en er veel over geschreven; zodra vrouwen ouder worden, worden ze uit de wereld geschreven. Ze zijn niet meer op televisie, in films of in modetijdschriften te zien; als ze al in de praatprogramma’s komen die overdag worden uitgezonden, praten ze over uitvallende lichaamsfuncties of kwalen, of ze prijzen allerlei smeerseltjes aan die de tekenen van het ouder worden bestrijden, alsof die bestreden moeten worden. Klinkt dat je bekend in de oren?’ De vrouw knikt. Professor Montgomery vervolgt: ‘Oudere vrouwen worden op televisie afgeschilderd als jaloerse heksen die de vooruitzichten van de man of jongere vrouw verpesten, of als mensen die alleen maar op anderen reageren en hun eigen leven geen richting kunnen geven, en als ze 55 zijn, verdwijnen ze helemaal van televisie. Het is net alsof ze niet bestaan. Ik heb ontdekt dat vrouwen, als ze hiermee geconfronteerd worden, deze “realiteiten” kunnen internaliseren. Mijn bevindingen zijn weggezet als feministische tirades, maar ik hou helemaal geen tirades, ik observeer alleen maar.’ Ze neemt een slok muntthee en kijkt toe terwijl de vrouw die langzaam verdween langzaam accepteert wat ze hoort.

19


‘Je hebt dus al eerder vrouwen zoals ik behandeld?’ vraagt de vrouw, nog steeds verbluft. ‘Tiana, van de receptie, was net zoals jij toen ze hier twee jaar geleden kwam.’ Dat laat ze tot zich doordringen. ‘Wie heb je gezien toen je binnenkwam?’ vraagt de professor. ‘Tiana,’ antwoordt de vrouw. ‘Wie nog meer?’ ‘Jou.’ ‘En wie nog meer?’ ‘Niemand.’ ‘Kijk nog maar eens goed.’

5 De vrouw staat op en loopt naar het raam. De zee, het zand, een tuin. Ze blijft staan. Ze ziet een schim op een schommel op de veranda, en dichterbij een onvaste figuur met lang zwart haar, die uitkijkt over zee. Er zit een bijna iriserende figuur op haar knieën in de tuin bloemen te planten. Hoe beter ze kijkt, hoe meer vrouwen ze ziet, in verschillende stadia van verdwijning. Als sterren die aan de avondhemel verschijnen, verschijnen er naarmate ze er meer oog voor krijgt steeds meer. Er zijn overal vrouwen. Ze is bij aankomst pal langs hen heen gelopen. ‘Vrouwen moeten vrouwen ook zien,’ zegt professor Montgomery. ‘Als jullie elkaar niet zien, als we onszelf niet zien, hoe kunnen we dan verwachten dat iemand anders dat doet?’ De vrouw is er ondersteboven van. ‘De maatschappij heeft je ingeprent dat je niet belangrijk bent, dat je niet bestaat, en daar heb je naar geluisterd. Je hebt die boodschap tot diep in je poriën laten doordringen, je van binnenuit laten opvreten. Je hebt tegen jezelf gezegd dat je niet

20


belangrijk was, en dat geloofde je.’ De vrouw knikt verrast. ‘Wat moet je dus doen?’ Professor Montgomery slaat haar handen om het kopje; ze verwarmt zichzelf en kijkt de vrouw diep in de ogen, alsof ze met een ander, dieper deel van haar communiceert, het signalen stuurt, informatie overbrengt. ‘Ik moet erop vertrouwen dat ik weer zal verschijnen,’ zegt de vrouw, maar haar stem klinkt schor, alsof ze al jaren niet gepraat heeft. Ze schraapt haar keel. ‘Meer dan dat,’ dringt professor Montgomery aan. ‘Ik moet in mezelf geloven.’ ‘De maatschappij houdt ons altijd voor dat we in onszelf moeten geloven,’ zegt ze minachtend. ‘Praatjes vullen geen gaatjes. Waar moet je precies in geloven?’ Ze denkt na, beseft dan dat dit om meer gaat dan de juiste antwoorden geven. Waar wil ze in geloven? ‘Dat ik belangrijk ben, dat ik nodig ben, zinvol, nuttig, er mag zijn...’ Ze kijkt naar haar kopje. ‘Sexy.’ Ze ademt langzaam in en uit door haar neus; haar zelfvertrouwen neemt toe. ‘Dat ik het waard ben. Dat ik nog potentieel heb, mogelijkheden, dat ik nog steeds nieuwe uitdagingen aan kan gaan. Dat ik nog een bijdrage kan leveren. Dat ik interessant ben. Dat ik nog niet klaar ben. Dat mensen weten dat ik er ben.’ Bij haar laatste woorden breekt haar stem. Professor Montgomery zet haar kopje op de glazen tafel en pakt de handen van de vrouw. ‘Ik weet dat je er bent. Ik zie je.’ Op dat moment is de vrouw ervan overtuigd dat ze terug zal komen. Dat ze daar op een of andere manier in zal slagen. Om te beginnen richt ze zich op haar hart. Daarna volgt de rest vanzelf.

21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De vrouw die haar stoute schoenen zocht - Cecelia ahern by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu