Skip to main content

Heidense heiligdommen - Judith Schuyf. ISBN 9789401914338

Page 1

Judith Schuyf studeerde geschiedenis, culturele prehistorie en middeleeuwse archeologie in Leiden en Amsterdam. Ze was verbonden als docent aan de Universiteit Utrecht en schreef tientallen boeken en publicaties op het terrein van archeologie, historische geografie, de Tweede Wereldoorlog en emancipatie.

www.omniboek.nl NUR 680 ISBN 978 94 019 1433 8

HEIDENSE HEILIGDOMMEN

Voor de komst van het christendom kende Nederland talloze heilige bomen, bronnen, stenen en heuvels. Ze stonden bij cultusplekken, graven en plaatsen waar recht werd gesproken. De meeste van deze heidense heiligdommen zijn verdwenen, vooral in de vroege middeleeuwen, toen Nederland gekerstend werd, en tijdens de reformatie, toen calvinisten alle vormen van bijgeloof afdeden als paapse stoutigheden. Desondanks zijn hier en daar in het landschap, in kerken, en zelfs op straat, nog overblijfselen te vinden die getuigen van een heidens verleden. In dit boek geeft Judith Schuyf een overzicht van deze bijzondere, maar vaak onopvallende objecten en plaatst zij ze in hun historische en religieuze context. Op basis van nieuw onderzoek uit de afgelopen decennia wordt duidelijk hoe de inwoners van onze streken vanaf de late ijzertijd tot in het begin van de nieuwe tijd de wereld bezagen. Het landschap en de natuur speelden een belangrijke rol in hun religieuze beleving, net als offers, magie en de voorouders. Dit wordt geïllustreerd door prachtige foto’s van Sjaan van der Jagt. In de beschrijvingen staat aangegeven hoe u de heiligdommen kunt bezoeken.

JUDITH SCHUYF

Stille getuigen van een heidens verleden in Nederland

JUDITH SCHUYF

HEIDENSE

HEILIGDOMMEN Zichtbare sporen van een verloren verleden Met foto’s van Sjaan van der Jagt

9 789401 914338 >

omniBOheidenseheiligdommen0419.indd 1

15-04-19 16:48


HEIDENSE HEILIGDOMMEN

BWheidense(cor-228mm).indd 1

16-04-19 16:50


BWheidense(cor-228mm).indd 2

16-04-19 16:50


Judith Schuyf

HEIDENSE HEILIGDOMMEN Zichtbare sporen van een verloren verleden Met foto’s van Sjaan van der Jagt

Uitgeverij Omniboek

BWheidense(cor-228mm).indd 3

16-04-19 16:50


Uitgeverij Omniboek Postbus 13288, 3507 LG Utrecht www.omniboek.nl Copyright © 2019, Uitgeverij Omniboek Omslagontwerp Garage bno Vormgeving binnenwerk Studio Mol Foto’s Sjaan van der Jagt ISBN 9789401914338 NUR 680 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written permission of the publisher. Uitgeverij Omniboek vindt het belangrijk om op verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van dit boek is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Ook is het papier 100% chloor- en zwavelvrij gebleekt.

BWheidense(cor-228mm).indd 4

16-04-19 16:50


INHOUD

Proloog 7 Inleiding 9 1 Het landschap als betekenisdrager 21 2 Religie in de late ijzertijd en Romeinse tijd in de Lage Landen 29 3 Godenschemering 74 4 Heidenen en het christendom 102 5 Het nieuwe geloof 157 6 Leven en dood 177 7 Demonisering en Paapsche Stoutigheden 244 8 De staat in het landschap 263 9 Invented traditions 285 Epiloog 300 Dank 307 Noten 310 Herkomst afbeeldingen 315 Literatuur 317

BWheidense(cor-228mm).indd 5

16-04-19 16:50


BWheidense(cor-228mm).indd 6

16-04-19 16:50


PROLOOG

De Woodhenge in Heiloo

In juni 2005 werd een paalcirkel ontdekt tijdens een onderzoek dat het Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC), in opdracht van de gemeente, had verricht op de locatie Maalwater in Heiloo, waar woningen werden gepland op de strandwalvlakte aan de westkant van de strandwal Limmen-Heiloo-Alkmaar. Tijdens het veldwerk werden sporen van een krans gevonden van twintig palen, elk met een diameter van 20 à 25 cm. De doorsnede van de krans was 5 meter. Van het hout van de palen was niets bewaard gebleven. De opgravers duidden de functie van de paalkrans, die in een nat kwelderlandschap was aangelegd, als vermoedelijk religieus, aangezien men vanaf de paalstructuur uitzicht had op zee. Uit de C14 datering bleek dat de cirkel dateerde uit de tijd rond 800 v.Chr., dus op de overgang van de late bronstijd naar de vroege ijzertijd. In de omgeving werd eerder een kring van (deels ongebruikte) sikkels (halvemaanvormige snijwerktuigen) uit dezelfde tijd gevonden. Men nam aan dat deze sikkels een rituele functie hadden. In maart 2008 kwam het bericht dat er een ‘Woodhenge in Heiloo onnodig was vernietigd’ (Noordhollands Dagblad, 19 maart 2008). Deze Woodhenge werd omschreven als een ‘rituele palencirkel’ uit de ijzertijd. De naamgeving verwees naar een type houten monument dat tot dan toe vooral in Engeland was aangetroffen en verwant is aan de populaire steencirkel van Stonehenge. Stonehenge en vergelijkbare monumenten zouden ook gebruikt zijn om astronomische voorspellingen te doen. Lokaal historicus Chris Streefkerk maakte zich tevergeefs sterk voor behoud van de cirkel. De ‘Woodhenge’ werd later gedeeltelijk gereconstrueerd zodat het publiek er een indruk van kon krijgen. Het is echter niet duidelijk wat hier precies gereconstrueerd werd: had hier inderdaad een prehistorisch heiligdom gelegen, en zo ja, vinden de bezoekers van tegenwoordig een meerwaarde in het zien van een moderne re-

BWheidense(cor-228mm).indd 7

16-04-19 16:50


8 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

Afb. 1 Heiloo Maalwater. Reconstructie van de (rituele) paalcirkel. Situatie op 31 december 2013.

constructie; of was de duiding van de paalcirkel als een ritueel monument eerder een vrome wens van de opgravers, meegesleept door de toenemende aandacht voor en bezoekersaantallen van bekende rituele monumenten als Stonehenge en Avebury? Ook de ontdekking van een Woodhenge aan de kust van Noord-Norfolk in Engeland in 1998, meteen ‘Seahenge’ gedoopt, leidde daar tot veel publiciteit. Al eerder, in 1990 waren bij een opgraving in Ittersumerlanden in Zwolle palen aangetroffen die pas later bij het uitwerken van de plattegronden geduid werden als de overblijfselen van primitieve zonnekalenders uit de bronstijd. De duiding lokte naast enthousiaste reacties ook nogal wat kritische opmerkingen uit.1 Ook in het buitenland zijn er steeds meer volledig gereconstrueerde oudheden te zien. In het oosten van Duitsland werden in de afgelopen jaren een zonneobservatorium en een ringheiligdom uit hout gereconstrueerd op hun oorspronkelijke standplaats in respectievelijk Gosieck en Pömmelte. Hier probeerde men het toerisme te bevorderen dat aangelokt werd door de vondst van de ‘Himmelscheibe von Nebra’ in de omgeving. De behoefte aan een visuele en tastbare vormgeving van het gedachtegoed uit het verleden groeit klaarblijkelijk.

BWheidense(cor-228mm).indd 8

16-04-19 16:50


INLEIDING

Bijna vijfentwintig jaar geleden verscheen de eerste druk van Heidens Nederland. In die tijd was religie geen populair thema in de archeologie, maar in de tussenliggende decennia is er veel veranderd. Als gevolg van het Verdrag van Malta is voor bodemverstoring onderzoek naar de archeologische waarden van een terrein verplicht. Dit kan uit een globale inventarisatie bestaan, maar ook tot veldwerk leiden. Er zijn een groot aantal onderzoeksverslagen verschenen die via internet toegankelijk zijn. De archeologie is uiteindelijk niet immuun gebleken voor de hang naar meer maatschappelijke diepgang en inhoud. In het kader van het project Oogst voor Malta verschenen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (verder RCE genoemd) in de afgelopen jaren al enkele overkoepelende onderzoekspublicaties waarin gepoogd werd een samenvatting van het (vaak nog niet gepubliceerde) onderzoek uit afgelopen decennia te geven. Voor een breder publiek deden Louwe Kooymans en Van Ginkel en Verhart al eerder hetzelfde. Onlangs verscheen een geschiedenis van Drenthe vanuit een archeologisch perspectief (Van der Sanden 2018). Stichting Archeologie en Publiek stelt zich ten doel een brug te slaan tussen het wetenschappelijk archeologisch onderzoek en de samenleving. In 2017 verscheen het eerste Jaarboek van de Nederlandse Archeologie, waarin twintig belangwekkende opgravingen uit dat jaar worden behandeld (Bazelmans 2018). Alerte archeologen van nu zijn meer gespitst op mogelijke resten van rituelen, die in eerdere onderzoeken over het hoofd werden gezien. Archeologen kunnen langzamerhand iets meer zeggen over rituele praktijken, al is er naar de mening van sommigen nog weinig aandacht voor religie zelf (Kok 2008, 19).

BWheidense(cor-228mm).indd 9

16-04-19 16:50


10 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

De publikaties binnen het programma Oogst van Malta sluiten nauw aan op de vragen die zijn opgeworpen in de twee Nationale Onderzoeksagenda’s NOAA. Daarbij is veel aandacht voor sociaal-economische en landschappelijke factoren. Daarnaast is er nadrukkelijk aandacht voor religieuze sites, al moesten de auteurs erkennen dat over veel plaatsen tot op heden vrijwel niets bekend is.1 Heidense heiligdommen behandelt deze nieuwe kennis waarbij het landschap en zijn bewoners wederom centraal staan. De focus ligt op Nederland. De fenomenen die beschreven worden beperken zich uiteraard niet tot Nederland, zodat er waar relevant af en toe een uitstapje naar een buurland wordt gemaakt. In de periode die voorbijgegaan is sinds Heidens Nederland is er in ieder geval één ding ingrijpend veranderd. Internet heeft zo’n grote vlucht genomen met zijn zoekmachines, Google Earth, databanken en openaccesspublikaties dat zeer veel meer materiaal online beschikbaar en doorzoekbaar is. Dat heeft het werk in ieder geval makkelijker gemaakt. Tegelijkertijd moest ik uitkijken voor wat ik gemakshalve de ‘Grimm-val’ noem. Soms zag ik een verwijzing naar een interessante plek, zocht op internet verder en werd vervolgens verwezen als bron naar een citaat uit… Heidens Nederland. Hetzelfde overkwam de gebroeders Grimm, die bij het optekenen van hun oude sprookjes regelmatig werden geconfronteerd met oude dames die, gevraagd waar zij haar verhaal vandaan hadden, antwoordden dat ze in de krant gelezen hadden… in een verslag van een van de Grimms’ eigen boeken of lezingen.

Een christelijk landschap? Nederland heet een christelijk land te zijn. Ons landschap is een christelijk landschap: op het platteland steken de kerktorens ver boven de bebouwing uit als letterlijke punten van oriëntatie; de dorpen zijn rondom de kerk gegroepeerd. Namen in het landschap verwijzen naar het christelijk geloof: de plaatsen Sint-Willebrord, Sint Anna ter Muiden, Sint Anthonis, Sint-Oedenrode en Sint Michielsgestel zijn direct genoemd naar de heilige die er vereerd werd, terwijl Grijpskerke, Koudekerke en Aagtekerke wel willen weten dat hun kerk de voornaamste reden van hun bestaan is. Daartussen kunnen we elementen herkennen die verwijzen naar een verder, prechristelijk verleden. Heidense heiligdommen gaat over deze elementen die refereren aan eerdere perioden en opvattingen. Ze kunnen ons meer vertellen over de relatie tussen godsdienst en maatschappij in het (nog niet eens zo ver verwijderde) verleden. Die worden behandeld aan de hand van de volgende hoofdvragen:

BWheidense(cor-228mm).indd 10

16-04-19 16:50


Inleiding 11

•  Wat weten we over religieuze beleving in de Lage Landen voor de christianisering? •  Wat gebeurde er met de prechristelijke elementen tijdens en in de eeuwen na de kerstening? •  In hoeverre kunnen we iets zeggen over het proces van bewuste en onbewuste herhaling en hertaling van het prechristelijke? •  Welke zichtbare fenomenen herinneren daar vandaag de dag nog aan? Het eerste deel (hoofdstukken 1-3) van dit boek poogt enkele antwoorden te geven op de eerste twee vragen. De invalshoek is voornamelijk chronologisch. Besproken worden enkele kenmerken van wat bekend is over religie in de eeuwen voorafgaand aan de kerstening, die in de Lage Landen – na een niet echt doorgezet begin in Zuid-Nederland in de vierde eeuw – vanaf de zevende eeuw plaatsvindt. In archeologisch/historische tijdvakken betreft het de late ijzertijd, de Romeinse tijd en de post-Romeinse/vroegmiddeleeuwse tijd tot de zevende eeuw. De periode tussen 630 (het tijdstip waarop koning Dagobert het oudste kerkje ten noorden van de grote rivieren dat in het voormalige Romeinse castellum te Trajectum (Utrecht) had gestaan aan het bisdom Keulen schonk) en de tiende à elfde eeuw kunnen we beschouwen als een periode waarin heidendom en christendom nog grotendeels naast elkaar bestonden. Het wordt tegenwoordig wel door de meeste auteurs geaccepteerd dat de kerstening, in ieder geval in onze streken, langzaam en soms moeizaam verliep. Dat wordt anders wanneer de Kerk haar greep op het platteland en haar bewoners versterkt. Vanaf de elfde tot de dertiende eeuw wordt het systeem van parochies opgezet en uitgebouwd. Nu valt iedereen in principe onder een lokaal christelijk gebedshuis. Zij die dat niet doen, worden beschouwd als bewoners van de ongecultiveerde streken buiten het dorpsgebied, de heide. Volgens het etymologisch woordenboek zijn het heidenen, woeste bewoners van woeste grond. Heiden wordt in deze betekenis in het Middelnederlands vanaf de dertiende eeuw gebruikt. Het is vergelijkbaar met het Latijnse woord paganus, dat al in de vierde eeuw dezelfde betekenis krijgt. De laatste twee vragen worden in het tweede deel van dit boek beantwoord. Ik pak de geschiedenis op in de zestiende eeuw. De oudste vermeldingen van veel zichtbare fenomenen en gebruiken komen uit deze periode. Waarom dat zo is, en welke relatie er met de grote veranderingen in deze periode (Reformatie, Contrareformatie, en later de Verlichting) is, komt aan de orde.

BWheidense(cor-228mm).indd 11

16-04-19 16:50


12 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

Afb. 2 Pietro Rotari (1717-1762) Heidens offerritueel, In de zeventiende en achttiende eeuw krijgen schilders grote belangstelling voor het antieke verleden, dat zij vanuit hun fantasie gaan verbeelden.

De nadruk in dit boek ligt op het landschap, op de materiële cultuur en op de overgeleverde volkscultuur. Van veel ‘heidense’ gebruiken is immers niet duidelijk hoe oud ze zijn en waarvoor ze gediend hebben. Hoewel datering van landschappelijke en materiële elementen ook niet altijd makkelijk is, zien we in de geschiedenis van Noord-Europa steeds opnieuw dezelfde landschappelijke plekken opduiken waar mensen religieuze betekenis aan hechtten: bomen, stenen, hoogtes en laagtes in het landschap – heuvels, natte plekken als moerassen, rivieren en natuurlijke waterbronnen. In deze ‘landscapes of memory’ (ik dank deze term aan de Leidse hoogleraar archeologie David Fontijn) speelt zich een fascinerend proces van betekenisverandering af. De elementen die in het tweede gedeelte van dit boek besproken worden, vormen onderdeel van deze landscapes of memory. In de laatste decennia heeft de toenemende aandacht voor spiritualiteit zelfs geleid tot de creatie van nieuwe plekken, die echter als oude heidense plekken gepresenteerd werden. Hier is geen sprake meer van traditie, maar van wat ‘invented tradition’ wordt genoemd.

Survival of vernieuwing? In recensies van Heidens Nederland werd mij regelmatig verweten – met name door auteurs van christelijke huize – dat ik er kennelijk van uit zou gaan dat een aantal bewoners van de Lage Landen onverminderd en onveranderd ‘heidens’ zouden zijn gebleven, wat dat dan ook zijn moge. Dat is echter niet wat ik beweer. Wat ik daar wel geprobeerd heb aan te tonen, is dat bepaalde elementen uit de prechristelijke periode in de een of an-

BWheidense(cor-228mm).indd 12

16-04-19 16:50


Inleiding 13

dere vorm teruggevonden kunnen worden. Ik behandel deze kwestie nader in hoofdstuk 1. Heidense heiligdommen is een studie over verandering, over acculturatie, over de langzame verandering van één betekenissysteem in een ander. Het is geen studie die probeert schimmige ‘survivals’ aan te tonen. Maatschappelijke opvattingen veranderen met de loop der tijd, maar dat gaat zelden van de ene dag op de andere; er is meestal sprake van een lang proces, waarin verschillende lagen over en naast elkaar kunnen blijven bestaan. De religieuze geschiedenis van de Lage Landen illustreert deze gelaagdheid. De dominante cultuur is op een zeker moment (we zullen nog nader beschouwen wanneer) christelijk geworden, maar zeker in de middeleeuwen was christendom nog een ‘variabel begrip, dat naar tijd, streek en milieu een verschillende inhoud kon hebben’, zoals Herman Pleij opmerkte in een recensie over het boek van Mostert en Demyttenaere over de betovering van het middeleeuwse christendom (de Volkskrant 11 november 1995). Ook in de middeleeuwen waren er vele varianten van wat het christendom inhield. Godsdienst, geloof, opvattingen, raken de mensen nauw. De dominante ideologie heeft altijd de neiging zich af te zetten tegen datgene wat anders is. Anders is verdacht en dat wordt verwoord met termen die de grootste afkeer van de desbetreffende maatschappij of ideologie weergeven. In die zin is het bestuderen van de voorchristelijke elementen niet alleen een wandeling door het landschap, maar zeker ook een exercitie in de confrontaties tussen verschillende betekenissystemen door de tijd: de Romeinen ten opzichte van de Germanen en Kelten; de vroege christenen ten opzichte van de laat-Romeinse heidenen, het uitgekristalliseerde laatmiddeleeuwse katholicisme ten opzichte van het vroege christendom, de Reformatie en Contrareformatie ten opzichte van het middeleeuwse katholicisme; de verwetenschappelijking van de geschiedenis in de negentiende en twintigste eeuw die zich afzette tegen alles wat als vóórwetenschappelijk werd gezien. En tot slot de hedendaagse tendens tot spiritualiteit die kennelijk meer geloofwaardig wordt door een oorsprong in het verleden.

Enkele centrale termen Religie Allereerst moeten we omschrijven wat onder ‘religie’ verstaan kan worden: Geloof of religie is de overtuiging op irrationele gronden dat er een boven-

BWheidense(cor-228mm).indd 13

16-04-19 16:50


14 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

natuur bestaat die het menselijk handelen en zijn beïnvloedt en die mensen noodzaakt om een relatie met de bovennatuur aan te gaan (Hutton 2014, vii-viii). Lawson en McCauley definiëren godsdienst als ‘een symbolisch-cultureel systeem van rituele handelingen in samenhang met een gedeeld conceptueel schema waar cultureel bepaalde bovennatuurlijke wezens deel van uitmaken.’ Het zijn dus handelingen en gesproken woord die de bovennatuur moeten manipuleren (Kok 2008, 19, naar Lawson en McCauley 1996, 5). In beide definities is een belangrijke rol weggelegd voor ‘spirituele’ dan wel ‘bovennatuurlijke’ wezens of actoren. Het tweede element bestaat uit de geformaliseerde praktijk waarmee de mens een relatie met deze bovennatuurlijke wezens legt door middel van manipulatie of aanwijzingen aan de machten. Dat kunnen we kortweg ritueel noemen.

Bovennatuurlijke wezens De aanwezigheid en invloed van bovennatuurlijke wezens (in de wetenschappelijke literatuur ook wel ‘cultureel bepaalde bovenmenselijke actoren’ genaamd) vormt het verschil tussen godsdienst en andere domeinen van het menselijk leven. Het omvat een ruime verzameling van verschillende soorten bovennatuurlijke actoren: goden, godinnen, voorouders, geesten, maar ook de aarde zelf en haar (natuurlijke, landschappelijke en hemelse) elementen. Ritueel De antropoloog Clifford Geertz noemde ritueel ‘consecrated action’ – een geheiligde handeling (Hutton 2014, viii). Het doorslaggevende kenmerk van een ritueel is dat het een praktijk is die langs vaste formele lijnen opgevoerd wordt. Riten brengen de wereld van de bovennatuur en de wereld van alledag met elkaar in verband. De relatie tussen vorm en inhoud is bij een rite betrekkelijk arbitrair. Men kan drie soorten riten onderscheiden al naargelang de deelnemers en het doel van de rite. Intensiveringsriten hebben ten doel de relatie tussen de groep en het bovennatuurlijke te verstevigen. Begrafenisriten en de rooms-katholieke mis zijn duidelijke voorbeelden van intensiveringsriten. Er zijn ook riten die ten doel hebben de voedselproductie te begeleiden. Deze riten hebben een cyclisch karakter en worden meestal één keer per jaar voltrokken.

BWheidense(cor-228mm).indd 14

16-04-19 16:50


Inleiding 15

Een tweede soort zijn de crisisriten, die de diverse overgangen in het leven van de mens symboliseren (geboorte, volwassenheid, dood). Ze worden rite de passage of overgangsrite genoemd, en worden in principe maar eenmaal in iemands leven uitgevoerd. Eenmaal voltooid, is een nieuw ritueel nodig om ze te ontkrachten. Er zijn rituelen die regelmatig, bijvoorbeeld éénmaal per jaar, of per seizoen, plaatsvinden. Uit de loop van de hemellichamen kan worden afgelezen wanneer het tijd voor zo’n ritueel is. De plaats waar het ritueel zich afspeelt kan bepaald worden door de richting van de loop van de hemellichamen. Dit soort rituelen wordt vooral in de lokale gemeenschap voltrokken. Belangrijker rituelen worden door grotere groepen op een meer centrale plaats, eenmaal per jaar of eenmaal per zoveel jaar uitgevoerd (Kok 2008, 29-34). Een speciaal type van dit soort rituelen richt zich op het leven van gebouwen en andere objecten die voor het leven van de mens in zijn nederzetting van levensbelang waren, zoals waterputten. Bij aanvang werd regelmatig een bouwoffer gebracht. Wanneer het ‘leven’ van het object eindigde, werd een verlatingsritueel gehouden. In beide gevallen vormen deposities van voorwerpen het voor ons nu zichtbare restant van deze rituelen. Het derde type zijn de persoonlijke rituelen, die bedoeld zijn om het lot van het individu te verbeteren. Deze riten gaan vaak met een offer gepaard, in de hoop dat de persoon aan wie geofferd wordt op basis van directe wederkerigheid iets terugdoet. Wanneer de handeling heel doelgericht is, kan van magie gesproken worden.

Het offer Een offer is een vorm van uitwisseling tussen de mens en het bovennatuurlijke wezen, waardoor een relatie ontstaat (Kok 2008, 30). Het offer is een gift, en niet alles komt in aanmerking, en het is ook niet op voorhand zeker hoe het ontvangen wordt. De keuze wordt vanuit de optiek van de mensen bepaald. Ook de staat van het offer is een keuze: is het heel of gebroken, oud of nieuw? Daarnaast wordt er nog een tweede type offer onderscheiden. Men schenkt niet aan de goden, maar verbergt objecten in de natuur teneinde daar zelf in het hiernamaals plezier van te hebben (Therkorn 2009, 178). Magie Magie is direct verbonden met praktische problemen in het dagelijks leven. Onpersoonlijke krachten worden benut om een specifiek doel te bereiken – dit kan van alles zijn, zowel positief als negatief (zwarte magie, toverij). Er worden vrijwel altijd formules uitgesproken en vaak wordt

BWheidense(cor-228mm).indd 15

16-04-19 16:50


16 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

gebruikgemaakt van materiële objecten (Van Beek 1984, 238-239; Kloos 1991, 100-113). Mensen zijn zich bewust van de discrepanties tussen hun wensen en doelstellingen (meestal een gezond en welvarend leven) enerzijds en bestaande beperkingen anderzijds. Zo gaan mensen zoeken naar middelen die hen toch kunnen helpen. Hier vindt men het verschil tussen religie en magie. Magie berust op de benutting van onpersoonlijke krachten die, mits correct gemanipuleerd, automatisch het gewenste resultaat opleveren. Religie heeft meer betrekking op de relatie met persoonlijke machten die hun eigen bedoelingen hebben (Kloos 1991, 100-113). Tot slot iets over het christendom. Het christendom is een religie gebaseerd op de leer verkondigd door Jezus van Nazareth in de eerste eeuw n.Chr. Deze leer, gezien als goddelijke verkondiging, is vastgelegd in het Nieuwe Testament. Daarnaast erkennen christenen ook het Oude Testament als boek. Centraal in het christendom is het bestaan van een enkele God, die als het goede tegenover het kwade staat. Andere goddelijke wezens worden niet erkend. Het centrale mysterie in het christendom is het geloof dat Jezus is opgestaan uit de dood. Volgelingen moeten deze basisprincipes onderschrijven en worden door de doop in water deel van de gemeenschap (Hutton 2014, 274-275). Heidendom kan alleen worden gedefinieerd vanuit het christendom, aangezien het christendom vanuit zijn monotheïstische monopolie de behoefte voelde om alles wat niet christelijk was als de vijand neer te zetten. Ondanks het feit dat heidendom dus alleen extern gedefinieerd kan worden, zal deze term in dit boek noodgedwongen gebruikt worden, omdat niet bekend is of de aanhangers van de ‘oude religie’ zichzelf wel benoemden. Onze kennis over het heidendom is lang ingrijpend beïnvloed door het feit dat het christendom de behoefte had een consistent verhaal neer te zetten omdat ze niet wisten hoe ze het chaotische heidendom anders moesten bestrijden.

Het woord versus de daad: verschillen tussen heidendom en christendom Wat onderscheidde christendom nu precies van heidendom? Die vraag in detail te beantwoorden is minder simpel dan het op het eerste gezicht lijkt. Het christendom beschikte over een Boek en een leer, al was men het zeker in de eerste eeuwen over de precieze inhoud van wat er tot het boek behoorde, laat staan welke leer gevolgd moest worden, niet eens.

BWheidense(cor-228mm).indd 16

16-04-19 16:50


Inleiding 17

Verschillen in interpretatie konden lang aanleiding geven tot hevige conflicten. Het heidendom bestond niet als zodanig, alleen voor zover het in de opvattingen van de Kerk gedefinieerd werd als dat van de Ander, het niet-christendom als het ware. Bovendien waren er geen geschriften, geen inhoudelijke leer, er waren geen dogma’s. Een aantal verschillen lopen natuurlijk wel in het oog: het christendom kende één enkele god, al was men het niet eens over de natuur van deze god; was deze één, twee, of drie goddelijke personen, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? Buiten het christendom werd een veelheid aan bovennatuurlijke krachten vereerd, die vaak geen afgebakende natuur of werkterrein hadden, die overlap konden vormen en misschien juist zo lokaal waren dat ze van plek tot plek dezelfde functies konden hebben. Het Woord, de inhoud van het boek bepaalde sterk de christelijke leer (en die van joden en moslims), maar voor wie niet tot de religies van het Woord behoorden lag een leer niet vast en werd deze hoogstens doorgegeven in tradities, mythen en rituelen. ‘Heidenen’ hadden dus een andere relatie tot de metafysica en de natuur. Ze kenden geen persoonlijke geloofsbelijdenis of doop. Hun relatie tot de bovennatuur was vooral instrumenteel, waarbij wederzijdse verplichtingen golden: de mens offerde, en de bovennatuurlijke kracht leverde het gewenste terug. In beide systemen zien we wel opvattingen over de ordening van de wereld, maar de betekenis van onderwereld en hiernamaals was geheel verschillend. Beide hechten waarde aan het offer als belangrijk ritueel, al was ook hier de interpretatie radicaal verschillend. Hutton (2014, 320-1) wijst op het in mijn (en zijn) ogen belangrijkste verschil: het christendom gedroeg zich als een monopolie en stond geen ander geloof toe, terwijl daarbuiten pluriformiteit gepraktiseerd werd.

Bronnen voor deze studie Een kort woord over het gebruik van jaartallen. Het is een gegeven dat het gebruikelijk is in Nederland om jaartallen in termen van v.Chr., en n.Chr. of AD aan te duiden. Dat is een beetje onhandig in een boek dat over heidendom gaat, maar aan de andere kant is het omslachtig om steeds ‘voor/ na het begin van onze jaartelling’ te gebruiken en verwarrend om andere omschrijvingen te bezigen. In dit boek wordt dus ‘voor Christus’ respectievelijk ‘na Christus’ aangehouden. Aan de basis van de situatiebeschrijvingen ter plaatse staan de topografische beschrijvingen van Nederland die vooral in de negentiende eeuw een ongekende populariteit krijgen. Het Aardrijkskundig Woordenboek

BWheidense(cor-228mm).indd 17

16-04-19 16:50


18 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

der Nederlanden van A.J. van der Aa verscheen in dertien stevige delen tussen 1839 en 1851. Het bevatte per plaatsnaam alle wetenswaardigheden die er te melden vielen – rijp en groen door elkaar. Vaak bevatten de beschrijvingen verwijzingen naar – op dat moment meestal nog zichtbare – resten van religieuze plaatsen en verschijnselen. Alle delen van Van der Aa zijn in het verleden door mij en een aantal van de toenmalige student-assistenten doorgelezen op verwijzingen naar religieuze verschijnselen die hij noemt. Van der Aa was niet de enige. Er werd in de negentiende eeuw heel wat afgewandeld en beschreven in Nederland, vooral door dominees als Jacobus Craandijk (1874-1888, zie www.jacobuscraandijk.nl) en O.G. Heldring (Heldring 1838-1839; Heldring en Graadt Jonckers 1841; Heldring en Haasloop Werner 1845). Bekend werden de ‘drie podagristen’ (lijders aan voetjicht) A.L. Lesturgeon, D.H. van der Scheer en H. Boom, die vanaf 1842 met zijn drieën door Drenthe gewandeld zouden hebben, al blijkt inmiddels dat de feitelijke beschrijvingen vooral van Boom (en in mindere mate van Lesturgeon) afkomstig zijn en ze dus nooit zo gedrieën hebben gewandeld2 (Van der Scheer, Boom en Lesturgeon 1843-1847). De gegevens uit deze beschrijvingen zijn zo goed als mogelijk gecontroleerd en aangevuld met behulp van hedendaagse topografische beschrijvingen. De meeste objecten werden een of meerdere malen bezocht. Topografische kaarten (ook deze zijn betrouwbaar vanaf de vroege negentiende eeuw) boden uitsluitsel (zij het niet altijd) over de ligging van objecten. Op www.topotijdreis.nl zijn de kaarten zelfs online te volgen vanaf de vroege negentiende eeuw tot op het heden. Een interessante bron is verder het Handwörterbuch des Deutschen Aberglaubens (in de tekst afgekort tot HDA). Het verscheen in tien delen tussen 1927 en 1942 en werd in de moderne tijd nog zeker zesmaal onveranderd herdrukt (het laatst nog in 2011). De tekst is van de Zwitserse volkskundigen Eduard Hoffmann-Krayer en Hanns Bächtold-Stäubli. Hoewel het boek weinig directe verwijzingen naar Nederlandse objecten heeft, geeft het veel informatie over allerlei gebruiken die zij hadden aangetroffen. Zowel de RCE als het Meertens Instituut hebben veel informatie gedigitaliseerd op hun website. Bij het Meertens Instituut staat onder andere veel informatie omtrent volksverhalen, op plaats doorzoekbaar. Een aparte website behandelt bedevaarten in Nederland, en is onmisbaar voor wie meer informatie zoekt over volksdevotie in het katholieke deel van Nederland. Naast deze meer landschappelijk gerichte bronnen is er verder gebruikgemaakt van archeologische bronnen en historische bronnen. Korte bronverwijzingen zijn in dit boek in de lopende tekst opgenomen, langere staan in de eindnoten.

BWheidense(cor-228mm).indd 18

16-04-19 16:50


Inleiding 19

In oude topografische literatuur wordt regelmatig gesproken over de aanwezigheid van een heidense cultusplek op basis van onverklaarbare wallen en (volks)etymologie. Naamkundige gegevens zijn zeker van belang. Wat is/was de naam van dingen en waar verwijzen deze namen naar? Weliswaar is er slechts een handvol toponiemen dat direct verwijst naar de aanwezigheid van een heidense cultusplek, maar deze toponiemen zijn dan ook vrijwel het enige bewijs dat we voor deze aanwezigheid bezitten. In de tekst wordt verschillende malen aangestipt dat er geen authentieke ‘heidense’ schriftelijke bronnen bestaan. Er werd óver hen geschreven, niet dóór hen (zij konden namelijk niet schrijven). In de eerste eeuwen van de jaartelling zijn de geschreven bronnen in het Latijn of Grieks: Caesar, Strabo, Plinius, Tacitus. De informatie uit Romeinse en middeleeuws christelijke bron is per definitie gekleurd. In de betreffende hoofdstukken wordt daar nader op ingegaan. Dat geldt overigens ook voor op het oog neutrale bronnen als wetgeving. Het gaat al helemaal op voor kerkelijke bronnen uit de (vroege) middeleeuwen, zoals de heiligenlevens, die echter vaak de enige verhalende bron over de kerstening zijn. Een andere veel geciteerde bron wordt gevormd door de sagen en vertellingen afkomstig uit Scandinavië. Deze suggereren immers direct afkomstig te zijn uit de periode dat Scandinavië nog heidens was. Niets is echter minder waar. Ook in Scandinavië leerden ze pas lezen en schrijven door het christendom, en de IJslander Snorri Sturluson, wel de grootste van de sagenvertellers, was een christen uit de dertiende eeuw. Het is vrij zeker dat Snorri Sturluson toegang had tot en werd beïnvloed door christelijke literatuur zoals de Bijbel en de kerkvaders. De Proza-Edda – Snorri’s bekendste werk – bevat onderdelen die teruggaan tot een periode voor het christendom, maar ook delen die pas vlak voor de tijd van Snorri werden geschreven. Ook andere bekende literaire werken die gelden als relicten uit een heidense tijd – Beowulf in Engeland en de Nibelungen in Duitsland – bevatten meer uit het christendom dan je op het eerste gezicht zou denken (zie voor Beowulf Hutton 2014, 304 met noten). Uit de vroege middeleeuwen dateren verder diverse kerkelijke bronnen die vooral vertellen wat de Kerk als heidens zag en wat daardoor voor de gelovigen verboden was. Het betreft wetboeken, doopformules, boeteboeken, toverspreuken. Het lastige van het gebruik van deze bronnen is dat ze wel aangeven wat heidenen in de ogen van de katholieke Kerk niet mochten geloven, maar niet wat ze dan wel geloofden. Met andere woorden: ze tonen maar een deel van het verhaal, en het is onbekend welk deel. Als centrale

BWheidense(cor-228mm).indd 19

16-04-19 16:50


20 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

invalshoek voor de beschrijving van wat in de ogen van de Kerk de meest verwerpelijke praktijken van het heidendom in de achtste eeuw in de Lage Landen waren wordt de Indiculus superstitionem gebruikt. In deze lijst worden dertig foute praktijken genoemd. De tekst is helaas incompleet; hij bestaat alleen uit de hoofdtitels, de bijbehorende tekst is niet overgeleverd. (Zie verder hoofdstuk 3.) Nu mag men wel aannemen dat de zevende en achtste eeuwse christelijke bronnen uit dezelfde tijd als de kerstening zijn, en het maakt dus qua informatiegehalte wel uit of er sprake is van een bron uit de zevende of achtste eeuw, of eentje uit de latere middeleeuwen. De Kerk bleef immer actief op het gebied van afwijking en ketterij. Toch bleken er in de loop van de late middeleeuwen heel wat onderdelen van de heidense praxis een christelijke adaptatie te hebben ondergaan, zonder dat de beoefenaren enig idee gehad zullen hebben van de oorsprong en ouderdom van deze gebruiken. Daar kwam deels een hardhandig eind aan met de Reformatie. De gereformeerde vaderen richtten hun toorn met name op wat zij ‘Paapsche Stoutigheden’ noemden, en dat bleken – naast allerlei pesterijen en vandalisme in nu gereformeerde kerken – vooral elementen uit het katholieke volksgeloof te zijn met zeer oude wortels. In feite bleek de Reformatie pas de uiteindelijke breuk te betekenen tussen de heidense/ Romeinse tradities en het christendom (Hutton 2014, 339). Bronnen uit de zeventiende en achttiende eeuw werpen dan licht op wat in de ogen van de gereformeerden geen genade kon vinden. In de afgelopen twintig jaar zijn veel secundaire publicaties over het heidendom verschenen. Ze zijn te vinden in de literatuurlijst. Drie verdienen een aparte vermelding. Prudence Jones en Nigel Pennick: A History of Pagan Europe (1995), vooral omdat het een eerste poging tot een synthese was; het boek van Ken Dowden European Paganism (2000), vooral vanwege het uitgebreide overzicht van antieke bronnen; en ten slotte Ronald Hutton, Pagan Britain (2014), dat zoals de titel aangeeft over het Verenigd Koninkrijk gaat, maar waardevol is omdat Hutton, hoogleraar in Bristol en zelf ‘heiden’, zeer kritisch naar zijn bronnen kijkt.

BWheidense(cor-228mm).indd 20

16-04-19 16:50


1  HET LANDSCHAP ALS BETEKENISDRAGER

In dit boek staat de betekenis die de mens aan het landschap gaf en de continuïteiten en discontinuïteiten in die betekenisgeving centraal. De mens, zeker de mens van vóór de renaissance, was één met zijn natuurlijke leefomgeving, waarvan hij vrijwel volledig afhankelijk was voor voedsel en beschutting. Een modern voorbeeld van deze relatie kennen velen van u waarschijnlijk wel van de Australische Aboriginals, die zichzelf en hun geschiedenis niet anders kunnen voorstellen dan in het kader van het landschap; de voorouders zelf zijn immers de dieren en geesten die met hun lichaam het landschap zelf hebben vormgegeven. Ook de mensen in onze streken in het verleden zagen vermoedelijk zichzelf en hun leven als een intrinsiek onderdeel van de hen omringende natuur. De prechristelijke religie was geen nauwkeurig omschreven systeem met een heilig boek, uniforme verhalen, dogma’s of een vastgesteld pantheon van bovennatuurlijke actoren/goden. Dat gold evenzeer voor de Romeinen als voor de inwoners van de Lage Landen. Er was niets van dit alles. Wat ‘de heidenen’ dan wel geloofden, is onduidelijk, omdat ze zelf geen schriftelijke getuigenissen hebben nagelaten en we van materiële relicten en schriftelijke getuigenissen van andere volken, deels veel later, afhankelijk zijn om er nog iets over te kunnen zeggen. Duidelijk is dat er in Europa naast verschillen ook grote overeenkomsten zijn. In de Romeinse en vroegmiddeleeuwse geschriften is Europabreed sprake van cultusplekken die een nauwe relatie met de natuur hebben: bomen, natuurlijke of geslagen waterbronnen, stenen. De natuur/het landschap had voor de mens een bijzondere betekenis als manifestatie van het bovennatuurlijke, het mythische, het sacrale. Alle delen van het landschap hadden daarbij een eigen betekenis. Die betekenis

BWheidense(cor-228mm).indd 21

16-04-19 16:50


22 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

is niet eenduidig, maar veelgelaagd. Over de ‘longue durée’ verandert die betekenis wel, maar het gaat heel langzaam. Sterker nog, de trait-d’union in de overdracht van het religieuze gedachtegoed ligt in de (beleving van) het landschap. In het onderbewuste van de bewoners slaan zich de ‘deeper continuities’ op, zoals Hutton ze noemt. Iedere maatschappij heeft eigen ideeën over hoe de sacrale ruimte geordend is, met inbegrip van de ordening van de geografische ruimte (Eliade 1959; Roymans 1995). De mens gaf namen aan landschapsonderdelen. Daarbij werden soms vormgelijkenissen gebruikt met delen van het menselijk lichaam. In Ierland vinden we bijvoorbeeld de ‘Paps of Anu’ die inderdaad op een stel borsten lijken. Diverse gemeenschappen konden de ‘navel van de wereld’ aangeven (Delphi, Turoe in Ierland). De mens deed ingrepen in de natuur door het neerleggen van stenen en veranderen van natuurlijke vormen, of ritste patronen en tekeningen in de bodem, zoals de witte paarden en andere figuren die in de kalkheuvels van Zuid-Engeland ingesneden werden (al wordt er inmiddels getwijfeld aan de prehistorische ouderdom van de meeste kalkfiguren). Hemel en aarde werden als één systeem gezien waarvan de elementen op talloze manieren met elkaar verbonden waren. Belangrijke cultusplekken werden op de stand van de hemellichamen georiënteerd. Er werd dus geen onderscheid gemaakt tussen het sacrale en het profane deel van het landschap.

Rituele landschappen In de venen en beekdalen van Drenthe werden al vanaf de midden-steentijd objecten neergelegd, die we als offers kunnen beschouwen. Aanvankelijk zijn het vooral geweien van edelherten, vanaf circa 4840 v.Chr. komen daar ook aardewerk en runderhoorns bij. Vanaf die periode zijn de natte delen van Drenthe tot zeker in de zeventiende eeuw gebruikt voor deposities van allerlei materialen, zoals wolkluwens, haar en maalstenen (Van der Sanden 2002, 2018). In Zuid-Nederland werden gedurende de bronstijd metalen artefacten gedeponeerd in specifieke zones in het landschap, vaak natte zones zoals langs rivieren of andere vochtige zones. Zo op het oog is er sprake van een natuurlijk landschap, maar de plekken zijn niet willekeurig gekozen. Fontijn noemt het ‘sacrificial landscapes’ (Fontijn 2003). Roy van Beek beschreef deze rituele landschappen ook voor de zandgronden in Oost-Nederland (Van Beek 2009, 510 e.v.). Volgens Fontijn werd het landschap in de loop van de bronstijd in toenemende mate gezien als een landschap van de voorouders. Vooral de

BWheidense(cor-228mm).indd 22

16-04-19 16:50


1 Het landschap als betekenisdrager 23

grafvelden ontwikkelden zich tot kernplekken waar eeuwenlang activiteiten omheen georganiseerd werden. Dat hield niet op aan het einde van de bronstijd. In latere perioden bleef men rekening houden met de aanwezigheid van deze funeraire monumenten, die meestal nog goed zichtbaar waren of waarvan de locatie overgeleverd bleef, zoals onder meer te lezen valt in de bundel artikelen Beyond Barrows (Fontijn e.a. 2013). Kennis over de bijzondere betekenis van dit voorouderlijke landschap bleef wellicht eeuwenlang bestaan. Roymans reconstrueerde het langzame proces van transformatie van het mythische landschap van het Maas-Demer-Scheldegebied (zeg maar de Kempen en omgeving) aan de hand van archeologische en volkskundige gegevens. De oudste elementen in zijn reconstructie worden gevormd door de urnenvelden die van de late bronstijd tot de vroege ijzertijd werden aangelegd en lang de focus van rituele activiteit in het landschap bleven, waarin communicatie met de voorouders het belangrijkste was. Ze dienden ook om het territorium van de groep af te bakenen. Wellicht moeten we het zo zien, dat het territorium eigendom van de voorouders was, eerder dan dat van de levenden. In rivieren en moerassen werden wapens geofferd, en wellicht ook andere zaken, die thans vergaan zijn. Na de zesde eeuw v.Chr. raakt het gebied ontvolkt, maar het interessante is dat de nieuwe bewoners, die pas in de Romeinse periode zich weer settelen, zich aan de ordening van het prehistorische landschap hielden. Bijna de helft van hun begraafplaatsen ligt naast een ouder urnenveld. Ook de Gallo-Romeinse tempels bij Empel en Elst, die later in dit boek nog ter sprake komen, liggen op een oudere cultusplek. Pas met de voortgaande kerstening later in de middeleeuwen worden veel urnenvelden deel van het agrarisch landschap en verdwijnen onder esdekken. In de negentiende eeuw en later blijken deze plekken sterk geassocieerd te zijn met verschillende mythische figuren die in de volksverhalen voorkomen. Het gaat om heksen/katten, de duivel, dwergen en reuzen. Roymans vermoedt dat deze associatie met dit soort wezens een gevolg is van een toenemend proces van diabolisering, waarbij steeds meer duivelse eigenschappen worden toegekend aan niet-christelijke figuren. Dat betreft (behalve de duivel zelf natuurlijk) vooral de heksen, die vrijwel zeker een diabolisering vormen van prehistorische bovennatuurlijke vrouwelijke wezens. (Zie hierover ook Hutton 2014, 375 e.v.) De diabolisering trof vooral de plekken die als oude cultusplaatsen werden beschouwd. Daarnaast meende het volksgeloof dat grafheuvels de woonplaats waren van dwergen, die over het algemeen als vriendelijk en onschadelijk werden gezien (Thews en Roymans 1999).

BWheidense(cor-228mm).indd 23

16-04-19 16:50


24 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

Afb. 3 Grafheuvel langs de Koningsweg in de driehoek Drie, Speuld en Garderen.

De woeste gronden waar grafheuvels en cultusplekken zich bevonden stonden in schril contrast met de veilige, gecultiveerde, binnenwereld rondom het dorp. Verschillende van deze plaatsen worden besproken in hoofdstuk 7, Het kan er gruwelijk spoken. Ook in andere delen van Nederland zijn tal van volksverhalen overgeleverd waarin mensen proberen de oorsprong van opvallende landschappelijke verschijnselen zoals bergen en dalen in hun omgeving te verklaren, waarbij zij een belangrijke rol gaven aan bovennatuurlijke wezens als reuzen en kabouters (Schuyf 1999). Volksverhalen kan men vinden op de Databank Volksverhalen van het Meertens Instituut (www.verhalenbank.nl). De verhalen maken duidelijk dat men de woeste heiden zag als de woonplaats van de heidenen. Zo bleef het rituele landschap in een fossiele versie bewaard tot in de twintigste eeuw.

Heidens of christelijk: continuïteit of acculturatie? De overgang van heidendom naar christendom was een complex proces, dat in verschillende stadia door de tijd heen verliep. Mogelijk was de bekering in de eerste fasen vooral een groepsproces, waarbij de elite voorging. Het duurde lang voordat het christendom in zijn volledigheid geïnternaliseerd werd. Dat gebeurde het eerst bij ‘professionals’ als priesters en kloos-

BWheidense(cor-228mm).indd 24

16-04-19 16:50


1 Het landschap als betekenisdrager 25

terlingen, en pas zeer veel later bij het gewone volk. Dit alles wil dus niet zeggen dat men de boodschap van het christendom niet goed begrepen zou hebben (zij het wellicht niet in alle finesses) of dat mensen daadwerkelijk nog eeuwen aan de heidense goden geloofd zouden hebben. Er is eeuwenlang een schemergebied te onderkennen geweest tussen christelijk geloof – in de vorm van geloof aan de Vader, de Zoon, de Heilige Geest als aspecten van de godheid, in de wederopstanding en in het bestaan van heiligen als intermediairs bij God – en aspecten van de heidense rite en het heidense betekenissysteem. Dat kan niet simpelweg worden afgedaan met de conclusie dat het christendom al in de negende eeuw het volledige religieuze betekenissysteem naar zijn beeld had omgevormd en al evenmin dat op het platteland tot in de dertiende eeuw iedereen nog heidens was, om maar eens twee uitersten te noemen. De waarheid ligt ergens in het midden. De snelheid waarmee het christendom ingang vond, verschilde van streek tot streek in Europa. In het Romeinse en geromaniseerde Zuid-Europa ging het heel snel, al in enkele generaties. Hutton wijst erop dat het christendom in Engeland onderdeel was van een veel groter ‘mediterraan’ pakket van beschaving, waartoe hij ook literatuur, verbeterde landbouwtechnieken en technologie rekent (Hutton 2014, 330). In Engeland waren er al in de Romeinse tijd veel christenen, en de overgang naar het middeleeuwse christendom verliep daar veel langzamer en geleidelijker dan in Noordwest-Europa, waar ook veel meer geweld wederzijds gebruikt werd. In Noord-Europa duurde het proces extreem lang, enkele honderden jaren. De boodschap van de christelijke naastenliefde was voor veel heidenen geen aanlokkelijk concept. Daarbij gingen de christelijke missionarissen in weerwil van hun vredelievende boodschap vaak niet zachtzinnig te werk (Capelle 2005, 8-10). En met theologische scherpslijperijen hadden de heidenen ook niet zoveel op.

Het centrale probleem: hoe bepaal je continuïteit/discontinuïteit? Het begrip continuïteit speelt een belangrijke rol in de discussie over de overgang van heidendom naar christendom en daarom is het goed hier wat nader op in te gaan. Continuïteit is een tamelijk beladen begrip en niet alleen in de archeologie. Want waar hebben we het over? Continuïteit van inhoud, van vorm, van functie, van plaats? Bepaling van inhoud is moeilijk wanneer er weinig schriftelijke gegevens zijn, zoals in dit geval. Wanneer we alleen op een landschappelijk niveau kijken is het nog niet gemakkelijk om met absolute zekerheid vast te stellen dat een gebouw op dezelfde plek zonder onderbreking dezelfde functie is blijven uitoefenen. Meestal zal er dus sprake zijn van een deelvorm van continuïteit, bijvoor-

BWheidense(cor-228mm).indd 25

16-04-19 16:50


26 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

beeld continuïteit van plaats (absoluut of relatief ), van functie of van tijd. Een gebouw kan exact op dezelfde plek dezelfde functie weer hebben gekregen, maar er kan een langere tijd tussen gezeten hebben. Of binnen een iets groter gebied kan dezelfde functie aanwezig zijn. Huizen/boerderijen kunnen bijvoorbeeld binnen een bepaald territorium steeds naar een andere plek verhuizen, terwijl de bewoning in de tijd niet onderbroken wordt.

Is continuïteit ergens aangetoond? Er is nergens directe plaatscontinuïteit aangetoond, in de zin dat er bij opgravingen in oude kerken tot nu toe nooit vroegmiddeleeuwse cultusplekken zijn aangetroffen. Er is bij enkele Romeinse tempels wel sprake van plaats- en functiecontinuïteit, maar dan zit er een gat van een aantal eeuwen tussen de late Romeinse tijd en de zesde à zevende eeuw. Wel zijn er plaatsnamen die verwijzen naar prechristelijke verering, zowel in de vorm van cultusplekken, bomen, palen, zuilen en bergen. Ook zijn er enkele verwijzingen naar een bovennatuurlijke macht. Sommige offerplekken lopen door van de prehistorie tot in de twaalfde eeuw. In venen werden tot in de zestiende eeuw offergaven neergelegd. Continuïteit wordt ook wel aangetoond door gebruik te maken van volksverhalen en volksgebruiken. Deze zijn niet allemaal oud, omdat ze pas in de late middeleeuwen of zelfs nog later zijn opgeschreven. Voorbeelden staan in een artikel van Willem de Blécourt, Wetenschap en popularisatie, de Nederlandse volkskundige tradities over duivekaters en steffenen (De Blécourt 1985). De Blécourt wijst op het belang om handelingen en gebruiken beter te plaatsen in de tijd waarin ze zijn ontstaan en legt een relatie met de toenemende splitsing tussen volk en elite in de zestiende eeuw en later. Veel gebruiken hadden een functie in het agrarisch jaar, en lijken alleen maar oeroud en heidens omdat het agrarisch jaar natuurlijk niet verschoven is. Een voorbeeld is het verhaal van Gertrudis en de muizen (zie p. 182). De muizen zijn niet heidens, maar de feestdag van Gertrudis werd wel gevierd op een tijdstip – 17 maart, aan het begin van de lente – op een moment dat muizenplagen begonnen (Geybels 2001).1

BWheidense(cor-228mm).indd 26

16-04-19 16:50


1 Het landschap als betekenisdrager 27

Heidendom vult behoeften op die het christendom laat liggen Het christendom landde als het ware op het heidendom en nam verschillende onderdelen over en transformeerde ze. Heidens bleven riten en gebruiken die behoeften vervulden waaraan het christendom niet kon (of wilde) voldoen, die een oplossing boden voor dagelijkse aardse problemen met gezondheid, vruchtbaarheid en welvaart. Het nieuwe geloof nam al meteen verschillende belangrijke karakteristieken van het oude geloof over. Hutton noemt er vier: •  polytheïsme – in de vorm van allerlei heiligen, die een veelheid van diensten boden aan de gelovigen. Hun cultus was veelal net als die van de heidense bovennatuurlijke wezens lokaal bepaald, en hechtte zich aan specifieke objecten in het landschap als bomen of putten. De heiligen lijken geen directe transformatie van oude goden te hebben ondergaan; eerder is er sprake van figuren die een vergelijkbare dienst boden als de eerdere heidense goden (Hutton 2014, 336); •  de positie van vrouwen – gesymboliseerd in de overheersende rol van Maria in de middeleeuwen; •  het offer als centrale rite – in de christelijke kerk is dat de mis (Hutton 2014, 338-339); •  sommige seizoensfestivals: ‘Collectieve gebeurtenissen zoals seizoensfestivals hebben vaak meer uithoudingsvermogen dan individuele gewoonten, hoewel het zelfs bewezen is dat sommige van de laatste, millennia lang hebben standgehouden; en het proces van bewuste en onbewuste vermenigvuldiging en herschepping van het oude voegt een verdere dimensie van complexiteit aan het onderwerp toe.’ (Hutton, 2014, 373) Sommige seizoensfeesten zijn zelfs een directe opvolger van heidense feesten (‘er moet worden benadrukt dat sommige kalendergebruiken de test van goed onderzoek als een rechtstreekse overdracht uit de oudheid doorstaan, en dat de lijst met heidense overleveringen is uitgedund maar niet is gewist’). Hutton noemt in het bijzonder: het geven van geschenken met Kerstmis; het versieren van het huis en van cultusplekken met groen bij jaarfestivals als midwinter en midzomer. Vuren stoken bij het begin van de zomer en op midzomer wordt al in antieke bronnen genoemd. Veldprocessies zijn de opvolgers van oudere tochten om de vruchtbaarheid van de akkers te bevorderen. Ook de meiboom lijkt oud, omdat deze in heel Europa voorkomt. Juist wanneer je uitzoomt en met een helikopterblik kijkt, zie je dat bijvoorbeeld de dansen die in het negentiende-eeuwse Engeland rond midwinter werden uitgevoerd misschien niet exact in die vorm al lang bestonden, maar dat het gebruik om rond midwinter te dansen en te zingen al heel

BWheidense(cor-228mm).indd 27

16-04-19 16:50


28 HEIDENSE HEILIGDOMMEN

erg oud is. Dit soort seizoensfestivals lijken dus erg oud te zijn. (Hutton 2014, 271-272) In bepaalde opzichten hadden het christendom en het heidendom gemeenschappelijke wortels, die prehistorisch en pan-Europees waren. Ons beeld van het verleden wordt bepaald door de interesse in het antieke, klassieke heidendom die in de renaissance weer sterk toenam en sindsdien niet meer weg te denken valt uit de Europese cultuur. Die cultuur bleef bestaan – zeker onder de gestudeerde elite, maar niet daar alleen – naast de christelijke cultuur, zonder dat er sprake was van een tegencultuur en zonder dat het betekende dat men actief in oude heidense goden geloofde.

BWheidense(cor-228mm).indd 28

16-04-19 16:50


Judith Schuyf studeerde geschiedenis, culturele prehistorie en middeleeuwse archeologie in Leiden en Amsterdam. Ze was verbonden als docent aan de Universiteit Utrecht en schreef tientallen boeken en publicaties op het terrein van archeologie, historische geografie, de Tweede Wereldoorlog en emancipatie.

www.omniboek.nl NUR 680 ISBN 978 94 019 1433 8

HEIDENSE HEILIGDOMMEN

Voor de komst van het christendom kende Nederland talloze heilige bomen, bronnen, stenen en heuvels. Ze stonden bij cultusplekken, graven en plaatsen waar recht werd gesproken. De meeste van deze heidense heiligdommen zijn verdwenen, vooral in de vroege middeleeuwen, toen Nederland gekerstend werd, en tijdens de reformatie, toen calvinisten alle vormen van bijgeloof afdeden als paapse stoutigheden. Desondanks zijn hier en daar in het landschap, in kerken, en zelfs op straat, nog overblijfselen te vinden die getuigen van een heidens verleden. In dit boek geeft Judith Schuyf een overzicht van deze bijzondere, maar vaak onopvallende objecten en plaatst zij ze in hun historische en religieuze context. Op basis van nieuw onderzoek uit de afgelopen decennia wordt duidelijk hoe de inwoners van onze streken vanaf de late ijzertijd tot in het begin van de nieuwe tijd de wereld bezagen. Het landschap en de natuur speelden een belangrijke rol in hun religieuze beleving, net als offers, magie en de voorouders. Dit wordt geïllustreerd door prachtige foto’s van Sjaan van der Jagt. In de beschrijvingen staat aangegeven hoe u de heiligdommen kunt bezoeken.

JUDITH SCHUYF

Stille getuigen van een heidens verleden in Nederland

JUDITH SCHUYF

HEIDENSE

HEILIGDOMMEN Zichtbare sporen van een verloren verleden Met foto’s van Sjaan van der Jagt

9 789401 914338 >

omniBOheidenseheiligdommen0419.indd 1

15-04-19 16:48


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Heidense heiligdommen - Judith Schuyf. ISBN 9789401914338 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu