Skip to main content

Jubileumomnibus 145- Diverse Auteurs. 9789401915045

Page 1

Drie prachtige romans en twee korte verhalen Jubileumomnibus 145 is een heerlijke verzameling feelgoodromans van bekende auteurs uit het genre. De eerste roman is Ogen van de overzij door Jos van Manen Pieters. Daarna volgt Katrina van Margreet Maljers, een schrijfster die zowel solo als samen met haar zus Reina al jaren graag gelezen wordt. De twijfel van een liefde van Hans de Groot-Canté is de laatste roman in deze omnibus, maar dan is er nog een toetje: de korte verhalen De roos door Marjon Stroet en Verloren verleden door Gerda van Wageningen.

JUBILEUMOMNIBUS

145

Jos van Manen Pieters Margreet Maljers Hans de Groot-Canté Marjon Stroet Gerda van Wageningen

ISBN 978 94 0191 504 5 NUR 344

9 789401 915045 w w w.z om er enk euni ng.nl

JUBILEUMOMNIBUS Jos van Manen Pieters Margreet Maljers Hans de Groot-Canté Marjon Stroet Gerda van Wageningen


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 1

JUBILEUMOMNIBUS 145


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 2


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 3

JUBILEUMOMNIBUS 145 JOS VAN MANEN PIETERS Ogen van de overzij MARGREET MALJERS Katrina HANS DE GROOT-CANTÉ De twijfel van een liefde MARJON STROET De roos GERDA VAN WAGENINGEN Verloren verleden

Uitgeverij Zomer & Keuning


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 4

ISBN 9789401915045 NUR 344 © 2019 Uitgeverij Zomer & Keuning Postbus 13288, 3507 LG Utrecht Omslagontwerp Liesbeth Thomas, t4design Oorspronkelijke uitgave Ogen van de overzij © 1995 Uitgeverij Zomer & Keuning Oorspronkelijke uitgave Katrina © 2010 VCL-serie Oorspronkelijke uitgave De twijfel van een liefde © 2018 Uitgeverij Zomer & Keuning (herschreven) De roos © 2019 Uitgeverij Zomer & Keuning Verloren verleden © 2019 Uitgeverij Zomer & Keuning www.zomerenkeuning.nl Alle rechten voorbehouden Uitgeverij Zomer & Keuning vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Voor de papieren editie van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 5

JOS VAN MANEN PIETERS Ogen van de overzij


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 6


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 7

HOOFDSTUK 1 Simeon van Lawick heeft onverwacht familiebezoek gekregen. Tegenover hem, in een diepe leren clubfauteuil, zit de jongste zoon van Pieter Boerhaave, één van de broers van zijn overleden vrouw. De oom bekijkt zijn neef met slecht verborgen irritatie. Hij voelt zich belemmerd in zijn reacties en beseft gaandeweg dat niet het bezoek, maar het optreden van de jongere man daarvan de oorzaak is, de zelfgenoegzaamheid die met elk van zijn woorden meekomt. De neef heeft even tevoren – met een blik op de grimmige trekken van de gastheer – z’n jonge vrouw geadviseerd maar een poosje met de kinderen naar buiten te gaan. In het deel van de grote tuin waarop ze het uitzicht hebben vanuit de zitkamer aan de achterkant van het huis, staan nog altijd twee schommels, daterend uit de periode toen in alle schoolvakanties nichtjes en neefjes logeerden in het witte landhuis ‘Arcadia’, meestal in groepjes van twee, drie of vier leeftijdgenootjes. Hun eigen reizen maakten Freda en Simeon destijds opzettelijk in voor- en najaar, om zoveel te langer hun hart te kunnen ophalen aan het contact met dat rumoerige kleine goedje. Sim projecteert de beelden van toen op het scherm van zijn herinnering, terwijl hij toeziet hoe de kleuters van Pieter Junior door hun moeder geduwd worden bij het schommelen. Het heimwee naar de gouden jaren van voorheen steekt als een mes. Ten slotte wendt hij zijn blik af van het gebeuren in de tuin en richt die weer op zijn neef. Je begrijpt er niets van, jongen, denkt hij. Als ik kortaangebonden en chagrijnig overkwam, was dat heus niet omdat ik me stoorde aan het argeloze geklets van die kleine broekemannen. Hij verbijt een grinnik als hij bedenkt: ’t was me liever geweest als je vrouw jou aan een oor naar buiten gesleept had, en de kinderen hier bij me in de kamer had gelaten. Dan had ik tenminste even respijt gehad van je holle geklets over jezelf. Geen woord heb je nog gezegd, geen vraag gesteld, waaruit bleek dat je je bij mijn pijn en mijn verlies betrokken voelde. Als dat wél het geval was geweest, zou je ook wel eerder iets van je hebben laten horen… Maar nee, zelfs geen telefoontje, in al die lange maanden die verstreken na Freda’s begrafenis en het ongeluk met mijn hand… Als de stilte pijnlijk dreigt te worden, verbreekt Pieter Boerhaave die met de opmerking: ‘Nu u niet meer werkt, hebt u natuurlijk alle tijd


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 8

8 | JUBILEUMOMNIBUS 145

om u aan het schilderen te wijden, oom Sim.’ De ander toont zijn beschadigde rechterhand, door deze op zijn knie te leggen, eerst met de rug, dan met de palm naar boven. ‘Een ongeluk komt zelden alleen,’ zegt hij. ‘Je tante Freda was nog geen veertien dagen dood, toen mijn hand gekraakt werd door een met geweld dichtgegooid autoportier. Je ouders zullen je van dat ongelukje toch wel iets verteld hebben, vorig jaar? Ik ben er al een paar maal aan geopereerd, maar er schijnt iets onherstelbaar beschadigd te zijn aan pezen en zenuwen. Hoewel ik de gewone dagelijkse dingen wel weer aankan, blijf ik motorisch min of meer gehandicapt: die hand trilt, en is soms nog onmachtig. Trefzeker een penseel te voeren, dat is iets wat ik wel vergeten kan. Misschien begrijp je er iets van, dat die wetenschap mijn toekomstverwachting er niet leuker op maakt.’ ‘U praat erg bitter,’ reageert zijn neef, ‘zo was u vroeger nooit.’ Het klinkt als een terechtwijzing… ‘’t Is natuurlijk een verschrikkelijke pech,’ praat hij verder, ‘maar u hebt toch een mooi leven om op terug te kijken?’ ‘Jij vindt me kennelijk al te oud om nog iets van het leven te mogen verwachten. Maar toevallig ben ik achtenzestig, jongske, geen achtentachtig.’ Hij voelt zich pijnlijk vervreemd van deze zelfbewuste jonge man, in wie hij zijn kleine Pieter van vroeger niet meer herkent. Net zo vervreemd als van de meeste andere nichten en neven, die na hun schooljaren het intensieve contact met de kinderloze oom en tante een beetje lieten versloffen. Simone, denkt hij, díé is altijd blijven komen, die héétte niet alleen naar ons, die hóórde bij ons. Ook nu Freda niet meer leeft, is ons contact nog even intensief en vanzelfsprekend. Behalve met haar heb ik zo’n waardevolle band eigenlijk alleen met Eduard… Als hij Pieter en diens gezin naderhand uitgeleide doet, informeert hij ineens: ‘Heb je veel contact met je broers?’ ‘Met Norbert wel. Die gaat het helemaal maken. Hij staat op de nominatie om Officier van Justitie te worden.’ ‘Zo. Dan is hij er vroeg bij. Maar waarom zei je: “Met Norbert wel?” Heb je met Eduard dan geen contact?’ De ander haalt zijn schouders op. ‘Heel weinig. We liggen elkaar niet. Eduard is overspannen of op weg om het te worden.’ Het komt er nogal laatdunkend uit. Daarop vat de oudere man vlam. ‘Misschien interesseert het je dat ík hem beschouw als een van de meest


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 9

OGEN VAN DE OVERZIJ

|9

waardevolle mensen die ik ken,’ zegt hij agressief, ‘waardevol, maar ook moedig. Waar de meeste anderen zich gevoelsmatig afschermen voor de ellende die uit alle hoeken van de wereld op ze afkomt, durft híj de werkelijkheid recht in de ogen te zien. Is het een wonder dat af en toe de stoppen doorslaan bij iemand die zó bewust leeft?’ ‘Als iedereen was zoals Eduard,’ reageert Pieter, ‘dan hielden we deze wereld niet draaiende. Zonder een zekere hardheid valt eenvoudig niet te overleven.’ ‘Als iedereen was zoals Eduard,’ stelt Simeon daartegenover, ‘dan zou deze wereld een heel wat betere plaats zijn om te wonen. De mensheid is bezig aan egoïsme en hebberigheid te gronde te gaan.’ ‘Ja, zo praat mijn broer ook. Hij is een idealist, die de soberheid niet alleen predikt, maar ook in praktijk brengt. Maar u, met uw riante onderkomen, met alle welvaart die uw geslaagde carrière als architect u heeft opgeleverd, ú had ik onder zijn supporters niet gezocht.’ Sim ziet dat het timide aangetrouwde nichtje verschiet van schrik bij deze rechtstreekse aanval van haar echtgenoot. Zelf voelt hij zich nu juist meer in z’n element dan tijdens het gladde gesprek in de zitkamer, dat eerder een monoloog was dan een dialoog, een gesprek waarin naar zijn mening en inbreng niet gevraagd werd. Vroeger, in z’n omgang met het opgroeiende kroost van de talrijke broers en zusters van weerszijden, heeft hij de discussie nooit geschuwd, maar placht hij juist van iedere uitdaging te genieten. Na het opschepperige gepraat van de ander, herkent hij door die laatste prikkelende woorden weer iets van de eigenwijze maar schrandere Pieter van lang geleden, met wie hij zo plezierig de degens kon kruisen. Hij grinnikt bevrijd. ‘Eén-nul voor jou,’ zegt hij. ‘Ik geef toe dat ik boter op m’n hoofd heb, net als al die anderen die vastzitten aan een massa overtolligheden. Ik denk weleens dat we mensen als Eduard broodnodig hebben om ons wakker en betrokken te houden.’ Terwijl ze afscheid nemen bij de auto, midden op het brede grindpad, vraagt Simeon van Lawick zich in stilte af hoelang het duren zal voor ze elkaar opnieuw ontmoeten. Een hele tijd waarschijnlijk, en hij kan het de jongelui niet eens kwalijk nemen. Ze hebben het druk met hun werk en hun jonge gezin. Liep hij zelf zo frequent naar ooms en tantes toen hij een jonge kerel was? Als Pieter zijn wagen gekeerd heeft en wegrijdt, blijft Simeon de bezoekers nakijken bij het hek aan de straatkant, dat altijd openstaat. De


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 10

10 | JUBILEUMOMNIBUS 145

beide kleine jongetjes liggen op hun knietjes op de achterbank, om uit alle macht te zwaaien naar hun oudoom, hoewel ze hem nauwelijks kennen. Het bezorgt de man bij het hek behalve een brok in z’n keel ook een sterk gevoel van neerslachtigheid. Nog altijd heeft hij een fascinatie voor dat prille goedje. Hij denkt aan de uitspraak van een vrouw uit zijn kennissenkring: ‘Als je geen kinderen hebt, krijg je ook geen kleinkinderen, Sim. En dan begint het verdriet en de jaloersheid weer helemaal opnieuw…’ Terwijl hij terugloopt naar het witte huis bedenkt hij hoe vreemd het is dat juist degenen die Freda en hem door de jaren heen trouw bleven, hun ‘leenkinderen’, geen van beiden een partner hebben. Simone en Eduard, ze lopen allebei al tegen de veertig. Lange tijd heeft hij gehoopt dat hún kroost voor hem en zijn vrouw ooit tot kleinkinderen zou worden. Die hoop kan hij inmiddels wel laten varen… Wat later echter corrigeert hij de eigen gedachtegang, zichzelf vertellend dat hij bezig is de dingen om te draaien. Juist omdat zowel Simone als Eduard na een aantal mislukte affaires alleen gebleven zijn, hebben die elk op hun eigen manier de band aangehouden met het tweede thuis dat ‘Arcadia’ altijd voor hen placht te zijn toen ze nog kinderen waren. Meer dan de andere neven en nichten, die allemaal hun eigen huiselijke kring hebben, moeten zij beiden verlegen zijn geweest om een plek waar ze zichzelf kwijt konden, een plek waar met belangstelling en betrokkenheid naar hen geluisterd werd. Hoewel hij z’n sleutelbos in z’n zak heeft, gaat Simeon het huis niet binnen door de brede voordeur, maar loopt er met een wijde boog omheen en bekijkt het van opzij en aan de achterkant even intensief als hij dat zo-even aan de voorkant deed: als het ware met nieuwe ogen. ‘Een riant onderkomen’ heeft Pieter het genoemd, en dat is het ook. Maar wat betekent een riant onderkomen als je liefste dood is en je geen doel meer hebt in je bestaan? Hij herinnert zich de dag, nu alweer bijna veertig jaar geleden, waarop ze het huis kochten. Hij was toen al bezig carrière te maken in zijn vak; hij had een belangrijke opdracht tot een goed einde gebracht en daarmee nogal wat publiciteit geoogst, wat weer nieuwe opdrachtgevers op zijn spoor had gezet. Daardoor was hij in de positie gekomen om het huurflatje waarin hij met Freda z’n huwelijksleven begon, te verruilen voor een woning met meer allure.


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 11

OGEN VAN DE OVERZIJ

| 11

‘Huize Arcadia’ werd gebouwd in het begin van de twintigste eeuw. Ofschoon degelijk van structuur, zag het huis er door te lang uitgesteld onderhoud destijds, in de jaren vijftig, nogal verwaarloosd uit, wat de koopprijs aanzienlijk gedrukt had. Hij had het een uitdaging gevonden, de prachtige behuizing langzaam maar zeker haar oude glorie te hergeven. Die is nu alweer jaren in optimale staat. Wat de uitgestrekte, parkachtige tuin betreft, die is door de jaren heen alleen maar mooier geworden door het uitgroeien van bomen, heesters en coniferen. Aan de zijkant van het terrein, met een eigen ingang aan de laan die haaks staat op de straatweg waaraan ‘Arcadia’ gelegen is, ligt een knusse kleine tuinmanswoning, met riet gedekt; tegelijk met het landhuis gebouwd, en erbij behorend. Sinds het huis tegelijk met de villa in zijn bezit kwam, is het bewoond geweest door stellen die geheel of gedeeltelijk in zijn dienst waren. Momenteel houdt het echtpaar Jonker er domicilie. De man, Sybren, heeft een deeltijdbaan als koster van een der plaatselijke kerken; daarnaast wijdt hij een flink aantal uren per week aan de tuin van het landhuis. Bep, zijn vrouw, werkte al jaren als huishoudelijke hulp in ‘Arcadia’ voordat Freda kwam te overlijden. Sindsdien zijn haar nog meer taken toegevallen. Zo neemt zij nu ook het voorbereiden van de maaltijden van haar werkgever voor haar rekening. Zo’n twintig meter achter het grote huis, door een rijk begroeide pergola daarmee verbonden, staat een veel nieuwer bouwsel, door hemzelf ontworpen, dat ondanks z’n jeugdiger leeftijd niet in de omgeving detoneert. Hij heeft daarin zijn atelier, waarin hij als hobby de schilderkunst beoefende, terwijl ook Freda onder hetzelfde dak haar werkruimte had, waarin zij zich wijdde aan het maken van kunstzinnige wandversieringen van applicatiewerk. Ook heeft hij in het bijgebouw indertijd een grote biljartkamer laten inrichten, die eenmaal zeer intensief benut werd, maar sinds Freda’s sterven en het ongeluk met zijn hand geheel in onbruik raakte, evenals de overige vertrekken. Al sedert maanden wordt de deur van het bijgebouw alleen geopend door mevrouw Jonker, als ze het tijd vindt om de ramen te zemen en de boel weer eens stofvrij te maken. Tussen het grote huis en het atelier is het grasveld waar daarstraks de


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 12

12 | JUBILEUMOMNIBUS 145

kinderen van Pieter Boerhaave zich vermaakten. Simeon gaat zitten op een tuinbank en blijft bezig met gedachten over het bouwsel dat Freda en hij schertsenderwijs hun hobbycentrum noemden. Het staat daar als stille getuige van de energie die hij z’n leven lang te besteden had, méér energie dan hij nodig had voor zijn werk, dat toch tamelijk veeleisend kon zijn. Opnieuw onderzoekt hij met zijn blikken de beschadigde hand. Als dat ongelukje hem niet overkomen was, zou hij dan op dit moment in het atelier bezig zijn met het opzetten van een nieuw doek? Of zou hij ook dán werkeloos op deze bank hebben gezeten, terneergedrukt door een niet-aflatend gevoel van ‘waar-leef-ik-eigenlijk-nog-voor?’ Alles in hem schreeuwt om Freda, zonder wie hij zich incompleet weet. Toch is er ook een facet in zijn persoonlijkheid, een praktisch facet, dat hem doet vaststellen hoe ’n grove verspilling het zou zijn die hobbyruimten daar maand in maand uit, jáár in jaar uit misschien, zo nutteloos en ongebruikt te laten staan. Als hij nú doodging, en zijn bezittingen zouden toevallen aan Simone, zoals hij dat zonder haar meeweten in zijn testament heeft laten vastleggen, dan zou die er wel raad mee weten. Het is hem bekend dat ze al een hele tijd het ideaal koestert een kinderdagverblijf te beginnen, en daarvoor ook aan ’t sparen is. Haar werk als verpleegkundige wordt álmaar technischer, het bevredigt haar niet meer; ze verlangt naar iets anders. Aan het begin van haar loopbaan als verpleegster heeft ze een tijdlang gewerkt in het Sophia-kinderziekenhuis. Daaraan denkt zij nog altijd terug als aan haar mooiste jaren. Ja, voor Simones doel zou deze ruimte wel geschikt te maken zijn, eventueel uitgebreid met een sanitaire afdeling… Maar wat fantaseert hij toch? Zijn bezit nalaten, dat is helemaal niet aan de orde. Hij is zo gezond als een vis, hij kan wel negentig worden: aan een gekraakte hand gaat een mens niet dood. En als hij nog meer dan twintig jaar méé moet, hoeft het voor zijn nichtje ook niet meer, want die zou dan al tegen de zestig lopen… Eenmaalweer binnen, en verdiept in zijn krant, blijft het op de achtergrond doorzeuren, het onbehagen, de kwellende vraag waarmee hij tijdens de jaren die hem nog resten z’n leven inhoud zal moeten geven. Pas als hij laat in de avond zijn bed heeft opgezocht en in het donker ligt te staren, breekt een bevrijdende gedachte zich baan; alsof ergens in zijn hoofd een explosie plaatsvindt die de barrières opblaast die hem tot dusver alle zicht op de toekomst benamen. Waarom in vredesnaam,


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 13

OGEN VAN DE OVERZIJ

| 13

vraagt hij zich plotseling af, zou Simone met het uitvoeren van haar plannen moeten wachten tot na zijn dood? Waarom zou hij haar niet bij zijn leven, en waarom niet op staande voet, z’n overbodig-geworden hobbycentrum kunnen aanbieden als locatie voor haar baby- en peutercrèche? Hij krijgt het er heet van; ziet meteen allerlei leeuwen en beren op de weg. Maar een golf van hoop en verwachting spoelt daaroverheen. Hij klampt zich vast aan het beeld dat nog vers op z’n netvlies staat: het beeld van Pieters kindertjes, spelend op het grasveld achter zijn huis. Dat beeld gecontinueerd te zien, weer regelmatig jong leven in z’n buurt te hebben dat hij naar hartenlust kan gadeslaan – en dat zónder er de directe verantwoordelijkheid voor te hoeven dragen – het idee begint hem steeds meer aan te spreken. Hij bezweert zichzelf dat hij met het uitwerken van deze opzienbarende inval moet wachten tot hij weet of Simone er überhaupt voor voelt. Maar het helpt niet. Zijn verloren-gewaande creativiteit en ondernemingsgeest breken door de remmen. Als hij eindelijk inslaapt, heeft hij de hobbyruimte al op drie verschillende manieren verbouwd en aangepast, en in zijn dromen staat hij voortdurend achter een tekenbord. De volgende morgen is er nog steeds dat gevoel van opwinding, die tintelende hoop op tóch nog een nieuw perspectief. Omdat hij niet weet welke dienst zij heeft in het ziekenhuis, belt hij die dag diverse malen tevergeefs naar de flat van zijn nichtje. In de vooravond heeft hij eindelijk beet. ‘Simone van Lawick,’ zegt haar heldere stem aan zijn oor. ‘Goeienavond, meisje,’ geeft hij terug. Zij weet direct met wie zij van doen heeft. ‘Oom Sim! Wat leuk dat u belt! Dat moest u vaker doen. De laatste tijd was ik altijd genoodzaakt om zelf het initiatief te nemen.’ ‘Ja kind, dat had ik anders moeten doen. Ik heb een hele tijd in een diep dal gezeten. Maar nu meld ik me dan toch. Ik wil je vragen of je hier een weekend naartoe kunt komen, ik heb wat met je te bepraten. Als het beter uitkomt met je werk zijn een paar doordeweekse dagen ook best, hoor.’ De jonge vrouw aan de andere kant van de lijn haalt zich haar agenda voor de geest. ‘Het komende weekend? Ja, dan ben ik vrij. En u hoeft


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 14

14 | JUBILEUMOMNIBUS 145

nooit lang te smeken om mij naar ‘‘Arcadia’’ te krijgen, dat weet u. Ik neem de uitnodiging graag aan. Zei u dat u iets te bepraten had? Er is toch geen narigheid?’ ‘Alleen de narigheid waar je alles van afweet. Maar daarover wil ik het nu niet hebben; misschien ben ik daar al veel te veel mee bezig geweest, de afgelopen maanden. Er is nu iets anders aan de orde. Maar dat hoor je wel als je bij me bent.’ ‘Het is gemeen om iemand zo nieuwsgierig te maken,’ meent zij. ‘Je weet nog niet half hoe gemeen ik kan zijn,’ geeft hij terug, met een grinnik in zijn stem. Ook Simone moet lachen. ‘Als we elkaar na al die jaren nóg niet kenden, dan lukte het nooit meer,’ zegt ze. Als hij het gesprek beëindigd heeft, besluit Simeon een lange wandeling te gaan maken. De passiviteit die zo lang zijn doen en laten bepaald heeft, laat zich niet rijmen met het ongeduld waarmee hij het weekend tegemoetziet. Hij moet iets dóen, de lege uren die voor hem liggen op de een of andere manier te lijf gaan, anders komt hij de resterende dagen niet door. Terwijl hij in het bos loopt, – een rijzige man met een sterk, verweerd gezicht, en felle ogen achter een donkeromrande bril – gaan zijn gedachten net als de vorige dag terug naar de tijd toen hij nog jong was en vol verwachtingen. Toen hij, anders dan nu, niet twijfelde of die verwachtingen wel waargemaakt zouden worden. Niet lang nadat ze ‘Arcadia’ betrokken, had het leven z’n eerste harde klap uitgedeeld. Na een ingrijpende operatie die Freda moest ondergaan, hadden ze de moeilijke boodschap te verwerken gekregen dat de mogelijkheid om ooit eigen kinderen te krijgen voorgoed was afgesneden. Het had een radeloos-makend verdriet voor hen betekend. Ze kwamen allebei uit een groot, gezellig gezin. Allebei dol op kinderen, hadden ze zich verheugd op een soortgelijke huiselijke kring. Simeons tweelingbroer Samuel, in de familie kortweg Sam genoemd, was een paar jaar eerder getrouwd dan hij. Deze broer had al twee kinderen, terwijl het derde op komst was. Toen ze het bericht ontvingen dat de baby geboren was, hadden ze wel het een en ander te overwinnen gehad voor ze in staat waren de prille aanwinst te gaan bekijken. Nooit zal Simeon de ontroering vergeten die toesloeg toen hun het geboortekaartje in handen werd gegeven en ze daarop lazen hoe het kindje genoemd was: Simone Frederica.


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 15

OGEN VAN DE OVERZIJ

| 15

‘Dit is ook een beetje júllie kind,’ had Sam gezegd, zelf ook nauwelijks zijn aandoening meester. ‘Noortje en ik hebben er veel over gepraat, de voorbije maanden. We zijn het erover eens dat jullie huis voor deze kleine pop een tweede thuis mag worden. Haal haar maar váák naar Arlevoort. Misschien zullen wij weleens jaloers zijn omdat we haar aandacht en genegenheid moeten delen. Maar dat valt in het niet bij de jaloersheid-op-anderen waarmee júllie zullen moeten leren omgaan.’ Dat was het begin geweest van een relatie die nu al achtendertig jaar duurt. Simeon herinnert zich hoe het kleine nichtje in haar peutertijd vaak ‘pappa-Sim’ tegen hem zei. Hij was zozeer het evenbeeld van haar vader, dat ze hem kennelijk meer als ‘een andere pappa’ ervoer dan als de oom die hij in feite was. Het meisje leek op hem, en dat was zo’n wonder niet. Als deel van een eeneiige tweeling had hij niet alleen exact hetzelfde uiterlijk, maar ook dezelfde genen als Sam. Het meisje was zozeer van hetzelfde bloed dat hij – ook toen zij rijpte naar de volwassenheid – van haar kon blijven houden op een manier of ze zijn eigen dochter was. Tijdens Simones elfde levensjaar kreeg hij voor de tweede maal in zijn leven een bijna ondraaglijk-zware klap te incasseren, omdat zijn tweelingbroer door een ongeval om het leven kwam. Toen zijn weduwe een paar jaar later hertrouwde met een man die door haar tienerdochter niet als vader geaccepteerd werd, was ‘Arcadia’ in plaats van Simones tweede thuis haar belangrijkste thuishaven geworden, en dat is zo gebleven tot op de dag van vandaag. Maar, hoezeer ook van haar genegenheid voor hem overtuigd, toch leeft er een grote spanning in Simeon of zijn petekind een voortdurend verblijf in zijn naaste omgeving wel ambiëren zal. Hij ontveinst zich niet dat een jonge vrouw als zij zich behoorlijk vastlegt door aan een onderneming als de onderhavige te beginnen. Vasthoudend aan het beeld dat hem bezighield, bedenkt hij dat Simone tot dusver na ieder bezoek weer is uitgezeild, de ruimte tegemoet waarin nieuwe kansen en mogelijkheden zich zouden kunnen voordoen. Telkens in een gastvrije haven aanmeren is nog heel iets anders dan er voorgoed het anker te laten vallen; hij is zich dat zeer wel bewust. Maar niemand kan hem verbieden te hopen op een nieuwe impuls voor zijn leeggeplunderd bestaan.


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 16

16 | JUBILEUMOMNIBUS 145

HOOFDSTUK 2 Simone heeft een typisch ‘Van Lawick-gezicht’. Het wordt gekenmerkt door dezelfde trekken als dat van haar vader en diens tweelingbroer: een opmerkelijk hoog voorhoofd, een wilskrachtige kin, sprekende, in alles geïnteresseerde ogen onder donkere wenkbrauwbogen. Haar dikke sluike haar draagt ze in een kort bob-kapsel, dat een deel van haar hoge voorhoofd aan het zicht onttrekt. Van haar moeder heeft ze de altijd-rode wangen geërfd, die aan haar uiterlijk iets heel gezonds en blijmoedigs geven. Hoewel ze het mysterieuze waasje ontbeert dat de verbeeldingskracht van de andere sekse pleegt te prikkelen, wordt zij wel degelijk opgemerkt. Maar negatieve ervaringen in haar jongere jaren hebben gemaakt dat zij zich onbewust is gaan afschermen voor een bepaald soort toenadering, waardoor ze tot dusver alleen gebleven is, en met haar erotische gevoelens zelf in het reine moet zien te komen. Al ziet ze kans, bij de buitenwacht de schijn te wekken dat ze haar onafhankelijkheid apprecieert, toch weet ze zich incompleet. Sinds het telefoontje van haar oom voelt ze zich echter plezierig gestemd; ze houdt het weerbericht in de gaten, dat veelbelovend is, en kijkt uit naar het weekend dat ze voor de boeg heeft. ’s Zaterdagsmorgens rijdt ze tegen koffietijd het forensendorp Arlevoort binnen. Het is nog altijd aan ’t uitgroeien en lijkt langzaam maar zeker naar de nabijgelegen provinciestad toe te kruipen. Het Arlevoort dat zij zich herinnert uit haar vroegste jeugd is zeker driemaal zo groot geworden. Als ze de inrit van ‘Arcadia’ op rijdt, ziet Simone het eerst Sybren Jonker, die bezig is het gazon aan de straatkant te maaien. Daarna ontwaart ze haar gastheer, die iets onduidelijks uitvoert bij de rododendronhaag: een vergeefse poging om te verbloemen dat hij op de uitkijk stond. Het bezorgt haar een warm gevoel van welkom-zijn. Ze lacht plagerig naar hem en steekt een hand op. Als ze het portier van haar auto achter zich sluit, staat de ander al naast haar. Even later zitten ze samen op het terras aan de zuidzijde van het huis achter een kop koffie. ‘Hoe is het op je werk?’ wil Simeon weten. ‘Net als altijd. Druk. En een massa gestreste collega’s om me heen.’ ‘Stress. Heb jij daar ook last van?’


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 17

OGEN VAN DE OVERZIJ

| 17

‘Soms wel. Maar ik versta gelukkig de kunst om me te ontspannen als ik vrij ben.’ Ze laat zich genietend onderuitzakken in de witte tuinstoel, doet haar ogen dicht en keert haar gezicht naar de zon: ‘Heerlijk is het hier. U krijgt me het hele weekend die stoel niet meer uit, oom Sim!’ ‘Je meent het! En ik wilde nog wel met je gaan eten in ‘‘Het Vergulde Hert’’!’ ‘Och heden! Dan heb ik voor mijn beurt gepraat!’ Al tijdens deze lichtvoetige conversatie kan Simone vaststellen dat haar peetvader is opgefleurd sinds zij hem het laatst ontmoette, dat hij iets van zijn oude vitaliteit herwonnen schijnt te hebben. In de loop van de middag vat Simeon de koe bij de horens met de vraag: ‘Loop jij nog altijd rond met dat plan om kindertjes van werkende ouders te gaan opvangen?’ ‘Ja. Daar fantaseer ik over, vooral als er weer eens iets gebeurd is waardoor ik mijn werk in het ziekenhuis niet meer zie zitten. Ik heb al heel wat informatie verzameld ook.’ ‘Vertel eens.’ ‘Als ik leidster zou worden in een gesubsidieerd kinderdagverblijf, ging ik er qua salaris enorm op achteruit. Ik heb voor die functie ook niet de goede papieren. Je moet daarvoor een opleiding Inrichtingswerk gedaan hebben, of een studie voor agoog of kleuterleidster. Ik ben trouwens op een leeftijd gekomen waarop ik liever de leiding van zo’n onderneming zou hebben dan onder een ander te moeten werken. Er zal dus weinig anders opzitten dan zelf iets van de grond te tillen, een particulier dagverblijf, dat zichzelf bedruipen kan. Maar om dat financieel gezond te laten draaien, moet je toch wel aan zo’n twintig kinderen onderdak verlenen, naar ik begrepen heb.’ ‘Worden daar van hogerhand ook eisen aan gesteld?’ ‘Ja, om te beginnen moet je je aanmelden bij de Kamer van Koophandel. En het schijnt dat je een middenstandsdiploma nodig hebt. Dat kan ik natuurlijk best bemachtigen. Veel moeilijker is het om een locatie te vinden en die geschikt te laten maken voor het doel. Dat gaat een lieve duit kosten, en zoveel heb ik nog niet bij elkaar. Daarom moet ik me voorlopig nog tot fantaseren beperken.’ ‘Heb je er nooit aan gedacht om mijn hulp in te roepen voor de financiële kant van de zaak?’ Simone kijkt hem schattend aan voor ze op die vraag reageert. ‘Jawel,’ zegt ze dan, ‘maar dat wilde ik niet.’ ‘En waarom niet?’


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 18

18 | JUBILEUMOMNIBUS 145

‘Moet ik eerlijk zijn? Ja? Omdat ik u goed genoeg ken om te weten dat u zich ten opzichte van mij niet al te zakelijk zou opstellen; me misschien zelfs een renteloze lening zou willen geven.’ Simeon grinnikt betrapt. ‘Misschien had ik nog wel verder willen gaan.’ Ze lachen even in elkanders ogen voor zij reageert: ‘Als ik het niet dacht! Maar ik wil dat niet, oom Sim. Als er met u iets gebeurde… en de rest van de familie kwam er dan achter dat ik eenzijdig bevoordeeld was…, nee, dat zou ik niet willen. Misschien ben ik daar te trots voor.’ Nu is de beurt aan Simeon om de ander schattend aan te kijken. Ten slotte merkt hij op: ‘Dan heb je een probleem, Simone, al is het op termijn.’ ‘Hoezo? Wanneer dan?’ ‘Als mijn testament geopend wordt.’ Simone krijgt een kleur. ‘Nou ja,’ zegt ze, ‘dat is heel iets anders. Natuurlijk zal ik er blij mee zijn als u mij te zijner tijd wat nalaat. Maar dat is nu niet aan de orde. Ik hoop dat het nog in geen twintig jaar aan de orde komt, want ik ben veel meer op ú gesteld dan op uw geld.’ ‘Dat is nog eens een opsteker! Mijn dag kan niet meer stuk.’ Er valt een stilte tussen hen, waarin Simeon zijn plannetje heroverweegt. Ten slotte zegt hij: ‘Die trots van jou bevalt me wel. Maar je maakt het er mij niet makkelijk mee. Ik dacht dat ik je een goed idee kon voorleggen, maar misschien moet ik het eerst nog een beetje ombouwen voor ik het op tafel gooi.’ ‘Hebben we het nu over het onderwerp dat u met mij bepraten wilde?’ ‘Ja.’ Hij komt tot een besluit, staat op uit z’n tuinstoel en animeert: ‘Loop eens met me mee, meisje…’ Ook Simone komt overeind, een vraagteken in elk van haar ogen. Ze doorziet nog niet waar haar oom op aanstuurt. Hij neemt haar elleboog en voert haar om het huis heen naar de bank waarop hij een aantal dagen geleden zo lang heeft zitten mediteren. Tijdens het vervolg van dit gesprek wil hij zicht hebben op het bijgebouw dat er waarschijnlijk een grote rol in zal gaan spelen. ‘Ik heb in de voorbije week heel wat afgeprakkizeerd,’ begint hij, ‘diverse dingen waren daar aanleiding toe, drie om precies te zijn, en ten slotte heb ik ze alle drie onder één noemer weten te brengen.’ Hij pauzeert even en zegt dan: ‘Het begon met een bezoek van Pieter


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 19

OGEN VAN DE OVERZIJ

| 19

Boerhaave en de zijnen. Je herinnert je hem? Een neef van tante Freda’s kant.’ Simone maakt een grimas. ‘Jazeker. Het kleine broertje van Eduard. Maar om u de waarheid te zeggen: ik ben nooit een fan van Pieter geweest.’ ‘Ik begrijp wat je bedoelt. Tussen ons gezegd en gezwegen: het is een arrogant keffertje. Maar het keffertje heeft een paar leuke puppy’s, dat moet ik hem nageven. Die twee peuters zijn hier op het grasveld een tijdlang aan ’t schommelen en rollebollen geweest, net zoals jij dat vroeger deed toen je die leeftijd had, samen met Irma en Maud en Eduard en Rudy… En toen júllie opgroeiden, waren er weer andere kleine nichtjes en neefjes… Hoe langer ik naar die twee jongetjes van Pieter keek, hoe beter ik besefte hoe eenzaam ik geworden was, Simone, en hoe groter mijn heimwee werd naar de tijd toen Freda en ik telkens hummels van dat formaat onder handbereik hadden. Baby’s en peuters zijn nog zo écht.’ ‘Ja, ik begrijp wat u bedoelt, oom Sim. Niet alleen in m’n uiterlijk, maar ook daarin lijk ik op u. Niet voor niets zit ik al geruime tijd op het idee van een radicale koerswijziging te broeden. Ik ben nu achtendertig. Als er dan geen eigen gezin voor mij is weggelegd, wil ik toch in ieder geval proberen een omgeving voor mijzelf te creëren waarin ik mijn warmte en mijn affectie voor jonge kinderen kwijt kan. Al besef ik best dat ik me een heleboel rompslomp op de hals haal, en dat het me een groot stuk vrijheid zal gaan kosten als het werkelijk zover komt.’ Simeon maakt een wegwerpend gebaar. ‘Hard werken doet een mens geen kwaad; als hij er maar plezier in heeft… Maar om de draad van m’n verhaalweer op te nemen: ík heb die associatie met jouw ambities ook gemaakt, Simone. Dat was toen ik neerslachtig zat te staren naar de hobbyruimte daarginds, die er zo nutteloos en overbodig bijstond sinds Freda stierf en mijn hand het liet afweten. Even heb ik overwogen dat jij in déze ruimte, als die met de nodige aanpassingen werd uitgebreid, misschien je plannen zou kunnen verwezenlijken, als ik je het gebouwtje zou nalaten bij m’n dood. Maar meteen daaroverheen bedacht ik dat het nog wel twintig of vijfentwintig jaar duren kon voordat die erfenis aan de orde kwam, en dat het tegen die tijd voor jou ook niet meer hoefde. Het duurde nog uren voor de dingen op hun plaats vielen in mijn treurige hoofd, maar toen had ik ook het gevoel of de zon doorbrak…’


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 20

20 | JUBILEUMOMNIBUS 145

Simone heeft zich naar hem toegekeerd; ze zit bijna dwars op de bank, met gretige ogen het gezicht van de ander aftastend. Welke onthulling is hij aan ’t voorkoken? Ze weigert nog te geloven in de juistheid van het vermoeden dat bij haar opkomt. ‘Vertel verder!’ dringt ze aan, ‘u had dus drie problemen onder één noemer weten te brengen…’ ‘Ja. Ten eerste mijn eigen behoefte om weer een beetje bedrijvigheid en jong leven in mijn omgeving te hebben. Ten tweede jouw behoefte aan een geschikte locatie. Ten derde het nutteloos-ongebruikt-staan van dat atelier daar. Waarom in vredesnaam, dacht ik plotseling verbaasd, zou Simone moeten wachten tot ik dood ben? Als zij iets voor het idee voelt, kan ze immers met de uitvoering van haar plannen beginnen zodra alle bureaucratische rompslomp achter de rug is die er ongetwijfeld mee gemoeid zal zijn? Dát had ik je willen vertellen, dit weekend, meisje. En ook dat ík de kosten van de noodzakelijke verbouwingen en aanpassingen voor mijn rekening wilde nemen. Maar sinds ik zo-even te horen heb gekregen dat jij zo trots bent, te trots zelfs om een renteloze lening te aanvaarden, nu broed ik op een ander voorstel.’ Hij grinnikt plotseling voluit: ‘Misschien begin ik zélf wel een kinderdagverblijf, en huur ik jou in als directeur.’ Simone is behoorlijk overdonderd. ‘Is dit geen geintje, oom Sim?’ vraagt ze voor alle zekerheid. ‘Om den drommel niet. We zouden een soort maatschap kunnen aangaan: ik de investeringen, – jij de leiding en de verantwoordelijkheid. Maar ik stel één keiharde voorwaarde. De zaak kan alleen doorgaan als jij er voor honderd procent achter staat om in mijn directe omgeving te komen werken en wonen. Ik zou het een afschuwelijk idee vinden als je alleen ja zei vanuit een gevoel van verplichting. Dat hóef je niet te hebben. Misschien hebben je tante Freda en ik wel veel voor je betekend, maar dat heb jij voor ons ook, dus we spelen volledig quitte. En dan dit nog: hoe graag ik je ook in m’n buurt heb, je hoeft niet bang te zijn dat ik je vrije tijd zal claimen of je anderszins voor de voeten zal lopen.’ Zij schudt haar hoofd: ‘Dat is helemaal mijn probleem niet.’ ‘Wat dan wél?’ ‘U moet me even de tijd gunnen om de dingen op een rijtje te zetten, hoor. De gedachten en de vragen rennen zo ordeloos door mijn hoofd, dat ik er nog geen vat op kan krijgen.’


145e Jubileumomnibus 13-2-2019 150x230_Jubileumomnibus 13-02-19 10:18 Pagina 21

OGEN VAN DE OVERZIJ

| 21

‘Weet je wat? Ga ons eerst maar eens wat te drinken halen in de keuken, dan praten we straks wel verder.’ Ze blijft lang weg. Als ze eindelijk terugkomt met een dienblad, ziet ze dat haar oom in de tussentijd het tafeltje van het terras naar de tuinbank heeft gehaald. Ze zet het blad erop en zegt: ‘Ik heb sterke koffie gezet; misschien helpt het een beetje tegen de zenuwen.’ ‘Heb ik je van streek gemaakt?’ ‘Nee, het is een prettig soort opwinding. ’t Wil nog steeds niet helemaal tot me doordringen wat uw voorstel allemaal inhoudt. Het lijkt haast al te simpel, zoals u het brengt: “Jouw behoeften en de mijne grijpen precies in elkaar, dus wat zou je nog zeuren…?” En dan zeur ik tóch. U mag overigens best weten dat ik ademloos-gelukkig ben met uw idee, en het liefst meteen aan de slag zou gaan met het uitwerken van allerlei plannen. ’k Heb tijdens het koffiezetten zelfs al een naam verzonnen: kinderdagverblijf ‘‘Klein Arcadia’’. Hoe vindt u dat?’ ‘Een vondst. Vooral als je bedenkt dat die naam in de Griekse mythologie ‘‘Land van onschuld en vrede’’ betekent. Maar ik begrijp dat er eerst nog iets uit de weg geruimd moet worden.’ ‘Ja. Maar ik vind het moeilijk om het aan te kaarten.’ ‘Doe het toch maar.’ Simone knikt. Eerst drinken ze zwijgend hun koffie, dan begint zij met enige aarzeling: ‘Vanmiddag heb ik de hoop uitgesproken dat u nog minstens twintig jaar zou blijven leven, en dat meende ik. Maar garanties daarvoor kan niemand me geven. Als we zo’n maatschap aan zouden gaan, oom Sim, waar u over sprak, en u kwam na een x-aantal jaren te overlijden, hoe zou het dan moeten, in zakelijk opzicht? Straks opperde u terloops dat u mij dat ‘‘Klein Arcadia’’ zou kunnen nalaten. Dat zou natuurlijk een geweldig gebaar zijn, maar ik worstel nog met een heleboel vragen. Het gebouw staat toch op het terrein van het gróte ‘‘Arcadia’’? Hoe moet het dan als dat ooit verkocht wordt? Trouwens, alleen de successierechten die ik over zo’n erfenis zou moeten betalen zouden me al in de rode cijfers brengen. Ik ben niet bang om twaalf uur per etmaal te werken als het nodig is, en me ergens helemaal voor in te zetten. Maar ik weet niet of ik financiële consequenties die ik niet kan overzien wel aandurf.’ ‘Durf je er niet op te vertrouwen dat ik dat allemaal goed voor je regelen zou bij m’n notaris?’ ‘Het is geen kwestie van wantrouwen, oom Sim. U bent behalve ar-


Drie prachtige romans en twee korte verhalen Jubileumomnibus 145 is een heerlijke verzameling feelgoodromans van bekende auteurs uit het genre. De eerste roman is Ogen van de overzij door Jos van Manen Pieters. Daarna volgt Katrina van Margreet Maljers, een schrijfster die zowel solo als samen met haar zus Reina al jaren graag gelezen wordt. De twijfel van een liefde van Hans de Groot-Canté is de laatste roman in deze omnibus, maar dan is er nog een toetje: de korte verhalen De roos door Marjon Stroet en Verloren verleden door Gerda van Wageningen.

JUBILEUMOMNIBUS

145

Jos van Manen Pieters Margreet Maljers Hans de Groot-Canté Marjon Stroet Gerda van Wageningen

ISBN 978 94 0191 504 5 NUR 344

9 789401 915045 w w w.z om er enk euni ng.nl

JUBILEUMOMNIBUS Jos van Manen Pieters Margreet Maljers Hans de Groot-Canté Marjon Stroet Gerda van Wageningen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Jubileumomnibus 145- Diverse Auteurs. 9789401915045 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu