Skip to main content

Verzameld werk deel 5B: Kerkorde, kerkrecht en ambt - A.A. van Ruler.9789023955399

Page 1

omslag Ruler.qxp_Ruler deel V-B 30-10-18 16:05 Pagina 1

Arnold Albert van Ruler (1908-1970) behoort tot de meest invloedrijke protestantse Nederlandse theologen van de vorige eeuw. Vaak wordt zijn naam in ĂŠĂŠn adem genoemd met die van K.H. Miskotte en O. Noordmans. In tegenstelling tot die van de laatste twee is de schriftelijke nalatenschap van Van Ruler echter nog niet grondig ontsloten. In het voorjaar van 2005 is de beslissing genomen dit omvangrijke project ter hand te nemen. Niet alles wat Van Ruler ooit geschreven heeft kan in deze nieuwe editie meegenomen worden, maar de bedoeling is wel dat al met al ettelijke duizenden bladzijden tekst verspreid over een aantal forse banden zullen gaan verschijnen. De teksten worden per thema chronologisch geordend, zodat duidelijk kan worden op welke manier Van Rulers denken over allerlei onderwerpen zich door de jaren heen ontwikkeld heeft. De ontsluiting van de schriftelijke nalatenschap van Van Ruler is een initiatief van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) en wordt verzorgd door dr. D. van Keulen, wetenschappelijk medewerker. Hij wordt begeleid door een commissie onder voorzitterschap van prof.dr. G. van den Brink.

Deel V-B ontsluit een aantal bijdragen van Van Ruler over kerkorde, kerkrecht en ambt.

NUR 700 ISBN 978 90 239 5539 9

www.uitgeverijboekencentrum.nl

9 789023 955399

dr. A.A. van Ruler

verzameld werk deel v-b

dr. A.A. van Ruler verzameld werk deel v-b

Kerkorde, kerkrecht, ambt


BEGELEIDINGSCOMMISSIE Prof. dr. G. van den Brink (voorzitter) J. Domburg, MA Dr. P. van den Heuvel Drs. ir. T. Jacobs Prof. dr. F.A. van Lieburg Dr. B. Plaisier Drs. J. Stelwagen Dr. J.P. de Vries


Dr. A.A. van Ruler

Verzameld Werk Deel 5B Kerkorde, kerkrecht, ambt

bezorgd door Dr. D. van Keulen Dr. P. van den Heuvel Drs. J. Stelwagen

KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht


De uitgave van het Verzameld Werk van dr. A.A. van Ruler is mede mogelijk door: Confessionele Vereniging Maatschappij van Welstand Stichting Aanpakken Stichting “Ad Pias Causas” Stichting Dr. Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds Stichting Jagtspoelfonds Stichting Van Eijkfonds Stichting Pro Religione et Libertate Stichting Zonneweelde Studiefonds Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland Vereeniging tot Uitgave van Gereformeerde Geschriften Deze band is in het bijzonder mogelijk gemaakt door: Stichting Afbouw Kampen

www.kokboekencentrum.nl www.tukampen.nl www.aavanruler.nl Vormgeving omslag: Studio Anton Sinke (www.antonsinke.nl) Vormgeving binnenwerk: Dirk van Keulen ISBN 978 90 239 5539 9 NUR 700 © 2018 KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


INHOUD INLEIDING

9

1. Reorganisatievoorstellen (1930-1939) 1.1 Kerkherstel 1.2 Ontwerp 1938

9 10 12

2. Op weg naar de nieuwe kerkorde (1940-1951) 2.1 De Commissie voor beginselen van Kerkorde 2.2 Lid van de Generale Synode (1945-1947) 2.3 De Commissie voor de Kerkorde (1945-1950) 2.4 De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde 2.5 Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde 2.6 De vicaris

14 14 16 17 18 22 32

3. Artikelen over de kerkorde (1953-1967) 3.1 Modaliteit (1953) 3.2 De modaliteiten en het belijden der kerk (1954) 3.3 Het beheer in de kerkorde (1959) 3.4 De verhouding van het predikambt en de plaatselijke kerk (1961) 3.5 Tegen de predikant met een tijdelijke opdracht (1961) 3.6 De presbyteriale kerkorde en de ordening van de gemeenschap (1967)

38 38 38 39 39 40 40

4. Kerkrecht 4.1 Cursus Kerkorde 4.2 Colleges kerkrecht

40 40 41

5. Ambt 5.1 Bijzonder en algemeen ambt 5.2 Aspecten met betrekking tot het ambt 5.3 De ouderling 5.4 De kerkvoogd 5.5 De leek in het pastoraat

43 43 58 70 71 73

*

* *

1. REORGANISATIEVOORSTELLEN (1930-1939) Kerk en kerkreorganisatie

78

Gezonde vasthoudendheid

87


6

De belijdende kerk

93

Kerk en prediking

97

Kerk en verbond

105

Kerk en sacramenten

126

Kerk en volk

135

Ambt, vergadering en werk der kerk

144

Het reorganisatieontwerp 1937

148

Her-ordening der kerk

160

Belang of noodzaak

192

2. OP WEG NAAR DE NIEUWE KERKORDE (1940-1951) De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde

202

De orde der kerk

244

Een nieuwe orde in het leven der kerk

258

Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde

263

De decentralisatie der gemeenten

356

De vicaris

362

3. DE KERKORDE VAN 1951 (1953-1967) Modaliteit

390

De modaliteiten en het belijden der kerk

393

Het beheer in de kerkorde

396

De verhouding van het predikambt en de plaatselijke kerk

401

Tegen de predikant met een tijdelijke opdracht

407


7

De presbyteriale kerkorde en de ordening van de gemeenschap

416

4. KERKRECHT Cursus kerkorde

421

Het ambt van ouderling

607

5. AMBT Bijzonder en algemeen ambt

618

Het gezag van het ambt (I)

726

Een briefwisseling over de theologie van het ambt

749

Ambten en bedieningen

775

De vreugde van het ambt

778

Het gezag van het ambt (II)

783

Is er een ambt van de gelovigen?

787

Is er een opvolging van de leraren?

813

Gezichtspunten inzake het ambt

823

Is het ambt alleen binnenkerkelijk?

835

Het ouderling-zijn in deze tijd

840

Perspectieven rondom de ouderling

847

De kerkvoogd ambtsdrager? (I)

851

De kerkvoogd ambtsdrager? (II)

859

De kerkvoogd nu en in de toekomst

862

Een potpourri

871

De leek in het pastoraat

880


8

BIJLAGEN, AFKORTINGEN, REGISTER VAN NAMEN Bijlage 1. Ontwerp 1938 (een selectie)

888

Bijlage 2. Ontwerp 1947 (een selectie)

891

Bijlage 3. Eerste lezing 1949 (een selectie)

895

Afkortingen

900

Register van namen

905


INLEIDING In de inleiding van het eerste deel van het Verzameld Werk van Van Ruler is een opzet te vinden voor de uitgave van het gehele werk.1 Deze uitgave omvat zeven delen en is thematisch onderverdeeld. Van Ruler heeft over sommige thema’s meer geschreven dan over andere. Om die reden bleek het nodig Deel 4 (over: Christus, de Geest en het heil) en Deel 6 (over: De theocratie, en over: Cultuur, samenleving, politiek, onderwijs) in twee banden te laten verschijnen. Deel 5 is in de bovengenoemde opzet voor het gehele Verzameld Werk aangeduid onder de ondertitel: ‘Kerk, sacramenten en de laatste dingen’. Van Ruler blijkt daarover zoveel te hebben gedacht en geschreven, dat het noodzakelijk is om Deel 5 over drie banden te verdelen: – Deel 5A: Kerk, liturgie, prediking, sacramenten; – Deel 5B: Kerkorde, kerkrecht, ambt; – Deel 5C: Belijdenis en leertucht – Kerk, wereld, diaconaat – Volkskerk – Apostolaat en zending – Eschatologie. Deze band 5B omvat vijf clusters, waarvan de eerste drie chronologisch zijn ingedeeld. Allereerst zijn teksten opgenomen uit de vooroorlogse periode: Reorganisatievoorstellen, vervolgens uit de periode van de totstandkoming van de hervormde kerkorde: Op weg naar de nieuwe kerkorde en ten slotte uit de periode na de invoering van deze kerkorde in 1951: De kerkorde van 1951. In de laatste twee clusters Kerkrecht en Ambt zijn de teksten thematisch geordend. Zij bevatten respectievelijk colleges kerkrecht en artikelen rondom het ambt.

1. REORGANISATIEVOORSTELLEN (1930-1939) Het eerste cluster van teksten betreft lezingen en artikelen uit de periode 1930-1940, de jaren die zijn aangeduid als ‘Tien jaren strijd om een belijdende kerk’.2 Koning Willem I had in 1816 de Dordtse Kerkorde (van 1619) vervangen door het Algemeen Reglement, waarin de synode niet langer geroepen was om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de kerk te besturen. Doordat de synode zich niet bevoegd achtte om zich uit te spreken over het belijden, ontstond er een vacuüm dat geleid heeft tot een felle geestelijke strijd die met name door de verschillende richtingsorganisaties werd gevoerd. Sinds het midden van de negentiende eeuw zijn er pogingen ondernomen om te komen tot een presbyteriale kerkorde waarin de ambtelijke vergaderingen niet slechts als bestuursorganen functioneren maar ook op geestelijke wijze leiding geven aan de kerk. Rond de eeuwwisseling hebben met name Hoedemaker en Gunning zich daarvoor ingespannen.3 Deze en vele andere pogingen 1. 2. 3.

Zie: Dirk van Keulen, ‘Inleiding’, in: A.A. van Ruler, VW1, 54. H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk. De Nederlandse Hervormde Kerk van 1929 tot 1939, Den Haag 1948. Ph.J. Hoedemaker, Ontwerp tot reorganisatie der Hervormde Kerk naar de beginselen der


10

leden telkens schipbreuk in de synode. Ook een voorstel van een reorganisatiecommissie die vanwege de synode zelf was ingesteld, het zogenoemde Ontwerp-1929, werd door de synode in januari 1930 verworpen, zelfs zonder dat de kerk daarover geraadpleegd was. Niet lang daarna werd het ‘Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel’ (kortweg: Kerkherstel) opgericht, met als doel de vastgelopen reorganisatiepogingen weer vlot te trekken.4 Th.L. Haitjema, eerder in Apeldoorn predikant van Van Ruler en op dat moment zijn hoogleraar in Groningen, was een van de oprichters en de eerste voorzitter. 1.1 Kerkherstel In een aantal lezingen worden de intenties van Kerkherstel toegelicht en verdedigd. Het opstel ‘Kerk en kerkreorganisatie’ betreft een lezing die Van Ruler in 1930 als vierdejaars student hield voor de jongelingsvereniging Daniël in Apeldoorn. Hij schrijft erover: ‘Met deze jongelingsvereniging heb ik ettelijke jaren – mij dunkt ook en vooral in mijn gymnasiumjaren – zeer intensief meegeleefd. Ik heb er ook verscheidene bijbelinleidingen gehouden – die heb ik niet bewaard. Of ik in 1930 nog lid was, weet ik niet, maar ik betwijfel het wel: vele maanden per jaar was ik in Groningen’.5 De lezing laat zien dat Van Ruler zich al vroeg heeft beziggehouden met de vragen van ecclesiologie en kerkrecht. Hij hield haar nauwelijks twee maanden nadat Kerkherstel was opgericht. Hij verzet zich ertegen de onzichtbare kerk centraal te stellen: niet de gelovigen vormen de kerk, maar Christus. Christus is niet alleen geestelijk, ook lichamelijk. Daarom is ook de zichtbare kerk lichaam van Christus. God bindt ons aan de zichtbare kerk, aan het ambt, aan het Woord. De zichtbare kerk is nodig om het heil in Christus uit te dragen in deze wereld. Hij wil als koning heersen over alle terrein. Dat is de betekenis van de reorganisatiebeweging. Zij beseft, hoe de kerk als draagster van het Evangelie haar stem moet kunnen laten horen, om de boodschap van Christus uit te dragen naar de mensen en de wereld van de twintigste eeuw. Eenmaal predikant in Friesland (Kubaard 1933-1940) heeft Van Ruler zich krachtig ingezet voor de idealen van Kerkherstel. In oktober 1934 houdt hij zijn eerste lezing voor de afdeling Franeker van Kerkherstel met als thema: ‘Gezonde vasthoudendheid’. Als tegenhanger van Kerkherstel was in 1931 de vereniging ‘Kerkopbouw’ opgericht.6 Deze kwam in 1933 met een eigen reorganisatieontwerp waar-

4. 5. 6.

presbyteriale kerkregering, in overeenstemming met de eis des tijds, Amsterdam 1901; J.H. Gunning, Heel de kerk en heel het volk. Gevraagd Advies over de beste wijze van kennis te verspreiden omtrent de reorganisatie der kerk, Nijmegen 1904. Vgl. W. Balke, Gunning en Hoedemaker. Samen op Weg, ’s-Gravenhage 1985, 149-216. Bartels, Strijd, 34-40; Rasker, NHK, 270v. Handgeschreven bibliografie, s.v. [I,35]. Kerkherstel, voortgekomen uit kringen van de Confessionele Vereniging, de Gereformeerde Bond en de Kohlbruggianen, wilde het kerkelijk leven herstellen in de zin van de gereformeerde belijdenis; Kerkopbouw, met voornamelijk ethische en rechts-vrijzinnige leden, ontwikkelde een breder programma. Vgl. Bartels, Strijd, 40-55; H. Oostenbrink-Evers, Beginselen en achtergrond van de kerkorde van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk, Zoetermeer 2000, 48-57.


11 over de synode in januari 1935 moest beslissen. Van Ruler reageert er zijdelings op,7 maar zet vooral uiteen, wat het ideaal van Kerkherstel behelst: het houdt vast aan de kerk, aan het volk, aan de vrijzinnigen en aan de orthodoxen. Uit deze periode dateert ook de lezing ‘De belijdende kerk’ waarin hij puntsgewijs uiteenzet waarin de eigenlijke noodtoestand van de kerk bestaat, namelijk dat ze geen belijdende kerk is. De ambtelijke vergaderingen zijn gekortwiekt, daarom is een nieuwe organisatie nodig. Van Ruler vermoedt dat hij deze lezing gehouden heeft voor zijn eigen gemeente Kubaard. Kennelijk is de voordracht voor Kerkherstel in Franeker in goede aarde gevallen. Op verzoek van de afdeling geeft hij in de winter daarna (oktober 1935 – februari 1936) een serie van vier lezingen over ‘Kerk en prediking’, ‘Kerk en verbond’, ‘Kerk en sacramenten’ en ‘Kerk en volk’. In de lezing ‘Kerk en prediking’ zet hij uiteen wat het wezen van de prediking uitmaakt. Het is Gods aansprekend Woord dat geloof wil wekken. Het komt in de ambtelijke bediening tot leven: de kerk is niet alleen organisme, maar ook instituut. De kerkelijke prediking is dienst aan het geschreven Woord, is uitlegging van de Schrift voor de gemeente. Kerkherstel beoogt een belijdende kerk (niet: een belijdeniskerk!). De belijdenis is het geheel van de bakens in zee waarop de kerk moet varen over de wijde wateren van de schriftwaarheid. Leertucht is geen ketterjagerij maar koers houden van het schip der prediking. De strijd voor kerkherstel is daarom een geestelijke strijd. In ‘Kerk en verbond’ wordt de stelling van Kerkherstel toegelicht dat kerk en verbond samenvallen en dat men daaruit de geestelijke en praktische consequenties moet trekken. Verbond wil zeggen dat God genadig is en zo beslag legt op ons leven. Daarom horen verbond en predestinatie bij elkaar: God is ons voor in zijn genade. In het verbond gaan we uit van het gemeenschappelijke, de genade die ons in het algemeen, namelijk in Christus is geschonken. Dan zijn de sacramenten niet louter symbolen, maar verstaan we hen tegen de achtergrond van het verbond als tekenen en zegelen van Gods beloften. Het verbond is de bodem waaruit de kerk opgroeit, dus moet ze noodzakelijk volkskerk zijn (belijdende volkskerk). Enkele maanden later heeft Van Ruler deze lezing uitgewerkt in een referaat voor de Friese Predikanten Vereniging in Leeuwarden. Hij geeft daarin eerst een uitvoerig overzicht van de geschiedenis van het verbondsbegrip in het Oude en Nieuwe Testament en in de kerkgeschiedenis. Hij concludeert dat de verbondsidee dogmatisch te handhaven is en als structuur van het heil gezien moet worden. In het tweede deel keren de thema’s van de oorspronkelijke lezing terug. Alleen deze breder uitgewerkte versie van ‘Kerk en verbond’ is in deze band opgenomen.8 In ‘Kerk en sacramenten’ wordt het kerkbegrip belicht vanuit de onderdelen van de sacramentsleer. In de sacramenten komt de stijl der openbaring het beste uit. Ze vormen de levensstijl van het geloof. Gods openbaring is ook Gods verberging, vleeswording. De sacramenten zijn geen voortzetting van de openbaring. Ze hebben als tekenen en zegelen deel aan de goddelijkheid en soevereiniteit van het getuigenis van de Heilige Geest. Ze zijn geen genademiddelen, maar kennismiddelen. Het sa7. 8.

Zie pag. 89 in deze band. De kortere versie van deze lezing bevindt zich in het Archief Van Ruler, Inventarisnummer I,97.


12

crament onderstreept ook de lichamelijkheid in de genade, het bereikt meer de lichamelijke sfeer van de mens. Het einde van alle leven Gods is de lichamelijkheid. Daarom kunnen we de zichtbare kerk in al haar gebrekkigheid niet loslaten. De uitwerking, de kracht van het sacrament is het geheimenis van de Geest. Net als de sacramentele unie, de eenheid van teken en betekende zaak, het onnaspeurbaar werk van de Heilige Geest is. In ‘Kerk en volk’ laat Van Ruler zien dat het in Kerkherstel ook gaat om een nieuwe verhouding van de kerk en het brede volksleven. De wereldkerk van Christus neemt een nationale gestalte aan, al mag haar oecumenische roeping niet in het gedrang komen. De kerk is de ziel van het volk, het heil is voor het hele volk. Naast de kerk is er ook de overheid, die heerst door het recht en het geweld. Wat is de theologische fundering van het staatsgezag: de duivel (Augustinus, wederdopers), de scheppingsorde, de algemene genade (Kuyper), de leer van de twee zwaarden (Rome)? Het antwoord van Van Ruler luidt: het gezag van de kerk en het gezag van de staat wortelen beide in het gezag van Christus. Hij is Heer der kerk en Heer der geschiedenis. Wij leven echter in een neutrale staat die de kerk niet als kerk erkent. Dat is niet de grootste vrijheid voor de kerk, maar juist de dood voor de kerk. We gaan naar een Godbelijdende óf een Godloochenende staat (Rusland, Duitsland). De verhouding kerk en staat ligt praktisch en principieel moeilijk: ze begrenzen elkaar en dat is een bron van onrust. Het ideaal van een kerk die met het heil midden in het volksleven staat, en een overheid die naar de kerk als verkondigster van de Wet Gods wil luisteren is alleen te begrijpen vanuit de herkerstening van de gehele cultuur. 1.2 Ontwerp 1938 Met de volgende twee opstellen zijn we in een nieuwe fase beland. Nadat ook het reorganisatieontwerp van Kerkopbouw door de synode was verworpen, werd toenadering gezocht tussen de beide verenigingen. Dat heeft ertoe geleid dat door Kerkherstel en Kerkopbouw een gezamenlijk Ontwerp aan de synode werd gepresenteerd. Nadat deze in eerste lezing was aanvaard, werd het aan de classicale vergaderingen voorgelegd. Van Ruler heeft zich uitvoerig met dit Reorganisatieontwerp beziggehouden. Er is een uitvoerige analyse van de teksten van zijn hand bewaard gebleven.9 Een eerste korte reactie gaf Van Ruler in mei 1938 in ‘Ambt, vergaderingen en werk der Kerk’. Hij noemt daarin de reorganisatie een zaak van groot gewicht en van grote ernst, een zaak van geloofsgehoorzaamheid. Op 9 mei 1938 heeft hij over het Ontwerp gesproken voor de Friese Predikantenvereniging. Een neerslag van deze lezing is te vinden in de artikelenserie ‘Herordening der Kerk’. Vervolgens sprak hij begin juni voor de buitengewone classicale vergadering van Leeuwarden. Blijkens het verslag in de Leeuwarder Courant moet dit de tekst van ‘Het reorganisatieontwerp 1937’ zijn geweest. Uit zijn aantekeningen blijkt dat Van

9.

Zie noot 1 op pag. 156.


13

Ruler in minstens negen andere Friese gemeenten over dit onderwerp het woord heeft gevoerd.10 Voor hem is de kern dat het geestelijk ambt voorop komt te staan en dat de betekenis daarvan wordt uitgebreid tot de gehele kerk. In de kerk richt de discussie zich echter vooral op artikel 8: dat de zorg der kerk zowel de hervorming als de handhaving van de belijdenis omvat. De bezwaren komen van twee kanten. Ter linkerzijde valt men over de ‘handhaving’: men ziet dat als een knieval voor Kerkherstel, een vrijbrief voor ketterjagerij. Ter rechterzijde loopt men te hoop tegen de ‘hervorming’ van de belijdenis. Daar zet men liever de belijdenis in de safe van de Reglementenbundel dan op het vlot van de vernieuwingen.11 Volgens Van Ruler is de combinatie van hervorming en handhaving alleen onmogelijk als men gevangen zit in een statisch kerkbegrip en als men de belijdenis als een wetboek beschouwt. Hij benadrukt dat in het Ontwerp het eerherstel van het geestelijk ambt en het rechtsherstel van de ambtelijke vergaderingen centraal staan (artikel 4 en 5). De leertucht wordt door hem verdedigd ter wille van de echte geestelijke christelijke gewetensvrijheid. In de serie van twaalf artikelen onder de titel ‘Herordening der Kerk’ gaat Van Ruler allereerst in op de ongemeen scherpe kritiek die door ds. D. Boer, de secretaris van de Nederlandse Bond van Predikanten, op het Ontwerp was geuit. Vervolgens bespreekt hij breder en dieper wat voor hem centraal staat in het Ontwerp: de ambten en de ambtelijke vergaderingen. In de zesde bijdrage komen de bezwaren tegen de presbyteriale praktijk aan de orde: de besluitvorming vraagt veel tijd, besprekingen zijn vaak onzakelijk, het oordeel wordt verward. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen krijgen de visitatoren en moderatoren een belangrijke functie. Pas in de volgende afleveringen komt hij toe aan wat hij noemt ‘het beruchte artikel 8’ waarin de belijdenis en de tucht aan de orde komen. Hij bespreekt de relatie van kerkorde en belijdenis en wat de zorg voor de belijdenis behelst. Bij het verschijnen van de laatste artikelen werd al duidelijk dat het Ontwerp door de meerderheid van de classicale vergaderingen werd afgewezen,12 maar dat weerhield Van Ruler er niet van zijn visie op de hervorming en de handhaving van de belijdenis en op de leertucht nog eens breed te beargumenteren. Op 10 augustus 1938 werd het Ontwerp door de synode verworpen. Opnieuw werd bevestigd wat O. Noordmans in 1933 had geschreven: ‘Een der meest kenmerkende eigenaardigheden van de organisatie van 1816 is haar vermogen om te duren’.13 Voor de Tweede Wereldoorlog spreekt Van Ruler nog één keer over de reorganisatie, in ‘Belang of noodzaak’, een lezing voor enkele afdelingen van Kerkherstel. De teleurstelling in de kerk was groot, ook bij Van Ruler zelf: ‘Ik heb met heel mijn ziel geijverd in mijn classis voor de zaak der reorganisatie’, al heeft hij zijn hart weleens vastgehouden. Op de vraag ‘wat nu?’ reageert hij met: reorganisatie blijft ‘eis van het ogenblik’. Niet omdat we er belang bij hebben; in plaats van de kanker van de partijstrijd kan reorganisatie leiden tot een geestelijk kerkbesef. Dan kan de kerk 10. Zie noot 1 op pag. 156. 11. Zo J. Severijn (1883-1966), vooraanstaand lid (en van 1940-1966 voorzitter) van de Gereformeerde Bond. Zie in deze band pag. 157, noot 21. 12. Bartels, Strijd, 194-196. 13. O. Noordmans, ‘Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw toegelicht’, in: id., Verzamelde Werken, Deel 5, 209.


14

als kerk haar werk ter hand nemen: theologie, liturgie, belijdenis, zending, jeugdwerk en veel meer. We laten ons niet ontmoedigen en gaan door met onze strijd, in geestelijke geloofsgehoorzaamheid.

2. OP WEG NAAR DE NIEUWE KERKORDE (1940-1951) Het volgende cluster teksten dateert van na de Tweede Wereldoorlog. Met name de eerste twee geschriften: De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde en Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerkorde vloeien onmiddellijk voort uit de werkzaamheden van Van Ruler in de beide commissies die deze kerkorde hebben voorbereid. Daarom is het nodig daarbij uitvoeriger stil te staan. 2.1 De Commissie voor beginselen van Kerkorde (1940-1944) Tot 1940 heeft zijn inzet voor kerkherstel en de reorganisatie van de kerk zich vrijwel beperkt tot de provincie Friesland. Dat veranderde na zijn verhuizing naar Hilversum. In 1940 was de werkgroep Kerk en Gemeente-opbouw in het leven geroepen die onder leiding van H. Kraemer grote activiteiten ontplooide.14 Hij heeft zich ingezet voor de vernieuwing van de kerk in het besef dat daarvoor ook een herordening van het kerkelijk leven noodzakelijk was. In februari 1942 werd daartoe de Commissie voor beginselen van Kerkorde (later kortweg aangeduid als de ‘Commissie Werkorde’) ingesteld, als subcommissie van Kerk en Gemeente-opbouw.15 Van Ruler werd daarin benoemd, en werd daarmee het jongste lid van de commissie.16 Bij de start van de werkzaamheden wordt aan de leden gevraagd wat zij zien als de belangrijkste bezwaren tegen de vigerende kerkorde en wat voor hen de kern van het (gereformeerd) kerkrecht is, de functie van de kerkorde. Naar aanleiding van de tweede vraag schrijft Van Ruler: ‘De orde is voor de Kerk van Jezus Christus: a. De gestalte waarin het Hoofd het lichaam regeert; dit is de mystieke kwaliteit van het begrip kerkorde; Jezus Christus heeft zichzelf wegen en middelen geschapen (de ambten zijn van Christus), door welke hij zijn gemeente regeert. [...] De kerkorde is de beschrijving van de christokratie. b. De reflex van het enige en het eigenlijke waar het om gaat, namelijk van de orde van Gods recht, waarin wij door het offer van Jezus Christus gesteld zijn (verzoening door voldoening en rechtvaardiging als rechterlijk oordeel Gods). Dit is de profetische kwaliteit van de kerkorde. Een principiële aanvaarding of verwerping van het begrip kerkorde en daarmee van het element van het recht in de kerk hangt onmiddellijk samen met een zeer diepgaand verschil over het hele Seinsverständnis: is de werke14. Zie pag. 243, noot 105. 15. Zie pag. 243, noot 105. 16. Voor de samenstelling van de commissie, zie pag. 578, noot 28 in deze band. Zie verder: Commissie Werkorde, XII-XVI.


15

lijkheid ‘slechts’ gestèlde werkelijkheid of heeft zij deel aan het zijn Gods? En: gaat de Kerk de wereldse werkelijkheid in enig opzicht principieel te buiten en te boven? c. De oorsprong van alles wat de Kerk maar met mogelijkheid in de wereld kan betekenen. Het eigenlijke heil is gegeven in de tekenen en zegelen van het avondmaal; voor zover het Evangelie de grenzen van deze tekenen en zegelen overschrijdt en de wereld ingaat, beweegt het zich in de tùcht, in de ordening van het in de zonde chaotische leven. Het leven wordt niet durch-christnet, maar gekerstend; en niet zozeer het leven, maar meer het geláát van het leven. De diepte van het leven is de demonie en daarvan worden we juist bevrijd; we leven in een orde; de orde looft’.17 Van Ruler heeft aan de discussies binnen de commissie zijn inhoudelijke bijdrage gegeven,18 maar ook beleidsmatig een stempel op het werk van de commissie gezet. Hij verzette zich in februari 1944 krachtig tegen de plannen van Kraemer, Gravemeyer en Scholten om op korte termijn van de kerk een principiële uitspraak te vragen over een constituerende synode, waarvan de taken slechts globaal zouden worden aangeduid. Van Ruler verklaart zich daar sterk op tegen: als de uitwerking en de geestelijke achtergrond van de voorstellen ontbreekt, kan en wil een classicale vergadering over zo’n kerkelijke motie niet oordelen. ‘Bovendien bederven we alles door de haast, maar ook door de splitsing [nl. van een principe-besluit en de uitwerking daarvan in concrete regelgeving], omdat we dan het gevoel opdringen van doorjassen, namelijk door hen eerst te binden aan een principieel besluit’.19 Kraemer verklaart zich later ‘dankbaar dat ds. van Ruler ons tot bezinning riep’20 en uiteindelijk wordt in maart 1944 de Werkorde met een omvangrijke toelichting als Ontwerpregeling aan de Algemene Synode aangeboden.21 Hoewel Van Ruler daarvoor herhaaldelijk had gepleit, is het element van de tucht niet in de regeling opgenomen. Hij had voorgesteld aan de taak van de synode ‘te getuigen met de Kerk in al haar geledingen van het Evangelie van Jezus Christus tegenover overheid en volk’ toe te voegen: ‘en voor dat getuigenis te waken’. In de commissie werd opgemerkt dat dan naast de leertucht ook de levenstucht zou moeten worden betrokken. ‘En er zullen wel heel wat demonen losbreken’. Van Ruler legt zich bij de beslissing neer, maar constateert dat we dus ‘bezig zijn een Luthers opgezette kerkorde op te stellen’.22 Een amendement om bij de vaste adviseurs van de synode een afgevaardigde van Kerk en Israël op te nemen, heeft zijn instemming: ‘zo [wordt] de Kerk door de verhouding van Kerk en Israël eraan herinnerd dat één van de grondgedachten van 17. Voor de gehele nota van Van Ruler, zie Commissie Werkorde, 23-24. 18. Zie daarover ook P. van den Heuvel, ‘Van Ruler en de hervormde kerkorde’ in: De reuzenzwaai, 151-157. 19. Commissie Werkorde, 102. 20. Commissie Werkorde, 103. 21. Commissie Werkorde, 175-189. 22. Commissie Werkorde, 105. Zie ook ibid., 13, 49, 53 en 68: ‘deze kwestie van de leertucht is ook het meest urgent. De hele positie der Kerk in het huidige tijdsgewricht is geconcentreerd in geding in de vraag, wat de Kerk doet met haar eigen predikanten, die een wereld- en levensbeschouwing voorstaan, waarvan zij zelf verklaard heeft, dat zij in lijnrechte strijd is met het Evangelie’.


16

de theologie is: Gods handelen met het volk van Israël in de wereld’. Het wordt echter niet overgenomen.23 Van Ruler geeft hier stem aan de visie van W. ten Boom,24 die eerder dat jaar een referaat had gehouden over ‘de totalitaire aanpak’ van het Joodse volk; dat wil zeggen: de kerken moeten zich niet richten op het Joodse individu maar op het hele Joodse volk, zoals de Joden zichzelf zien. Van Ruler had met deze visie zijn hartelijke instemming betuigd. ‘Ds. van Ruler was er zó mee ingenomen, dat hij het heeft behandeld in de grote vergadering, waarin het ontwerp voor een nieuwe Kerkorde zou worden opgesteld en het daar met gloed verdedigd. Hij heeft het niet kunnen winnen van de tegenstanders, maar de zaak heeft toch diepe indruk gemaakt’, aldus de notulen van de Raad voor Kerk en Israël (nov. 1944).25 In de zomer van 1944 wordt het Ontwerp vrijwel ongewijzigd door de synode aanvaard en aan de kerk voorgelegd. Als ook de reacties van de geraadpleegde meerdere vergaderingen in overgrote meerderheid positief zijn, treedt de Werkorde op 20 september 1945 in werking. 2.2 Lid van de Generale Synode (1945-1947) Door zijn aandeel in de Commissie Werkorde is Van Ruler bij de kerk in haar bredere verbanden betrokken geraakt. Door de classis Amsterdam werd hij afgevaardigd naar de eerste vergadering van de Generale Synode die op 31 oktober 1945 werd gehouden. Hij is dan al lid van de Werkgroep Kerk en Overheid. Bij tal van onderwerpen heeft hij als synodelid zijn visie gegeven en hij wordt al snel intensief betrokken bij de werkzaamheden van de synode. Om de belangrijkste taken te noemen, hij was: −

− − −

23. 24. 25. 26. 27. 28.

lid van de spoedcommissie van de synode, de commissie voor de rechtspraak, de commissie voor de formulieren, de spoedcommissie met betrekking tot het vraagstuk van de nationale omroep26 en de synodale commissie die de nota inzake de doodstraf voorbereidde,27 voorzitter van de synodecommissie om de Minister van Overzeese Gebiedsdelen van advies te dienen ter voorbereiding van de Rijksconferentie over de structuur van het Koninkrijk,28 een van de opstellers van de Kerstboodschap 1945 van de Kerk,29 en vertegenwoordiger van de Nederlandse Hervormde Kerk in de adviesraad godsdienstige zaken voor de Wereldomroep.30

Commissie Werkorde, 172, vgl. ibid., 163. Voor W. ten Boom, zie pag. 29, noot 110. Bastiaanse, Jodenzending, 882 (noot 4.742). Handelingen GS 1945/46, 39. Handelingen GS 1945/46, 61vv. Zie ook: A.A. van Ruler, VW6A, 54-60. Handelingen GS 1945/46, 33. Van Ruler neemt in deze commissie een minderheidsstandpunt in (ibid., 102v). Nader overleg tussen Kraemer en Van Ruler leidt aanvankelijk niet tot overeenstemming (ibid., 106, 111). Uiteindelijk komt het tot een gemeenschappelijke verklaring, die door Van Ruler wordt verdedigd en door de synode met algemene stemmen aanvaard (ibid., 284v). Zie ook: A.A. van Ruler, VW6A, 37-54. 29. Handelingen GS 1945/46, 43 en 96. 30. Handelingen GS 1947, 94. Voor zijn betrokkenheid bij het radiobestel, zie: A.A. van Ruler, VW6A,


17 −

Als synodelid heeft hij zich onder meer beziggehouden met de positie van de predikanten in algemene dienst.31 Bij de bespreking van het rapport ‘Sport op zondag’ geeft hij te kennen dat hij voor sport op zondag een plaats wil inruimen niet alleen bij wijze van concessie, als middel om de buitenkerkelijke jeugd tevreden te stellen. ‘Het spreken over voetbal en zwemmen behoort tot de kerstening van den Zondag. De Zondag heeft het element van de heiliging, de rust en de feestelijkheid. Dat brengt de spelmomenten positief in een Zondagsviering: spel en kunst, mits juist gestileerd behooren positief in de Zondagsviering’. Nadat daarover enige beroering ontstaat, wordt gemeld dat deze zienswijze met opzet niet in het rapport is vermeld, omdat die de discussie te zeer zou belasten.32 Hij blijft lid van de synode tot juni 1947, toen hij (‘na breedvoerige besprekingen’, met 23 stemmen vóór)33 werd benoemd tot kerkelijk hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht voor het doceren van de vakken biblica, vaderlandse kerkgeschiedenis en zendingswetenschappen.34 Er bestonden kennelijk aarzelingen, wellicht heeft daarbij een rol gespeeld dat hij op dat moment nog niet gepromoveerd was. 2.3 De Commissie voor de Kerkorde (1945-1950) Een van de eerste taken van de nieuwe synode in 1945 was het benoemen van een Commissie voor de Kerkorde, bestaande uit dertien leden. Aan de voormalige Commissie voor de beginselen van Kerkorde werd een aantal nieuwe leden toegevoegd. Samen met H.J.F. Wesseldijk behoorde Van Ruler opnieuw tot de jongste leden.35 Balke en Oostenbrink-Evers schrijven over Van Ruler: ‘Op de totstandkoming van de nieuwe kerkorde heeft hij grote invloed gehad. Vooral de theocratische passages over de kerstening van het volksleven dragen zijn stempel’.36 Toen het Ontwerp in eerste en tweede lezing door de synode behandeld moest worden, werden Van Ruler en mr. H.M.J. Wagenaar (de secretaris van de commissie) ‘belast met de taak om de commissie in de synode te vertegenwoordigen. Dat was een kolfje naar beider hand. Wagenaar was de pragmaticus en Van Ruler de dogmaticus. Van Ruler zag hier kans om het hem dierbare spelmoment in de theologie overvloedig naar voren te brengen. Al spoedig deed het bonmot de ronde: Wagenaar zorgt voor de kerkordelijke formulering en Van Ruler levert daar à la minute de theologische motivering bij’.37 61-65. Handelingen GS 1945/46, 142 en 164. Handelingen GS 1945/46, 279. De synode telde 45 leden, maar was op de desbetreffende vergaderdag niet voltallig. Handelingen GS 1947, 245. H.J.F. Wesseldijk, hervormd predikant te Eindhoven, vanaf 1945 assessor (en van 1949-1956 preses) van de generale synode. Zie voor de samenstelling van de Commissie voor de Kerkorde pag. 261, noot 2. 36. Commissie Kerkorde, XXXII. 37. Commissie Kerkorde, XXXII.

31. 32. 33. 34. 35.


18

Uit de notulen van de Commissie valt op te maken dat Van Ruler zeer intensief aan de werkzaamheden heeft deelgenomen.38 Hij was – samen met H. de Vos en Wagenaar – belast met de eindredactie van het Ontwerp-Kerkorde39 en heeft vooral een grote rol gespeeld bij de besprekingen van het Ontwerp in de generale synode en bij de definitieve behandeling in tweede lezing.40 Naast dit alles was hij in de periode tot juni 1947 nog steeds als predikant aan de gemeente Hilversum verbonden,41 verzorgde hij tal van radiovoordrachten, lezingen en publicaties en was hij bezig met de afronding van zijn proefschrift. 2.4 De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde Op 15 januari 1948 hield Van Ruler in een vergadering van de Commissie Kerkorde met leidinggevende figuren uit de kerk een referaat over ‘het confessionele aspect van het ontwerp’.42 Een maand later heeft hij dit referaat gepubliceerd, sterk uitgebreid naar aanleiding van de reacties in die vergadering en op andere bijeenkomsten over dit onderwerp, onder de titel De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde. Het vond veel aftrek, want in datzelfde jaar verscheen een tweede druk. Van Ruler had ook in voorgaande jaren geschreven over de plaats en het functioneren van de belijdenis43 en over de leertucht.44 Ten tijde van de reorganisatievoorstellen was de kerk verlamd door de tegenstelling ‘hervorming en handhaving’.45 De ene vleugel van de kerk benadrukte dat de belijdenisgeschriften verouderd waren en noodzakelijk herzien of vervangen moesten worden; de andere vleugel bepleitte strikte handhaving en was zeer beducht voor elke inhoudelijke verandering in het belijden van de kerk.

38. Hij ontwierp een artikel over de bedieningen (Commissie Kerkorde, 187, 256v.), richtlijnen en teksten voor de ordinantie over het apostolaat (ibid., 291, 322), richtlijnen en teksten voor de ordinantie over de sacramenten (ibid., 312, 384-386) en richtlijnen voor de formulieren (ibid., 389); hij was lid van de subcommissies leerboek (ibid., 242), formulieren (ibid., 256), eredienst, apostolaat en pers (ibid., 650) en was betrokken bij de eindredactie van de artikelen over het kerkelijk jaar (ibid., 327) en over het wijzigen van de kerkorde en de ordinanties (ibid., 329). Bij de discussies binnen de Commissie had hij met name zijn inbreng bij thema’s als het belijden, de ambten, het beheer, de bedieningen, het apostolaat, de catechese, de tucht, het diaconaat, de eredienst, de belijdenisvragen, de sacramenten en de oecumene. Een enkele keer kwam het tot een fundamentele discussie, met name met Noordmans, over de verkiezing van de ambtsdragers (ibid., 391vv.), de ouderling (ibid., 394v.), de belijdenisvragen (ibid., 430) de eredienst (ibid., 494) en de volwassendoop (zie daarover pag. 598, noot 338). 39. Commissie Kerkorde, 499. 40. Resp. tussen 10 juli 1948 en 14 oktober 1949 en van 20 november tot 7 december 1950. De discussie over de kerkorde ‘vergde zo veel energie dat hij met een zware maagbloeding in het ziekenhuis in Hilversum terechtkwam’ (K. van Ruler, in: Reformatorisch Dagblad, 4 december 2008). Zie over Van Rulers gezondheidsproblemen: Dirk van Keulen, ‘Inleiding’, in: VW1, 40vv. 41. Of hij na de oorlog ook nog werkzaam was als geestelijk verzorger van patiënten en diaconessen in het Diakonessenziekenhuis is onduidelijk. Hij was daarvoor in 1942 gedeeltelijk vrijgesteld van wijkwerk en catechese. Bron: Hervormd Nederland, 23 april 1942. 42. Voor het verslag van de driedaagse bijeenkomst, zie Commissie Kerkorde, 564-585. Voor de discussie naar aanleiding van het referaat van Van Ruler, zie ibid., 575-579. 43. Zie in deze band bijvoorbeeld pag. 93vv., 101. 44. Zie in deze band pag. 102, 148, 153, 183 t/m 187. 45. Zie in deze band pag. 152.


19

In De belijdende kerk in de nieuwe kerkorde zoekt Van Ruler deze tegenstelling te overstijgen door het confessionele ten nauwste met het apostolische te verbinden. ‘Alleen wanneer men voortdurend de zeer intieme verstrengeling van het confessionele met het apostolische in het oog houdt, kan men er ten volle voor uitkomen, dat de kerk belijdende kerk is en dat het haar in haar belijden te doen is om de wáárheid’.46 Het apostolaat der kerk is niet een secundaire of zelfs primaire eigenschap, maar maakt het wezen der kerk uit. Het is de kerk in haar belijden te doen om de heilzame waarheid Gods, die de individuele en gemeenschappelijke existentie wil redden en ordenen. Voortdurend komen we die heen-en-weer gaande beweging tegen: de oorsprong van het belijden is strikt apostolisch bepaald en tegelijk: het apostolische wezen der kerk ligt daarin, dat zij uit de openbaring geboren is. Daarin ligt ook het confessionele karakter der kerk. Hier ontmoeten we ook de aanduidingen die in de kerkelijke discussies telkens terugkomen: het apostolaat heeft een overheersende positie, is althans anterieur (niet superieur) aan het confessionele; ze verhouden zich als hol en bol. Het evangelie des koninkrijks is meer omvattend dan de confessie.47 In het hoofdstuk ‘wie belijdt’ onderstreept Van Ruler dat in het belijden de hele kerk betrokken is: gemeenteleden en ambtsdragers, vergaderingen en bedieningen. Het gaat om de apostolische kerstening van de wereld. In de belijdenis legt de kerk een verklaring voor de wereld af, over het wat en hoe en waarom van haar apostolische bezigheid. Maar zij herinnert ook de kerk zelf eraan dat alle kersteningsarbeid alleen vanuit het rijk Gods is te verstaan en geen werelds activisme is.48 In het hoofdstuk ‘De weg van het belijden der kerk’ verzet hij zich tegen de opvatting die de belijdenis wil verstaan als wet, reglement of statuut. Hij wijst een verplichte ondertekening van de belijdenisgeschriften door ambtsdragers af: die maakt de belijdenis tot een formele autoriteit. Daartegenover worden de uitdrukkingen ‘in gemeenschap met’ en ‘levende in’ het belijden maximaal ingevuld. ‘Er ligt in de belijdenis een derde dimensie: die van het werk des Geestes in de ware religie. En het gaat in de belijdenis om de inhoud, om deze bepaalde God, zijn “kennis” en zijn vréze’.49 De belijdenis is een levenszaak, geen dode letter of antiek stuk. De religie der belijdenis is een acte van het leven, namelijk van het door de Geest gewekte leven in het hart der kerk en der gelovigen. ‘Overeenstemming’ en ‘instemming’ zijn daarvoor niet toereikend. ‘De woorden “levende in” en “in gemeenschap met” ontzien dit mystieke, geestelijke en volop-actuele in de belijdenis der vaderen oneindig veel beter’. In dit verband gebruikt Van Ruler met voorliefde de term ‘de religie der belijdenis’ om aan te geven dat de belijdenis allereerst een geestelijke functie heeft.50 Het was Severijn die deze aanduiding in de Commissie Werkorde had gebruikt; Van Ruler heeft die van hem overgenomen.51

46. 47. 48. 49. 50. 51.

Zie in deze band pag. 202. Zie in deze band pag. 206; vgl. ook pag. 232, 265 en 444. Zie in deze band pag. 210; vgl. ook pag. 230. Zie in deze band pag. 212. Zie in deze band pag. 212; vgl. 214, 215, 454. Zie in deze band pag. 239, noot 49.


omslag Ruler.qxp_Ruler deel V-B 30-10-18 16:05 Pagina 1

Arnold Albert van Ruler (1908-1970) behoort tot de meest invloedrijke protestantse Nederlandse theologen van de vorige eeuw. Vaak wordt zijn naam in ĂŠĂŠn adem genoemd met die van K.H. Miskotte en O. Noordmans. In tegenstelling tot die van de laatste twee is de schriftelijke nalatenschap van Van Ruler echter nog niet grondig ontsloten. In het voorjaar van 2005 is de beslissing genomen dit omvangrijke project ter hand te nemen. Niet alles wat Van Ruler ooit geschreven heeft kan in deze nieuwe editie meegenomen worden, maar de bedoeling is wel dat al met al ettelijke duizenden bladzijden tekst verspreid over een aantal forse banden zullen gaan verschijnen. De teksten worden per thema chronologisch geordend, zodat duidelijk kan worden op welke manier Van Rulers denken over allerlei onderwerpen zich door de jaren heen ontwikkeld heeft. De ontsluiting van de schriftelijke nalatenschap van Van Ruler is een initiatief van de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) en wordt verzorgd door dr. D. van Keulen, wetenschappelijk medewerker. Hij wordt begeleid door een commissie onder voorzitterschap van prof.dr. G. van den Brink.

Deel V-B ontsluit een aantal bijdragen van Van Ruler over kerkorde, kerkrecht en ambt.

NUR 700 ISBN 978 90 239 5539 9

www.uitgeverijboekencentrum.nl

9 789023 955399

dr. A.A. van Ruler

verzameld werk deel v-b

dr. A.A. van Ruler verzameld werk deel v-b

Kerkorde, kerkrecht, ambt


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verzameld werk deel 5B: Kerkorde, kerkrecht en ambt - A.A. van Ruler.9789023955399 by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu