Skip to main content

Ik laat je niet achter - Gemma Liviero. ISBN 9789029728294

Page 1

Vier mensen dragen allemaal een geheim met zich mee. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog kruisen hun wegen elkaar.

Op een dag ziet Stefano bij Erichs buurvrouw Rosalind een foto aan de muur hangen van een prachtige vrouw, Monique, die vermist is geraakt tijdens de oorlog. Als hij niet veel later brieven van deze Monique ontdekt in een verborgen ruimte, komt een donkere waarheid boven tafel. Nu is zijn schuilplaats niet langer een veilige haven en beseft hij dat de geheimen uit het verleden zijn terugkeer onmogelijk maken. De Australische Gemma Liviero is roman- en tekstschrijver. Haar interesse in de Tweede Wereldoorlog werd gewekt toen ze oorlogsveteranen – onder meer uit haar eigen familie – interviewde voor een studieproject. Pas na jaren van onderzoek en het bezoeken van concentratiekampen vond ze de moed om er verhalen over te schrijven. Eerder verscheen van haar de roman Scherven van hoop. ‘Scherven van hoop is een emotioneel, hartverscheurend verhaal dat buitengewoon boeiend en spannend geschreven is. Het nodigt uit tot discussie over verantwoordelijkheid, ongehoorzaamheid, menselijkheid en gewetenswroeging.’ – tracesofwar.nl nur 342 ISBN 978 90 297 2829 4

www.KokBoekencentrum.nl

ROMAN

Gemma Liviero Ik laat je niet achter

Berlijn, augustus 1945. De oorlog is officieel afgelopen en Stefano, een gewonde Italiaanse krijgsgevangene, is vrij maar ver van huis. Al rondzwervend door het verwoeste Duitsland ontdekt hij naast het lichaam van een vrouw een vierjarig jongetje, dat zich aan hem vastklampt. Samen vinden ze onderdak in een schijnbaar verlaten huis. Plots staan ze oog in oog met de eigenaar: Erich, een voormalige Duitse soldaat. Hoewel de mannen elkaar niet volledig vertrouwen, verzekert Erich Stefano ervan dat hij en de jongen mogen blijven en veilig zullen zijn.

Gemma Liviero Ik laat je niet achter In de nasleep van de oorlog zoekt een Italiaanse krijgsgevangene naar antwoorden in een wereld vol angst en leugens


Ik laat je niet achter


Van Gemma Liviero verscheen eerder bij uitgeverij KokBoekencentrum:

Scherven van hoop


Gemma Liviero

Ik laat je niet achter roman

Vertaald door Carola van der Kruk-de Boer en Annet Niewold-de Boer

KokBoekencentrum Uitgevers ● Utrecht


Vertaling: Carola van der Kruk-de Boer en Annet Niewold-de Boer Ontwerp omslag: Wil Immink Design Lay-out binnenwerk: Crius Group, Hulshout

isbn 9789029728294 isbn (ebook) 9789029728300 nur 342 www.kokboekencentrum.nl. Š 2019 KokBoekencentrum Uitgevers Oorspronkelijk verschenen onder de titel The Road Beyond Ruin bij Amazon. This edition is made possible under a licence arrangement originating with Amazon Publishing, www.apub.com. Š 2019 Gemma Liviero Alle rechten voorbehouden Uitgeverij KokBoekencentrum vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.


MEI 1945


1

Erich De kleur van Erichs haar was nauwelijks zichtbaar in het veld vol gele wilde bloemen. Hij lag daar, doodstil, zijn ene oog gesloten en de andere turend door het kijkgaatje van zijn geweer, dat gericht was op de mensen aan de voet van de heuvel. Een oude man en een vrouw van wie de leeftijd moeilijk was in te schatten, liepen langzaam voorbij. Hun tempo stagneerde omdat er iets aan de benen van de man mankeerde waardoor hij met ongelijke tred liep. Erichs vinger drukte lichtjes tegen de trekker om de weerstand te testen. Niemand zal hen missen, dacht hij net voordat hij in zijn ooghoek een beweging zag die zijn aandacht afleidde. Hij richtte zijn geweer snel op zijn oorspronkelijke doel en zag het gras bewegen. Toen hij de grijsbruine poten van het konijn zag verdwijnen onder zijn geringe beschutting, haalde hij de trekker over. Meteen rolde het geluid van de kleine explosie door de vallei. De beweging in het gras voor hem staakte abrupt en hij stond op om zijn prooi te lokaliseren, zijn smalle bovenlijf ontbloot, getaand door de zon en op sommige plaatsen rood, en zijn gezicht bruin, verbrand en vol losse vellen. Hij liep naar het geschoten konijn toe en raapte het op, terwijl hij genoot van de tijdelijke vrijheid die hem was gegund. De mensen op de weg waren snel uit het zicht verdwenen. Het kon Erich niet schelen dat het geluid van een geweerschot een terugkerende nachtmerrie voor hen was. Net als zovele anderen had dit stel grote afstanden afgelegd om terug te keren naar een 7


huis dat niet langer overeind stond, of in beslag was genomen. Hij pakte het konijn aan zijn pootjes op en zette koers naar zijn twee verdiepingen tellende, vervallen huis dat in het recente verleden zijn zelfrespect had verloren door alle schimmel onder de dakrand en de missende dakspanten. De eigenaardige, sprookjesachtige ramen die ooit open hadden gestaan voor kansen en mogelijkheden, bleven nu gesloten tegen de vijandigheden van het heden. En het gebouw dat ooit prachtig was geweest met zijn melkwitte muren en chocoladekleurige gevels, was nu verworden tot niet veel meer dan een tijdelijk toevluchtsoord. Erich knipperde tegen het zonlicht en een poederige wind uit het oosten, die een vertrouwde geur met zich meebracht die toch heel anders was dan de zure dampen en rook waar hij elders zo aan gewend was geraakt. Er was iets op de landerijen in de verte dat het stof deed opwaaien en de geur riep herinneringen op aan zijn zusje, Claudine, die altijd als een kip zonder kop over het erf rende, ongevoelig voor de eventuele straffen en consequenties, haar handen bedekt met aarde waar ze vervolgens de gezichten van haar jongere broertjes mee besmeurde. In de verste uithoek van de landerijen zag hij een grote stofwolk en hij hoorde brullende motoren, waardoor het gevoel van vrijheid meteen plaatsmaakte voor een van urgentie. Hij draaide zich om en rende door de voordeur naar binnen. ‘Mama, vrachtwagens! De Russen!’ Zijn moeder liet de borden die ze vasthield zo hard op de tafel terechtkomen, dat ze op en over elkaar kletterden, en sommige braken zelfs. ‘Pak de lucifers. Snel!’ zei ze. Terwijl Erich deed wat ze hem had opgedragen, rende zij haar slaapkamer in en kwam terug met een houten kist in haar handen. Toen Erich een kind was, was de kist verboden terrein geweest. Er zaten geheimen in die alleen zijn ouders met elkaar deelden. Als volwassene had hij het belang van de inhoud begrepen, en sinds kort was wat erin zat zelfs een bedreiging geworden voor hun bestaan. 8


Zijn moeder haalde brieven, foto’s en papieren uit de kist en gooide die in de haard. Erich streek een lucifer af en hield die onder de stapel, die snel vlam vatte. Ze waren hun namen en hun vroegere levens aan het verbranden, maar Erich, een geboren overlever, voelde alleen een soort opluchting toen hij de papieren zag verschrompelen en zwart zag worden terwijl hij ze tot as blies. ‘Het kan natuurlijk zijn dat ze hier niet stilhouden,’ zei Erich. Onder in de kist lag een aantal documenten met tekeningen en teksten. Zijn moeder bestudeerde ze zorgvuldig, liefdevol bijna, zoals hij haar zo vaak had zien doen. ‘Hou deze bij je,’ zei ze tegen Erich terwijl ze de papieren in zijn handen drukte. ‘Jij moet ervoor zorgen dat de mensen je vader en wat hij heeft gedaan niet vergeten.’ Erich keek naar de papieren, toen naar zijn jongere broertjes bij de eetkamertafel met hun serieuze gezichtjes en hun handen in hun schoot. Zijn middelste broertje stond op de drempel van volwassenheid. Ze waren gewend geraakt aan dit soort momenten waarop ze moesten wachten en niets anders konden dan hopen op een goede afloop. De twee lege stoelen bij de tafel vertelden veel over hun gezin. En de hele ruimte vertelde veel over de veranderingen, over hoeveel ze waren verloren. Erich keek naar de vertrouwde uitdrukking op zijn moeders gezicht, stoïcijns en onveranderlijk. Hij had veel van haar kracht in zich opgezogen. Ze had er in de afgelopen jaren zoveel van aan hen allemaal gegeven. Hoewel haar veerkracht al die tijd onwankelbaar was gebleven, kon haar lichaam de grote verandering in hun lot niet bolwerken. Ze was flink afgevallen. De huid rondom haar kaaklijn was weggeteerd, waardoor haar kin verder vooruit leek te steken, en de paarsige tint van haar handen was hardnekkig gebleven na een lange winter zonder kolen. ‘Is de oorlog voorbij, Mutti?’ vroeg het middelste broertje. Zijn moeder hield zijn blik even vast, maar er lag geen verdekte boodschap in opgesloten en geen geheime plannen. Geen aanwijzing dat ze nog iets aan hun lot konden veranderen. Die tijd was voorbij. Toen dwaalde haar blik af naar het raam, naar 9


de vrachtauto’s die nu de heuvel op kwamen over de onverharde weg die naar hun voordeur leidde. ‘Nee,’ zei zijn moeder.

10


AUGUSTUS 1945


2

Stefano Berlijn valt enorm tegen. De stad die door de Duitsers wordt omschreven als de vooruitstrevendste ter wereld, bewoond door progressieve intellectuelen, gekenmerkt door voortreffelijke klasse en robuuste architectuur, is nu niet veel meer dan een puzzel. De overblijfselen worden langzaam weer in elkaar gelegd. Onbruikbare gebouwen, met hun ingewanden op een naargeestige manier uitgehold, steken de draak met het verpletterde regime. De lege gaten waaruit de Duitsers hun armen staken om hun FĂźhrer te begroeten en om te applaudisseren voor de soldaten op straat, zijn nu de lege dromen van de elite. Mannen die de leeftijd hebben om te werken zie je hier niet of nauwelijks. Die zijn gedood of gevangengenomen, samen met velen die te jong waren om een uniform te dragen of te oud om een dergelijke last op hun schouders te nemen. In zijn laatste dagen kende het Derde Rijk geen leeftijdsgrenzen meer. Grauw uitziende vrouwen in jurken met riemen en sjaals om hun hoofd lopen in groepen over het wegdek van de straten die zijn ontdaan van het puin. Ze drukken hun handtassen stijf tegen zich aan alsof ze op een belangrijke plaats worden verwacht. Het lijkt alsof ze Stefano wel opmerken als hij hen passeert, maar ze schenken totaal geen aandacht aan hem. De meesten wenden hun ogen niet af uit angst of schuldgevoel. Nee, het kan de inwoners van Berlijn gewoon niet meer schelen wie er bij hen op straat loopt. Ze hebben hun voorzichtigheid van zich afgeworpen en die ingewisseld voor apathie. Zonder de nazisymbolen die hun 13


lange tijd een vals gevoel van superioriteit hebben gegeven, is er niets meer om zichzelf aan af te meten. Tussen het puin en de scherven van een gebroken stad zijn ook zij nu vrij. Een poosje geleden werd Stefano aangehouden door Britse soldaten, waarbij Stefano hun het merkteken op zijn arm had laten zien. Dat werkt bijna net zo goed als een persoonsbewijs. Nog beter zelfs: het merkteken betekent dat je niet langer verantwoording hoeft af te leggen.Voor hem betekent het dat hij niet wordt lastiggevallen of ondervraagd. De Russische soldaten negeren hem. De Britse soldaten knikken formeel. De Amerikanen kijken langer, nieuwsgierig. Stefano is dun, uitgemergeld, schriel, graatmager – allemaal woorden die zijn moeder zou hebben gebruikt om zijn toestand te beschrijven. Ze zou geschokt zijn door zijn conditie, maar hij heeft anderen gezien die er erger aan toe waren dan hij. Hij is een overlever – een van de gelukkigen, die zichzelf normaal gesproken allesbehalve gelukkig zouden hebben genoemd. Vroeger was hij lang en gespierd: een zwemmer, een talenstudent. Stefano’s familie had woorden als ‘gevoelig’ en ‘liefdevol’ gebruikt om hem te beschrijven toen hij voor de eerste keer bij hen wegging. De tweede keer hadden ze nog meer woorden gebruikt. Maar bij zijn laatste reis hadden ze gezwegen, omdat de oorlog met vernieuwde overmoed woedde, waardoor gedachten over een onvermijdelijk einde alle beloften van een behouden terugkeer hadden weggevaagd. Stefano is nu vierentwintig jaar, maar door alles wat hij heeft meegemaakt, is hij onderhand twee keer zo oud geworden. Hij passeert een andere groep vrouwen, de Trümmerfrauen: de puinruimsters. Zij hebben van de geallieerden de opdracht gekregen om de stad schoon te maken. Ze verzamelen op de grond gevallen stenen en leggen die op een wagen die al overvol is. Een bejaarde man rijdt hem weg en verdwijnt in een straat tussen de ruïnes. De vrouwen vegen hun voorhoofden af en wrijven over hun vermoeide ruggen, waarna ze zich weer voorover buigen om nog meer bakstenen op te rapen. Die laden ze op een leeg wagentje dat net is aangekomen en wordt voortgeduwd door een kleine jongen. 14


Twee kinderen schieten vanuit de tegenovergestelde richting langs Stefano. Ze kletsen met elkaar en versnellen hun pas als een van hen naar iets ver voor hen wijst, een stapel puin en dus een spannende nieuwe speelplek.Twee kleine meisjes die elk een zak bij zich hebben, lopen zelfverzekerd over bergen vol brokstukken, af en toe vooroverbuigend om iets glimmends te bekijken, iets waardevols wat ze in hun zakken kunnen stoppen. Een van hen staat even stil om met haar vuile hand een streng haar uit haar gezicht te vegen. Ze merkt Stefano op, glimlacht en zwaait. Dit eenvoudige gebaar verwart hem omdat hij niet gewend is aan kinderen, die van nature in staat zijn om de veranderingen makkelijk te aanvaarden en snel boven tegenslagen uit te stijgen. Als hij uiteindelijk een groetende handbeweging maakt, is haar aandacht alweer afgeleid. Ze steekt één dun armpje diep in het puin omdat haar oog op iets is gevallen dat ze koste wat het kost te pakken wil krijgen. Onvast duwt een vrouw een kinderwagen vol stenen voor zich uit totdat die uiteindelijk naar één kant overhelt en omvalt. Stefano wil voorbijlopen, haar aan haar lot overlaten, maar dat gaat dwars tegen zijn natuur in. Zelfs nu nog. Hij stopt om haar te helpen, en met hetzelfde tempo als hij legt de vrouw alle stenen, een voor een, weer in de kinderwagen. Als de klus bijna is geklaard, stopt de vrouw even om uit te rusten en te kijken naar de man die haar helpt. ‘Danke!’ zegt ze. Dan kijkt ze ineens naar zijn linkerhand en naar het verband dat los is gaan zitten. Wat ze eronder ziet, roept bij haar geen spoortje afkeer op. ‘Wilt u dat ik het verband er weer goed omheen bind?’ vraagt ze, waarbij haar ogen een aantal keer heen en weer schieten tussen zijn gezicht en zijn hand, en dan naar de cijfers op zijn arm. Hij schudt zijn hoofd. ‘Ein Konzentrationslager?’ vraagt ze. ‘Ja.’ ‘Ik heb een zoon van uw leeftijd gehad,’ zegt ze.‘Het zou fijn zijn om hem nu weer hier te hebben.’ Na deze woorden richt ze zich 15


weer op het werk. Het kan haar niet schelen of Stefano reageert, of hij haar vraagt wat er met hem is gebeurd. Zulke vragen zijn nu zinloos, en Stefano loopt weer verder voordat hij zich genoodzaakt voelt om nog meer voor de mensen in deze stad te doen. Hij draagt het nieuwe overhemd en de nieuwe broek die de geallieerden hem hebben gegeven, en schoenen die goed passen. Over zijn schouder draagt hij een schoudertas met daarin een blik met vlees en bonen, een aantal chocoladerepen van het leger, een fles water, een extra overhemd, een extra paar sokken, een zaklamp, een beetje geld, een kaart en een horloge dat van een dode Duitser is geweest. Maar het belangrijkste dat hij bij zich heeft, is het document waarop staat dat hij vrij is. Aan de zuidkant van de stad staat een vrachtauto te wachten, precies op de afgesproken plek. Stefano is opgelucht dat er een eind komt aan alle verwoesting om hem heen en dat een open landschap zich voor hem uitstrekt. Maar hij weet dat daarachter de oneindige naoorlogse chaos weer verdergaat. Hij gaat op zijn tenen staan en kijkt door de voorruit van de vrachtauto, laat het papier zien en klimt dan achter in de wagen. Daarbinnen kijken verscheidene gezichten hem wezenloos aan. Een teken dat ze gewend zijn aan veranderingen, aan vreemdelingen. Het zijn vooral kinderen met schoongewassen gezichtjes en geleende kleren, en moeders. Poolse vluchtelingen, denkt hij. Dat leidt hij af aan hoe ze eruitzien en het feit dat ze hier geen huis hebben. De hele reis praat hij niet met hen, en halverwege, als de zon begint te zakken, stopt de wagen, tikt de chauffeur op de zijkant van de vrachtauto, ten teken dat Stefano er hier uit moet. ‘Do svidaniya!’ roept de chauffeur. ‘Do svidaniya,’ antwoordt hij, terwijl hij uit de wagen klimt. Hij kijkt hoe de vrachtauto bij de kruising naar het westen rijdt, richting een repatriëringskamp. Daarna loopt hij zelf naar het zuidoosten, in de richting van Dresden, en vanaf daar gaat hij op weg naar een mediterrane winter op de kliffen van Amalfi . *** 16


1932 Stefano werd wakker van het geluid van bootmotoren en golven die stuksloegen op de rotsen onder hem. De zomer bracht veel vissers en boten met toeristen naar de Middellandse Zee en de omgeving waar hij woonde. Het huis was nog niet heet, de zon stond nog niet hoog, maar het water weerkaatste haar zilverkleurige stralen al op hun witte zandstenen muren en door de ramen in hun woonkamer. Agatha, die op zijn bed had gelegen toen hij in slaap viel, was verdwenen. Stefano strekte zijn armen uit over zijn bed – zijn ogen hadden nog moeite om open te blijven – en hij bevoelde tastend het voeteneind. Met warrige haren en zijn ogen nog steeds vol slaap trok hij een broek aan die al snel te klein zou zijn voor zijn snel groeiende lichaam. Zoals hij de afgelopen tijd elke ochtend had gedaan, wreef hij ook nu met zijn vinger over zijn bovenlip. Hij voelde er al wat zachte haartjes groeien en bad elke dag dat hij snel een volle snor zou krijgen, net als die van zijn vader. In de slaapkamer van zijn zussen was het nog stil. De jongste, Nina, zou zeker nog een uur in bed blijven liggen. Zijn oudere zus, Teresa, zou al snel uit de veren zijn en iedereen rondcommanderen. Het was verstandig om haar niet in de weg te lopen als ze net uit bed was gestapt. Dan leek ze altijd op zoek naar een reden om boos tegen hem uit te vallen. De knarsende en schurende geluiden van zand en grind leidden hem de trap van hun balkonterras af naar de tuin beneden. Achter de tuin lag een klif met nog meer treden die naar beneden, richting de zee, voerden. Zijn vader was cement aan het mengen en naast hem stond een stapel witte bakstenen. Aan zijn voeten, op het gras, keek Agatha toe. Nicolo was begonnen aan een klein vierkant bouwwerk. Agatha kwispelde met haar staart, blij om te zien dat Stefano hen gezelschap kwam houden. Ze was een klein, zwart met wit hondje en Stefano had haar gevonden toen ze nog een puppy was. Ook al woonde ze nu al twee jaar bij het gezin, ze was nog steeds ondeugend. 17


‘Wat bent u aan het doen, papa?’ ‘Ik ben een huis voor Agatha aan het bouwen.’ Stefano bekeek de bakstenen en de zorgvuldige manier waarop zijn vader die met cement bestreek en in een regelmatig patroon op elkaar legde. Plotseling trof de vriendelijke en liefdevolle manier waarop hij zich aan deze klus wijdde, Stefano diep vanbinnen. Dat zijn vader dit voor zijn hond wilde doen was nóg een goede reden om van zijn vader te houden. Al wist Stefano in zijn hart wel dat Agatha net zo goed zijn vaders hond was. ‘Hoe gaat het hondenhok eruitzien?’ ‘Het wordt ongeveer zo hoog,’ zei zijn vader terwijl hij zijn vlakke hand met de vingers gespreid ter hoogte van zijn heup hield. ‘Maar aan de achterkant komt een lang, smal raam, zodat Agatha erdoorheen kan kijken en de zee kan zien. Zo kan ze goed in de gaten houden of er stropers onze kant op komen. En als dat zo is, kan ze blaffen, om ons te waarschuwen.’ Stefano keek naar de zee en toen weer terug naar zijn vader, om wiens mond een vrolijke grijns speelde. Zijn glimlach, waarbij zijn snor veranderde in een lange, brede streep, was altijd zo oprecht en zo aanstekelijk dat Stefano niet anders kon dan ook glimlachen. ‘Er zijn hier geen stropers, papa,’ zei Stefano, waarna zijn vader even met zijn ruwe hand over het hoofd van zijn zoon streek. Een teken van genegenheid. Stefano hield ervan dat zijn vader nog vaak zo met hem liep te dollen, maar hij vond het niet fijn dat Agatha binnenkort haar eigen huis zou krijgen. ‘Maar waarom kan ze niet op mijn bed blijven slapen?’ ‘Omdat ze op de vloer plast en omdat jij zo diep slaapt dat je het niet hoort als ze begint te janken omdat ze eruit wil. En daarbij houdt ze er ook van om uit te kijken over de Middellandse Zee. Ze houdt ervan om de kleurrijke toeristen te zien op hun grote jachten.’ Zijn vader had gelijk. Agatha had altijd enorm genoten van haar plekje, hoog op de balustrade van het balkon, vanwaar ze 18


kon kijken naar de mensen en het water ver weg in de diepte. Dat was de perfecte plek voor haar uitkijkpost. Stefano gaf Agatha een knuffel en streek zijn wang langs haar vacht. Als bedankje likte ze zijn arm. ‘Kan ik u helpen, papa?’ vroeg Stefano. ‘Natuurlijk.’ Ze werkten de hele ochtend. Stefano mengde het cement en gaf Nicolo een aantal stenen aan. Af en toe ging zijn vader even zitten en rustte hij een poosje uit, waarbij hij zijn voorhoofd afveegde. Daarna wisselden ze even van rol. Maar na die tijd zette vader steeds, zonder dat Stefano het zag, de rij stenen recht die zijn zoon op elkaar had gezet. Toen ze klaar waren, was het net na lunchtijd. Ze doken allebei even de zee in om af te koelen, en Agatha volgde hun voorbeeld. Toen ze weer langs de rotsen omhoog waren geklommen en ook de vele traptreden naar de begane grond van hun huis hadden bedwongen, begroette zijn moeder hen met gekoeld water met citroen. Ze gingen met z’n drieën op het terras zitten om naar de boten te kijken. Dit waren de momenten die Stefano zijn hele leven zouden bijblijven, de reddingsboeien waar hij zich aan zou vasthouden als hij dreigde te verdrinken. In het daaropvolgende jaar viel zijn vader tijdens een klus elders van het dak en overleed hij onderweg naar het ziekenhuis. Agatha stond wekenlang vanaf het terras te blaffen en een aantal dagen zette ze geen poot in haar stenen huisje. En het anker dat zijn vader altijd voor Stefano was geweest, werd ingehaald en diep in de aarde begraven. *** Stefano schrikt wakker door het geluid van stemmen dichtbij: een groep mensen die karren voor zich uit duwen en kinderen op hun rug dragen. Instinctief blijft hij bij elk geluid bewegingloos liggen, vervolgens schat hij de situatie in en reageert pas daarna. 19


Zijn lichaam is getraind om verschillende geluiden en geuren te herkennen. Sinds het einde van de oorlog heeft hij al veel reizende mensen gezien, onderweg naar huis, met een bundel kleren onder hun armen. Sommigen hebben zelfs met een touw spullen vastgebonden op hun rug. Ze komen tevoorschijn uit de overblijfselen van Europa, trekken door vele voor hen vreemde landen, maar de haat en de honger bindt hen. Stefano kiest ervoor om alleen te reizen. Hij wil niet nadenken over de oorlog en hun verhalen niet horen. Hij heeft er zelf te veel. Hij legt zijn hoofd weer neer, verborgen achter het hoge gras in de greppel, en rolt op zijn zij. De grond is hard en vochtig, en Stefano heeft het tijdens de afgelopen nacht behoorlijk koud gekregen. Hij kijkt even op en schiet dan overeind. Er ligt een vrouw dicht bij hem. Ze ligt op haar rug en het lijkt alsof ze strak naar de hemel kijkt. Stefano vraagt zich af of ze daar ook al was toen hij in het veld ging liggen. De maan stond in het eerste kwartier, waardoor hij haar grauwe jas en de grijze sjaal om haar hoofd niet had gezien. Naast haar zit een kleine jongen. Hij kijkt naar Stefano en houdt een mand met een bundel linnen erin tegen zich aan geklemd. Behoedzaam staat Stefano op en loopt in hun richting. Het jongetje kijkt angstig naar hem. ‘Is alles goed met jou?’ vraagt hij, maar de jongen staart hem alleen maar aan. Zijn ogen zijn roodomrand en staan gelaten. Stefano schuift dichter naar de vrouw toe, langzaam, om de jongen niet van streek te maken. Hij knielt bij haar neer om haar te onderzoeken. Haar ogen staan een beetje open. De kleur kan hij niet zien, haar irissen zijn verdwenen achter haar oogleden. Ze voelt stijf aan. Hij heeft al veel ontzielde lichamen gezien, maar deze keer is het anders: er is geen duidelijke verklaring voor haar dood, geen vastzittende granaatscherven, geen katoen dat doordrenkt is met bloed. Ze is volkomen onbeschadigd. ‘Is dit je moeder?’ De jongen zegt niets. 20


Vier mensen dragen allemaal een geheim met zich mee. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog kruisen hun wegen elkaar.

Op een dag ziet Stefano bij Erichs buurvrouw Rosalind een foto aan de muur hangen van een prachtige vrouw, Monique, die vermist is geraakt tijdens de oorlog. Als hij niet veel later brieven van deze Monique ontdekt in een verborgen ruimte, komt een donkere waarheid boven tafel. Nu is zijn schuilplaats niet langer een veilige haven en beseft hij dat de geheimen uit het verleden zijn terugkeer onmogelijk maken. De Australische Gemma Liviero is roman- en tekstschrijver. Haar interesse in de Tweede Wereldoorlog werd gewekt toen ze oorlogsveteranen – onder meer uit haar eigen familie – interviewde voor een studieproject. Pas na jaren van onderzoek en het bezoeken van concentratiekampen vond ze de moed om er verhalen over te schrijven. Eerder verscheen van haar de roman Scherven van hoop. ‘Scherven van hoop is een emotioneel, hartverscheurend verhaal dat buitengewoon boeiend en spannend geschreven is. Het nodigt uit tot discussie over verantwoordelijkheid, ongehoorzaamheid, menselijkheid en gewetenswroeging.’ – tracesofwar.nl nur 342 ISBN 978 90 297 2829 4

www.KokBoekencentrum.nl

ROMAN

Gemma Liviero Ik laat je niet achter

Berlijn, augustus 1945. De oorlog is officieel afgelopen en Stefano, een gewonde Italiaanse krijgsgevangene, is vrij maar ver van huis. Al rondzwervend door het verwoeste Duitsland ontdekt hij naast het lichaam van een vrouw een vierjarig jongetje, dat zich aan hem vastklampt. Samen vinden ze onderdak in een schijnbaar verlaten huis. Plots staan ze oog in oog met de eigenaar: Erich, een voormalige Duitse soldaat. Hoewel de mannen elkaar niet volledig vertrouwen, verzekert Erich Stefano ervan dat hij en de jongen mogen blijven en veilig zullen zijn.

Gemma Liviero Ik laat je niet achter In de nasleep van de oorlog zoekt een Italiaanse krijgsgevangene naar antwoorden in een wereld vol angst en leugens


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook