Skip to main content

Ahern, Cecelia - De som van jou en mij - Gratis leesfragment

Page 1

DE SOM VAN JOU EN MIJ

VAN DE AUTEUR VAN BESTSELLER P.S. I LOVE YOU

Gratis leesfragment 1


2


Allegra groeide op bij haar vader. Nu heeft ze een gedurfde stap gezet en is ze verhuisd naar Dublin om haar moeder te zoeken. Daar leeft ze een teruggetrokken leven als parkeerwacht en laat niemand bij zich in de buurt komen. Maar wanneer op een dag een arrogante Ferrari-coureur haar zegt dat iedereen een mix is van de vijf mensen met wie ze de meeste tijd doorbrengen, begint Allegra te twijfelen aan haar zorgvuldig afgeschermde bestaan – heeft zij die vijf mensen wel? Wie zijn de belangrijkste mensen in haar leven? Een sprankelende zoektocht begint. Een buitenstaander op zoek naar mensen die ze kan vertrouwen. Een fascinerende vraag die iedereen aan het denken zet. De som van jou en mij is een onvergetelijk verhaal over menselijke verbondenheid, vriendschap en de zoektocht naar identiteit. De som van jou en mij is vanaf 25 januari 2022 overal verkrijgbaar voor € 21,99

D

e Ierse Cecelia Ahern (dochter van de voormalig premier van Ierland) werd wereldberoemd met haar debuutroman P.S. I Love You, een hartverscheurend verhaal dat net zo beroemd is als Bridget Jones’s Diary. De film met Hilary Swank en Gerard Butler is zo mogelijk nog beroemder. Het boek is inmiddels een klassieker en everseller, en was voor Ahern de start van een grootse carrière. In 2019 verscheen de opvolger van P.S. I Love You bij Luitingh-Sijthoff: De P.S. I Love You Club. Een jaar later verscheen de verhalenbundel De vrouw die haar stoute schoenen zocht. Beide boeken worden verfilmd: Hilary Swank heeft al getekend voor de sequel van PS en Nicole Kidman maakt van De vrouw die haar stoute schoenen zocht een serie voor Apple TV.

3 3


Proloog In het donker knerpt een slak onder mijn schoen. Het slakkenhuis kraakt. Een zompig geluid. Slijm. De pijn schiet door een zenuw onder mijn tandvlees. Ik kan mijn voet niet snel genoeg terugtrekken, ik kan de tijd niet terugspoelen, de schade kan niet ongedaan worden gemaakt. Ik heb het weke binnenste van de papperige ingewanden van de slak geraakt. Hem geplet en in de grond gedrukt. De volgende paar stappen voel ik het papje onder mijn schoen. Ik draag het misdrijf mee aan een plakkerige zool. De dood aan mijn schoen. Uitgesmeerde ingewanden. Een draai en een veeg en ik ben ervanaf. Dat gebeurt wel vaker als ik ’s avonds na een regenbui in het donker loop, als ik niet zie waar ik mijn voeten neerzet en de slak niet kan zien wie er op hem stapt. Ik heb altijd medelijden gehad met de slak, maar nu weet ik hoe het is. Vergelding. Karma. Ik weet nu hoe het voelt als je buitenste omhulsel wordt gekraakt, je ingewanden kwetsbaar voelen. Hij is op me gaan staan. En hij is nog een paar stappen met me doorgelopen, zijn zool plakkerig van mij. Ik vraag me af of zijn ziel nu ook plakkerig van mij is. Of hij het kraken en mijn slijm heeft gevoeld toen hij zijn hatelijke woorden uitsprak en wegliep. Mijn omhulsel nam hij een paar stappen mee tot hij besefte dat hij me nog bij zich had. Een draai van zijn schoen, alsof je een sigaret uitdrukt, en hij was van me af. Mijn resten op het pad. Gebroken en blootgesteld aan de elementen, een onbeschermde zachte binnenkant die ik uit alle macht probeerde te beschermen. Alles wat ik zo goed in me had gehouden lekte eruit. Gevoelens, gedachten, onzekerheden sijpelden allemaal naar buiten. Een dun spoor van emotionele ingewanden. Ik zag zijn voet niet aankomen. Vraag me af of ik hem ook heb verrast. Ook al voelt het misschien zo, dit is niet het einde. Ik ben niet dood. Ik ben geplet en lek. Een Allegra Bird in gruzelementen. Het kapotte omhulsel valt niet te repareren. Maar je kunt het wel opnieuw opbouwen.

4


1 Toen ik dertien jaar was, verbond ik de sproeten op mijn armen met elkaar, als een verbind-de-puntenkleurplaat. Ik was rechts, dus mijn linkerarm werd een web van blauwe penlijntjes. Na een tijdje ging ik er sterrenbeelden op namaken, bracht ze in kaart van sproet naar sproet tot de huid op mijn arm er net zo uitzag als de nachtelijke hemel. De Grote Beer, of eigenlijk de Steelpan, tekende ik het liefst. Dat was het sterrenbeeld dat ik ’s nachts meteen kon vinden, dus als de lichten uit gingen op kostschool en de stilte neerdaalde in de gangen, zette ik mijn leeslampje gedimd aan, pakte een blauwe gelpen en volgde de zeven sterren van sproet naar sproet, tot mijn huid net een kaart van de nachtelijke hemel leek. Dubhe, Merak, Phecda, Megrez, Alioth, Mizar en Alkaid. Ik koos niet altijd dezelfde sproeten, soms daagde ik mezelf uit dit sterrenbeeld ergens anders na te tekenen, bijvoorbeeld op mijn benen, maar het ging pijn doen aan mijn rug om zo lang achter elkaar voorovergebogen te zitten. Het voelde ook onnatuurlijk, alsof ik die andere verzamelingen sproeten dwong iets te worden wat ze niet waren. De ideale zeven sproeten lagen al perfect ten opzichte van elkaar op mijn linkerarm om de Steelpan te vormen, dus liet ik de andere sproeten uiteindelijk voor wat ze waren en elke avond, als de inkt weer was weggewassen door mijn ochtendlijke douche, begon ik opnieuw. Daarna kwam Cassiopeia. Die was makkelijk. Dan het Zuiderkruis en Orion. Pegasus was lastig met in totaal veertien sterren/sproeten, maar mijn armen werden meer aan zonlicht blootgesteld dan de rest van mijn lichaam, afgezien van mijn gezicht, dus daar zat een hogere concentratie pigmentophopingen, perfect gepositioneerd voor een sterrenbeeld van veertien sterren. In de duisternis van onze slaapzaal klonk vanaf de slaapplaats naast me de zware ademhaling van Caroline die zichzelf bevredigde in de veronderstelling dat niemand het merkte, en aan mijn andere kant sloeg Louise bladzijden om van de mangastripboeken die ze met een zaklamp las. Tegenover me werkte Margaret een hele zak minirepen weg om daarna haar vinger in haar keel te steken en ze weer uit te braken, en Olivia oefende met een spiegel hoe je moest zoenen terwijl Liz en Fiona samen experimenteerde. Catherine snikte zachtjes omdat ze heimwee had en Katie schreef haatbrieven aan haar moeder die haar vader had bedrogen, en alle anderen in de meisjeskostschool gingen op in hun geheimen op het enige plekje dat van henzelf was, terwijl ik mijn sproeten in kaart bracht alsof het sterren waren. Mijn privéaangelegenheid bleef niet lang geheim. Ik deed het elke avond, en blauwe pen op blauwe pen, elke avond weer, kun je er uiteindelijk niet meer af wassen. De inkt zette zich vast in mijn poriën en zelfs een schuurborstel, heet water en een zeer gestreste non, Zuster La Tons – die van ons die bijnaam kreeg omdat ze elke zin begon met Laat ons... Laat ons danken en bidden. Laat ons onze boeken openen op pagina zeven. Laat ons lay-ups doen (ze was ook onze basketbalcoach) – haalden niets uit tegen de inkt en voorkwamen niet dat ik het bleef doen. Er werd wel gek naar me gekeken bij de douches, het zwembad en als ik korte mouwen droeg. Die maffe meid met pentekeningen op haar arm. Het zijn patronen van het 5


hemelgewelf, dieren, mythologische figuren en wezens, goden en objecten, vertelde ik ze, en ik liet trots mijn arm zien, zonder me ooit te schamen voor mijn tekeningen. Het antwoord daarop was een lesje over inktvergiftiging. Nog meer bezoekjes aan de decaan. Extra rondjes op de atletiekbaan. Ze wisten dat lichamelijke gezondheid gelijkstond aan geestelijk welbevinden en probeerden me bezig te houden met zo veel mogelijk activiteiten om me ervan te weerhouden mijn huid te beschadigen. Het voelde allemaal als een straf. Laat haar rondjes rennen. Houd die meid weg bij haar huid. Maar je kunt iemand niet bij zijn huid weghouden. Je zit erin. Je bént het. Wat ze ook zeiden, ik kon er niet mee ophouden. Telkens wanneer het licht uitging en de stilte als mist op zee kwam opzetten, voelde ik het vertrouwde verlangen om me met mijn huid te verbinden. Ik schaamde me niet voor de pentekeningen. Het kon me niets schelen als mensen ernaar keken. Het enige wat ik erg vond was de heisa die ze erom maakten, maar ik was zeker niet het enige meisje met een aangedane huid. Jennifer Lannigan kerfde zichzelf met een mes, haar benen zaten onder de kleine sneetjes. Tijdens Engels kon ik ze goed zien, op het witte stuk tussen haar grijze sokken en de zoom van haar grijze rok. We mochten op school geen make-up dragen, maar na schooltijd deed Jennifer witte foundation en zwarte lippenstift op, piercete haar eigen lip en luisterde naar muziek van kwade mannen, en om een of andere reden vonden we het door dit totaalplaatje acceptabel dat ze zoiets gestoords met haar lijf deed. Maar ik was geen gothic en ze konden geen psychologische verklaring vinden voor het tekenen op mijn huid. De supervisor van de slaapzaal doorzocht mijn slaapplek en haalde al mijn pennen weg, die ik de volgende ochtend voor de les terugkreeg en dagelijks na het huiswerkuur weer moest inleveren. Als er een pen in mijn buurt was, hielden ze me in de gaten zoals ze dat bij een klein kind met een schaar zouden doen. Zonder pen bevond ik me dus ineens een beetje in hetzelfde kamp als Jennifer. Ik heb nooit de dwang begrepen om jezelf pijn te doen, het was slechts een middel om een doel te bereiken. Nu ging ik dan maar de scherpe punt van mijn liniaal gebruiken om een lijn van de ene sproet naar de andere te trekken. Ik wist dat ik niet in de sproet zelf moest snijden, ik was gewaarschuwd dat het gevaarlijk kon zijn om in moedervlekken en sproeten te kerven. Van linialen klom ik op naar scherpere voorwerpen: mijn passer, scheermesjes... en niet lang daarna, geschrokken van hoe mijn huid eraan toe was, gaf de supervisor me mijn pennen terug. Maar ze was te laat. Ik ging nooit meer terug naar inkt. Ik hield niet van de pijn, maar bloed was permanenter. De hardgeworden korsten tussen sproeten waren duidelijker, en nu kon ik de sterrenbeelden niet alleen zien, ik kon ze ook voelen. Ze schrijnden als er lucht langs streek en klopten onder mijn kleding. Hun aanwezigheid had iets troostends. Ik droeg ze als een pantser. Ik snijd niet meer in mijn huid, maar op mijn vierentwintigste zijn de sterrenbeelden nog altijd zichtbaar. Als ik me zorgen maak of gestrest ben, strijk ik automatisch met een vinger over de verdikte huid van mijn linkerarm, steeds maar weer, in de juiste volgorde, van de ene ster naar de andere. Ik verbind de punten, los 6


het mysterie op, schakel de gebeurtenissen aaneen. Ik werd al Freckles, ‘sproetje’, genoemd tijdens de eerste schoolweek toen ik op mijn twaalfde arriveerde, totdat ik op mijn achttiende vertrok. Als ik wel eens iemand van school tegenkom noemen ze me zelfs nu nog Freckles, omdat ze zijn vergeten hoe ik echt heet of omdat ze het nooit hebben geweten. Hoewel ze het niet kwaad bedoelden, wist ik eigenlijk altijd al dat het enige wat ze echt van me zagen mijn huid was. Die was niet donker of licht zoals de hunne, die zo wit was dat hij de zon reflecteerde. Geen Ierse kleur, maar een kleur die ze ook wilden en waarvoor ze er flessen en spuitbussen doorheen joegen om die te krijgen, met een soort feloranje als resultaat. Er waren zat meisjes met sproeten die niet dezelfde bijnaam kregen. Sproeten op een donkerdere huid was toch iets anders. Ik zat er niet mee, omarmde de bijnaam zelfs omdat hij meer was dan een bijnaam en voor mij een diepere betekenis had. Pops’ huid is zo wit als sneeuw, op sommige plekken zo licht dat hij bijna doorzichtig is als overtrekpapier, met dunne blauwe lijntjes eronder. Blauwe rivieren van lood. Zijn haar is nu grijzend en dunner maar was vroeger krullend rood en wild. Hij heeft sproeten, roodachtige, zoveel op zijn gezicht dat hij een zonsopgang zou zijn als ze met elkaar zouden versmelten. Je hebt mazzel dat ze je Freckles noemen, Allegra, zei hij altijd, mij noemden ze alleen maar vuurtoren of, nog beter, spuuglelijk! Dan bulderde hij luid. Tingelingeling, mijn haar staat in brand, tingelingeling, bel de brandweer, zong hij dan en ik deed mee en zong het liedje waarmee hij was gepest. Hij en ik, samen tegen de herinnering aan hen. Ik heb mijn moeder nooit gekend, maar ik weet dat ze een buitenlandse was. Een exotische schoonheid die aan de Ierse kust studeerde. Met een olijfkleurige huid, zwart haar en bruine ogen, uit Barcelona. De Catalaanse Carmencita Casanova. Zelfs haar naam klinkt als een sprookje. En deze Belle had schijnbaar het Beest ontmoet. Pops zegt dat ik toch iets van hem moest hebben. Want hoe had hij aanspraak op me kunnen maken als ik geen sproeten had gehad. Hij maakt natuurlijk een grapje, maar mijn sproeten waren mijn visitekaartje. Als hij de enige persoon is die ik heb en ooit zal hebben in mijn hele leven, verbinden mijn sproeten me met hem op een manier die essentieel aanvoelt. Ze zijn mijn bewijs. Een officiële stempel van het hemelse bureau dat mij aan hem bindt. De woedende menigte kan niet te paard en met vuurtoortsen naar ons huis komen, eisend dat hij de baby afgeeft die de moeder niet wilde. Kijk, ze is van hem, zie je, ze heeft zijn sproeten. Ik heb mijn moeders huidskleur, maar de sproeten van mijn vader. De ouder die me wel wilde. In tegenstelling tot Ma, die me opgaf omdat ze alles wilde, gaf hij alles op omdat hij mij wilde. Deze sproeten zijn de onzichtbare blauwe inktlijn, het permanente litteken dat me met hem verbindt, punt na punt, ster na ster, sproet na sproet. Verbind ze met elkaar en dan verbind je de een met de ander en de ander met de een.

7


2 Het was al mijn hele leven mijn doel om bij de Gardaí Siochana, de Ierse politiemacht, te gaan. Iedereen wist dat ik geen plan B had. In ons laatste jaar noemden ze me rechercheur Freckles. Mevrouw Meadows, de beroepskeuzeadviseur, heeft geprobeerd me over te halen bedrijfskunde te gaan studeren. Ze vond dat iedereen bedrijfskunde moest studeren, zelfs de artistieke types die naar binnen gingen met hun creatieve, flexibele gedachten en na een preek over de voordelen van een algemene bedrijfskundige opleiding naar buiten kwamen alsof ze elektroshocktherapie hadden gehad. Iets om op terug te vallen, werd altijd gezegd. Bedrijfskunde deed me dus aan een matras denken. Ik was hoopvol over mijn toekomst; ik dacht niet aan falen, en was al helemaal niet van plan ergens op terug te vallen. Ze kon me niet op andere gedachten brengen, want ik zag voor mij geen andere plek op de wereld. Ik bleek er toch naast te zitten. Mijn sollicitatie bij de Gardaí werd afgewezen. Ik was stomverbaasd. Een beetje uit het veld geslagen. Beschaamd. Zonder matras om op terug te vallen, moest ik mezelf heroriënteren en vond uiteindelijk het beste alternatief. Ik ben parkeerwacht voor het countybestuur van Fingal. Ik draag een uniform – grijze broek, witte blouse en een reflecterend hesje – en patrouilleer net als een garda op straat. Ik doe bijna wat ik wilde. Ik handhaaf de wet. Ik hou van mijn werk, ik hou van mijn dagelijkse routine, mijn route, mijn wijk. Ik hou van organisatie en orde, regels en duidelijkheid. De regels zijn helder en ik handhaaf ze nauwgezet. Ik vind het fijn dat ik een belangrijke rol vervul. Mijn thuisbasis is Malahide, een dorp net buiten Dublin, aan zee. Een mooie plek, welvarend gebied. Ik woon in een studiootje boven een fitnessruimte in de achtertuin van een herenhuis aan een lommerrijke straat naast Malahide Castle. Zij, Becky, doet iets met computers. Hij, Donnacha, werkt vanuit huis in zijn atelier, zo’n fijne tuinkamer, en maakt keramische kunst. Hij noemt het vaten. Ik vind het meer op schaaltjes lijken. Niet voor ontbijtgranen, je zou amper twee Weetabix in de voet krijgen en ze zijn te ondiep om er melk in te gieten, helemaal omdat Weetabix erg veel melk opzuigen. Ik las een interview met hem in het cultuurkatern van de Irish Times waarin hij ze omschreef als zeker geen schaaltjes, wat hij een diep beledigende omschrijving vindt, de vloek van zijn professionele leven. Die vaten bevatten zijn boodschap. Ik heb niet ver genoeg doorgelezen om de boodschap te begrijpen. Hij wauwelt op een merkwaardige manier, met een afwezige blik in zijn ogen alsof zijn kwellende mijmeringen enige betekenis hebben. Hij kan niet goed luisteren, terwijl ik juist dacht dat dat een typisch kenmerk van een kunstenaar was. Ik dacht dat kunstenaars sponzen waren die alles om zich heen in zich opnamen. Ik had half gelijk. Hij zit al zo vol onzin dat hij geen ruimte meer kan maken om nog iets op te nemen, alles lekt nu uit hem over de rest van de mensen. Artistieke incontinentie. En zijn piepkleine schaaltjes kosten minimaal vijfhonderd euro per stuk. Mijn huur is ook vijfhonderd euro per maand en het addertje is dat ik op hun drie kinderen moet passen wanneer ze het maar vragen. Meestal is dat drie keer in de 8


week. Altijd op zaterdagavond. Ik word wakker en kijk op mijn iPhone: 6.58 uur zoals altijd. Tijd om tot me door te laten dringen waar ik ben en wat er gaande is. Ik vind het altijd een goed begin van de dag om ’s ochtends vroeg mijn telefoon een stap voor te zijn. Twee minuten later gaat het alarm. Pops wil geen smartphone, hij denkt dat we allemaal in de gaten worden gehouden. Hij heeft me ook niet laten inenten, niet vanwege gezondheidsrisico’s maar omdat hij dacht dat ze dan een chip onder je huid aanbrachten. Hij heeft me voor mijn verjaardag een keer een weekendje mee naar Londen genomen, waar we een groot deel van de tijd voor de Ecuadoraanse Ambassade hebben gestaan en de naam van Julian Assange hebben geroepen. De politie heeft ons twee keer weggestuurd. Julian keek naar buiten en zwaaide en Pops had het gevoel dat er iets gedenkwaardigs tussen hen gebeurde. Een verstandhouding tussen twee mannen die in hetzelfde geloven. Het volk aan de macht. Toen zijn we naar Mary Poppins gegaan, in West End. Om zeven uur neem ik een douche. Ik eet wat en kleed me aan. Grijze broek, witte blouse, zwarte schoenen, regenjas voor het geval ik die nodig heb omdat april doet wat hij wil. Ik beeld me altijd graag in dat ik in dit uniform kan worden aangezien voor een garda. Soms doe ik alsof ik er een ben. Niet echt, dat is illegaal, maar in mijn hoofd, en ik praat alsof ik er een ben. Die air die ze hebben. Dat aura. Die autoriteit. Jouw beschermer en vriend als je ze nodig hebt, je vijand als ze vinden dat je de klojo uithangt. Ze kunnen elk moment kiezen wie ze zijn. Magisch. Zelfs de groentjes met dons op hun kin hebben die strenge, teleurgestelde vroegoude blik. Alsof ze je kennen en weten dat je beter kunt en jezus waarom moest je ze nou teleurstellen. Sorry, garda, sorry, ik zal het nooit meer doen. En de vrouwelijke gardaí, daar wil je geen ruzie mee hebben, maar je zou zeker iets met ze willen gaan drinken. Mijn haar is lang, dik en zo zwart dat het een blauwe glans heeft, als olie, en föhnen duurt een uur dus ik was het maar één keer per week. Ik draag het in een lage knot, mijn pet net boven mijn ogen. Ik hang het bonnenapparaatje over mijn schouder. Klaar. Ik verlaat de garage, die vijftig meter van het huis ligt met een gigantische tuin ertussen, ontworpen door een onderscheiden landschapsarchitect. Het pad van mijn woning slalomt door een geheime tuin, de route die ik van de eigenaars moet nemen, naar de zijkant van het huis, waar ik het terrein verlaat via de voetgangerspoort, beveiligingscode 1916, het jaar van de opstand van de Ierse Republikeinen tegen de Britten, gekozen door Donnacha McGovern uit Ballyjamesduff. Kon Padraig Pearse hem nu maar zien, hoe hij zich inzet voor de Republiek. Terwijl hij schaaltjes maakt in zijn achtertuin. De benedenverdieping waarop ik uitkijk is bijna helemaal van glas. Hoge schuifdeuren die openen alsof het een zomerse brasserie is. Breng buiten naar binnen en binnen naar buiten. Je weet niet meer wat het huis is en wat de tuin en dan vermeng je alles met elkaar. Dat soort architectengezwets. Ik zie het in elke ruimte. 9


Het is net een Dysonreclame. Witte ronde futuristisch-uitziende voorwerpen in elk vertrek, die lucht opzuigen of uitstoten. Wat de glazen wand nu echt doet met het huis is dat het de chaos in de keuken blootlegt terwijl Becky in het rond rent en probeert de drie kinderen klaar te maken voor school voordat ze naar haar werk rijdt, ergens in de stad denk ik. Bij mezelf noem ik haar foodie. Je weet wel, zo’n vrouw die kool en avocado’s op haar wekelijkse boodschappenlijstje heeft staan. Die chiazaad niest en granaatappels poept. Ze hebben medelijden met me, zij in hun grootse huis, ik in het eenkamerappartement boven de fitnessruimte. In hun achtertuin. Met mijn reflecterende hesje en lichtgewicht werkschoenen. Ik laat ze. Mijn kamer is stijlvol, schoon en warm en ergens anders zou ik net zoveel betalen voor een ruimte met drie anderen. Ze zouden alles moeten kwijtraken om ooit in mijn positie terecht te komen. Zo zien zij het. Maar ik heb juist zo’n beetje alles achtergelaten om dit te winnen. Zo zie ik het. Ik ben niet eenzaam. Niet altijd. En ik ben niet vrij. Niet altijd. Ik zorg voor Pops. Het is niet altijd makkelijk om dat van een afstand van vierhonderd kilometer te doen, maar ik kies ervoor om hier te wonen, zo ver bij hem vandaan, om dichter bij hem te kunnen zijn.

10


3 Ik probeer niet de keuken in te kijken als ik erlangs loop, maar Becky brult zo verschrikkelijk hard dat iedereen nou verdomme eens moet opschieten dat ik impulsief opzij kijk en zie dat het keukeneiland vol ligt met melk- en sappakken, dozen van ontbijtgranen, lunchbakjes en nog in te pakken lunches. De kinderen verkeren in verschillende aankleedstadia, tekenfilms schallen uit de tv. Becky is nog niet aangekleed, wat heel vreemd is voor haar; ze draagt een pyjamashort en een hemd met kanten randjes, geen beha. Haar borsten hangen laag en wiebelen. Maar ze is mager, ze fitnest bijna elke ochtend van zes tot zeven uur in de fitnessruimte onder mijn slaapkamer. Ze is een carrièrevrouw, zo eentje die maling heeft aan het glazen plafond. Ze tart de zwaartekracht. Een beetje net als Michael Jackson die met een recht lichaam vooroverboog. Maar dan hoor je dat zijn schoenen vastklikten aan het podium en het helemaal niet echt was. Donnacha zit op een hoge kruk aan de ontbijtbar op zijn telefoon te lezen alsof er om hem heen niets gaande is. Tijd is geen belemmering. Hij brengt de kinderen naar school en gaat dan met zijn schaaltjes rommelen in het atelier. Net als ik veilig de voorkant van het huis heb bereikt en over de lange oprit met hun rijtje dure auto’s wil lopen, waar paleisachtige hekken het huis beschermen en wilde konijnen op de vlucht slaan als ze me aan zien komen, roept Becky me. Ik sluit mijn ogen en zucht. Eerst vraag ik me nog even af of ik kan doen alsof ik haar niet heb gehoord, maar dat lukt me niet. Ik draai me om. Ze staat bij de voordeur. Onder haar dunne hemd zijn haar tepels hard van de koude ochtendlucht. Ze probeert er eentje achter de deurpost te verbergen. Allegra, roept ze, want dat is mijn naam. Kun je vanavond oppassen. Het is geen vaste oppasavond en ik heb geen zin. Het is een lange week geweest, ik ben vermoeider dan anders. Een avond doorbrengen met kinderen die zelf spelen op hun slaapkamer of bewegingloos met hun hoofd in een computerspelletje zitten is niet zwaar, maar het is niet hetzelfde als in mijn eentje relaxen. Als ik zeg dat ik niet kan en ze me toch in mijn kamer zouden zien, zou ik ook niet kunnen relaxen. Ik weet dat het kort dag is, voegt ze eraan toe, en geeft me zo een uitweg, maar voor ik de kans krijg die aan te pakken, wijst ze me er kordaat op dat het bijna 1 mei is. We moeten het over de huur hebben, zegt ze, nu een en al zakelijkheid. Ik had gezegd dat we na het eerste halfjaar zouden evalueren. Ze neemt nu een houding aan die macht uitstraalt, ook al probeert ze haar harde tepels te verbergen. Het klinkt als een dreigement. De enige keer dat ik haar niet kon helpen was als ik naar Pops ging, wat ik haar van tevoren heb gemeld. Ik ben altijd beschikbaar, maar ik neem niet de moeite dat te zeggen. Over die huurevaluatie, zeg ik, natuurlijk. Maar ik kan evengoed niet oppassen, ik heb plannen vanavond. Zodra ik het heb gezegd, weet ik dat ik plannen moet maken, wat irritant is. O Allegra, ik wilde niets suggereren, zegt ze met een geschokt gezicht om mijn beschuldiging dat het ter sprake brengen van mijn huur een nauwelijks verhuld dreigement was. Nog doorzichtiger dan haar pyjama. Echt, mensen zijn zo 11


doorzichtig dat ik me afvraag waarom we nog neuken. Fijne avond, wat je ook gaat doen, zegt ze voor ze met wiebelende borsten en al de deur dichtdoet. Ik kan me een kleine huurverhoging niet veroorloven, maar ik kan het me ook niet veroorloven om hier niet te wonen. Ik heb nog niet gedaan wat ik hier kwam doen. Misschien had ik toch ja moeten zeggen tegen het oppassen. Om bij het dorp te komen loop ik over het terrein van Malahide Castle. Volgroeide bomen en aangelegde paden. Bankjes met koperen plaatjes ter ere van wie hier gewandeld hebben, daar gezeten hebben en naar zus of zo hebben gekeken. Onberispelijk verzorgde bloemperken, geen afval te bekennen. Hier en daar een grijze eekhoorn. Nieuwsgierige roodborstjes. Brutale konijnen. Een merel die zijn stem opwarmt. Het is geen stressvolle start. Meestal kom ik dezelfde mensen op dezelfde plek op dezelfde tijd tegen. Als dat niet zo is, komt dat doordat zij later zijn, niet ik. Een man in pak met een rugzak en een gigantische koptelefoon op. Een vrouw met een onrustbarend rood hoofd die tijdens het joggen vervaarlijk naar één kant overhelt. De overhellende jogger. Ik snap niet hoe ze het doet. Rechtop blijven, doorgaan. De eerste paar dagen keek ze me nog aan, alsof ze gegijzeld werd en van haar ambitie gered wilde worden, maar nu is ze gezombificeerd, in trance, staart in de verte en jaagt iets achterna dat haar op de been houdt, een onzichtbare wortel die haar wordt voorgehouden. Dan is er de hondenuitlater met de Duitse dog, gevolgd door een oude man met een rollator vergezeld door een jongere man die me zijn zoon lijkt. Ze zeggen allebei zonder uitzondering elke ochtend goedemorgen. Goedemorgen, zegt de een, goedemorgen, zegt de ander, goedemorgen, zeg ik tegen hen beiden. Mijn dienst begint om acht uur en eindigt om zes uur ’s avonds. Het is relatief rustig in het dorp zelf, tot de chaos van het schoolverkeer losbreekt. Voordat ik begin, ga ik elke ochtend naar de bakkerij aan de hoofdstraat. De dorpsbakkerij. Spanner, de eigenaar, staat zelf in de winkel. Hij heeft altijd tijd voor een praatje als ik er ben, omdat ik er eerder ben dan de meeste andere klanten. Het wordt tijdelijk druk als de trein van 7.58 uur aankomt en iedereen uitstapt en bij hem naar binnen wil voor een koffie. Hij is al sinds vijf uur vanochtend in touw om brood en gebakjes te maken. Je ziet hem amper boven de toonbank uit die vol staat met een tiental soorten broden, gedraaid en gevlochten, luchtig, glanzend en versierd met sesam-, papaver- en zonnebloemzaadjes. Het zijn de succesproducten van zijn bakkerij en ze zijn vol in het zicht gezet, boven op de glazen vitrine met taarten. Hij staat erop dat ik hem Spanner noem, ook al is dat Dublins slang voor sukkel. Hij heeft een keer iets doms gedaan tijdens zijn schooltijd en die naam heeft hij altijd gehouden. Misschien wel meer dan één keer, ik weet dat hij in de gevangenis heeft gezeten. Hij zei dat hij daar heeft leren bakken. Dus vertelde ik hem dat ik ook ooit een bijnaam 12


had gehad, dat ze me op school Freckles noemden. En hij is me gewoon zo gaan noemen. Ik vind het niet erg. Nadat ik naar Dublin verhuisde was het wel fijn om hier iets vertrouwds te hebben, alsof iemand me hier kent. Goeiemorgen, Freckles, hetzelfde als altijd, vraagt hij, amper opkijkend van het deeg dat hij door een machine haalt en vouwt. Koffiebroodjes, zegt hij nog voordat ik het kan vragen. Appel en kaneel, klotemachine ging vanmorgen kapot. Heb ik ze nu dus met de lunch klaar. Daar moeten ze het maar mee doen. Hij praat altijd over zijn klanten alsof ze de vijand zijn, alsof ze nog zijn dood worden. Ik ben een klant maar voel me niet aangesproken, het voelt fijn dat hij tegen me praat alsof ik dat niet ben. Hij vouwt het deeg nog een keer, nog een laag. Wit en bobbelig. Het doet me denken aan Tina Rooneys buik toen ze terugkwam op school nadat ze een baby had gekregen en haar vel over het litteken van de keizersnee hing, dubbelgevouwen als rauw deeg. Ik keek naar haar in de kleedkamer toen ze haar camogieshirt aantrok. Een meisje van onze leeftijd dat een kind had gekregen. Ze zag hem alleen in het weekend, en haar slaapplek hing vol met foto’s van het ventje. Ik denk niet dat wij medeleerlingen begrepen hoe moeilijk het voor haar was. Dat ze doordeweeks en in het weekend twee totaal verschillende levens leidde. Ze vertelde me dat ze met een vent naar bed was geweest op Electric Picnic, het muziekfestival. In haar tent. Terwijl Orbital op het hoofdpodium stond. Ze wist zijn volledige naam en telefoonnummer niet en ze zou het jaar erna weer gaan om te kijken of ze hem kon vinden. Ik vraag me nu af of dat haar is gelukt. Verdomde Whistles ging uit zijn dak vanwege de koffiebroodjes, zegt Spanner, waarmee hij me terugbrengt in deze ruimte. Hij gaat door, zonder naar me te kijken: echt, het lef, klagen over wat hij voor ontbijt krijgt. Hij zou blij moeten zijn dat hij iets krijgt. Dat laatste zegt hij luider, achterom, naar de deur. Ik kijk naar buiten en zie de dakloze Whistles op een plat stuk karton zitten, in een deken gewikkeld met een warme koffie in zijn hand terwijl hij zijn tanden in een fruitscone zet. Hij heeft mazzel met jou, zeg ik tegen Spanner, en hij kalmeert een beetje, veegt zijn voorhoofd af, gooit een theedoek over zijn schouder en pakt koffie en een wafel voor me. Ik snap niet waar je ze laat, zegt hij terwijl hij poedersuiker over de wafel strooit, waarna hij hem in een krant stopt en aan mij geeft. Hij heeft gelijk, ik kan eten wat ik wil en mijn lijf blijft hetzelfde. Misschien komt het doordat ik hele dagen loop, in mijn wijk, misschien door mijn moeders genen. Ze schijnt danseres te zijn geweest. Of dat wilde ze worden. Zo heeft ze Pops ontmoet, ze deed podiumkunsten en hij doceerde muziek. Misschien kreeg ze voor een tijdje wat ze wilde, tussen willen worden en niet zijn. Ik hoop het voor haar. Je wilt niet iets opgeven voor alles en dan met niets eindigen. Nogal oneerlijk voor het iets. Twee euro twintig voor een koffie met wat lekkers, de ochtendaanbieding. Nog 13


niet de helft van wat je in de Insomnia of Starbucks verderop zou betalen. Een echte bakkerij die wedijvert met die eikels van een commerciële ketens. Breek hem de bek niet open. Ik ben hier elke ochtend om vijf uur... Maar Spanner is het grootste deel van de tijd opgewekt, hij is een goed begin van mijn dag, op de meeste dagen het beste en volwaardigste gesprek dat ik voer. Hij loopt om de toonbank heen, haalt zijn sigaretten uit zijn schortzak en gaat buiten staan. Ik neem plaats op een hoge kruk bij het raam en kijk hoe de hoofdstraat langzaam tot leven komt. De bloemist stalt haar waren op de stoep uit. De speelgoedwinkel gaat open, nieuwe handgeschilderde bloemetjes, konijnen en eieren op de ruit ter voorbereiding op Pasen. De opticien is nog dicht, net als de slijterij, de kantoorboekhandel en de notaris. De cafés gaan open. Spanner is elke ochtend de eerste. Aan de overkant van de straat, in The Hot Drop, zet de eigenaresse een krijtbord voor de deur dat reclame maakt voor een speciale omelet-met-worteltaart. Ze zet steeds meer taarten op het menu. Eerst maakte ze alleen tosti’s. Ik vraag me af waarom ze de moeite doet, die van Spanner zijn toch het lekkerst. Spanner kijkt ernaar door tot spleetjes geknepen ogen. Ze zwaait zenuwachtig en hij knikt lichtjes met zijn hoofd terwijl hij inhaleert, ogen samengeknepen. Rook zweeft naar binnen. Het is vrijdag, zegt Spanner terwijl hij rook uit de zijkant van zijn mond blaast en praat alsof hij een beroerte heeft gehad. Ga je nog uit. Ja, zeg ik, voortbordurend op de leugen die ik aan Becky heb verteld. Ik heb me vastgelegd, nu moet ik alleen nog iets vinden om naartoe te gaan. Ik vraag hem naar zijn plannen voor het weekend. Hij laat zijn blik naar links en rechts over straat glijden, als een inbreker uit de jaren vijftig van de vorige eeuw die de boel verkent. Ik ga naar Chloe. Chloe de moeder van zijn dochter, Chloe de vrouw van wie hij zijn dochter niet mag zien, Chloe die valsspeelde bij de weight watchers, de verslaafde aan paracetamol met codeïne, Chloe het monster. Hij zuigt aan de sigaret en zijn wangen worden hol. Ik moet haar spreken en hier een eind aan maken. Ze hoeft me alleen maar aan te horen, face to face, een-op-een, zonder dat anderen zich ermee bemoeien en alles compliceren met hun mening. Haar zussen. Hij rolt met zijn ogen. Je weet wat ik bedoel, Freckles. Ze gaat naar een doopfeest in de Pilot dus als ik daar toevallig ook ben, en ik zou niet weten waarom niet, ik heb daar wel vaker wat gedronken, mijn maat Duffer woont er om de hoek dus ik pak met hem een paar biertjes, allemaal heel logisch, dan moet ze wel met me praten. Ik heb nog nooit iemand zo tabak zien inzuigen als hij, lang en hard, praktisch een kwart van zijn sigaret inhalerend voordat hij hem wegschiet. De sigaret vliegt voor de voeten van een vrouw langs, een plaatselijke apotheker en de eigenaresse van een blauwe Fiat die ze op het parkeerterrein van het kasteel parkeert. Geschrokken 14


geeft ze een gil als de sigaret langs haar scheert. Ze kijkt boos naar hem, vervolgens geschrokken als ze zijn omvang en houding ziet, een bakker waar je geen ruzie mee wilt, en loopt door. Whistles fluit afkeurend om de half opgerookte sigaret, schuifelt dan naar de nog brandende peuk in de goot en neemt hem mee naar zijn kartonnen zitplek. Vieze rat, zegt Spanner tegen hem, maar hij geeft hem een nieuwe sigaret voordat hij weer naar binnen gaat. Pas je wel op, Spanner, waarschuw ik hem bezorgd. De vorige keer dat je Chloe zag kreeg je ruzie met haar zussen. De drie lelijke zussen, zegt hij. Met gezichten als gekneusde kool. En ze heeft je gedreigd met een contactverbod. Dat kan ze niet eens spellen, zegt hij lachend. Dat zullen we nog wel eens zien. Ik heb het recht om Ariana te zien. Ik heb er alles voor over. Als aardig doen het laatste redmiddel is, dan zal ik aardig doen. Ik kan dat spelletje ook spelen. De forenzen van de trein van 7.58 uur stromen vanuit het treinstation de hoofdstraat op. De krappe bakkerij zal algauw vol zijn en Spanner zal in zijn eentje de koffie, taart en broodjes serveren zo snel hij kan. Ik drink mijn koffie op en neem een laatste hap van mijn wafel, veeg de poedersuiker van mijn mond, gooi het krantenpapier weg en vertrek. Nu wegwezen, Whistles, schreeuwt Spanner naar hem. Je bederft hun eetlust en ze geven je toch nooit een rooie cent. Whistles komt langzaam overeind, pakt zijn spullen en zijn kartonnen doos bij elkaar en schuifelt de hoek om naar Old Street. Het briesje blaast zijn monotone gefluit mijn kant op. De scholen houden me als eerste bezig. Te weinig ruimte, te veel auto’s. Vermoeide, gestreste ouders die stoppen waar dat niet mag, parkeren waar dat verboden is, hun pyjama’s verstopt onder vesten en jassen, gympen onder een zakelijke outfit, terwijl ze met gekwelde, bezwete koppen hun kinderen afzetten voordat ze ervandoor gaan naar hun werk, kinderen met warrig haar en schooltassen die groter zijn dan zijzelf tegen wie geschreeuwd wordt dat ze moeten opschieten en vlug moeten uitstappen. Kan iemand in godsnaam hun kinderen van ze overnemen zodat ze al hun dingen kunnen gaan doen. Ik krijg dagelijks een grote mond van dezelfde dubbelgeparkeerde stresskoppen. De kinderen kunnen er niets aan doen. Ik kan er niets aan doen. Niemand kan er iets aan doen. Maar ik moet evengoed handhaven. Eerst kijk ik naar de lege plek voor de kapsalon die binnen een halfuur zal worden bezet door een zilverkleurige bmw 3-serie uit 2016. Ik kijk de donkere salon in, die nog tot negen uur dicht zal zijn. Terwijl ik door het raam kijk, parkeert er een auto op de vrije plek voor het pand. Ik draai me om en kijk naar de chauffeur, een man, die de motor uitschakelt en zijn gordel losmaakt. Ondertussen blijft hij naar me kijken. Hij opent het portier, zet een voet op de stoep en staart me aan. Mag ik hier niet parkeren, vraagt hij. Ik schud mijn hoofd en ook al imiteer ik geen garda, in gedachten ben ik er wel 15


een. Gardaí hoeven niet altijd een reden te geven. Hij rolt met zijn ogen, hijst zijn been weer in de auto en terwijl hij zijn gordel omdoet en de motor weer start kijkt hij op het bord, verward en geïrriteerd. Ik blijf staan tot hij wegrijdt. Het is acht uur. Je hoeft pas vanaf halfnegen je parkeerschijf neer te leggen. Er is geen wettelijke reden waarom hij hier niet zou mogen parkeren. Maar zij parkeert hier. Elke dag. Het is haar plekje. En ik zorg ervoor dat dat zo blijft.

16


4 Tussen negen en twaalf zijn het vooral parkeerovertredingen. Auto’s op laadplekken zodat busjes hun goederen niet kunnen afleveren en het een chaos wordt in kleine dorpsstraatjes. Parkeerbonnen voor auto’s die zijn achtergelaten door stappers die een taxi naar huis hebben genomen en de volgende ochtend niet op tijd bij hun auto zijn om voor het parkeren te betalen. Daar heb ik vandaag meer werk aan dan op de andere dagen, aangezien donderdagavond een populaire stapavond is. Op zondag is het parkeren gratis. Dan kunnen ze doen wat ze willen. Ik verveel me niet. Ik loop langs de zilverkleurige bmw voor de kapsalon. Op haar plek. Graag gedaan. Het parkeergeld keurig betaald. De zakelijke parkeerschijf op de juiste plek op het dashboard. Het juiste voertuig op de juiste schijf. Brave vrouw. De meeste mensen vergeten het aan de gemeente door te geven als ze een andere auto kopen. En dat is een overtreding waarvoor je een boete krijgt. De bmw is helemaal in orde. Zeshonderd euro voor de jaarkaart. Ze heeft het goed voor elkaar. Haar eigen kapsalon. Er zijn maar zes stoelen, maar het is er altijd druk. Twee haarwasbakken, drie stoelen voor een spiegel. En een klein bureautje met een stoel bij het raam voor nagels. Shellac en gel. Ze is er altijd. Ik merk het als haar auto er niet is, vraag me af of er iets met haar of haar gezin aan de hand is, maar ik neem aan dat het aan de gezichten van haar personeel te zien zou zijn als er iets ergs was gebeurd. Haar parkeerpapieren zijn altijd in orde, maar toch controleer ik ze. Niemand is onfeilbaar. Schijf op het dashboard, kinderzitje achterin. Daar blijft mijn blik even op hangen. Om twaalf uur loop ik over James’s Terrace, een doodlopende straat met Georgiaanse rijtjeshuizen waar nu allemaal ondernemingen in zitten, tegenover de tennisvelden. Ik bewonder het uitzicht dat voor me ligt, helemaal naar Donabate, vissersboten, zeilboten, blauw, geel, bruin en groen, het doet me aan thuis denken. Thuis is ook een havenstad, niet precies zoals dit, maar de zeelucht is iets wat me verbindt, en zo lijkt Dublin toch nog een beetje op thuis. Steden geven me een claustrofobisch gevoel en dit voorstedelijke dorp heeft me meer ademruimte gegeven. Thuis is het eilandje Valentia, Kerry, maar de kostschool was in Thurles. Ik ging de meeste weekenden naar huis. Pops werkte aan de Universiteit van Limerick tot hij minder ging werken. Hij speelt cello en piano en gaf in de weekenden en in de zomer les in ons huis, maar zijn belangrijkste baan was praten over muziek. Ik zag zijn colleges al voor me, hij vol levenslust over zijn lievelingsonderwerp. Daarom noemde hij me Allegra, Italiaans voor vrolijk en levendig, maar eigenlijk van de muziekterm allegro, een muziekstuk dat snel en levendig wordt gespeeld. Maar Pops’ mooiste instrument was neuriën. Hij kon, en kan, de hele vier minuten en dertien seconden van Figaro’s bruiloft neuriën. Hij werkte maandag tot vrijdag in Limerick terwijl ik op kostschool was en op vrijdagavond nam ik de trein daarnaartoe. Hij haalde me van het station en dan reden we samen naar Knightstown, Valentia. We zouden er drie uur over moeten 17


doen om thuis te komen maar met hem achter het stuur was het gevaarlijk veel korter, omdat een snelheidslimiet gewoon de zoveelste manier van de regering was om ons te beteugelen. Zodra ik ons thuis zag op vrijdagavond, het moment dat de brug vanuit Portmagee ons van het vasteland naar het eiland bracht, daalde er kalmte over me neer. Ik was net zo blij, of misschien wel blijer, om thuis te zijn als om Pops te zien. Het is toch je thuis. De ogenschijnlijk onzichtbare dingen die in je ziel zitten. Het gevoel van mijn bed, het exact goede kussen, het tikken van de staande klok in de gang, hoe een bepaald stukje van de muur er op een bepaald moment van de dag uitziet als het licht erop valt. Als je gelukkig bent, kunnen zelfs de dingen die je haat je bekoren. Pops die Classic fm te hard aan heeft staan. De geur van aangebrande toast, tot je de aangebrande toast moet opeten. Het loeien van de boiler telkens wanneer de kraan aan is. Het glijden van de douchegordijnringen over de stang. De schapen in de wei achter ons van Nessies boerderij. Het geknetter van de kolen in het vuur. Het geluid van Pops’ schop die over de betonnen vloer van de kolenschuur achter het huis schraapt. Het tik tik tik, altijd drie keer, tegen zijn gekookte eitje. Soms hunker ik naar thuis. Niet hier bij de zee die me eraan herinnert, maar meestal als ik niets om me heen zie wat me eraan herinnert. Behalve de geeltinten van het zand en het eiland zie ik nog een vertrouwd geel. De kanariegele Ferrari staat voor James’s Terrace nummer acht geparkeerd. Ik durf te wedden dat er geen betaalde parkeerkaart achter de voorruit ligt, aangezien dat al twee weken lang het geval is. Ik controleer alle auto’s onderweg ernaartoe maar ik kan me niet goed concentreren. Ik moet de gele auto bereiken voor iemand erin stapt en ermee wegrijdt, voor ik de bon kan uitschrijven. Dan zou ik me bedrogen voelen. Ik laat de andere auto’s voor wat ze zijn en loop regelrecht naar de gele sportauto. Geen schijf achter de voorruit. Ook geen kaart. Ik scan het kenteken. Niet online betaald. Het is de tweede week dat de auto hier staat, min of meer op dezelfde plaats, en ik heb hem elke dag een boete gegeven. Elke bon heeft de eigenaar veertig euro gekost, wat na achtentwintig dagen met vijftig procent wordt verhoogd en als er dan nog eens achtentwintig dagen niet wordt betaald, komt er een rechtszaak. Twee weken lang veertig euro per dag is niet goedkoop. Het is praktisch mijn maandhuur. Ik heb geen medelijden met de eigenaar. Ik ben boos. Geërgerd. Alsof ik opzettelijk word bespot. En wie in zo’n auto rijdt moet toch een eikel zijn. Dat kan niet anders. Een gele Ferrari. Of misschien is het een vrouw. Eentje die haar hoofd heeft gestoten toen ze door het glazen plafond ging. Ik schrijf de bon uit, doe hem in een zakje en schuif hem onder de ruitenwisser. Tijdens mijn lunch zit ik op het bankje langs het weggetje achter de tennisclub en het scoutinggebouw dat uitkijkt over zee. Het is eb en de modderige stenen zijn zichtbaar, een paar plastic flessen, een schoen en een fopspeen staren onnatuurlijk omhoog uit het gladde zeewier. Maar zelfs in het lelijke schuilt schoonheid. Ik haal mijn lunchtrommel uit mijn rugzak. Grof volkorenbrood met kaas, een Granny 18


Smith, een handje walnoten en een fles warme thee. Elke dag min of meer hetzelfde en altijd op dezelfde plek, als het weer het toelaat. Bij slecht weer schuil ik onder het afdakje van de openbare toiletten. Regenachtige dagen zijn meestal drukkere dagen, omdat niemand in zulk weer naar de kaartjesautomaat en terug naar zijn auto wil rennen. Auto’s worden op laad-en-losplekken gezet en dubbel geparkeerd, met de alarmlichten aan, om zo snel mogelijk uit de regen te zijn. Maar mijn procedure is bij elk weer hetzelfde. Soms komt Paddy tijdens de lunch bij me zitten. Paddy is ook parkeerwacht en we delen de parkeerzones in dit gebied met zijn tweeën. Paddy heeft overgewicht en psoriasis en zijn schouders zitten vol roosschilfers, en hij is niet altijd op de juiste tijd in de juiste zone. Meestal ben ik blij als hij niet komt. Hij praat voortdurend over eten, de voorbereiding, het koken, tot in het kleinste detail. Misschien zou een echte foodie zijn gesprekken waarderen, maar het voelt vreemd om te luisteren naar verhalen over marinades en vierentwintig uur sudderen terwijl hij een broodje ei met mayonaise en kaas-ui-chips van het benzinestation naar binnen werkt. Ik hoor iemand luid vloeken en een portier dichtslaan. Ik kijk om en zie de vent van de gele Ferrari zijn boete lezen. Dus zo ziet hij eruit. Verrassend jong. Mijn boterham met kaas hangt voor mijn mond en verbergt mijn glimlach. Ik geniet hier normaal gesproken niet van, auto’s beboeten is niet persoonlijk, het is mijn plicht. Maar ja, met zo’n auto... Hij is lang, mager, jongensachtig, in de twintig. Draagt een rode pet. Het lijkt op een maga-pet maar als ik beter kijk zie ik dat er een Ferrarisymbool op staat. Zelfs nog een grotere eikel. Hij propt de bon in zijn zak, zijn getergde bewegingen een en al irritatie en woede, en opent het portier. Ik grinnik. Hij kan me onmogelijk hebben gehoord, zo zacht deed ik het, en mijn brood hield het geluid nog tegen, en we zijn te ver bij elkaar vandaan, gescheiden door een weg, maar alsof hij voelt dat er naar hem wordt gekeken, kijkt hij om zich heen en ziet me. Het brood voelt als een steen in mijn mond. Ik probeer te slikken maar bedenk te laat dat ik er nog niet op heb gekauwd. Ik verslik me, hoest en kijk de andere kant op om het eten uit mijn keel te krijgen. Uiteindelijk komt het los en spuug ik het in een tissue, maar er zitten nog een paar kruimels in mijn keel die kriebelen. Die spoel ik weg met thee en als ik weer naar hem kijk, staart hij nog steeds mijn kant op. Niet bezorgd, meer alsof hij hoopte dat hij er getuige van zou zijn dat ik stikte en dood neerviel. Hij werpt me een boze blik toe, gaat in zijn auto zitten, slaat het portier dicht en scheurt weg. Van het lawaai van de motor draaien een paar hoofden om. Mijn hart bonkt. Ik had gelijk. Eikel.

19


5 Na de lunch patrouilleer ik over de kustweg. De parkeerplaats wordt hier veel gebruikt door mensen die de trein naar het werk nemen, alsof het een p+r is. Dat doen ze één keer, ze leren snel hun lesje. Ze denken ermee weg te komen voor de maximale drie uur te betalen, de trein naar de stad te nemen, hun auto de hele dag te laten staan en om zes uur ’s avonds terug te komen. Misschien bij Paddy, maar niet bij mij. Ik beloon halfslachtige pogingen niet, zo’n schamele aanbetaling. Je betaalt voor de uren die je gebruikt, geen speciale behandeling, zelfs al loop je mank. Op mijn terugweg naar het centrum zie ik dat de gele Ferrari een paar plaatsen verderop staat vanwaar hij eerder stond, en ik voel tintelingen van opwinding. Het is net schaken. Hij heeft zijn volgende zet gedaan. Technisch gezien kan ik er een eind aan breien voor vandaag; het is vijf voor zes. Het betaald parkeren duurt tot zes uur. Niemand kan voor precies vijf minuten betalen, al zou je het proberen, want tien minuten is het minimum, en hoewel ik regels belangrijk vind, verwacht ik ook niet dat mensen te veel gaan betalen. Geld is een serieuze aangelegenheid. Ik kijk om me heen om me ervan te verzekeren dat de bestuurder niet in de buurt is en toekijkt. Met kloppend hart werp ik een blik op de voorruit. Hij heeft betaald. Voor het eerst. Mijn bonnen hebben gewerkt. Ik heb hem gebroken. Ondervraging van de verdachte geslaagd. Zijn kaartje was alleen geldig tot vijf over vijf. Hij heeft om vijf over twee de drie euro voor de maximale drie uur betaald en het irriteert me dat hij dacht dat hij daardoor het laatste uur gratis kreeg. Zo werkt het niet. Voordat ik een nieuwe bon uitschrijf, scan ik zijn kenteken om te controleren of hij niet online heeft betaald. Nee hoor. Ik klak met mijn tong en schud mijn hoofd. Deze jongen doet zichzelf zo geen plezier. Als hij zijn eerdere parkeerboete onder zijn ruitenwisser had laten zitten had ik geen nieuwe kunnen uitschrijven. Hij denkt er blijkbaar niet goed over na. Ik schrijf een bon uit. En loop dan heel snel weg. Als mijn werk erop zit kan ik niet naar huis. Ik heb tegen Becky gezegd dat ik weg zou zijn en er zijn niet veel plekken waar ik op een vrijdagavond naartoe kan in het uniform van een parkeerwachter. Ik koop fish-and-chips bij een afhaaltent en ga naar het terrein van Malahide Castle, waar ik een groepje tieners met verdacht volle rugzakken een heimelijk drinkplekje zie zoeken. Rond negen uur begint het donker te worden en ik kan niet veel langer buiten blijven. Het hek van het kasteel gaat op slot en ik verveel me, ik heb het koud en wil eigenlijk helemaal niet dat mijn vrijdagavond wordt verpest doordat ik heb geweigerd op te passen. Ik gok erop dat als ze iemand anders hebben gevonden om op te passen, het nu wel veilig is om terug te gaan. Om halftien kom ik bij het huis aan. Achter verschillende ramen zie ik kinderen, maar geen ouders dus ik weet niet of Becky en Donnacha thuis zijn gebleven of een andere oppas hebben geregeld. Ik buk me en hoop dat ze me niet zien en dan zeggen o je bent vroeg terug, kunnen we dan nu gaan. Ik heb het koud en ik ben 20


moe, ik wil onder de douche en mijn pyjama aan. Ik weet dat er iets niet klopt als ik de fitnessruimte in stap. De lichten zijn uit maar het voelt alsof er iemand in het gebouw is. Ik doe niet de deur achter me dicht, voor het geval het een insluiper is en ik moet vluchten. Ik ben niet heel bang, ik neem aan dat het Donnacha is. Er is een deur naar zijn kantoor vanuit de fitnessruimte en een wenteltrap die naar mijn studiootje leidt. Zijn kantoor is onder mijn kamer en wordt gebruikt voor porno kijken en afrukken. En vast ook voor facturatie en administratie. Er is niemand in het kantoor en het geluid komt van boven, uit mijn slaapkamer. Ik vraag me even af of ik de tv heb aangelaten, maar ik weet zeker van niet. Het klinkt te echt. Hijgerig en grommerig en kreunerig en zuchterig. Iemand heeft seks op mijn kamer. Bij voorkeur twee personen. Het zou nog gênanter zijn om één persoon te betrappen. Mijn eerste gedachte is dat het Becky en Donnacha zijn. Omdat ik niet voor ze wil oppassen, straffen ze me door op mijn lakens klaar te komen als ik er niet ben, gore verwende overbevoorrechte mensen die ze zijn. Kun je overbevoorrecht zijn of is alleen bevoorrecht genoeg. Ik weet het niet. Mijn tweede gedachte is dat het Donnacha is. Misschien is Becky toch uitgegaan en moest hij thuisblijven. Misschien heeft hij besloten zonder zijn vrouw wat lol te maken. Schokkend: carrièrevrouw met onzekere bedriegende echtgenoot. Huiverend vraag ik me af hoe vaak hij mijn kamer al hiervoor heeft gebruikt. Zachtjes loop ik de wenteltrap op. Mijn lichtgewicht schoenen zijn ondanks hun ontwerp zwaar en log voor recherchewerk. Ik heb mijn telefoon in de aanslag. De deur naar mijn kamer staat op een kier, wat een suffe fout zou zijn dus ik neem aan dat het opzettelijk is. Niet om te worden betrapt, dat wil niemand, maar zodat ze het kunnen horen als er iemand binnenkomt. Maar met zulke luide seks kun je een indringer nooit horen. Ik kom op het juiste moment. Ik houd de telefoon omhoog en film. Dat doet tegenwoordig iedereen als er iets gewelddadigs, gevaarlijks of raars gebeurt. Eerst filmen, dan nadenken. We zijn ons gezonde verstand kwijt. Ons medeleven. Ons instinct om te reageren. Het instinct is nu filmen, en later pas te denken en te voelen. Een harige, gespierde kont gaat tekeer tussen een paar gebronsde elegante benen die in de lucht steken, haar dijen indrukwekkend wijd op hun plek gehouden door haar eigen gemanicuurde nagels. Ik weet niet of het shellac of gel is. Wat een flexibiliteit en wat aardig van haar om zichzelf voor hem open te houden. Een dame in bed. Ik herken die nagels, die benen. Het is Becky. Ah. En dan moet dit dus Donnacha’s kont zijn. Prettig kennis te maken. Nu ik weet dat het mijn huisbazen zijn, ben ik minder zelfvoldaan dat ik ze heb betrapt en is de walging des te groter. Het is hun eigendom, maar mijn privéruimte en dit is een schending. Als ik een bon kon uitschrijven, zou ik dat doen. Ik zou hem op zijn harige kont plakken en hopen dat het flink pijn zou doen als hij hem eraf trok. Ik laat mijn telefoon zakken, ga weer zachtjes de trap af en wacht tot ze 21


klaar zijn, wat luidruchtig en met veel geestdrift gebeurt. Zo trots op hun slimme persoontjes. Dan loop ik de trap weer op, deze keer normaal, gewoon een paar zware, vermoeide voeten na een zware werkdag. Ik heb ze de tijd gegeven om zich tenminste van elkaar los te maken dus ik hoop dat ze iets aan hun lijf hebben. Ik duw de deur open en zorg dat ik verrast kijk dat mijn deur niet op slot is en vervolgens om mijn ontdekking. Jezus, Allegra, ik dacht dat je vanavond uit was, zegt Becky, wat ik een amusant verweer vind. Hoe durf ik zomaar binnen te vallen. Ze is in een deken gewikkeld, mijn turquoise fleecedeken. Om haar zwetende naakte lijf. Haar gezicht is rood en verhit, waarschijnlijk vooral van de seks en niet zoveel van schaamte als ik wel op zijn plaats vind. Tot mijn verrassing reageer ik oprecht geschokt, want de kont blijkt niet van Donnacha te zijn. De man die niet Donnacha is, stoort zich minder aan mij dan Becky doet, het lijkt hem zelfs helemaal niets te schelen. Hij beweegt zich op zijn gemak, met een geamuseerde uitdrukking op zijn gezicht. Hij bukt om zijn kleren op te rapen, met zijn harige kontgat en balzak recht in mijn blikveld. Kun je ons alsjeblieft een momentje geven, vraagt ze, geïrriteerd door mijn aanwezigheid, alsof ik niet het sociale benul heb om weg te gaan en hun privacy te geven. Ik stap naar buiten en ga de trap weer af naar de fitnessruimte. Ik ga op het roeiapparaat zitten. Schuif zachtjes heen en weer en denk na. De man die niet Donnacha is loopt langs me, gekleed in een duur pak, nog altijd grijnzend. Ik stik bijna van zijn aftershave. En dan komt Becky beneden met mijn lakens en dekbedovertrek in een slordige bundel onder haar arm. De stellige toon is terug. Allegra, ik zou het op prijs stellen als je dit voor jezelf houdt. Er zijn... dingen... niet alles is zoals het... het is privé, zegt ze uiteindelijk resoluut, na te hebben besloten om haar zin niet af te maken. Tuurlijk, zeg ik, terwijl ik heen en weer glijd op het roeiapparaat. En de huur, zeg ik, wilde je daar nu over praten of een andere keer. Ze kan niet geloven dat ik daarover begin. Ze kan er gewoon niet bij. Alsof mijn woorden op die toon, op dit moment erger zijn dan waar ik net op ben gestuit. Ze kijkt nu anders naar me. Met aversie. Afschuw. Loser. Weirdo. De huur blijft zoals die is, zegt ze, en ze kijkt me streng aan. Het is duidelijk. Luid en duidelijk. De huur gaat niet omhoog, en ik houd mijn mond over de harige kont die niet van Donnacha was. Dat had ik toch al gedaan. Ik zal dit wassen, voegt ze eraan toe over de lakens, en ze loopt zelfverzekerd de fitnessruimte uit, waarschijnlijk nog gevoelig tussen haar benen. Ik maak mijn bed op met schone lakens en smijt mijn favoriete fleecedeken in de hoek van de kamer. Ik moet het raam wijd openzetten om de lucht van zijn aftershave te verdrijven, maar die is zo zwaar dat het voelt alsof hij in elke vezel van de kamer is getrokken. Uiteindelijk kruip ik in bed, koud van een hele dag buiten en een avond rondhangen in het park, maar nu te moe om nog te douchen. Ik kijk een paar keer naar het filmpje dat ik van ze heb gemaakt. Ik heb eerst gefilmd en probeer er nu achter te komen wat ik erbij voel. 22


Over de boeken van ‘Het raakt je, laat je lachen en zorgt af en toe voor een brok in je keel, een mooie mix van emoties, diepgang en luchtigheid.’ Hebban.nl over De P.S. I Love You Club ‘Een prachtig hoopvol, aangrijpend verhaal dat lezers gegarandeerd doet huilen, maar met een warm hart achterlaat.’ Irish Independent over De som van jou en mij ‘Cecelia Ahern is een ongelooflijk getalenteerde verteller ... hartverscheurend, bitterzoet en prachtig geschreven.’ RTE Guide ‘De langverwachte roman over verbinding, verwantschap en het vinden van de mensen door wie je jezelf kunt zijn.’ Waterstones uk over De som van jou en mij ‘Lief, grappig, ontroerend, alles zit erin.’ Lezersreactie op Bol.com over De P.S. I Love You Club

23


Prachtige romans om dit voorjaar te lezen Een roman die je niet weg kunt leggen: urgent, spannend en met een intens meeslepende setting. Maar ook een prachtig verhaal over liefde, vriendschap en familie, en hoe de menselijke natuur botst met Moeder Natuur. Vanaf 18 januari 2022 in de boekhandel, voor € 23,99.

Een fascinerende roman over een meisje genaamd Nori in het Japan van 1948. Je sluit Nori in je hart, met haar veerkrachtige geest, haar vastberadenheid om haar eigen identiteit te bevestigen en het leven op haar eigen voorwaarden te leven. Een verslavend verhaal dat je in één keer uit wilt lezen. Vanaf 11 januari 2022 in de boekhandel voor € 24,99. 24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Ahern, Cecelia - De som van jou en mij - Gratis leesfragment by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu