Z e haalde het beste in mij naar boven.’
Dit is het verhaal over de vrouw die het hart van C.S. Lewis veroverde en hem inspireerde tot het schrijven van zijn wereldberoemde boeken.
‘Wat een ontroerend liefdesverhaal! Vreugde ontstaat vanuit diepe misère, en God schrijft geschiedenis dwars door pijn heen. In één adem uitgelezen!’ – MIRJAM VAN DER VEGT, STILTETR AINER EN AUTEUR
ISBN 978 90 239 5731 7
9 789023
957317
N U R 342
joy TOT.indd 1
De vrouw die C. S. Lewis lief had
Patti Callahan Henry is New York Times-bestsellerauteur. Ze stond op de shortlist voor diverse literaire prijzen.
Joy
Joy
De Amerikaanse Joy Davidman, moeder van twee jonge kinderen, worstelt om staande te blijven in haar huwelijk met een alcoholistische man. Als ze in aanraking komt met het gedachtegoed van de beroemde C.S. Lewis raakt Joy, zelf ook een begenadigd schrijver, gefascineerd. Heel voorzichtig ontwikkelt zich tussen de twee sprankelende geesten een vriendschap die hen beiden overrompelt en verwondert. Dan wordt Joy ernstig ziek...
CALLAHAN
C.S. Lewis over Joy Davidman
PAT T I
ʻDeze vrouw was mijn ware metgezel.
De vrouw die C. S. Lewis lief had
PAT T I C A L L A H A N roman
25-03-2019 12:11:08
Joy
19010 Mijn naam is Joy.indd 1
04-04-19 17:01
19010 Mijn naam is Joy.indd 2
04-04-19 17:01
PATTI CALLAHAN
Joy De vrouw die C.S. Lewis liefhad
Roman Vertaald door Roeleke Meijer-Muilwijk
KokBoekencentrum Uitgevers • Utrecht
19010 Mijn naam is Joy.indd 3
04-04-19 17:01
Joy, de vrouw die C.S. Lewis liefhad is fictie. Alle gebeurtenissen, dialogen, brieven en alle personages, met uitzondering van enkele bekende historische personen, zijn voortgekomen uit de fantasie van de auteur. Daar waar histor ische personen voorkomen, zijn de situaties, gebeurtenissen en dialogen waarin deze personen een rol spelen, volkomen fictief en niet bedoeld om werkelijke gebeurtenissen weer te geven of om verandering te brengen in het volkomen fictieve karakter van deze roman. Verder berust elke gelijkenis met bestaande personen, nog in leven of al overleden, op louter toeval.
ISBN 978 90 239 5731 7 ISBN 978 90 239 5732 4 (e-book) NUR 342 Vertaling: Roeleke Meijer-Muilwijk Ontwerp omslag: Mark Hesseling Omslagbeeld: Daria Petrova / Trevillion Images Lay-out en dtp: Gewoon Geertje Oorspronkelijk uitgegeven door Thomas Nelson, Nashville, TN, USA, een imprint van HarperCollins Christian Publishing, Inc., met toestemming van Marly Rusoff & Associates, lnc. of Bronxville, NY, USA, onder de titel Becoming Mrs. Lewis. Oorspronkelijke uitgave © 2018 Patti Callahan Henry Nederlandstalige uitgave © 2019 KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht www.kokboekencentrum.nl Alle rechten voorbehouden KokBoekencentrum Uitgevers vindt het belangrijk om op milieuvriendelijke en verantwoorde wijze met natuurlijke bronnen om te gaan. Bij de productie van het papieren boek van deze titel is daarom gebruikgemaakt van papier waarvan het zeker is dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid.
19010 Mijn naam is Joy.indd 4
04-04-19 17:01
De troost van sprookjesverhalen, de vreugde van het gelukkige slot – of juister: van de goede catastrofe, de plotselinge vreugdevolle ‘wending’ (…) – deze vreugde, die een van de dingen is die sprookjesverhalen uitzonderlijk goed kunnen voortbrengen, is niet wezenlijk ‘escapistisch’ en ook geen ‘vlucht’. J.R.R. Tolkien (Uit: Sprookjes en vertellingen)
19010 Mijn naam is Joy.indd 5
04-04-19 17:01
19010 Mijn naam is Joy.indd 6
04-04-19 17:01
P roloog Jullie zouden niet om mij hebben geroepen als ik niet om jullie geroepen had. Aslan in De zilveren stoel, C.S. Lewis 1927, The Bronx, New York Vanaf het begin was de Grote Leeuw degene die ons bij elkaar bracht. Dat zie ik nu. Het ontembare, liefhebbende beest trok ons naar elkaar toe; langzaam en onverbiddelijk, over de tijd heen, over een oceaan en verder, tegen de halsstarrige bolwerken in ons beider leven in. Hij wilde het ons niet gemakkelijk maken; zo werkt Hij niet. Het was de zomer van 1927. Mijn jongere broer Howie was acht en ik elf. Ik knielde naast zijn bed en schudde voorzichtig aan zijn schouder. ‘Laten we gaan,’ fluisterde ik. ‘Nu slapen ze wel.’ Naar buiten glippen was onze beloning voor het verdragen van ons gezinsleven, en onze onopgemerkte rebellie. Die dag was ik thuisgekomen met mijn schoolrapport, en in de lange kolom met achten stond daartussen het onuitwisbare stempel van één zesenhalf diep in het zachte papier gedrukt. ‘Vader…’ Ik had hem op zijn schouder getikt en hij had opgekeken van de proefwerken die hij aan het beoordelen was; met een rood potlood markeerde hij het werk van zijn leerlingen. ‘Hier is mijn rapport.’ Hij las de lijst vluchtig door; de leesbril balanceerde op het puntje van zijn karakteristieke neus, die rechtstreeks leek te zijn weggelopen uit de foto’s van zijn Oekraïense voorouders. Hij was als kind in Amerika aangekomen en op Ellis Island was de spelling van zijn naam veranderd: van Yosef naar Joseph. Het was voor hem van levensbelang 7
19010 Mijn naam is Joy.indd 7
04-04-19 17:01
zich zo goed mogelijk aan te passen aan het leven in de Verenigde Staten. Hij stond op om me recht aan te kijken en hief zijn hand op. Ik had een stap achteruit kunnen doen; ik wist wat hierna zou komen. Prestatie had in ons gezin de hoogste prioriteit. Zijn vlakke hand overbrugde de ruimte tussen ons – een ruimte die aan mijn kant gevuld was met hoopvolle verwachting van aanvaarding en complimenten – en kwam neer op mijn linkerwang, het maar al te bekende geluid van huid op huid. Mijn gezicht schokte naar rechts. De stekende pijn bleef, zoals altijd, net lang genoeg hangen om de verbale zweepslag die erna kwam te doorstaan. ‘In onze familie is geen plaats voor slordig werk.’ Nee, daar was absoluut geen plaats voor. Tegen de tijd dat ik elf was, zat ik in de tweede klas van de middelbare school. Ik moest meer mijn best doen, beter worden, alle schande verdragen tot ik een manier vond om succes te hebben en mezelf te bewijzen. Maar ’s nachts hadden Howie en ik onze geheimen. In de donkere kamer stond hij op, waarbij zijn kleine gymschoenen bijna in het laken bleven hangen. Hij glimlachte naar me. ‘Ik heb mijn schoenen al aan. Ik ben er klaar voor.’ Ik onderdrukte een lach en hielp hem een handje.We bleven stokstijf staan en luisterden of we nog andere tekenen van leven hoorden dan onze eigen ademhaling. Niets. ‘Laten we gaan,’ zei ik, en hij legde zijn kleine hand in de mijne: een verbond. We slopen het huis van bruinrode zandsteen uit, de lege straten van de Bronx in; de stank van nat afval was hier in de stad al even doordringend als in de metro. De stoepen waren donkere rivieren, de straatlantaarns waren kleine manen en de hoog opdoemende gebouwen vormden een bescherming tegen de boze buitenwereld. Howie en ik gingen op bezoek bij andere gekooide dieren die gedwongen werden zich fatsoenlijk te gedragen in een wereld die ze niet begrepen: de inwoners van de Bronx Zoo. Binnen een paar minuten kwamen we bij de ingang aan de Fordham Road en daar stonden we stil, zoals we altijd deden, om zwijgend de Rockefeller Fountain te bewonderen: drie lagen uit marmer gehouwen kinderen die in enorme schelpen zaten, ondersteund door de geheven armen of stevige hoofden van zeemeerminnen; de grote 8
19010 Mijn naam is Joy.indd 8
04-04-19 17:01
slang die zich om de middelste zuil slingerde, zijn bek open om te verslinden. Het water kwam naar beneden met een geklater als van een flinke regenbui, zodat onze voetstappen en fluisterende woorden overstemd werden. We vonden het kleine gat aan de andere kant van de omheining en glipten er doorheen. Wij koesterden onze geheime, middernachtelijke uitstapjes naar de dierentuin: het papegaaienhuis met de veelkleurige vogels erin; het nijlpaard, Peter de Grote; een vliegende hond; het reptielenhuis dat glibberde van de wezens die zowel onnatuurlijk als angstaanjagend waren. De rivier de Bronx stroomde dwars door de dierentuin. Die slang van donker water leek ook net een levend dier dat van buitenaf naar binnen was gebracht om het gebied in tweeën te delen en daarna weer te ontsnappen. Het water wist immers de weg naar buiten. En dan was er nog de leeuwenkuil, een donker omheind en bebost gebied. Ik werd daarheen getrokken alsof die beesten mij toebehoorden, of andersom. ‘Sultan.’ Mijn stem resoneerde diep in de nacht. ‘Boudin Maid.’ De twee Barbarijse leeuwen slenterden naar voren; hun grote klauwen ploften stap voor stap op de grond en hun vervaarlijke spieren bolden op onder hun vacht toen ze de tralies naderden. Ze waren een toonbeeld van pracht en gratie, alsof ze inmiddels begrepen wat hun lot was en dat met brullende waardigheid geaccepteerd hadden. Hun manen waren diep en onontwarbaar als een oerwoud. Ik verdronk in de wereld van hun grote, ambergele ogen terwijl ze me toestonden en zelfs uitnodigden om tussen de ijzeren tralies door te reiken en mijn hand te laten verdwalen in hun manen. Ze waren tam, tegen hun wilde natuur in getemd, en ik voelde een verwantschap met hen die mijn hart deed beven. Ze kwamen me tegemoet door mijn blik te beantwoorden, met hun warme, zware lichamen tegen mijn handen gedrukt, en ik wist dat hun ziel beschadigd was door het leven in gevangenschap. ‘Het spijt me zo,’ fluisterde ik hen bij elk bezoek toe. ‘Dit was niet de bedoeling. We zouden vrij moeten zijn.’
9
19010 Mijn naam is Joy.indd 9
04-04-19 17:01
19010 Mijn naam is Joy.indd 10
04-04-19 17:01
d EEl i
AMERIKA Het atheĂŻsme blijkt te eenvoudig te zijn. Als het hele universum geen zin heeft, dan zouden we nooit in staat kunnen zijn geweest om te ontdekken dat het geen zin heeft... C. S. Lewis: onversneDen cHristenDoM
19010 Mijn naam is Joy.indd 11
04-04-19 17:01
19010 Mijn naam is Joy.indd 12
04-04-19 17:01
1 Begin again, must I begin again Who have begun so many loves in fire ‘Sonnet I’, Joy Davidman 1946 Ossining, New York Er zijn ontelbare manieren om verliefd te worden, en ik was op talloze manieren begonnen aan mijn bij voorbaat al tot ondergang gedoemde affaires. Deze keer was het een huwelijk. De wereld kan in een oogwenk veranderen. Dat heb ik keer op keer gezien: hoe mensen dag aan dag voortgaan in de overtuiging dat ze alles op een rijtje hebben, dat ze een beschermd en veilig leven leiden. Toch is het onmogelijk ons hele leven op een rijtje te krijgen, in ieder geval niet zo dat we beschermd worden tegen de tragedies van het hart. Dat had ik inmiddels moeten weten; ik had erop voorbereid moeten zijn. ‘Joy.’ Bills stem aan de andere kant van de telefoonlijn klonk zo beverig dat ik dacht dat hij misschien een verkeersongeluk had gehad, of nog erger. ‘Ik stort weer helemaal in en ik weet niet wat ik moet doen. Ik weet niet waar ik het zoeken moet.’ ‘Bill.’ Ik klemde de zwarte plastic telefoonhoorn tussen mijn oor en mijn schouder terwijl ik onze jongste zoon, Douglas, tegen mijn borst drukte en zachtjes op en neer wiegde. Het dikke snoer van de hoorn bungelde langs mijn lichaam. ‘Haal maar even diep adem. Alles is goed. Dit is alleen maar je oude angst. De oorlog is voorbij. Je bent veilig.’ ‘Het is helemaal niet goed, Joy. Ik kan er niet meer tegen.’ Hij was zo in paniek dat hij met horten en stoten sprak, maar ik verstond het 13
19010 Mijn naam is Joy.indd 13
04-04-19 17:01
wel. Ik begreep hem. Ik kon op hem inpraten om hem van zelfmoord te weerhouden, zoals ik op andere avonden gedaan had. Waarschijnlijk zou hij stomdronken zijn voordat het helemaal achter de rug was, maar ik kon hem wel kalmeren. ‘Kom naar huis, poekel. Kom naar huis.’ Ik gebruikte het koosnaampje dat we voor elkaar en voor de kinderen hadden, als een lokroep. ‘Ik kom niet naar huis, Joy. Ik weet niet of ik ooit nog thuiskom.’ ‘Bill!’ Even dacht ik dat hij al opgehangen had, maar toen hoorde ik zijn moeizame ademhaling, alsof iemand zijn keel dichtkneep. Meteen daarna trilde de lange, schrille toon – verbinding verbroken – als een stemvork in mijn oor en in mijn hart, waar mijn eigen angst ineengedoken zat, klaar om toe te slaan. ‘Nee!’ schreeuwde ik in de dode telefoonlijn. Ik kende het telefoonnummer van Bills kantoor uit mijn hoofd en ik draaide het keer op keer. De telefoon aan de andere kant ging eindeloos over terwijl ik mijn mantra mompelde: ‘Neem op, neem op, neem op.’ Alsof ik ook maar enige controle kon uitoefenen vanuit onze keuken, met mijn rug tegen het limoengroene linoleum van het aanrecht gedrukt. Eindelijk gaf ik het op. Ik kon niets meer doen. Ik kon onze kleintjes niet achterlaten om hem te gaan zoeken. Hij had de auto meegenomen en ik had geen hulp. Ik had geen idee waar hij zou kunnen zijn; ongetwijfeld in een bar, en daar waren er honderden van in New York. Volkomen geïsoleerd, en dat had ik helemaal aan mezelf te danken. Ik had tenslotte aangedrongen op de verhuizing vanuit de stad naar dit vreselijke verbanningsoord, ver van mijn literaire vrienden en contacten met de uitgeverij. Eigenlijk was ik al bijna vergeten dat ik ooit dichteres, romanschrijfster, vriendin of minnares geweest was; het was alsof ik nooit een ander bestaan gekend had dan dat van echtgenote en moeder. Hierheen verhuizen was een zwakke poging geweest om Bill weg te krijgen van een affaire met een blondine in Manhattan.Wanhoop drijft een mens tot de meest idiote beslissingen. En dan geloof je zelf ook nog dat het wijsheid is. Was hij bij een andere vrouw en deed hij alleen maar alsof hij instortte? Dat leek niet eens zo vergezocht, maar zelfs zijn waanzin had grenzen. Of misschien ook niet. 14
19010 Mijn naam is Joy.indd 14
04-04-19 17:01
Ons huis in het Hudsondal aan de buitenkant van het dorp Ossining was een gammel houten optrekje dat we Maple Lodge noemden. Het had een schuin aflopend dak en kraakte bij elke beweging van ons gezinnetje, bestaande uit Bill, Davy, een peuter die veel weghad van een ongeleid projectiel, baby Douglas en ik.Vaak kreeg ik het gevoel dat het fundament langzaam maar zeker instortte door onze drukte en rusteloosheid. Ik was eenendertig en omringd door boeken, twee katten en twee zoontjes, maar voelde me even oud als het huis zelf. Ik miste mijn vrienden en vriendinnen, de drukte en gezelligheid van de stad, de uitgeversfeestjes en de literaire roddels. Ik miste mijn oude buren. Ik miste mezelf. De nacht omsingelde mijn zoontjes en mij; de duisternis drukte met onheilspellend gewicht tegen de ramen. Douglas, met zijn bos bruine krullen en appelwangetjes, dommelde in met de speen van een fles warme melk in zijn mondje, terwijl Davy speelgoedvrachtwagens over de grond sleepte zonder acht te slaan op de diepe krassen die ze in de hardhouten vloer achterlieten. De paniek sloeg toe terwijl ik door het huis zwierf in afwachting van nieuws van Bill. Ik vloekte. Ik tierde. Ik stompte op de zachte kussens van onze haveloze bank. Zodra ik de jongens gevoed en gebaad had, belde ik mijn ouders en een paar vrienden; zij hadden niets van hem gehoord. Hoelang zou hij wegblijven? Wat moest ik beginnen als we zonder eten kwamen te zitten? De dichtstbijzijnde winkel was kilometers ver weg. ‘Rustig maar,’ zei ik keer op keer tegen mezelf. ‘Hij is wel vaker ingestort.’ Dat klopte, en de dreiging van een volgende instorting hing altijd als een donkere wolk boven ons huis. De ergste had ik niet meegemaakt, want dat was voordat we elkaar ontmoet hadden. Na een opdracht in de Spaanse Burgeroorlog had hij een poging gedaan tot – precies waar ik nu ook bang voor was – zelfdoding. De trauma’s die de oorlog in hem achtergelaten had en die als een slang door zijn geest kropen, waren hem te veel geworden. Hij had het niet langer kunnen verdragen. Alsof ik zijn wanhoop vanaf deze afstand zou kunnen genezen, stelde ik me Bill voor zoals hij was toen ik hem ontmoette: de gepassioneerde jongeman die de League of American Writers binnen kuierde met zijn slungelige lichaam en die brede glimlach, overkapt door 15
19010 Mijn naam is Joy.indd 15
04-04-19 17:01
zijn dikke snor. Ik had me onmiddellijk aangetrokken gevoeld door zijn dapperheid en idealisme: een man die zich vrijwillig aangemeld had om te vechten waar hij nodig was, in een ver en verscheurd land. Later, toen ik hem gitaar hoorde spelen in muziekgelegenheden in Greenwich Village, viel ik nog meer voor deze charmante man. Onze hartstocht had me overvallen en ik was verbijsterd door de urgentie waarmee onze lichamen en onze gedachten zich met elkaar verstrengelden. Hij was weliswaar nog getrouwd toen we elkaar ontmoetten, maar hij had me gerustgesteld: ‘Dat is nooit echt iets geweest. Het is volkomen anders dan wat jij en ik hebben.’ Drie dagen na zijn scheiding trouwden we in de kunstenaarskolonie van MacDowell, wat symbolisch was voor onze band met elkaar en onze toewijding aan ons ambacht. Twee schrijvers. Eén huwelijk. Eén leven. Nu werd hij door diezelfde hartstocht en datzelfde idealisme verscheurd, verward in zijn denken en teruggedreven naar de fles. Tegen middernacht stond ik over de wieg van onze jongste gebogen, met wild bonkend hart. Er was niets, helemaal niets wat ik kon doen om mijn man te redden. Mijn bravoure brokkelde af; mijn ego stortte in. Ik haalde diep adem en liet me – waarschijnlijk voor het eerst in mijn hele leven oprecht nederig – op mijn knieën op de houten vloer vallen, zo hard dat er een steek van pijn door mijn benen ging. Ik boog mijn hoofd en de tranen liepen over mijn wangen naar mijn mondhoeken terwijl ik om hulp bad. Ik bad! Tot God? Ik geloofde niet in God. Ik was atheïst. Maar nu zat ik op mijn knieën. In een barst in mijn ziel, die ontstond tijdens die onversneden angst waarmee ik om hulp riep, zag de sluwe Leeuw zijn kans. God kwam binnen door de scheuren in mijn hart, alsof Hij al een hele tijd gewacht had om daar een opening te vinden. Warmte overviel me, een rivier van vrede stroomde door me heen. Voor de eerste keer in mijn hele leven voelde ik me volledig gekend en bemind. Er was een diep besef dat Hij bij me was, dat Hij altijd bij me geweest was. Die openbaring duurde niet lang, nog geen minuut, maar het leek voor eeuwig; tijd was niet meer als een metronoom die het ene ogenblik na het andere aftikt, maar als een eeuwigheid. De grenzen tussen mijn lichaam en de lucht, tussen mijn hart en mijn ziel, tussen angst 16
19010 Mijn naam is Joy.indd 16
04-04-19 17:01
en vrede verdwenen. Alles in mij gonsde van liefhebbende aanwezigheid. Mijn hart ging rustiger kloppen en de tranen hielden op. Ik boog voorover en liet mijn natte wang op de vloer rusten. ‘Waarom hebt U zo lang gewacht? Waarom heb ik zo lang gewacht?’ Ik kwam tot rust in de stilte en vroeg daarna: ‘Wat nu?’ Hij gaf geen antwoord. Zo was het niet. Er klonk geen stem, maar ik vond wel de kracht om op te staan, om vol dankbaarheid naar mijn kinderen te kijken en af te wachten wat er komen zou. God loste op dat moment niets op, maar daar ging het allemaal niet om. Nog altijd wist ik niet waar Bill was, en ik vreesde nog altijd voor zijn leven, maar Iemand, mijn Schepper blijkbaar, was bij mij in dat alles. Deze Persoon was even reëel als mijn zoontjes in hun bedden, de storm die de ramen teisterde, en mijn knieën op de hardhouten vloer. Eindelijk, na uren rondzwerven en drinken tot hij volledig onder invloed was, liet Bill zich op de achterbank van een taxi vallen en naar huis rijden; vlak voor zonsopkomst was hij weer bij ons. Zodra hij binnenkwam, pakte ik zijn gezicht tussen mijn handen, rook de ranzige sterkedrank in zijn adem, en vertelde hem dat ik van hem hield en dat ik nu wist dat er een God was die van ons allebei hield; ik beloofde Bill dat we er samen wel zouden uitkomen. •• Terwijl de jaren verstreken, raakte onze salontafel bezaaid met geschiedenis- en filosofieboeken, met religieuze teksten en pamfletten, maar nog altijd wisten we niet wat we moesten beginnen met een ervaring die even reëel geweest was als mijn eigen hartslag. Als God er was, en daar was ik volkomen zeker van, hoe liet Hij zich dan zien in de wereld? Hoe moest ik Hem benaderen, als dat al kon? Mocht ik Hem eigenlijk wel benaderen? Of was deze ervaring niet meer dan een flikkering van begrijpen die nergens iets aan veranderde? Dit was helemaal geen religieuze bekering; het was alleen een besef dat er iets groters bestond. Ik wilde meer weten. Steeds meer. Op een middag in de lente, toen we verhuisd waren naar een gammele hoeve in Staatsburg in de staat New York, lag er, bij wijze van onderzetter, een drie jaar oud tijdschrift ondersteboven op de 17
19010 Mijn naam is Joy.indd 17
04-04-19 17:01
keukentafel. Het was een Atlantic Monthly uit 1946. Ik schoof Bills koffiemok opzij en bladerde het tijdschrift door terwijl onze zoons een dutje deden. De bladzijden vielen open bij een artikel van Chad Walsh, professor aan het Beloit College. Het stuk met de titel ‘Apostel voor de sceptici’ was een diepgaande studie over een staflid aan de universiteit van Oxford, ene C.S. Lewis, die een bekeerde atheïst was. Natuurlijk had ik weleens van deze auteur gehoord, en ik had zelfs twee van zijn boeken gelezen: De kromme en de rechte weg en De grote scheiding. Beide boeken bevatten een spoor van de waarheid die ik nog maar nauwelijks inzag. Nu las ik dit artikel. Pas toen Douglas me riep, schrok ik op, zozeer was ik verdiept in de levensgeschiedenis van deze auteur en leraar. C.S. Lewis bereikte niet alleen Engelse, maar ook Amerikaanse lezers met zijn duidelijke en heldere schrijfwijze, zijn logica en intellectualisme. Binnen de kortste keren had ik alles van Lewis gelezen, meer dan een dozijn boeken, waaronder een dunne novelle met zulke scherpe satire dat ik keer op keer aangetrokken werd door de wijsheid die verborgen zat in dit verhaal: Brieven uit de hel. ‘Bill.’ Op een avond aan tafel hield ik, terwijl de jongens hun spaghetti ronddraaiden, het boek omhoog dat ik aan het herlezen was: De grote scheiding. ‘Deze man zou ons weleens kunnen helpen met de vragen die we hebben.’ ‘Zou kunnen,’ mompelde hij en stak een sigaret op, hoewel we nog niet klaar waren met eten. Hij leunde achterover in zijn stoel en keek me aan. Zijn brillenglazen glinsterden. ‘Al weet ik niet zeker of iemand de antwoorden heeft die wij nodig hebben, poekel.’ Bill had helemaal gelijk: in een god geloven was helemaal niet zo eenvoudig gebleken. Elke filosofie en religie had een andere opvatting over de godheid die ik niet echt had kunnen vatten. Ik stond op het punt om de zoektocht op te geven en de schokkende Godservaring bij de rest van mijn vergissingen op te bergen. Tot ik contact opnam met professor Walsh, de schrijver van dat artikel, en zei: ‘Vertel me alles over C.S. Lewis.’ Professor Walsh had Lewis opgezocht in Oxford en veel tijd met hem doorgebracht. Hij was bezig zijn artikelen te bundelen tot een boek met dezelfde titel: C.S. Lewis: Apostle to the Skeptics. ‘U kunt meneer Lewis zelf schrijven,’ stelde hij voor. ‘Hij is een enthousiast briefschrijver en hij is dol op discussiëren.’ 18
19010 Mijn naam is Joy.indd 18
04-04-19 17:01
Daar zaten Bill en ik, drie jaar na mijn oogverblindende nacht vol nederigheid, drie jaar vol lezen en studeren, aa-bijeenkomsten en discussies, drie jaar waarin we lid waren geworden van de Presbyteriaanse Kerk. Die avond werd het idee geboren: we zouden C.S. Lewis een brief schrijven met onze vragen, overpeinzingen en twijfels over de Christus in wie hij scheen te geloven.
19
19010 Mijn naam is Joy.indd 19
04-04-19 17:01
Z e haalde het beste in mij naar boven.’
Dit is het verhaal over de vrouw die het hart van C.S. Lewis veroverde en hem inspireerde tot het schrijven van zijn wereldberoemde boeken.
‘Wat een ontroerend liefdesverhaal! Vreugde ontstaat vanuit diepe misère, en God schrijft geschiedenis dwars door pijn heen. In één adem uitgelezen!’ – MIRJAM VAN DER VEGT, STILTETR AINER EN AUTEUR
ISBN 978 90 239 5731 7
9 789023
957317
N U R 342
joy TOT.indd 1
De vrouw die C. S. Lewis lief had
Patti Callahan Henry is New York Times-bestsellerauteur. Ze stond op de shortlist voor diverse literaire prijzen.
Joy
Joy
De Amerikaanse Joy Davidman, moeder van twee jonge kinderen, worstelt om staande te blijven in haar huwelijk met een alcoholistische man. Als ze in aanraking komt met het gedachtegoed van de beroemde C.S. Lewis raakt Joy, zelf ook een begenadigd schrijver, gefascineerd. Heel voorzichtig ontwikkelt zich tussen de twee sprankelende geesten een vriendschap die hen beiden overrompelt en verwondert. Dan wordt Joy ernstig ziek...
CALLAHAN
C.S. Lewis over Joy Davidman
PAT T I
ʻDeze vrouw was mijn ware metgezel.
De vrouw die C. S. Lewis lief had
PAT T I C A L L A H A N roman
25-03-2019 12:11:08