Skip to main content

De Germanen en het christendom- Pierre Trouillez. ISBN 9789401914734

Page 1

Pierre Trouillez ‘Trouillez weet indrukwekkend veel (…) Ook heeft hij een prettig oog voor de anekdotische kanten van zijn verder toch zo serieuze onderwerp.’ — Trouw

Tijdens de volksverhuizingen van de 5de tot 7de eeuw, de tijd van de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen, trekken diverse Germaanse stammen door Europa en vestigen zich in het zuiden van het continent en het noorden van Afrika. Tijdens deze migraties ontmoeten de Germaanse wereld en het christendom elkaar voor het eerst. Aan de hand van historische figuren, zoals de kerkvaders Wulfila, Leo de Grote, Theodorik, Boëthius en Gregorius van Tours, schetst Pierre Trouillez de politieke en historische gevolgen van de vroegste kerstening. Hoe verliep die bij de Germaanse volkeren? In welke streken kreeg de kerk snel voet aan de grond en waar ging dit moeizaam? Trouillez geeft op pakkende maar academisch verantwoorde wijze antwoord op deze vragen over een belangrijke kantelperiode in de geschiedenis van Europa.

www.omniboek.nl ISBN 9789401914734 NUR 684

EEN BEWOGEN ONTMOETING IN DE 5DE – 7DE EEUW

Pierre Trouillez (1946) is emeritus-hoogleraar Kerkgeschiedenis en Godsdienstwetenschappen in Antwerpen, Hasselt, Leuven en Brussel. Hij schreef eerder het succesvolle boek De Franken en het christendom.

De Germanen en het christendom

De vroege historie van christelijk Europa

De

Germanen

christendom en het

Een bewogen ontmoeting in de 5de – 7de eeuw PIERRE TROUILLEZ


De Germanen en het christendom

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 1 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 1

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


9 15:58

Pierre Trouillez

De Germanen en het christendom een bewogen ontmoeting in de 5de – 7de eeuw

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 3 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 3

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


Uitgeverij Omniboek Postbus 13288, 3507 LG Utrecht www.omniboek.nl Copyright © 2019, Uitgeverij Omniboek Omslagontwerp Xpair, Peter Frison Omslagbeeld Mozaïek in de koepel van het Baptisterium van de arianen in Ravenna, Depositphotos Vormgeving binnenwerk Garage BNO Vormgeving kaarten Brainpink ISBN 9789401914734 ISBN e-book 9789401914741 NUR 684 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written permission of the publisher Uitgeverij Omniboek vindt het belangrijk om op verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van dit boek is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Ook is het papier 100% chloor- en zwavelvrij gebleekt.

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 4 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 4

23-04-19 13:31 23-04-19 13:26

omniB


9 13:26

INHOUD ter inleiding

11

hoofdstuk i de ondergang van het keizerlijke rome 1. Een reus op lemen voeten 2. De Germaanse wereld en Rome leren elkaar kennen De Germaan van Tacitus De zegeningen van de handel Strooptochten en vreedzame infiltraties 3. De Gotische lont in het kruitvat 4. De doodstrijd van het rijk De ‘Grote Invasie’ en haar gevolgen Het einde 5. Ontreddering en nieuwe hoop Het verlangen naar orde Het verval van de cultuur

15 15 18 18 19 20 21 23 23 25 26 26 28

hoofdstuk ii de kerk in de storm: een kwestie van standhouden 1. Van vervolgde Kerk tot staatskerk 2. Het christendom bereikt de Germanen De eerste zaadjes Wulfila, ‘de apostel van de Goten’ Naar een ariaans-Germaanse christenheid 3. Verschuivingen in het christelijke beeld van de Germanen De Germaan als doodgraver van het eeuwige Rome Van de ‘goede Germaan’ tot het ‘strafwerktuig van God’ 4. De staatskerk houdt stand De nieuwe figuur van de bisschop-stadhouder hoofdstuk iii leo de grote: laatste getuige van de antieke wereld 1. In de weer voor het bedreigde Rome 2. De opperste leraar en behoeder van het geloof Wisselend succes in het Westen In het Oosten ‘heeft Petrus gesproken’

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 5 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 5

31 31 33 34 35 38 41 42 43 45 47

51 52 54 55 56

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


3. Op de bres voor het pauselijke primaatschap Het geval-Arles Het geval-Constantinopel 4. ‘Een paus van de antieke wereld’ hoofdstuk iv noord-afrika: de kerk in de vuurlijn van de vandalen 1. De Kerk aan de vooravond van de Vandaalse inval 2. Leven en overleven in het Vandaalse Rijk De godsdienstpolitiek van Geiserik Van regelrechte terreur tot voorwaardelijke tolerantie 3. Een eminente tijdsgetuige: Fulgentius van Ruspe 4. Het einde van de beproevingen Succesrijke overlevingsstrategieën Eerste initiatieven tot katholiek herstel 5. De Vandaalse ondergang en de katholieke restauratie hoofdstuk v de kerk in italië: leven met de oost-goten 1. De ariaan Theodorik 2. Entente tussen Kerk en staat Theodorik en een Kerk van Rome in nesten 3. De zorg om de antieke cultuur Cassiodorus, staatsman, monnik en conservator van het cultuurgoed 4. Het sombere einde van een verlicht bewind De politieke impact van een kerkelijk schisma Boëthius, ‘de laatste Romein’ De paus onder druk gezet 5. Benedictus van Nursia, patriarch van het westerse monnikenwezen De hobbelige weg naar Monte Cassino De ‘Regel van Benedictus’ 6. Italië in Byzantijnse handen De rampzalige Gotische Oorlog De Kerk in de oorlog Weer onder het keizerlijke baldakijn 7. De verdamping van de Romanitas

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 6 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 6

59 60 61 63 65 65 66 67 68 70 73 74 75 77 79 83 83 84 85 87 90 90 93 93 94 97 99 99 101 104 105 106 108 110

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

hoofdstuk vi gregorius de grote, de ‘consul van god’ 1. Ellende alom 2. De weg naar het pausschap Van stadsprefect tot monnik Diplomaat en morele gids in Constantinopel De eerste paus-monnik 3. De bisschop-stadhouder van Rome De ware heerser van de stad De herder van het volk 4. De patriarch van het Westen Italië als eerste zorgenkind De bedachtzame benadering van Noord-Afrika De missionering van Engeland 5. Tact en kordaatheid tegenover Constantinopel 6. De ‘ Consul van God’

113 113 115 115 117 119 120 120 121 122 123 126 128 132 134

hoofdstuk vii katholieke triomf in visigotisch spanje 1. De Spaanse Kerk bij de komst van de Germanen De erfenis van Priscillianus 2. Wisselend lot onder de ariaanse monarchie De Spanjaarden op de proef gesteld De Kerk in zwaar weer onder koning Eurik De serene sfeer van de ‘Oost-Gotische Voogdij’ 3. Martinus van Braga, de ‘apostel van de Sueven’ 4. De mislukte godsdienstpolitiek van Leovigild Naar een arianisme-light De opstand van Hermenegild 5. Het Visigotenrijk wordt katholiek Het eenheidsconcilie van Toledo Kerk en staat slaan de handen in elkaar 6. Isidorus van Sevilla, de laatste kerkvader van het Westen 7. Deemstering en open einde De Kerk in de lappenmand De hinderlijke joden Twee beslissende veldslagen

137 138 138 140 140 141 143 144 146 147 149 151 151 153 155 159 159 161 164

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 7 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 7

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


hoofdstuk viii de kerk in het frankische rijk: een bewogen geschiedenis 1. De eerste ervaringen met de heidense Franken 2. De bekering van Clovis Katholieke smaakgevers De weg naar het doopsel ‘Aanbid wat U verbrand hebt en verbrand wat U aanbeden hebt.’ In het spoor van de ‘zeer christelijke koning’ 3. Wel en wee van de Frankische Kerk in de 6de eeuw Het bonte bisschoppencollege Het geduldige werk van de ‘Merovingische concilies’ Het theologische en culturele leven De opmars van het kloosterleven Het verre Rome Een portret in clair-obscur 4. Naar het diepe dal Het concilie van de laatste kans Nieuwe zuurstof uit Ierland De duistere tijden 5. De nieuwe start

167 168 170 170 172 175 176 178 178 182 186 189 193 195 196 196 200 202 207

hoofdstuk ix een christenheid zoekt haar weg: aspecten van het kerkelijke leven 1. Kerstening en doopsel De verschrompeling van de doopcatechese Verschuivingen in de dooppraktijk 2. Verkondiging in woord en beeld 3. Het ‘ondergeschoven heidendom’ en de adaptatiemethode Geen methode van de botte bijl Aan alles zijn grenzen 4. Zonde en vergeving 5. Heiligen, wonderen en relikwieën Iedere tijd heeft zijn heiligen Sterker dan de goden De heilige tastbaar aanwezig 6. De voortgezette caritas ‘De goederen van de armen’ De methodische aanpak 7. Zielenherders in een nieuwe tijd De weg naar het kerkelijke ambt De bisschop, zijn medewerkers en zijn parochies

211 211 212 213 216 219 220 222 223 227 227 229 231 234 235 237 239 239 240

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 8 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 8

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

slotbeschouwingen DE LANGSTE ADEM… 1. Nationale geschiedenis als heilsgeschiedenis 2. De nieuwe Germaanse wereld en de Romeinse erfenis 3. De langste adem

245 245 248 250

kaarten en bijlagen kaart i het west- en oost-romeinse rijk kaart ii germaanse rijken in 540 kaart iii noord-afrika rond 400 kaart iv italië rond 600 kaart v de spaanse kerk rond 650 kaart vi kerkelijke indeling van gallië

254 256 258 260 261 262

bijlage i de visigotische koningen

264

bijlage ii de merovingische dynastie

265

bibliografie eindnoten personenregister

266 271 354

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 9 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 9

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


9 15:58

TER INLEIDING

We willen beginnen met een geruststelling aan het adres van de lezer. Dit werk is bedoeld als een vervolg van de publicaties Van Petrus tot Constantijn en Bevrijd en gebonden, waarin de geschiedenis van de Kerk en het christendom in respectievelijk het heidense en het christelijke Romeinse Rijk werd gepresenteerd.1 In de voetnoten wordt dan ook geregeld voor meer informatie naar deze werken verwezen. Bij de eerste uitgave van onderhavig werk, in 2010, vormde dat voor de lezer geen groot probleem, aangezien Van Petrus tot Constantijn en Bevrijd en gebonden nog gemakkelijk in de handel te verkrijgen waren of reeds waren aangeschaft. Intussen zijn deze werken zo goed als onvindbaar geworden (tenzij in de bibliotheken) en daar hebben we bij deze heruitgave rekening mee gehouden. De verwijzingen naar Van Petrus tot Constantijn en Bevrijd en gebonden zijn gebleven, maar ofwel bij de voetnoten zelf of in de lopende tekst hebben we voldoende toelichtingen ingevoegd opdat de lezer het nu volgende verhaal goed zou kunnen volgen zonder voornoemde boeken te hoeven raadplegen. Het tijdvak dat we gaan verkennen, loopt van het begin van de 5de tot het einde van de 7de eeuw. Deze afgrenzing werd niet hapsnap gekozen. Het is de periode waarin de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen zich voltrokken heeft en ‘in de loop waarvan het duistere ontstaan van het nieuwe Europa zich voltooid heeft’.2 Bij vele historici heeft zij nochtans op weinig sympathie kunnen rekenen: ‘In titels van studies over die tijd komt men meer dan eens trefwoorden tegen als Decline, Dark Ages en Les Barbares.’3 Aan de basis van deze benadering in mineur ligt de ongenuanceerde vereenzelviging van de ondergang van het West-Romeinse Rijk in 476 met de ondergang van de cultuur zonder meer. Echter, geen enkele gebeurtenis, hoe ingrijpend ook, heeft de macht om een radicale breuklijn in de geschiedenis aan te brengen. Anderzijds klopt de opvatting dat de geschiedenis naadloos van de ene periode in de andere overvloeit, evenmin met de werkelijkheid: ‘De geschiedenis is geen glad verhaal, al wekt iedere geschiedschrijving de schijn dat alles keurig verloopt van A, via B, naar C. Zo’n orde, die achteraf is geschapen, heeft in werkelijkheid nooit bestaan. Wie zich midden in historische ontwikkelingen bevindt, moet altijd weer zoekend zijn weg vinden. Allemaal zijn we, ieder op zijn tijd, hoofdpersonen in onze eigen geschiedenis, met alle verwarring die daarbij hoort.’4

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 11 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 11

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


12

De Germanen en het christendom

Als het over verwarring gaat, biedt de periode die we gaan verkennen, een overvloed aan materiaal. Bij de beschrijving van de kerkgeschiedenis in Van Petrus tot Constantijn en Bevrijd en gebonden konden we alles netjes binnen het politieke en culturele kader van het ene Romeinse Rijk plaatsen. Vanaf de 5de eeuw is het met deze gemakkelijke manier van doen afgelopen. We komen terecht in een wereld van volksverhuizingen en permanent wijzigende grenzen, die pas na veel chaos en geweld een redelijk stabiel karakter zal kennen. In wat volgt proberen we de lezer door de onthutsende veelheid van gebeurtenissen met een zo betrouwbaar mogelijk kompas te loodsen. Met deze bedoeling hebben we het eerste hoofdstuk uitsluitend aan de politieke geschiedenis gewijd. Zodoende wordt het terrein in kaart gebracht waarop de kerkhistorische verkenningen zullen gebeuren.5 Om dit mogelijk te maken en dit boek tegelijkertijd voor een ontmoedigend volume te behoeden, hebben we enkele beperkingen ingebouwd. Vooreerst betrekken we het Oost-Romeinse Rijk, dat nog tot 1453 standhield, slechts bij de uiteenzetting ter verheldering van ontwikkelingen in het Westen.6 Vervolgens belichten we alleen die Germaanse rijken welke de ruimte van het West-Romeinse Rijk hebben ingenomen. Daarmee is gezegd dat we de situatie in Noord-Afrika wel tegen het licht zullen houden, maar die in het Overrijnse Germanië en de Slavische gebieden niet.7 Onder de kerkelijke figuren geven we ook ditmaal aan de kerkvaders de bijzondere plaats die hun toekomt. We laten paus Johannes Paulus II hun verdiensten omschrijven: ‘Terecht noemt men “kerkvaders” die heiligen, die door de sterkte van hun geloof, de verhevenheid en de vruchtbaarheid van hun leer, aan de Kerk een nieuwe kracht hebben gegeven en veel hebben bijgedragen tot haar groei. Zij zijn in waarheid “Vaders van de Kerk”, want van hen heeft de Kerk “door het Evangelie” het leven ontvangen’.8 Deze theologen en leraars hebben de christelijke leer uitgelegd en verdedigd en kostbare vingerwijzingen voor het spirituele leven gegeven. Omdat de meesten tevens bisschop waren, hebben zij ook met kennis van zaken over het kerkelijke leven en de eisen van de pastorale dienst geschreven. We zullen kennismaken met de laatste kerkvaders van het Westen, die zich als echte brugfiguren erop toegelegd hebben de schatten van het antieke (kerkelijke en profane) denken aan een nieuwe tijd door te geven. Indien we de bandbreedte van de kerkgeschiedenis zouden versmallen tot de prestaties van de kerkvaders, dan zou een immens veld van kerkelijk leven buiten het licht van de lamp blijven. Daarom hebben we ons laten leiden door de inspiratie van de ‘integrale geschiedenis’ of mentaliteitsgeschiedenis. Het is een vorm van geschiedschrijving die in de tweede helft van de vorige eeuw opgang heeft gemaakt en niet alleen beroemde figuren, maar eveneens ‘de gewone man’ in het onderzoek betrekt.9 De Nederlandse kerkhistoricus Jan van Laarhoven († 1995) heeft de onderliggende gedachte ervan treffend verwoord:

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 12 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 12

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

ter inleiding

13

‘Het is een bijna onverbiddelijk historisch gegeven: alleen wie schrijft, blijft, en alleen wie toen spraken, zijn nu nog verstaanbaar. Maar daardoor horen we onder die vele, vele gesprekspartners geen gewone stemmen meer. En juist de zgn. gewone man/vrouw kan onze nieuwsgierigheid prikkelen, niet alleen omdat het eenvoudige besje (…) een grotere gelovige kan zijn dan de geleerden en theologische specialisten, maar misschien ook wel omdat we ons er uiteindelijk meer mee verwant zouden kunnen voelen dan met die grote denkers of zieneressen’.10 Vooral in het laatste hoofdstuk zullen we het bruisende leven van de concrete Kerk met haar concrete gelovigen het volle gewicht geven. Ten slotte nog dit: wie zich met de oude Germaanse wereld inlaat, wordt in de historische bronnen met verschillende schrijfwijzen van de eigennamen geconfronteerd. Zo verschijnt Clovis ook als Chlodovik, Chlodovicus en Chlodowech. Zijn zuster is nu eens Lantechildis en dan weer Lenteildis. We hebben gekozen voor de schrijfwijze die ons de meest gebruikelijke leek, maar kunnen geen volledige consistentie garanderen.11

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 13 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 13

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


9 15:58

hoofdstuk i

DE ONDERGANG VAN HET KEIZERLIJKE ROME

Vanaf de 5de eeuw gaat het niet meer op zomaar te spreken over het Romeinse Rijk, want volgens de wil van keizer Theodosius (‘de Grote’) was het na zijn dood in 395 verdeeld tussen zijn twee zonen, Arcadius en Honorius.1 De eerste kreeg het oostelijke deel, de andere het westelijke. Al hield men vooralsnog de fictie van het ene keizerrijk in stand, de twee gebiedsdelen gingen steeds meer hun eigen weg. Daarbij vertrok het ‘West-Romeinse Rijk’ met serieuze handicaps tegenover zijn oostelijke buur. Militair gezien had het de meest bedreigde grenzen: vooral de verdediging van de provincies aan de Rijn- en Donaugrenzen vormde al langer een ernstig probleem. Op economisch gebied beschikte het Oosten over machtige handelscentra zoals Constantinopel, Antiochië en Alexandrië, die met het onmetelijke Aziatische achterland verbonden waren, terwijl het Westen geprangd zat tussen Germaans gebied, de Atlantische Oceaan en de Sahara. Ten slotte was het Westen in een cultuur waar alles rond de stad draaide, beduidend minder geürbaniseerd. Maar deze minder gunstige startpositie hoefde niet automatisch op de ondergang van het West-Romeinse Rijk uit te lopen. Al ruim twee eeuwen waren andere factoren in die richting werkzaam.

1. Een reus op lemen voeten De eerste helft van de 2de eeuw kan terecht als de bloeitijd van het Romeinse Rijk bestempeld worden. De ‘pax Romana’, de ‘Romeinse vrede’, zorgde voor binnenlandse orde en economische voorspoed.2 Tegelijkertijd bleef het aan de grenzen relatief rustig: de tijd van de grote veroveringen was voorbij en het barbaarse gevaar tekende zich nog niet af. Niets stond de verwachting in de weg dat Rome en het rijk dat zijn naam droeg, voor eeuwig in de geschiedenis gebeiteld zaten. Maar toen tegen het jaar 400 de term Romania in de woordenschat zijn entree deed, ontbeerde hij elke connotatie van rustige zelfverzekerdheid. Hij

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 15 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 15

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


16

De Germanen en het christendom

bevestigde nog wel de politieke en culturele eenheid van alle volkeren van het rijk, maar tevens lijnde hij deze eenheid scherp tegenover de alom dreigende ‘barbaarse wereld’ af.3 Zoveel was duidelijk: het Romeinse Rijk, dat ooit zo offensief was opgetreden, was nu in het defensief gedrongen. De gestadige verzwakking van het wereldrijk vanaf pakweg 200 werd in de hand gewerkt door een samenspel van politieke, militaire, economische en demografische factoren, die we beknopt weergeven. Om te beginnen waren er de toenemende Germaanse strooptochten, die tot diep in het rijk een vernielend spoor trokken, alvorens de invallers weer over de grens gedreven konden worden – we gaan daar later dieper op in. In de geteisterde streken konden het stedelijke leven, de handel en de landbouw zich nooit volledig herstellen, met een amechtige economie tot gevolg.4 Verder staat de periode van 235 tot 284 bekend als die van de ‘Soldatenkeizers’. Keizers en tegenkeizers regeerden kortstondig en brachten zodoende het politieke gezag in diskrediet.5 Door dit alles vrat een verlammend crisisgevoel de samenleving aan, wat een noodlottige invloed had op het geboortecijfer, dat al tijdens de bloeitijd van het rijk een probleem vormde.6 In de 4de eeuw slaagden betere keizersfiguren als Diocletianus, Constantijn en Theodosius de Grote erin de neerwaartse spiraal te stoppen, maar ze konden niet meer steunen op een elan om de ontwikkeling ten goede te keren. Daartoe schortte er iets bij het volk. In het patriottisme van de gewone man was immers al lang de klad gekomen. Daar had de politiek zelf voor gezorgd. De despotische staatsvorm die Diocletianus had ingevoerd en als het Dominaat bekendstaat, was de westerse geest totaal vreemd en vervulde de burgers zowel met apathie als met afkeer voor de politiestaat die ze op hun dak kregen.7 De burgerzin van de volksmens werd nog door meer op de proef gesteld. In de 4de eeuw had de sociaaleconomische toestand een niveau bereikt om bij te huilen en in de 5de eeuw werd het nog erger. De staat, die door de bestuurlijke hervormingen van Diocletianus een menigte ambtenaren moest onderhouden, terwijl het leger alleen nog geld kostte en geen buit meer mee naar huis bracht, had altijd geld te kort en bedolf de bevolking onder steeds zwaardere belastingen. De priester Salvianus van Marseille († ca. 480), een ongenadige criticus van zijn tijd, striemde niet alleen de inhaligheid van de fiscus, maar ook het onrechtvaardige belastingsysteem: ‘Wat bij dit alles het meest ergert en bedroeft, is dat de lasten niet door iedereen worden gedragen. Integendeel, de belastingen die door de rijken worden opgelegd, drukken op de arme drommels: de zwaksten moeten de lasten van de sterksten dragen.’8 Bij vele stedelijke middenstanders en ambachtslieden, evenals bij de kleine boeren, kwam het water tot aan de lippen en ze zochten hun heil in de grote landbouwbedrijven, waar de grootgrondbezitters hen nagenoeg als slaven behandelden.9 Maar anderen kozen voor het gewelddadige verzet. Het werden de gevreesde Bagaudae, ben-

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 16 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 16

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

i de ondergang van het keizerlijke rome

17

den rondzwervende havelozen, die vooral in Gallië en Spanje de domeinen van de landheren leegplunderden en verwoestten.10 Salvianus had begrip voor hun acties: ‘Wij noemen hen opstandelingen en schurken, wij die hen hebben gedwongen misdadigers te worden.’11 Daarmee vertolkte hij het gevoel van de gewone lieden, voor wie de Bagaudae een soort Robin Hoods waren, die het aandurfden de bloedzuigende staat en de egoïstische elite het vuur aan de schenen te leggen. De priester uit Marseille is dan ook niet verbaasd dat de liefde voor de Romania bij velen onder het nulpunt is gezakt: ‘Vroeger werd het Romeinse burgerrecht hoog gewaardeerd en er werd veel geld voor betaald; tegenwoordig wordt dit recht veracht en versmaad. (…) Door de wreedheid van het Romeinse onrecht hebben vele burgers geen zin meer om zich nog Romeins te voelen’.12 Toen de Germaanse pletrol in aantocht was, dacht het gewone volk daarom eerst aan het eigen lijfsbehoud en niet aan het redden van een regime dat alleen een minderheid van profiteurs ten goede kwam. ‘Zo bestond er weinig enthousiasme om zich erg in te spannen ter verdediging van de Romeinse staat. Als de legers verslagen waren, accepteerde de bevolking gelaten de heerschappij van de barbaren. Misschien is de diepste oorzaak van de val van het West-Romeinse rijk dat nauwelijks iemand een hand heeft willen uitsteken ter verdediging daarvan’.13 De beklemmende ‘fin de siècle’-sfeer had haar weerslag op de intermenselijke relaties. De mentaliteit van ‘ieder voor zich’ deed het sociale weefsel in rafels hangen en bracht een verruwing van de zeden met zich mee. Zo nam de Romeinse samenleving barbaarse vormen aan nog vóór de barbaren waren gekomen. Uitgeperst door de fiscus en aan zichzelf overgelaten, werd ‘een groot gedeelte van de Spanjaarden en een niet verwaarloosbaar deel van de Galliërs, feitelijk allen in de hele Romeinse wereld’, volgens Salvianus tot barbaarse gewoonten gedwongen.14 Deze ontaarding van de algemene moraliteit was een andere factor die de krachten van het rijk uitputte. Zij ondermijnde de burgerzin nog meer en deed het geboortecijfer nog sterker naar beneden duikelen. Steden ontvolkten,15 landbouwgronden bleven onbewerkt, werkhuizen kampten met een tekort aan arbeidskrachten en het leger werd met torenhoge rekruteringsproblemen geconfronteerd. Toen Honorius, nog geen achttien jaar oud, in 395 de teugels van de macht in het Westen in handen nam, erfde hij een rijk dat nog imposant oogde, maar feitelijk een reus op lemen voeten was geworden. De Germaanse buren hadden dit wel in de gaten gekregen en zij hadden het als een historische kans voor de uitbreiding van hun macht kunnen beschouwen. Maar waren zij werkelijk op de vernietiging van het Romeinse Rijk uit, zoals soms werd beweerd? Een kennismaking met de Germaanse wereld zet ons op weg naar het antwoord.

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 17 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 17

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


18

De Germanen en het christendom

2. De Germaanse wereld en Rome leren elkaar kennen De termen ‘barbaar’ en ‘Germaan’ zijn geen volstrekte synoniemen. Voor de oude Grieken en Romeinen waren alle volkeren die buiten hun politieke en culturele invloedssfeer waren gebleven, barbaren.16 Ze konden niet anders dan ongecultiveerd zijn en een onverstaanbaar taaltje wauwelen.17 Voor ons verhaal betreft het de Germanen, de veelheid van stammen die zich vanuit hun kerngebied in Scandinavië en het Balticum naar de ruimte tussen de Noordzee, de Rijn, de Donau en de Weichsel verspreid hadden.18

De Germaan van Tacitus Bij het begin van onze tijdrekening waren de Romeinen er zich goed van bewust dat de Germanen hun naaste buren in Noord-Europa waren en zij probeerden inzicht te verwerven in die volkeren van de geheimzinnige, mistige en bosrijke wereld aan de overzijde van de grens. Tot vandaag blijft de Germania van de historicus Tacitus († ca. 120) een kostbare bron van informatie.19 Tacitus beschreef de afzonderlijke stammen, maar ons interesseert het algemene beeld dat hij van de Germaan heeft opgehangen en we geven er enkele markante trekken van weer.20 Alle Germanen vallen op door hun kolossale gestalte, hun trotse blauwe ogen en goudblond haar. Tegen dorst en hitte zijn ze weinig bestand, maar koude en honger komen ze gemakkelijk te boven. Hun strijdlust is verbazingwekkend, zodat ze voortdurend met andere stammen in de clinch liggen. Ze vinden het zelfs een schande als iemand liever iets verwerft door ervoor te werken dan het met de wapens te veroveren. Want aan werken hebben ze een broertje dood: als zij niet oorlogen, vinden zij hun behagen in luieren, eten, zich laveloos drinken en dobbelen. De Germanen kennen ook een gelede samenleving, met heren en knechten, maar er is geen sprake van autocratie. De gekozen koning moet zijn rang en gezag voortdurend door zijn gedrag legitimeren. Verder beslissen allen over de belangrijkste aangelegenheden van de stam in de volksvergadering of ding. Al laten de mannen het werk op de akkers en het huishoudelijke gezwoeg aan de vrouwen over, deze laatsten worden geenszins als minderwaardige wezens beschouwd. Hun raadgevingen worden haast voor profetisch gehouden en zowel in oorlogs- als in vredestijd staan zij de mannen terzijde. Bovenal worden zij tegen de mannelijke grilligheid beschermd door de strikte eisen van de monogamie en de huwelijkstrouw.21 Zij spelen ook een grote rol bij het beoefenen van de gastvrijheid, die de Germanen hoog in het vaandel houden. Ten slotte is dat volk wel ruw en vechtlustig, maar ook vrij van achterbaksheid, want ieder zegt zijn mening open en bloot. Dit alles bij elkaar genuanceerde beeld heeft het beeld van de Germanen voor eeuwen geijkt. Maar dit is onterecht. Tacitus geeft de werkelijkheid van

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 18 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 18

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

i de ondergang van het keizerlijke rome

19

zijn tijd weer, de tweede helft van de 1ste eeuw. De Germanen die enkele eeuwen later het Romeinse Rijk bedwongen, hadden inmiddels de invloed van hun buren ondergaan.

De zegeningen van de handel Nadat de Germanen onder leiding van de legendarische Arminius in 9 n.C. de drie legioenen van generaal Varus in het Teutoburgerwoud in de pan hadden gehakt, hielden de Romeinen de verovering van Germaans gebied voor bekeken.22 Met het stopzetten van de vijandelijkheden kwamen in een mum van tijd handelsbetrekkingen tussen de vroegere tegenstrevers tot stand en de Romeinse kampementen langs de limes, de versterkte grens tussen het keizerrijk en Germanië, werden drukbezochte markten. In hun onderlinge stammenoorlogen maakten de Germanen krijgsgevangenen, die ze zonder scrupules als slaven aan de Romeinen verkochten. De in Rome uitzonderlijk begeerde barnsteen of ‘gele amber’ uit de streken bij de Oostzee vond via Germanenland zijn weg naar het keizerrijk.23 Verder leverden de Germanen bewerkte huiden, paarden en ander vee, siervoorwerpen zoals juwelen, spelden, riemgespen en wapenversieringen, en blond haar voor de vrouwenpruiken, die bij de Romeinse schonen zeer gegeerd waren.24 We geven een voorbeeld dat de sfeer van vreedzame co-existentie goed illustreert. Rond 30 n.C. verkocht een zekere Stelus, een ‘vrije’ Germaan uit de buurt van het huidige Franeker in Nederland, voor 115 sestertiën een rund aan de Romeinse koopman Gargilius Secundus, die het beest doorverkocht aan het Romeinse garnizoen aan de overzijde van de Rijn.25 Deze ogenschijnlijk banale transactie leert ons verschillende zaken. Allereerst blijkt de ‘vrije Germaan’ er geen moeite mee te hebben dat de vroegere vijand goed gevoed wordt op voorwaarde dat het geld in het laatje brengt. Vervolgens valt op dat hij in baar geld betaald wordt en dat was toen niet zo vanzelfsprekend. Tacitus merkt op ‘dat onze naaste buren aan de grenzen’ niet langer slechts aan ruilhandel doen, maar eveneens ‘onze muntsoorten kennen en gebruiken.’26 De Romeinse invloed in Germanië reikte verder dan de introductie van het geldgebruik. Ook producten van Romeinse makelij reisden noord- en oostwaarts. Terwijl de Germanen van de grensstreken wijn leerden kennen27 en de huishoudelijke voorwerpen van de Romeinse fabriekjes in de grensstreek apprecieerden, werden luxeproducten uit het keizerrijk, zoals rijk versierde wapens, juwelen en andere kostbaarheden, begeerd door de elite van het Germaanse binnenland.28 De intensieve handelsbetrekkingen tussen Germanen en Romeinen hadden een niet te onderschatten impact op hun relaties. Zoals vaak gingen zij met culturele uitwisselingen gepaard en de ontegensprekelijk hogere cultuur van de Romeinen heeft de ‘wilde’ Germaan uit Tacitus’ tijd allengs meer manieren en zin voor orde en welstand bijgebracht.29 Dat paste in de strategie van Rome om de Germanen stapsgewijs te romaniseren en hen alzo als bedreiging voor het

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 19 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 19

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


20

De Germanen en het christendom

rijk te neutraliseren. Maar na 150 werd deze strategie door een niet te voorzien verschijnsel doorkruist.

Strooptochten en vreedzame infiltraties Om verscheidene redenen begonnen in de tweede helft van de 2de eeuw schokgolven door de Germaanse wereld te gaan, die de sociale structuur en de stammenverhoudingen ernstig destabiliseerden.30 Tegelijk was als onbedoeld gevolg van de Romeinse handelspolitiek bij de Germanen een grote appetijt naar de weelde van het keizerrijk ontstaan. Met de zogenoemde ‘oorlogen tegen de Marcomannen’, die in 166 aan de Donau losbraken en gedurende vijftien jaar de Romeinse verdediging op de proef stelden,31 begon het tijdvak van de Germaanse raids, die de gouden tijd van de ‘pax Romana’ deden overvloeien in de neerslachtige 3de eeuw. Nochtans waren de Germanen toen nog niet op de verovering van Romeins grondgebied, maar op het verwerven van rijke buit belust. Waarom zouden ze de kip met de gouden eieren slachten, als het voldoende was op tijd en stond haar eieren te roven? Maar door hun acties begon de kip wel alsmaar zwakker te worden. Ofschoon ze er telkenmale in slaagden de Germanen weer over de grens te jagen, beseften de Romeinen dat de verdediging van hun rijk meer dan ooit versterkt moest worden. Daarbij vormde de slagkracht van het leger een zwak punt: we herinneren aan de rekruteringsproblemen waarmee het af te rekenen had. Om die te verhelpen begonnen de keizers van de 3de eeuw het leger open te stellen voor Germaanse eenheden, die hun eigen aanvoerders behielden. De formule had succes. Onder Constantius II († 361) waren de strijdkrachten al sterk gegermaniseerd en hadden Germanen zich zelfs tot de hoogste militaire rangen opgewerkt. Tot het einde toe heeft het rijk op hun loyaliteit kunnen rekenen: de trouw aan Rome had altijd voorrang op de trouw aan hun stam van oorsprong. Maar een penning die in 388 geslagen werd ter gelegenheid van de verjaardag van keizer Theodosius I geeft al de verhoudingen weer die het stervende keizerrijk zouden typeren: de eenzaam op zijn troon zetelende Romein wordt omringd door een lijfwacht van (vooral) jonge Germanen.32 De afbeelding staat symbool voor de manier waarop de Germanen het Romeinse Rijk van binnenuit aan het overnemen waren. Maar aan de liquidatie ervan met behulp van hun ‘vrije’ volksgenoten dachten ze in de verste verte niet. Op dezelfde manier als het militaire probleem werd dat van de grensprovincies opgelost. Opgeschrikt door de Germaanse stooptochten hadden vele bewoners ervan de benen genomen, zodat die er ontvolkt bij lagen. Nu kregen Germaanse krijgsgevangenen de toelating om er zich te vestigen op voorwaarde dat ze het land bewerkten en hielpen verdedigen.33 Ze bleken een goede aanwinst te zijn, zoals naar voren komt in dit lofdicht op Constantius Chlorus († 306), de vader van Constantijn: ‘De Chamaaf34 werkt voor ons allen. Hij die

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 20 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 20

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

i de ondergang van het keizerlijke rome

21

ons zo lang door zijn plunderingen geruïneerd heeft, verrijkt ons nu door zijn inspanningen. Hij werd een boer die zich in het zweet werkt en onze markten bezoekt om er zijn vee te verkopen. Dankzij de barbaren worden grote braakliggende landbouwstreken rond Amiens, Beauvais, Troyes en Langres weer bebouwd.’35 Later werd hetzelfde verwacht van de foederati, Germaanse stammen die zich met behoud van hun eigen leiders, wetten en gewoonten in randgebieden van het rijk hadden mogen vestigen.36 Zodoende bleven deze gebieden juridisch Romeins, maar de facto kregen ze een Germaans karakter. Waarom zetten vrije Germanen de stap om alles bij elkaar toch onder keizerlijk gezag te gaan leven? We vinden het antwoord bij de Romeinse geschiedschrijver Ammianus Marcellinus († 400). Hij was op de hoogte van de volksverhuizingen binnen Germanië, ‘die een ongewoon hevige commotie veroorzaakten’ en hele stammen ertoe aanzetten om met have en goed hun woonplaatsen te verlaten.37 Daarbij werden sommigen zo opgejaagd dat ze uit radeloosheid bescherming in het keizerrijk zochten. Onder hen bevonden zich de Visigoten en welke zwaarwegende rol die groep vluchtelingen in de Europese geschiedenis zou spelen, kon toen niemand vermoeden.

3. De Gotische lont in het kruitvat Het begin van de gebeurtenissen die tot de ontmanteling van het West-Romeinse Rijk hebben geleid, kan men ‘het Gotische voorspel’ noemen.38 In het midden van de 3de eeuw bewoonden de Goten een gebied aan weerszijden van de Dnjepr, een rivier in het huidige Oekraïne, en ze waren in twee groepen uiteengevallen: de Oost-Goten aan de oostelijke oever en de Visigoten aan de westelijke.39 Zij hadden de pech om als eerste Germaans volk in aanvaring te komen met de Hunnen, die vanaf circa 360 vanuit West-Siberië in westelijke richting oprukten en alleen al door hun naam afgrijzen en terreur opwekten. In 375-376 richtten zij ware slachtingen onder de Goten aan, waarna vooral de overlevende Visigoten een toevlucht in het keizerrijk zochten.40 Met het oog op wat volgt is het belangrijk te noteren dat zij zich als goede kandidaat-foederati aandienden, zoals een rasechte Romein als Ammianus Marcellinus zelf erkent: ‘Zij zonden vertegenwoordigers naar keizer Valens en verzochten onderdanig [in het rijk] te worden opgenomen, met de belofte zich vreedzaam te gedragen en hulptroepen beschikbaar te stellen als de omstandigheden dat eisten.’41 Met toelating van Valens staken zij in 376 de Donau over en vestigden zij zich in de provincie Thracië.42 Tot zover was alles goed, maar dan werd weer eens duidelijk dat kleine oorzaken grote gevolgen kunnen hebben. De opvang van de ongeveer 40.000 Visigoten draaide zo in de soep, dat een kettingreactie op gang kwam die het wes-

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 21 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 21

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


22

De Germanen en het christendom

telijke rijk fataal werd. Uit winstbejag buitte een kleine groep ‘criminelen met militaire rang’43 de nieuwe foederati ongenadig uit. Daarover vertelt Ammianus naar waarheid: ‘Toen de barbaren na hun oversteek in hongersnood geraakten [omdat hun een veel te klein gebied was toegewezen], bedachten deze schurken van generaals een schandelijke handel. Ze lieten namelijk overal honden vangen en ruilden die stuk voor stuk voor een slaaf [een Visigoot]. Zo werden toen zelfs zonen van aanzienlijke families weggesleept’.44 Dit wangedrag brak Rome zuur op. De Visigoten overwonnen hun ontreddering en in 378 bij Adrianopel hakten ze het Romeinse leger in mootjes, waarbij Valens op het slagveld achterbleef.45 Zijn opvolger, Theodosius I, herstelde het federale statuut van de Visigoten, maar hun vertrouwen in de Romeinse gastvrijheid was geschonden. Uiteindelijk besloten ze het Oosten te laten voor wat het was en onder de leiding van hun bekwame koning Alarik gingen ze hun heil zoeken in Italië, dat nog altijd als het land van belofte gold.46 Laten we ons echter niet vergissen: ook toen verlangden de Visigoten ernaar zich als goede foederati in het rijk te vestigen. Maar dan moesten de keizerlijke autoriteiten beter willen meewerken. Daarom paste Alarik een uitgekiende strategie toe: precies door zich als een bedreiging voor het oude hartland van het rijk op te stellen, hoopte hij dat rijk tot de integratie van zijn volk te bewegen. De volgende episode was cruciaal voor de toekomst van het West-Romeinse Rijk. In 401 staken Alariks Visigoten de Italiaanse grens over. Voor Honorius, de angsthaas op de troon, was dit al voldoende om Rome te ontvluchten en zich te verschuilen in de vesting van Ravenna, die door de omliggende moerassen haast onneembaar was. Van daaruit liet hij zijn opperbevelhebber, de Vandaal Stilicho, de verdediging organiseren. Deze verdienstelijke militair was de perfecte illustratie van de boven vermelde toewijding van de Germanen in Romeinse dienst. Hij slaagde er meermaals in de opmars van Alarik te stoppen, maar erkende ook diens verlangen naar het federale statuut. In 408 leken onderhandelingen in die richting kans van slagen te hebben: tegen een voldoende hoeveelheid goud – die het rijk nog gemakkelijk kon ophoesten – verklaarde Alarik zich bereid Italië te verlaten en zich met zijn volk in de Donauprovincies Noricum en Pannonië te vestigen.47 Het was Honorius die de zaak verknalde. Bezeten door een primair antigermanisme en opgejut door jaloerse hovelingen beschuldigde hij Stilicho ervan onder één hoedje met Alarik te spelen en liet hij de enige man die Italië en Rome had kunnen redden, uit de weg ruimen. Na nog enkele ervaringen met de trouweloosheid van Honorius vond Alarik het welletjes en in 410 marcheerden zijn Visigoten Rome binnen. De koning had bevolen de stad en haar inwoners te sparen, maar zijn krijgers, die zoveel geduld hadden moeten opbrengen, waren te opgewonden om het bevel correct na te leven. De stad werd het toneel van plunderingen, moorden en vernielingen. Nochtans oordeelde een belangrijke tijdgetuige, de kerkvader Augustinus, dat

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 22 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 22

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

i de ondergang van het keizerlijke rome

23

de Visigoten in Rome volgens het geldende oorlogsrecht hadden gehandeld.48 De ‘barbaarse bezoedeling van het eeuwige Rome’ veroorzaakte bij de tijdgenoten een mentale schokgolf zonder weerga. Maar voor de toekomst van het rijk betekende de psychologische impact van de val van Rome maar weinig in vergelijking met de politiek-militaire repercussies van Alariks Italiaanse campagne.

4. De doodstrijd van het rijk Welk een uitmuntend strateeg Stilicho ook was, hij moest zich behelpen met de manschappen die hij had en die waren er niet in overvloed: twee derde van de troepen was gestationeerd aan de Rijn en de Beneden-Donau.49 Toen Italië en Rome in de vuurlijn van Alarik kwamen te liggen, had de generaal geen andere keus dan hele legioenen uit Brittannië en de Rijnstreek terug te trekken om de Italiaanse Laars te beschermen. De gevolgen waren desastreus: ze kwamen neer op de stapsgewijze ontmanteling van het West-Romeinse Rijk. We geven een overzicht, zonder in bijzonderheden te treden. Vanaf 407 trokken de Romeinen zelf hun legioenen uit Brittannië terug en in 410 liet Honorius de Britten weten dat ze nu vrij waren, maar dan ook zelf voor hun verdediging moesten instaan. Met hun herwonnen onafhankelijkheid waren die aanvankelijk niet zo gelukkig. Al decennia leed hun eiland onder de invallen van de Picten uit de noordelijke Highlands, de Ieren en Saksische piraten van het vasteland. Ze deden heroïsche pogingen om de indringers terug te drijven, maar tegen de overmacht van de Angelsaksen, die in het midden van de 5de eeuw de oostkust overspoelden, hadden ze geen verhaal meer.50 Korte tijd later was het huidige Engeland Germaans gebied geworden. Maar met de amputatie van zulk een perifere provincie was voor het West-Romeinse Rijk nog geen dodelijke wond geslagen.

De ‘Grote Invasie’ en haar gevolgen De echte desintegratie van het rijk begon met de Grote Invasie van 406. Nadat Stilicho ter beveiliging van Italië ook garnizoenen aan de Rijn had teruggeroepen, kreeg de grensverdediging er het karakter van een gatenkaas. Door het lot van geschiedenis waren uitgerekend op dat moment hele groepen Sueven, Vandalen en Alanen onder druk van de verder oprukkende Hunnen aan de overzijde van de rivier samengedromd.51 Op 31 december 406 staken zij die met vrouw en kinderen, have en goed, bij Mainz over en doorbraken moeiteloos de onderbemande Romeinse verdedigingslijn.52 Zonder veel weerwerk te ontmoeten trokken zij drie jaar lang dwars door Gallië, tot ze aan de voet van de Pyreneeën belandden. Intussen hadden zij het doorkruiste gebied dermate

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 23 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 23

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


24

De Germanen en het christendom

leeggeroofd, dat ze zelf ontbering begonnen te lijden. Daarom zochten ze in 409 hun heil in het Iberische Schiereiland, waar ze elk hun eigen weg gingen. De Vandalen trokken zuidwaarts en bezetten Andalusië53; de Alanen vestigden zich in het zuiden van het huidige Portugal; de Sueven eigenden zich het noorden van het schiereiland toe. Zodoende kregen grote delen van Gallië en Iberië de Germaanse indringers op hun dak. En nog was de ellende niet voorbij, want toen verschenen de Visigoten weer op het toneel. Reeds na drie dagen hadden zij Rome verlaten en het kan ons verbazen dat zij die keizerlijke prooi zo snel los lieten, maar de intelligente Alarik wist goed wat hij deed. Hij had zijn zinnen gezet op Noord-Afrika, de graanschuur van het West-Romeinse Rijk. Voor het verkrijgen van het federale statuut was dreigen met een hongerblokkade immers veel efficiënter dan de bezetting van een stad die door vijandig gebied was omringd. Maar op weg daarheen, nog in 410, werd Alarik door moeraskoorts geveld. De Visigoten zagen van hun Noord-Afrikaanse plannen af en onder hun nieuwe koning Athaülf († 415) belandden zij uiteindelijk in Aquitanië. Daar vestigden zij rond 414 een rijk dat Toulouse als hoofdstad had en zich tot het noorden van het huidige Catalonië uitstrekte. Niet lang daarna werd hun droom eindelijk gerealiseerd: Honorius, die overigens nog weinig keuze had, kende hun het federale statuut toe.54 In ruil zouden de Visigoten zich als bondgenoten van de keizer gedragen en inderdaad, in diens opdracht brachten zij in 416 de Sueven, Vandalen en Alanen in Spanje zulke mokerslagen toe, dat ook deze stammen ermee instemden zich als foederati te gedragen. Zo waren Aquitanië en Spanje wel in barbaarse handen, maar officieel behoorden ze nog tot het keizerrijk. Het gezag van Rome werd echter zulk een lachertje, dat de Germanen gewoon hun eigen weg gingen. Nadat ze Zuid-Spanje vakkundig hadden geterroriseerd en leeggeplunderd, zochten de Vandalen in 429 een nieuwe prooi in Noord-Afrika. Aangevoerd door hun koning Geiserik († 477), die zowel brutaliteit als militair inzicht en diplomatiek talent in zich verenigde, veroverden zij kuststreek na kuststreek, tot de inneming van Carthago in 439 het begin betekende van het Vandaalse Rijk in voormalig Romeins gebied. Daarmee was de voedselbevoorrading van de Italiaanse Laars aan de goodwill van de Vandalen overgeleverd en dit gaf de reeds precaire situatie van het rijk een nieuwe knauw. Intussen ging in Europa de versnijding van het imperium voort. In 443 kregen de Bourgondiërs, die uit de streek van Worms waren komen aanzetten, van het hof in Ravenna de toelating om zich te vestigen in de Savoie, maar een tiental jaren later voerden ze reeds de plak over de streek van de Alpen tot de Rhône-oevers, die tot vandaag hun naam draagt. Aan beide kanten van de Pyreneeën had de Visigotische krijgsmachine inmiddels haar werk gedaan. In Gallië was ze steeds noordelijker van Toulouse opgerukt en in Spanje had ze de

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 24 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 24

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

i de ondergang van het keizerlijke rome

25

ruimte ingepalmd die de Vandalen hadden verlaten, terwijl ze de Sueven naar de noordwestelijke uithoek van het schiereiland had verdreven. Onder koning Eurik († 480) strekte het Visigotenrijk zich uit van Nantes tot Cadiz en van de Atlantische Oceaan tot de Riviera. De vorst hoefde zelfs niet meer voor te wenden dat zijn expansiepolitiek in dienst van Rome gebeurde, want tijdens zijn regering, in 476, verdween het West-Romeinse Rijk van het toneel.

Het einde Toen keizer Honorius, een verwoede pluimveekweker, in 410 vernam dat ‘Rome gevallen was’, weeklaagde hij luid, omdat hij meende dat zijn lievelingskip Roma het loodje had gelegd. Toen hij doorhad dat het ‘slechts’ om de stad Rome ging, haalde hij opgelucht adem. Waar of niet, deze anekdote van de geschiedschrijver Procopius van Caesarea († na 562) weerspiegelt wel de gemoedstoestand die in Ravenna heerste bij de dood van Honorius in 423: de toestand is ernstig, maar niet hopeloos.55 Dankzij het federale statuut waren de rumoerigste barbaren, zoals de Visigoten en de Vandalen, in het rijk geïntegreerd. Ze zouden snel romaniseren en het dan mee verdedigen en versterken.56 Met het verlies van het verre Brittannië kon men leven en de Noord-Afrikaanse aanvoerlijnen waren nog intact. Bovenal waren de sporen van de Visigotische doortocht in Rome na zeven jaar volledig uitgewist: Rutilius Namatianus, de stadsprefect die de wederopbouw had geleid, kon de stad weer bezingen als ‘de schitterende koningin van een wereld die aan je wetten onderworpen is.’57 Het West-Romeinse Rijk had dus enkele uppercuts geïncasseerd, maar er was geen reden om de handdoek in de ring te werpen. Het normaliseren van de toestand werd zowel aan barbaarse als aan Romeinse zijde getorpedeerd. De foederati kwamen maar niet tot rust en verstoorden keer op keer de nieuwe Romeins-Germaanse orde die moeizaam vorm kreeg. Ze braken voortdurend uit het hun toegewezen gebied en geraakten evenzeer slaags met elkaar als met de Romeinen. Zo hielden ze steeds minder de fictie overeind dat zij aan het keizerlijke gezag onderworpen waren. Dat gezag zelf werd alsmaar meer een schim van zichzelf. Honorius’ opvolger, Valentinianus III, incasseerde de Vandaalse verovering van Noord-Afrika en de eerste vestiging van de Franken en de Alemannen in Noord- en Oost-Gallië. Hij werd ook ongewild de laatste West-Romeinse keizer die op een behoorlijk lange regeerperiode kon terugblikken. Want nadat hij in 455 vermoord werd, verschenen en verdwenen de keizers als kometen aan de hemel. Er was wel één figuur die alles regisseerde: de machtige opperbevelhebber Ricimer. Omdat hij wegens zijn Suevisch-Visigotische afkomst het keizerschap kon vergeten – nog steeds kon men zich geen barbaar in het keizerlijke purper voorstellen – koos hij ervoor de macht via stromannen uit te oefenen. Zonder zich om veel anders te bekommeren, maakte en kraakte hij de keizers, met moord als afdoend wapen. Het

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 25 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 25

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


26

De Germanen en het christendom

zegt veel dat zijn laatste creatuur, Olybrius, alleen blijvende bekendheid heeft verworven in de Franse taal, waar zijn naam ‘rare kwast’ betekent. Met Ricimers (vredige) overlijden in 472 ging het rijk, dat verschrompeld was tot een rompstaat met Italië, de oostelijke Provence en delen van Dalmatië, de terminale fase in. In 476 vond de Germaanse commandant van het paleisgarnizoen, Odoaker, dat de poppenkast lang genoeg geduurd had en hij zette de tienerkeizer Romulus Augustulus af.58 Daarmee werd onder het West-Romeinse Rijk een streep gezet. Odoaker zond de keizerlijke waardigheidstekens naar de Oost-Romeinse keizer Zeno, die hem in ruil het regentschap over Italië verleende.59 Voor de rest ging de West-Romeinse staat in de grootste onverschilligheid ten onder: nergens werd naar een nieuwe keizer gevraagd. De mensen hadden andere zorgen.

5. Ontreddering en nieuwe hoop Voor de mensen die de neergang van het West-Romeinse Rijk meemaakten, was het leven bikkelhard. Aangaande de 5de eeuw wemelt het van verslagen over slachtpartijen, verwoestingen en andere rampen, zoals moordende pestepidemieën. ‘Aanschouw hoe plotseling de dood door de hele wereld waart, hoe de volkeren getroffen worden door het krijgsgeweld. Niets is ontsnapt aan de greep van de barbaren (…). In de steden en op de [landbouw]domeinen, op het platteland en op de kruispunten, in alle kantons en langs alle wegen heersen dood en smart; overal is er vernietiging, vuur en rouw. Heel Gallië is verworden tot één rokende vuurhaard’, klaagde de christelijke dichter Orientius in de eerste helft van de 5de eeuw.60 Zoals de meeste klachten is ook deze niet vrij van overdrijving en veralgemening. De ellende kon onmogelijk ‘overal’ zijn, want daarvoor hadden de invallers te weinig mankracht. Men moet zich immers geen geregelde legers voorstellen die systematisch elke duim grondgebied veroveren, maar grote benden die vechtend en plunderend langs de oude heerwegen en stromen van stad tot stad trokken.61 Er zijn dus zeker streken van het Germaanse geweld gespaard gebleven. Maar de vluchtelingenstromen die de steden overspoelden, de bestuurlijke anarchie met de welig tierende misdaad in haar kielzog, de verstoring van de handel, de vernietiging van hele oogsten en de daaruit voortvloeiende hongersnoden, troffen veel meer mensen dan degenen die rechtstreeks met het Germaanse geweld werden geconfronteerd. Wie toen verklaarde dat er ooit licht aan het einde van de tunnel zou gloren, moest wel een geboren optimist zijn.

Het verlangen naar orde De nieuwe Germaanse heersers zonnen nochtans niet op een samenleving waar chaos, anarchie en barbarij de plak voerden. Ook toen het West-Romeinse Rijk

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 26 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 26

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

i de ondergang van het keizerlijke rome

27

al beduidend in de touwen hing, bleef hun fascinatie voor de Romeinse beschaving en instellingen groot. Als ze zich eenmaal ergens hadden geĂŻnstalleerd en hun vernielzucht uitgewerkt was, waren ze er dan ook niet op uit om alle sporen van het Romeinse genie uit te wissen. Omdat ze geen benul hadden van het beheren van een staat, deden ze een beroep op de plaatselijke aristocratie om de bestuurlijke instellingen weer op de rails te zetten. Ze inspireerden zich aan de principes van het Romeinse recht om een wetgeving op te stellen die aan de nieuwe situatie van hun eigen volk en van hun autochtone onderdanen aangepast was.62 Verder wilden de Germaanse groten van hun barbaarse imago af. Romeinse gewoonten die het levenscomfort verhoogden, namen zij graag over en het Latijn van de overwonnenen maakten zij zich zo goed mogelijk eigen.63 Zij putten ook uit de klassieke wijsheid die de adellijke families uit de keizertijd nog in hun bagage hadden. En ten slotte streefden zij naar huwelijksbanden met de hoogste kringen van de Romeinse wereld.64 Daarom mogen de mokerslagen die de Germanen het West-Romeinse Rijk toebrachten, ons niet doen vergeten dat zij ‘veelal goed hebben beseft dat het oude Rome aan de wereld daarbuiten veel te bieden had en dat zij daarom dit machtige rijk alsnog op enigerlei wijze wilden laten voortbestaan om eveneens in de beschaving ervan te kunnen delen. Voorzover hun vorsten en leiders zich tevens realiseerden dat dit rijk en deze beschaving bezig waren te verdwijnen, richtte hun politiek zich op een herstel daarvan, op een renovatio imperii [een vernieuwing van het keizerrijk], zij het met onderling verschillende visies daaromtrent.’65 Daarbij moeten we ons wel hoeden voor een misverstand: hoezeer de Germaanse nieuwkomers de Romeinse beschaving hoogachtten, ze waren er niet toe bereid hun identiteit op te geven en zich volledig te laten romaniseren. In de volgende hoofdstukken zullen we zien tot welke spanningen dit heeft geleid. Waar in loop van de 6de eeuw weer voldoende orde en rust heersten, kon van de herstelpolitiek werk worden gemaakt.66 Zoals steeds was het opveren van de economie daarbij een voorname indicator. In de steden, die niet langer belegering en brandschatting hoefden te vrezen, togen de middenstanders en de ambachtslieden weer met vertrouwen aan het werk. Zo tonen archeologische vondsten aan dat de edelsmeedkunst, de glasnijverheid en de modeateliers tijdens de eerste helft van de 6de eeuw in Keulen weer goed functioneerden.67 Op het platteland waren vele landbouwdomeinen in Germaanse handen gevallen, maar die werden niet zelden door de vroegere eigenaars beheerd en door lokale pachters bewerkt. Bovendien riskeerden hun oogsten niet meer door voorbijtrekkende krijgsbenden vernietigd te worden. Handelaars trokken weer van markt naar markt, al werd hun actieradius beperkt door het wegvallen van de grote economische ruimte van het keizerrijk en de verwaarlozing van de oude heerwegen. De economische heropleving was niet spectaculair, maar alles bij elkaar had de bevolking het rond 550 niet zoveel slechter dan tijdens de laatste

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 27 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 27

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


28

De Germanen en het christendom

decennia van het Romeinse bestuur. Tot ongenoegen van het volk dat dacht er definitief van verlost te zijn, voerden de Germaanse koningen na een tijd wel opnieuw de belastingen in, maar er zijn aanwijzingen dat die rechtvaardiger geheven werden dan ten tijde van de Romeinen. Over de belastingambtenaren die de Frankische koning Childebert I († 558) naar Poitiers stuurde, weet de geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594) in ieder geval te vermelden: ‘Ze namen de lasten van de schouders van de armen en de zwakken en legden degenen die op grond van hun positie juist belastingplichtig waren een aanslag op.’68 Al deze elementen wekten een positief gevoel op dat leidde tot een gestage toenadering tussen de overwinnaars en de overwonnenen, eerst op het niveau van de leidende klassen en vervolgens in de bredere lagen van het volk.

Het verval van de cultuur Vóór er enige orde uit de chaos tevoorschijn kwam, was er veel onheil gebeurd. Door de oorlogshandelingen en hun vaste handlangers als de hongersnood en de pest, ging Europa de weg op naar zijn demografische dieptepunt van het begin van de 7de eeuw.69 De verwoesting van bouwwerken, landbouwdomeinen, aquaducten en heerwegen had een diepe weerslag op de levenskwaliteit, met de dramatische neergang van de moraliteit als begeleidend verschijnsel. Daarbij kwam nog het verval van de cultuur, met als drijfriem de ineenstorting van het Romeinse onderwijssysteem. Tot zijn verdriet moest de priester-filosoof van Vienne, Claudianus Mamertus († ca. 474), vaststellen ‘dat men de grammatica met de wapens van het barbarisme en het soloecisme als iets barbaars terugdringt,70 dat men de dialectica vreest als een amazone die men met het zwaard te lijf moet gaan, dat men de retorica verjaagt als een grote dame die zich in een défilé gewaagd zou hebben. Men misprijst de musica, de geometrica en de mathematica als waren zij drie furiën…’71 Met deze plastische beeldspraak klaagt Mamertus de dodelijke verwonding van het hart van de klassieke opvoeding aan. Bedoeld zijn de ‘vrije kunsten’ of ‘artes liberales’, die in de oudheid de onbetwiste sokkel van elke intellectuele vorming vormden. Ze behelsden twee complementaire groepen van kennis. Tot het trivium (driedelige pakket) behoorde de grammatica, die meer omvatte dan onze spraakkunst en het accent legde op de sierlijkheid van de taal, vervolgens de retorica, die bekwaamde in de techniek om te overtuigen, en ten derde de dialectica, die leerde hoe men een betoog goed kon opbouwen. In het quadrivium (vierdelige pakket) boden de muziekwetenschap (musica), de meetkunde (geometrica) , de rekenkunde (arithmetica) en de sterrenkunde (astronomia) – dit laatste ontbrekend in het citaat van Mamertus – de noodzakelijke gegevens voor de positief-wetenschappelijke omgang met de werkelijkheid.72 Omdat de kerkvaders uit de gouden tijd deze vrije kunsten ondanks hun heidense origine waren blijven waarderen, kan men de teneur van Mamertus’ klacht begrijpen.

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 28 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 28

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


9 15:58

i de ondergang van het keizerlijke rome

29

Naarmate de 5de eeuw vorderde, werden de enkelingen die als geleerde koppen door het leven gingen, dan ook witte raven in een culturele woestenij. Omdat het in de stormachtige tijden dringender was het geestelijke erfgoed te redden en te bewaren dan nieuwe denksporen te verkennen, werd hun geleerdheid afgemeten aan de kennis die ze hadden vergaard en niet aan de creatieve verwerking ervan. Dit gebrek aan oorspronkelijk denken maakte van hun pennenvruchten geen sprankelende literatuur: ‘Nooit is er wellicht een tijd geweest, waarin men de bonae litterae [schone letteren] met zo grote ijver beoefende en tegelijk er zo weinig van terechtbracht. De literatoren (…) teerden op een eeuwenoude traditie, die bij hen dreigde te verstarren tot iets onwezenlijks. Gekunsteld schrijven stond in hun ogen gelijk met meesterschap in de kunst.’73 Zo werd Ennodius van Pavia († 521) door zijn tijdgenoten om zijn retorische kwaliteiten geroemd, hoewel hij metaforen, epitheta en andere stijlfiguren opeenstapelde om feitelijk weinig te zeggen.74 De contaminaties vanuit de volkstaal die zijn Latijn ontsieren, zijn ook symptomatisch voor de toestand van die taal: ‘Ik zie eveneens dat de Romeinen hun [Latijnse] taal niet alleen verwaarlozen, maar dat zij ze ook misprijzen en niet meer durven te gebruiken’, klaagde Claudianus Mamertus.75 Dat laatste is onjuist, want wie schreef wilde tot elke prijs aan het klassieke Latijn trouw blijven. Maar door de gebrekkige scholing geraakte men steeds meer in de knoei met spraakkundige finesses, zoals de naamvallen bij de voorzetsels. Daarom vraagt Gregorius van Tours om het begrip van zijn lezers ‘wanneer ik min of meer zondig tegen de regels van de spraakkunst, omdat ik die nu eenmaal niet goed ken.’76 Hij hoefde zich nochtans niet erg te schamen, want ook toen was eenoog koning in het land der blinden. Maar laten we duidelijk zijn: deze literaire mankementen doen niets af aan de verdiensten van allen die zich op het geestesleven toelegden in een tijd waarin dit niet vanzelfsprekend was. Zij werden bewogen door de zorg om de schatten van de klassieke auteurs en de kerkvaders aan de volgende generaties door te geven. Aan het einde van dit boek zullen we hun daarvoor de waardering toekennen die ze verdienen. Nu laten we een hoofdrolspeler van het tijdvak de scène betreden, die hen tot dat conserverende werk heeft gestuwd en die we onvermeld hebben gelaten om het complexe verhaal niet nog ingewikkelder te maken.

omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 29 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 29

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58


omniBWdegermanenenhetchristendom0219-HR.indd 30 omniBWdegermanenenhetchristendom0219-2.indd 30

23-04-19 13:31 19-04-19 15:58

omniB


Pierre Trouillez ‘Trouillez weet indrukwekkend veel (…) Ook heeft hij een prettig oog voor de anekdotische kanten van zijn verder toch zo serieuze onderwerp.’ — Trouw

Tijdens de volksverhuizingen van de 5de tot 7de eeuw, de tijd van de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen, trekken diverse Germaanse stammen door Europa en vestigen zich in het zuiden van het continent en het noorden van Afrika. Tijdens deze migraties ontmoeten de Germaanse wereld en het christendom elkaar voor het eerst. Aan de hand van historische figuren, zoals de kerkvaders Wulfila, Leo de Grote, Theodorik, Boëthius en Gregorius van Tours, schetst Pierre Trouillez de politieke en historische gevolgen van de vroegste kerstening. Hoe verliep die bij de Germaanse volkeren? In welke streken kreeg de kerk snel voet aan de grond en waar ging dit moeizaam? Trouillez geeft op pakkende maar academisch verantwoorde wijze antwoord op deze vragen over een belangrijke kantelperiode in de geschiedenis van Europa.

www.omniboek.nl ISBN 9789401914734 NUR 684

EEN BEWOGEN ONTMOETING IN DE 5DE – 7DE EEUW

Pierre Trouillez (1946) is emeritus-hoogleraar Kerkgeschiedenis en Godsdienstwetenschappen in Antwerpen, Hasselt, Leuven en Brussel. Hij schreef eerder het succesvolle boek De Franken en het christendom.

De Germanen en het christendom

De vroege historie van christelijk Europa

De

Germanen

christendom en het

Een bewogen ontmoeting in de 5de – 7de eeuw PIERRE TROUILLEZ


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De Germanen en het christendom- Pierre Trouillez. ISBN 9789401914734 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu