In 1618 kwam de Synode van Dordrecht bijeen om een einde te maken aan de geloofsstrijd tussen de remonstranten en contraremonstranten. De twee groepen bevonden zich al jaren in een geloofstwist, een strijd die ook buiten de kerkdeuren, bijvoorbeeld in de politiek, een grote rol speelde. Deze Synode vond aan het begin van de Gouden Eeuw plaats. De Republiek was een ware smeltkroes aan geloven. Naast de economische bloei was de persoonlijke godsdienstvrijheid een aantrekkelijke reden voor religieuze vluchtelingen, uit onder andere de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk, om te emigreren naar de Republiek. De gereformeerde godsdienst was de leidende godsdienst, maar de andere gelovigen konden vrijwel ongestoord voor hun overtuigingen uitkomen. Henk Florijn bespreekt de grote verscheidenheid aan geloven in de Republiek tijdens en na de Synode van Dordrecht, en laat zien welke personen een stempel hebben gedrukt op de kerkgeschiedenis van Nederland: van gereformeerden, rooms-katholieken, joden en lutheranen, tot quakers, collegianten, socinianen en utopisten. Dr. Henk Florijn is theoloog en auteur, en was jarenlang werkzaam als docent. Als kenner van de kerkgeschiedenis publiceert hij in verschillende kerkhistorische bladen, waaronder Oude paden en Kerkhistoriaal, en hij leverde bijdragen in verhalenbundels en schreef romans.
Henk Florijn GELOVEN IN DE REPUBLIEK
Het geloofsparadijs de Republiek
Henk Florijn
GELOVEN IN DE
REPUBLIEK
Religies tijdens en na de Dordtse Synode 1618 – 1619
www.omniboek.nl NUR 685 ISBN 978 94 0191 228 0
9 789401 912280 >
omniBOgeloveninderepubliek0418-2.indd 1
23-10-18 14:30
Geloven in de Republiek
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 1
23-10-18 13:44
Eerder verscheen van Henk Florijn bij Uitgeverij Omniboek: Ooggetuigen van de Nederlandse kerkgeschiedenis (2016)
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 2
23-10-18 13:44
Henk Florijn
GELOVEN IN DE
REPUBLIEK
Religies tijdens en na de Dordtse Synode 1618 – 1619
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 3
23-10-18 13:44
Uitgeverij Omniboek
Postbus 13288, 3507 LG Utrecht www.omniboek.nl
Copyright Š 2018, Uitgeverij Omniboek Omslagontwerp en vormgeving binnenwerk Garage BNO
Omslagbeeld De zielenvisserij: allegorie op de ijverzucht van de verschillende religies
tijdens het Twaalfjarig Bestand tussen de Nederlandse Republiek en Spanje, door Adriaen Pietersz. van de Venne, 1614. Collectie Rijksmuseum, Amsterdam. ISBN 9789401912280
ISBN e-book 9789401912297 NUR 685
De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden op copyright van fotomateriaal te
achterhalen. Zij die desondanks menen aanspraak te kunnen maken op deze rechten, verzoeken wij contact met ons op te nemen.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm
of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieĂŤn, opnamen, of op
enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photo-
copying, recording, or otherwise, without the prior written permission of the publisher.
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 4
23-10-18 13:44
Inhoud
Ten geleide | 7 1. Gereformeerden | 8 2. Doopsgezinden | 52 3. Lutheranen | 67 4. Rooms-katholieken | 85 5. Remonstranten | 116 6. Geloofsvluchtelingen | 137 7. Collegianten | 155 8. Socinianen | 164 9. Quakers | 173 10. Geloofszuiveraars | 181 11. Utopisten | 203 12. Rationalisten | 212 13. Joden | 243 14. Moslims | 264 15. Bijgelovigen | 274 Slotbeschouwing | 294 Chronologisch overzicht | 295 Bronnen | 298 Selectie van gebruikte literatuur | 306 Illustratieverantwoording | 312 Personenregister | 313
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 5
23-10-18 13:44
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 6
23-10-18 13:44
Ten geleide
Het is opvallend dat er in de zeventiende-eeuwse Noordelijke Nederlanden zo’n grote verscheidenheid aan religieuze opvattingen was. Had dat te maken met het afscheid dat velen van de Rooms-Katholieke Kerk genomen hadden en zochten zij vervolgens nieuwe vastheid in een geloof dat minder dwingend door een kerkelijke instantie werd voorgeschreven? Het zal stellig een van de oorzaken geweest zijn. Het kan ook niet los gezien worden van de sterkere neiging tot individualisering die in deze tijd opkwam. Hoe dan ook, het kennis nemen van het brede scala aan geloven in de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden vier eeuwen terug kan verrassend en verrijkend zijn, zowel voor degenen die zoeken naar een hogere werkelijkheid als voor hen die, al dan niet terecht, menen die gevonden te hebben. Een poging om een overzicht van de destijds heersende opvattingen te geven hoopt daarbij behulpzaam te zijn. Het is een poging, en die is uiteraard niet volledig, kan dat ook niet zijn. Altijd weer moet bij een beschrijving een selectie gemaakt worden en dat is hier ook gebeurd. Het betreft een keuze uit de personen die hun geloofsgoed uitdroegen, uit de bronnen, uit de geschriften en uit de illustraties (vooral portretten en afbeeldingen van plaatsen van samenkomst). In navolging van de Nederlandse kerkgeschiedenis van O.J. de Jong en het Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis van H.J. Selderhuis en anderen is hierbij volstaan met alleen literatuurlijsten. Hopelijk kan het lezers interesse bijbrengen voor die boeiende en levendige geloofswereld van de zeventiende eeuw. Dr. Henk Florijn
Ten geleide
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 7
7
23-10-18 13:44
HOOFDSTUK 1
Gereformeerden
Jean Baptiste Stoupe werd omstreeks 1620 in Grauwbunderland geboren en was zo’n vijftig jaar later een niet onverdienstelijk militair in dienst van de Fransen. Het kan wonderlijk lopen in iemands leven, dat gold ook toen al. Het was namelijk een carrière die men niet had zien aankomen. Stoupe had eerst theologie gestudeerd en hij was daarna predikant geworden bij de Waalse gemeente in Londen. Daar had niemand minder dan Oliver Cromwell hem opgemerkt en deze staatsman en lord protector achtte hem bij uitstek geschikt om spionnendienst te gaan verrichten in Frankrijk en zo informatie door te spelen over de houding van de rooms-katholieke overheid tegenover de hervormden. Dit pad voerde Stoupe al enigszins van zijn kerkelijke roeping af, maar nadat de dominee-spion na het overlijden van Cromwell opnieuw naar Frankrijk vertrokken was, nam zijn loopbaan een beslissende wending, want hij kreeg een aanstelling als luitenant-kolonel bij een regiment Zwitsers. Met zijn manschappen deed hij in het ‘rampjaar’ 1672 Nederland aan, waar ze deelnamen aan een veldtocht naar Zwammerdam en Bodegraven, waarbij de huizen van de dorpen in de as werden gelegd en de burgers die de slachting overleefden vreselijk te lijden kregen onder gruwelijke wreedheden van de Franse legers. Utrecht Daarna kwam Stoupe in Utrecht terecht. Of hij en zijn manschappen daar eveneens de beest hebben uitgehangen is niet bekend, maar dat de stedelingen
8
Geloven in de Republiek
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 8
23-10-18 13:44
getiranniseerd werden staat buiten kijf. Niemand minder dan de beroemde zeventiende-eeuwse theoloog Gisbertus Voetius heeft erbij stilgestaan in zijn Eerste predicatie in de Dom-kercke tot Wtrecht (…). Na dat de Fransche macht de stadt, ende die van het pausdom de Dom-kercke (…) verlaten hadden (1674). Voetius deelde mee dat toen de Franse soldaten zowel binnen als buiten de stad goed ondergebracht waren, zij een ware terreur uitoefenden. De burgers in hun particuliere huizen werden ‘zeer gekweld’, de woningen beschadigd met het volledig uitwonen en het bederven van de huizen, het breken en het bederven van de vloeren, de daken, de zolders en ander houtwerk zoals kasten, bedsteden, tafels, of het ruïneren van houten en stenen stoepen en banken. Diefstallen, zowel kleine als grote, en listige en kunstige inbraken, die ’s nachts in de kelders en in de kluizen werden uitgevoerd, waren schering en inslag. Ook de dorpen en hun inwoners in de omgeving werden niet ontzien; ze werden geplunderd door de soldaten en beroofd van hun koren, in het bijzonder van hun tarwe en boekweit, of het nu onrijp of rijp, gedorst of niet gedorst was. Ze werden beroofd van koeien, schapen, varkens en allerlei huisraad, meubels en allerlei kleren en bedekking, linnen en wol, tot de kousen van de kinderen en de zuigelingen toe, zelfs tot het bed toe, waarvan de soldaten de veren uitschudden en in de wind verstrooiden en de overtrekken in huis brachten. Voetius, die vlak bij de Domkerk woonde, waarin hij zijn preek zou uitspreken, had met eigen ogen enige Franse soldaten ‘van die regimenten die witte rokken dragen’ over straat zien gaan op weg naar hun wachtpost en ze waren gekleed in ‘rokken van beddenovertrekken’.
Gisbertus Voetius
Gereformeerden
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 9
9
23-10-18 13:44
Maar er was meer, vervolgde Voetius, want het meest ondraaglijke was dat de burgers of hun vrouwen, dochters of dienstmaagden door de ingekwartierde soldaten met dreigementen, met ‘het uittrekken van de blote rapieren, met slaan, houwen of steken geplaagd werden’. Daardoor waren sommigen gestorven, anderen werden door plotselinge ziektes overvallen en stierven kort erna. De dagelijkse onrust en het verstoren van de nachtrust ontregelden in hoge mate de huisgezinnen, gezien het nachtbraken door de ingekwartierde bezetters, die met hun kameraden tot laat in de nacht met kaartspelen en andere lotspelen doorgingen, of die op wacht moesten, zodat ze ’s nachts naar buiten of naar binnen moesten. Er waren ook militairen die met hun kameraden in de kroegen wilden drinken of spelen, of ‘ze zochten in de bordelen hun vertier; soms namen ze ook de hoeren mee naar hun logement en hielden die daar enige tijd.’ Verweer Ook de Domkerk kreeg het een en ander te stellen met de Franse bezetting en werd weer in gebruik genomen als katholieke kerk, tot ergernis van de gereformeerden. Gevolg was dat de preekstoel het moest ontgelden, want van daaruit waren zoveel ketterijen verkondigd dat het niet te harden was voor een rechtgeaarde rooms-katholiek: het houtwerk werd gegeseld. De kerk werd verder gereinigd en er kwamen provisorische altaren en biechtstoelen in. Op 10 juni 1672 droeg de apostolisch vicaris Johannes van Neercassel er een Mis op, en dat zou deze gematigde en voorzichtige geestelijke later bitter verweten worden. Vervolgens wijdde niemand minder dan Emanuel Theodose van la Tour d’ Auvergne, kardinaal De Bouillon, het gebouw plechtig in op 30 juni. Hieruit kan al afgeleid worden dat er door gereformeerden en roomskatholieken heel verschillend gedacht werd over de kerkinrichting. Dat was eerder al tijdens de Reformatie gebleken met de beeldenstorm en -sloping, met het verwijderen en vernietigen van schilderijen en het laten verdwijnen van kunstschatten uit de godshuizen. Een predikant die het verschil tussen de roomse en de gereformeerde kerkinrichting heel geslaagd onder woorden heeft gebracht in rijm, was Ludovicus Hondius. Hondius dichtte een aantal verzen voor kerkborden die aan de wanden of aan de pilaren bevestigd werden. Ruim honderd jaar na zijn overlijden hing er nog een in de kerk van Schagen, de gemeente die hij zelf had gediend. De kerkgangers konden ook toen nog lezen dat er voor de Reformatie allerlei ongepaste opschik in hun kerk te vinden was, zoals schilderijen en kleden, maar dat er in hun dagen geen roomse gebruiken meer waren overgebleven, zoals de biecht, het aanroe-
10
Geloven in de Republiek
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 10
23-10-18 13:44
pen van de heiligen en het vieren van de Mis in het Latijn; daarvoor was in de plaats gekomen de ‘stichtelijke leer; en de goddelijke schrift’. Onder de titel ‘De kerk van Nieuwendorp tot haar aanschouwers’ rijmde hij: Eertijds was ik versierd met parels en juwelen, Met zilver en met goud, met kunstige penselen, Met beelden allerlei: dat was mijn ingewand; Een luister voor het oog, een nevel voor ’t verstand; Ik was niet zonder stem maar d’ onverduitse woorden En gaven geen bericht aan diegeen die ze hoorden, Ik was niet zonder volk, maar ’t was meer om ’t gezicht Dat ik betreden werd dan om te zijn gesticht. Ik was niet zonder bank, maar weinig voor de luiden: Ik was niet zonder glas in ’t noorden en in ’t zuiden. Maar ’t kladden van de verf, en al het kinderspel Dat maakte mij rondom zo donker als een hel. Nu ben ik licht en klaar vanbuiten en vanbinnen, Wat in mij wordt geleerd, dat kan het volk verzinnen: Vanbuiten schijnt de zon op mijne hoge roef, Vanbinnen is ’t zo licht dat ik geen kaars behoef. Mijn banken zijn voor ’t volk, ’t gestoelt’ is voor de heren, Wie nu komt in dit ruim, die schikt zich om te leren. Hij bidt de Heere aan, hij zingt des Heeren lof, Sint-Maarten zoekt hij niet, die dwaling is te grof. Aan de zijkanten van het bord stond nog het opschrift: ‘Niet Martinus (= St. Maarten) maar Christo’. Het katholieke intermezzo in Utrecht was niet van al te lange duur, want nog vóór de definitieve aftocht van de Fransen op 23 november 1673 kwam de Domkerk weer in protestantse handen en kon de hoogbejaarde Voetius opnieuw de kansel beklimmen om zijn dankpredicatie uit te spreken. Of Stoupe de door Van Neercassel geleide dienst heeft bijgewoond is niet bekend. Hij had trouwens andere zaken aan zijn hoofd, want in het geteisterde Utrecht en in die zonder meer hectische tijd was een beroep gedaan op zijn theologische kennis en interesses. Hij schreef brieven, die later zijn uit-
Gereformeerden
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 11
11
23-10-18 13:44
gegeven onder de titel La religion des Hollandois, representée en plusieurs lettres (1673), en gaf daarin een verslag van de verschillende geloven en kerkelijke richtingen die hij in de Noordelijke Nederlanden had aangetroffen. Het is overigens, voor zover bekend, zijn enige publicatie gebleven. Wel zou hij nog jaren actief blijven in het leger, totdat hij in 1692 op hoge leeftijd sneuvelde als brigadier in de slag bij Steenkerken. Stoupes boek ging dus over de godsdienst van de Hollanders en hij had het geschreven op verzoek van een professor in de theologie te Bern. Deze hooggeleerde heer had hem en zijn gereformeerde Zwitserse soldaten verweten dat ze met de Franse koning Lodewijk XIV heulden en dat nog wel tegen de geloofsgenoten die in de Republiek woonden. Stoupe zat er wel een beetje mee en zette zich daarom aan het werk om zichzelf en zijn mannen te rechtvaardigen. Vanaf 4 mei 1673 schreef hij zeven brieven waarin hij trachtte aan te tonen dat er in de Noordelijke Nederlanden eigenlijk maar weinig sprake was van orthodoxie; het tegendeel was waar, de gereformeerden geloofden hun eigen Heidelbergse Catechismus niet eens en verder was het in de Republiek een religieus allegaartje, waarin van alles er maar mee door kon. Het zal de hooggeleerde adressant niet heel aangenaam in de oren geklonken hebben. Trouwens, toen het werkje vertaald was, beviel het de Nederlandse gereformeerden evenmin. Zij hadden immers veel strijd gevoerd om de Heidelbergse Catechismus te handhaven, en nu dit. Ze beschouwden de weergave van Stoupe als een misvatting en onvolledig, en ze hadden niet helemaal ongelijk. Arminius en Gomarus Hoe was de situatie ontstaan? Daarvoor moeten we terug naar het begin van de zeventiende eeuw. Er waren destijds twee hoofdstromingen in het protestantse landschap te onderscheiden: allereerst die van de gereformeerde orthodoxie, die de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis volop had geaccepteerd; daarnaast een stroming die veel meer los van deze belijdenisgeschriften stond. De eerste partij kan men omschrijven als de ‘preciezen’ de andere als de ‘rekkelijken’. Tussen beide groeperingen botste het meermalen, landelijk en plaatselijk. De twist escaleerde met de komst van Jacobus Arminius als hoogleraar te Leiden. Arminius was verdacht bij de preciezen en hij was al van onrechtzinnigheid beticht toen hij nog predikant was in Amsterdam. Hij had weinig gedaan om die beschuldigingen te ontkrachten, al had hij wat toegegeven, en leek het er in Leiden even op dat er met zijn opvattingen goed te leven was.
12
Geloven in de Republiek
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 12
23-10-18 13:44
Echter, op 7 februari 1604 sloeg de vonk in het universitaire kruit. Die dag leidde hij een disputatie over een heel belangrijk punt van verschil tussen de preciezen en de rekkelijken, namelijk de leer van de voorbeschikking en de verkiezing. Voor zijn collega Franciscus Gomarus, die hem toch al niet vertrouwde, was het nu duidelijk dat beiden fundamenteel verschilden in dit punt en Gomarus was er de man niet naar om dat te verzwijgen. Ook wat betreft de geloofsleer botsten ze. Zeker is dat beide theologen beleden dat het geloof een gave van God is, maar Arminius benadrukte dat de mens bij machte was om de gave van het geloof te verwerpen en het heil af te wijzen; Gomarus daarentegen hield eraan vast dat God voor het schenken van genade niet afhankelijk was van welke menselijke daad dan ook. Deze verschillende stellingnames hadden vanzelfsprekend weer alles te maken met de visie op de predestinatie of de uitverkiezing. Was het nu zo, zoals Arminius stelde, dat God een mens verkoos vanwege een vooruitgezien geloof, of had God, zoals Gomarus leerde, de mensen uitverkoren, waarna zij het geloof ontvingen? Beide professoren waren het grotelijks met elkaar oneens en de kloof werd alleen maar verwijd naarmate ze verdere door hen opgestelde disputaties door theologische studenten lieten verdedigen. Hoe het er daarbij op de Leidse Universiteit aan toe kon gaan en waar het op uit kon lopen, wordt duidelijk uit een disputatie, gehouden op 25 juli 1609.
Jacobus Arminius
Gereformeerden
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 13
13
23-10-18 13:44
Het was Arminius die stellingen liet verdedigen over de roeping van de mensen tot de zaligheid. Twee uur lang werd er gedisputeerd. Toen vroeg iemand uit de zaal het woord. Hij gaf zijn naam op als Adriaan Smetius. Er ontstond enig gefluister onder de aanwezigen en de woorden ‘rooms’ en ‘jezuïet’ vielen. Hoe dan ook, de man vroeg aan Arminius of het zo was dat er bij de genade nog iets van de mens zelf moest komen. Was het niet zo dat bij een mens zelf de beslissing lag om de genade al dan niet aan te nemen? Arminius antwoordde dat de mens wel de beslissing nam, maar dat dit niet zonder de genade kon, want – zo stelde hij – de vrije wil en de genade werkten samen; het een handelde niet zonder het ander. Dat vond de ‘jezuïet’ wel een overdenking waard en hij informeerde of het niet zo was dat de genade als het ware uit een aantal graden bestond, aangezien er mensen waren die wel genade hadden maar niet zalig werden. De Leidse hoogleraar meende dat degene die het heil verkreeg inderdaad meer genade had ontvangen, maar dat was alles slechts ‘vergezellende’ genade. Daarbij kon genade gestuit worden door een mens met een onwillige geest. Verder benadrukte Arminius dat hij eigenlijk alleen kon zeggen dat de wedergeboorte en de bekering, die door de Heilige Geest bewerkt werden, niet door een niet te weerstane kracht geschiedden. Een mens kon de genade weigeren. Ten minste twee hoogleraars waren aanwezig; de een was Aelius Everardus Vorstius, hoogleraar in de medicijnen, de ander Gomarus. Deze laatste had de discussie grommend van ongenoegen aangehoord. Soms had hij wat tegen de naast hem zittende Vorstius gemompeld, dan weer had het geleken alsof hij had willen opstaan om te opponeren en sommigen beweerden later dat ze hem hadden horen zeggen: ‘Wat zijn dit voor enormiteiten?’ Zodra de bijeenkomst was afgelopen, sprak genoemde Smetius Arminius nog in de zaal aan en hij verontschuldigde zich dat hij, die geen student was, aan de disputatie had deelgenomen. Gomarus en Vorstius liepen voor de twee mannen uit. Nauwelijks buiten gekomen, draaide Gomarus zich om en zei tegen Arminius waar Smetius bij stond: ‘Het papisme heeft vandaag wel de vrije teugel gehad om zich te buiten te gaan! Nooit eerder heb ik in deze Academie dergelijke taal gehoord; nimmer heeft de deur zo wijd opengestaan voor het pausdom!’ Arminius antwoordde: ‘lk heb alleen maar de ingeving van mijn geweten gevolgd. Daarbij, dit alles heeft niets met het rooms-katholicisme uit te staan.’ Daar was Gomarus het totaal niet mee eens en hij kondigde aan dat hij er in het openbaar tegen in zou gaan.
14
Geloven in de Republiek
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 14
23-10-18 13:44
Dat moest hij dan maar doen, vond Arminius en hij zei: ‘Als er iets wordt gezegd dat ik in geweten niet kan toestemmen, dan zal ik zonder meer protesteren!’ Gomarus antwoordde: ‘Je zult mij op je weg vinden.’ Arminius: ‘Het zij zo, maar ik ben niet van plan om voor jou opzij te gaan. We zullen te zijner tijd de zaak onderzoeken. Bij mij staat het echter nu al vast dat de leer van de onweerstaanbare kracht van de genade in strijd is met de Heilige Schrift, met de oudheid, met onze belijdenis en de Catechismus.’ Gomarus verliet het groepje woedend, terwijl Vorstius en Smetius nog bij Arminius bleven. Toen de niet-theoloog Vorstius een voorzichtige poging waagde om te bemiddelen, beet Arminius hem kortaf toe: ‘Als u erkent niet met het onderwerp vertrouwd te zijn, dan verzoek ik u om er ook maar geen oordeel over te geven.’ Hij richtte zich weer tot Smetius: ‘Heeft dit nu iets met het pausdom te maken?’ Deze antwoordde heel diplomatiek: ‘Het verbaast me wel dat in uw Academie een dergelijke stelling verdedigd wordt.’ Maar Arminius vond die verbazing volstrekt misplaatst. Het was juist de leer van Augustinus die hij naar voren had gebracht. Meende hij. De tegenstellingen verscherpten, er vonden gesprekken plaats tussen beide mannen, maar er bleek van beide kanten geen toenadering mogelijk. Ook een
Everardus Vorstius
Gereformeerden
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 15
15
23-10-18 13:44
overleg in augustus 1609 leverde niets op. Kort erna, op 19 oktober, overleed Arminius. Remonstrantie-Contraremonstrantie De bekwame kerkpoliticus Johannes Uytenbogaert werd nu de leider van degenen die men in de volksmond arminianen noemde. Zonder meer was hij een indrukwekkende verschijning. Wie het schilderij dat Rembrandt van deze voorganger heeft gemaakt op zich heeft laten inwerken, kan nauwelijks tot een andere conclusie komen. Met andere geestverwanten van Arminius stelde Uytenbogaert op 14 januari 1610 een Remonstrantie op. Een van de zaken die ze erin benadrukten, was dat revisie van de belijdenisgeschriften en dus van de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis altijd mogelijk moest zijn. Daarnaast formuleerden ze vijf leerstellingen die ze aan een handschrift van Arminius hadden ontleend en die vooral de vrije wil van de mens en zijn of haar voorbeschikking tot het heil of de verdoemenis door God en de predestinatie betroffen. De tegenstanders reageerden op hun beurt met een Contraremonstrantie, waarin zij benadrukten dat God naar Zijn welbehagen enigen verkoos om door Christus zalig te maken en anderen voorbij te gaan, en dat Hij de uitverkorenen het geloof schonk, waarin zij door de werking van de Heilige Geest standvastig zouden blijven. Zo hadden beide partijen als het ware een program en waren de opvattingen vastgelegd. Het nam de onrust niet weg, integendeel, en die kreeg ook in toenemende mate een politieke tint. In Leiden besloot men om Conrad Vorstius als hoogleraar te benoemen, een weinig gelukkige greep, want hij werd verdacht van sympathie voor Faustus Socinus, en het socinianisme was in de ogen van verreweg de meesten een veel grotere gruwel dan het arminianisme. Daar kwam nog bij dat Vorstius in januari 1610 zijn boek Anti-Bellarminus publiceerde, waarin hij een opdracht had geplaatst aan de Staten-Generaal met een aanprijzing van vrijheid van profetie. Daaruit leidden zijn tegenstanders af dat hij zich geheel vrijblijvend wilde opstellen ten aanzien van de belijdenisgeschriften. En omdat hij in zijn geschrift instemde met Uytenbogaerts Tractaet van het ampt der overheid, dat de regering de macht toekende in kerkelijke zaken, was hij nog meer verdacht bij de contraremonstranten. En niet alleen bij hen; vanuit Engeland reageerde koning Jacobus I – door sommigen wel beschouwd als de geleerdste gek van Europa – met een werkje dat vertaald onder de titel Missive van Iacobus in 1611 werd uitgegeven. Het ging over die rampzalige Vorstius. De konink-
16
Geloven in de Republiek
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 16
23-10-18 13:44
lijke lekentheoloog had geschriften van deze Conrad grondig doorgenomen en verwonderde zich erover dat de Nederlandse regering zo’n grote ‘pest’ als Vorstius niet alleen in hun land liet wonen, maar zelfs toestond dat hij een van zijn boeken aan hen had opgedragen, een boek nog wel waarin de gruwelijkste godslasteringen uitgespogen werden. De vorst verzocht om maatregelen tegen die ‘ellendige’ Vorstius te nemen, zij het dat de Staten hem niet gelijk op de brandstapel hoefden te zetten (hoewel nimmermeer enige ketter beter verdiend had). Wel moesten ze de jeugd, die aan de universiteit van Leiden zou gaan studeren, beschermen tegen het verderf van een dergelijke ergerlijke persoon. De Staten van Holland waren ‘not amused’ met het pamfletje en op 15 november gelastten ze om alle exemplaren in beslag te nemen, teneinde alle ‘ondiensten’ die daaruit voort konden komen te weren. Dat gebeurde, maar de boekverkopers waren ook niet van gisteren en brachten het onder de titel Translaet opnieuw op de markt en streken er een behoorlijk bedrag mee op dankzij de meerdere herdrukken die ervan nodig waren. Botsingen Vorstius’ benoeming is uiteindelijk niet doorgegaan, maar de twisten verhardden zich en het kwam tot escalaties, bijvoorbeeld in Rotterdam. Daar botsten de remonstrant Grevinchoven en de contraremonstrant Geselius met elkaar. De stadsregering koos de remonstrantse kant en Geselius werd verbannen. Een gedeelte van zijn volgelingen besloot om dan maar buiten de stad naar de kerk te gaan. In Kampen kwam het op 14 juni 1615 tot grote ongeregeldheden in de kerk zelf, een gebeurtenis die door de bij de dienst aanwezige Wilhelmus Baudartius in zijn Memoryen uitvoerig is beschreven. De Kamper predikant Daniël Souterius werd er door de twee remonstrantse predikanten Thomas Goswinus en Everardus Voskuyl van beticht dat hij een ‘gruwelijke leer’ preekte en na de dienst – aldus Baudartius – ontstond er een gerommel en een oploop in de kerk in en bij het gestoelte onder de preekstoel, waar veel mensen liepen, zowel mannen als vrouwen. Ze begonnen onder elkaar ‘te kijven en te ruziën, de een dit, de ander dat luid roepend. Ja, men begon er te komen van woorden tot slagen.’ De arminianen vielen Souterius zelfs lijfelijk aan en dreigden er ongeremd op los te meppen, zodat ‘deze vrome man’ zich moest verstoppen. Een jonge edelman merkte het en wilde op zijn beurt ‘deze oproermakers’ met zijn rapier te lijf gaan, ‘maar zijn moeder en anderen die erbij kwamen, hebben het hem verhinderd’. Baudartius: ‘Ik kwam er ook
Gereformeerden
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 17
17
23-10-18 13:44
Wilhelmus Baudartius
naartoe gelopen en heb hem ook gebeden om het na te laten, wat hij ook gedaan heeft. Verder heb ik allen gebeden om naar huis te gaan en om elkaar in het huis des Heeren geen geweld aan te doen, maar om de opzieners van de kerk en de heren van de magistraat de zaak aan te bevelen.’ Zonder gunstig resultaat overigens; ze waren hopeloos met de zaak verlegen en probeerden tevergeefs te schipperen tussen de partijen en een oplossing te bieden. In ’s-Gravenhage werd Henricus Rosaeus in zijn dienst geschorst. Rosaeus was ooit een van de aanstichters geweest van een studentenoproer in Leiden, waarbij een gerechtsdienaar werd vermoord. Hij had toen zijn theologische opleiding in de Sleutelstad niet kunnen voortzetten en was naar Steinfurt vertrokken om onder Vorstius te studeren. Rosaeus was aanvankelijk een vertrouweling van Uytenbogaert, met wie hij in godsdienstig opzicht overeenkwam, maar toen deze hem de Remonstrantie liet lezen, bleek dat Rosaeus van opvatting veranderd was en steeds meer de partij van de contraremonstranten was toegedaan. Op heftige wijze bracht hij zijn mening op de kansel, en schorsing als predikant van Den Haag volgde, maar Rosaeus stopte niet met het leiden van kerkdiensten. In 1617 namen zijn aanhangers de Haagse Kloosterkerk in gebruik en in juli schaarde niemand minder dan prins Maurits zich met zijn hofstoet onder de hoorders. Dat luidde een keerpunt in, en hoewel de contraremon-
18
Geloven in de Republiek
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 18
23-10-18 13:44
stranten eigenlijk principieel tegen wereldlijke macht in kerkelijke zaken waren, maakten ze daar nu gaarne gebruik van. De erop volgende omslag is door de anti-calvinist Joost van den Vondel treffend verwoord in zijn gedicht ‘Op de jongste Hollandse transformatie’: Gommer en Armijn te hoof Dongen om het recht geloof Ieders ingebracht bescheid In de weegschaal werd geleid Doctor Gommer, arme knecht Had het in ’t eerste slecht Mits de schrandere Armijn Tegen Bezam en Calvijn Lei de rok van d’Advokaat En de kussens van de Raad, En het brein dat geenszins scheen IJdel van gezonde re’en. Brieven die vermelden plat ’t Heilig-recht van elke stad. Gommer zag vast hier-en-ginds Tot zolang mijnheer de Prins Gommers zijde die boven hing, Troostte met zijn stalen kling Die zo zwaar was van gewicht, Dat al ’t ander viel te licht. Toen aanbad elk Gommers pop En Armijn die kreeg de schop. Niet onaardig is het om te weten dat de een of andere heldere geest er onder de naam van E. Israels (zeer waarschijnlijk een pseudoniem) twee dichtregels aan heeft toegevoegd, die het vers een geheel andere wending geven, want hij schreef onder de zin ‘En Armijn die kreeg de schop’: ‘Ook Pelaegs leer Bellarmijns / En de Ketterij Socijns.’ Daarmee gaf hij aan dat met het arminianisme ook met het pelagianisme, met de leer van de vrije wil, en met het socinianisme, met de verwerping van de godheid van Christus, was afgerekend.
Gereformeerden
omniBWgeloveninderepubliek1018.indd 19
19
23-10-18 13:44
In 1618 kwam de Synode van Dordrecht bijeen om een einde te maken aan de geloofsstrijd tussen de remonstranten en contraremonstranten. De twee groepen bevonden zich al jaren in een geloofstwist, een strijd die ook buiten de kerkdeuren, bijvoorbeeld in de politiek, een grote rol speelde. Deze Synode vond aan het begin van de Gouden Eeuw plaats. De Republiek was een ware smeltkroes aan geloven. Naast de economische bloei was de persoonlijke godsdienstvrijheid een aantrekkelijke reden voor religieuze vluchtelingen, uit onder andere de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk, om te emigreren naar de Republiek. De gereformeerde godsdienst was de leidende godsdienst, maar de andere gelovigen konden vrijwel ongestoord voor hun overtuigingen uitkomen. Henk Florijn bespreekt de grote verscheidenheid aan geloven in de Republiek tijdens en na de Synode van Dordrecht, en laat zien welke personen een stempel hebben gedrukt op de kerkgeschiedenis van Nederland: van gereformeerden, rooms-katholieken, joden en lutheranen, tot quakers, collegianten, socinianen en utopisten. Dr. Henk Florijn is theoloog en auteur, en was jarenlang werkzaam als docent. Als kenner van de kerkgeschiedenis publiceert hij in verschillende kerkhistorische bladen, waaronder Oude paden en Kerkhistoriaal, en hij leverde bijdragen in verhalenbundels en schreef romans.
Henk Florijn GELOVEN IN DE REPUBLIEK
Het geloofsparadijs de Republiek
Henk Florijn
GELOVEN IN DE
REPUBLIEK
Religies tijdens en na de Dordtse Synode 1618 – 1619
www.omniboek.nl NUR 685 ISBN 978 94 0191 228 0
9 789401 912280 >
omniBOgeloveninderepubliek0418-2.indd 1
23-10-18 14:30