Skip to main content

Wapenzusjes - Lizzie Page. ISBN 9789023958314

Page 1

Wapenzusjes


Lizzie Page

Wapenzusjes Vertaald door Marianne Locht-Kühler

KokBoekencentrum Uitgevers – Utrecht


ISBN 978 90 239 5831 4 ISBN 978 90 239 5832 1 (e-book) NUR 342 Ontwerp omslag en artwork: Mark Hesseling, Wageningen Vertaling: Marianne Locht-Kühler Lay-out en dtp binnenwerk: Crius Group Oorspronkelijk uitgegeven door Bookouture, een imprint van StoryFire Ltd., Londen UK, onder de titel The War Nurses. Engelstalige uitgave © 2018 Lizzie Page Nederlandse uitgave © 2019 KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht www.kokboekencentrum.nl Alle rechten voorbehouden KokBoekencentrum Uitgevers vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.


Voor alle oorlogsverpleegkundigen, overal ter wereld.


Elsie Knocker – ‘Gypsy’, verpleegster op de motor, roekeloze moeder – een van de twee vrouwen aan het westfront en de beste vriendin die ik ooit heb gehad.


Proloog

Het raceterrein was prachtig en het was mooi weer, in het begin tenminste. Ik reed ergens midden in de groep en genoot, terwijl ik mijn tijd afwachtte. Plotseling gingen de sluizen boven open en werd de groep uit elkaar geblazen. Ik had wel verwacht dat het zou kunnen gaan regenen. Mijn broer Uilleam had gezegd: ‘Het is een ramp als het gaat regenen,’ maar ik vind het heerlijk om in de stromende regen te rijden. De grond wordt zompig onder je banden en je moet je uiterste best doen om overeind te blijven. Het wordt glad in de bochten en je houdt je adem in. Mijn voorzichtigere rivalen raakten achterop, terwijl ik verder raasde. De regen was niet koud, zoals in de Hooglanden, waar ik op school gezeten had. Ik vond het heerlijk de druppels op mijn wangen te voelen vallen en langs mijn nek naar beneden te voelen glijden. Ik reed op mijn Douglasmotor, twee jaar oud en een juweel om te zien, en hij pruttelde heerlijk. Het gat tussen mij en de anderen werd groter. Toen – ik weet niet hoe het gebeurde; misschien omdat mijn bril besloeg als op een ijskoude winterdag, of omdat God me duidelijk wilde maken dat ik gas moest minderen – verdwaalde ik op de een of andere manier. Ik had heel precies de borden gevolgd, maar wat ik niet had beseft, was dat die niet alleen voor de race bedoeld waren: dat het in een boom gekerfde ‘2 km’ wel overal naartoe kon leiden.

9


Dus ik ging de ene kant op, tussen braamstruiken, biezen en laaghangende takken door, en de groep de andere kant. Eerst merkte ik niets en genoot ik alleen maar van de plensbui. Pas toen ik stilstond, de motor uitzette, om me heen keek en niets anders hoorde dan het gekwetter van een vogeltje, besefte ik dat ik verkeerd gereden was. Ik ging langs dezelfde weg zo snel mogelijk weer naar de racebaan terug. Natuurlijk waren de anderen me nu een flink eind voor. Ik gaf Douglas een klopje – we waren in het kreupelhout een lamp kwijtgeraakt – en versnelde. Ik bedacht dat Uilleam zou lachen als ik de race niet uitreed, mijn vader dat wel verwacht had en mijn moeder tevreden zou zeggen: ‘Misschien kun je het maar beter bij paarden houden, Mairi.’ Die gedachte dreef me voort. Ik gaf alles, want ik had niets te verliezen. Mijn dijen deden pijn en er stak iets in mijn onderrug, maar mijn roekeloze rijgedrag had effect: ik vond de troep terug, die zich, geslagen door de regen, nog met een slakkengang voortbewoog. Eerst waren ze nog twintig meter verder, toen vijftien, toen tien, maar ze waren of te schuchter of reden te dicht op elkaar om te proberen te ontsnappen. Niemand zou me insluiten. In een grote boog reed ik langs de buitenkant om de groep heen. Ik was weer alleen en raasde over de lege weg, met Douglas bulderend onder me. Twee haarspeldbochten later lag er alleen nog maar een recht, vlak stuk voor me, met de belofte van de finishlijn aan het einde. Ik hoorde het publiek voordat ik het zag. Ik dacht dat ik Uilleam zag zwaaien. Hij had beloofd dat hij aan het einde op me zou wachten met een plak vruchtencake. Ik was uitzinnig! Maar op het moment dat ik optrok voor de laatste triomfantelijke meters, kwam er uit het niets iemand opduiken, als een

10


onverwachte bliksemstraal, en schoot langs me heen. Ze raasde voorbij met een absurde, onwaarschijnlijke snelheid. Ze reed als een dolle en het was pure mazzel dat ze niet verongelukte. Ik bleef verbijsterd achter in een wervelende, zwarte rookwolk. Het was Gypsy. Destijds kende ik Gypsy alleen van naam. Ik had gehoord dat ze razendsnel was, een fanatieke racer. Een heldin op het circuit. En daarbuiten. Toen ik haar leerde kennen, besefte ik dat haar reputatie haar geen eer aandeed. Ze was indrukwekkender, buitengewoner, en meer van alles dan wie ook. Ze zou me altijd een stap voor blijven. Soms kom je in het leven iemand tegen die je altijd al lijkt te hebben gekend. Je voelt hun angsten; je kunt hun dromen lezen. Zo werd het uiteindelijk tussen Gypsy en mij. Het voelde alsof we voor elkaar bestemd waren, alsof het de bedoeling was dat ik haar zou volgen, waar ze ook ging. En dat deed ik dus. Zo lang ik kon.

11


1

In de laatste week van augustus 1914 kwam dokter Munro naar ons huis in Chedington, Dorset. ‘Is dit het huis van Mairi Chisholm – en haar ouders? Mooi, ik wil graag iets met jullie allemaal bespreken.’ Mijn moeder luidde de bel voor de thee, terwijl ze me bezorgd aankeek. Mijn vader kwam met grote stappen uit zijn studeerkamer aanlopen; hij hield niet van onverwachte gasten, maar schudde de vreemdeling de hand en begroette hem hartelijk. Dat gaf mijn moeder de gelegenheid om achter hun rechte ruggen vliegensvlug stille vragen te vormen met haar lippen. ‘Wat heb je nu weer uitgespookt?’ ‘Niets!’ ‘Hoe lang is dit al aan de gang?’ ‘Er is niets aan de gang!’ ‘Waarom heb je het ons niet verteld?’ Het duurde even voordat ik besefte dat mijn moeder dacht dat de man naar ons huis gekomen was om me ten huwelijk te vragen. Ik kromp ineen en haalde mijn schouders op, in de hoop haar daarmee duidelijk te maken dat ik de beste man nog nooit van mijn leven had gezien. Dokter Munro was een lange man, rechtdoorzee, met een dikke, rossige snor en een tengere bouw. Ondanks zijn lengte nam hij niet veel plek in. Hij zou niet opvallen in een menigte, dus misschien had ik hem toch eerder gezien zonder het te

12


beseffen. Misschien had hij me wel naar het postkantoor zien lopen of me geobserveerd in de kerk. Ik had vaak het idee dat ik er best beeldig uitzag, op mijn knieën voor het altaar. Misschien was hij verliefd op me geworden, zonder dat ik daar ook maar het flauwste benul van had. Misschien had hij in het dorp wel navraag gedaan – het zou waarschijnlijk niet moeilijk zijn om mijn naam en adres te achterhalen, want hoeveel vrome roodharige meisjes woonden er nou helemaal in Chedington? – en had toen besloten zijn opwachting te maken. Daar was lef voor nodig, wat ik over het algemeen wel bewonderde in een man, maar toch leek het… impulsief. Onbezonnen zelfs. De gedachte aan een geheime aanbidder was onverwacht, maar ik voelde me gevleid. Om eerlijk te zijn, waren mannen tot nu toe niet bijster in me geïnteresseerd, en ik was er ook niet naar op zoek geweest. Soms was ik smoorverliefd op een van de vrienden van mijn broer Uilleam, maar meer omdat ze anders waren dan wat ik gewend was, dan dat ik ze aantrekkelijk vond. Maar als ik omgang met een man wilde – waar ik nog helemaal niet zeker van was – gaf ik toch de voorkeur aan een heer die minstens dertig jaar jonger was dan dokter Munro leek te zijn. En misschien iemand die zijn snor en baard wat vaker bijknipte. En zou het verkeerd zijn om naar bredere schouders te verlangen? Ik wist dat een van mijn moeders duistere nachtmerries was dat ik niet huwbaar was. Ondanks mijn gevoelens – of gebrek aan gevoelens – ten opzichte van deze dokter, bedacht ik hoe aangenaam het zou zijn om te kunnen bewijzen dat ze het mis had – niet dat ze dat zou toegeven overigens. Dokter Munro leek geen haast te hebben ons de reden van zijn komst kenbaar te maken. We dronken thee in de zitkamer en praatten over het weer, dat ongewoon vriendelijk was voor

13


de tijd van het jaar, zoals mijn moeder dat graag verwoordde. Natuurlijk ging het gesprek daarna over de recent uitgebroken oorlog. Hoewel ik probeerde het nieuws via de radio bij te houden, kwam het meeste wat ik ervan wist van mijn vader, die een fervent voorstander was van militair ingrijpen in praktisch elke situatie. Ik had nog nooit eerder mijn vaders mening over de Belgen gehoord, maar nu was hij het met dokter Munro eens dat het een dapper volkje was, dat niet verpletterd mocht worden. En de Duitsers – in het verleden had ik mijn vader bewondering horen uiten voor hun vakmanschap, maar nu waren ze ‘methodisch’ en ‘wanhopig’. Hier was dokter Munro het niet mee eens. Hij beweerde dat het ‘lood om oud ijzer’ was en mijn vader, die instinctief wist wanneer hij een publiek had, hield zich in. Nu waren de Duitsers niet zozeer ‘methodisch’ en ‘wanhopig’, maar ‘efficiënt’ en ‘plichtsgetrouw’. Dokter Munro vertelde dat hij veel onbezorgde zomers in Berlijn had doorgebracht, een centrum van intellectualiteit en technologische vooruitgang. Tot mijn verbazing knikte mijn vader instemmend. Het was een misstap om een dergelijk volk tot vijand te maken. Dokter Munro opperde optimistisch dat de oorlog met de Kerst wel weer voorbij zou zijn. Mijn vader, vastbesloten om hem zelfs in positief denken de loef af te steken, zei dat hij er iets om zou willen verwedden dat het voor eind oktober wel einde verhaal zou zijn. Terwijl het gesprek verderging over Lord Kitchener – ‘een uitmuntend commandant,’ volgens dokter Munro, ‘de Kaiser onderschat hem,’ opperde mijn vader – probeerde ik me de bruiloft voor te stellen. Ik had altijd gedacht dat ik in de Schotse Hooglanden zou trouwen, en omdat dokter Munro wel iets Schots leek te hebben, kon ik de locatie zo laten. Mijn vader zou zeker zijn militaire kilt dragen en erop staan dat we naar het

14


kattengejank van een doedelzak zouden luisteren. Misschien zou hij zelf wel een deuntje spelen. Het zou ongewoon zonnig zijn en de lucht blauw. Er zou rijst worden gestrooid, die in mijn sluier zou blijven hangen, moeder zou haar tranen deppen met vaders zakdoek en Uilleam zou ons plagen. Ik vond dat dokter Munro een prettige manier van praten had. Misschien niet zo prettig dat ik met de man wilde trouwen en hem de hele dag wilde horen praten, maar hij had een sympathieke en intelligente manier van doen. Terwijl ik hem zijdelings aankeek, stelde ik me onze huwelijksnacht voor. Ik in een nieuwe nachtjapon met meer – nee, minder – lintjes dan gewoonlijk, hij in zijn… beste pyjama? Op zijn leeftijd zou hij ‘het’ toch zeker niet meer willen doen? De kokosmakronen lagen naar me te lonken, maar ik wilde geen huwelijksaanzoek krijgen met mijn mond vol kruimels, dus ik weerstond de verleiding. Maar ik had wel tien koekjes kunnen eten voordat dokter Munro eindelijk ter zake kwam. Het gesprek ging verder over Rusland – mijn vader: ‘de gewone Rus wil net zomin oorlog als een schaap geslacht wil worden,’ dokter Munro: ‘de gewone Rus heeft net zo weinig zeggenschap in wat hij wil als een schaap’; de Fransen – mijn vader: ‘egoistisch, denken alleen maar aan hun eigen belangen,’ dokter Munro: ‘misschien is dat schijn’; en zelfs de Jappen – mijn vader: ‘die oosterlingen zijn onbetrouwbaar’, dokter Munro: ‘de oosterlingen zijn een onbekende mogendheid.’ We bleven maar om de hamvraag heen draaien, alsof we bang waren om in het koude water te springen, totdat dokter Munro eindelijk aankondigde dat hij nu maar beter ter zake kon komen: hij wilde mij een belangrijke vraag stellen, en mijn ouders eigenlijk ook. De tijd leek te vertragen. Mijn vader zette zijn kop-en-schotel met een doffe bons op tafel. Ik zag mijn moeders borstkas op en neer gaan en de rode vlekken in haar hals, die omhoogkro-

15


pen naar haar wangen. Ik had geen idee wat ik moest zeggen. Misschien zou ik vragen of hij bezwaar had tegen een lange verloving – zou het niet verstandig zijn elkaar eerst wat beter te leren kennen? Ik had er geen idee van hoe mijn moeder daarop zou reageren. Of hij zelf – hij was al behoorlijk oud. Als hij erg lang moest wachten, ging hij misschien wel dood. Dokter Munro liet zich niet op één knie op de grond zakken, maar hij liep wel de lange kamer door om op de leren leunstoel rechts naast me te gaan zitten. ‘Mairi,’ zei hij, en ik knikte resoluut. Ik had het gevoel dat deze gebeurtenis een mijlpaal in mijn leven was en was vastbesloten er zorgvuldig mee om te gaan. Misschien zou ik de arme man wel afwijzen als huwelijkskandidaat, maar ik zou het vriendelijk doen. Dokter Munro was duidelijk een goed mens. Het laatste wat ik wilde, was hem vernederen. ‘Zou je ons de eer willen verschaffen met ons mee te werken in de oorlog?’ Dokter Munro bleek inderdaad mijn hand te willen, maar niet in een huwelijk. Hij zocht een helpende hand. Hij had gehoord van mijn vaardigheden op de motor. De haarspeldbochten waar ik zo bedreven in was. De wedstrijden die ik won. Mijn moed. Dat had zijn nieuwsgierigheid gewekt. Ik zuchtte. Ik wist niet of ik blij of verdrietig moest zijn. Blij, dacht ik. Ook een beetje teleurgesteld. Maar vooral nieuwsgierig. Dokter Munro legde uit dat hij een ‘vliegend ambulancekorps’ wilde opzetten, dat naar België zou reizen om daar deel te nemen aan het oorlogswerk. ‘Vliegend?’ sputterde ik, terwijl mijn hoofd nog tolde door het veranderde perspectief. ‘Nou, niet letterlijk vliegend.’ Hij lachte al zijn tanden bloot.

16


‘Daarmee bedoelen we… zeer snelle gemotoriseerde voertuigen.’ ‘In mijn tijd gebruikten ze nog paard-en-wagen,’ zei mijn vader vol heimwee. ‘En dat ging ook prima,’ stemde dokter Munro in. ‘Maar dit is de toekomst.’ Zoals dokter Munro het bracht, klonk de hele onderneming relatief eenvoudig: soldaten in moeilijkheden ophalen. En misschien ter plekke wat hulp verlenen. ‘Maar ik ben geen verpleegster,’ zei ik. ‘Dat leer je vanzelf. Het gaat alleen maar om het verbinden van wonden, dat soort dingen. De meeste behandelingen zullen in het hospitaal gedaan worden.’ Ik legde uit dat ik me net als vrijwilliger had aangemeld voor noodhulp in Londen en daarom niet echt beschikbaar was voor… ik wist niet hoe ik het moest noemen, maar ik koos voor ‘de reis’. ‘Is daar al veel gevochten?’ ‘In de stad? Nog niet, maar…’ ‘Je rijvaardigheid, je moed – daar zijn we naar op zoek, Mairi.’ ‘Haar broer Uilleam heeft haar leren motorrijden,’ zei mijn moeder abrupt, alsof ze verongelijkt was omdat haar zoon gepasseerd werd. ‘Hij kan ook erg goed rijden…’ Maar dokter Munro onderbrak haar, alsof ze niets gezegd had, met een opsomming van mijn prestaties bij het racen. ‘Eerste in Chichester, eerste in Bournemouth. En tweede in Dorset… Ik heb gehoord dat het daar één groot modderbad was.’ ‘Ik had best eerste kunnen worden,’ zei ik koppig, ‘maar de borden waren onduidelijk.’ Hij glimlachte. Mijn vader glimlachte. Mijn moeder niet. Ze moest niets hebben van het motorrijden en pas na veel hysterische dreigementen van haar kant en wanhopige beloften van

17


mijn kant had ze ermee ingestemd dat ik lid werd van een motorclub en zou gaan racen. ‘Zou je dat willen doen, Mairi – naar Vlaanderen gaan en daar jouw steentje bijdragen?’ Ik stelde me voor hoe ik soldaten zou redden van de methodische, wanhopige, maar ook intellectuele en op technologisch gebied geavanceerde Duitsers. Ik stelde me de dankbaarheid voor op de gezichten van het dappere Belgische soldatenvolkje. Ik zou zo nu en dan een wond verbinden, heen en weer rijden over ruig terrein – hadden ze daar in de laaglanden eigenlijk wel heuvels? – terwijl Uilleam tegen zijn vrienden zei: ‘Mijn zus is net zo stoer als een vent.’ Dit was een veel beter beeld van mijn toekomst dan dat van mij met rijst in mijn sluier en dokter Munro met zijn beste pyjama aan. ‘Wat vind je ervan?’ Iedereen keek naar mij. Ik hoefde er niet over na te denken. ‘Graag,’ zei ik. * ‘Onmogelijk,’ zei mijn moeder die avond. ‘Je bent nog te jong.’ Ze zou veel liever hebben gezien dat ik een huwelijksaanzoek had gekregen, zelfs als ik het zou hebben afgewezen. Dat zou een duidelijke motie van vertrouwen in mijn geschiktheid voor een huwelijk zijn geweest. ‘Ik houd je niet tegen als je wilt gaan reizen,’ zei ze, ‘maar als je dan zo nodig iets opwindends wilt, waarom ga je dan niet naar de Cariben?’ Ik wist dat ze graag wilde dat ik naar de plantage van de Chisholms ging om een oogje te houden op Uilleam, die daar binnenkort naartoe zou gaan als beheerder. Uilleam had zijn vertrek jarenlang uitgesteld, maar het uitbre-

18


ken van de oorlog had hem de noodzakelijke zet gegeven. Mijn moeder deed alsof ze wilde dat ik ging omdat het een interessante ervaring voor me zou zijn, niet omdat ze bang was dat Uilleam de boel daar zou laten afbranden of ruzie zou krijgen met de inboorlingen. ‘Ik kan niet tegen de hitte daar. Wat moet er dan met mijn sproeten?’ Het was waar, ik was een meisje met een typisch Schots uiterlijk – een rare kruising tussen rood en blond haar en een blanke huid die niet tegen de zon kan. Ik hoorde mijn moeder eens tegen een vriendin zeggen dat je mijn uiterlijk moest leren waarderen. Mijn vader, die er zo Schots uitzag als maar mogelijk was, werd vreemd genoeg mijn bondgenoot. Dit keer nam hij het standpunt in dat als ik naar Vlaanderen wilde, ik dat gewoon moest doen. Zodra hij dat gezegd had, stond mijn besluit vast. Het was een vreemde gewaarwording om zijn goedkeuring op me te voelen neerdalen, maar ik genoot ervan. Mijn moeder kon zeggen wat ze wilde, maar ik ging. * We aten een licht avondmaal, terwijl we het onderling nog niet eens waren. Uilleam was op stap met zijn vrienden, die ik niet mocht ontmoeten en waar ik niet over mocht praten. Het was nog steeds warm en zomers weer, maar de zon stond laag in de lucht en je wist dat de herfst de zomer op de hielen zat. Mijn vader praatte over een kans om het land te dienen, over toewijding, plichtsbesef, verantwoordelijkheid. Hij was nog maar zestien geweest toen hij in Zuid-Afrika ging vechten, dus voor hem was ik op mijn achttiende misschien al stokoud. Terwijl hij lekker op stoom kwam, bedacht ik voor het eerst dat mijn moeder hem waarschijnlijk helemaal niet zo erg mocht. 19


Wat mijn vader niet zei, was: ‘Gelukkig lijkt een van de kinderen dan toch nog op mij. Helaas is het niet de jongen, maar ik zal het ermee moeten doen.’ Maar voor mij, en waarschijnlijk voor mijn moeder ook, was het duidelijk dat hij dat wel dacht. Ik genoot ervan. Ik at als een dokwerker totdat alles op was. Mijn moeder ging in de tegenaanval door geen woord te zeggen. Haar gebogen hoofd ging steeds meer hangen. De scheiding midden op haar hoofd was zo kaarsrecht dat het wel een draadje wit katoen leek. Ik vroeg me af of ze straks met haar gezicht in de soep zou hangen, maar toen stond ze met grote waardigheid op van haar stoel en liep de kamer uit, terwijl ze siste: ‘Mairi gaat helemaal nergens heen.’ ‘O, jawel,’ zei mijn vader, en dat was dat.

20


Een indrukwekkend en ontroerend oorlogsverhaal dat je niet loslaat – gebaseerd op een wonderlijke, waargebeurde geschiedenis. Noord-Frankrijk, 1914. Terwijl de oorlog zijn tol eist, klampen de gewonde soldaten zich vast aan de liefde en zorg van twee moedige, jonge verpleegsters. In het noodhospitaal werken Elsie en Mairi dag en nacht door om gewonde soldaten te behandelen. Het is hartverscheurend werk. Ondanks – of misschien wel dankzij – de levensgevaarlijke omstandigheden en hun onderlinge verschillen ontstaat tussen de twee vrouwen een hechte band. Maar dan krijgt Mairi een vermoeden van het leven dat Elsie vóór de oorlog leidde en dat ze angstvallig verborgen lijkt te houden, en komt hun vriendschap steeds meer onder druk te staan.

De Britse Lizzie Page werkte onder meer als journalist en docent. Wapenzusjes werd lovend ontvangen in het Verenigd Koninkrijk en Amerika.

ISBN 978 90 239 5831 4

Twee moedige frontverpleegsters vinden in hun vriendschap de kracht om vol te houden 9 789023

958314

N U R 342

WAPENZUSJES RUG.indd 1

05-06-2019 11:20:30


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Wapenzusjes - Lizzie Page. ISBN 9789023958314 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu