Skip to main content

Leesfragment Doggerland: Misleiding van Maria Adolfsson

Page 1

1

Nog voordat ze haar ogen opent weet ze het. Dit is fout. Dit is echt helemaal fout. Ze zou in een ander bed moeten liggen, het maakt niet uit welk, alleen niet in dit. Het zachte gesnurk vanaf de andere kant zou van iemand anders moeten komen, het maakt niet uit wie, alleen niet van hem. En met een absolute zekerheid die door alle andere gedachten heen dringt, weet ze dat ze hier weg moet. Nu meteen, voordat hij wakker wordt. Langzaam, en zo stil als ze maar kan, slaat Karen Eiken Hornby het laken open en zwaait zonder ook maar één blik op de andere kant van het brede bed te werpen haar benen over de rand. Haar ogen glijden de hotelkamer rond; haar slipje en haar beha liggen naast haar voeten op de vloer, haar jurk vormt een hoopje naast haar groene suède jack op de salontafel, haar handtas is op een stoel gesmeten. Verderop liggen haar sneakers, gedeeltelijk aan het zicht onttrokken door de halfopen badkamerdeur. Ze overdenkt elke beweging die nodig is om snel weg te kunnen komen, luistert naar de zware ademhaling achter haar rug terwijl de hare geluidloos en oppervlakkig is. Neemt alles in gedachten nog een keer door om de angstgolf die zich in haar maag omwentelt tegen te kunnen houden. Dan komt ze in actie. Na een diepe ademteug reikt ze naar het slipje en trekt het in een en dezelfde beweging aan. Om te voorkomen dat het matras wiebelt, gaat ze voorzichtig staan. De kamer tolt even. Ze wacht. Ademt. Dan een reeks snelle, voorovergebogen passen terwijl ze met één hand haar beha en haar panty van de vloer pakt en met de andere haar jurk en haar jack grijpt. Haar misselijkheid wordt erger als ze de badkamer binnenstapt en de deur zachtjes achter zich dichttrekt. 7


Ze aarzelt een fractie van een seconde en draait dan het slot om. Wanneer ze het hoort klikken heeft ze daar meteen spijt van, en verontrust drukt ze haar oor tegen de deur. Maar alle eventuele geluiden vanaf de andere kant verdrinken in het lawaai van haar bonkende hart en het bloed dat in haar hoofd suist. Dan keert ze zich om. De blik in de ogen die haar in de spiegel boven de wastafel aankijken, is leeg en merkwaardig onbekend. Vol zelfverachting bestudeert ze haar vlekkerige rode wangen en de uitgelopen mascara die voor donkere kringen onder haar ogen zorgt. Haar bruine haar hangt aan één kant recht naar beneden terwijl de rest nog met een elastiekje in haar nek bijeen wordt gehouden. Haar lange pony kleeft aan haar bezwete voorhoofd. Gelaten bestudeert ze de verwoesting en fluistert met een plakkerige, droge mond: ‘Stomme idioot.’ In haar maag draait zich iets om en ze kan zich nog net over de wc buigen voordat alles naar buiten komt. Nu wordt hij wakker, denkt ze terwijl ze zichzelf hulpeloos hoort overgeven en hijgend op de volgende golf wacht, met gesloten ogen om de restanten van de vorige dag in de pot niet te hoeven zien. Ze wacht nog even, maar haar maag lijkt tot rust te zijn gekomen. Tijdelijk opgelucht gaat ze staan, zet de kraan open en houdt haar beide handen er als een kommetje onder. Spoelt haar mond en laat het water haar gezicht verkoelen, beseft dat ze de mascara nog verder zal uitsmeren, maar ach, wat maakt het uit? Erger dan dit kan deze hel niet worden. Bijna vijftig en nu heeft ze echt het dieptepunt bereikt. Ze voelt zich zeventig. Een snelle vlucht is nu haar enige hoop. Thuis voor pampus gaan liggen. In haar eigen bed. Maar eerst moet ze zorgen dat ze hier wegkomt, haar auto bereikt en linea recta naar huis rijdt zonder met iemand te praten, zonder dat iemand haar ziet. Met een klein sprankje hoop realiseert ze zich dat er juist vandaag een kans is dat ze de stad ongemerkt kan ontvluchten. Om kwart over zeven ’s ochtends na het oesterfeest ligt heel Dunker nog op één oor. Ze vult het tandenborstelglas met koud water en drinkt snel, terwijl ze met haar vrije hand het elastiekje uit haar haar trekt en ziet dat er wat lange donkere haren meekomen. Ze vult nog een 8


glas, trekt haar jurk aan, propt haar beha en haar panty in haar handtas en wil net haar hand op de deurkruk leggen als ze iets beseft. Ze moet doortrekken, ook al wordt hij daar misschien wakker van. Niets mag aan haar herinneren. Met stijf samengeknepen ogen en een van angst vertrokken gezicht luistert ze naar het water dat door de wc-pot gutst, gevolgd door gebruis als het reservoir weer volloopt. Ze wacht nog een paar tellen, tot er alleen een zacht gekabbel te horen is, en hangt dan haar tas over haar schouder. Vervolgens haalt ze diep adem en opent de deur van de badkamer. Hij ligt op zijn rug met zijn hoofd naar haar toe gekeerd en heel even verstijft ze. In het tegenlicht is het alsof hij haar aankijkt. Maar dan weerklinkt er opnieuw een rollende snurk en ze veert op als haar verlamming wordt verbroken. Zes tellen later heeft ze haar schoenen gepakt en de deur naar de gang geopend. En daar, in de opening naar de vrijheid, doet iets haar omdraaien. Het is een dwangmatige ingeving, alsof ze zojuist een ongeluk op de snelweg is gepasseerd en eigenlijk niet wil zien wat er is gebeurd maar toch moet kijken, en ze laat haar ogen over de man in het bed glijden. Ziet de slap geopende mond, hoort het zwakke gorgelende geluid dat elke uitademing begeleidt. Met een gevoel van onwerkelijkheid kijkt Karen drie tellen lang naar haar chef. Daarna trekt ze de deur achter zich dicht.

9


2

De deur van kamer 507 glijdt met een zuigend geluid dicht en valt met een zacht klikje in het slot. De donkerrode vloerbedekking is zacht onder Karens blote voeten als ze vlug naar de lift loopt en op het knopje drukt. Ze voelt het bloed bij haar slapen kloppen wanneer ze met haar wijsvinger als schoenlepel haar voeten in haar sneakers wurmt. Ze heeft ze net aan als de lift een pingetje laat horen en de deur zoevend opengaat. Ze heeft geluk. De receptie ligt er verlaten bij, constateert ze als ze even opzijkijkt wanneer ze zich door de foyer naar de uitgang haast. Ze huivert van onrust als ze bedenkt dat ze niet meer weet hoe ze hier is gekomen. Zijn ze hier echt samen naartoe gegaan? Wiens idee was dat? Flarden van herinneringen aan de avond tevoren flitsen als korte beeldenreeksen door haar hoofd; de haven met Eirik, Kore en Marike, daarna de kroegentocht met nog meer oesters en het ene glas wijn na het andere. Vagelijk ziet ze Jounas Smeed, die in de kleine uurtjes in een van de kroegen was opgedoken. Nog wat fragmenten komen voorbij terwijl ze naar de uitgang loopt: gelach, gekibbel, een opvlammende ruzie, dronken omhelzingen ter verzoening en Jounas’ gezicht dicht bij het hare. Veel te dichtbij. Vlak voordat de draaideuren haar ergerlijk langzaam naar buiten sluizen, dient de volgende akelige gedachte zich aan: heeft iemand hen gezien toen ze incheckten? De septemberlucht is hoog en helder en als ze voor het hotel staat, kan ze nog net diep ademhalen voordat haar maag zich weer omkeert. Ze werpt een vlugge blik op de verlaten straat en met haar hand voor haar mond steekt ze op een drafje schuin over. Het vol10


gende moment staat ze aan de andere kant van de strandpromenade en buigt zich over de reling terwijl de golf van misselijkheid langzaam wegebt. Heel even een gevoel van opluchting en dan dringt het besef dat ze sinds ze tien minuten geleden wakker werd aldoor heeft verdrongen, alsnog met volle kracht tot haar door. Het ergste moet nog komen. Maandagochtend ziet ze hem weer. Karens blik volgt de baai in oostelijke richting naar de haven. In de passantenhaven is een wirwar van deinende masten te zien, maar de veerbootterminal iets verderop ligt er net zo verlaten bij als op alle andere zondagen. De veerboot uit Esbjerg komt pas om acht uur vanavond aan en in het weekend zijn er al een paar jaar geen afvaarten meer naar Denemarken en Engeland. Wie de Doggerse eilanden op een zondag wil verlaten moet tegenwoordig het vliegtuig nemen vanaf Ravenby. In de ochtendnevel boven de haven kan ze nog net de witte radarmast onderscheiden van een cruiseschip dat helemaal achteraan voor anker ligt in de diepzeehaven. Ze tuurt naar de horizon en tast in haar binnenzak naar haar zonnebril. Er ontsnapt haar een vloek als die niet op zijn gebruikelijke plek blijkt te zitten. Ze strijkt met haar handpalmen over haar jaszakken en constateert dat ze hem ’s avonds moet hebben verloren of hem op de hotelkamer heeft laten liggen. Nu zal ze minstens de helft van de weg naar Langevik met de laagstaande zon in haar ogen moeten rijden, dorstig, misselijk en met een knallende koppijn. Ze heeft een dubbele espresso en twee pijnstillers nodig om geen acuut gevaar op de weg te zijn, maar zonder zich om te draaien weet ze dat de winkels en cafés aan de andere kant van de Strandgate nog allemaal dicht zijn. Op dit tijdstip, op de dag na Oistra, is ze vast de enige in de katterige stad die wakker is, wellicht met uitzondering van een enkele rat die tussen de overvolle afvalbakken en oesterschelpen snuffelt. Bij die gedachte keert haar maag zich opnieuw om. Met gesloten ogen en haar handen op de grove, koele stenen van het muurtje haalt Karen een paar keer diep adem. De frisse lucht is weldadig, en het briesje waait haar vochtige haar in haar gezicht. Ze draait haar nek naar de zon toe en kijkt naar het strand. Een vlucht kokmeeuwen krijst rond een paar slecht dichtgebonden vuilniszakken waarvoor geen ruimte meer is in de 11


tijdelijke afvalbakken. Een eindje verderop ziet ze de contouren van nóg een afvalzak. Vrijwel meteen dringt het tot haar door dat het een slapende man is. Hij ligt op het strand en heeft zijn jas over zich heen getrokken. Naast hem staat een winkelwagen, naar alle waarschijnlijkheid gestolen van de Qvick of de Tema, en nu met lege flessen en blikjes gevuld. Het lijkt een van de verslaafden te zijn die zich meestal bij het winkelcentrum achter het Salutorget ophouden. Vermoedelijk voelt hij zich net zoals zij wanneer hij wakker wordt: dorstig, bezweet en met de angst van de kater als een zware rugzak op zijn schouders. Aan de andere kant, denkt ze, lijkt het erop dat hij de nacht, anders dan ik, in onschuldige eenzaamheid heeft doorgebracht. In de verte hoort ze het geknetter van een brommer een halfslachtige poging doen om door het voortdurende geruis van de branding heen te dringen. Schuimende golven slaan tegen de pier, die zich onvervaard uitstrekt in de zee, en in de baai heeft een zwaar beschadigde zeilboot aan een van de zes dukdalven afgemeerd. Ze vraagt zich verstrooid af hoelang het zal duren voordat de havenpolitie hem verjaagt. Waarschijnlijk zullen ze het tot vanmiddag door de vingers zien; zelfs die normaliter zo ijverige lui zullen hun jachtinstinct op een dag als vandaag niet voor de lunch weten op te zwepen. Het laatste stuk van de pier is nog altijd in nevelen gehuld en de contouren van de vuurtoren op de kilometerlange golfbreker zijn vaag. Het moet vannacht heel mistig zijn geweest, denkt ze en ze herinnert zich dat het geloei van de misthoorns ongewoon lang aanhield. En dan een nieuw beeld van de nacht: Jounas, die geïrriteerd opstaat om het raam dicht te doen en dan weer in bed komt liggen. Ze verdringt het beeld snel, laat de reling los en loopt met snelle passen naar de parkeerplaats bij de Redehusgate. De auto staat braaf drie straten verderop, op de plek waar ze hem twaalf uur eerder heeft neergezet. Zodra ze haar donkergroene Ford Ranger op het lege parkeerterrein ziet staan, ontspant ze. Over een klein uur ligt ze in haar eigen bed, in haar eigen huis, achter dichte jaloezieën, waar de slaap haar een paar uur respijt zal geven van de malende zelfverwijten. Nog geen tel later beseft ze dat ze haar autosleutels kwijt is. 12


3

‘Wat is hier aan de hand?’ De stem achter haar klinkt autoritair en een beetje neerbuigend. Karen verstijft midden in een beweging, met één hand in haar handtas en de andere steunend op de motorkap. Ze is op haar hurken naast de auto gaan zitten en grabbelt al een paar minuten met toenemende paniek in haar tas. Ze heeft alle vakjes en hoekjes gecheckt en langs de bodem gevoeld, en haalt de inhoud er nu methodisch stuk voor stuk uit. Ze vloekt geluidloos, met op elkaar geklemde kaken: wat doet de politie verdomme op dit tijdstip op straat? Waarom patrouilleren ze in godsnaam op straten en pleinen als de hele stad toch slaapt? Wat een verkwisting van manuren en belastinggeld! Zuchtend komt ze met stijve benen overeind. Ze draait zich onwillig om en probeert een ontspannen glimlach te forceren. Het wordt een stijve grijns. Op de gezichten van de beide agenten wordt schrik gevolgd door ongeloof als ze de verwoesting zien. ‘Ai, neem me niet kwalijk...’ zegt de oudere van de twee, terwijl hij gegeneerd een pas naar achteren doet. Zijn ogen schieten hulpeloos van de zwarte make-upresten op het lijkbleke gezicht voor hem naar de spullen op de grond. Zijn iets jongere vrouwelijke collega heeft alleen een snelle blik op Karen geworpen en bestudeert ondertussen, duidelijk nieuwsgierig, de verschillende voorwerpen op het asfalt: de ochtendkrant van gisteren, een mobiel, een half pakje sigaretten, iets wat eruitziet als een zwarte panty, de oplader van een mobiel, een half opgegeten appel met sporen van tanden in het donker geworden vruchtvlees, een beha en een pakje condooms. 13


Karen dwingt zich ertoe opnieuw stijfjes te glimlachen en voelt haar gezicht straktrekken. Dan gebaart ze vagelijk naar de troep op straat. ‘Ik kan mijn autosleutel niet vinden,’ zegt ze op een inademing om te voorkomen dat haar adem de beide agenten bereikt. ‘Het is een nieuwe handtas,’ voegt ze eraan toe. ‘In de stad blijven slapen?’ De agente is op haar hurken gaan zitten en kijkt met een glimlach van verstandhouding op. Karen voelt haar irritatie toenemen; wat weet deze akelig goedgetrainde troela met haar dansende paardenstaart van ‘in de stad blijven slapen’? ‘Hoezo?’ zegt ze met ijskoude stem. Ze gebruikt de blik. De priemende blauwe blik met de gele rand om de pupil waarvan ze weet dat die mensen tot zwijgen brengt. Ze staart de jongere vrouw strak aan, net zo lang tot die wegkijkt, maar zodra ze de strijd heeft gewonnen heeft ze er spijt van. Waar is ze in vredesnaam mee bezig? ‘Na Oistra wordt het altijd laat, dus ik heb bij een vriend overnacht,’ voegt ze er vergoelijkend aan toe. ‘Maar nu kan ik beter verder gaan zoeken...’ Karen wijst veelbetekenend naar haar handtas en spullen, die nog altijd de belangstelling van de agente lijken te hebben. Op hetzelfde moment ziet ze hoe een hand in een handschoen wordt uitgestoken, de in elkaar gepropte panty optilt en die even heen en weer schudt. Rinkelend valt de platte sleutel op de tegels van het trottoir. Twee tellen later hoort ze het vertrouwde piepje van een portier dat van het slot springt. ‘Alstublieft, chef,’ zegt agent Sara Inguldsen, die weer is gaan staan en de autosleutel met een scheef glimlachje naar voren steekt. Niet in staat iets te zeggen pakt Karen hem aan. De beide collega’s doen een paar passen naar achteren en salueren. Nu heeft agent Björn Lange kennelijk ook zijn spraakvermogen hervonden. ‘Voorzichtig rijden hoor, inspecteur Eiken!’

14


4

De snelweg van Dunker naar Langevik strekt zich zes kilometer langs de zuidoostelijke kust van Heimö uit, snijdt dwars door het langwerpige schiereiland Skagersnäs en gaat dan nog anderhalve kilometer in noordoostelijke richting verder. Karen voelt een stroompje zweet over haar rug lopen, maar huivert tegelijk in de kunstmatige kou van de airco. Ze heeft haar handen om het stuur geklemd en werpt regelmatig een blik op de snelheidsmeter. Ze denkt niet dat de verkeerspolitie op een ochtend als deze mensen op straat heeft om snelheidscontroles uit te voeren, maar alleen al het idee om door collega’s staande te worden gehouden, en dan ook nog eens te moeten blazen, is ongeveer net zo aanlokkelijk als nog een nacht met Jounas Smeed moeten doorbrengen. Ze vreest dat het ook net zo verwoestend voor haar carrière zou zijn. Ondanks de nog altijd veel te genereuze wetgeving – het gevolg van pragmatische politici die bij een wijziging meer te verliezen dan te winnen hebben – is haar promillage vermoedelijk hoger dan het toegestane niveau. Als dat tot haar doordringt, voelt ze haar buik ijskoud worden en gaat nog zachter rijden. Dat niet. Nooit. Het is niet druk; slechts om de zoveel minuten passeert een enkele auto. Karen ontspant haar handen en schudt haar schouders een beetje los. Straks, als ze een paar uur heeft geslapen, zal ze elk detail van gisteravond doornemen, alles wat er is gebeurd de revue laten passeren, elk moment onder de loep nemen, zichzelf ter verantwoording roepen en tot spijt en een gezonde leefwijze veroordelen. Wekenlang geen druppel alcohol meer, nooit meer sigaretten, elke dag joggen, krachttraining en gezond eten. Eerst een gedegen onderzoek en daarna een vonnis; ze heeft het al eens eerder gedaan. De nalatenschap van haar familie op Noorö is in 15


haar ziel gegrift. Niet zo diep dat ze nooit meer zal zondigen, maar wel diep genoeg om haar bij een al te scheve schaats met angst te vervullen. Niet voor Gods toorn en ook niet om de toegang tot de hemel te verliezen, maar wel voor de prijs die ze er al in dit leven voor moet betalen. Nu zal haar chef bij de rechercheafdeling van de Rijkspolitie Doggerland haar leven tot een hel op aarde maken. Met sneren, grijnzen, toespelingen. De situatie op haar werk zal onhoudbaar worden, maar ze ziet geen enkele oplossing. Door een paar weken op vakantie te gaan zal het probleem niet verdwijnen, en wat moet ze daarna? Op goed geluk ontslag nemen? Een andere branche zoeken, op haar leeftijd? Het voelt allemaal even onmogelijk en ze verdringt alle gedachten aan de toekomst. Tegen de toenemende stroom herinneringen aan gisteren heeft ze echter geen verweer. De laatste zaterdag van september. Ze had met Marike, Kore en Eirik afgesproken een biertje bij The Rover te gaan drinken voordat het traditionele oesterfestijn begon. Marike had gebaald omdat het bakken van haar keramiek was mislukt, waardoor twee weken werk in het atelier naar de verdommenis was. Er was iets fout gegaan met het nieuwe glazuur, waarvan ze juist zulke hoge verwachtingen had gehad. Daarnaast had Marike Estrup de pest aan oesters, zoals ze met een ongewoon sterk Deens accent had verklaard. In de loop van de tijd waren ze aan haar halsbrekende mengeling van Doggers en Deens gewend geraakt en hadden kunnen vaststellen dat de sterkte van haar accent als een soort geigerteller voor haar stemming fungeerde; gisteren was de meter gigantisch uitgeslagen en het was bijna onmogelijk geweest haar Noord-Jutlandse gesnauw te verstaan. Kore en Eirik waren echter in een opperbeste stemming geweest. Twee dagen eerder was hun bod op een huis in Thingwalla geaccepteerd en vrijdagavond hadden ze zich eerst zorgen gemaakt over de hypotheek en over de inrichting geruzied en zich daarna aan goedmaakseks gewijd. Zaterdag waren ze de hele dag in bed gebleven en hadden in een cocon van vertrouwen plannen gemaakt voor de verhuizing, de housewarmingparty en hun gezamenlijke oude dag. Karen had een productieve zaterdag achter de rug gehad, die 16


was begonnen met een bezoekje aan de bouwmarkt in Rakne. Omdat ze zeven ramen van tochtwering had voorzien, de scharnieren van haar schuurdeur had vervangen en bovendien bijna een halfuur met haar moeder had gebeld zonder ook maar één keer haar stem te verheffen, was ze tevreden geweest over zichzelf toen ze in de milde duisternis van de pub naar haar nog altijd gebruinde vrienden had gekeken. Zelf had ze er met haar bleke huid moe en bijna ziek uitgezien, zoals Kore haar harteloos had verteld. ‘Ja, maar nu is het mijn beurt,’ had ze geantwoord. ‘Ik vertrek denk ik maandag, uiterlijk dinsdag.’ Ze had alleen begin juni een paar dagen vrij gehad, de rest van de zomer had ze gewerkt. Terwijl haar collega’s vakantie hadden gevierd, had zij in haar eentje een vooronderzoek afgerond, de laatste processen-verbaal uitgewerkt, opgeruimd en de stellingen gehouden met behulp van tijdelijk geleend personeel uit de randdistricten. Toen haar tactvol was gevraagd of ze wellicht bereid was om haar vakantie tot in de herfst uit te stellen, had ze op geen enkele manier laten blijken dat haar dat perfect uitkwam. Zonder tegenwerpingen had ze de hele zomer doorgewerkt en martelaarspunten verzameld die goed van pas konden komen wanneer ze gingen touwtrekken over de vrije dagen rond Kerstmis en oud en nieuw. Tevreden achteroverleunend in een van de fauteuils van The Rover had ze haar vrienden verteld dat ze nu drie weken vakantie voor de boeg had, die ze voor het merendeel in Noordoost-Frankrijk wilde doorbrengen, terwijl de Doggerse eilanden steeds verder in duisternis en kou werden gehuld. Daar, op een boerderij in de Elzas, waar ze een paar armzalige procenten van het land en de wijnranken bezat, zou ze met Philippe, Agnès en de anderen rond de tafel zitten. De huidige oogst bespreken en vergelijken hoe eerdere jaren zich hadden ontwikkeld. Maar eerst zouden ze Oistra vieren. Zoals altijd begon het jaarlijkse oesterfeest in de haven, waar zowel inwoners van Dunker als toegestroomde toeristen zich tussen de tafels verdrongen. De oesters hadden zich nog niet echt dik en rond gegeten, maar de eerste zaterdag na de herfstnachtevening markeerde het begin van een lang seizoen en dat moest goed worden gevierd. De slinkende stapels gewone en Japanse oesters 17


werden in rap tempo aangevuld terwijl geld van eigenaar wisselde en bezwete medewerkers van de brouwerij luid puffend nieuwe tonnen met porter en de met wilde gagel gekruide Heimö-drank aanrolden. Geheel volgens traditie werd er uitsluitend zwart brood en boter bij gegeten, maar dat was wel belangrijk; het was niet de bedoeling dat mensen omkwamen van de honger of aan hun roes bezweken en daarom werd het die avond gratis geserveerd en was elk leeg oppervlak gevuld met sponsorreclame. Alles was gewoon net zo geweest als anders. Hoe uitgelaten en hartelijk de sfeer ook is, er vallen tijdens Oistra altijd wel slachtoffers ten gevolge van dronkenschap, vechtpartijen en een enkel geval van voedselvergiftiging. Geen onderdeel van de traditie zijn echter het streetfood en de in kartonnen bekertjes geserveerde goedkope wijn van tegenwoordig. Jaarlijks leidt dat tot boze brieven in de krant van mensen die schuilgaan achter namen als ‘Hoeder van onze Doggerse cultuur’ en ‘Teleurgestelde man van 72’. Ook het amusement is in de loop van de tijd veranderd en niet iedereen vindt het een verbetering. De volksmuziek die tot nog maar twintig jaar geleden het enige vermaak vormde, heeft nu stevige concurrentie gekregen van plaatselijke en ingehuurde rockbands, ondraaglijke talentenshows, geschetter van kermisattracties en gegil van kinderen. Toen ze gisteren de haven verlieten hadden Kore en Eirik ieder al een stuk of twaalf oesters gegeten en Karen minstens de helft daarvan. Marike had hun achterovergebogen hoofden en gulzig geopende monden walgend bestudeerd. ‘Oesters zijn geen menselijk voedsel. Je kunt er ontzettend ziek van worden,’ had ze met een mond vol pulled pork gezegd, waardoor ze nog moeilijker te verstaan was geweest. ‘Je wordt juist ziek van die rommel, niet van de oesters,’ had Kore onbezorgd geantwoord. Hij had de laatste slok Heimö-drank achterovergeslagen en het plastic glas in een afvalbak gegooid terwijl hij een halfbakken poging had gedaan een boer te onderdrukken. ‘Jakkes,’ zei hij met een vertrokken gezicht. ‘Nu wil ik verdomme iets lekkers drinken.’ Traditiegetrouw waren ze op kroegentocht gegaan en het ene na het andere glas witte wijn had gezelschap gekregen van nog meer 18


oesters. Ter vergelijking serveerden enkele bars aan de strandpromenade Franse Bélon-oesters naast de inheemse, en de Doggerse gewoonte schreef nationalistisch maar goedmoedig boegeroep bij elke bestelling van de buitenlandse concurrenten voor. Net nadat Karen bij de derde bar, Café Nova, een glas chablis en twee Bélon-oesters had besteld, had ze vlak bij haar oor een warme ademhaling gevoeld en een donkere stem gehoord. ‘Inspecteur Eiken, stop je echt willekeurig wat in je mond?’ Glimlachend had ze zich langzaam omgedraaid naar de man die aan het hoofd van de rechercheafdeling stond. ‘Nee, Smeed, zoveel geluk heb je niet.’ Maar anderhalf uur later hadden ze zich in een tweepersoonskamer van hotel Strand bevonden. Met hetzelfde gevoel dat je krijgt wanneer je een steen optilt en huiverend naar alles kijkt wat eronder krioelt, gaan haar gedachten nu terug naar wat daar eigenlijk is gebeurd. Ze knijpt haar ogen half dicht tegen de zon en het glimmende wegdek. De alcohol had natuurlijk meegespeeld, denkt ze in een poging het gebeurde in perspectief te plaatsen. De algeheel uitgelaten stemming eveneens; het was ook niet de eerste keer, voor haarzelf of anderen, dat juist het oesterfeest was uitgelopen op een seksuele blunder die tot diepe spijt of, in het ergste geval, een scheiding had geleid. Toch kan ze zich niet herinneren dat ze van een eerdere misstap zoveel berouw heeft gehad als nu. Karen werpt een blik opzij terwijl de weg met een flauwe bocht naar het noorden draait. De nevel is inmiddels opgetrokken, de zon staat al halverwege de hemel en de ruwe zee glinstert. Een paar mantelmeeuwen zeilen op de winden mee en lijken er lui genoegen mee te nemen hun voedsel rustig kwebbelend te verteren in plaats van naar meer vis te spieden. Ze laat het raam zakken en ademt de zilte lucht in. Ik moet het hoofd personeelszaken maar bellen om te vragen of ik overgeplaatst kan worden, denkt ze. Misschien is er een functie vrij in Ravenby, of in het ergste geval in Grunder, hoe vervelend dat ook zou zijn. Het was tot nu toe ook niet pijnvrij, zegt ze tegen zichzelf. Al onder het vorige afdelingshoofd waren de vrouwelijke medewerkers een voor een vertrokken. Eva Halvarsson had de hoop opgegeven het ooit van agent tot inspecteur te schoppen en overplaatsing 19


naar de ordepolitie aangevraagd, terwijl Anniken Gerber en Inga van Breukelen een baan in het politiedistrict Frisel hadden gezocht. Karen heeft zich vastgebeten, niet zozeer uit principe als wel omdat ze geen puf heeft om opnieuw te beginnen. Niet nóg een keer. Maar bovenal omdat het werk als inspecteur bij de recherche een effectieve manier is om haar gedachten aan alles wat ze tot elke prijs wil vergeten weg te houden. Samen met een stuk of twaalf mannelijke en tegenwoordig twee vrouwelijke collega’s van de recherche van de Rijkspolitie Doggerland onderzoekt ze alle zware misdaad op de Doggerse eilanden: Heimö, Noorö en Frisel. Toen elf jaar geleden het besluit viel om de middelen te centraliseren, was daar vanuit de plaatselijke politiekantoren veel kritiek op gekomen, maar naarmate er meer zaken werden opgelost verstomden de protesten. Helaas nam ook de hoeveelheid zware misdrijven toe, met als gevolg dat het aantal ongestrafte daders op een constant niveau blijft. En Karen haar gedachten in bedwang kan houden. Bij haar aanstelling was betwijfeld of ze voor de taak geschikt was – de collega’s van de oude garde dachten niet dat een bachelor criminologie aan de London Met opwoog tegen de ontbrekende ‘slavenjaren’ bij de geüniformeerde politie. Maar Karens persoonlijke percentage opgeloste zaken had de kritiek in de loop van de jaren tot zwijgen gebracht. Bij het aantreden van Jounas Smeed als hoofd van de recherche had zijn respect voor haar als rechercheur echter meteen al niet overtuigend gevoeld, alsof het hem tegenstond haar competentie te erkennen. In een vroeg stadium had hij ervoor gezorgd dat iets wat hij zelf als ‘relaxed jargon van juten onder elkaar’ beschreef, de heersende toon op de afdeling werd. De beloning had niet op zich laten wachten. Opgelucht een chef te hebben die de eisen van kadaverdiscipline en onderdanigheid had losgelaten, hadden de mannelijke collega’s op de afdeling Jounas Smeed in hun hart gesloten en ‘het relaxte jargon’ bereidwillig tot bijna ondraaglijke niveaus ontwikkeld. Aan voortdurende grapjes in de vorm van kleine steken en toespelingen is Karen ondertussen gewend geraakt. Of beter gezegd, uit zelfbehoud heeft ze geleerd Oost-Indisch doof te zijn voor Johannisens onvermoeibare gescheld op feministen en vrouwelijke chauffeurs en Smeeds terugkerende overpeinzingen over de totaal onbegrij20


pelijke denkwijze van vrouwen. Ze verwaardigt het circus geen enkel commentaar. Ze weet dat zwijgen duidelijker spreekt dan ertegenin gaan. Dat verveeld gapen meer provoceert dan luidkeels protesteren. Ze heeft geleerd zich af te schermen, geweigerd haar irritatie te tonen, zich er maar al te zeer van bewust dat het juist erger wordt als ze er toch in trapt. Bovendien geeft het haar macht. Jounas Smeed provoceert door voortdurend te proberen haar een reactie te ontlokken, zij provoceert hem nog meer door er geen te geven. En nu heb ik met die hufter geneukt, denkt ze. Verdomme nog aan toe! Als ze de borden van de afslag naar Langevik ziet, weet ze ook precies waarom ze in bed zijn beland. Juist die voortdurende strijd, die krachtmeting tussen hen beiden had er gisteravond toe geleid dat ze alle spelregels overboord hadden geworpen. Een onbedwingbare drang om eindelijk de ander te overwinnen. En dat verlangen om nu ook eens de overhand te krijgen, om de ander zover te krijgen dat die toegaf de mindere te zijn, was in hun dronkenschap overgegaan in een pathetische verleidingsact waarbij ze zich alle twee als de vanzelfsprekende overwinnaar hadden beschouwd. Hun roes had alle tegenwerpingen terzijde geschoven, alle waarschuwingen in de wind geslagen, en in plaats daarvan opeens een fysieke aantrekkingskracht opgeroepen. Een vonk die net zo snel was gedoofd als dat die was overgesprongen. Het was niet eens goede seks, denkt ze, met enig leedvermaak. Vooral een eindeloos en vermoeiend wisselen van standjes, het ene nog ongemakkelijker dan het andere, vermoedelijk om indruk te maken. Die klootzak is wel lenig voor zijn leeftijd. Leniger dan ik in elk geval. Ze kijkt even in de spiegel, doet de richtingaanwijzer aan en slaat af. De afslag naar Langevik is weliswaar geasfalteerd, maar je mag hier slechts 60 en ze mindert gehoorzaam vaart tot vlak onder de maximumsnelheid. Heel even dwaalt haar blik van de rijbaan naar de steile heuvelrug, de LangeviksĂĽsen, waar een wit windmolenpark verrijst. De wieken draaien in een gelijkmatig tempo rond en ze hoort het gesuis door het open raam. Langs de hele heuvelrug staan windmolens, die bij de aanleg, zes jaar geleden, tot 21


felle protesten hadden geleid. De inwoners van het dorp dat een paar honderd meter verderop aan zee ligt, hadden vergaderingen belegd, en in alle winkels en tussen de bierkranen in het plaatselijke café hadden handtekeningenlijsten gelegen. Ondertussen zijn de gemoederen allang bedaard en is het jaren geleden dat de windmolens hier onderwerp van gesprek waren. Karen kijkt naar de hoge, witte torens. De bewegingen van de slanke armen hebben iets rustgevends, iets wat bijna mooi is. Zelf heeft ze nooit echt iets op de aanleg tegen gehad, zelfs niet toen de protesten op hun luidst waren. Maar aangezien Karen Eiken Hornby een pint lekker bier hoog op haar lijstje heeft staan van dingen die het leven draaglijk maken, had ze plichtsgetrouw haar handtekening gezet; wie de actie niet steunde zou het geroezemoes in het enige café van het dorp doen verstommen, hoofden doen afdraaien. Natuurlijk waren alle pogingen om de bouw tegen te houden zinloos geweest; een voor een waren de hoge witte masten op de Langeviksåsen verrezen. Karen vindt het prima; het geluid van de turbines is bij haar thuis alleen te horen als de wind uit het zuidwesten komt. Maar hier, onder aan deze zwakke helling, waar de bebouwing schaars is, alsof de huizen per ongeluk op de glooiing zijn geplaatst waar de rivier de Langeviksån naar zee kronkelt, hoor je ze voortdurend brommen. Honderdvijftig meter verderop, op een heuvelachtig perceel langs de rivier, ziet ze opeens een beweging in het rustige landschap. Een vrouw van middelbare leeftijd zwoegt tegen het steile pad op dat van de wassteiger naar het huis loopt. Ze draagt een vaalbruine ochtendjas en heeft een handdoek als een tulband om haar hoofd gewikkeld. Karen huivert van onbehagen en het duurt even voordat ze haar instinctieve schuldgevoel kan verdrijven. Er zijn duizenden redenen waarom ik niet met Jounas Smeed naar bed had moeten gaan, maar Susanne is daar niet een van, denkt ze. Ze moeten inmiddels al zo’n tien jaar gescheiden zijn. Ze overweegt bij wijze van groet te claxonneren zoals de etiquette van het dorp voorschrijft, maar ziet er vervolgens van af. In de huidige situatie heeft ze helemaal geen zin zich kenbaar te maken. Bovendien lijkt Susanne Smeed haar niet te zien; haar ogen zijn strak op de grond gericht en ze heeft kennelijk haast. Ze heeft haar ochtendjas strak om zich heen getrokken en loopt met snelle, 22


doelbewuste passen. Ze moet het ontzettend koud hebben na een ochtendbad in zee, denkt Karen, het water kan niet meer dan een paar graden boven nul zijn. Nu ze bijna thuis is, ontspant ze en haar vermoeidheid maakt zich steeds meer kenbaar. Ze onderdrukt wederom een geeuw en knippert een paar keer stevig met haar ogen. Op hetzelfde moment beweegt er iets in de berm. Een kat springt met een gebogen kopje en opgetrokken schouders als een roofdier over de weg, alert en bereid de buit die hulpeloos in zijn bek bungelt te verdedigen. Karen voelt de adrenaline door haar lichaam gieren als de autogordel door het abrupte remmen straktrekt. ‘Alert blijven,’ fluistert ze. ‘Je weet wat er kan gebeuren. Als geen ander.’ Ze rijdt verder over de geleidelijk aflopende weg en nadert het centrum van het dorp. Hier staan de huizen aan beide kanten dicht op elkaar, maar er is nog steeds geen kip te bekennen. Ze mindert nog meer vaart en rijdt de lange dorpsstraat in. Voor het enige café van Langevik, Haren och Kråkan, staan de meubels schots en scheef op het met grind bedekte terras. Op de tafels staat nog her en der een glas en een paar meeuwen vliegen om de achtergebleven oesterschelpen. Anders dan in Dunker is het hier niet nodig de stoelen en tafels ’s nachts op te stapelen en aan elkaar vast te binden, maar de eigenaar van de pub, Arild Rasmussen, zet alles altijd wel keurig neer voordat hij sluit. Vermoedelijk heeft de beste man gisteravond stiekem iets te veel bodempjes achterovergeslagen in de keuken; hij zal wel net als alle anderen Oistra hebben willen vieren, denkt ze. Langzaam rijdt ze langs het medisch centrum, dat volgens de sociale wetgeving in elk dorp aanwezig moet zijn, maar dat tegenwoordig alleen op maandag en donderdag vier uur open is. Ze passeert de tabakswinkel, het gesloten postkantoor, de gesloten ijzerwarenwinkel en de voortdurend met sluiting bedreigde levensmiddelenwinkel. Het oude vissersdorp aan de oostkust van Heimö ligt aan de beademing en drijft op de restanten van de demonstratiezin uit vroeger tijden. Maar de protesten worden steeds lammer, het aanbod en de prijzen leiden ertoe dat de meeste mensen hun principes vergeten en liever naar hypermarkten en praktische bouwmarkten gaan. Alleen het bedrijf van Arild Rasmussen lijkt 23


niet te worden bedreigd; bij Haren och Kråkan zit het vrijwel elke avond zo goed als vol. Aan het eind van de dorpsstraat buigt de weg om de oude vismarkt en voert langs de haven. Karen volgt de scherpe bocht en rijdt verder over het onverharde weggetje tussen de zee en de Langeviksåsen. Witte en grijze stenen huizen klimmen langs de heuvels omhoog en bij de strandlijn aan de andere kant steken steigers en boothuizen uit het water omhoog. Uit alles blijkt dat Langevik, net als de overige kustdorpen op de Doggerse eilanden, ooit uitsluitend door vissers, zeelui en een enkele loods werd bevolkt. De meeste huizen waarvan het erf aan het water grenst worden tegenwoordig bewoond door it’ers, boorplatformingenieurs en een enkele cultureel werker. Achter de eenvoudige, grijze gevels zijn houtfornuizen en theeketels verruild voor inductiekookplaten en espressoapparaten. Karen weet dat steeds meer boothuizen worden verbouwd tot extra buitenkamer; in plaats van grote roeiboten die ruimte bieden aan vier of zes roeiers, staan er nu comfortabele banken van weerbestendig kunstrotan achter de door weer en wind geteisterde gevels. Daar zitten de tevreden eigenaren op zoele zomeravonden met een glas wijn te genieten van een magistraal uitzicht op zee, zonder zich zorgen te hoeven maken over kapotte netten of de vraag of zo’n verrekte zeehond weer eens de halve vangst heeft gestolen. Misschien zou ze dat zelf ook hebben gedaan als ze het zich had kunnen permitteren. Karen Eiken Hornby is niet nostalgisch. Uiterlijk lijkt alles nog net zo te zijn als toen ze hier opgroeide, maar toch is niets hetzelfde. En dat vindt ze prima. Ze rijdt de steile oprit bij een van de laatste huizen op en constateert dat ze de kuil bij het hek moet opvullen, wil ze de volgende keer dat de zware auto haar erf op hobbelt niet haar hoofd tegen het dak stoten. Met een zucht van verlichting zet ze de motor uit en ze blijft een paar tellen zitten voordat ze het portier opent. Opnieuw wordt ze overmand door vermoeidheid en haar voetstappen voelen loodzwaar als ze de helling naar het huis op loopt. Ze haalt diep adem en vult haar longen met de geur van de naderende herfst. Meestal is de lucht hier een paar graden kouder dan in Dunker, en dat de zomer snel zijn einde nadert staat buiten kijf. 24


De berken worden al geel en de lijsterbes bij het schuurtje schittert rood van de vruchten. Op het stenen stoepje bij de keukendeur ligt een enorme grijze kat. Als Karen dichterbij komt, draait het harige beest zich op zijn rug, strekt zich in zijn volledige lengte uit en gaapt zo dat zijn hoektanden zichtbaar worden. ‘Goedemorgen, Rufus. Vandaag weer geen muizen? Wat heb ik nou aan jou?’ Nog geen tel later gaat de kat staan, strijkt langs haar benen en glipt nog voordat Karen de sleutel uit het slot heeft gehaald naar binnen. Ze gooit haar handtas op de keukentafel, wurmt zich uit haar jack en schopt in een en dezelfde beweging haar schoenen uit. Dan opent ze het kastje boven het aanrecht, pakt twee pijnstillers en neemt die met een glas water in terwijl ze de kat, die ondertussen op het aanrecht is gesprongen, verstrooid over zijn rug aait. Het geluid van steeds harder en dwingender gemiauw snijdt door de hoofdpijn heen en ze pakt een blikje kattenvoer. Zodra ze het bakje neerzet, is het dier stil en ze voelt haar schouders ontspannen. Ze zou vanavond nog het kattenluikje moeten monteren dat ze heeft gekocht nadat ze had gecapituleerd. Hoewel er voldoende muizen zijn en Rufus in twee gebouwen naar binnen kan, geeft hij er de voorkeur aan om op stand te eten, dat wil zeggen in de keuken, en zijn dagen op de bank in de woonkamer door te brengen. Waar hij woonde voordat hij afgelopen voorjaar haar oprit op kwam strompelen weet ze niet. De briefjes die ze op lantaarnpalen en in brievenbussen in het dorp had achtergelaten hadden niets opgeleverd. De dierenarts had zijn oor vastgenaaid, hem gecastreerd, zijn pootje gespalkt en hem een beschermkraag omgedaan om te voorkomen dat hij het medicijn tegen ringworm oplikte. Het zwaar toegetakelde beest is blijkbaar gekomen om te blijven en nu kan ze alleen maar constateren dat de stellingenoorlog voorbij is: Rufus heeft gewonnen. Bij het gesmak van de kat vult ze het koffiezetapparaat en snijdt een paar sneetjes brood. Een kwartier later heeft ze de twee boterhammen met kaas naar binnen gewerkt en weggespoeld met een halve liter sterke koffie. De knallende koppijn is overgegaan in een zeurend gevoel en nu slaat de vermoeidheid pas echt toe. 25


Zonder op te ruimen sleept ze zichzelf de trap op naar de slaapkamer, trekt haar jurk uit en gaat op bed liggen. Ik zou op zijn minst mijn tanden moeten poetsen, denkt ze. Nog geen tel later is ze in slaap gevallen.

26


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Leesfragment Doggerland: Misleiding van Maria Adolfsson by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu