C.C. den Hertog C.C. den Hertog Het spreken van de kerk in de theologie van dr. J. Koopmans
omslag-den-hertog.indd 2
Het spreken van de kerk in de theologie van dr. J. Koopmans 25-10-18 09:11
VRIJE UNIVERSITEIT
Het spreken van de kerk in de theologie van dr. J. Koopmans
ACADEMISCH PROEFSCHRIFT ter verkrijging van de graad Doctor of Philosophy aan de Vrije Universiteit Amsterdam, op gezag van de rector magnificus prof.dr. V. Subramaniam, in het openbaar te verdedigen ten overstaan van de promotiecommissie van de Faculteit Religie en Theologie op donderdag 13 december 2018 om 15.45 uur in de aula van de universiteit, De Boelelaan 1105
door Cornelis Christiaan den Hertog geboren te Apeldoorn
promotoren:
prof.dr. G. Harinck prof.dr. C. van der Kooi
De uitgave van dit proefschrift is mede mogelijk gemaakt door ondersteuning van de volgende fondsen: - RDO Balije van Utrecht - Stichting Dr. Abraham Kuyperfonds - Stichting Jagtspoelfonds - Stichting Oud Rustenburg
Woord vooraf
De oorsprong van dit boek ligt in zekere zin aan de voet van molen De Valk in Leiden. Het zal halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw geweest zijn dat ik naast mijn vader in de auto zat op weg naar het centraal station van Leiden. Van Koopmans wist ik niet, Bijna te laat! was mij onbekend en het woord Ariërverklaring zei mij niets. Dat Nederland bezet was geweest wist ik wel. Boeken als Reis door de nacht, Engelandvaarders en Snuf de hond had ik gelezen en die hielden mij bezig. Ze riepen bij mij het beeld op van een overzichtelijke wereld waarin goed en kwaad eenvoudig uiteen te houden zijn: de NSB’er Schram kreeg van Anne de Vries niet voor niets een konijnengezicht. Ze brachten mij ertoe om tijdens die autorit op de Molenwerf ter hoogte van de molen aan mijn vader de vraag te stellen: ‘Papa, wat zou jij eigenlijk gedaan hebben in de oorlog, was je bij het verzet gegaan?’ Ik meende daarmee de opening te geven voor een eenvoudig gesprek om de tijd wat te doden en verwachtte geen ander antwoord dan: ‘Natuurlijk, wat dacht jij dan?’ Maar de reactie die ik kreeg viel anders uit. Mijn vader zei: ‘Ik weet het niet, ik hoop dat God mij de kracht gegeven zou hebben om in verzet te komen.’ Dat antwoord bracht een klein jongetje uit zijn baan. En het maakte hem duidelijk dat beantwoording van de vraag die hij gesteld had meer vergde dan een snel antwoord. Het zal zo’n dertig jaar later geweest zijn dat ik, voorafgaand aan een bezoek aan het graf van Koopmans, met onze jongste zoon naar een brievenbus liep. Onderweg vroeg hij: ‘Papa, vind jij Koopmans een goede dominee?’ Geleerd door mijn eigen ervaring hoe belangrijk een welgekozen antwoord op een argeloze kindervraag kan zijn, hield ik de pas in en stelde een wedervraag: ‘Wat is volgens jou een goede dominee, Krijn?’ Hij zei: ‘Een goede dominee vertelt aan de mensen dat Jezus tegen niemand zegt: Jij hoort er niet bij.’ Met
6 dat antwoord gaf hij, zonder het te beseffen, een rake samenvatting van het uiteindelijke punt waar het in dit boek om draait. En gaf hij ook een antwoord op de vraag die mij al zolang bezig hield. Zich onbewust van alle subtiliteit die er in zijn antwoord lag, legde hij een visie op de samenleving op tafel die de eenheid van de mensen niet zoekt in een idee van gelijkheid, humaniteit of wat dan ook. Hij vond de eenheid van de mensen daarin dat zij allen gelijkelijk door Jezus Christus gezocht worden. Precies in deze overtuiging was Koopmans’ verzet geworteld. Mijn antwoord op Krijns aanvankelijke vraag kon daarna eenvoudig zijn: ‘Ja, Koopmans was een goede dominee.’ Zou ik bij het verzet gegaan zijn? De vanzelfsprekendheid waarmee ik als kleine jongen die vraag bevestigend beantwoordde heb ik afgeleerd. Ik heb inmiddels wél geleerd dat goede theologie zoals die van Koopmans een belangrijke factor is om op het beslissende moment gescherpte ogen te hebben. Dit Woord vooraf is de plaats om woorden van dank uit te spreken. Dat betekent keuzes maken en onvermijdelijk mensen tekort doen. Ik dank allen van wie ik op de weg van die molen in Leiden naar de dag van vandaag heb mogen leren. Ik denk dan aan de docenten van de theologische faculteit in Leiden en van de Theologische Universiteit in Apeldoorn. Ik dank mijn beide promotors voor de vele uren die zij hebben willen steken in mij en mijn boek. Allereerst prof. dr. G. Harinck. Heel belangrijk was voor mij de opmerking die hij aan het begin van mijn promotietraject maakte. Toen ik aangaf dat ik het nog niet eenvoudig vond om naast het werk in de gemeente de discipline en concentratie te vinden voor het uitvoeren van een promotieonderzoek, antwoordde hij: ‘Doe het dan voor Koopmans, want hij verdient een goed boek.’ Dat was een belangrijke perspectiefwisseling, die mij herhaaldelijk weer voor de aandacht kwam op momenten dat ik de moed dreigde te verliezen. Of dit een goed boek is, staat niet aan mij te beoordelen. Maar wat er ook van geworden is – het enthousiasme en de inzet van prof. Harinck hebben er in ieder geval een beter boek van gemaakt! Ook prof. dr. C. van der Kooi heeft zich met één van zijn eerste opmerkingen in mijn geweten genesteld. Bij een stuk dat ik geschreven had, stelde hij de vraag: ‘Niels, waar zit jouw kritiek op Koopmans?’ Terecht was hij beducht voor een hagiografische toonzetting van mijn werk. Hij daagde mij uit om vragen te stellen, kritisch te zijn en vooral niet onder de indruk te zijn van welke theologische autoriteit dan ook – maar om zelf te denken. Zijn begeleiding was erop gericht mij zelfstandigheid aan te leren. Ik hoop het geleerd te
7 hebben, maar ben desondanks blij dat ik me zijn leerling mag noemen. Ik zal graag van hem blijven leren. De studie van Koopmans heeft me vele bijzondere contacten opgeleverd. Allereerst denk ik aan de kinderen en kleinkinderen van Koopmans die ik in de loop van de jaren heb ontmoet en gesproken. Koopmans’ jongste zoon Sjoerd vertelde met liefde over zijn vader en stelde mij verschillende originele stukken ter hand: preekschriften, brieven en foto’s. Dochter Tineke die in Canada woonde, vond het prachtig dat in Nederland iemand bezig was de gedachtenis aan haar vader levend te houden. Zij was blij om haar goede herinneringen aan hem te kunnen delen. Dat zij het verschijnen van dit boek niet meer meemaken, doet mij oprecht verdriet. Ik hoop dat ik hun verwachtingen niet heb teleurgesteld. Met verschillende van Koopmans’ kleinkinderen heb ik gesproken. Het was me een grote vreugde om hun te vertellen over hun bijzondere opa. Heel dankbaar ben ik voor de hartelijkheid en warmte waarmee Ton en Aleid Belksma-Koopmans mijn studie hebben gevolgd en gestimuleerd. Zij zorgden ervoor dat ik op bezoek kon bij Koopmans’ oudste dochter Wijtske voor wie zij met veel liefde de verantwoordelijkheid dragen. Hun inzet voor de gedachtenis aan Aleids oom Jan gekoppeld aan hun hartelijke betrokkenheid op mijn gezin en mij was een grote stimulans om steeds weer verder te gaan. De naam van dr. Gert Marchal mag hier niet ontbreken. Zonder het vele werk dat hij verricht heeft voor zijn grote boek over Koopmans uit 1985 had deze studie er anders uitgezien. Hij leende mij veel van zijn ‘Koopmansiana’ uit. En kort geleden schonk hij ze aan mij. Ik heb dat opgevat als een blijk dat hij de taak om de gedachtenis aan Koopmans levend te houden die hij lang geleden op zich genomen had, aan mij overdroeg. Ik hoop mij met dezelfde toewijding van deze taak te kwijten en ben blij om mijn boek in zijn handen te kunnen leggen. Verschillende keren sprak ik dr. Hebe Kohlbrugge. Dat waren bijzondere ontmoetingen. Hoewel er vele generaties tussen haar en mij lagen, sprak zij met mij als een gelijke. Zij was blij dat dit boek over haar goede ‘vrind’ geschreven werd en heeft voor mij uitvoerig geput uit haar herinneringen en steeds mijn vragen beantwoord. Het feit dat ook zij de verschijning van het boek niet meer meemaakt, stemt mij weemoedig. In de loop van de jaren hebben velen mijn teksten gelezen en mij correcties voorgesteld. Onder hen bijvoorbeeld mijn zus Nelske Timmermans-Den Hertog. Eén van deze lezers licht ik eruit: dr. Marlies van den Heuvel. Zij heeft
8 heel het manuscript met een grote zorgvuldigheid gelezen en mij zo voor menige fout behoed. De reacties die ik van haar kreeg gingen veel verder dan alleen grammatica en spelling. Zij verbond de dingen die ze over Koopmans las met haar eigen leven en maakte mij zo duidelijk hoe onverminderd pastoraal en troostrijk Koopmans’ teksten ook lang na hun ontstaan nog zijn. Op de dag van mijn promotie staan mijn vrienden dr. Rieuwerd Buitenwerf en dr. Edward van ’t Slot mij bij als mijn paranimfen. Hun bijstand tijdens de plechtigheid zal vermoedelijk vooral ceremonieel zijn. Wat ik aan vriendschap van hun kant ondervind is verre van ceremonieel. Zij hebben ieder op eigen manier mij geholpen in de jaren van studie – hetzij door het bieden van de nodige ontspanning, hetzij door het stellen van vragen over mijn onderzoek. Ik weet wat het is om vrienden te hebben en ik dank hen beiden! Dit boek had ik niet kunnen schrijven als de gemeenten die ik tot nu heb mogen dienen – Boskoop, Surhuisterveen en Nijmegen – niet zo royaal de ruimte gegund hadden aan hun predikant om naast het werk ook hier tijd in te steken. Zonder dat ze zich dat altijd bewust geweest hebben ze in de loop der jaren veel te horen gekregen van wat ik in de omgang met Koopmans gevonden had. Niet slechts op die manier is dit traject van belang geweest voor mijn werk als predikant. De omgang met de theologie van Koopmans gaf mij steeds weer inspiratie en vreugde om samen met de gemeente de Schrift te openen en te zoeken naar wat onze goede God ons vandaag zegt. Tenslotte kom ik dan terug waar ik begon: het gezin waarin ik ben groot geworden en ons eigen gezin. Ik begin bij mijn ouders. Ik kan er veel over zeggen, maar beperk me: dit boek is ondenkbaar zonder hen en de weg die zij mij gewezen hebben. Niet alsof het vroeger alleen over theologie ging. Verre van dat. Maar zo’n antwoord van mijn vader in de auto dat in feite een wedervraag in vermomming was, is kenmerkend voor de wijze waarop wij thuis zijn groot gebracht. Ons werd geleerd om zelf na te denken. En ons werd voorgeleefd wat de Psalm zingt: ‘Ik, HEER, die al mij vreugde in U vind, hoop op uw heil met al uw gunstgenoten.’ Het gesprek in de auto dat ik boven beschreef had ik met mijn vader. Wij waren onderweg naar het station om mijn moeder van de trein te halen. Ik weet dat nog omdat het uitzonderlijk was. In mijn herinnering was zij eigenlijk altijd thuis. Haar eigen theologiestudie heeft ze lang op een laag pitje gezet om ons de ruimte te geven om ons te ontwikkelen. Zij heeft mij zeer gestimuleerd om dit boek te schrijven. Dit boek dat precies gaat over de vragen die ook haar zeer bezighouden: kerk onder het nationaalsocialisme. Haar opmerkingen over eerdere versies heb ik dankbaar verwerkt.
9 In toenemende mate besef ik hoe bijzonder dit alles is. Wat zij op deze manier aan mij heeft meegegeven aan geloof en vorming kan ik niet in woorden vatten. Laat het feit dat ik het hier aanduid een teken zijn dat ik dat grondig besef en haar er zeer dankbaar voor ben. In zijn kleine boekje Wat zegt de Bijbel? schrijft Koopmans een apart hoofdstuk over het gezin. Hij schrijft daar onder andere: Het is een weldaad, uit de wereld der vreemden te mogen inkeeren tot de zijnen. (…) Het gezin behoort niet alléén tot de orde der natuur, die door Gods voorzienigheid is gesteld, waardoor er leven op de aarde mogelijk is. Het is zelfs méér dan een laatste rest van de oorspronkelijke heerlijkheid, bewaard door Gods bijzondere goedheid. Het deelt in de verzoening door Jezus Christus en in de heiliging door den Geest. Het is doorwoond van een meer dan menschelijke liefde.
Ik weet mij een gezegend mens: deze weldaad, doorwoond van Gods liefde, is mijn deel in het samenleven met mijn lieve Anneke en onze kinderen Rinske, Geerten en Krijn. Aan hen draag ik dit boek op. Zij weten van nabij hoeveel tijd en aandacht ik eraan besteed heb. En zij hebben ook geregeld gemerkt dat ik met mijn gedachten soms meer bij de bezetting en de nood van de oorlog was dan bij de dingen van het gewone leven. Desalniettemin was en is het mij een grote vreugde om keer op keer uit de wereld van studie en werk te mogen inkeren tot de mijnen. Ik ervaar het als het kostbaarste van de vele geschenken van Gods goedheid en geduld waarmee ik mij omringd weet. Het is mijn vurige wens dat ik deze goedheid en dat geduld op de juiste wijze gebruik – en dat dit boek daarvan een blijk is. Wat dat betekent, maakt het vervolg van dit boek duidelijk.
Niels den Hertog
Nijmegen, 22 oktober 2018
Inhoudsopgave Woord vooraf
5
Inhoudsopgave
11
Hoofdstuk 1 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Inhoud en opzet van deze studie Een zwijgende kerk? Het spreken van de kerk Eerder onderzoek naar de theologie van dr J.Koopmans Vraagstelling en belang van het onderzoek Werkwijze
17 17 25 32 36 37
Hoofdstuk 2 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20.
Inleiding Jeugd en studie (1905-1928) Predikant in Elkerzee (1928-1931) Predikant in ’s-Heer Hendrikskinderen en studie (1931-1938) Kleine postille en Vrijzinnige bezwaren beantwoord Secretaris van de NCSV(1938-1941) De heilige doop (1939) De Nederlandsche geloofsbelijdenis (1939) Amersfoortse stellingen Begin van de bezetting Bijna te laat! Nieuwe postille (1940) Predikant in Amsterdam (1941-1945) Wat zegt de Bijbel? (1941) Werk voor christen-Joden Protest tegen de sterilisatie De Zwitserse weg Predikant van de Noorderkerk Onderduik, opbreken van het gezinsleven en overlijden Tenslotte
41 43 49 52 55 58 60 61 63 65 69 73 74 75 78 86 88 91 96 100
Hoofdstuk 3 1. 2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4.1.
2.4.2. 2.5. 2.6. 2.7. 2.8. 2.9. 3. 3.1. 3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.1.4. 3.1.5. 3.1.6. 3.1.7. 3.2.
Inleiding Koopmans’ uitleg van artikel 2 Inleiding Natuurlijke theologie Daden van God Verhouding van Gods openbaring in ‘schepping, onderhouding en regering’ en in zijn Woord – een theologisch perspectief op de samenleving. Verhouding van Gods openbaring in ‘schepping, onderhouding en regering’ en in zijn Woord – belang voor de ethiek Christelijk geloof en humanisme – kennis van goed en kwaad Koopmans’ omgang met de belijdenis – een gravamen, kritische kerkgeschiedenis en de heilige Geest Het eigene van Gods spreken – ‘De prediking van den Bijbel is van een andere orde’. Het Woord van God komt naar ons toe Het belang van artikel 2 voor de politiek – de uitleg van artikel 36 Conclusies en aandachtspunten Inleiding Natuurlijke theologie Verhouding eerste en tweede artikel Kennis van goed en kwaad/filosofie Omgang met de belijdenis Prediking Eschatologische oriëntatie Overheid Samenvattend
103 105 105 107 115 118
121 128 131 138 147 151 160 160 160 161 162 162 163 163 164 165
Hoofdstuk 4 1. 2. 2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.
Inleiding Homiletiek van Koopmans Inleiding Tekstkeuze – kerkelijk jaar Exegese Kerkelijk dogma Vorm
167 171 171 173 175 176 178
2.6. 2.7. 2.8. 3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 4. 4.1. 4.1.1. 4.1.2. 4.2.
De liturgie Waarom preken – visie op de gemeente De predikant Thema’s Inleiding Gods woord: oordeel, belofte en geloof Woorden van hoop en kritische vragen De gemeente en de wereld De overheid Conclusies en aandachtspunten Inleiding De kerk Gods Woord Samenvattend
180 183 184 188 188 188 193 196 201 203 203 203 204 205
Hoofdstuk 5 1. 2. 2.1. 2.2. 2.2.1. 2.2.2. 2.2.3. 2.2.4. 2.2.5. 2.3. 2.4.1. 2.4.2. 2.5. 2.6. 3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 4. 4.1.
Inleiding Bijna te laat! (1940) Aanleiding, ontstaan en verspreiding Identificatie van Gods wil met een politiek standpunt en kerkelijk gehalte van Bijna te laat! Beroep op het geweten Het geweten is ontoereikend Volksgeweten Regering door Christus Verhouding tussen de twee woorden Betere weerstand Navolging van Jezus Christus als kenmerk van de kerk De kerk Het gaat om de practijk! Een gebed Protest tegen de sterilisatie (1943) Aanleiding en ontstaan Identificatie van Gods wil Beroep op de Schrift Erkenning van de overheid en kritiek Gebed Conclusies en aandachtspunten Inleiding
207 209 209 212 215 217 220 224 225 227 229 233 240 241 243 243 244 245 246 248 248 248
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.2.4. 4.2.5. 4.3.
Identificatie Beroep op de Schrift en Gods toegift Ontmaskerende taal Kritische ecclesiologie Gebed Samenvattend
249 249 250 251 251 252
Hoofdstuk 6 1. 2. 3. 3.1. 3.2. 3.3. 4.
Inleiding Het spreken van de kerk in de theologie van dr. J. Koopmans Desiderata voor verder onderzoek Inleiding Verhouding eerste en tweede artikel De eigen taal van de kerk Afsluitend
253 254 260 260 261 266 271
Samenvatting Summary Zusammenfassung
273
Geraadpleegde bronnen
283
Register van namen
300
Curriculum vitae
304
276 279
Hoofdstuk 1
1.
Inhoud en opzet van deze studie
Dit boek is gewijd aan het spreken van de kerk in de theologie van dr J. Koopmans (1905-1945). De vraag die in deze studie beantwoord wordt, luidt: is Koopmans’ visie op het spreken van de kerk verankerd in het geheel van zijn theologie? En zo ja, hoe dan? Voordat in § 5 van dit hoofdstuk deze vraag uiteengelegd wordt in deelvragen, volgt in de tweede paragraaf eerst een beschrijving van een poging tot kerkelijk spreken waar Koopmans nauw bij betrokken is geweest. Vervolgens wordt het begrip ‘spreken van de kerk’ nader gedefinieerd (§ 3) en wordt een overzicht gegeven van de studies die tot nu toe aan Koopmans zijn gewijd (§ 4). Na de vaststelling van de onderzoeksvraag en de deelvragen (§ 5) besluit dit inleidende hoofdstuk met een omschrijving van de werkwijze (§ 6).
2.
Een zwijgende kerk?
Op 7 februari 1940 schreef J. Koopmans een brief aan de Zwitser K. Barth. Al vaker waren er brieven tussen de beide theologen heen en weer gegaan en meer dan eens hadden ze elkaar ontmoet; zij beschouwden elkaar als theologische vrienden. Barth gold in die jaren binnen de protestantse theologie als een internationale theologische autoriteit aan wie velen raad vroegen en het was Koopmans met zijn schrijven dan ook om een advies te doen. Hij begon zijn brief als volgt: Als Visser ’t Hooft das letzte Mal in Holland war und etwas erzählte von den Schwierigkeiten, die ein Brief von Ihnen ihm bereitet hatte, war ein kleiner
18 Kreis von Theologen in Holland gerade zusammengetreten zur Formulierung von einigen Thesen über die Fragen der Zeit. Ich erlaube mir Ihnen die Thesen in der gegenwärtigen Form vorzulegen - - und sogar in holländischer Sprache!1
Het bezoek van W.A. Visser ’t Hooft – destijds algemeen secretaris van het voorlopig comité van de Wereldraad van kerken in oprichting – aan Nederland waar Koopmans op doelde vond plaats in januari 1940 en stond in het teken van een oecumenische vredesconferentie.2 Afgevaardigden uit negen landen ontmoetten elkaar in Zilven, een kleine plaats ten zuiden van Apeldoorn. De situatie in Europa was gespannen: sinds Hitlers troepen op 1 september van het voorgaande jaar Polen waren binnen getrokken was er oorlog. Weliswaar was het in januari 1940 althans wat gevechtshandelingen betreft in het westen van Europa vooral een oorlog de iure en niet zozeer de facto – de zogenaamde phoney war of Sitzkrieg –; het wachten was op het begin van de gevechten. Tijdens de genoemde conferentie trachtte Visser ’t Hooft de deelnemers uit onder andere Engeland, Duitsland, Frankrijk, Noorwegen, Zwitserland en Nederland te bewegen tot een gezamenlijk publiek protest namens de kerken tegen ‘the violation of whole nations, against the attacks by big nations of small nations, against the suppression of national and individual freedom.’3 Al werd het niet expliciet benoemd, duidelijk was dat hiermee met name Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie werden bedoeld die Polen waren binnengevallen. Dit protest wilde hij vergezeld doen gaan van een verklaring van solidariteit met hen die vervolgd werden, en dan met name met diegenen onder hen die vanwege hun geloof bedreigd werden. Hierbij werd vooral gedacht aan leden van de Bekennende Kirche in Duitsland.4 Ondanks het feit dat hij verschillende medestanders had, lukte het uiteindelijk niet om de deelnemers allen achter het
Brief van J. Koopmans aan K. Barth van 7 februari 1940. De briefwisseling Barth-Koopmans bevindt zich in het Karl Barth Archiv te Basel. 2 A. Boyens, Kirchenkampf und Ökumene 1939-1945. Darstellung und Dokumentation unter Berücksichtigung der Quellen des Ökumenischen Rates der Kirchen, München 1973, 66-77. Zie ook W.A. Visser ’t Hooft, Memoires. Een leven in de oecumene, Amsterdam/Brussel/Kampen 1971, 108v. 3 Boyens, Kirchenkampf und Ökumene 1939-1945, 69. 4 Boyens, Kirchenkampf und Ökumene 1939-1945, 69 en 317 waar de ‘Main Points for statement to the churches 7. Januar 1940’ van de hand van Visser ’t Hooft zijn afgedrukt. 1
19 voorstel te krijgen. Een gezamenlijke verklaring van de deelnemers – en dus ook: van de kerken die zij vertegenwoordigden – bleef daarom uit.5 Over een verklaring van de kerk was het nu juist gegaan in de brief van Barth, die Visser ’t Hooft zoveel ‘Schwierigkeiten’ had bezorgd. In de maanden voorafgaande aan de conferentie van januari 1940 was Visser ’t Hooft via brieven en gesprekken in een intensieve discussie verwikkeld met Barth. Laatstgenoemde had Visser ’t Hooft op 7 oktober 1939 scherp aangesproken op het zwijgen van de oecumenische beweging sinds het uitbreken van de oorlog op 1 september 1939.6 Zijn kritiek op Visser ’t Hooft – en in hem op de oecumenische beweging – had hij in deze brief als volgt samengevat: Macht keine theologischen, kirchenpolitischen, taktischen Schwierigkeiten, wo keine sind, wenn man nur einfältig genug ist, sich solche nicht selbst zu machen. Schiebt die Sache nicht auf Andere, nicht auf irgend eine lange Bank, nicht auf eine spätere Generation womöglich, die können werde, was wir nicht können! Tut gerade nicht – unter mißbräuchlicher Anwendung meiner Parole von 1933 -, “als wäre nichts geschehen”! Weiß Gott, es ist etwas geschehen und es wird noch mehr geschehen. Und es wäre zum Verzweifeln, wenn jetzt ausgerechnet die Kirche mit irgendwelchen tiefen oder weniger tiefen Begründungen sich für absent und anderweitig beschäftigt erklären wollte. An eurem Ort, in eurer Schlüsselstellung, seid aber ihr die Kirche. Wollet euch selbst und uns alle nicht länger hinhalten, sondern − ich muß jetzt schon das sehr abgegriffene Wort Zwinglis wieder hervorholen: “Tut um Gottes willen etwas Tapferes”!7
Boyens, Kirchenkampf und Ökumene 1939-1945, 70. Zie ook de brief die Visser ’t Hooft aan Barth stuurde op 19 januari 1940 waarin hij verslag deed van de besprekingen in Nederland, Karl Barth - Willem Adolf Visser 't Hooft. Briefwechsel 1930–1968, einschließlich des Briefwechsels von Henriette Visser ’t Hooft mit Karl Barth und Charlotte von Kirschbaum, Herausgegeben von Thomas Herwig, (Karl Barth Gesamtausgabe, Band 43), Zürich 2006, 118-122. 6 Al op 13 april 1939 had Barth aan Visser ’t Hooft gevraagd of de oecumenische beweging zich reeds bezonnen had op de vraag wat te doen wanneer de oorlog – die inmiddels onafwendbaar scheen – zou zijn uitgebroken, Briefwechsel, 89-92. Zie hierover ook H. Gollwitzer, Forderungen der Freiheit. Aufsätze und Reden zur politischen Ethik, München 1962, 337-339. 7 Brief van K. Barth aan W.A. Visser ’t Hooft van 7 oktober 1939, Briefwechsel, 100-111, 110. Voor citaten in dit boek geldt dat cursiveringen van de oorspronkelijke auteur zijn tenzij anders aangegeven. Koopmans maakt geregeld gebruik van spatieringen. Die worden hier gecursiveerd weergegeven. 5
Dr. C.C. den Hertog
In dit boek gaat het onder andere over dit pamflet, maar ook over andere teksten van Koopmans waarmee hij stelling nam in de ‘publieke ruimte’. Wat is het verband tussen deze teksten en zijn theologie? En wat heeft dat voor vandaag te zeggen? Dr. C.C. den Hertog (1974) is predikant in Nijmegen.
NUR 707 ISBN 978 90 239 5665 5
omslag-den-hertog.indd 1
Dr. C.C. den Hertog Het spreken van de kerk in de theologie van dr. J. Koopmans
In de herfst van 1940 verscheen in Nederland een anoniem pamflet: Bijna te laat! Het bevatte een bewogen oproep van de hervormde predikant J. Koopmans (1905-1945) aan het hele Nederlandse volk. Veel ambtenaren hadden in de voorafgaande weken de Ariërverklaring getekend. Er hadden nauwelijks adviezen geklonken om niet te tekenen; niet vanuit schoolbesturen, niet vanuit de Nederlandse kerken. Koopmans rekende zijn lezers voor wat er eigenlijk gebeurd was – én hij maakte duidelijk dat de gedachte dat ‘het allemaal nog wel meeviel met de bezetting’ een illusie was. Het was hem duidelijk wat de bezetter in de zin had met deze maatregel tegen de Joden: ‘Zij gaan eruit en zij gaan eraan!’
Het spreken van de kerk in de theologie van dr. J. Koopmans 25-10-18 09:11