bij de ontwikkeling van een kerkmuren overstijgend groepsgevoel en de verbeelding van een afzonderlijke gemeenschap binnen ons land. Ze vormde het boegbeeld van een netwerk dat later ook wel als zuil is aangeduid. Hoewel men deed voorkomen dat het bestaan van een bevindelijk gereformeerde gemeenschap ten grondslag lag aan het ontstaan van de krant, was eerder het omgekeerde het geval. Dit boek beschrijft op welke wijze het Reformatorisch Dagblad de bevindelijk gereformeerde groepsidentiteit gevormd en in stand gehouden heeft.
Martin Tijssen De krant en het pand
Het Reformatorisch Dagblad speelde een sleutelrol
Martin Tijssen
De krant en het pand Het Reformatorisch Dagblad en de ontwikkeling van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap
Martin Tijssen (1981) is docent aan het Hoornbeeck College in Goes. Dit boek is een bewerking van de masterscriptie die hij schreef ter afronding van de opleiding Kunst- en cultuurwetenschappen.
isbn
nur
De krant en het pand Plano.indd 1
978 90 239 5547 4
757
06-11-18 08:56
De krant en het pand
18108 De krant en het pand.indd 1
05-11-18 12:48
18108 De krant en het pand.indd 2
05-11-18 12:48
Martin Tijssen
De krant en het pand Het Reformatorisch Dagblad en de ontwikkeling van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap
KokBoekencentrum - Utrecht
18108 De krant en het pand.indd 3
05-11-18 12:48
Omslagontwerp: Merel van Meurs Omslagbeeld: Reformatorisch Dagblad / Henk Visscher Binnenwerk: Gewoon Geertje ISBN 978 90 239 5547 4 (boek) ISBN 978 90 239 5551 1 (e-book) NUR 757 Š 2018 KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht www.kokboekencentrum.nl Alle rechten voorbehouden.
18108 De krant en het pand.indd 4
05-11-18 12:48
Inhoud
Woord vooraf
7
Inleiding 9 1 ‘Uit de nood der tijden geboren en niet zonder barenspijn’ (1966-1971) 19 1.1 Elspeet 1966 19 1.2 Ontrouwe Trouw 23 1.3 ‘Eigen’ krant 26 1.4 ‘Scheiding der geesten’ 28 1.5 Propaganda 32 1.6 ‘Bekroning zonder roem’ 36 1.7 Conclusie 42 2 ‘RD, waar gaat het heen?’ (1971-1981) 2.1 Articulatiemacht 2.2 Koers 2.3 EO 2.4 Gereformeerde Gemeenten 2.5 (Oud) Gereformeerde Gemeenten in Nederland 2.6 Christelijke Gereformeerde Kerken 2.7 SGP 2.8 Gereformeerde Bond 2.9 Conclusie
44 44 47 48 50 52 54 57 61 66
3 ‘Bewaar het pand’ (1981-1985) 3.1 Enquête 3.2 Bevindelijk gereformeerden 3.3 Normen 3.4 Verzuiling 3.5 Conclusie
68 68 70 72 75 78
18108 De krant en het pand.indd 5
05-11-18 12:48
4 ‘Lekker onder ons…’ (1985-2003) 4.1 Reformatorisch Dagblad 4.2 Terdege 4.3 Wegwijs 4.4 Naar Buiten 4.5 RD-Net 4.6 Conclusie
80 81 90 92 99 100 102
5 ‘De luiken niet dicht, maar open’ (2003-heden) 5.1 Schuivende panelen 5.2 Erdee Media Groep 5.3 ‘De refozuil onder vuur’ 5.4 ‘Bevindelijke diepte en katholieke breedte’ 5.5 De nieuwe refo 5.6 Zuil 2.0 5.6 Conclusie
104 104 110 115 118 122 123 124
6 Besluit
126
Bijlagen 128 Bijlage 1: Nederlands protestantisme 129 Bijlage 2: Grondslag en doel Stichting Reformatorische Publikatie (SRP) 130 Bijlage 3: Beginselverklaring van het Reformatorisch Dagblad 131 Bijlage 4: Samenstelling Comité van Aanbeveling, bestuur SRP en Raad van Toezicht 132 Bijlage 5: Missie en visie Erdee Media Groep 134 Bijlage 6: Bedrijfsstructuur 135 Bijlage 7: Statistieken 137 Bijlage 8: Vragenlijst RD-enquête 1981 139 Bijlage 9: Vragenlijst ‘De nieuwe refo’ 2016 141 Bronnen en literatuur
18108 De krant en het pand.indd 6
153
05-11-18 12:48
Woord vooraf
Het Reformatorisch Dagblad hoopt over niet al te lange tijd vijftig jaar te bestaan. In dit boek wordt onderzocht hoe deze krant bijgedragen heeft aan de constructie en de articulatie van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap. Het boek is een bewerking van een masterscriptie die in het kader van de studie Kunst- en cultuur wetenschappen is geschreven. Via deze weg wil ik iedereen bedanken die op een of andere wijze een bijdrage geleverd heeft aan de totstandkoming van deze uitgave. Met name wil ik Nico de Waal van uitgeverij KokBoekencentrum danken voor zijn vertrouwen. Ook dank aan mijn bevlogen ouddocent Geschiedenis van De Driestar, Ton van der Schans, voor zijn nuttige opmerkingen. Hetzelfde geldt voor mijn broer Henk die bij gelegenheid als sparringpartner wilde fungeren. Verder wil ik verschillende medewerkers van de Erdee Media Groep bedanken. Hierbij denk ik in het bijzonder aan Klaas van der Zwaag, maar ook aan al degenen die mij van benodigde informatie hebben voorzien. In het bijzonder wil ik Christoph van den Belt, promovendus in de geschiedenis van het ND en het RD, bedanken voor zijn gulle medewerking en kritisch commentaar. Ik ben benieuwd wat zijn onderzoek achter de coulissen van de Erdee Media Groep op gaat leveren. Scherpenisse, oktober 2018 Martin Tijssen
7
18108 De krant en het pand.indd 7
05-11-18 12:48
18108 De krant en het pand.indd 8
05-11-18 12:48
Inleiding
Abraham Kuyper zag de krant als een uitstekend middel om een gemeenschap met een eigen identiteit te construeren en voortdurend te articuleren.1 Toen in 1897 ‘zijn’ De Standaard 25 jaar bestond sprak hij onder andere: Opiniën sluiten zich aan opiniën, harten aan harten, en zoo ontstaan er samenbindingen; en uit die samenbindingen en groepeeringen wordt macht geboren, om het u heilig beginsel tot een macht te maken in het land.2 De door Kuiper verwoorde inzichten sluiten bijna naadloos aan bij het in 1983 verschenen boek Imagined communities van historicus B. Anderson. Hierin onderzocht hij het ontstaan van naties als ‘verbeelde gemeenschappen’. Anderson wijst er in zijn boek op dat media – en met name de krant – een belangrijke rol spelen bij groepsvorming en het richting geven aan de culturele identiteit van mensen. De dagelijks terugkerende ‘massaceremonie’ van het lezen van een krant kan er toe leiden dat de lezer zich met deze gemeenschap identificeert, ongeacht het feit of hij alle leden van de gemeenschap daadwerkelijk kent.3 Ook het Reformatorisch Dagblad (RD) dat precies negenennegentig jaar na De Standaard het licht zag construeerde een dergelijke ‘sense of belonging’. Ze speelde een sleutelrol bij de vorming van deze kerkmuren-overstijgende groepsidentiteit en de verbeelding van een afzonderlijke entiteit binnen de natie: de bevindelijk gereformeerde gemeenschap.4 Het feit dat deze groepering allerlei kerkverbanden 1 Broersma en Koopmans 2010, 11. 2 Gedenkboek opgedragen door het feestcomité aan Prof. Dr. Abraham Kuyper, 66. 3 Anderson 2006, 5-7 en Broersma en Koopmans 2010, 11-12. ‘All communities larger than primordial villages of face-to-face contact (and perhaps even these) are imagined’ (Anderson 2006, 7). 4 Deze rol werd nog eens versterkt doordat men in de beoogde gemeenschap over het algemeen afwijzend stond tegenover televisie- en – in mindere mate – radiogebruik.
9
18108 De krant en het pand.indd 9
05-11-18 12:48
(die vaak weer vleugels kenden) omvatte, maakt echter duidelijk dat de onderlinge eensgezindheid ver te zoeken was, de Drie Formulieren van Enigheid waarop ze zich allen beriepen ten spijt.5 Ze bestond uiteindelijk slechts bij de gratie van een gedeeld geloof in haar aanwezigheid.6 Het is daarom gerechtvaardigd om van een verbeelde gemeenschap, een imagined community te spreken.7 Al heeft de bevindelijk gereformeerde gemeenschap de naam ouderwets te zijn, ze werd pas gevormd met de komst van het RD. Voorheen was ze volgens hoogleraar religiegeschiedenis F.A. van Lieburg gewoon orthodox-protestant8 en maakte ze deel uit van de
5 De Drie Formulieren van Enigheid zijn tijdens de synode van Dordrecht (16181619) als ijkpunten van de contraremonstrantse gereformeerde theologie vastgesteld. Ze bestond uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561 (NBG), de Heidelbergse Catechismus van 1563 en de Vijf artikelen tegen de Remonstranten, oftewel de Dordtse Leerregels. De aanduiding Drie Formulieren van Enigheid stamt uit de negentiende eeuw (J. Vree, ‘Drie Formulieren van Enigheid’, in: Harinck 2009, 119). 6 Van den Donk 2007, 32. Zie ook: Exalto 2014b, 114 en B.J. Spruyt, ‘De zuil zit vooral in ons hoofd’, Reformatorisch Dagblad, 4 februari 2012. Antroploog A.P. Cohen zegt hierover: ‘Community exists in the minds of its members, and should not be confused with geographic or sociographic assertions of “fact”’ (Cohen 1985, 98). 7 In de termen van de Britse onderzoeker E. Bleich kan gesproken worden van een re-imagination van de gemeenschap die eerder als ‘gereformeerde gezindte’ werd aangeduid. Bleich beschrijft dit concept als volgt: ‘If an imagined community encompasses all members within a given set of boundaries, then a re-imagined community is a shift in the sociological boundaries of belonging to include a new group of members’ (Van de Donk 2007, 32). 8 F.A. van Lieburg, ‘Refozuil bestaat maar veertig jaar’, AdValvas 16, 24 april 2013. In navolging van wat kerkhistoricus P. van Rooden (1996) concludeerde over het geheel van het orthodoxe protestantse volksdeel ziet Van Lieburg de bevindelijke gereformeerde zuil als een schepping van de moderne tijd. Van Rooden ontzenuwde in zijn boek Religieuze regimes de gedachte dat de orthodoxie eeuwenlang bewaard bleef in gezelschappen en dat het piëtisme van de Nadere Reformatie na een winterslaap weer tevoorschijn kwam bij de Afscheiding. In plaats van de geschiedenis als een verhaal van continuïteit te presenteren, beschrijft hij ze als ‘een geschiedenis met radicale en diepingrijpende breukmomenten’ (Exalto 2014b, 110).
10
18108 De krant en het pand.indd 10
05-11-18 12:48
‘gereformeerde gezindte’9. Desondanks zien bevindelijk gereformeerden zichzelf als directe erfgenamen van de calvinisten uit de tijd van de Reformatie. Zo suggereert socioloog en toenmalig hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad C.S.L. Janse in zijn onderzoek met de veelzeggende titel Bewaar het pand. De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden (1985) dat er al vier eeuwen lang een volksdeel met een bevindelijk gereformeerde identiteit als constante in de Nederlandse samenleving aanwezig was.10 Een dergelijke vorm van reïficatie is terug te vinden in de studie van predikant en hoogleraar W.J. op ’t Hof over het gereformeerde piëtisme, waarin identiteit en geschiedenis apart behandeld worden.11 Dit essentialisme staat echter meer en meer ter discussie.12 Het proefschrift van historicus J.P. Zwemer uit 1992, waarin hij een overzicht geeft van de ideologische ontwikkelingen onder de later als bevindelijk gereformeerd betitelde groeperingen in de periode 1945-1970, laat zien dat deze bevolkingsgroep zich in een continu transformatieproces bevond en volop deel uitmaakte van de moderne tijd. Historicus J. Exalto heeft het schrijven van een boek over hogeschool De Driestar aangegrepen om de interpretatie van de bevindelijk gereformeerde geschiedenis als een geheel nieuw fenomeen sinds ongeveer 1900 verder uit te werken.13
9 De uitdrukking gereformeerde gezindte of gereformeerde gezindheid komt van de Haagse jurist en historicus G. Groen van Prinsterer (1801-1876). Na de Afscheiding van 1834 bleef hij de afgescheidenen vanwege hun verbondenheid aan de Drie Formulieren van Enigheid tot de gereformeerde gezindheid rekenen. Hij gebruikte dit begrip om een basis te leggen voor interkerkelijke samenwerking op grond van de gereformeerde belijdenis ten behoeve van de School met de Bijbel en zijn politiek optreden in de Tweede Kamer (Golverdingen 2000, 39). 10 Vgl. Exalto 2012a, 395. Volgens Janse vormen de bevindelijk gereformeerden ‘een religieuze minderheid die al eeuwenlang in de Nederlandse samenleving haar plaats heeft’ (Janse 1985, 9). 11 Op ’t Hof 2005. Zie ook Van Lieburg 2007, 13-14. 12 Zie onder andere Harinck e.a. 2009. Volgens de sociologen R. Brubaker en F. Cooper (2000) kan men beter de processen en mechanismen waarlangs identiteiten ontstaan, gevormd, bekrachtigd of ontkend worden, onderzoeken en in een (historische) context plaatsen. 13 Exalto, 2014b, 115.
11
18108 De krant en het pand.indd 11
05-11-18 12:48
In dit boek is ervoor gekozen om de geschiedenis van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap in 1966 te laten beginnen, omdat dan voor het eerst op nationaal niveau nagedacht wordt over een groepsidentiteit in de vorm van het op te richten Reformatorisch Dagblad. Het is de vraag in hoeverre de SGP in de voorafgaande periode als ‘kristallisatiepunt’ van deze groepering beschouwd kan worden, zoals Janse beweert. De SGP was vooral extern gericht en beperkte zich hoofdzakelijk tot politiek geëngageerden, in tegenstelling tot het RD dat een belangrijke ‘interne forumfunctie’ vervulde.14 Hoewel het landelijke partijorgaan van de SGP, De Banier, tussen 21 mei 1929 en 16 oktober 1941 als dagblad was gaan verschijnen, heeft het nooit meer dan ruim zevenduizend abonnees weten te verwerven en daarom een beperkte rol gespeeld in het formeren van een groepsidentiteit.15 Bovendien werd de identiteit van deze partij tot 1945 gedomineerd door het kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten en met name door de persoon van oprichter dominee G.H. Kersten. Kersten was echter niet de onbetwiste leider van ‘alle bevindelijk gereformeerden’ en was ook niet intrinsiek gemotiveerd om samen te werken met andere kerken. Het is daarom discutabel Kersten als uitvinder van de bevindelijk gereformeerde bevolkingsgroep te bestempelen.16 Pas na de Tweede 14 Exalto 2018, 67. 15 Janse 1991, 177; Janse 1985, 129 en Exalto 2018, 67. Ook Zwemer zet hier zijn vraagtekens bij (Zwemer 1992, 9). Het SGP-orgaan De Banier was in de oorlogsjaren ‘een roemloze dood gestorven’. Op de Algemene Vergadering van de SGP van 1962 stelde één van de Rotterdamse kiesverenigingen voor om van het partijweekblad De Banier weer een dagblad te maken. Het partijbestuur zag echter geen mogelijkheid om het voorstel te verwezenlijken (C.S.L. Janse, ‘Het Reformatorisch Dagblad werd uit de nood geboren’, Reformatorisch Dagblad, 1 april 1981). 16 Exalto, 2012a, 30-31 en Exalto, 2012b, 23. Vgl. Fieret 1990. Van Lieburg zegt over Kersten: ‘Voor de Oud-Gereformeerden was hij te activistisch en voor de Christelijke gereformeerde Kerken gold hij als de polemist tegen hun ‘drieverbondenleer’. Voor de Gereformeerde Bond is Kersten nooit onaardig geweest, maar de hervormd-gereformeerden waren per definitie tegenstanders van kerkelijke afscheiding en van zuilvorming’ (Van Lieburg 2009, 463-464). Onder andere om de laatstgenoemde reden was de hervormd-gereformeerde ds. I. Kievit bepaald geen aanhanger van de SGP van ds. Kersten (W. Balke, Ds. I. Kievit (1887-1954) in de lijst van zijn tijd in: I. Kievit, ‘Vreugde bij de Bron. Verspreide geschriften van ds. I. Kievit’ Apeldoorn 2014, 32). Toch werden naast Kersten
12
18108 De krant en het pand.indd 12
05-11-18 12:48
Wereldoorlog ging een groeiend deel van de Gereformeerde Bonders en Oud-Gereformeerden deel uit maken van de achterban van de SGP. Sinds die tijd vond er volgens Zwemer ook meer ‘onderlinge kennismaking tussen de regio’s, de deeltradities en de kerkgenootschappen (…) plaats’. Hij noemt hierbij de Mammoetwet van 1968 als belangrijke oorzaak.17 De hierdoor ontstane samenwerking vond echter vooral op regionaal niveau plaats. Een veel belangrijker rol bij de interne integratie van de bevindelijke gereformeerde groeperingen op nationaal niveau speelde het Reformatorisch Dagblad, dat in 1971 voor het eerst verscheen. Volgens historicus A.A. van der Schans en verschillende leden van het Biblebelt Netwerk is de bevindelijk gereformeerde gemeenschap op landelijk niveau door niets zozeer gevormd en bijeengehouden als het RD.18 De krant stelde zich ten doel ‘samenbindend te werken tussen hen die de gereformeerde leer van harte onderschrijven en liefhebben’. Na verloop van tijd vormde ze het boegbeeld van een gemeenschap die later ook wel als ‘zuil’ werd aangeduid. Hiermee is gelijk het cruciale verschil met de ‘zuil’ van Kuyper aangeduid waar de kerk uitgangspunt was van alle activiteiten.19 Hoewel het Reformatorisch Dagblad doet voorkomen dat het bestaan van een bevindelijk gereformeerde gemeenschap ten grondslag ligt aan het ontstaan van de krant, is dus eerder het omgekeerde het geval.20 Het ontstaan van de krant vormde een voorwaarde voor ook Kievit en de christelijk gereformeerde professor G. Wisse door Janse als representatief voor de achterban van het RD gezien (Janse 2003, 38). 17 Zwemer 1992, 139, 148, 445 en 447. Directeur P. Kuijt van kweekschool De Driestar schreef in datzelfde jaar dat er onder het ‘gereformeerde volk’ van Nederland geen sprake was van intensieve samenwerking tussen de leiders van de verschillende kerkelijke en maatschappelijke organisaties. Ieder deed iets, maar het was geen geheel, het paste niet in elkaar (Exalto, 2012a, 340). 18 Van der Schans 1996 en J. Exalto e.a., ‘Refozuil gebaat bij studie van eigen ontwikkeling’, Reformatorisch Dagblad, 9 februari 2013. Eerder had Van der Schans er al op gewezen dat de krant zorgde voor ‘gelijkschakeling’, integratie en uniformering (E. van Dijkhuizen, ‘Meer aan het front’, Reformatorisch Dagblad, 22 december 1994). 19 Stoffels 1993, 140. 20 Vgl. Brubaker 2002. Socioloog R. Brubaker heeft erop gewezen dat er weliswaar wordt gesproken over gemeenschappen, maar dat het eigenlijk vaak over organisaties gaat.
13
18108 De krant en het pand.indd 13
05-11-18 12:48
het ontstaan van de gemeenschap. Om een gemeenschappelijk front te vormen werden bepaalde onderlinge verschillen genegeerd (strategisch essentialisme). Door verschillende (kerkelijke) groeperingen te verenigen onder een collectieve identiteit ontstond een krachtig wapen om de maatschappelijke positie van de leden van de gemeenschap te versterken (identity politics).21 In dit boek zal onderzocht worden op welke wijze het Reformatorisch Dagblad de gemeenschap vormgegeven heeft en hoe dit beleefd werd. In veel literatuur wordt gewezen op het nut van een ontwikkelingsbenadering in het kijken naar groepen.22 Hierbij is het uitgangspunt dat groepen een ontwikkeling in fasen doormaken, waarbij ze in elke fase gekenmerkt wordt door een specifieke thematiek die in die fase opgelost moet worden. Deze gedachte vormt ook het uitgangspunt van dit boek. Met deze benadering kan het breed geschakeerde begrip ‘zuil’ vermeden worden en kan er recht gedaan worden aan de dynamiek binnen de gemeenschap ‘achter de zuil’.23 Het gebruik van de term ‘zuil’ kan volgens historicus P. van Dam name-
21 Vgl. Beatens e.a. 2009, 71. Het ontstaan van de groepering kan dus niet los worden gezien van een streven naar emancipatie. Janse hanteerde in zijn studie voor dit proces een emancipatiebegrip waarbij aanpassing aan de meerderheidscultuur het uiteindelijke criterium is. De door Exalto gebruikte interpretatie van de Franse filosoof J. Rancière helpt echter de ontwikkelingen onder bevindelijk gereformeerde gemeenschap beter te verstaan. Volgens Rancière houdt emancipatie niet de transformatie van een minderheids- naar een meerderheidspositie in, maar is het een bewust worden van de eigen subjectiviteit (subjectification): ‘Emancipatie is coming into presence, iets (een groep, een volksdeel) wat geen (rechtmatige, erkende) positie had, manifesteert zich’ (Exalto 2014a, 14). 22 Remmerswaal 2015, 335. Sociaalpsycholoog J. Remmerswaal omschrijft groeps identiteit als het levende, meeveranderende kader waarin groepsleden zich herkennen en waarmee ze op een steeds bewuster niveau richting geven aan hun taak en hun interactie (Remmerswaal 2015, 37). Brubaker spreekt over de groep als ‘an event, as something that ‘happens’: ‘If we treat groupness as a variable and distinguish between groups and categories, we can attend to the dynamics of group-making as a social, cultural and political project, aimed at transforming categories’ (Brubaker 2002, 168). 23 In navolging van Van Dam en Kennedy (2014) ga ik uit van het idee dat ‘verzuiling’ geen bruikbare analytische term is om de geschiedenis te duiden (Van Dam en Kennedy 2014). Van Dam pleit ervoor het statische begrip ‘zuil’ te vervangen door het in meer variaties hanteerbare ‘gemeenschap’ (Van Dam 2011).
14
18108 De krant en het pand.indd 14
05-11-18 12:48
lijk leiden tot ‘een hardnekkige vorm van tunnelvisie’.24 Door de zuilenmetafoor als letterlijke beschrijving te beschouwen wordt de omvang en de acceptatie van het verschijnsel van organisatie in eigen kring, de eenheid, de mate van isolement en de overeenkomsten overdreven.25 Om te voorkomen dat er ‘blinde vlekken’ ontstaan, is het beter om de term zuil te benaderen als een vechtbegrip dat als karikatuur of als ideaal werd ingezet. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop er over het verdwijnen van de zuil gesproken wordt. Het verdient volgens Van Dam daarom de aanbeveling het statische begrip ‘zuil’ te vervangen door het in meer variaties hanteerbare ‘gemeenschap’.26 Het door de sociologen J.W. Duyvendak en M. Hurenkamp gemaakte onderscheid tussen ‘lichte’ en ‘zware’ gemeenschappen zou daarbij verhelderend kunnen werken.27 Bij de hoofdstukopbouw wordt gebruikgemaakt van de vijf stadia die de Amerikaanse sociaalpsycholoog B. Tuckman onderscheidt bij de ontwikkeling van groepen: forming, storming, norming, performing en adjourning.28 Dit basismodel van groepsontwikkeling lijkt een bruikbaar kader om te begrijpen op welke wijze het Reformatorisch Dagblad de groepering gevormd en in stand gehouden heeft. Hierbij is geprobeerd rekening te houden met de beperkingen van het model. Het werken vanuit een vooropgezet schema heeft namelijk het gevaar in zich dat vrij onbelangrijke punten die in het model passen overbelicht worden, terwijl andere meer belangrijke punten 24 Vgl. Van Dam en Kennedy 2014, 12. Al in 1993 verweet historicus G. Harinck de hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad een ‘klakkeloos gebruik van het verzuilingsbegrip’. Het was volgens hem beter om met de ‘hatelijke term verzuiling’ te breken (‘Geref. historicus moet breken met hatelijke term verzuiling’, Reformatorisch Dagblad, 26 april 1993). 25 Van Dam 2011. 26 Van Dam 2011. 27 Duyvendak en Hurenkamp 2004. De zware gemeenschap kan worden beschouwd als een gemeenschap met veel sociale verplichtingen, een sterke organisatorische concentratie door een web van organisaties en een brede claim op de identiteit van haar leden. De lichte gemeenschap als ideaaltypische tegenhanger is dan een gemeenschap met slechts enkele gedeelde kenmerken, een geringe mate van exclusiviteit en een sterke nadruk op persoonlijke keuzevrijheid (Duyvendak en Hurenkamp 2004). 28 Tuckman 1965. Tuckman voegde de vijfde fase pas later toe (Tuckman en Jensen 1977).
15
18108 De krant en het pand.indd 15
05-11-18 12:48
onderbelicht of zelfs weggelaten worden.29 Verder dient voor ogen gehouden te worden dat er aan de ‘uitvinding’ van de groepering al een hele geschiedenis vooraf is gegaan, zowel binnen als tussen sommige (kerkelijke) groeperingen die deel uit zijn gaan maken van de gemeenschap. In het eerste hoofdstuk zal onderzocht worden hoe in de periode 1966-1971 de groep gevormd wordt (fase van forming). Op welke wijze werd er een achterban gevormd voor de op te richten krant? De periode vanaf het verschijnen van de eerste krant in 1971 tot en met 1981 zou als fase van storming (conflictfase) gezien kunnen worden. In hoofdstuk twee zal nagegaan worden welke conflicten zich in deze jaren voordeden. De periode 1981-1985 die in hoofdstuk drie centraal staat kenmerkte zich door een toegenomen groepsbewustzijn. Door wederzijdse beïnvloeding en de homogeniserende invloed van de krant was een zekere consensus bereikt over de groepsnormen.30 Met het sociologische proefschrift Bewaar het pand gaf Janse in 1985 een blauwdruk van ‘de’ bevindelijk gereformeerde identiteit en werd het bestaan van de gemeenschap wetenschappelijk vastgelegd. Er kan in deze jaren daarom gesproken worden van een fase van norming (normerende fase). Hoofdstuk vier behandelt de periode 1986-2003 die als fase van performing (productieve fase) betiteld kan worden. Door toedoen van het RD en de door haar georganiseerde beurzen vond er een toenemende interne integratie plaats. Met het vertrek van Janse in 2003 en de komst van de Erdee Media Groep (EMG) lijkt de fase van adjourning, transforming and mourning (afscheids- of transformeringsfase) aangebroken te zijn. In hoofdstuk vijf wordt onderzocht welke rol de EMG in deze ontwikkeling speelde. Het belang van het onderzoek ligt onder andere in het feit dat het een bijdrage kan leveren aan de discussie over de situatie waarin de krant en de groepering zich momenteel bevindt.31 29 Vgl. Kuiper 2002, 184. 30 Zwemer zag een zekere ‘eenheidsworst’ ontstaan (Zwemer 1994, 114). 31 Een aantal VU-medewerkers constateerde in 2013 dat de gemeenschap zich in ‘een historische fase’ bevindt: ‘Na veertig jaar is de maatschappelijke emancipatie van de ”stille luyden”, onbedoeld maar onontkoombaar, voltooid. De uitkomst van dit microproces valt precies in een periode van ongekende macro-ontwikkelingen, zoals ontkerstening, digitalisering en individualisering. Geen wonder dat er veel wordt nagedacht over het hoe verder, waarheen en waarom van de geves-
16
18108 De krant en het pand.indd 16
05-11-18 12:48
Vanwege de betrouwbaarheid is dit onderzoek hoofdzakelijk gebaseerd op schriftelijk materiaal. Digibron, het digitale kenniscentrum voor de gereformeerde gezindte, vormde in dit opzicht bijna een mer à boire. Via dit zoeksysteem was het mogelijk om de constructie en de articulatie van de groepsidentiteit via het RD en de reacties daarop op de voet te volgen. Bij veel van deze geraadpleegde bronnen werd geen auteur genoemd en deze ontbreekt om die reden dan ook regelmatig in de noten. De beperking tot de bronnen die via Digibron beschikbaar waren brengt met zich mee dat alleen aandacht besteed wordt aan de frontstage, en niet aan de discussies die achter de schermen, de backstage, plaatsvonden. Doordat er geen gebruik gemaakt is van interviews en archiefmateriaal kan er soms sprake zijn van vertekeningen. Dit geldt zeker voor de achteraf opgestelde artikelen waarin teruggeblikt wordt op een bepaalde gebeurtenis. Nader onderzoek is dus noodzakelijk.
tigde “refowereld”’ (J. Exalto e.a., ‘Refozuil gebaat bij studie van eigen ontwikkeling’, Reformatorisch Dagblad, 9 februari 2013).
17
18108 De krant en het pand.indd 17
05-11-18 12:48
bij de ontwikkeling van een kerkmuren overstijgend groepsgevoel en de verbeelding van een afzonderlijke gemeenschap binnen ons land. Ze vormde het boegbeeld van een netwerk dat later ook wel als zuil is aangeduid. Hoewel men deed voorkomen dat het bestaan van een bevindelijk gereformeerde gemeenschap ten grondslag lag aan het ontstaan van de krant, was eerder het omgekeerde het geval. Dit boek beschrijft op welke wijze het Reformatorisch Dagblad de bevindelijk gereformeerde groepsidentiteit gevormd en in stand gehouden heeft.
Martin Tijssen De krant en het pand
Het Reformatorisch Dagblad speelde een sleutelrol
Martin Tijssen
De krant en het pand Het Reformatorisch Dagblad en de ontwikkeling van de bevindelijk gereformeerde gemeenschap
Martin Tijssen (1981) is docent aan het Hoornbeeck College in Goes. Dit boek is een bewerking van de masterscriptie die hij schreef ter afronding van de opleiding Kunst- en cultuurwetenschappen.
isbn
nur
De krant en het pand Plano.indd 1
978 90 239 5547 4
757
06-11-18 08:56