Skip to main content

Het neefje van de tovenaar - C.S. Lewis.9789026610561 biw inkijk

Page 1

CMYK

C.S. Lewis

Omslagillustratie Julek Heller Illustraties in het boek Pauline Baynes

Het neefje van de tovenaar

C.S. Lewis

Dit beroemde verhaal van C.S. Lewis is het eerste deel van De Kronieken van Narnia. De volgende delen zijn Het betoverde land achter de kleerkast, Het paard en de jongen, Prins Caspian, De reis met het drakenschip, De zilveren stoel en Het laatste gevecht.

Het neefje van de tovenaar

Op een dag gaat Digory met zijn buurmeisje Polly op ontdekkingstocht in het grote huis. Hij woont daar met zijn zieke moeder en zijn oom en tante. Per ongeluk ontdekken ze een geheime gang, die naar de kamer van oom Andreas leidt. Dan begint het grootste avontuur van hun leven. Oom Andreas is een tovenaar en hij wil zijn kunsten wel eens op Digory en Polly uitproberen. Hij tovert ze weg naar vreemde werelden. Uiteindelijk komen ze in Narnia terecht. Daar maken ze mee hoe de eerste koning en koningin gekroond worden, en hoe de leeuw Aslan de dieren leert praten. Maar ze hebben ook – tegen hun zin – de slechte koningin Jadis wakker gemaakt en naar Narnia meegenomen. Zal het hun lukken om dat grote kwaad weer goed te maken? En zal Digory’s moeder, van wie hij zoveel houdt, misschien met hulp van Aslan weer beter worden?

ISBN 978 90 266 1056 1 NUR 334

9 789026 610561 www.callenbach.nl

HetNeefje.indd 1

15-02-2010 10:50:36


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 3

Vertaald door Madeleine van den Bovenkamp-Gordeau met illustraties van Pauline Baynes


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 5

INHOUD

HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK HOOFDSTUK

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15.

De verkeerde deur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Digory en zijn oom . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Het Woud tussen de Werelden in . . . . . . . . . . . . De bel en de hamer . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Het Allesverwoestende Woord . . . . . . . . . . . . . . . Oom Andreas in moeilijkheden . . . . . . . . . . . . . Wat er bij de voordeur gebeurde . . . . . . . . . . . . Het gevecht bij de lantarenpaal . . . . . . . . . . . . . Het begin van Narnia . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . De eerste grap en nog wat andere zaken . . . . Digory en zijn oom allebei in moeilijkheden Het avontuur van Strobloem . . . . . . . . . . . . . . . . Een onverwachte ontmoeting . . . . . . . . . . . . . . . Het planten van de Boom . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Het eind van dit verhaal en het begin van alle andere . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

5

7 19 29 39 50 61 71 82 91 102 113 123 134 144 154


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

voor de familie Kilmer

Pagina 6


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 7

HOOFDSTUK 1

De verkeerde deur

D

it is een verhaal over iets dat vroeger gebeurd is, toen je opa nog maar een jongen was. Het is een heel belangrijk verhaal, omdat je hierin kunt lezen hoe al het komen en gaan tussen onze wereld en het land dat Narnia heet, begonnen is. In die tijd moest je als jongen elke dag een stijf, rechtopstaand boordje dragen, en op de meeste scholen was het toen heel wat akeliger dan tegenwoordig. Maar de maaltijden waren lekkerder; en van het snoep zal ik je maar niet vertellen hoe goedkoop en hoe lekker dat toen was, want dan zou je maar voor niets beginnen te watertanden. In die tijd woonde er in Londen een meisje dat Polly Plummer heette. Ze woonde in een lange rij met huizen die allemaal aan elkaar gebouwd waren. Op een ochtend was ze buiten in de achtertuin, toen er in de tuin van het huis ernaast een jongen tegen de muur omhoog klauterde en zijn hoofd eroverheen stak. Polly was heel verbaasd, want tot dan toe waren er in dat huis nooit kinderen geweest, alleen meneer Ketterley en juffrouw Ketterley, een broer en een zus – een oude vrijgezel en een oude vrijster – die daar met z’n tweeën woonden; dus keek ze heel nieuwsgierig naar hem omhoog. Het gezicht van de vreemde jongen was erg vuil. Als hij eerst met zijn handen door het zand had gewreven, daarna een potje had gehuild en ten slotte zijn ogen met zijn handen had afgedroogd, had het bijna niet vuiler kunnen zijn. Eerlijk gezegd was dat ook zo ongeveer wat hij gedaan had. ‘Hallo,’ zei Polly. ‘Hallo,’ zei de jongen. ‘Hoe heet je?’ ‘Polly,’ zei Polly. ‘En jij?’

7


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 8

‘Digory,’ zei de jongen. ‘Wat een rare naam, zeg!’ zei Polly. ‘Lang niet zo raar als Polly,’ zei Digory. ‘Wel,’ zei Polly. ‘Niet,’ zei Digory. ‘In ieder geval zorg ik dat ik mijn gezicht was,’ zei Polly. ‘En dat zou jij ook wel eens mogen doen; vooral als je –’ en toen zweeg ze. Ze had willen zeggen: ‘als je hebt zitten janken,’ maar dat leek haar een beetje onbeleefd. ‘Oké, dat heb ik ook gedaan,’ zei Digory nu hard, zoals een jongen doet die zich zo ongelukkig voelt dat het hem niet kan schelen of iedereen weet dat hij heeft zitten huilen. ‘En dat zou jij ook wel doen,’ ging hij verder, ‘als je je hele leven op het platteland had gewoond en een pony gehad had en een rivier die achter je tuin langs stroomt, en als je dan hier naartoe was gebracht om in zo’n dom gat te komen wonen.’ ‘Londen is geen gat,’ zei Polly verontwaardigd. Maar de jongen was zo van streek dat hij helemaal niet naar haar luisterde en hij ging verder: ‘En als je vader in India was – en als je bij een tante en een oom moest gaan wonen – bij een oom die gek is (wie zou dat nou leuk vinden!) – en als dat was omdat ze voor je moeder zorgden – en als je moeder ziek was en... en... doodging.’ Toen vertrok hij zijn gezicht alsof hij moeite had zijn tranen te bedwingen. ‘Dat wist ik niet. Het spijt me,’ zei Polly beschaamd. En daarna vroeg ze, omdat ze bijna niet wist wat ze zeggen moest en ook om Digory op vrolijker gedachten te brengen: ‘Is meneer Ketterley echt gek?’ ‘Nou ja, óf hij is gek,’ zei Digory, ‘óf er is iets anders geheimzinnigs met hem. Hij heeft een studeerkamer op de zolderverdieping en tante Letty zegt dat ik daar nooit naartoe mag gaan. Nou, dat is om te beginnen al verdacht. En dan is er nog iets. Altijd als hij me aan tafel iets probeert te vertellen – met haar probeert hij niet eens te praten – laat zij hem zijn mond houden. Dan zegt ze: “Val

8


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 9

die jongen daar nou niet mee lastig, Andreas,” of “Ik weet zeker dat Digory zich daar niet voor interesseert,” of anders: “Kom, Digory, heb je geen zin om buiten te gaan spelen, in de tuin?”’ ‘Wat voor dingen probeert hij dan te zeggen?’ ‘Ik weet het niet. Zover komt hij nooit. Maar er is nog meer. Op een avond – gisteravond om precies te zijn – toen ik langs de zoldertrap kwam op weg naar bed (en zo leuk vind ik het toch al niet dat ik daar langs moet) weet ik zeker dat ik een gil gehoord heb.’ ‘Misschien heeft hij wel een krankzinnige vrouw, die hij daar gevangen houdt.’

9


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 10

‘Ja, daar heb ik ook al aan gedacht.’ ‘Of misschien is hij valsemunter.’ ‘Of hij kan ook zeerover geweest zijn, zoals die man aan het begin van Schateiland, en altijd op de vlucht zijn voor zijn vroegere scheepsmaten.’ ‘Wat spannend!’ zei Polly. ‘Ik heb nooit geweten dat dat huis van jullie zo’n interessant huis was.’ ‘Misschien vind jij dat interessant,’ zei Digory. ‘Maar als je er moest slapen, zou jij het ook niet leuk vinden. Hoe zou jij het vinden als je niet kon slapen omdat je lag te luisteren of de voetstappen van oom Andreas niet over de overloop naar jouw slaapkamer kwamen sluipen? En hij heeft van die afschuwelijke ogen!’ Zo kwam het dat Polly en Digory elkaar leerden kennen; en omdat de zomervakantie net begonnen was en ze dat jaar geen van beiden op vakantie naar zee zouden gaan, zagen ze elkaar bijna iedere dag. Wat er gebeurde, begon eigenlijk vooral doordat het een van de regenachtigste en koudste zomers in jaren was. Daardoor waren ze gedwongen dingen te doen die je binnen kon doen: ontdekkingsreizen maken binnenshuis, zou je kunnen zeggen. Je staat er versteld van hoeveel er bij het licht van een stompje kaars te ontdekken valt in een groot huis of in een rij huizen. Al lang geleden had Polly ontdekt dat je, als je op de rommelzolder van haar huis een klein deurtje opendeed, bij de watertank kon komen, met daarachter een donkere ruimte waarin je met wat moeite naar binnen kon klimmen. Die donkere ruimte leek op een lange tunnel met aan één kant een gemetselde muur en aan de andere kant een schuin dak. In het dak zag je tussen de dakpannen kleine plekjes licht. De tunnel had geen vloer: je moest van de ene balk op de volgende stappen, en daartussenin was alleen pleisterwerk. Als je daarop stapte, zou je dwars door het plafond vallen van de kamer eronder. Polly had het stukje tunnel vlak naast de watertank altijd als rovershol gebruikt. Ze had stukken van oude

10


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 11

kisten en zittingen van kapotte keukenstoelen en dat soort dingen mee naar boven genomen en over de balken uitgespreid om een stukje vloer te maken. Ze bewaarde er een geldkistje met allerlei schatten, een verhaal dat ze aan het schrijven was en meestal een paar appels. Ze dronk er vaak in alle rust een flesje gemberbier: door die lege flesjes leek het nog meer op een rovershol. Digory vond het wel een leuk hol (het verhaal wilde ze hem niet laten zien), maar hij had meer zin om op onderzoek uit te gaan dan om er te blijven. ‘Hoor eens,’ zei hij. ‘Hoe ver loopt deze tunnel eigenlijk door? Ik bedoel: eindigt hij waar jullie huis ophoudt?’ ‘Nee,’ zei Polly. ‘De muren lopen niet helemaal door tot aan het dak. Hij gaat nog verder. Ik weet niet hoe ver.’ ‘Dan kunnen we misschien wel langs deze hele rij huizen komen.’ ‘Misschien wel,’ zei Polly. ‘Hé, weet je wat?’ ‘Wat?’ ‘Misschien kunnen we wel in de andere huizen komen.’ ‘Ja, en dan zeker als inbrekers gearresteerd worden! Nee, dank je wel.’ ‘Doe nou niet net of je alles zo goed weet. Ik dacht aan dat huis voorbij dat van jullie.’

11


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 12

‘Wat is daarmee?’ ‘Nou, dat is dat huis dat leegstaat. Mijn vader zegt dat het zolang als wij hier wonen altijd al leeg heeft gestaan.’ ‘Ja, dan moesten we er maar eens gaan kijken,’ zei Digory. Hij vond het veel spannender dan je op kon maken uit zijn manier van praten. Want natuurlijk dacht hij, net als jij gedaan zou hebben, aan alle redenen waarom dat huis al zo lang leeg zou kunnen staan. Polly trouwens ook. Geen van tweeën zeiden ze het woord ‘spoken’. En allebei vonden ze dat het, nu het eenmaal was voorgesteld, zwak zou zijn om het niet te doen. ‘Zullen we het eens gaan proberen?’ zei Digory. ‘Goed,’ zei Polly. ‘Als je het liever niet wilt, hoeft het niet, hoor,’ zei Digory. ‘Als jij gaat, doe ik mee,’ zei zij weer. ‘Hoe weten we wanneer we in het huis naast dat van ons zijn?’ Ze besloten dat ze weer terug moesten naar de rommelzolder en over de hele lengte passen moesten nemen die even lang waren als de stap van de ene balk naar de volgende. Zo zouden ze een idee krijgen hoeveel balken er in een kamer gingen. Dan zouden ze er nog een stuk of vier bij optellen voor de overloop tussen de twee zolders in Polly’s huis, en dan nog eens hetzelfde aantal als voor de rommelzolder, voor de slaapkamer van de dienstbode. Zo moesten ze de lengte van het huis te weten komen. Als ze die afstand twee keer gelopen hadden, zouden ze bij het eind van Digory’s huis zijn; en door de deur die ze daarna het eerst tegenkwamen, zouden ze vanzelf op een van de zolders van het leegstaande huis uitkomen. ‘Maar ik verwacht helemaal niet dat het echt leegstaat,’ zei Digory. ‘Wat verwacht je dan?’ ‘Ik verwacht dat er daar stiekem iemand woont, die alleen ’s nachts naar binnen en naar buiten gaat, met een verduisterde lantaarn. Waarschijnlijk ontdekken we een bende gemene misdadigers en krijgen we een beloning. Het is grote onzin om te zeggen dat een huis al die jaren al leeg zou staan als er niet iets geheimzinnigs mee was.’ 12


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 13

‘Mijn vader dacht dat het wel iets met de afvoerbuizen zou zijn,’ zei Polly. ‘Puh! Grote mensen verzinnen altijd van die saaie verklaringen,’ zei Digory. Nu ze bij daglicht op de zolder stonden te praten in plaats van bij kaarslicht in het Rovershol, leek het al veel minder waarschijnlijk dat het in het leegstaande huis spookte. Toen ze de zolder opgemeten hadden, moesten ze een potlood halen en gaan rekenen. Eerst kregen ze ieder een ander antwoord, en ik vraag me af of ze zelfs toen ze het eens geworden waren het wel goed hadden. Ze hadden veel te veel haast om aan hun ontdekkingstocht te beginnen. ‘We moeten doodstil zijn,’ zei Polly, toen ze weer achter de watertank klommen. Omdat het zo’n belangrijke gelegenheid was, namen ze ieder een kaars mee (Polly had er een flinke voorraad van in haar hol). Het was erg donker en stoffig en het tochtte; ze zeiden geen woord terwijl ze van de ene balk op de andere stapten, behalve als ze tegen elkaar fluisterden: ‘Nu zijn we bij jullie zolder’ of: ‘Nu zijn we denk ik op de helft van ons huis.’ En geen van beiden struikelden ze en de kaarsen gingen niet uit, en ten slotte kwamen ze bij een klein deurtje in de stenen muur aan hun rechterhand. Er zat aan deze kant natuurlijk geen klink of deurkruk aan, want die deur was gemaakt om de tunnel in te kunnen, niet om eruit te kunnen; maar hij zat vastgeklemd met een blokje hout dat je aan de andere kant met een deurknop kon opendraaien (zoals je vaak ziet bij ouderwetse kastdeuren) en ze waren ervan overtuigd dat ze dat best open konden krijgen. ‘Zal ik dan maar?’ zei Digory. ‘Als jij wilt, doe ik mee,’ zei Polly, zoals ze al eerder gezegd had. Allebei hadden ze het gevoel dat het nu menens werd, maar geen van beiden wilden ze terugkrabbelen. Digory draaide met wat moeite het blokje hout om. De deur zwaaide open en ze knipperden met hun ogen tegen het onverwachte daglicht. Toen zagen ze

13


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 14

tot hun grote schrik dat ze niet op een verlaten zolder naar binnen stonden te kijken, maar in een gemeubileerd vertrek. Niet dat dat er niet verlaten uitzag. Het was er doodstil. Polly kon haar nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. Ze blies haar kaars uit en stapte de tunnel uit, de vreemde kamer binnen, zacht als een muis. Het vertrek had natuurlijk de vorm van een zolder, maar was ingericht als zitkamer. Elk stukje muur hing vol planken en elk stukje van die planken stond vol met boeken. In de haard brandde een vuur (je weet nog wel dat het dat jaar een erg koude en

14


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 15

natte zomer was) en voor de open haard stond, met zijn rug naar hen toe, een diepe leunstoel. Tussen Polly en die stoel stond een grote tafel, die bijna het hele midden van de kamer in beslag nam en die volgestapeld lag met allerlei dingen – gedrukte boeken en boeken waar je zelf in kunt schrijven, flesjes inkt en pennen en zegellak en een microscoop. Maar wat haar het eerst opviel, was een vuurrood houten dienblad met een aantal ringen erop. Ze lagen in paren – een gele en een groene bij elkaar, dan een kleine ruimte ertussen, en dan weer een gele en een groene. Ze waren niet groter dan gewone ringen en ze vielen meteen op, zo schitterden ze. Het waren de prachtigste, glanzendste dingetjes die je je voor kunt stellen. Als Polly nog een heel klein beetje jonger was geweest, had ze er vast een in haar mond willen steken. Het was zo stil in het vertrek dat het tikken van de klok duidelijk hoorbaar was. En toch was het er, ontdekte ze nu, ook weer niet volkomen stil. Er klonk een zacht – een heel, heel zacht – zoemend geluid. Als in die tijd de stofzuiger al was uitgevonden, zou Polly hebben gedacht dat er heel in de verte iemand aan het stofzuigen was – verschillende kamers verderop en verschillende verdiepingen lager. Maar het was een leuker geluid, met een muzikalere klank: alleen was het zo zwak dat je het bijna niet kon horen. ‘Kom maar hoor, er is niemand,’ zei Polly over haar schouder tegen Digory. Ze fluisterde niet meer. En Digory kwam te voorschijn; hij stond te knipperen met zijn ogen en zag er verschrikkelijk vuil uit – net als Polly trouwens. ‘Dit is niks,’ zei hij. ‘Dit huis staat helemaal niet leeg. We kunnen beter verdwijnen voordat er iemand komt.’ ‘Waar denk je dat die voor zijn?’ zei Polly en ze wees naar de gekleurde ringen. ‘O, kom nou,’ zei Digory. ‘Hoe eerder...’ Die zin kon hij nooit afmaken, want op dat moment gebeurde er iets. Opeens bewoog de diepe leunstoel bij de open haard en daar rees – als een boze geest die in een toneelstuk uit een valluik opkomt – de angstaanjagende gestalte van oom Andreas

15


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 16

omhoog. Ze waren nog helemaal niet in het leegstaande huis: ze waren in het huis van Digory en in de verboden studeerkamer! De kinderen zeiden allebei ‘Oooh’ en beseften dat ze een afschuwelijke fout gemaakt hadden. Ze hadden het gevoel dat ze aldoor al hadden moeten begrijpen dat ze nog lang niet ver genoeg waren. Oom Andreas was heel lang en heel mager. Hij had een lang, gladgeschoren gezicht met een spitse neus, fel fonkelende ogen en een enorme, warrige bos grijs haar. Digory was volkomen sprakeloos, want oom Andreas zag er duizend keer angstaanjagender uit dan hij tot nog toe ooit gedaan had. Polly was nog niet zo bang, maar dat werd ze algauw. Want het allereerste dat oom Andreas deed was naar de deur van de kamer toe lopen, die dichtdoen en de sleutel omdraaien in het slot. Daarna draaide hij zich om, keek de kinderen strak aan met zijn fonkelende ogen en glimlachte met al zijn tanden bloot. ‘Zo!’ zei hij. ‘Nu kan die onnozele zuster van me niet bij jullie komen!’ Dat was wel iets heel anders dan wat je van een groot mens zou verwachten. Polly’s hart klopte in haar keel, en Digory en zij begonnen achteruit te lopen in de richting van het deurtje waardoor ze waren binnengekomen. Maar oom Andreas was hun te vlug af. Hij liep achter hen langs, deed ook die deur dicht en ging ervoor staan. Toen wreef hij over zijn handen tot zijn knokkels kraakten. Hij had heel lange, prachtig witte vingers. ‘Wat een heerlijke verrassing dat jullie er zijn,’ zei hij. ‘Twee kinderen is nou precies wat ik nodig had.’ ‘Alstublieft, meneer Ketterley,’ zei Polly. ‘Het is bij ons bijna etenstijd en ik moet naar huis. Wilt u ons er alstublieft uit laten?’ ‘Nu nog niet,’ zei oom Andreas. ‘Dit is een kans die ik me niet mag laten ontglippen. Ik had juist twee kinderen nodig. Ik ben namelijk bezig met een fantastisch experiment. Ik heb het op een cavia uitgeprobeerd en bij hem leek het te werken. Maar ja, een cavia kan er niets van navertellen. En je kunt hem niet uitleggen hoe hij weer terug moet komen.’

16


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 17

‘Luistert u nou eens, oom Andreas,’ zei Digory, ‘het is echt etenstijd en zo meteen komen ze ons zoeken. U moet ons eruit laten.’ ‘Moet?’ zei oom Andreas. Digory en Polly wierpen elkaar een snelle blik toe. Ze durfden niets te zeggen, maar hun blikken betekenden: ‘Wat afschuwelijk, hè?’ en: ‘Laten we hem maar te vriend proberen te houden.’ ‘Als u ons nu liet gaan om te eten,’ zei Polly, ‘zouden we na het eten kunnen terugkomen.’ ‘Ja ja, maar hoe weet ik of jullie dat echt doen?’ zei oom Andreas met een sluwe grijns. Toen leek hij van gedachten te veranderen. ‘Nou ja,’ zei hij, ‘als jullie dan echt weg moeten, dan zal het wel moeten zeker. Ik kan van twee jongelui zoals jullie ook niet verwachten dat ze het leuk vinden om met zo’n ouwe sok als ik te praten.’ Hij zuchtte en ging verder. ‘Jullie hebben er geen idee van hoe eenzaam ik soms ben. Maar dat geeft niet. Gaan jullie maar eten. Maar laat me jullie nog een cadeautje geven voordat je weggaat. Ik heb tenslotte niet elke dag meisjes in mijn rommelige, ouwe studeerkamer; vooral niet, als ik het zo mag zeggen, zo’n aantrekkelijke jongedame als jij.’ Polly begon te denken dat hij misschien toch wel niet echt gek was. ‘Zou je niet een ring willen hebben, m’n kind?’ zei oom Andreas tegen Polly. ‘Bedoelt u een van die gele of die groene?’ zei Polly. ‘O, wat leuk!’ ‘Geen groene,’ zei oom Andreas. ‘Die groene kan ik helaas niet weggeven. Maar ik wil je met alle plezier een van die gele geven, met alle liefde. Kom, pas er maar eens een.’ Polly’s angst was nu helemaal weg; ze was ervan overtuigd dat die oude heer niet gek was en die glanzende ringen hadden beslist een vreemde aantrekkingskracht. Ze liep naar het dienblad toe. ‘Hé, wat gek!’ zei ze. ‘Hier wordt dat zoemende geluid harder. Het lijkt wel of het uit die ringen komt.’ ‘Wat een mal idee van je, m’n lieve kind,’ zei oom Andreas met

17


.opmk. 'Neefje...'

29-04-2005

11:58

Pagina 18

een lachje. Zijn lachje klonk heel natuurlijk, maar Digory zag even een gretige, bijna begerige blik in zijn ogen. ‘Polly! Trap er niet in!’ schreeuwde hij. ‘Raak ze niet aan.’ Het was al te laat. Op hetzelfde moment dat hij dat zei, stak Polly haar hand uit en raakte een van de ringen aan. En meteen, zonder lichtflits of geluid of wat voor waarschuwing dan ook, was Polly er niet meer. In het vertrek stonden alleen Digory en zijn oom.

18


CMYK

C.S. Lewis

Omslagillustratie Julek Heller Illustraties in het boek Pauline Baynes

Het neefje van de tovenaar

C.S. Lewis

Dit beroemde verhaal van C.S. Lewis is het eerste deel van De Kronieken van Narnia. De volgende delen zijn Het betoverde land achter de kleerkast, Het paard en de jongen, Prins Caspian, De reis met het drakenschip, De zilveren stoel en Het laatste gevecht.

Het neefje van de tovenaar

Op een dag gaat Digory met zijn buurmeisje Polly op ontdekkingstocht in het grote huis. Hij woont daar met zijn zieke moeder en zijn oom en tante. Per ongeluk ontdekken ze een geheime gang, die naar de kamer van oom Andreas leidt. Dan begint het grootste avontuur van hun leven. Oom Andreas is een tovenaar en hij wil zijn kunsten wel eens op Digory en Polly uitproberen. Hij tovert ze weg naar vreemde werelden. Uiteindelijk komen ze in Narnia terecht. Daar maken ze mee hoe de eerste koning en koningin gekroond worden, en hoe de leeuw Aslan de dieren leert praten. Maar ze hebben ook – tegen hun zin – de slechte koningin Jadis wakker gemaakt en naar Narnia meegenomen. Zal het hun lukken om dat grote kwaad weer goed te maken? En zal Digory’s moeder, van wie hij zoveel houdt, misschien met hulp van Aslan weer beter worden?

ISBN 978 90 266 1056 1 NUR 334

9 789026 610561 www.callenbach.nl

HetNeefje.indd 1

15-02-2010 10:50:36


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het neefje van de tovenaar - C.S. Lewis.9789026610561 biw inkijk by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu