Fabry-Onder een bloedrode hemel def.qxp_Fabry 10-05-19 16:23 Pagina 1
5
– FRANCINE
RIVERS
1933
In het mijnwerkersdorp Beulah Mountain groeien de meisjes Ruby en Bean samen op, ondanks hun verschillende afkomst: de een is de dochter van een mijneigenaar, de ander een mijnwerkersdochter. Van de onvrede die heerst in het dorp, hebben ze geen besef. Totdat er een tragedie plaatsvindt die hen voor altijd zal scheiden.
2004 Als een jonge verslaggever bij Ruby voor de deur staat met vragen over het bloedbad van 1933, wordt ze voor het eerst sinds jaren geconfronteerd met de herinneringen aan die vreselijke dag. Totaal onverantwoord gezien haar leeftijd, stapt ze in de auto en rijdt terug naar de plek waar het allemaal begon, waar nu een nieuwe crisis dreigt en alleen het geheim dat ze al die jaren zorgvuldig heeft bewaard verschil kan maken.
5
C H R I S F A B R Y heeft al vele boeken op zijn naam staan. Met vijf
CHRIS FABRY CHRIS FABRY Onder een bloedrode hemel
‘Dit boek pakte me vanaf de eerste bladzijde. Ik was onmiddellijk begaan met de belevenissen van Ruby en Bean, en hoe meer stukjes geschiedenis werden onhuld, hoe spannender het werd. Een geweldige leeservaring!’
Onder een bloedrode hemel
van zijn romans won hij de Christy Awards, de meest prestigieuze prijs voor christelijke romans in de Verenigde Staten. ISBN 9789043531863 NUR 342
9 789043 531863
Roman
onder een bloedrode hemel
Chris Fabry
Onder een bloedrode hemel Roman
Vertaald door Jaap Slingerland
KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht
Vertaling: Jaap Slingerland Ontwerp omslag: Marry van Baar Lay-out binnenwerk: Crius Group
isbn 978 90 435 3186 3 isbn 978 90 435 3187 0 (e-book) nur 302 www.kokboekencentrum.nl Oorspronkelijk verschenen onder de titel Under a Cloudless Sky bij Tyndale House Publishers, Inc., USA. © Chris Fabry, 2017 © 2019 KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht De Bijbelteksten in deze uitgave zijn ontleend aan de NBV, © 2004 Alle rechten voorbehouden. Uitgeverij KokBoekencentrum vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Ook is het papier 100% chloor- en zwavelvrij gebleekt.
Voor mijn grootouders, John en Elizabeth Muchy Fabry, en Homer en Allie Runion Spurlock Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp? Psalm 121:1
DEEL I
1 We maken kennis met Ruby en Bean Beulah Mountain, West Virginia Juni 1933
Ruby en Bean ontmoetten elkaar in de zomer van 1933 in een stad met de naam ‘Beulah Mountain’, op de zuidwestelijke steenkolenvelden van West Virginia, kort voor het bloedbad dat in sommige geschiedenisboeken niet meer dan een voetnoot is. Als mensen het over die tijd hebben, spreken ze over ‘rood’ en ‘zwart’. Bloed was de prijs die werd betaald en steenkool de prijs die werd gewonnen. Mijnwerkersgezinnen werden beschouwd als bijkomstige schade in een oorlog tegen de aarde zelf, een waarin men vocht met pikhouwelen en TNT. Er zijn duizenden manieren waarop het verhaal zou kunnen beginnen. Met de eerste ontmoeting tussen Ruby en Bean, of met Beans spijt, of met uit te leggen waar haar naam vandaan komt, of met de schok toen ze ontdekten wat er op de tweede verdieping van de bedrijfswinkel gebeurd was. Maar er is nog een herinnering die naar de oppervlakte stijgt. Die herinnering is gehuld in muziek en preken en twee vriendinnen die over het kreupelhout lopen, hand in hand, giechelend, geen vuiltje aan de lucht, de pijn en het verdriet van het leven nog ver weg. Ruby klampte zich als een jong katje vast aan Bean, banger om los te laten dan om vast te houden. Ze kende de heuvels niet zo goed als haar vriendin en Bean ging zo snel dat het Ruby bang maakte. In dit soort situaties, als jij alleen maar aan wandelen kunt denken, is het fijn als je je kunt vasthouden aan iemand die door het leven rent. ‘Niet zo snel,’ zei Ruby. In haar stem was een vleugje noordelijke verfijning te horen. De mensen in Beulah Mountain vonden 9
Ruby laatdunkend klinken, alsof ze zich airs gaf, en sommigen binnen de gemeente vroegen zich af of deze dochter van een mijneigenaar wel thuishoorde in hun kerk. Sommigen dachten dat ze spioneerde om informatie over de vakbondsopstand te verkrijgen. Ruby droeg de jurk die haar moeder uit een catalogus had uitgezocht, een jurk die ze alleen aanhad op zondag, en ’s avonds als ze niet kon slapen. Deze jurk vormde, samen met de foto’s en juwelen en aandenkens die ze bewaarde in een doosje op haar kaptafel, de laatste schakel met haar moeder. Haar stem verdween langzaamaan uit haar herinnering en dat zat Ruby dwars, maar de fijne contouren van haar moeders gezicht en het volle bruine haar en de lange wimpers waren er nog altijd, zodra ze haar ogen sloot. Ruby’s vingernagels waren netjes geknipt en haar haren glansden in het zonlicht als de krullen op haar rug dansten. Ze droeg roze linten, die mevrouw Grigsby in haar haar had gedaan. Mevrouw Grigsby, de echtgenote van de eigenaar van de bedrijfswinkel, was in dienst genomen om op Ruby toe te zien en haar weg te houden van kinderen aan de overkant van het spoor; een taak waarin mevrouw Grigsby jammerlijk had gefaald. Kinderen vinden uiteindelijk hun eigen klasse, hun eigen poel, net als water en steenkoolslurry dat doen. Het is mooi om twee zielen met elkaar verwant te zien raken. En dat ging op voor die van Ruby en Bean, al zorgde hun vriendschap aanvankelijk wel voor gefronste wenkbrauwen. Maar in de zomer van 1933, terwijl de kerkklok luidde, trok Bean Ruby nog iets harder met zich mee en gleden ze langs de helling omlaag, tussen de varens en rododendrons en jonge boompjes door, om ten slotte uit te komen op het pad dat naar het kleine witte kerkgebouw voerde en waarover mensen van alle kanten van de berg naar de kerk liepen. ‘Ik zeg je,’ zei Bean,‘deze kerkdienst is het meest opwindende dat ik elke week meemaak.Verder heb ik geen enkele reden om in dit dorp te blijven.’ 10
‘Jij zit hier vast tot aan je laatste dag, Bean, en dat weet je best,’ antwoordde Ruby. ‘Echt niet,’ zei Bean. ‘Ik wil de wereld zien. En ik neem mijn moeder mee. Deze heuvels kunnen mij niet tegenhouden.’ ‘Niet zo snel!’ Beans schoenen werden bijeengehouden door veters van zeegras en gebed. Haar vingernagels waren afgekloven en hadden rouwranden door het rapen van steenkool en het kaalplukken van kippen en het opgraven van wormen om mee te vissen. Bean (die eigenlijk Beatrice heette) was tanig en lang voor iemand van twaalf, en ze had meer dan het nodige leed doorgemaakt. Ze had geholpen bij de begrafenissen van twee broertjes en een zusje die al waren gestorven voordat hun eerste kreetje had geklonken. Ze had haar moeders hand vastgehouden en haar getroost wanneer haar vader er weer eens niet was. ‘Je mag nooit meer de dokter gaan halen,’ had haar moeder na het laatste doodgeboren kindje gezegd.‘Dat moet je me beloven.’ ‘Waarom, mama?’ ‘Die man geeft geen zier om mensen als wij,’ zei ze.‘Hij maakt het alleen maar moeilijker. Als ik nog eens ziek ben, ga je hem niet halen. Begrepen?’ Bean had het beloofd, zonder te voorzien wat de gevolgen daarvan zouden zijn of wat het voor beroering zou opleveren. Ruby was ouder dan Bean, maar niet veel. Bean was veel sterker en taaier, en vanbuiten zo ruw als een maiskolf (op de meeste dagen rende ze op blote voeten rond). Op de hele planeet konden er geen twee meisjes meer van elkaar verschillen en toch, ze hadden elkaar gevonden. ‘Wacht even,’ zei Bean, toen ze de bosrand hadden bereikt. Ruby, die buiten adem was, verwelkomde de onderbreking. ‘Wat is er?’ ‘Kijk daar eens.’ Ruby zag iets bewegen en tuurde door het struikgewas naar een dier. Elegant. Statig. Toen de kop achter een brede boom tevoorschijn kwam, zag ze dat het een hert was. 11
‘Vind je hem ook zo mooi?’ vroeg Bean. ‘Gaat hij ons pijn doen?’ fluisterde Ruby. ‘Het is een zij, en waarschijnlijk heeft ze jonkies. Ik ben blij dat mijn vader er niet bij is, want die had haar meteen neergeschoten. Dan hadden we vanavond hertenvlees gegeten, maar was het uitzicht hier niet half zo mooi geweest.’ Het hert bleef stilstaan en keek recht naar Ruby en Bean. ‘Verroer je niet,’ fluisterde Bean. ‘Herten weten dingen die mensen niet weten.’ ‘Wat bedoel je?’ vroeg Ruby. Toen ze haar hoofd draaide, sprong het hert op en rende het snel de struiken in. Bean zuchtte. ‘Ze zien dingen die jij en ik niet kunnen zien. Als ik als iets anders zou kunnen zijn, zou ik kiezen voor een hert.’ Muziek afkomstig van de oude piano in de kerk zweefde door het dal en Bean zette er weer de pas in. Het klonk alsof de pianotoetsen door de zomerse hitte en vochtigheid aan de vingers van de pianist bleven plakken, maar ze herkende het voorspel van haar lievelingslied. ‘Kom op, anders missen we “Beulah” nog,’ zei ze. Hoewel de kerk er alles aan deed om de piano gestemd te houden, stelde de zomer het instrument zwaar op de proef, en de winter was nog erger. De mensen in de kerkbanken zongen elke week harder om de valse klanken van de buffetpiano te overstemmen. Achter de piano school een fraai verhaal: volgens Beans vader was hij een paar jaar geleden gered uit een kroeg in Matewan, en werd hij voor die tijd gebruikt in een bordeel in Chicago, waar Al Capone klant was, en waren de kogelgaten in de zijkant gemaakt door een andere beroemde gangster. Het verhaal was te ongeloofwaardig om waar te zijn, behalve voor Ruby en Bean, hoewel ze geen van beiden wisten wat een ‘bordeel’ precies was. Maar dat een piano kon worden gered door een kerk, dat klonk wel als iets wat God zou doen. Banken kraakten toen de gemeente ging staan en de nasale stemmen werden één op het moment dat de meisjes de houten 12
trap naderden. Bean liet de hand van haar vriendinnetje los, greep de ijzeren leuning, sprong naar boven en ging de deur door, waar een oudere man met nog slechts een paar tanden naar hen keek. Ondertussen deden sopranen hun best om de valse mannenstemmen te overstemmen. ‘Uit de verte klinkt geluid als strijdklank in mijn oren; Als de zonden van de aarde mij alom belagen; Twijfel, angst en wereld roepen, maar zal ik niet horen Nee, ik blijf in Beulah, al mijn levensdagen.’ Bean haastte zich langs vrouwen die met waaiers wapperden en gladgeschoren mannen die zo veel mogelijk steenkoolstof hadden weggewassen. Ze trof haar moeder aan op haar vaste plek en die trok haar tegen zich aan, terwijl Ruby zich buiten adem maar met een glimlach bij hen voegde. ‘Ik woon op de berg onder een wolkeloze lucht, Ik drink uit de bron die nimmermeer naar water zucht; Ja! Mijn feestmaal is het manna, wat een rijkelijke vrucht, Want ik woon in het land van Beulah.’ Niet elke kerkdienst begon met dit gezang, maar op een zeker moment tijdens de zondagochtend- of de zondagmiddagdienst verhief de gemeente haar stem in lofprijzing aan de God Die hun toestond te wonen in Beulah Mountain, en te verlangen naar hun hemelse thuis. Voordat ze was verhuisd naar Beulah Mountain had Ruby nooit eerder zo horen zingen. Ze had al jong pianoles gekregen en kon noten lezen, iets wat Bean verwonderde. Maar wat er gebeurde wanneer deze mensen zongen, was meer dan een groep mensen die gewoon uitvoerden wat er op papier stond. De muziek leek ergens uit een diep binnenste te komen en als hun stemmen zich samenvoegden, was het alsof je kippenvel op je ziel kreeg. Er maakte zich een bepaalde blijheid van haar meester en ze kreeg vaak tranen in haar ogen. Nadat ze alle bijbehorende refreinen en coupletten hadden gezongen, kraakten de banken opnieuw onder het gewicht van de mannen en vrouwen en hun kinderen die gingen zitten. Er 13
klonk zacht gekuch, waaraan jaren later de term ‘silicose’ zou worden gehangen, maar dat vooralsnog gewoon een ‘hoestbui’ heette. Ruby kroop onder de arm van Beans moeder en Bean deed hetzelfde aan de andere kant. Hoewel het heet en bedompt was, en het voor de zwangere vrouw tussen hen in comfortabeler was geweest om met rust te zijn gelaten, spreidde ze haar armen, zoals als een moederkip haar vleugels. De dominee was een gezette man met dun haar dat glad naar achteren was gekamd. Hij zag eruit als een mijnwerker die zijn baan had verwisseld voor die van dominee, maar hij sprak bevlogen en zijn woorden voerden Ruby mee, ook toen hij voorlas uit de bijbel die opengeslagen op de kansel voor hem lag. Zijn naam – H.G. Brace – stond afgedrukt onder aan het mededelingenblad en Ruby vond het bescheiden van hem dat zijn naam zo laag op de bladzijde stond. De tekst van deze dienst kwam uit het boek Exodus, en ging over de verdrukking van de Israëlieten, die slaaf waren van de wrede farao en de Egyptenaren, die de Israëlieten gebruikten voor hun eigen doeleinden, omdat ze alles wat Jozef had gedaan, waren vergeten. Jozef had de droom van de farao verklaard en de Egyptenaren gered, maar er was een nieuwe leider opgestaan die dat verhaal niet kende, of die het niets kon schelen. Dominee Brace herinnerde hen eraan dat Jozefs broers hem kwaad hadden willen doen, maar dat God er het goede uit had laten voortkomen, en dat Hij dat ook kon doen in hun levens. De ruimte werd gevuld met een koor van amens, gevolgd door meer gehoest.Terwijl de dominee verder ging, boog Ruby voorover en ze hoorde commotie door de openstaande ramen. Er was blijkbaar iets aan de hand bij het spoor verderop. De dominee ging onverstoorbaar door, totdat de commotie plaatsmaakte voor stemmen van mijnwerkers die om hulp riepen.
14
2 Hollis roept een vriend ter verantwoording Beulah Mountain, West Virginia Maandag 27 september 2004
Hollis Beasley pakte de autosleutels en beende naar zijn pick-uptruck, die als een trouw strijdros buiten op hem wachtte. ‘Waar ga je heen?’ vroeg Juniper vanuit de slaapkamer. Hij hield even in, zijn sleutels rammelden.‘Kijken of het klopt. Ik wil het van Curtis zelf horen.’ ‘Ze hebben zo’n ding uitgevonden, een telefoon. Je toetst gewoon een paar cijfers in en dan praat je met de mensen aan de andere kant. Dat scheelt je brandstof en spaart je remschijven.’ Hij wilde een snibbig antwoord geven, maar liet het erbij. Anders zou hij zich de hele dag en de halve week aan het verontschuldigen zijn en er de rest van zijn leven spijt van hebben. Hij kon die valkuil maar beter omzeilen. ‘Kan ik nog iets voor je meenemen uit de winkel?’ vroeg hij. ‘Ik dacht dat je Curtis ging opzoeken.’ ‘Is ook zo. Maar als je iets nodig hebt, ik moet toch het dorp in.’ Zijn stem had een scherp randje en dat speet hem. ‘Ik heb niets nodig. Maar je zou dat gezin met rust moeten laten. Wat zij doen, zijn jouw zaken niet.’ ‘We hadden een afspraak.’ ‘Jij en ik hadden lang geleden ook een afspraak die je niet bent nagekomen.’ Juniper hoestte en het klonk vreselijk. Ze zei zulke dingen als ze pijn had en dat stak, maar nog meer bijtende opmerkingen terugkaatsen maakte dat niet beter, dus verbeet hij zijn ergernis – hij stak zijn tong letterlijk tussen zijn tanden en klemde zijn kaken op elkaar – en telde tot tien, zoals de predikant hem had geleerd tijdens die enige pastorale 15
bijeenkomst die ze hadden bezocht voordat ze trouwden. Soms had liefde blijkbaar de vorm van een bloedende tong. ‘Ik ben zo terug.’ Ze mompelde iets, terwijl hij de deurknop pakte en nog even wachtte of ze toch niet die hoestdrank zou noemen of die keelsnoepjes met muntsmaak waar ze zo van hield. Die in dat groene papiertje, die in een doosje zaten. Het was grappig zoals haar gezicht opklaarde van een stukje mintchocolade dat vrijwel niets kostte of van een zak van die maischips met chilipeper. Maar ze zei niets, dus deed hij de deur achter zich dicht, al klonk er geen klik. Daar moest hij nog iets aan doen, maar dan moest hij waarschijnlijk de hele deurpost vervangen, omdat het hout oud was en er geen schroef meer in bleef vastzitten. En trouwens, wat heb je aan een nieuwe deur als je niet kunt blijven wonen op de grond waarop het huis gebouwd is? Bij de truck wachtte Hollis nog een ogenblik en hij liet zijn blik afdwalen naar het kerkhof boven op de heuvel, en naar het groen daarachter. In gedachten verhief hij zich boven die berg en keek hij neer op Gods schepping, die hem de adem benam. Vooral in deze tijd van het jaar, als het groen van iedere plant en boom veranderde in de helderste herfstkleuren, als voorbereiding op de winter. Als voorbereiding op de dood. Het uitzicht hier was aan het veranderen en hoewel hij de machines niet zag, hoorde hij ze wel achter de heuvel. En zag hij het witte litteken in de aarde, anderhalve kilometer verderop. Al hoort een litteken te helen en kleiner te worden, terwijl deze plek groter werd en steeds dichter bij Beulah Mountain kwam, en hij had geen idee of het kon worden gestopt. Jaren geleden zou hij hebben gebeden. Hij zou God hebben gevraagd om wijsheid, of in elk geval om de benodigde zelfbeheersing om Curtis niet de nek om te draaien. Nu stapte hij gewoon in de truck, zette hem in zijn vrij en liet hem de heuvel afrollen, voordat hij de sleutel omdraaide. De met grind verharde weg slingerde om de berg als de rode streep om een zuurstok. Op sommige plaatsen was er nauwelijks 16
plaats voor een enkel voertuig, en Juniper klaagde altijd dat ze tijdens een herfststorm nog eens over de rand zouden gaan. Misschien had ze gelijk. Misschien was ze beter af als hij over de rand zou duikelen. Aan het einde van de afrit stond een boerenhek. De poort en grendel zaten vast aan telefoonpalen die aan weerszijden stevig waren verankerd. Hollis had een omgevallen paal in tweeën gezaagd en de helften gebruikt om de entree te fl ankeren, een beetje zoals een kasteelpoort. Er zaten borden aan vast waarop ‘privéterrein’ en ‘verboden toegang’ stond, en daaronder twee met daarop ‘niet betreden’ en ‘van indringen wordt aangifte gedaan’. Hollis reed de verharde weg op en deed wat rustiger aan, totdat hij aankwam bij het ruwe asfalt. De nieuwe mijnbouw ging gepaard met een vloot aan overbeladen vrachtauto’s die het wegdek vernielden.Vooruitgang heeft altijd een prijs. Hij draaide de berg af richting het dorp en minderde vaart toen hij de zwarte brievenbus zag met in witte letters ‘Williams’ erop geschilderd. De paal met de brievenbus helde schuin naar de weg toe, alsof hij keek of hij al kon invoegen. Hollis parkeerde achter een truck die er al stond sinds de Iraanse gijzelingscrisis. Er groeide gras over het achterspatbord. Hij dacht terug aan de tijd dat Curtis hem had gekocht en hoe trots hij was geweest om als eerste in de streek een halfopen truck te bezitten. Indertijd leek het een goed idee, maar dat geldt voor wel meer dingen. Het huis van de familie Williams stond op een uitstulping in de heuvel die ieder jaar bij zware regenval overstroomde. Hollis en Curtis waren samen opgegroeid. Ze hadden in dezelfde schoolbus gezeten. Ze waren verliefd geworden op hetzelfde meisje op de middelbare school, en hun hart was gebroken toen ze het gehucht achter zich had gelaten. Haar naam was als een lied dat je ergens in je jeugd had gehoord en waarvan je de wijs nog wel wist, maar de woorden niet meer kon terughalen. Hollis had nooit meer iets van haar vernomen en hij betwijfelde of daar ooit nog verandering in zou komen. Alleen de gedachte 17
aan haar glimlach bezorgde hem al een schuldgevoel, want het zou Juniper kwetsen als ze wist dat hij aan een andere vrouw dacht, zelfs al was ze maar een herinnering. Hij belde aan en hoorde gefluister en krakend linoleum, en daarna zijn naam uit de mond van Curtis’ vrouw, Ruthanne. Hij klopte en riep om Curtis en toen openden ze eindelijk de deur. ‘Hé, Hollis, hoe is het?’ vroeg Curtis, en hij glimlachte vanachter de andere kant van de hordeur naar hem. Ze wisten alle drie waarom Hollis hier was, maar het bleef even stil. ‘Ik werd gebeld,’ zei Hollis uiteindelijk. ‘Dus je telefoon doet het daarboven nog?’ Hollis kon er niet om glimlachen. ‘Is het waar?’ ‘Is wat waar?’ vroeg Curtis. ‘Dat het bedrijf jou een aanbod heeft gedaan? Die miezerige …’ Hollis sprak het woord waaraan hij dacht niet uit. ‘Heeft Buddy je een koopprijs aangeboden?’ ‘Hollis, dat zijn jouw zaken niet. Ik heb jouw toestemming niet nodig…’ ‘Klopt. Je hebt mijn toestemming niet nodig om met wie dan ook te praten. Maar we hadden een afspraak. En dat zijn wel degelijk mijn zaken.’ Ruthanne verscheen achter Curtis; ze had haar armen over elkaar geslagen. ‘We hebben het geld nodig. We kunnen de belasting niet betalen. Het verbaast me dat jou dat wel lukt, met Juniper en al die doktersrekeningen.’ ‘Je weet waarom de belasting werd verhoogd. Je weet dat de gemeente bij CCE op schoot zit. Ze hoeven maar te knippen met hun vingers. En Buddy wil maar één ding…’ ‘Het maakt niet uit waarom ze zijn verhoogd,’ zei Curtis met zijn blik op de vloer gericht. ‘We kunnen het geld niet opbrengen. Niemand kan dat. Er ligt een eerlijk bod en het is niet meer dan logisch om te verkopen. Als we er nu niet op ingaan, krijgen ze de grond straks op een achterbakse manier én goedkoop. Kom op, Hollis, jij ziet dat toch ook.’ ‘Dit is precies wat hij wil. Hij heeft zich omhooggewerkt, en 18
nu wil hij het bedrijf bewijzen dat hij de touwtjes in handen hoort te hebben. En jij helpt hem daarbij.’ ‘Hij heeft de touwtjes al lang in handen. Het is alleen nog maar een kwestie van tijd en dan heeft hij ook jouw stukje van Beulah Mountain.’ ‘Misschien, maar het kerkhof krijgen ze nooit,’ zei Hollis.‘Dat zal de regering niet toestaan. Die geven meer om de doden dan om de levenden. En ik ben bereid een gevecht aan te gaan dat hij zijn leven lang niet meer zal vergeten.’ ‘Weet je, Hollis, jij zou nog hoop hebben voor de Titanic als je er zelf op stond,’ zei Ruthanne. Hollis keek haar indringend aan, en daarna Curtis, en toen zag hij het duidelijk voor zich. De gesprekken in het holst van de nacht, tussen de lakens. De angst die zo’n ventje als Buddy Coleman een mens kon aandoen. Het verlangen van een vrouw naar stabiliteit. Het was een man eigen om te vechten en een vrouw om zich te nestelen, en die verlangens streden met elkaar en putten elkaar uit, totdat ze één vlees werden. Hij draaide zich om en zijn blik viel op de schommel, gemaakt van een autoband, die scheef aan de L-vormige eik bij de beek hing. De herinnering aan hemzelf en Curtis die er samen speelden, toen het huis nog niet gebouwd was, flitste door hem heen. Hij zag zijn zoon spelen met de dochter van Curtis en Ruthanne, precies daar bij diezelfde boom. De etentjes in de buitenlucht en het gelach. De overstromingen en alle mensen die verhuisden naar hoger gelegen gebied. En de steenkoolstof die neerdaalde op de blaadjes en vensterbanken en in de longen. ‘Op een dag moet je gewoon toegeven dat het er niet meer in zit. Gebruik het geld. Je zou Juniper kunnen meenemen naar een mooi plekje in Charleston, dichter bij het medisch centrum.’ Hollis nam zijn baseballpet af en krabde aan zijn achterhoofd. ‘Jij weet ook dat ze je huis gaan platgooien en de berg afgraven en alles hierheen gaan schuiven, zodat het de beek bedekt en ook die oude boom daar. En vervolgens pikken ze alles wat ook maar een dollar waard is eruit, laden het in en gooien over de rest 19
graszaad en klaar is Kees. En hup, weer door naar de volgende berg.’ Ruthanne draaide zich om en liep de keuken in. Curtis stapte de veranda op en sloot de hordeur achter zich. Hollis had nu weer het gevoel dat hij vrijuit kon ademen, dat hij gewoon kon praten met zijn vriend zonder de druk van een ander. ‘Het spijt me, Hollis, ik was niet van plan mijn woord te breken. Ik kwam niet meer onder een beslissing uit.We moeten op zijn minst proberen te redden wat er te redden valt.’ Hij stopte zijn handen in zijn zakken. ‘Dit lijkt op de grote overstroming. Het water stijgt en op een zeker punt vlucht je naar hoger gelegen gebied en het waardevolste neem je mee. De rest laat je los.’ Hollis ademde diep in en dacht terug aan de zware ademhaling van zijn vader, die hij had overgehouden aan de jaren dat hij in de mijnen had gewerkt. Dat hij zelf in staat was zijn longen zonder hoesten vol te zuigen, was een zegen waarvan hij zich maar al te bewust was. ‘Ik weet dat je verplichtingen hebt. Maar ik dacht dat we een afspraak hadden.’ ‘Hadden we ook. Totdat duidelijk werd dat we deze grond nooit kunnen houden. En stel dat het zou lukken, dan nog is er hier niets meer.’ Hollis leunde tegen de balustrade van de veranda. ‘Laatst zag ik op tv zo’n man die zei dat mensen het bijltje er te snel bij neergooien. Het was bij een van die benefietgala’s op de publieke zender.Volgens hem is het meestal zo dat mensen iets heel graag willen en er dan vlak voordat ze beet hebben toch de brui aan geven. Je ziet het gebeuren in de politiek en in de oorlog en in carrières. Hij zei dat het pas echt moeilijk wordt als je bijna op het punt bent dat je wilde bereiken. Je moet vroeg de keus maken of je wilt vechten of opgeven, want als je wacht tot het moeilijk wordt, geef je sowieso op.’ ‘Zei hij dat?’ Hollis knikte. ‘Klinkt alsof die kerel Buddy Coleman nooit tegen het lijf is gelopen.’ ‘Lijkt mij ook.’ Hollis trok zijn pet omlaag en stak zijn hand 20
uit. Curtis schudde die. ‘Heb je de papieren al getekend?’ ‘Die liggen over een dag of twee klaar.’ ‘Je hebt vast al gehoord over de bijeenkomst van woensdag. Kom je ook even?’ Curtis huiverde.‘Sorry, Hollis. Ik ben niet de enige die bereid is om te verkopen. Maar ik bewonder je standvastigheid. Je hebt het hart op de goede plek zitten.’ ‘Bedankt dat je me daarnet binnenliet.’ ‘Doe Juniper de groeten van ons.’ Hollis liep naar zijn truck, maar stapte niet meteen in. Hij wierp nog eens een blik op de schommel en sloot toen zijn ogen, en hoorde de stemmen van vroeger bijna weer door het dal weerklinken.
21
Fabry-Onder een bloedrode hemel def.qxp_Fabry 10-05-19 16:23 Pagina 1
5
– FRANCINE
RIVERS
1933
In het mijnwerkersdorp Beulah Mountain groeien de meisjes Ruby en Bean samen op, ondanks hun verschillende afkomst: de een is de dochter van een mijneigenaar, de ander een mijnwerkersdochter. Van de onvrede die heerst in het dorp, hebben ze geen besef. Totdat er een tragedie plaatsvindt die hen voor altijd zal scheiden.
2004 Als een jonge verslaggever bij Ruby voor de deur staat met vragen over het bloedbad van 1933, wordt ze voor het eerst sinds jaren geconfronteerd met de herinneringen aan die vreselijke dag. Totaal onverantwoord gezien haar leeftijd, stapt ze in de auto en rijdt terug naar de plek waar het allemaal begon, waar nu een nieuwe crisis dreigt en alleen het geheim dat ze al die jaren zorgvuldig heeft bewaard verschil kan maken.
5
C H R I S F A B R Y heeft al vele boeken op zijn naam staan. Met vijf
CHRIS FABRY CHRIS FABRY Onder een bloedrode hemel
‘Dit boek pakte me vanaf de eerste bladzijde. Ik was onmiddellijk begaan met de belevenissen van Ruby en Bean, en hoe meer stukjes geschiedenis werden onhuld, hoe spannender het werd. Een geweldige leeservaring!’
Onder een bloedrode hemel
van zijn romans won hij de Christy Awards, de meest prestigieuze prijs voor christelijke romans in de Verenigde Staten. ISBN 9789043531863 NUR 342
9 789043 531863
Roman