Skip to main content

Adolfsson - Doggerland. Stormwaarschuwing

Page 1

Stormwaarschuwing


Van Maria Adolfsson zijn verschenen:

doggerland Misleiding – eerste boek Stormwaarschuwing – tweede boek


Maria Adolfsson

Stormwaarschuwing Doggerland 2

Vertaald door Elina van der Heijden

uitgeverij luitingh-sijthoff


Š 2019 Maria Adolfsson All rights reserved Š 2020 Nederlandse vertaling Uitgeverij Luitingh ~ Sijthoff B.V., Amsterdam Alle rechten voorbehouden Oorspronkelijke titel: Stormvarning Vertaling: Elina van der Heijden via het Scandinavisch Vertaal- en Informatiebureau Nederland Omslagontwerp: Studio Jan de Boer Omslagbeeld: Zero Media GmbH Foto auteur: Caroline Andersson Opmaak binnenwerk: Crius Group, Hulshout isbn 978 90 245 8242 6 isbn e-book 978 90 245 8243 3 isbn luisterboek 978 90 245 8905 0 nur 332 www.lsamsterdam.nl www.boekenwereld.com Uitgeverij Luitingh-Sijthoff vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van dit boek is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.


De vrome bidt in stilte, de zondaar in tegenwind, de visser in storm. Doggers gezegde


Proloog

Ze kijkt met lichte afschuw naar haar telefoon. Deinst terug, alsof alleen al de aanblik een dreiging vormt. Staat op en loopt een half rondje om de keukentafel, gaat op de drempel staan en kijkt de woonkamer in. Loopt dan een rondje de andere kant op, negeert de mobiel bewust, doet net alsof ze de zwijgende aansporing van het zwarte schermpje niet ziet. Halverwege de hal blijft ze midden in een pas staan en kijkt met een lege blik naar het raam. Het zou zo makkelijk zijn om het gewoon niet te doen. Om te luisteren naar die verleidelijke stem die fluistert dat het niet hoeft, dat ze het beter kan laten. Dat het verkeerd zou zijn. De stem die nu scherp klinkt en erop aandringt dat ze haar gezonde verstand gebruikt, dat ze niet alles op het spel moet zetten. Ze aarzelt. Draait zich om en kijkt met een schuin oog naar de voorraadkast. Het is zo aanlokkelijk om een fles rode wijn te pakken, op de bank voor de tv te ploffen en te proberen alle ellende te vergeten. Natuurlijk zou dat beter zijn. Het juiste zijn. Toch weet ze dat ze binnen afzienbare tijd haar mobiel zal pakken en dat stomme telefoontje zal plegen. Het telefoontje dat haar haar baan zal kosten als iemand er ooit achter komt. Het telefoontje dat haar nog veel meer kan kosten als degene die opneemt zijn kans schoon ziet om zich van een heel ander probleem te ontdoen. Van haar. Nee, dit is verkeerd, denkt inspecteur bij de recherche Karen Eiken Hornby en ze pakt haar telefoon van tafel. Het is absoluut verkeerd, maar het is haar enige kans.

7


1

Vier weken eerder Eerste kerstdag Het is slechts een enkele graad onder nul, maar toch snijdt de gure lucht in haar longen en ze moet even blijven staan om achter de bescherming van haar sjaal adem te halen. Ontzet realiseert Gertrud Stuub zich dat ze op het punt stond te vloeken en ze slaat een kruis. Haar ogen dwalen, steeds angstiger nu, van het bos op de berghelling naar de smalle onverharde weg waarop ze loopt. Snel kijkt ze de andere kant op. Naar waar ze niet aan durft te denken. Je verbeeldt het je maar, denkt ze, terwijl de kramp in haar bronchiĂŤn langzaam afzakt. Hij heeft tenslotte niet beloofd dat hij er zou zijn, je bent er gewoon van uitgegaan dat hij wel zou komen. Toch ren je nu als een oude gek rond. Ze dwingt zich ertoe nog even te blijven staan en een paar keer door de wol te ademen, voordat ze zich zo snel ze durft voorthaast over de hobbelige weg, waar waterplassen zijn veranderd in spiegels van verraderlijk ijs. Links verheft zich de helling met de kale boomstammen en daartussen ziet ze het blauwe silhouet van de Getryggen. Een te steil en ontoegankelijk gebergte voor iemand van haar leeftijd. Voor iemand van Fredriks leeftijd. Zo dom zal hij toch niet zijn, denkt ze en ze probeert de gedachte te verdringen. Het alternatief aan de andere kant is nog erger. Een paar meter rechts van de weg houdt de grond abrupt op. Met tegenzin draait ze haar hoofd opzij. Zolang ze naar de verte blijft kijken, lijkt het alsof zich in de eerste ochtendstralen van een bleek decemberzonnetje een gewoon, vriendelijk meer uitstrekt. 9


Een meer met een dun laagje ijs, midden in het bos. Maar als je ook maar een paar stappen naast de weg zet, je nek strekt en naar beneden kijkt, zie je de wanden van de groeve steil en onbarmhartig de zwarte diepte in schieten. Gertrud blijft keurig op de weg. Niets kan haar ertoe bewegen vrijwillig naar die rand te lopen. ‘Hij wandelt hier elke dag,’ zegt ze hardop tegen zichzelf. Ze schrikt van haar zwakke stem en de compacte stilte die de woorden verzwelgt. Ze brengt het niet op zijn naam te roepen, wil niet horen hoe dat zou klinken. Als hij hier is, zal ze hem hoe dan ook vinden. Hij kent het terrein, houdt ze zichzelf voor. Hij weet precies waar hij zijn voeten moet neerzetten, en dat geldt ook voor Sammy. Vermoedelijk zijn ze al lang en breed thuis en zit hij in de warme keuken te genieten van een kopje koffie en de restanten van het saffraanbrood van gisteren. Goddeloos, zonder zich ook maar enige zorgen te maken over hemel of hel. Dat zou echt wat voor hem zijn. Nee, nu ga ik terug. Ik moet ophouden met deze onzin, denkt ze en ze kijkt over haar schouder naar het stuk dat ze heeft afgelegd. Met weerzin constateert ze dat teruglopen bijna net zo lang zal duren als het rondje om de dagbouw afmaken. Met een diepe zucht loopt ze verder en ze slaat opnieuw een kruis als ze in gedachten haar broers gebrek aan respect in het algemeen en zijn totale gebrek aan vroomheid in het bijzonder vervloekt. Fredrik loopt de kerk niet plat, dat weet ze maar al te goed, maar meestal is hij wel bij de vroege dienst op eerste kerstdag. Om de een of andere reden wordt die ook altijd bijgewoond door de meest goddeloze mensen, zij die alleen bij bruiloften en doopplechtigheden een voet in het huis des Heren zetten. Misschien heeft Fredrik zich echter gewoon verslapen. Een eindje verderop kan ze de keerzone zien, waar de bredere weg naar de rijksweg begint. Of eindigt. Er vinden al heel lang geen transporten meer plaats en elk jaar worden de barsten in het asfalt langer en breder. Er is geen reden om de weg te repareren; hier komen uitsluitend mensen die niet naar het afvalbrengstation van Valby gaan maar hun troep bij de keerzone dumpen. Gierige, onfatsoenlijke lui, die willekeurig wat doen om een paar marken of shillings te kunnen besparen. Maar zelfs zij zullen toch niet het lef hebben om hier op eerste kerstdag te komen, denkt ze. Nie10


mand is zo dom om hierheen te gaan, niemand behalve Fredrik. Zelfs tieners willen ’s zomers niet langer stiekem in het ongezonde water van de groeve zwemmen. Instinctief legt ze haar hand op haar jaszak om te voelen of haar telefoon er nog in zit. Niemand zou haar hier vinden als ze struikelde en geblesseerd raakte, vooral niet in deze tijd van het jaar. Het zou wel een goede les voor hem zijn als hij viel en gewond raakte, denkt ze. Niets ernstigs, alleen om te beseffen dat hij te oud is om in zijn eentje door deze wildernis te draven. Als een boetedoening voor de verboden gedachte gaat haar hand automatisch weer naar haar borst en nu roept ze hem toch. ‘Hallo! Fredrik!’ Het volgende moment blijft ze stokstijf staan. Ze hoort een zielig, piepend gekef. Het is alsof een koude band zich om haar voorhoofd sluit. En als ze een eindje verderop de zwart-witte bordercollie ziet, dringt het tot haar door. De lange riem sleept over de grond terwijl Sammy ongelukkig langs de dagbouw heen en weer rent, een paar tellen gaat liggen, weer overeind komt en zijn troosteloze gedrentel vervolgt, gevaarlijk dicht langs de rand. Even lijkt het alsof de hond in de afgrond wil afdalen, maar bij het geluid van naderende voetstappen spitst hij zijn oren en heft zijn kop op. Zodra Sammy Gertrud in de gaten krijgt, rent hij haar luid blaffend tegemoet. Met gebogen rug vliegt hij tussen Gertrud en de afgrond heen en weer, jaagt haar op. Met tegenzin volgt ze het dier terwijl ze hardop bidt. ‘Goede God, keert U zich alstublieft nu niet van mij af.’ Ze heeft haar want stevig tegen haar mond gedrukt. Vanaf de weg kan ze haar broer niet zien liggen. Eén kort moment schiet de ijdele hoop door haar heen dat het misschien niet om Fredrik gaat, maar om de kapotgebeten tennisbal die Sammy altijd bij zich heeft. Misschien heeft Fredrik die per ongeluk de verkeerde kant op gegooid en niet naar de helling, zoals anders. Als ze vervolgens met bonkend hart naar de rand loopt en haar nek strekt, kan ze Fredrik nog steeds niet zien. Pas als Gertrud Stuub met een laatste vergeefs gebed op haar buik gaat liggen, voorzichtig naar de kant schuift en over de rand van de afgrond kijkt, verdwijnt haar laatste sprankje hoop. 11


2

Karen Eiken Hornby trekt de deur achter zich dicht en grabbelt in haar jaszak naar haar sigaretten. Met haar ellebogen op de koude balustrade neemt ze een diepe trek en ze voelt haar hartslag langzaam rustiger worden. Ze staart met een lege blik voor zich uit. Buiten is het pikkedonker, hoewel het nog maar halfvijf is. De decemberlucht is echter ongewoon zacht. Het schijnsel van het keukenraam verlicht de grond bij de grote lijsterbes. Van de tien centimeter dikke sneeuwlaag die vorige week de tuin bedekte, zijn nu nog maar een paar vlekken over en die smelten snel. Wat ’s nachts en ’s ochtends vroeg bij de enkele graad onder nul is bevroren, ontdooit meteen weer onder de grijze deken van fries waar de lucht sinds een paar dagen op lijkt. Vanuit het huis zoekt het geluid van rammelend servies, gelach en een volgend drinklied zich door het gesloten raam een weg naar buiten. Ach fisherman, weet je getroost Lelijk is de vis, vis, vis Brennevin zal je thirst wel lessen Nu het Kerstmis is, is, is… – Gottjer! Zonder zich om te draaien weet ze dat de zeven mensen die binnen om de tafel zitten, nu het glas op ooghoogte heffen om het vervolgens te laten zakken en samen te drinken. Ze wacht op de klap als de glazen weer op tafel worden gezet. En daar is-ie. Hoe houd ik het in godsnaam nog twee dagen uit, denkt ze. Nergens in huis heeft ze de mogelijkheid om zich terug te trekken en even alleen te zijn. Haar moeder en Harry hebben de grote 12


slaapkamer gekregen. Met gemengde gevoelens heeft ze hen in het tweepersoonsbed laten slapen. Ze is zelf naar de aangrenzende logeerkamer verhuisd en weldra zal ze, voor de derde nacht op rij, proberen om de geluiden aan de andere kant van de wand te negeren. Het had een goed idee geleken toen ze alles een paar weken geleden onder het genot van een paar glaasjes wijn in de pub Gruvan in Dunker hadden gepland. Kerstavond en eerste kerstdag bij Karen thuis in Langevik vieren, gezellig met vrienden onder elkaar. Haar moeder en Harry zouden ook komen en hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marike had bezworen dat ze op de bank in de woonkamer kon slapen en beloofd om knapperig spek en rodekool mee te brengen. Kore en Eirik konden wel op de bedbank bij Leo in het gastenverblijf en zij zouden met mierikswortel ingelegde haring, gemarineerde zalm en zelfgemaakte mosterd meenemen. Haar moeder had telefonisch toegezegd om zodra ze er was saffraankoekjes en roggebrood te bakken en Karen hoefde zelf eigenlijk alleen maar een grote hoeveelheid jeneverbier te maken en de brandewijn te kruiden. Twee dagen met lekker eten, prettig gezelschap en lange wandelingen door de sneeuw, want die zou binnenkort toch wel gaan vallen? Nu luistert ze naar het gelach binnen. O, alles is net zo gezellig als gepland. Alles is precies zoals het moet zijn. Alleen wil ze niemand om zich heen hebben. Om, al is het maar even, de stilte te horen. Slechts één nachtje nog, dat lukt je best, spreekt ze zichzelf toe en ze neemt weer een diepe trek. Kore, Eirik en Marike gaan naar verwachting morgen meteen na het ontbijt weg. Maar haar moeder en Harry zullen nog een nachtje blijven. Het vliegtuig naar Spanje vertrekt pas overmorgen. Nog twee ochtenden waarop ze net moet doen alsof ze Harry’s liefdevolle klapjes op haar moeders achterste niet ziet, het geluid van stiekeme kussen zodra ze hun de rug toekeert niet hoort. Nog eens anderhalve dag waarop ze ervoor moet zorgen dat ze de chagrijnige opmerking voor zich houdt die haar telkens dreigt te ontglippen als haar moeder de bijna zesenzeventigjarige Harry Lampard haar nieuwe ‘vriendje’ noemt. En dan Sigrid. 13


Waarom was het kind niet gewoon naar haar vader gegaan? Nu ze na jaren van ijzige kou eindelijk weer met hem praat. Het is verdomme Kerstmis, dan hoor je bij je familie te zijn, denkt Karen geïrriteerd en ze zuigt zo stevig aan de sigaret dat ze haar vingertoppen brandt. ‘Ik blijf niet lang, hoor,’ had Sigrid met vrolijke stem gezegd toen ze bijna drie uur geleden opeens in de keuken stond. ‘Ik kom alleen even hallo zeggen.’ Karen was warm geworden vanbinnen. Een onstuitbaar gevoel. Dezelfde irrationele, beangstigende vreugde als altijd wanneer ze Sigrid ziet. Alle dingen waarvoor niet langer plek is in haar leven. Ik blijf niet lang, hoor. Hoe Sigrid van plan is om na twee glazen jeneverbier en in elk geval één borrel de twee kilometer naar haar eigen huis aan de andere kant van het dorp af te leggen, is Karens zaak niet. Vanavond is ze geen politieagent. Vanavond is ze alleen maar moe. En dan die stomme knie. De eeuwig zeurende pijn die haar aldoor herinnert aan wat er is gebeurd en aan wat er had kunnen gebeuren. Karen verplaatst haar gewicht naar haar rechterbeen en voelt het in haar heup trekken. Ruim twee maanden nu al, en toch is ze nog steeds niet helemaal hersteld. Vier weken in het ziekenhuis van Thysted en vervolgens revalidatie thuis. Drie keer per week pijnlijke bezoeken aan de fysiotherapeut in Dunker. Ze heeft precies gedaan wat ze haar hebben opgedragen en braaf thuis geoefend, twee keer per dag. Toch kan ze haar linkerbeen nog steeds niet lang achter elkaar belasten. Het is vermoeiend om de waarheid verborgen te houden voor de mensen die binnen in de warme keuken zitten. Om altijd maar een masker op te zetten waardoor ze het voelt branden in haar keel, om altijd maar die zeurderige pijn te voelen en te moeten kiezen tussen nóg een pijnstiller of een borrel bij de haring, om krampachtig te glimlachen, nee, het doet helemaal geen pijn meer, ik ben alleen nog wat stijf. En dan de wantrouwende blikken van haar moeder. Karen zit tot Driekoningen in de ziektewet, nog maar twaalf dagen, opgesloten tussen de muren van het huis, met veel te veel gedachten. Meteen daarna gaat ze weer aan het werk, al moet ze erheen kruipen. De verlenging van haar ziekteverlof waar haar arts op wilde aansturen, heeft ze godzijdank weten te voorkomen. 14


Ik kan in elk geval goed liegen, denkt ze. Het geroezemoes wordt een paar tellen luider als de deur openen dichtgaat, iets te hardhandig, waardoor het raam rinkelt. Zonder zich om te draaien weet ze dat het Leo is. Vanuit haar ooghoek ziet ze de aansteker en ze hoort dat hij een diepe trek neemt, de rook pas even later weer uitblaast. Hij steekt zijn pakje naar voren en ze neemt ook een sigaret. ‘De tijd verstrijkt,’ zegt hij. ‘Daar moet je je maar mee troosten.’ Is het zo duidelijk, denkt ze. En ik dacht nog wel dat ik een pokerface had. ‘O, wat filosofisch,’ mompelt ze. ‘Heb je nog meer van die wijsheden?’ ‘Drank helpt natuurlijk ook. Tijd en drank. Gaat het daar met Kerstmis eigenlijk niet om?’ zegt hij grijnzend. Ze kijkt hem even aan en probeert om niet te glimlachen. ‘Dat zul jij als geen ander weten,’ zegt ze droog. ‘Vond jij troost in de drank en het onverbiddelijke verstrijken van de tijd toen je onder de laadkade woonde?’ ‘Ik vond het in elk geval niet in seks, drugs en rock-’n-roll.’ Ze roken in stilte. Karen draait haar hoofd om en ziet dat Eirik en Marike aan het afruimen zijn, terwijl Harry water in het koffiezetapparaat giet met de bijbehorende kan, die nog niet afgewassen is. Ze zucht. ‘Het is een prima vent,’ zegt Leo. ‘Je nieuwe stiefvader.’ Ze voelt het branden als ze proestend de rook uitblaast. ‘Stiefvader! Toe nou…’ ‘En Eleanor is gelukkig,’ gaat hij verder. ‘Dank je. Dat heb ik begrepen. De muren zijn dun.’ Leo neemt een trek en kijkt de duisternis in. ‘Je kunt altijd in mijn honk komen pitten als Kore en Eirik weer vertrokken zijn,’ zegt hij na een tijdje. ‘In jóúw honk?’ ‘Ja, volgens hen ligt de bedbank heerlijk als je een paar kussens over de stalen balk onder je onderrug legt. In het ergste geval is er ook nog wel plek in mijn bed.’ Ze kijkt hem verbaasd van opzij aan; dit is niets voor Leo. Hij lijkt sowieso niet het type om kerst te vieren, drankliedjes te zingen en te luisteren wanneer Harry uitlegt hoe je hier meer ruimte zou 15


kunnen creëren door de vliering te verbouwen of de schuur winterklaar te maken. Zonder te merken dat Karen steeds geïrriteerder raakte, hadden Leo en Harry zichzelf nog eens bijgeschonken en nog meer plannen voor haar huis bedacht. Hoe ze het zou moeten aanpakken, hoeveel het zou kosten, hoeveel haar huis in waarde zou stijgen nu de prijzen van oude visserswoningen in Langevik weer omhooggingen. Vooral van huizen als dat van Karen, met een eigen steiger en boothuis. Vermoedelijk waren dat soort redeneringen voor Harry Lampard doodnormaal. Volgens haar moeder had hij voordat hij met pensioen ging en naar de Costa del Sol verhuisde een succesvol bouwbedrijf in Birmingham gehad. Maar dat Leo Friis met belangstelling naar hem zou zitten luisteren… Wat weet hij van isolatie, dakpannen en draagmuren, verdomme, denkt Karen en ze drukt haar half opgerookte sigaret uit op de balustrade. Maar ja, wat weet ik eigenlijk van Leo Friis, denkt ze vervolgens. Nog maar een paar maanden geleden had hij geen dak boven zijn hoofd en liep hij met een winkelwagentje door Dunker, op zoek naar statiegeldflessen. ‘Dus je stelt voor dat ik in jóúw honk kom pitten?’ zegt ze. ‘Volgens mij is het nog altijd mijn huis.’ Leo haalt zijn schouders op alsof hij dat genereus toegeeft. ‘Dat ik van je huur, ja. Weliswaar voor een luttel bedrag, en ook zonder echt contract,’ voegt hij eraan toe. ‘Maar ik ga ervan uit dat je de belastingdienst er niet bij wilt betrekken…’ Karen hapt naar adem. ‘Rustig maar,’ zegt hij snel als hij haar ontzette gezicht ziet. ‘Het was een grapje, Karen.’ Eén kort moment vraagt ze zich af of hij serieus is over het bed en de belastingdienst. Dan dooft hij zijn sigaret in de omgekeerde terracotta bloempot die naast de deur staat. ‘Zullen we weer naar binnen gaan?’ Onwillig laat ze de balustrade los. ‘Tijd en alcohol,’ verzucht ze.

16


3

Twintig minuten later is de afwasmachine gevuld en de koffie ingeschonken. De saffraankoekjes staan klaar op de tafel in de woonkamer. Kore en Eirik zijn na een kort bezoek aan het gastenverblijf terug en wanneer ze hen nog wat ziet naknuffelen zegt Marike dat ze ‘een kamer zouden moeten regelen’. Ze zouden aan hun minderbedeelde vrienden moeten denken. Harry werpt een snelle blik hun kant op. Een blik die zowel bezorgdheid als nieuwsgierigheid uitdrukt. Marike lijkt zelf voor de verandering in een stralend humeur en haar Deense accent is vanavond zo goed als onhoorbaar. Toch weet Karen dat het bakken van haar keramiek maar hoeft te mislukken of deze versie van haar vriendin verandert in een angstaanjagende harpij die in onbegrijpelijk Noord-Jutlands Rotwelsch snauwt. Maar vanavond straalt Marike Estrup, zonder enig spoor van de nervositeit die zich langzaam maar zeker zal aandienen naarmate de vernissage in New York dichterbij komt. Karen leunt achterover in de fauteuil. Hier en nu. Tijd en alcohol. Iemand heeft whisky van Groths en lijsterbeslikeur tevoorschijn getoverd en iedereen heeft een plekje weten te vinden op de groene bank, een van de versleten oorfauteuils of de oude bruidskist, die ze nog steeds niet naar de vliering heeft gebracht. Het eerste wat ze besloot toen ze het huis van haar moeder overnam, was dat dat oude gevaarte opgeruimd zou worden. Dat is nu negen jaar geleden. Sigrid heeft in kleermakerszit op de vloer plaatsgenomen en leunt met haar ellebogen op de salontafel. Karen kijkt naar haar lange zwarte haar – dat zo vaak is geverfd dat het alle glans heeft verloren –, haar rijkelijk versierde dunne armen, de ring in haar 17


neus. Hij schittert in het schijnsel van de kaarsen in de messing kandelaar als Sigrid enthousiast knikt wanneer Kore iets zegt. Uiterlijk lijken Sigrid en Kore verbluffend veel op elkaar, beseft Karen. In elk geval wat betreft haarkleur, tatoeages en piercings. Sigrids vader zou het niet leuk vinden dat te horen, denkt ze en ze nipt tevreden aan haar glas. Eirik is precies het tegenovergestelde van zijn vriend. Voor de gelegenheid draagt hij een roze pullover over zijn witte overhemd en een sobere grijsgestreepte das. De plooien in zijn grijze pantalon zijn messcherp. Zoals altijd. Goede, oude Eirik, denkt ze. Even betrouwbaar in zijn kledingkeuze als in zijn vriendschap: zonder hem zou ik hier vandaag niet zitten. Ze voelt het in haar keel branden en ze laat haar blik verder glijden. Huiverend constateert ze dat haar moeder en Harry opnieuw identieke truien hebben aangetrokken, deze keer met een kerstmotief in de vorm van een versierde jeneverstruik. Ze zien er in elk geval gelukkig uit, denkt ze. Haar golf van irritatie is vervangen door een soort gelaten tederheid. Nu haar boosheid en frustratie zijn weggeĂŤbd en ze in de warmte van kaarsen en whisky met een slappe kat op schoot zit, lukt het haar niet om op haar hoede te zijn en kan ze zich niet verweren tegen alles waarvan ze weet dat het haar ondergang zal worden als ze niet oppast. Ze is niet jouw dochter. Denk daaraan. De laatste woorden van Susanne Smeed weergalmen nog altijd in haar oren. Stilletjes kijkt ze naar de dochter die niet van haar is, het meisje dat ze nog maar een paar maanden geleden onder haar vleugels heeft genomen. Doorweekt en koortsig had Sigrid op het stoepje gezeten van het huis dat ze onverwacht en tegen haar zin had moeten overnemen. Ze was te zwak geweest om te protesteren toen Karen haar mee naar huis had genomen en had zich met warme thee, beschuitjes en paracetamol laten verzorgen tot de griep over was. En in zekere zin is ze nooit meer echt weggegaan. Officieel woont Sigrid weliswaar in het huis dat haar moeder haar heeft nagelaten, maar het grootste deel van haar wakkere tijd is ze nog steeds bij Karen. Ze zegt altijd dat ze maar even blijft, 18


maar vertrekt vervolgens pas laat op de avond en vraagt zo vaak ze het durft of ze in het logeerbed mag slapen. Als een weggejaagde kat die de volgende dag gewoon weer op je stoep zit. Net als jij, denkt Karen en ze strijkt de grijze kat over zijn buik, vindt een klit en begint die verstrooid met haar nagels los te trekken. Rufus was op een goede dag aan komen lopen en had daarna besloten te blijven. Leo had ze zelf gevraagd om op haar huis en haar kat te passen toen ze op vakantie wilde. Een vakantie die niet doorging. Hij lijkt evenmin haast te hebben om te vertrekken. Maar hij heeft dan ook niet echt een alternatief. Hoe is het in vredesnaam zover gekomen? Sinds wanneer is mijn huis verdorie een opvangcentrum voor daklozen, denkt ze en ze neemt een slok whisky. Ze hoort het zelf niet. Maar Marike, die net terugkomt van de wc, wel en ze staat nu met Karens telefoon in haar hand in de deuropening van de keuken. ‘Hij zat in je jaszak. Misschien moet je opnemen,’ voegt ze er met een veelbetekenende blik op het display aan toe terwijl ze haar hand naar voren steekt. Jounas Smeed, ziet Karen nog net voordat het apparaat stilvalt. Ze zucht zwaar. ‘Zeg niet dat het mijn vader is,’ kreunt Sigrid. Karen bevestigt het met een knikje. ‘Heeft hij jou ook geprobeerd te bellen?’ vraagt ze. Sigrid vist haar mobiel uit haar broekzak en schudt dan haar hoofd. ‘Nee, ik heb geen gemiste oproepen,’ zegt ze. ‘Wat wil hij nu weer? Ik ben verdomme vandaag én gisteren al bij hem geweest!’ ‘Misschien wil hij alleen maar vrolijk kerstfeest wensen,’ probeert Eleanor rustig. ‘Bovendien vertrekt hij morgen naar Thailand,’ gaat Sigrid verder. ‘Hij zeurt er al drie weken over dat ik mee moet komen! Alsof het niet genoeg is dat we samen kérst hebben gevierd. Moet ik ook nog eens met hem op een stom kókosstrand gaan zitten. Wat is er mís met die man?’ Sigrid spreidt haar armen en spert haar ogen, alsof ze wil benadrukken dat ze toch echt alles heeft gedaan wat je redelijkerwijs 19


van een dochter kunt verlangen om de gehavende relatie met haar vader te herstellen. Ze lijkt eerder elf dan bijna negentien, denkt Karen. Met een zucht staat ze op en gaat naar de keuken. Aarzelt twee tellen en drukt dan op de toets om terug te bellen. Als het niet om zijn dochter gaat, is er maar ĂŠĂŠn reden waarom het hoofd van de rechercheafdeling van de Rijkspolitie Doggerland Karen Eiken Hornby op eerste kerstdag belt. En dat is niet om haar een vrolijk kerstfeest te wensen.

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Adolfsson - Doggerland. Stormwaarschuwing by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu