Skip to main content

Het schandaal - Shusaku Endo. ISBN 9789023959038

Page 1

Een wervelende roman over de spanning tussen de waarheid en de ondoorgrondelijkheid van de menselijke ziel.

nur

uitgeverijmozaiek.nl

Endo_Schandaal_WT.indd 1

SHUSAKU ENDO

Het schandaal mozaïek

Het schandaal

s h u s a k u e n d o (1923-1996) wordt gezien als een van de grootste Japanse schrijver van na de Tweede Wereldoorlog. Bekende titels van zijn hand: Stilte, De samoerai en Jezus, het verhaal van een leven.

SHUSAKU ENDO

Tijdens de uitreiking van een literaire prijs wordt de beroemde schrijver Suguro aangesproken door een vrouw die beweert hem te hebben gezien in de rosse buurt van Tokyo. Hij weet van niets en ontkent. Als de pers er lucht van krijgt en er toch verdachte dingen naar boven komen, begint Suguro’s reputatie barsten te vertonen. Wat klopt er van het verhaal? Wat is er waar van zijn eigen leven? Hoe kan hij de zaak redden? In zijn zoektocht ontdekt Suguro onvermoede kanten van zichzelf.

Van de auteur van Stilte

|

roman

‘Endo is naar mijn overtuiging een van de grootste romanciers van onze tijd.’ – Graham Greene ‘Endo zal herinnerd worden als een der zeer groten, vergelijkbaar met Dante of Dostojevski.’ – Willem Jan Otten ‘Meesterwerk.’ – Bas Heijne over Stilte

302

9 789023 959038

25-06-19 11:09


Het schandaal


Van dezelfde auteur verschenen eerder bij KokBoekencentrum/MozaĂŻek: Stilte De samoerai Jezus. Het verhaal van een leven


Shusaku Endo

Het schandaal Vertaald door drs. C.M. Steegers-Groeneveld

Uitgeverij MozaĂŻek, Utrecht


Oorspronkelijke titel: Skyandaru © 1986 de erven Shusaku Endo, all rights reserved © 2019 Nederlandse vertaling drs. C.M. Steegers-Groeneveld De eerste druk van Het schandaal verscheen in 1990 bij Uitgeverij Prometheus, Amsterdam. Voor deze uitgave werd gebruikgemaakt van de tweede druk die in 1995 werd gepubliceerd. De vertaling is geactualiseerd door de vertaler zelf. Vertaling drs. C.M. Steegers-Groeneveld Omslagontwerp bij Barbara isbn 978 90 239 5903 8 isbn 978 90 239 5904 5 (e-book) nur 302 Uitgeverij Mozaïek vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.


Lijst van hoofdpersonen Suguro Kurimoto Kobari Mevrouw Naruse Kanō Hina Ishiguro Motoko Itoi Mitsu Morita Doctor Tōno

een oudere, christelijke schrijver zijn redacteur journalist bij een boulevardblad Madame N. vriend van Suguro, schrijver schilderes, avant-garde schilderes, avant-garde scholiere, huishoudelijke hulp van Suguro psycholoog


1 De versleten stoel scheen behoefte te hebben aan een spuitje olie.Toen de dokter de kaart met onderzoeksresultaten had bekeken en zich naar Suguro toedraaide, piepte het ding erbarmelijk. Het geluid klonk hem al vertrouwd in de oren sinds zijn vorige bezoeken aan dit ziekenhuis. Na het piepen begon de dokter altijd langzaam te praten. Zo ook vandaag. ‘Uw got is drieënveertig en uw gpt achtenvijftig. Tja, dat is deze keer iets boven de normale waarden. U moet beslist niet te veel willen doen. Het was al eens boven de vierhonderd, niet, toen u te hard had gewerkt?’ ‘Ja.’ ‘Als het levercirrose wordt, loopt u het risico dat het overgaat in kanker. Het is ernstig, u moet niet te veel doen.’ Een gevoel van opluchting spoot als hete stoom in Suguro omhoog, want hij was er niet gerust op geweest. Na het onderzoek van de vorige maand had hij vrij veel van zijn lichaam gevergd met zijn werk. Terwijl hij de dokter bedankte bedacht Suguro dat hij nu met een gerust hart de prijsuitreiking kon bijwonen. Suguro werd altijd kalm wanneer hij het keizerlijk paleis zag, verstild in de regen. Dit gezicht op Tokyo was hem bijzonder dierbaar. De taxi reed langs de gracht naar de zaal waar de ceremonie zou plaatsvinden. Hij zou straks een prijs krijgen voor een boek waar hij drie jaar aan gewerkt had. Hij had als schrijver ettelijke prijzen gewonnen en voor hem hoefde het op zijn leeftijd – hij was

7


boven de vijfenzestig – niet meer zo nodig, maar toch streelde het zijn gevoel van eigenwaarde dat het boek zo gewaardeerd werd. Dat was echter niet het voornaamste sentiment dat Suguro nu voelde. Hij ervoer meer een diepe voldoening over het feit dat hij ten langen leste met deze roman zijn leven en werken een waardig slot had gegeven. Leunend op de armsteun van de taxi staarde hij naar de regendruppels die langs het raam siepelden. De taxi hield stil en een portier opende de deur van de wagen. Uit het uniform van de man steeg een vochtige lucht op. Aan gene zijde van de automatische deuren wachtte een jonge redacteur van de uitgeverij die de bijeenkomst van vandaag organiseerde, hem op. ‘Wel gefeliciteerd! Ik ben er ook erg blij mee.’ De redacteur, Kurimoto, was verantwoordelijk geweest voor Suguro’s roman en had er ook aan meegewerkt. Hij had documenten bij elkaar gezocht en studiereizen over het onderwerp nauwgezet voorbereid. ‘Dit heb ik aan jou te danken.’ ‘Och welnee, maar het is echt geweldig! Dit werk is immers de bekroning van uw hele oeuvre. Laten we naar de lobby gaan. De heren van het comité zijn er al.’ De ceremonie begon op het op de uitnodiging vermelde tijdstip. De zitplaatsen van prijswinnaar en juryleden stonden op een podium, in het midden van elkaar gescheiden door een microfoon op een hoge standaard. Tegenover hen zaten ongeveer honderd gasten. De opening begon met een welkomstwoord van de president, gevolgd door een speech van Kanō, een van de leden van de jury. Suguro kende Kanō al meer dan dertig jaar. Ze hadden vrijwel tegelijkertijd hun opwachting gemaakt in letterkundige kringen. In hun jonge jaren hadden ze zich opgewonden over elkaars boeken. Nu eens lijnrecht tegenover elkaar, dan weer

8


in harmonie. Eenmaal boven de veertig, toen ze het verschil tussen hen beiden hadden begrepen, waren zij ieder hun eigen kant op gegaan. Kanō, die met het gezicht naar de gasten zijn indrukken van het werk weergaf, hield zijn rechterschouder opgetrokken. Hij had evenals Suguro in zijn jeugd tbc gehad en beiden waren ze geopereerd. De schouder waaraan de operatie had plaatsgevonden, ging bij inspanning altijd omhoog. In die scheve schouder concentreerde zich de ouderdom van de man. Zoals Suguro aan zijn leverkwaal leed, had Kanō al jaren een zwak hart en droeg hij altijd nitrobaat op zak. ‘Suguro is hier in Japan als christen grootgebracht. In zekere zin is dat een geluk voor hem, vind ik, anderszins was dat juist weer in zijn nadeel.’ Kanō, die een goed spreker was, sneed de essentie van het werk van de prijswinnaar aan op een manier die ieders interesse en nieuwsgierigheid prikkelde. ‘Het onfortuinlijke van Suguro ligt in het feit dat hij het – voor ons in onze Japanse gedachtewereld – vage begrip God moest beschouwen alsof het wél te vatten was. Daarom kreeg hij de mensen in het begin niet mee. Van meet af aan worstelde Suguro met het probleem hoe hij dat wat hij wilde vertellen – zijn Godsverhaal – kon overbrengen op al die Japanners die er geen oren naar hadden. Dat is al iets van meer dan dertig jaar geleden; we leerden elkaar kort na de oorlog kennen... In die tijd liep hij constant met een somber gezicht rond.’ Dertig jaar geleden... Weer kwam hem die kleine kroeg voor ogen, de Fukusuke, vlak bij het station Meguro. De eerste verdieping was doortrokken van de geur van oude tatamimatten. Het was een zomeravond, scheef bungelde voor het raam een bamboegordijn, zinderend van zonnehitte. Op straat blies er iemand op een trompet. Vijf, zes jonge mannen zaten tegen een muur geleund waar een kalender aan hing en bekritiseer-

9


den Suguro heftig, de armen om hun knieën geslagen. Een meisje in zwempak, met een zonnebril op, prijkte trots op de kalender. Die zonnebril was een maniertje dat de meisjes in die tijd hadden afgekeken van vrouwen van het bezettingsleger. Ook Kanō, die toen mager was en uitstekende jukbeenderen had, behoorde tot de critici van Suguro. ‘Ergens is het ongeloofwaardig wat Suguro schrijft,’ zei ene Shiba, terwijl hij met zijn pink in zijn oor pulkte. ‘Suguro heeft nog geen greep op zijn ware identiteit. Het is alleen maar een gedachtegang in zijn hoofd... ik krijg niet het gevoel dat het echt is.’ Suguro kon die woorden niet weerleggen. ‘In een bepaald gedeelte van zijn roman zitten een heleboel punten waar hij zijn tanden niet echt op heeft stukgebeten. Het is op zichzelf prima om over God te vertellen, maar dat heeft hij geleend van de een of andere westerling en is daarom ongeloofwaardig.’ Onder het praten lette Shiba op Suguro’s gezichtsuitdrukking. Het leek wel of hij zat te berekenen hoe hard zijn woorden bij Suguro aankwamen. ‘Hé, een roman is iets anders dan een essay, hoor. Heb je er wel eens over nagedacht in hoeverre je je thema in beelden kunt omzetten? Je bent niet geloofwaardig.’ Hij voelde de drang om zichzelf te verdedigen, maar praten zou de moeilijk te overbruggen afstand tussen hem en zijn vrienden alleen nog maar groter maken. Jullie zouden totaal niet begrijpen welke problemen een christen hier in Japan ondervindt bij het schrijven van een roman. Spijtig spoelde hij die woorden weg met het restje bier dat nog in zijn glas zat. Toch bespeurde Suguro tegelijkertijd ook bij zichzelf wel iets dat hem belette de woorden van Shiba, die hem niet geloofwaardig noemde, te weerleggen. Hij had het gevoel dat hij altijd iets verborgen hield, ergens heel diep in zijn hart. 10


‘In die tijd leidde hij te midden van ons het bestaan van een verschoppeling. Wij hebben er zelfs eens krachtig bij hem op aangedrongen zijn christenzijn op te geven. Voor ons naoorlogse jongeren was religie “de verheerlijking van het vaderbeeld”, zoals Freud dat noemt, voortgekomen uit een Oedipuscomplex, een irrationeel bijgeloof. Bij Marx heet dit “opium voor het volk”. Een christen was een hypocriet en geen echte Japanner, kortom, wij begrepen dus niet waarom Suguro de last van “die God van daarginds” niet verwierp. Bovendien was het niet zo dat hij uit zichzelf het doopsel had ontvangen, nee, hij was alleen maar in zijn jeugd gedoopt op instigatie van wijlen zijn moeder en daarom beschouwden wij zijn geloof louter als een gewoonte of als een kwestie van apathie. Zoals u weet heeft Suguro later diverse werken gepubliceerd waarvoor hij zijn materiaal putte uit het tijdperk van het christendom in Japan. Hij verhaalt daarin over arme gelovigen die door wrede ambtenaren tot geloofsafstand worden gedwongen. Toen hij dat schreef, ben ook ik beslist voor zijn geestesoog verschenen als een boosaardige beambte.’ Gelach steeg op. Met een wrange glimlach erkende Suguro de professionaliteit van zijn vriends speech. De blikken van de gasten, die de kleine hal vulden, waren alle op Kanō gericht. ‘Hij verdedigde zich echter altijd. Hij zei dat wie eenmaal door God gegrepen is, niet meer aan Hem kan ontsnappen. Natuurlijk geloofden wij hem niet, maar Suguro heeft die woorden voortdurend bewezen gedurende zijn meer dan dertigjarig schrijversbestaan. Hij heeft het zoeken naar een evenwicht tussen Japan en zijn geloof tot hoofdthema van zijn literatuur gemaakt. Die harde strijd is gestreden in zijn talrijke werken en deze roman is het eindresultaat ervan.’ Na zijn gehoor te hebben laten lachen trok Kanō vervolgens de teugels aan. Zo bracht hij ritme aan in zijn speech. Dat ritme vond meteen weerklank in de gezichtsuitdrukking van

11


de talloze vrouwen die dicht bij elkaar op de stoelen zaten. Kanō was zich daarvan bewust en scheen het effect van zijn speech te berekenen aan de hand van steelse blikken op hun gezichten. ‘Maar de verdienste van Suguro is dat hij de literatuur niet aan zijn geloof heeft opgeofferd. Hij heeft zijn geschriften niet ondergeschikt gemaakt aan een geloof dat ver van ons af staat. Kort gezegd, Suguro heeft als schrijver zelfs dat lelijke, walgelijke, smerige deel van de mens beroerd waar zijn geloof afkeer van zou voelen, naar ik durf te stellen. Daarom zijn zijn romans geen preek voor eigen parochie geworden.’ Kanō wist wat Suguro’s zelfrespect streelde. Ja, dat was een probleem dat Suguro in het bijzonder had gekweld in een bepaalde periode. Hij herinnerde zich wat een oude, buitenlandse priester in wie hij vertrouwen had, in die tijd had gezegd: ‘Waarom schrijf je geen mooiere, meer verfijnde verhalen?’ Suguro kende deze oude priester sinds zijn kinderjaren. Voor de oorlog was de man voddenraper geweest in de armenwijk van Osaka. Hij bekommerde zich om zieken en zorgde voor wezen. Hij was een vreemdeling die door de Japanners de ‘buitenlandse Ryōkan’1 werd genoemd. Hij had ogen met de kleur van druiven, die het koppigste gemoed konden ontdooien bij een confrontatie, en een kinderlijke lieve glimlach op zijn gezicht. Iedere keer dat Suguro hem zag, herinnerde hij zich de bijbelse woorden: ‘Zalig zijn de zachtmoedigen van geest.’ Op zekere dag mompelde de oude priester, met een droevige uitdrukking uit het diepst van zijn hart, tegen hem: ‘Ik heb je roman gelezen met Nieuwjaar. Er stonden veel moeilijke karaktertekens in, maar ik héb hem gelezen. Mag ik je wat vragen?’

1

Een Zen-priester-dichter uit de latere Edo-periode 1600-1868 (vert.)

12


‘Ja.’ ‘Waarom schrijf je geen mooiere, meer verfijnde verhalen?’ Deze woorden en het diepbedroefde gelaat deden Suguro ook later nog zeer, wanneer hij in zijn kleine werkkamer met zijn potlood zat te schrijven. Toch had hij sindsdien nooit ook maar één mooiere, zuiverder roman geschreven. Zijn pen had hoe dan ook altijd de zwarte, duistere, lelijke kant van de karakters in zijn boeken beschreven. Als schrijver had hij daar – in welke menselijke samenleving dan ook – niet aan voorbij kunnen gaan of er de ogen voor sluiten. Als hij de duistere gevoelens van de figuren in zijn werken beschreef, voelde hij eenzelfde mentaliteit over zich komen. Om een kwaadaardig gemoed te beschrijven moest ook zijn eigen hart kwaadaardig worden. Om jaloezie te beschrijven moest hij volledig onderduiken in jaloezie, moest hij zichzelf besmeuren. Hoe meer hij schreef, hoe beter Suguro ging begrijpen wat een stank het innerlijk van een mens afgeeft. Wanneer hij daarover schreef herinnerde hij zich soms constant dat gezicht en die woorden: ‘Waarom schrijf je geen mooiere, meer verfijnde verhalen?’ In de loop van de tijd ging Suguro denken dat hij daar voor zichzelf een oplossing voor had gevonden. Hij voorvoelde dat het ware geloof wel zou reageren op de duistere melodieën die het menselijk hart speelde, de lelijke echo’s en die wilde geluiden. Dat voorgevoel werd bijna tot een vertrouwen naarmate zijn stapel werken hoger werd en had hem uiteindelijk uit zijn verwarring gered. ‘Het kenmerkende van Suguro’s literatuur is dat hij een nieuwe betekenis en waarde heeft ontdekt in datgene wat zijn geloof “de zonde” noemt. Jammer genoeg begrijpt een ongelovige als ik totaal niet wat zonde is...’ Op dat punt stopte Kanō en bracht door een sarcastisch zwijgen een pauze aan. Slecht op hun gemak in de stilte begonnen diverse toehoorders weer te lachen. 13


‘Na een periode van tasten in het duister is Suguro, die de menselijke zonden met genoegen heeft geschilderd, in zijn boeken gaan bewijzen dat in de zonde het verlangen naar wedergeboorte verborgen ligt. In elke zonde speelt het verlangen mee van de mens om een uitweg te vinden uit het hedendaagse, verstikkende bestaan of zelfs uit het leven, aldus Suguro. Dat vind ik toch wel het persoonlijke karakter van Suguro’s literatuur. En in dit laatste werk is deze originele gedachtegang in zijn volle wasdom afgeschilderd.’ Op dat punt begon Kanō op zachte toon te praten, alsof hij zich het verre verleden herinnerde. ‘In de meer dan dertig jaar dat ik Suguro ken, beter gezegd de laatste tien jaar, is hij mentaal in een eenzame positie geraakt. De dichter Bashō beschrijft dat in: Geen mens loopt er Schemering in de herfst Wanneer wij schrijvers boven de vijftig komen, respecteer je de literatuur van oude vrienden, maar je ondergaat er nauwelijks meer de invloed van. In plaats daarvan rest je slechts de taak om je eigen literatuur spade voor spade uit te diepen, totdat je sterft. Ik denk dat dat zowel voor Suguro als voor mij opgaat.’ Kanō ging afsluiten, terwijl iedereen nog geboeid luisterde. Achter in de zaal stond Kurimoto, de redacteur die hem daarstraks naar de lobby had geloodst. Terwijl hij zich van de plicht kweet om laatkomers naar een lege stoel te brengen, probeerde hij toch nog Suguro in het oog te houden toen die zijn onderscheiding in ontvangst nam. Suguro bedacht dat hij de jonge man die een flinke steun op de achtergrond was geweest bij het werk, later moest bedanken voor zijn inspanningen. Naast Kurimoto stond een vrouwelijke redacteur van een

14


andere firma. Hij wist haar naam niet, maar wanneer hij naar die uitgeverij ging, kwam hij de vrij kleine, jonge vrouw geregeld tegen in de hal. Hij herinnerde zich haar vanwege de charme van haar ietwat bolle gezicht, met kuiltjes in de wangen. Achter Kurimoto en de jonge vrouw bevond zich nog een gezicht. Suguro knipperde met zijn ogen. Het was onmiskenbaar zijn eigen gezicht. Het gezicht lachte op een manier die het midden hield tussen een glimlach en een grijns. Hij knipperde een paar keer met zijn ogen. Achter Kurimoto en de redactrice stond niemand. De feestelijkheden namen een aanvang. Her en der vormde zich een kring rond populaire schrijvers en schilders. Wanneer hij zijn ogen sloot klonk het geschuifel van voeten over de vloer, vermengd met hoge kreten van gelach en het geroezemoes van talloze stemmen, hem in de oren als het malen van poeder in een vijzel. Ook voor de standjes langs de wanden met sushi-hapjes en soba-noedels dromden gasten samen. Daartussen vielen de wit gepoederde gezichten van assisterende hostessen op. ‘Bedankt voor je mooie verhaal.’ Suguro klopte Kanō, die bezig was enkele redacteuren aan het lachen te maken, op zijn verhoogde rechterschouder. ‘O, vond je het goed zo?’ Kanō veranderde meteen van onderwerp om zijn verlegenheid te verbergen. ‘Je lijkt wel magerder geworden, ben je wel in orde?’ ‘Het gaat best, maar op deze leeftijd is het geen wonder als je lichamelijk iets mankeert.’ ‘Daar heb ik het net over. Ik zei dat mijn geheugen de laatste tijd aanzienlijk slechter is geworden. Boeken en zo die ik gelezen heb, vergeet ik helemaal. Ook op partijen als deze

15


kan ik me af en toe de namen van mensen die me aanspreken absoluut niet herinneren.’ ‘Dat heb ik net zo.’ ‘Ogen, tanden en nog iets, zegt men. In mijn geval zijn het ogen, geheugen en tanden. Nog afgezien van mijn hart dat al zo lang slecht is.’ Een jonge redacteur informeerde: ‘Hoe staat het daarmee?’ ‘Dat hart? Versleten. En dat van jou, Suguro?’ Kanō vervolgde met een ondeugende blik in zijn ogen: ‘Jij bent natuurlijk een christen, en bovendien is je vrouw een heuse trouwe echtgenote, maar heb jij, Suguro, nooit eens een pleziertje gehad voor je deze leeftijd bereikte? Of voer je iets uit waar wij niets van weten?’ ‘Dacht je dat ik met anderen gemoedelijk zou babbelen over geheimen die ik zelfs nooit aan mijn vrouw heb onthuld?’ In tegenstelling tot vroeger had Suguro de quasiboosaardige plagerijen van zijn vrienden nu door. Nadat hij een poosje in hun midden had verkeerd, liep hij weg om andere mensen te gaan begroeten. De nestors van literaire kringen, de heren Segi en Iwashita, waren in een geanimeerd gesprek verwikkeld. ‘Deze laatste roman van je, Suguro, is je beste werk, niet?’ prees de criticus Iwashita hem, met een wijnglas in de hand. Zijn gezicht was rood aangelopen, het leek wel of hij Suguro in de armen wilde sluiten. Daar Iwashita niet alleen in literaire kringen zijn senior was, maar ook eerder was afgestudeerd aan zijn alma mater, deed hij altijd wat beschermend ten opzichte van Suguro. ‘Niet dan?’ zei Iwashita, alsof hij de criticus Michio Segi ertoe wilde aansporen het met hem eens te zijn. De gezette Segi antwoordde met een moeizame glimlach: ‘Nou, ik heb wel wat aan te merken, maar laten we het daar vandaag op deze feestdag maar niet over hebben.’ ‘Trek het je niet aan. Segi is altijd streng.’

16


‘Wat moet je met een criticus die niet streng is?’ Dit type woordenwisseling was karakteristiek voor de literaire kringen. Dertig jaar lang al hoorde Suguro dit soort discussies geregeld op feesten, in bars en in gespreksgroepen. Terwijl hij het glas whisky met water – hem door een hostess overhandigd – alleen voor de vorm naar zijn mond bracht, overdacht hij op welke punten Segi kritiek kon hebben op zijn laatste boek. Hij meende dat hij wel een beetje wist waar het op uit zou draaien. Kritiek doet er niet toe, sprak hij hen inwendig tegen, nog steeds glimlachend. Ik heb met dit laatste werk mijn leven en literaire werk voltooid. Daar kan niemand iets aan veranderen, wat hij ook beweert. Op dat moment herinnerde hij zich wat Kurimoto tegen hem had gezegd, dat hij zijn oeuvre had voltooid, en hij voelde opnieuw enige voldoening. Toen iemand anders de twee oudere heren kwam begroeten, maakte hij van de gelegenheid gebruik om zich bij een andere groep te voegen. ‘Doctor!’ Een onbekende vrouw van een jaar of achtentwintig trok hem familiair aan zijn jasje. Lippenstift had vlekken gemaakt op haar voortanden, die ze hem lachend liet zien. In haar rechterhand hield ze een brandende sigaret, in haar linker een glas whisky met water. ‘Ben je me vergeten, doctor?’ Suguro knipperde met zijn ogen. Zoals Kanō al had gezegd, kwam het op zijn leeftijd vaak voor dat je naam en gezicht vergat van iemand die je maar een paar keer had ontmoet. ‘Jakkie nee hè.’ De vrouw lachte opnieuw te luid en te familiair. ‘We hebben elkaar toch in Shinjuku ontmoet, toen wij op straat portretten aan het tekenen waren!’ ‘Waar?’ ‘In de Sakurastraat. Je doet daar toch genoeg ondeugende dingen!’

17


‘Dat moet een ander zijn geweest, dat was ik niet.’ ‘Doe maar net of je er niks van weet! Je hebt toch gezegd dat je naar onze tentoonstelling kwam kijken? Heb je soms niet je portret laten schilderen door mijn vriendin? En toen...’ De vrouw was waarschijnlijk dronken. Ze hield nog steeds het jasje van Suguro vast en knipoogde veelbetekenend. De aftakeling stond te lezen op de met lippenstift besmeurde voortanden van deze vrouw, net als bij de ontwerpsters-in-spe en would-be-actrices die in Shinjuku en Roppongi rondzwierven. ‘Ben je niet in de war met een ander?’ ‘O ja? Goed hoor. De doctor wil voor de mensen dus niet weten dat hij zich daar in het holst van de nacht heeft geamuseerd met ons. Hij is immers een christen. Juist ja, je moet je ware aard gescheiden houden van je maatschappelijke voorkomen hè?’ Suguro onttrok zijn jasje met kracht aan de greep van haar klauwende handen en probeerde naar een andere groep toe te lopen. Doordat de fotograaf van een krant hem in flitslicht baadde, bracht hij in een reflex een gemaakte glimlach op zijn verstijfde gezicht. ‘Ach, kijk eens wat een kapsones!’ plaagde de vrouw hem van terzijde. ‘Is dat je ware aard of je maatschappelijke voorkomen, doctor?’ De gasten om hen heen draaiden zich om. Het was maar al te duidelijk dat ze naar Suguro keken. Hij haalde nadrukkelijk zijn schouders op, om aan te geven dat dit nergens op sloeg, maar hij moest zijn gezicht dwingen tot een glimlach. Kurimoto schoot toe en voerde de vrouw met enige dwang af. Toen hij kort daarna terugkwam, zei hij: ‘Neem me niet kwalijk. Iemand moet haar meegebracht hebben. Ik heb haar nu in de lift gewerkt en weggestuurd.’ ‘Ik kon niet tegen haar op. Ze hield zo aan...’

18


Suguro vroeg zich bezorgd af of Kurimoto werkelijk achterdocht tegen hem zou voelen. ‘Ze zei dat ze me diep in de nacht ergens in de Sakurastraat, in Shinjuku, had ontmoet.’ ‘Ja, dat schreeuwde ze.’ ‘Waar is dat eigenlijk, de Sakurastraat?’ ‘In de Kabuki-wijk...’ zei Kurimoto aarzelend, ‘dat is een straat met een aaneenschakeling van peepshows en pornowinkeltjes.’ ‘Ze beschuldigde me er ten onrechte van dat ik daar had gefeest.’ ‘Dat zei ze op de gang ook. Ik ben er ook erg kwaad om geworden! Ik zei dat u zich niet op zulke plaatsen ophield.’ Suguro knikte gerustgesteld. De serieuze Kurimoto zou tegenover de mensen die op dit feest het gesprek van daarnet hadden gehoord, alles ontkennen. Hij zou zeggen dat het onbestaanbaar was... Het was opgehouden met regenen, maar op de wegen lagen nog heel wat plassen. Taxi’s met het bordje ‘Leeg’ reden de een na de ander spetterend voorbij. De vrouw stak haar hand op naar een taxi, maar veranderde kennelijk van gedachten en begaf zich in de richting van het station van Tokyo. Een windvlaag bolde de zwarte cape op die ze droeg en dat wekte bij Kobari, die haar volgde, de associatie op van een vleermuis met uitgespreide vleugels. Vlak bij de ingang van de ondergrondse sprak hij haar aan. ‘Dat was me wat, daarnet.’ De vrouw stond stil en verstrakte. ‘Hoe komen ze erbij, om iemand tegen zijn zin een lift in te duwen! Je bent toch gast!’ ‘Wie ben jij?’ ‘Sorry, ik ben reporter bij een weekblad. Het tijdschrift waar ik voor werk is niet zo sjiek als de uitgeverij die deze party van

19


vandaag sponsorde, maar goed, daardoor is het des te vitaler.’ Vervolgens paste hij de professionele manier van vragen stellen toe die hij had geleerd. ‘Dat verhaal van je daarnet was toch zeker gelogen? Dat doctor Suguro aan de rol was geweest op dubieuze plaatsen in Shinjuku? Ik kan het niet geloven.’ ‘Dan is het maar gelogen. Als je denkt dat het leugens zijn, hoef je er ook niet naar te vragen.’ ‘Vertel me er alsjeblieft over als het echt waar is. Ik zal je ervoor belonen.’ ‘Wat vulgair, daar heb ik een hekel aan. Je wilt er zeker een artikel over maken?’ ‘Nee.’ Haastig sprak Kobari haar tegen. ‘Ik ben niet van plan erover te schrijven. Ik heb alleen privé interesse, of meneer Suguro daar echt is geweest of niet.’ ‘Ik heb toch geen reden om te liegen op een feest. Ten eerste had de doctor zelf gezegd dat ik op het feest moest komen.’ ‘Hè, had hij je op het feest uitgenodigd? Ik wil het zeker weten, was dat echt meneer Suguro?’ ‘Dat is wel zeker.’ ‘Waar ergens in de Sakurastraat heb je hem ontmoet?’ ‘Voor een zaak die “Zoete Honing” heet. Hij kwam net naar buiten.’ ‘Ben je echt beeldend kunstenares?’ ‘Heb je daar wat tegen?’ ‘Houd je exposities?’ ‘Waarom vraag je dat?’ ‘Ik mag nieuwe gezichten introduceren bij het tijdschrift waar ik voor werk.’ Snel gaf hij haar zijn visitekaartje. De vrouw nam het aan, maar ze zei met nog een spoor van woede in haar stem: ‘Ik houd een expositie in Harajuku, vlak bij de Takeshitastraat. Vanaf de zevenentwintigste.’ ‘Mooi. Laat me dan nu je verhaaltje maar eens uitgebreid horen.’ 20


Kobari dacht een makkelijke prooi te hebben aan de ander, maar toen hij zijn hand op haar schouder legde, schudde ze die af en stormde met wapperende cape de trappen af. ‘Wacht! Jij bent óók hopeloos! Stuur me dan tenminste een uitnodiging voor die expositie!’ riep Kobari haar na, maar ze verdween al snel uit het zicht. Zou het dan toch waar zijn? Iets vertelde hem dat de vage indruk die hij al eerder had gekregen, telkens als hij in krant of tijdschrift een foto van Suguro zag, eindelijk vaste vorm aannam. Momenteel had hij weinig meer te maken met literatuur, maar in zijn studententijd had hij vurig gehoopt romanschrijver te worden. En al in die tijd stonden de godsdienstig getinte werken van Suguro hem niet aan. Hij kon zich niet onttrekken aan het idee dat Suguro makkelijk praten had. Toen hij studeerde was hij een vurig voorstander van het materialisme geweest en had hij het vervelende gevoel gehad dat mensen als Suguro, die in godsdienst geloofden, het volk bedrogen met hun ‘opium voor het volk’. Deze sentimenten werden hem ook ingegeven door jeugdherinneringen. In zijn jongensjaren werden er in de protestantse kerk in de buurt cursussen Engels gegeven, waar hij diverse keren heen was geweest. De predikante daar, met haar bril en haar kleine boezem, mocht hem echter niet en had vaak sarcastisch en laatdunkend tegen hem gesproken. Het punt was dat hij alleen Engels kwam leren en dat hij naar huis ging als daarna de tijd voor de preek van de eerwaarde dame was aangebroken. Sindsdien associeerde Kobari het woord religie met die vrouw. Hij daalde de trappen van de ondergrondse af, maar de vrouw was nergens te zien, noch bij de loketten, noch op het perron van de Hibiya-lijn. Kobari werd echter meer nog in beslag genomen door een verrukkelijke gedachte die bij hem

21


was opgekomen. Het omlaaghalen van een schrijver die zulke fraaie werken schreef, was immers potentieel schrijfmateriaal voor hem, de reporter! Hij herinnerde zich dat het een oudere collega van hem was geweest die premier Kakuei Tanaka uit de politiek had gewerkt en binnensmonds herhaalde hij diverse malen haast zingend de naam van de zaak waar de vrouw hem over had gesproken: ‘Zoete honing, Zoete honing’, totdat de trein langs het perron binnengleed. Het rollende materieel was doortrokken van de stank van een hard leven. Bungelend aan een lus, tegenover een meisje dat nonchalant met haar benen van elkaar zat te slapen en een man van middelbare leeftijd die rode stippen zette in een krant met paardenraces, overdacht Kobari nogmaals de scène op de feestelijke bijeenkomst. Op zoek naar kopij was hij de party binnengedrongen en hij had zich juist naast de vrouw bevonden toen deze Suguro bij zijn mouw greep. Hij had bij Suguro op dat moment duidelijk paniek geconstateerd, eerder dan verwarring. Dat bewees dat het waar was wat de vrouw zei. ‘De bedrieger...’ Hij dacht dat het gevoel van onoprechtheid, dat hij in Suguro’s romans had onderkend, enige grond kreeg. Een man die in peepshows heimelijk naakte vrouwen gadesloeg en in ‘knuffel-theehuizen’ aan de gastvrouwen frunnikte, rangschikte met diezelfde handen zijn nobele woorden! Het pak van Suguro waar de vrouw zich aan vastklampte, was van een stof geweest die er duur uitzag. Toen hij het vergeleek met wat hij zelf aanhad, borrelde er opnieuw een gevoel van haat in hem op. Hij liet zijn blik dwalen naar het inktzwarte duister achter de ramen van de ondergrondse. Terug in zijn flat dronk hij, aan de zijde van de in diepe slaap verzonken vrouw met wie hij samenleefde, het laatste restje whisky op uit een fles.

22


Een wervelende roman over de spanning tussen de waarheid en de ondoorgrondelijkheid van de menselijke ziel.

nur

uitgeverijmozaiek.nl

Endo_Schandaal_WT.indd 1

SHUSAKU ENDO

Het schandaal mozaïek

Het schandaal

s h u s a k u e n d o (1923-1996) wordt gezien als een van de grootste Japanse schrijver van na de Tweede Wereldoorlog. Bekende titels van zijn hand: Stilte, De samoerai en Jezus, het verhaal van een leven.

SHUSAKU ENDO

Tijdens de uitreiking van een literaire prijs wordt de beroemde schrijver Suguro aangesproken door een vrouw die beweert hem te hebben gezien in de rosse buurt van Tokyo. Hij weet van niets en ontkent. Als de pers er lucht van krijgt en er toch verdachte dingen naar boven komen, begint Suguro’s reputatie barsten te vertonen. Wat klopt er van het verhaal? Wat is er waar van zijn eigen leven? Hoe kan hij de zaak redden? In zijn zoektocht ontdekt Suguro onvermoede kanten van zichzelf.

Van de auteur van Stilte

|

roman

‘Endo is naar mijn overtuiging een van de grootste romanciers van onze tijd.’ – Graham Greene ‘Endo zal herinnerd worden als een der zeer groten, vergelijkbaar met Dante of Dostojevski.’ – Willem Jan Otten ‘Meesterwerk.’ – Bas Heijne over Stilte

302

9 789023 959038

25-06-19 11:09


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het schandaal - Shusaku Endo. ISBN 9789023959038 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu