Skip to main content

Inkijkexemplaar Manhunters - Steve Murphy & Javier F. Pena

Page 1

Na jaren jacht te hebben gemaakt op grote en kleine drugscriminelen stonden twee DEA-agenten, Javier Peña en Steve Murphy, voor de grootste uitdaging uit hun carrière. Hun zoektocht was zo spannend dat hij werd vereeuwigd in de hitserie Narcos van Netflix. In dit boek vertellen Javier Peña en Steve Murphy voor het eerst het echte verhaal in hun eigen woorden. Je leest alle details over hun zoektocht naar een man met duizenden moorden op zijn geweten, hun samenwerking met de Colombiaanse politie en hoe ze leefden onder constante dreiging van Escobars sicarios, zijn huurmoordenaars. Het is het heroïsche verhaal van twee Amerikaanse agenten die hun leven riskeerden om de meest gezochte man ter wereld uit te schakelen.

9 789021 573854

MANHUNTERS ONZE JACHT OP PABLO ESCOBAR

DE OPDRACHT WAS EVEN SIMPEL ALS INGEWIKKELD: BRENG PABLO ESCOBAR TEN VAL

MANHUNTERS ONZE JACHT OP PABLO ESCOBAR HET VERHAAL VAN DE ECHTE DEA-AGENTEN UIT DE NETFLIX HITSERIE

NARCOS

STEVE MURPHY JAVIER F. PEÑA


Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. – Mattheüs 5, vers 9 Voor Connie, voor haar oneindige liefde en steun. – Steve Murphy Voor de echte helden: de Colombiaanse Nationale Politie en onze mede-DEA-agenten. En ter nagedachtenis aan alle onschuldige mensen die gedood zijn door Pablo Escobar. – Javier F. Peña


Inleiding

Javier Ik wist dat er iets heel erg mis was toen ik de telefoon opnam in mijn nieuwe appartement in Bogotá. ‘Javier?’ Ik herkende de stem van Bruce Stock, mijn groepsleider, maar er was een lichte aarzeling in de manier waarop hij mijn naam uitsprak. Bruce was iets in de vijftig en was gedurende het grootste deel van zijn carrière over de hele wereld werkzaam geweest als opsporingsambtenaar voor de Drug Enforcement Administration (dea), de Amerikaanse overheidsorganisatie voor het bestrijden van illegale drugs. Hij was een grote man, zo’n 1 meter 93, en een van de aardigste mensen die ik kende – een vriendelijke reus. Ook was hij onverstoorbaar. Dat moest hij wel zijn, want hij leidde een van de gevaarlijkste missies in de geschiedenis van de dea. Zijn hoogste prioriteit was het gevangennemen van de miljardair Pablo Escobar, het hoofd van het Medellínkartel. Escobar was verantwoordelijk voor de talloze autobommen die in heel Colombia ontploften, bovendien smokkelde hij duizenden kilo’s cocaïne naar Noord-Amerika 7


en Europa. Escobar en zijn meedogenloze sicarios (huurmoordenaars) – de meesten van hen waren tieners, geworven in de sloppenwijken rondom Medellín – vermoordden iedereen die hen in de weg stond. Ze hadden al de Colombiaanse minister van Justitie neergeschoten, het merendeel van de leden van het Colombiaanse hooggerechtshof afgeslacht en een vooraanstaande krantenredacteur gedood die de macht van het kartel aan de kaak waagde te stellen. Al deze moorden vonden plaats voordat ik in Colombia aankwam, maar je kon de spanning overal voelen. Er stonden tanks bij het vliegveld en op straat liepen indrukwekkend uitziende soldaten rond met machinegeweren. Toen Bruce mij begin 1989 thuis belde, was ik al acht maanden in Colombia. Net als iedereen op het hoofdkwartier van de dea in de Amerikaanse ambassade, werd ik volledig in beslag genomen door mijn nieuwe opdracht: Escobar arresteren. Het was mijn taak te assisteren bij zijn gevangenneming en hem op een vliegtuig te zetten naar de Verenigde Staten, waar hij voor de rechter zou komen in verband met al zijn misdaden. Het was de dreiging uitgeleverd te worden die leidde tot Escobars oorlog – zijn schrikbewind – tegen de Colombiaanse regering en ons, Amerikaanse ordehandhavers. Mijn opdracht in Bogotá volgde op mijn eerste dea-stationering in Austin, Texas, waar ik me concentreerde op kleinschalige Mexicaanse dealers die handelden in methamfetamine en cocaïne. Ik wist dat Colombia de grootste uitdaging van mijn carrière zou worden en ik dacht dat ik er klaar voor was. Ik had mezelf al toegevoegd aan het ‘Bloque de Búsqueda’, het zogeheten ‘Zoekblok’ dat bestond uit de crème de la crème van Colombiaanse politiemensen en inlichtingenofficieren, die zeshonderd mensen bijna vierentwintig uur per dag lieten zoeken naar Escobar. Het Bloque de Búsqueda opereerde vanuit een politiegarnizoen in Medellín en ik bracht daar een 8


groot deel van elke week door met de Colombiaanse nationale politie (de Policía Nacional de Colombia, pnc), terwijl zij jacht maakten op de moordzuchtige drugsbaron in zijn woonplaats. Er was mij verteld dat sommige korpsleden corrupt waren en bij Escobar op de loonlijst stonden. Ik keek dus heel goed uit met wie ik omging en tegen wie ik sprak. In de weekends bracht ik, wanneer ik niet werkte, uren achter elkaar door in mijn appartement in Bogotá. Ik was dol op mijn ruime onderkomen van 371 vierkante meter aan een druk kruispunt in het stadscentrum. Ik had een adembenemend uitzicht op de stad onder mij en op het oprijzende Andesgebergte. Het leek alsof ik vanuit mijn woonkamer door de glaswand, die ongeveer 12 meter breed was, die majestueuze bergen kon aanraken. Ik voelde mij in de zevende hemel in dat paleis met vier slaapkamers en een apart vertrek voor het dienstmeisje in het hart van het Bogotaanse nachtleven. Het was veel te groot en te groots voor een vrijgezel uit Texas, maar het was een geweldige plek om mijn dates mee naartoe te nemen. Ze waren altijd verbijsterd door het uitzicht, wat het verleiden stukken eenvoudiger maakte. Het verschilde hemelsbreed van mijn doosachtige tweekamerappartement in Austin, dat op niemand indruk maakte en al helemaal niet op mij. Ik had geen enkel idee dat mijn luxueuze leventje die zaterdagmiddag zou eindigen toen ik de onvaste stem van Bruce hoorde over de telefoon. Hij zei niet veel, en uit zijn manier van ademhalen begreep ik dat hij probeerde rustig te klinken. Toen besefte ik dat mijn leven gevaar liep. ‘Javier, luister naar me,’ zei hij. ‘Pak je wapen, laat alles achter, en maak verdomme dat je daar wegkomt. Sorry, maar er is geen tijd om het uit te leggen. Het is Escobar. Hij weet waar je bent.’ Het is Escobar. Hij weet waar je bent. Ik zocht naar mijn wapen – een semiautomatisch 9mm9


pistool – en ging op weg naar de lift. Ik wierp een snelle blik in de gangen als een doodsbange voortvluchtige, en keek of iemand op de loer lag in de hoeken of achter een deur. Mijn handen beefden toen ik op de liftknop drukte, en elke paar seconden tastte ik naar de holster om mijn middel om er zeker van te zijn dat mijn wapen er nog zat. Op een of andere manier was het geruststellend om mijn vingers over het koude metaal te laten gaan. Calma, calma, Javier! Tranquilo, hombre. In mijn hoofd hoorde ik de stem van mijn abuela (oma), de meest geharde persoon die ik kende. Ze verzette zich ooit tegen inbrekers in ons huis in Laredo en heeft mij ook uit talloze lastige situaties weten te redden. Tranquilo, tranquilo! Ik rende door de garage en keek schichtig om mij heen om er zeker van te zijn dat niemand mij volgde. Ik tastte naar mijn wapen en opende de deur van mijn ogv – official government vehicle – in mijn geval een kogelvrije Ford Bronco. Toen de motor grommend tot leven kwam, besefte ik meteen dat ik vergeten was onder het chassis te kijken naar explosieven. Gelukkig ontplofte de pick-up niet en ik sjeesde de ondergrondse garage uit en reed vol gas naar de Amerikaanse ambassade die maar een paar kilometer verderop was. Ik dacht aan mijn grootmoeder en dwong mezelf diep in te ademen toen ik klem zat in het Bogotaanse verkeer waar geen einde aan leek te komen. Ik had besloten via de drukste route naar de ambassade te rijden, omdat ik dacht dat ik makkelijk zou kunnen opgaan in een verkeersopstopping en zo anoniem kon worden. Ik slaakte een enorme zucht van opluchting toen ik de ijzeren hekken van de ambassade zag, die gebouwd was als een fort. Toen ik aankwam, wachtte Bruce me op bij het kantoor van de dea, dat zich vlak naast de garage van de ambassade bevond. 10


DEEL EEN


Steve Als kleine jongen was ik geobsedeerd door de politie. Ik was jaloers op hun gesteven militairachtige uniformen, en hun zoevende surveillancewagens met zwaailichten en loeiende sirenes. Ik droomde ervan agent te worden en boeven te vangen, vooral als ze profiteerden van onschuldige mensen. Voor mij waren politiemensen superhelden. Ik wist dat ordehandhaving mijn roeping was, zelfs toen ik nog een jonge jongen was en opgroeide in Tennessee. Ik was geboren in Memphis, maar rond mijn derde verhuisden we – mijn ouders, mijn oudere zus en ik – naar Murfreesboro, een kleine gemeente met brede grasvelden en verdwijnende plantages van voor de Amerikaanse Burgeroorlog, iets ten zuiden van Nashville in het diepe, vochtige midden van de staat. Sinds de burgeroorlog was hier weinig meer gebeurd. Op school leerden we over de slag bij Stones River, die eind 1862, begin 1863 gedurende drie dagen plaatsvond in Murfreesboro – een van de bloedigste botsingen in de oorlog. Deze slag kostte meer dan 23.000 slachtoffers, aan zowel de kant van 19


de geconfedereerden als die van de unionisten. Toen ik elf jaar was, voerde ik mijn eigen historische gevecht in een voorstedelijke achtertuin. Terugkijkend was het niet zozeer een gevecht als wel het beslissende moment in mijn jonge leven. Toen werd ik op heterdaad betrapt en keek met samengeknepen ogen in het felle licht van politieschijnwerpers – mijn eerste confrontatie met de wet. In de zomer kampeerden mijn vrienden en ik vaak in elkaars achtertuinen. Dan lagen we in onze slaapzakken op vers gemaaid gras en keken omhoog naar de sterren, of we lagen dicht bij elkaar in een puptent (een tent die bestaat uit twee identieke, aan elkaar te verbinden helften), en maakten elkaar bang met verzonnen verhalen over spoken, zombies en gruwelijke moorden. We vielen in slaap bij de geluiden van krekels en brulkikkers. De zomers waren heel warm in Tennessee en ’s avonds werd het niet veel koeler, dus op de meeste nachten sleepten we onze slaapzak de tent uit en werden ’s ochtends wakker overdekt met dauw. Op een van die zomernachten was het zo warm en plakkerig dat niemand van ons kon slapen. Daarom besloten we met een groepje het huis van een van onze medekampeerders binnen te sluipen. Ik weet niet zeker waarom we dit deden, hoewel ik me meen te herinneren dat we iets wilden ophalen wat we toen belangrijk vonden. Terwijl we probeerden een slaapkamerraam open te prutsen en intussen luid fluisterend met elkaar kibbelden, hoorden we opeens de banden van een surveillancewagen die in het duister naderde. We begrepen meteen dat we in de problemen waren. Het was een politieauto. Iemand moest de politie hebben gebeld toen ze ons lawaai hoorden maken. We versteenden, te geschrokken om ons zelfs maar om te draaien. Ik kon nauwelijks de twee agenten zien die tevoorschijn kwamen uit hun patrouilleauto, aangezien ik verblind was door de koplampen. Ze zeiden ons 20


dat we stil moesten staan, hoewel ze dat niet eens hoefden te zeggen omdat we allemaal te bang waren om ons te bewegen. Zweetdruppels liepen over mijn wangen terwijl ik mijn handen omhooghield. Toen mijn ogen aan het felle licht gewend raakten, zag ik dat de agenten lang en gespierd waren. In mijn ogen waren ze meer dan levensgroot in hun keurig geperste zwarte uniformen en gepoetste zwarte schoenen. Toen ze ons vroegen of we meegenomen wilden worden naar het bureau van de sheri van Rutherford County om daar in de gevangenis te worden gezet, of naar onze ouders wilden gaan, gaven we tegelijk antwoord. We wisten wat er zou gebeuren als onze ouders erbij betrokken werden, dus unaniem kozen we ervoor naar de gevangenis te gaan. De agenten lachten zich te pletter. We waren diep gekwetst en stonden er ongemakkelijk bij terwijl ze onze namen en adressen noteerden. Daarna brachten ze ons terug naar huis, waar ze onze ouders wakker maakten. Op een of andere manier overleefden we allemaal die vreselijke nacht, maar in kamperen hadden we geen zin meer. Althans niet tijdens die zomer. In de loop der jaren heb ik vaak teruggedacht aan dat eerste treen met de wet en hoezeer ik die agenten bewonderde, omdat ze hun gezonde verstand hadden gebruikt bij een groep ondeugende kinderen. Bovenal wilde ik politieagent worden, maar pas jaren later ontdekte ik dat mijn ouders andere plannen met mij hadden. Ik groeide op in een strikt doopsgezind gezin, als jongste van drie kinderen. Of beter gezegd: de jongste van twee. Een oudere broer overleed toen hij nog maar drie was, voordat ik werd geboren. Mijn zus was acht jaar ouder dan ik en we hebben een groot deel van onze jeugd met elkaar overhoopgelegen. Mijn vader was 1 meter 93 en hij was de sterkste en slimste persoon die ik ooit gekend heb. Mijn ooms vertelden mij vaak dat mijn vader als jongeman graag vocht en nooit een knokpar21


tij verloor. Hij was voor niets en niemand bang. Ooit werd hem gevraagd een try-out te doen voor de Washington Redskins – een kans die hij beleefd afwees, omdat hij professioneel American football niet zag als een degelijk loopbaantraject. Toen mijn vader oud genoeg was, meldde hij zich aan als vrijwilliger voor het Amerikaanse leger, hoewel hij vals moest spelen bij zijn medische keuring om toegelaten te worden. Mijn vader kon slecht zien met zijn linkeroog. Toen hij het examen aflegde, zei de arts dat hij zijn linkeroog moest afdekken met zijn linkerhand en de kaart moest oplezen. Geen probleem. Toen ze hem vroegen het omgekeerde te doen met zijn rechteroog, gebruikte hij simpelweg zijn rechterhand om zijn linkeroog te bedekken en slaagde voor de ogentest! Mijn vader begon bij de infanterie en werd naar Europa gestuurd toen de aanval op Pearl Harbor de Verenigde Staten in 1941 in de Tweede Wereldoorlog stortte. Vanwege zijn lengte en kracht werkte hij samen met medische hospitaalsoldaten in Frankrijk en België. Hij bracht gewonde soldaten in veiligheid en hield ze omlaag wanneer dat voor medische ingrepen noodzakelijk was. Toen hij terugkeerde uit Europa besloot mijn vader zich in te schrijven voor de Bob Jones-universiteit in Greenville, South Carolina, om dominee te worden. Hij was de eerste in zijn familie die studeerde, en na zijn afstuderen verhuisde hij met mijn moeder en zus naar zijn eerste kerk in Memphis, waar ik werd geboren. Later, in Murfreesboro, werkte hij afwisselend voor diverse kleine kerken en deed klussen om extra geld te verdienen. Ik herinner me dat hij langs de deuren ging om stofzuigers te verkopen. Daar was hij erg goed in en hij zei vaak dat God hem geleidde, hem vertelde waar hij naartoe moest en wat hij moest zeggen om zijn werk goed te doen. Uiteindelijk leidde God mijn vader uit het geestelijk ambt naar het kamerbreed tapijt. Toen hij een baan had gekregen bij 22


een vloerenwinkel drong hij er bij zijn jongste broer, die net de luchtmacht had verlaten, op aan om samen met hem in zaken te gaan. Hun beginnende tapijtenwinkel in Nashville deed het goed, maar er was in die stad te veel concurrentie om op grote schaal uit te breiden en ze besloten hun heil elders te zoeken. Twee jaar na mijn treen met de politie verlieten we Tennessee en verhuisden naar het noorden naar West Virginia, de thuisstaat van mijn ouders, waar mijn vader en mijn oom een grootschalige winkel in kamerbreed tapijt wilden opzetten. We vestigden ons in Princeton, een rustige spoorwegstad met een stuk of zesduizend inwoners, omringd door mijnstreken en verscholen liggend in de Appalachen. Onze familie was sterk geworteld in deze staat, waar mijn grootouders van moederskant zich gevestigd hadden nadat ze geÍmigreerd waren uit Engeland. Mijn grootvader had zijn hele volwassen leven in de mijnstreken gewerkt. Ik was niet blij met de verhuizing. Als tiener was ik ontdaan omdat ik mijn vrienden achterliet in een plaats waar ik een van de populaire kinderen was. In het nieuwe schooljaar ging ik naar de plaatselijke middelbare school van Princeton, maar ik heb er geen goede herinneringen aan. Kinderen maakten mijn Tennessee-accent belachelijk, wat me bestempelde als iemand uit het diepe zuiden. Ik probeerde op alle mogelijke manieren te integreren en op den duur lukte het me mijn accent te verdoezelen, zodat het leek op de manier waarop de kinderen uit Princeton spraken. Afgezien van sport en de kerk had mijn nieuwe stad kinderen weinig te bieden, hoewel notabelen uiteindelijk een jongerencentrum openden in een oude bowlingbaan en pingpongtafels lieten installeren, een snackbar en een dansvloer, waar ik voor het eerst met een meisje danste. In Princeton zetten mijn vader en mijn oom zich in om van hun winkel een succesvol familiebedrijf te maken, en wij 23


werden allemaal ingeschakeld om hen daarbij te helpen. Mijn moeder deed de boekhouding en bemoeide zich met klanten in de winkel, plande installatieklussen, en bestelde voorraden voor de winkel terwijl mijn vader en mijn oom linoleum en tapijten aan de man brachten. Eerlijk gezegd was mijn moeder eigenlijk het kloppende hart van de zaak, die had kunnen floppen zonder haar enthousiasme en harde werk. Ook mijn zus werkte parttime in de winkel. Zo rond mijn veertiende begon ik er eveneens te werken. Mijn vader hoopte dat ik de zaak over zou nemen en hij vond dat ik onderaan moest beginnen. Mijn eerste taken waren de vloer vegen, dweilen, de wc’s schoonmaken en de vuilnis buitenzetten. Uiteindelijk maakte ik promotie en mocht ik klanten begroeten en ze begeleiden bij het doorbladeren van honderden tapijt- en linoleumstalen. Tot op de dag van vandaag word ik claustrofobisch van kamerbreed tapijt. Terwijl andere tieners in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig hun haar lang lieten groeien, wiet rookten, tegen de oorlog in Vietnam protesteerden, en het uit elkaar gaan van de Beatles betreurden, leidde ik een behoorlijk beschermd leven in een behoudende stad in de Appalachen. En ook al had mijn vader al lang geleden zijn geestelijk ambt verlaten, hij bleef een strikt voorstander van strenge tucht. Ik mocht pas naar de bioscoop toen ik achttien was en we mochten thuis geen kaartspelletjes spelen, zelfs niet de meest onschuldige. Mijn zus mocht van mijn ouders geen broek of shorts dragen, en jurken moesten ruim over de knie vallen. Mijn vader sloeg ons met een riem als we betrapt werden terwijl we iets verkeerds deden. Bij sommige mensen zal dit nogal hardvochtig overkomen, en in de huidige tolerante maatschappij zouden onze ouders waarschijnlijk beschuldigd worden van kindermishandeling. Maar dat is hoe wij opgroeiden, met heel strikte grenzen. We 24


wisten wat we wel en wat we niet konden doen en wat er van ons verwacht werd. Net als in Tennessee ging ons gezin in Princeton naar de First Baptist Church. Destijds had ik niet veel belangstelling voor alles wat met godsdienst of de kerk te maken had, tot ik een uitvoering bijwoonde van het kinderkerkkoor. Het koor heette de Sounds of Conviction, beter bekend als de Sounds. En na die eerste uitvoering was ik zo onder de indruk van de professionele mise-en-scène, de belichting en de zang dat ik me aansloot bij de groep en pas wegging na de middelbare school. Ik was niet de meest fantastische zanger, maar ik hield van de mix van kinderen en het gevoel bij een team te horen. We reisden door heel West Virginia en Virginia en traden op in scholen en kerken. De optredens waren zo in trek dat het koor van zo’n veertig kinderen toen ik lid werd, uitgroeide tot ruim vierhonderd tegen de tijd dat ik wegging. Na de middelbare school ging ik naar de universiteit van West Virginia in Morgantown. Ik was opgewonden dat ik nu op mezelf was en in een studentenflat woonde met leeftijdgenoten. Omdat mijn ouders het graag wilden, was mijn hoofdvak bedrijfskunde, maar ik had niets met economie of financiën. Achteraf gezien heb ik het gevoel dat mijn eerste semester één lang feest was. Toen mijn cijfers bekend werden, besloten mijn ouders dat ze geen geld meer gingen steken in een verloren zaak. Wie kon ze dat kwalijk nemen? Toen de kerstvakantie aanbrak, pakte ik met tegenzin mijn spullen, nam afscheid van de universiteit, en ging terug naar huis. Tapijtstalen werden mijn toekomst. Maar omdat ik nog steeds heel graag iets met ordehandhaving wilde doen, schreef ik me in bij Bluefield State College (bsc). Zonder dat mijn ouders het wisten, gaf ik me op voor het recent gevormde vak strafrechttoepassing. En, man, ik vond het geweldig! Tijdens het lentesemester van 1975 meldde ik 25


mij vrijwillig aan als de eerste bsc-student voor een nieuw zomerprogramma: een stage bij het sheriffbureau van Mercer County en het Bluefield Police Department (bpd). Ik kwam in contact met assistent-sheriffs en agenten van beide bureaus die mij aanmoedigden het ambtenarenexamen te doen om in aanmerking te komen voor een politieopleiding. Ik studeerde in het geniep en deed het examen zonder dat mijn ouders er lucht van kregen. Toen de uitslagen werden bekendgemaakt, kreeg ik de hoogste score, en mijn naam werd boven aan een potentiële inhuurlijst gezet voor zowel het sheriff- als het politiebureau. Het bpd was het eerste bureau dat me belde en me een sollicitatiegesprek aanbood. Toen moest ik mijn ouders wel de waarheid vertellen over mijn hoofdvak en opbiechten dat ik stiekem het toelatingsexamen voor de politieacademie had gedaan. Mijn ouders waren veel slimmer dan ik had gedacht en ze hadden al uitgevogeld waar ik mee bezig was. Nadat ik zonder problemen door de fysieke test en het antecedentenonderzoek was gekomen, werd ik in november 1975 ingezworen als politieagent bij de bpd. Ik was net negentien jaar. Op de dag dat ik mijn nieuwe uniform ging passen, was ik uitgelaten, hoewel mij verteld was dat ik te jong was om een wapen te kopen. De minimumleeftijd om in de staat een wapen te kopen was eenentwintig, wat betekende dat ik een van de oudere agenten moest zien over te halen voor mij mijn eerste handwapen te kopen: een blauwstalen, 4 inch Colt Python .357-kaliber revolver. Ik verwachtte niet dat mijn vader blij zou zijn met mijn succes, maar ergens was hij trots op mij, want hij kocht voor mij de munitie. Als groentje patrouilleerde ik in een stadsdeel en nam ik ook een deel van de bureaudienst voor mijn rekening, maar mijn belangstelling ging uit naar de drugshandel. Het was 26


1976 en ik had het gevoel dat het overal wemelde van de illegale drugs. Zelfs toen zag ik hoe schadelijk drugs waren voor de maatschappij en hoe drugshandel en verslaving jonge levens verwoestten. In het midden van de jaren zeventig maakte cocaïne een comeback en werd de favoriete recreatieve drug van de beau monde in discotheken en op chique feestjes door het hele land, met name in Studio 54 in New York. Elders maakte ‘freebasing’, het inhaleren van de dampen van cocaïne op het smeltpunt, junkies ongelooflijk high. Ondergrondse chemici experimenteerden met cocaïne die je kon roken, en mengden zuiveringszout en andere substanties om crack te produceren, wat in de jaren tachtig 1980 verwoestende gevolgen zou hebben in Amerikaanse binnensteden. En toen de Vietnamoorlog eindigde in 1975 keerden honderden Amerikaanse soldaten terug naar huis, volledig verslaafd aan heroïne. Maar marihuana was voor mij als jonge agent al erg genoeg en in mijn vrije tijd ging ik achter dealers aan. In 1976 leerde ik een verklikker kennen die mij vertelde over een dealer die grote hoeveelheden wiet verkocht. Destijds leverde een pond marihuana ruim 1300 dollar op. Ik belde Jack Walters, een andere nieuweling, die mijn beste vriend was bij het korps, en we bedachten een plan om de slechterik te pakken te krijgen op onze vrije dag. We werkten samen met onze informant en vroegen hem het doelwit te bellen. Die avond belde de verklikker het doelwit om te vragen hoeveel een pond wiet kostte. Nog geen twintig minuten later spraken we af hem te ontmoeten bij een plaatselijk tankstation om de aankoop te bezegelen. Jack en ik verborgen ons achter in het tankstation, terwijl de verklikker het doelwit door de transactie leidde. Zodra we zagen dat het doelwit een kleine tas uit zijn auto haalde, doken we eropaf om hem te arresteren. De dader bleek 27


een zeventienjarige middelbare scholier van goeden huize. Hij had het geld helemaal niet nodig, maar hij had te veel ďŹ lms over slechteriken gezien en dacht dat hij wel weg kon komen met zijn criminele handeltje in een stadje waar de politie volgens hem van toeten noch blazen wist. Jack en ik sloegen de angstige tiener in de handboeien en belden een rechercheur om naar de plaats delict te komen. Deze was stomverbaasd dat twee groentjes betrokken waren bij een geslaagde drugsvangst op hun vrije dag. De zeventienjarige werd aangeklaagd en uiteindelijk overgedragen aan zijn ouders. Gelukkig voor hem werd er in de rechtbank een regeling getroen en hij werd voorwaardelijk veroordeeld. Omdat hij nog minderjarig was, werd zijn strafblad verwijderd toen hij volwassen werd en zijn proeftijd had voltooid. Ondanks mijn succes had ik het gevoel dat mijn vader niet zo blij was met mijn beroepskeuze. Hij was duidelijk teleurgesteld dat ik hem niet zou opvolgen in het familiebedrijf. Toen ik anderhalf jaar op het politiebureau had gewerkt, kreeg mijn schuldgevoel de overhand en in 1977 nam ik een verlof op van negentig dagen om het nog eens te proberen in mijn vaders vloerenwinkel. Maar ik hield het nog geen twee maanden vol tussen de stalen kamerbreed tapijt en linoleum. Ik voelde me ellendig en ging terug naar het politiebureau voordat mijn verlof voorbij was. Pas toen ik vijf jaar bij de politie zat, vertelde mijn vader me hoe trots hij was. Dat maakte een wereld van verschil en het gaf mij de kracht om door te gaan. Ik heb er nooit spijt van gehad.

28


◄ Als politieagent in uniform ging Steve met nog een andere agent, Dave Gaither, een brandend huis binnen en redde midden in de nacht een moeder en haar kind voordat de brandweer arriveerde. Bluefield, West Virginia, circa 1980. (Bluefield Daily Telegraph)

▼ Steve met andere agenten van Miami Group 10, na de vangst van vijfhonderd kilo cocaïne. Miami, Florida, najaar 1988.


▲ Bescheiden vangst van contant geld en juwelen van twee drugskoeriers. Miami, Florida, voorjaar 1991.

◄ Inbeslagname van 72 kilo cocaïne door Steve, de Amerikaanse kustwacht en de politie van de Bahama’s. Freeport, Bahama’s, najaar 1989.


◄ Javier in een cocaïnelab in de Colombiaanse jungle. (speciaal agent van de dea John Iwinski (overleden))

▼ Javier staat naast Bob Brown, voormalig ambtenaar van de Amerikaanse landmacht die voor het Narcotics Assistance Program werkte en toegewezen was aan de ambassade van Bogotá, terwijl ze een cocaïnelab in de Colombiaanse jungle bezoeken. (speciaal agent van de dea John Iwinski (overleden))


▲ Javier en een lid van de Colombiaanse Nationale Politie bij Pablo Escobars haciënda Nápoles aan de rand van Medellín. De haciënda was voor een deel ingericht als dinosaurusthemapark en dierentuin, met levensgrote replica’s van dinosaurussen en met exotische dieren van over de hele wereld. (speciaal agent van de dea John Iwinski (overleden)) ▼ Javier staat bij de ingang van Pablo Escobars haciënda en dierentuin. (speciaal agent van de dea Gary Sheridan)


Na jaren jacht te hebben gemaakt op grote en kleine drugscriminelen stonden twee DEA-agenten, Javier Peña en Steve Murphy, voor de grootste uitdaging uit hun carrière. Hun zoektocht was zo spannend dat hij werd vereeuwigd in de hitserie Narcos van Netflix. In dit boek vertellen Javier Peña en Steve Murphy voor het eerst het echte verhaal in hun eigen woorden. Je leest alle details over hun zoektocht naar een man met duizenden moorden op zijn geweten, hun samenwerking met de Colombiaanse politie en hoe ze leefden onder constante dreiging van Escobars sicarios, zijn huurmoordenaars. Het is het heroïsche verhaal van twee Amerikaanse agenten die hun leven riskeerden om de meest gezochte man ter wereld uit te schakelen.

9 789021 573854

MANHUNTERS ONZE JACHT OP PABLO ESCOBAR

DE OPDRACHT WAS EVEN SIMPEL ALS INGEWIKKELD: BRENG PABLO ESCOBAR TEN VAL

MANHUNTERS ONZE JACHT OP PABLO ESCOBAR HET VERHAAL VAN DE ECHTE DEA-AGENTEN UIT DE NETFLIX HITSERIE

NARCOS

STEVE MURPHY JAVIER F. PEÑA


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Inkijkexemplaar Manhunters - Steve Murphy & Javier F. Pena by Veen Bosch & Keuning uitgeversgroep - Issuu