Skip to main content

Mythe, mysterie, mystiek- Els van Swol. IBSN 9789043532303

Page 1

Mythe mysterie mystiek.qxp_Mythe mysterie mystiek-omslag 02-05-19 09:27 Pagina 1

Els van Swol MA (1952) studeerde Kunst- en Cultuurwetenschappen en schrijft onder meer in Kerk in Mokum. Deze uitgave verschijnt op initiatief van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij, in een reeks over theologen die hebben bijgedragen aan een kritische en maatschappelijk betrokken theologie.

ELS VAN SWOL MYTHE, MYSTERIE, MYSTIEK

Henk Vreekamp (1943-2016), geliefd predikant en schrijver van onder meer de Veluwe-trilogie, noemde zichzelf een heidens-christelijk theoloog die uitgedaagd werd door het joodse denken. Dit boek biedt een eerste kennismaking met zijn werk, en bevat ook de preek die hij één dag voor zijn overlijden hield. Vreekamps denken en doen was enerzijds geworteld in wetenschap en ratio, en werd anderzijds gevoed door literatuur, muziek en beeldende kunst. Drie thema’s vormen een rode draad door zijn denken: de mythe, waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek, waarin God en mens elkaar ontmoeten.

ELS VAN SWOL

MYTHE MYSTERIE MYSTIEK DR. HENDRIK VREEKAMP

ISBN 978 90 435 3230 3 | NUR 703

9 789043 532303

(1943-2016)


MYTHE, MYSTERIE, MYSTIEK


Els van Swol

Mythe, mysterie, mystiek Dr. Hendrik Vreekamp (1943-2016)

Inclusief: De glans van de hemel, laatste preek van Hendrik Vreekamp

KokBoekencentrum Uitgevers • Utrecht


Deze uitgave verschijnt op initiatief van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij (VTM). VTM wil aandacht vragen voor theologen die hebben bijgedragen aan een kritische en maatschappelijk betrokken theologie. Els van Swol MA (geb. 1952) studeerde Kunst- en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij is auteur en recensent (onder meer voor NBD Biblion). Haar MA-scriptie is getiteld Het kwaad het hoofd bieden en behandelt visies op het kwaad bij de filosofe Susan Neiman, de schrijver Philippe Claudel en – in twee intermezzi – de wijsgerig theologen Ingolf U. Dalferth en Jean-Claude Wolf.

Ontwerp omslag: Studio Anton Sinke, www.antonsinke.nl ISBN 978 90 435 3230 3 ISBN 978 90 435 3231 0 (e-book) NUR 703 www.kokboekencentrum.nl © 2019 KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht Alle rechten voorbehouden. KokBoekencentrum Uitgevers vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.


Inhoud

Wat vooraf gezegd moet worden

7

Mythe-mysterie-mystiek

16

Eerbied

26

Grond onder de voeten

32

Ontmoeting met Marquardt

39

Postiljon-dienst

43

Fijne gedachtenweefsels

50

Elkaar in de ogen zien

57

Het vonkt!

65

Musica mundi, musica aeterna

70

Wat achteraf gezegd moet worden

75

Dankwoord

81

Primaire bronnen

82

De glans van de hemel, laatste preek van dr. Hendrik Vreekamp, gehouden in de Adventkerk, Amersfoort (28 februari 2016)

84


Wat vooraf gezegd moet worden

Het denken van de ‘door Joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog’ Henk Vreekamp is als een drieluik. Als zijn persoonlijke handtekening vind je die drieslag overal terug. Om te beginnen in de proefpreek die hij op 25 april 1968 hield in de Geertekerk te Utrecht.

Wet-mens-zonde Centraal hierin staat Romeinen 7:14, die in de toen tamelijk recent verschenen vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (1951) luidt: ‘Wij weten immers dat de wet [vet EvS] geestelijk is; ik [vet EvS] echter ben vlees, verkocht onder de zonde [vet EvS]’. Vreekamp begint zijn uitleg en verkondiging aldus: ‘Hij [Paulus] ziet drie personen: de wet, de zonde, en daartussen ziet Paulus zichzelf’. Om het woord ‘daartussen’ gaat het. Met de theoloog H. Berkhof (1914-1995) zou je dit woord ‘het perspectivisch middelpunt’ kunnen noemen (in: Christelijk geloof, Nijkerk 1985, p. 429). ‘De mens’, vervolgt Vreekamp, ‘dat is vanavond: u en ik (…). Het gaat om de vraag: hoe is onze verhouding tot de wet? Hoe is onze verhouding tot de zonde?’ Leven volgens de wet is – stelt Vreekamp – leven ‘tot eer van God’, hetgeen kan worden samengevat in een woord: ‘Liefde. Liefde tot God, liefde tot onze naaste: dat is de toestand, waarin de wet vervuld wil worden’. Vreekamp gaat na deze inleiding kort in op het rechterpaneel van het drieluik: de zonde, om vervolgens dieper door te gaan op het middenpaneel, het perspectivisch middelpunt, dat hij al had aangeduid: de mens in relatie tot het linker- en rechter zijluik, respectievelijk de wet en de zonde. Als het geen preek maar een hoofdstuk uit een van zijn boeken was geweest, had hij als literatuurliefhebber hierbij ongetwijfeld gerefereerd aan Der Prozess (1914-’15) van Franz Kafka (1883-1924), maar nu ge7


bruikt hij ter verduidelijking een beeld uit de natuur, die later zo’n grote rol in zijn werk zal spelen: ‘De zon brengt tot leven. Haar stralen zijn onmisbaar voor het ontkiemen en opgroeien van al wat leeft. Wat de zon echter uitwerkt bij een dode plant, is dit: haar stralen bevorderen nu slechts het ontbindingsproces. De zon blijft levenschenkend, maar haar werking is nu dodelijk: de oorzaak daarvan is de plant, die dood is, niet de zon. Zo blijft de wet levenschenkend, maar bij de mens die zich van de levensbron heeft afgesneden, kan zij slechts de dood [be]werken. Zo dwingt de zonde de mens zich te vertonen in het licht van de wet, die geestelijk is, en blijft. Zo komt de toestand, waarin de mens verkeert, aan het licht: Zijn vlees is tegen de wet gekeerd, zijn hart is vol vijandschap tegen God, zijn dood blijkt te bestaan in actieve tegenstand tegen de geboden.’ (proefpreek) Vreekamp zet, nadat hij het drieluik wet-mens-zonde in de grondverf heeft gezet, een volgende stap: ‘Er is nog iemand in de strijd tussen wet, zonde en vlees betrokken. Zelfs iemand, die aan de kant van de ten ondergang gedoemde mens is komen staan! Daar is de beminde van de Vader, de Zoon van Gods eeuwige liefde. Hij werd met liefde vervuld jegens de onder de vloek van de wet levende zondaar. En voordat zelfs de mens was geschapen, voorzag Hij het verderf, waarin de mens zich door eigen schuld zou storten. Hij voorzag, dat daarin de gerechtigheid en de majesteit van Zijn Vader geschonden zouden worden. Toen sprak Hij Zijn liefde uit tot de Vader: “Zie, Ik kom!” En God aanvaardde het offer van de Zoon van zijn eeuwig welbehagen. En toen de volheid des tijds was gekomen, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, opdat hij hen, die onder de wet waren, verlossen zou. 8


Daar is Jezus Christus, geboren in het menselijk vlees. Daar is Gods wet, die spreekt: “Doe de geboden, en gij zult leven”, en Christus vervult de geboden, alle geboden en tot het einde toe. Zijn vlees blijft het leven zoeken in God alleen.’ (proefpreek)

Zonde-wonder-wet Vreekamp herhaalt de drieslag op een hoger plan: de zonde (de verzoeking in de woestijn) – het wonder (het perspectivische midden) – de geestelijke wet: ‘Daar is het wonder: De Zoon van God had, in het menselijk vlees, de wet met volkomen liefde beantwoord. Hij had de strijd, die Hij streed voor de mens, die in de greep van de zonde in vijandschap tegen God leefde, gewonnen. Hij had de schuld voor de overtreding van zondaren verzoend.’ (proefpreek) Wet en zonde, de twee zijluiken, worden nu in een ander licht gezet: ‘De weg, die naar Christus leidt, wordt niet vanzelfsprekend bewandeld. De weg tot Hem gaat door de dood heen. Wij moeten sterven, om zo voor de zonde dood te zijn. Wij moeten sterven, om zo voor de wet dood te zijn. Nu is dit het wonder: Christus leert zijn gemeente, dat zij gestorven ís (…) samen met Christus. En daarna is zij begraven met Christus. En ook is zij opgestaan met Christus in een nieuw leven! Nu leeft zij in Hem. In het sacrament van de Heilige Doop verzegelt Christus ons, dat Hij ons in de gemeenschap van zijn dood en opstanding inlijft.’ (proefpreek) Pas als wij dit weten, kunnen we volgens Vreekamp Romeinen 7:4 verstaan. De prediking ervan is dan: ‘Een mens in Christus, tegelijk verkocht onder de zonde’. Dit gaat gepaard met geloofsstrijd, dat heeft Vreekamp zoals wij zullen zien ten diepste ervaren, evenals het ver9


driet om het feit dat hij wat hij wilde zeggen niet overal kwijt kon en niet door iedereen goed werd begrepen, en wat hij voorstond uiteindelijk niet echt is doorgebroken. Hier heet het: ‘Ík ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Zo bevind ík mij tegenover de wet. “Verkocht onder de zonde”, dat duidt de machteloosheid aan, waarin ik verkeer. Elia zei eens tot Achab: “Ik heb u gevonden, omdat gij u verkocht hebt om te doen wat kwaad is in de ogen des Heren”. Volgens Elia moest Achab dus zeggen: “Ik héb mij verkocht”. In onze tekst komt de toestand tot uitdrukking, die daarvan het gevolg is: Ik heb mij verkocht aan de zonde, en nu, nu bén ik verkocht. Deze toestand drukt mij als een ondragelijke last; daarin ervaar ik de kloof, die er ligt tussen het geestelijk karakter van de wet en mijn vlees.’ (proefpreek) Tot slot komt de lering: ‘Doe geen poging in eigen kracht de kloof tussen geest en vlees te overbruggen. Erken, dat gij zijt: vlees. Erken, dat gij zijt: vlees, verkocht onder de zonde. Erken zo, dat uit u tot in eeuwigheid geen vrucht wordt gevonden, die de wet waardig is. Opdat hij zó, zoals gij zijt, zoals onze tekst zegt dat gij zijt, voor eeuwig rust op het enige fundament, dat gelegd is tot eer van God en tot behoud van de zondaar: Onze Here Jezus Christus!’ (proefpreek)

De grond Het ‘fundament’ – dat is net zo’n kernwoord als het aan het begin van dit hoofdstuk genoemde ‘daartussen’. Sterker nog: beide woorden hebben in Vreekamps denken alles met elkaar te maken, zeker als je het ‘daartussen’ ziet in de dialectische zin van de theoloog Karl Barth (1886-1968) – ontleend aan diens ‘Tambacher Rede’ (1919) –: als een ‘daaronder’. Er is met andere woorden weliswaar sprake van een these en een antithese (respec10


tievelijk wet en zonde), maar de synthese, het fundament, is de grond daarónder, een a priori, de ondergrond van het drieluik, ‘de grondhouding van de gemeente’ zoals Vreekamp het zelf zou noemen. De proef op de som (chronologisch en met bronvermelding): -

-

wet – Christus – zonde (proefpreek) verleden – toekomst – heden (Eerbied) schepping – openbaring – verlossing (Gedachten over gedenken) mythe – mysterie – mystiek (De tovenaar en de dominee) mij – God – jou (Het midden) Midgaard (aarde) – Asgaard (woonplaats van de goden van de hemel) – Helheim (woonplaats van de godin van de onderwereld, preek 7 april 2013, Domkerk Utrecht) deze wereld – dag van de Messias – komende wereld (Het jaar van Vivaldi)

Waarbij in algemene zin het middelste woord de grond vormt, de essentie, het perspectief. Nadat Vreekamp eerst enkele Bijbelse drieslagen noemde, sprak hij in het op een na laatste beeld de taal van de noordelijke runen-wereld: ‘Boven ons is de hemel, wij zelf leven onder de hemelkoepel op het vlak van de aarde en beneden ons zijn de nederste delen van de aarde’. Het ging hem – terug naar de proefpreek – hier over Christus die is neder-gestegen, dat wil zeggen: tussen begraven en opgewekt zijn in, ten derde dage. ‘Pasen begint in de hel’. Een gewaagde uitleg, zoals hijzelf zei. Calvijn (1509-1564) durfde het niet aan, Luther (14831546) wel: ‘Die de hel zijt doorgegaan / en hemelwaarts opgestaan’ (Nun komm, der Heiden Heiland). Toch past hier een kanttekening bij – overigens een die Vreekamp zelf maakte tijdens een Israëlcursus op 16 februari 2016 in Nijkerk (‘De tabernakel en de volkeren’), die later werd gepubliceerd: 11


‘In de heidense traditie van de volkeren van NoordEuropa (…), de noordse mythologie (…), staat de held van het geweld altijd in het midden (…). Als het evangelie losgescheurd wordt uit de verbanden van de Schriften van Israël, dan wordt altijd vroeg of laat de jezusfiguur een held en raakt steeds verder weg van de Tsaddiek [rechtvaardige EvS] (…). Ik heb het ontdekt aan de hand van de Heliand, de vertaling van het evangelie voor de Saksen (…). Jezus van Nazareth wordt in de Heliand de held (…). Als Christus terechtkomt in die van oorsprong pagane [heidense EvS] context, dan is het Nieuwe Testament werkelijk losgesneden van de Schriften van Israël en wordt Jezus dus aangepast aan de vigerende, dominante cultuur. En dan is alles verkeken.’ (De tabernakel en de volkeren) Het kan niet genoeg gezegd worden – want hier ligt een groot misverstand op de loer –: het ging Vreekamp niet om het romantiseren van het heidense denken, maar om het begrijpen van zijn heidenchristelijke wortels en vooral om wat het geloof in de God van Israël, de bron, hem in dat verband ten diepste had te zeggen, als stem en tegenstem. Ik zeg met nadruk: in de God van Israël, want wie in bovenstaande drieslagen de meest voor de hand liggende, de triniteit (Vader – Zoon – Heilige Geest) mist, heeft gelijk, aangezien dit niet in de geest van Vreekamps denken ligt, evenmin als de drieslag Israël – Kerk – de volken. In bovengenoemde lezing in Nijkerk heeft hij zich over de triniteit uitgelaten, terwijl het gevaar dat in laatstgenoemde drieslag ligt, terugkomt in het hoofdstuk ‘Ontmoeting met Marquardt’. In Nijkerk heette het aldus: ‘Het christendom is niet monotheïstisch, maar trinitarisch. Of is dat hetzelfde? Als het christendom niet monotheïstisch is, dan zitten we fout. Dan ben ik met die drie, hoe mooi ik het ook inkleed, nog altijd bezig: met Wodan, Thor en Freija (…). Wat zegt Marquardt? Ja, dat is een hele uitspraak. Het trinitarisch dogma is 12


onmisbaar voor de identiteit van de heidenchristen, van de volkeren en alleen voor hen bestemd (…). In de leer van de triniteit zoeken heidenen die christen zijn geworden de God van Israël te leren kennen en op Hem te vertrouwen. Daar gaat het om. Dat leren zij door de leiding van Jezus en van de Geest, dabar en roeach. En zo gezien is het trinitarisch belijden van de kerk een natekenen van de aan Mozes geopenbaarde Naam van God, Adonai, de Verborgene, maar nu voor niet-Joden die het koningschap van deze God willen aanvaarden en daarvoor zich op Jezus en de Geest beroepen. Het trinitarisch dogma mag zich dus niet afsluiten voor het Oude Testament. Doet het dat wel, dan smeedt de kerk een eigen beeld van God, een gesneden beeld in drievoud, en we hebben gehoord: dat is de ergste overtreding die denkbaar is. De God van Israël is, en blijft, de bron.’ (De tabernakel en de volkeren)

Rechtvaardiging Terug naar de wél gegeven drieslagen. In alle gevallen gaat het om ‘een kiertje licht’ tussen het eerste en laatste woord, ‘een weinigje hoop. Een richeltje inzicht’ waar Vreekamp ook eens in de Dom in Utrecht (26 juli 2009) over sprak. Omschrijvingen die verwant zijn aan de Kabbala, een vorm van joodse mystiek, waarin sprake is van een scheur, van gebrokenheid waar het nieuwe licht in kan doorbreken, zoals de joodse dag niet begint met het krieken van het licht, maar wanneer de duisternis valt. Die scheur, die gebrokenheid noemt Vreekamp met Paulus de rechtvaardiging van ongelovigen. Deze rechtvaardiging is – minder christocentrisch dan in zijn proefpreek – doorslaggevend voor zijn denken en doen. Paulus beschouwde dit als Gods reddende kracht ‘voor allen die geloven, voor Joden in de eerste plaats, maar ook voor andere volken’ (Romeinen 1:16-17). Vreekamp schrijft: ‘In de tijd van de reformatie van de kerk in de loop van de zestiende eeuw werd dit geheim herontdekt. 13


God rechtvaardigt de goddelozen, is het hervonden adagium. Gebroken, hopeloos, hulpeloos, dat zijn we. Dat blijven we. We glijden steeds terug, steeds verder af. In plaats van heiliger, steeds goddelozer. Dat is de realiteit. En veel beter wordt het niet. Blijf waar je bent. Ik kom bij je, klinkt het uit de hemel. God daalt neer. En verklaart een goddeloos mens heilig. Dat is de realiteit in het geloof dat de kerk een heilige kerk is.’ (Als Freyja 276) Die rechtvaardiging, dat kiertje licht, dit weinigje hoop en dat richeltje inzicht vond Vreekamp ook in de kunsten. Of het nu om beeldende kunst ging, om literatuur of muziek, een ding hebben ze gemeen, de schilderijen die hij lief had (waaronder Michelangelo, Rafaël en Jan van Eyck), de literatuur die hij las (vaak geworteld in de joodse mystiek) en de muziek die hij beluisterde of als organist speelde (Antonio Vivaldi, Joh. Seb. Bach en Georg Fr. Händel): allemaal was het op een of andere manier geworteld in het geloof dat zin en samenhang aan zijn keuzes gaf. Het was ook, zoals de schilder Barnett Newman (19051970) meende: geconfronteerd worden met een groot kunstwerk verschilt in wezen niet van een ontmoeting met een mens. Het is zoals Leonard Vreekamp tijdens de uitvaartdienst van zijn vader, op 4 maart 2016 in de Grote Kerk van Epe zei: ‘Mijn vader had de unieke eigenschap om met iedereen individueel een eigen unieke band op te bouwen (…). Hij was een man met een open hart voor iedereen.’ Tijdens diezelfde dienst werd verwezen naar Nick Bottom die in A Midsummernightsdream van William Shakespeare (1564-1616) van Puck het hoofd van een ezel had gekregen. Het is Shakespeare die in zijn stukken als geen ander ‘gemoedstoestanden als emotionele ervaringen vertoont waarin voelen en denken samengesmolten zijn 14


(…). Het gaat om het soort levensmysteries die je elk op je eigen manier herkent als iets centraals, als iets essentieels [vet EvS]’ (A.G.H. Bachrach, Naar het hem leek …, Den Haag 1957, p. 139). Het is, met de gedichten van Ida Gerhardt (1905-1997) die bijvoorbeeld een eenvoudige dis transcendeert tot een Avondmaalstafel (‘De disgenoten’ in Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980), maar een stap naar het Mysterie, zoals Vreekamp dat in al zijn dialectiek beschrijft in zijn ontmoeting met Louis Fraanje, de verhalenverteller, schrijver en natuurfotograaf van de Veluwe: ‘Dorpskerk en Hotel Floor. Sinds mensenheugenis een vertrouwd tweespan in het hart van Lunteren. Louis Fraanje kent ze beide van huis uit, de kerk en het dorpsleven. Rusteloos op zoek naar de dieren van het veld en de vogelen des hemels, slaat zijn mensenhart soms heilig onrustig. Dan is hij geraakt door het Mysterie.’ (Het jaar van Vivaldi 136) Het zou zomaar, zoals we zullen zien, over Henk Vreekamp zelf kunnen gaan. In het volgende hoofdstuk ga ik met name in op een andere drieslag, die van mythe – mysterie – mystiek.

15


Mythe – mysterie – mystiek

Het plafond bood geborgenheid, de kroonluchter waarheid, de witte muur vrijspraak, ik was gekleed in kleding van licht. (Anton Ent, bij Psalm 42, Liedboek, p. 132) In de serre van het huis in Epe, waar de familie Vreekamp sinds 1976 met de familie Dalhuisen woonde, lagen ze: de bijbels van Hendrik, de grootvader van ‘onze’ Henk Vreekamp. Erboven hing een door hem getekend, prachtig portret van grootvader. En op een tafeltje, onder een raam, stond de doos waarin de talliet, het gebedskleed van Henk Vreekamp lag dat is meegegaan in zijn graf. Tussen de bijbels, het portret en het gebedskleed zat hij en ontving mensen. Het is kenmerkend; je moet immers weten waar je vandaan komt: deels uit een geslacht van een tovenaar (de overgrootvader), deels uit een bevindelijk hervormd-gereformeerd milieu dat luisterde naar de God van Israël. Die achtergrond staat beschreven in het eerste deel van de Veluwe-trilogie: De tovenaar en de dominee. Over de verschijning van God (2010). De tovenaar staat voor het heidendom (mythen en mystiek), de dominee voor de bewaker van het christelijke mysterie. In dit hoofdstuk vormen de (auto)biografische notities uit dit boek de leidraad.

De tovenaar Als je het plattegrondje van Hoevelaken, Vreekamps geboorteplaats bij Amersfoort achterin het boek bekijkt, zie je dat het huis van de tovenaar en het geboortehuis van Henk Vreekamp – dat hij een keer in een bijzin, terloops noemt (p. 41) – aan de rand van het dorp liggen, niet ver verwijderd van wat nu de uitbreidingswijk Vathorst van Amersfoort is. 16


Het verhaal gaat dat Rikert Vreekamp zijn vrouw, Aleida van Deuveren, betoverde waarna zij stierf. Hij was een ‘lastige man’, maar het woord ‘tovenaar’ viel nooit. Misschien werden de witte muizen die bij hem uit zijn mond kwamen, verward met wit schuim om de mond van een epilepticus? Misschien is alles bij elkaar een invented tradition, in de zin dat Vreekamp het wáár wilde laten zijn: heiden-christelijke theoloog van afkomst te zijn, in al zijn dialectiek. ‘Om met de deur in huis te vallen: de tovenaar, de tovenaarszoon en de dominee, zij vormen een drieeenheid (…). Tegelijk lijken ze zo verschillend als dag en nacht. Vragen hebben ze naar elkaar toe (…). Bijeenhouden deze drie, hoe? De drieslag mythemysterie-mystiek is de klassieke theologie bekend.’ (De tovenaar 229 e.v.) De overgrootvader staat voor de natuur (de mythische wereld), het mysterie voor de dominee in het perspectivische midden, en de mystiek voor de grootvader.

De dominee De dominee, Henk Vreekamp, werd in 1943 geboren als oudste van een groot gezin met zeven broers en drie zussen. Van zijn moeder, die bij een Joodse slagerij Hamburger in Nijkerk werkte, erft hij de voorliefde voor het Jodendom. ‘Zij was in een Joods huis geweest. Daar mocht zij alles eten, mits ze erom vroeg. En ze vertelde. Hoe anders het Joodse eten en drinken was. Hoe anders het leven. Ik luisterde. En ik bewaarde de woorden in mijn hart.’ (De tovenaar 271) Met Rachaël Hamburger, de enige dochter en overlevende uit het slagersgezin die op aliyah (emigratie) naar Israël ging, is het contact altijd blijven bestaan. Tachtig dagen, twee maal veertig, na zijn geboorte maak17


te Vreekamp ‘zijn eerste grote reis’. Hij werd gedoopt in de Dorpskerk. Hij kreeg in deze kerk ook zijn eerste orgellessen van de plaatselijke kerkorganist, Johanna Maria Fontein (1899-1963). Thuis speelde hij, zoals te doen gebruikelijk in een bevindelijk milieu, harmonium, in de volksmond ‘Psalmenpomp’ genoemd. Op de laatste avond voordat zijn grootvader in het ziekenhuis De Lichtenberg in Amersfoort zou worden opgenomen, begeleidde hij hem hierop in Psalm 42, die net als Psalm 23 een geliefde psalm was en is in deze kringen. Psalm 42 klonk ook als openingspsalm bij de uitvaartdienst van kleinzoon Henk in Epe. ‘Zij [Fontein EvS] was het die mij inwijdde in de kunst van het orgelspel. Het orgel was in de Hoevelakense kerk gekomen ten koste van de middeleeuwse fresco’s. Op de gaanderij keek ik vanaf mijn plaats naast het orgel om de hoek om de organiste te zien spelen. Het was kantje boord geweest of het orgel ter begeleiding van de gemeentezang was ooit verbannen naar het domein van de wereld. Maar het opent vanuit de kerk nu juist de deur naar de wijde wereld van de muziek.’ (De tovenaar 183) Zoals tussen twee haakjes in oude orgelkassen al vanouds wereldse muziekinstrumenten zijn gesneden. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw vervolgde Vreekamp zijn orgellessen in de St. Joriskerk te Amersfoort bij de – o toeval – door een ongeval om het leven gekomen organist en dirigent Willem Hülsmann (1911-1989). Hülsmann stond bekend als zowel kritisch als stimulerend naar zijn vele amateurleerlingen toe. Hij bracht het niveau van hun spel, en dat van de koren die hij dirigeerde, op een hoog niveau. Dit blijkt uit het orgelspel van Vreekamp, die tijdens de jaren dat hij predikant was tal van zogenaamde, door hem bedachte ‘Domineesconcerten’ gaf, en dat blijkt ook uit aantekeningen die een oom van mij, lid van de Christelijke Oratoriumvereniging ‘Noord-West-Veluwe’, in het piano-uittreksel van Bachs Matthäus Passion maak18


te ten behoeve van de uitvoeringen die zij er in 1964 en 1967 te Ermelo en Deventer van gaven. In de aria met koor ‘Ich will bei meinem Jesu wachen’ staat in de koorpartij bij de tweede keer waarop ‘so schlafen unsre Sünden ein’ bijvoorbeeld een p (piano, zacht) aangetekend. Hierdoor klonken de achtste noten in de herhaling opeens als een versiering van de kwarten zoals ze eerst werden gezongen. Amersfoort was ook anderszins een vruchtbaar oord, want hier ontmoette Vreekamp Israël Paulus Tabaksblatt (1902-1992), de van origine orthodoxe Jood die na de Tweede Wereldoorlog predikant werd en ‘uitgezonden naar Israël disputeerde met rabbijnen zoals zijn naamgenoot Paulus dat moet hebben gedaan. Zijn woorden sloegen diep bij mij in: “… ik heb mij nooit als christen beschouwd en me nooit thuis gevoeld in het christendom als godsdienst en cultuur. Vooral na de oorlog merkte ik dat ik alleen maar iets voor mijn Joden kon doen waar de naam Jezus beleden wordt in de christelijke kerken. Dat was de enige mogelijke weg voor mij. Maar ik bleef met huid en haar en alles de Jood die ik was …”.’ (De tovenaar 128) Zetten wij eerst nog enkele stappen terug in de tijd: na de middelbare school, Gymnasium Alfa en Bèta aan het Corderius Lyceum in Amersfoort, studeerde Vreekamp enige tijd wis-, natuur- en sterrenkunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht (thans: Universiteit Utrecht). Een logische, bètamanier van denken is hem altijd eigen gebleven, evenals de gretigheid naar taal, kunst en cultuur van een alfamens; in deze combinatie ligt zijn kracht en wellicht een deel van wat je zijn geheim zou kunnen noemen.

Het Woord Nadat hij – zoals hij het eens in een interview verwoordde – ‘op een zondagavond onverwachts in de kraag werd gegrepen, in Hoevelaken, onder het Woord’, stapte hij over naar theologie, eveneens in Utrecht. Gul als hij was, 19


heeft Vreekamp als zijn studietijd ter sprake kwam, altijd de naam van zijn leermeester A.A. van Ruler (1908-1970) genoemd, ook in De tovenaar en de dominee (p. 123-125). Bij hem had hij dogmatiek gestudeerd. In een recensie over het eerste deel van diens Verzameld Werk in het Friesch Dagblad (26 september 2007), geeft Vreekamp een schets van Van Rulers denken – en eigenlijk ook dat van hemzelf: ‘Theologie moet je niet in de kerk willen opsluiten. Geen “kerkelijke” dogmatiek dus, zoals Karl Barth schreef. Nee, theologie is voor Van Ruler “denkende begeleiding van God in zijn gang over de aarde”. Het is – jawel – meedenken met God. Met het oog op de komst van Zijn koninkrijk op aarde (…). Hart en merg van Van Rulers theologie zie ik (…) in de vraag of wij heidenen de ons vreemde God van Israël ooit kunnen leren kennen. Met woorden van de leraar zelf: “In taal van de bezettingstijd: Wij ontmoeten meer van God, wanneer we op straat een Jood tegenkomen, dan wanneer we inkeren in onze Germaanse rasziel”. Van Ruler werd dominee in het jaar waarin Hitler aan de macht was gekomen. Niet toevallig stond Van Ruler aan de wieg van het gesprek met Israël zoals verwoord in de hervormde kerkorde van 1951.’ In 1964 leert Vreekamp Marjoleen Arina van den Berg (1941-2018) kennen, dochter van een zakenman. In 1966 trouwden zij; een huwelijk dat gekenmerkt werd door wat de sociologe Christien Brinkgreve ‘de gunnende liefde’ zou noemen. Tijdens de uitvaartdienst van Henk Vreekamp vertelde zijn vrouw over de periode van kennismaking en hun huwelijk het volgende: ‘Mens te zijn op aarde: zo is ons leven samen in 1964 begonnen tussen 5 en 25 juli. We hadden gesprekken over levenswijsheid, geloof en liefde. Op de vraag van Henk aan mij over de liefde, vroeg hij, hoe zie jij dat? Toen was mijn antwoord: “Bid en vraag het aan de 20


Here”. Hij vroeg: “Doe jij dat?” Ik zei: “Ja”. “Dan ben jij het”, zei hij.’ Samen kregen zij vier kinderen en acht kleinkinderen. De kinderen hebben Bijbelse en heidense namen: Cunera, Leonhard, Riquard en Jochanan. In 1971 vertrok het jonge echtpaar naar Oosterwolde (Gelderland), waar Henk Vreekamp door ds. J. van Sliedregt (1914-1973) in het ambt werd bevestigd. Van 1971-1976 was hij hier predikant en had een fijne tijd in een dorp met een bevolking die een milde inslag had ten aanzien van geloofskwesties. Deze periode werd gevolgd door een wat moeilijker tijd dien aangaande, in Epe (1976-1984). Iets van de onrust die dit meebracht, klinkt soms door in Vreekamps orgelspel uit deze periode en iets daarvan beschreef hij in Zwijgen bij volle maan: ‘Neem het zwijgen op kerkenraadsvergaderingen. Lanceert de dominee een voorstel dat niet welgevallig is, dan willen ze hem niet aanstonds voor het hoofd stoten. De volgende ochtend zal de predikant er achter komen wat ze er werkelijk van denken, wanneer ze buiten de orde van de vergadering om onder elkaar hebben vastgesteld waar het op staat. Nog zal de voorganger het dan niet snel rechtstreeks te horen krijgen.’ (Zwijgen 45) In Epe betrokken zij als gezegd met de familie Dalhuisen een woning. Dit wekte in het dorp, en daarbuiten, soms een zekere bevreemding en valt misschien alleen te begrijpen met de woorden van dichter Anton Ent (1939), ‘vriend voor alle seizoenen’ zoals hij achter in De tovenaar en de dominee wordt genoemd: ‘Uw naam is een burcht met talrijke zalen, een kasteel vol taal en muziek.’ Is het toeval dat het vignet op Vreekamps website doet denken aan dat van de firma Dalhuisen in Epe (thans 21


beperkt tot tankstations en groothandel in brandstoffen), waar zijn vrouw (Zakenvrouw van het jaar in 1990) directeur en mede-eigenaar was? De cirkel bij het vignet van Vreekamp gaat naar het perspectivische midden, naar de Bijbel, de cirkel van Dalhuisen is – zo kwam mij ter ore – een kaars die brandt totdat Hij (weer)komt. Terug naar het boek De tovenaar en de dominee, waarin de taal en muziek uit het aan het begin van dit hoofdstuk geciteerde gedicht van Ent ruimschoots naar voren komt: ‘Dominee word je uit liefde tot de heilige Schrift. Zo ontmoet mij de Schrift, als taal, als literatuur, als muziek, als kunst, als poëzie, als proza, als bibliotheek, als verzameling heilige teksten. Nooit onder controle. Altijd weer opnieuw het zoeken naar een ingang tot de overweldigende, overstelpende inhoud.’ (De tovenaar 209) ‘De leer van de kerk kan ik het best verstaan wanneer ze in muziek gekleed gaat. In een cantate van Bach, in de Messiah van Händel. Het dogma wil het liefst als lied klinken. Het mysterie van de kerk op muziek gezet, zodat die kerk niet geheel hoeft te zwijgen. In de kerk is het altijd “zingend” geloven.’ (De tovenaar 187)

De volken Het mysterie, maar ook de mythe en mystiek, vonden Henk en Marjo Vreekamp ook terug in de reizen die ze samen maakten. Reizen om ‘de volken’ in de Bijbelse betekenis van het woord te ontmoeten (God ging Zijn weg immers met Israël én de volken), van Eskimo’s tot Maori’s, van Indianen tot Zoeloes. Haast op een manier die doet denken aan de etnografische methode die Participerende observatie heet; de onderzoeker maakt dan tijdelijk deel uit van de gemeenschap die hij bestudeert en reflecteert daarover, hoewel hij/zij zich er zeker bewust van zal zijn, dat hij een grensganger is en blijft. In het boek De tovenaar en de dominee zijn drie reizen terecht gekomen: naar Groenland (p. 151), Antiochië (p. 190) en Istanbul 22


(p. 221). Niet voor niets in het noorden, zuiden en perspectivische midden – mythe (natuur), mysterie (genade) en mystiek (glorie)! Maar voor alles natuurlijk Jeruzalem, met dien verstande dat het de vraag is wáár dat ligt. Want ‘wie met de vinger wijst, en zegt: dáár – die krijgt de stad te zien in het ándere licht dat van de overzijde over de stad valt. Wie meent te moeten zeggen: óveral – die ontvangt met Zacharja een gezicht over het Jeruzalem van de eigen dag, op de atlas getekend als de navel van de wereld. Zie, zó is Jeruzalem gelegen en zó zal tenslotte haar status zijn. Hier is de plaats waar hemel en aarde elkaar begroeten als begin van een eenheid zonder weerga en zonder einde.’ (Zacharja 106) Waarbij aangetekend dat Vreekamp in de laatste zin het begin van een gedicht van Von Eichendorff citeert (‘Mondnacht’): ‘Es war, als hätt’ der Himmel / Die Erde still geküßt’. Ook elders komt dit beeld, waar hemel en aarde elkaar begroeten, in andere woorden terug. Bijvoorbeeld in Het jaar van Vivaldi: ‘Tussen deze wereld en de toekomende ligt de dag van de Messias – een dag als duizend jaren – waarin beide werelden over elkaar schuiven, deze en de komende. In dit licht kunnen we de beelden van Zacharja 14 “plaatsen”. Zacharja heeft déze wereld als vaste grond onder de voeten. Hij schetst de contouren van het bestaande Jeruzalem. Vandaar ziet hij hoe de nieuwe schepping de oude binnentrekt. Hij ziet de ene dag waarop geen nacht volgen zal, de stromen van levend water uit de flanken van de stad neerdalen in de Dode Zee. En de splitsing van de Olijfberg in tweeën, zodat de belegerde inwoners van Jeruzalem kunnen ontkomen. Deze wereld en de toekomende schuiven in elkaar, zoals wanneer twee beelden geprojecteerd op een scherm over elkaar glijden: het ene gaat terwijl het andere komt.’ (Het jaar 101-102) 23


Dialoog met het Jodendom In 1982 promoveerde Henk Vreekamp aan de Rijksuniversiteit Utrecht. In hetzelfde jaar startte hij zijn diverse werkzaamheden in het kader van de dialoog met het Jodendom. Beide items, de dissertatie en de diverse werkzaamheden, komen in de twee hierna volgende hoofdstukken terug. Vanaf 2002 was Vreekamp emeritus-predikant, wat hem niet belette zowat tweewekelijks dáár voor te gaan waar hij werd gevraagd. Die dienstbare opstelling blijkt uit het feit dat hij in 2016 met grote blijdschap werd gevraagd consulent te zijn bij de Grote Kerk in Epe, tot er een opvolger voor Bas Zitman zou zijn benoemd. Hij heeft deze taak aangenomen maar niet lang kunnen uitoefenen. Net zomin als het boek er is gekomen dat hij samen met zijn vrouw zou gaan schrijven: De koopvrouw en de dominee. Let hierbij op het nevenschikkende woordje ‘en’ en niet: de koopvrouw naast de dominee, of: de dominee naast de koopvrouw, maar als de twee handen van organist Herman Dalhuisen die tijdens de uitvaartdienst van Marjoleen Vreekamp de twee klavieren van het orgel in de Grote Kerk te Epe beroerden, in een vraag- en antwoordspel: Henk als een vraag, Marjo als een uitroepteken, zoals Ent stelde. In dit boek zou zo ongetwijfeld tot uitdrukking zijn gekomen waarin ze elkaar aanvulden, de zakenvrouw en de ‘zwever’ (rabbijn Raphael Evers in zijn hespeed, lijkrede op 7 maart 2016 in Oosterwolde), maar ook waarin ze overeenstemden: de zakenvrouw die concurrentie niet met concurrentie wilde bestrijden, de dominee die er – gelijk de dominee in de roman De avond is ongemak van Marike Lucas Rijneveld – ervan was overtuigd dat ‘de enige manier om je vijand uit te schakelen, hem tot vriend te maken is’ (Amsterdam 2018, p. 236). Wat achter zulke meest zakelijke vermeldingen schuil gaat, is dat Vreekamp met zijn taakopvatting, en ook met het geloof als zodanig, heeft geworsteld. Iets daarvan proeven we ook in de volgende woorden, tegen het eind van De tovenaar en de dominee:

24


‘Ook ik heb God gezocht, levenslang en diepgaand. Maar Hem heb ik niet gevonden. Een vermoeden heeft daarvoor plaatsgemaakt. God moet wel wijken wanneer wij Hem te dicht willen naderen (…). Het is omgekeerd. God zoekt de mens. Die grondtoon ving ik op in de synagoge. Ving ik daar opnieuw op, moet ik zeggen. Ik herkende onverwacht de catechismus van mijn jeugd. God zoekt het verloren geraakte schepsel. Daarvoor breekt Hij dwars door de dood heen, opent langs die weg – geen mens weet hoe – zijn hart van liefde. Als ik God zoek, zoek ik naar iets dat ik al gevonden had. Ik was gevonden, voordat ik zelfs maar op het idee kon komen te zoeken.’ (De tovenaar 268269)

25


Mythe mysterie mystiek.qxp_Mythe mysterie mystiek-omslag 02-05-19 09:27 Pagina 1

Els van Swol MA (1952) studeerde Kunst- en Cultuurwetenschappen en schrijft onder meer in Kerk in Mokum. Deze uitgave verschijnt op initiatief van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij, in een reeks over theologen die hebben bijgedragen aan een kritische en maatschappelijk betrokken theologie.

ELS VAN SWOL MYTHE, MYSTERIE, MYSTIEK

Henk Vreekamp (1943-2016), geliefd predikant en schrijver van onder meer de Veluwe-trilogie, noemde zichzelf een heidens-christelijk theoloog die uitgedaagd werd door het joodse denken. Dit boek biedt een eerste kennismaking met zijn werk, en bevat ook de preek die hij één dag voor zijn overlijden hield. Vreekamps denken en doen was enerzijds geworteld in wetenschap en ratio, en werd anderzijds gevoed door literatuur, muziek en beeldende kunst. Drie thema’s vormen een rode draad door zijn denken: de mythe, waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek, waarin God en mens elkaar ontmoeten.

ELS VAN SWOL

MYTHE MYSTERIE MYSTIEK DR. HENDRIK VREEKAMP

ISBN 978 90 435 3230 3 | NUR 703

9 789043 532303

(1943-2016)


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Mythe, mysterie, mystiek- Els van Swol. IBSN 9789043532303 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu