Snelle oriëntatie: • Met of zonder vleugels? • Aantal en vorm van de vleugels • Lichaamsbouw • Silhouet • Orde (kleurcode) • Uiterlijk (foto) • Lengte (millimeters) • Spanwijdte (millimeters) • Periode waarneming (wanneer) • Voorkomen (waar) • Belangrijkste kenmerken • Bijzonderheden (details)
Alle belangrijke kenmerken overzichtelijk in beeld! In deze handige veldgids vind je ruim 450 soorten insecten. Elke soort wordt beknopt en overzichtelijk besproken: • • • • • •
de ordes onderscheiden met een kleurcode, heldere foto’s voor snelle herkenning, duidelijke tekeningen met alle details, snelle informatie over wanneer en waar je ze kunt vinden, puntsgewijze informatie over belangrijke kenmerken, vaak in vergelijking met soorten die er sterk op lijken.
Welk insect is dat?
Wat kun je in deze gids vinden om te bepalen welk insect je ziet?
Welk
insect is dat?
Springstaarten blz. 18
Dierluizen blz. 61
Tweestaarten blz. 18
Wantsen blz. 62
Rotsspringers blz. 19
Cicaden blz. 78
Zilvervisjes blz. 19
Plantenluizen blz. 84
Eendagsvliegen blz. 20
Slijkvliegen blz. 88
Steenvliegen blz. 22
Netvleugelen blz. 89
Kakkerlakken blz. 38
Kevers blz. 92
Oorwormen blz. 39
Waaiertjes blz. 144
Bidsprinkhanen blz. 40 Webspinners blz. 41
BELLMANN
KOSMOS UITGEVERS UTRECHT ⁄ ANTWERPEN NUR 428, 411
ANWB Insectengids
45
Ruim soorten snel herkennen
blz. 88
Libellen blz. 24
Termieten blz. 39
Een compacte gids in handig zakformaat, dus gemakkelijk mee te nemen.
Kameelhalsvliegen
Wandelende takken blz. 41
Schorpioenvliegen blz. 144
Vliegen en muggen blz. 146
Vlooien blz. 166 Vliesvleugeligen blz. 166
Sprinkhanen blz. 42
Schietmotten blz. 190
Luizen blz. 60
Vlinders blz. 192
Halfvleugeligen blz. 60
WWW.KOSMOSUITGEVERS.NL
Kosmos ANWB insecten.indd 1
14-05-19 09:46
Heiko Bellmann
Welk insect is dat?
Hoe is het boek opgebouwd?
binnenzijde omslag
Lichaamsbouw en ontwikkeling 4 Kenmerken van de insectenordes 8
Oerinsecten o.a. springstaarten
18
Eendagsvliegen, steenvliegen en libellen
20
Rechtvleugeligen o.a. sprinkhanen en krekels
38
Luizen en halfvleugeligen
60
Netvleugeligen s.l.
88
Kevers en waaiervleugeligen 92
Schorpioenvliegen, tweevleugeligen en vlooien 144
Vliesvleugeligen o.a. mieren, bijen en wespen 166
001-017-Insecten.indd 3
Schietmotten en vlinders
190
Register
246
3
13-05-19 13:45
Kenmerken van de insectenordes Springstaarten (Collembola, blz. 18) De springstaarten worden samen met de vier volgende insectenordes als oerinsecten beschouwd. Deze oerinsecten zijn doorgaans ongevleugeld en kunnen dus niet worden teruggevoerd op voorouders die vleugels hadden. De springstaarten hebben als meest opvallende kenmerk onder het achterlijf een vork, die in rustpositie is opgevouwen en waarmee ze lange sprongen kunnen maken. De monddelen zijn zoals bij de twee volgende ordes in rust verborgen onder het kopschild. Tweestaarten (Diplura, blz. 18) Deze zeer tere dieren hebben een langgerekt, witachtig lichaam en aan het achtereind een paar antenneachtig gelede staartdraden of (bij de suborde tangtweestaarten) 2 ongelede tangen. Ze voeden zich voornamelijk met plantaardig materiaal, soms zijn ze echter roofzuchtig en jagen op andere kleine insecten.
Rotsspringers (Archaeognatha, blz. 19) Bij de vertegenwoordigers van deze oeroude orde van insecten zitten de monddelen, zoals bij alle volgende groepen insecten, buiten het kopschild, maar hier hebben de mandibels slechts ĂŠĂŠn gezamenlijk gewricht, alle hogere insecten hebben er twee. Hun smalle lichaam is bont geschubd en draagt aan het achtereinde drie in rust naast elkaar gelegen staartdraden. De dieren kunnen grote sprongen maken en voeden zich voornamelijk met algen en korstmossen. Zilvervisjes (Zygentoma, blz. 19) De zilvervisjes lijken op rotsspringers, maar ze kunnen niet springen. Ze houden hun staartdraden in rustpositie uit elkaar. Het langwerpige lichaam is bedekt met dichte, meestal eenkleurige schubben. De weinige inheemse soorten leven voornamelijk in gebouwen of in mierennesten en voeden zich met voedselresten en afvalmaterialen.
8
001-017-Insecten.indd 8
13-05-19 13:45
Eendagsvlieg
Baetis rhodani (Eendagsvliegen)
Tulbandogen van een Baetis-mannetje
SW 10–20 mm maart–november
De kleine achtervleugels van deze een dagsvlieg zijn slechts ongeveer 1/7 zo lang als de voorvleugels. De mannetjes vallen op door hun vreemde tweedelige ‘tulbandogen’. Aan de bovenkant heb ben ze een grover gefacetteerd, helder der gebied, waardoor ze hun partner be ter kunnen herkennen in de scheme ring. De larven worden meestal aan getroffen op waterplanten, vaak in grote aantallen in kleine holtes.
grof gefacetteerd normaal onbovendeel van het tulbandoog derste deel van het tulbandoog
vleugels dof
mannelijke sub imago in de late winter op sneeuw
Voorkomen Langs schoon stromend water overal een van de algemeenste eendagsvliegen. >> imago en subimago met slechts 2 staartdraden >> mannetje met ‘tulbandogen’ >> larven op waterplanten
larve van Baetis rhodani
Mannetje
slechts 2 staartdraden
21
Eendagsvliegen
portret van mannetje
Ecdyonurus sp. (Eendagsvliegen) SW 25–35 mm mei–september facetogen met een
Voorkomen In sterk De eendagsvliegen van het geslacht Ecdyogrover boven- en een stromende, schone fijner onderdeel, maar nurus zijn vooral opmerkelijk vanwege de aan bergbeken en -rivieren, geen tulbandogen gepaste lichaamsvorm van hun larven aan afhankelijk van de krachtig stromend water. Deze zijn bij uitstek ge soort op verschillende schikt om in turbulente bergstromen te leven vanwege hun duide hoogtes. lijk afgeplatte lichaamsvorm, de platte leden van de poten en de la teraal gespreide kieuwbladen. De talrijke, soms zeer kleurvariabele >> gestroomlijnde lichaams soorten zijn erg moeilijk van elkaar te onderscheiden (op de foto vorm van de larve >> alleen de larve met een nogal bonte kleurvariant, die bij verschillende soorten voor 3 staartdraden komt). >> alleen langs schoon, sterk stromend water
larve van Ecdyonurus sp. Mannetje
slechts 2 staartdraden
018-033-Insecten.indd 21
de gelijkende larve van de eendagsvlieg Epeorus sylvicola heeft slechts 2 staartdraden en komt in dezelfde beken voor.
13-05-19 13:48
Steenvlieg
Vrouwtje
Dinocras cephalotes (Steenvliegen) L 13–29 mm mei–augustus Voorkomen Vooral in bergstreken in schone, stenige rivieren; in vlakker landschap ook bij bredere beken, maar hij ontbreekt langs grote rivieren. >> met 2 staartdraden >> mannetje met verkorte vleugels >> langs schone bergbeken
De vrouwtjes zitten meestal inactief in de oevervegetatie en vliegen wei nig (de mannetjes met verkorte vleugels helemaal niet). De krachti ge larve verblijft meestal in het on diepe deel van het water onder ste nen en jaagt op andere waterdieren, die bijna hun eigen grootte kunnen hebben. De soort is niet gemakkelijk te onderscheiden (vooral op vleu geladertekening) van enkele naaste familieleden.
larve van Dinocras cephalotes
roodachtige koptekening naast het oog
staartdraden steken onder de vleugels uit
vleugels reiken tot iets voorbij het midden van het achterlijf Mannetje Bij het mannetje van de gelijkende, met 12–15 mm echter duidelijk kleinere steenvlieg Diura bicaudata reiken de sterk verkorte vleugels maar nauwelijks tot het midden van het achterlijf.
2 lange staartdraden
22
Steenvliegen
Isoperla sp. (Steenvliegen) L 7–15 mm mei–oktober Voorkomen Afhankelijk van de soort langs grotere of kleinere, meestal vrij schone stromende wateren, vooral in bergstreken vrij algemeen. >> gelige tint van de vleugels en het lichaam >> zitten inactief langs de rand van stromend water >> vooral in bergstreken larve van een Isoperla-soort
018-033-Insecten.indd 22
Verschillende zeer vergelijkbare soorten, die alleen te onderschei den zijn door onderzoek van de genitale kenmerken. De goed ont wikkelde, gepaarde staartdraden steken zijdelings uit onder de lange vleugels. De minder beweeglijke dieren zitten meestal langs de oevers op planten en blijven meestal dicht bij hu ontwikke lingswater. De larven zijn meestal te vinden onder stenen in het stroombed, waar ze zich het liefst voeden met verschillende andere insectenlarven in het water. lichaam en vleugels met een gelige tint
staartdraden steken voorbij de vleugels
13-05-19 13:48
Gewone oorworm Forficula auricularia (Oorwormen) L 10–16 mm hele jaar
De soort voedt zich met zowel delicaat zachte als kleinere insecten, zoals bladluizen. Het wordt daarom wel beschouwd als nuttig insect. De eitjes worden opgeslagen in een hol en Vrouwtje verzorgd door het vrouwtje door bijv. schimmels te verwijderen. De larven verlaten de broedholte voor voedselinname, maar keren daar geruime tijd nog naar terug. Het vrouwtje dient de jongen na haar dood als extra voedsel.
Voorkomen In bossen en open landschap, regelmatig ook in tuinen, overal algemeen. >> mannetje met sterk gebogen tangen >> tangen bij het vrouwtje bijna recht >> vrouwtje bewaakt de gelegde eitjes
Mannetje
tangen bijna recht
Bij de iets kleinere parkoorworm (Apterygida media) zijn de achtervleugels geheel onder de dekschilden verborgen.
achtervleugels steken als punt jes onder de dekschilden uit tangen sterk gebogen en vanbinnen getand
39
Bodemtermiet
Reticulitermes lucifugus (Termieten) L 2–9 mm hele jaar Voorkomen Onder steDe nesten worden boven of onder de grond gemaakt. De dieren voeden zich met dood hout, dat ze kunnen verteren dankzij inter- nen en dood hout in het Middenlandse Zeene eencellige organismen in hun darmen. De werksters en de gebied wijd verbreid, grootkoppige soldaten zijn larven die nooit volwassen zijn gewor- vooral in bossen, oorden. Andere larven ontwikkelen zich in het voorjaar tot gevleugel- spronkelijk afkomstig uit Amerika. de geslachtsdieren en verlaten het nest voor een bruidsvlucht. Daarna werpen ze hun vleugels af en vormen een nieuwe termietenstaat als koning en koningin. >> werksters wit en zeer
werkster gevleugelde geslachtsdie ren voor de bruidsvlucht
klein >> soldaten met grote gele kop >> geslachtsdieren donker van kleur, met lange smalle vleugels
soldaat met grote kop
034-045-Insecten.indd 39
07-05-19 19:54
Gewone bidsprinkhaan Mantis religiosa (Bidsprinkhanen) 45–75 mm augustus–november Voorkomen Op zeer warme, droge en zonbeschenen locaties, in het Middellandse Zeegebied algemeen, ten noorden van de Alpen alleen op warme plekken, bijv. langs de Bovenrijn. >> groen, bruin of geel >> bedoornde vangpoten >> alleen op zeer warme locaties
eicocon van de bidsprinkhaan
Ligt met zijn vangpoten meestal goed gecamoufleerd net boven de grond te loeren op prooien (bijv. vliegen en sprinkhanen), die de zeldzame gele bliksemsnel wordt gepakt en tussen dij en kleurvorm in scheen wordt geknepen. In geval van verstoring dreighouding neemt hij af en toe een imposante dreighouding aan, waarin de vangpoten en vleugels worden gespreid. Eiafzet op takken of stenen in een bruinachtige cocon van schuimende, later uithar1e borstsegment dende afscheiding. sterk verlengd
bruine kleurvorm bij het verteren van een sprinkhaan gedoornde dijen van de voorpoten
groene kleurvorm
40
Bidsprinkhaan
Ameles decolor (Bidsprinkhanen) L 20–27 mm augustus–oktober Voorkomen In bijna het gehele Middellandse Zeegebied algemeen op droge, grazige locaties; ontbreekt in MiddenEuropa. >> vrouwtje met slechts vleugelstompjes >> mannetje zeer slank en met lange vleugels >> zeer goed gecamoufleerd in de vegetatie
Deze kleine, grijzige of beige bidsprinkhaan is erg moeilijk te herkennen in de ’s zomers dorre mediterrane vegetatie, tenminste zolang hij niet beweegt. Het kortgevleugelde vrouwtje is gemakkelijk te verwarren met de larve van Mantis religiosa, maar het zeer slanke mannetje met zijn voorbij het achterlijf reikende vleugels is echter goed als een volgroeid dier te herkennen. Hij vliegt, anders dan het vrouwtje, uitstekend. vleugels sterk verkort achterlijf recht uitgestrekt
Bij de gelijkende Ameles spallanziana is de achterste helft van het achterlijf van het vrouwjte steil naar boven gebogen. Deze soort kan ook groen of gemengd groen en bruin gekleurd zijn.
034-045-Insecten.indd 40
Vrouwtje
07-05-19 19:54
Moerassprinkhaan
Stethophyma grossum (Veldsprinkhanen) L 12–39 mm juli–oktober
Deze sprinkhaan met een geelgroene of olijfgroene basiskleur kan heel kleurrijk zijn (bijv. rood), vooral als vrouwtje. Het mannetje produceert korte, knerpende tonen door zijn achterpoten naar achteren te slingeren en over zijn vleugels te krassen met de puntige uiteinden. Deze geluiden worden in een onregelmatige volgorde als normale zang ten gehore gebracht en in het geval van verstoring door beide geslachten als defensief geluid.
Voorkomen Op zeer vochtige weiden en in moerassen, door ontwatering overal sterk achteruitgegaan. Foto boven: vrouwtje portret van een zeer rood getekend vrouwtje
>> lichtgele strepen op de vleugelrand >> achterdij vanonder rood >> knerpende geluiden met de achterschenen
lichtgele strepen op de rand van de voorvleugel achterdij vanonder rood
Mannetje
larve van de moerassprinkhaan
55
Veldsprinkhaan
Arcyptera fusca (Veldsprinkhanen) L 23–40 mm juli–september
Deze misschien wel mooiste Midden-Europese sprinkhaan maakt indruk met zijn ongeëvenaarde kleurencombinaties. De grondkleur is gelig tot olijfgroen met een felgele en zwarte tekening. De felrode schenen hebben aan de basis, de achterdijen aan de top een zwarte en een gele ring. De voorvleugels zijn gestreept en aan de punt wat zwartbruin zoals de achtervleugels. Bij het vrouwtje zijn ze verkort. De mannetjes maken in de vlucht een zacht snorrend geluid en na de landing vaak een hard knarsend geluid, doordat ze hun achachterknie zwart, daarterpoten over hun vleuvoor een gele ring gels wrijven. gele vleugelbanen
Voorkomen In Midden-Europa buiten de Alpen vrijwel verdwenen; in de Alpen vooral op hooggelegen bergweiden, lokaal vrij algemeen. Niet in Nederland en België >> zeer bont rood, zwart en geel getekend >> achtervleugels zwartbruin >> mannetje vliegen met een zacht snorrend geluid
Vrouwtje vleugels verkort
Mannetje
046-093-Insecten.indd 55
13-05-19 14:01
Kleine goudsprinkhaan Euthystira brachyptera (Veldsprinkhanen) L 13–26 mm juni–september Voorkomen In vochtige, droge, grazige terreinen; in zuidelijk MIdden-Europa algemeen, in het noorden zeldzamer. Foto boven: vrouwtje >> felgroen >> vrouwtje met roze, zelden groene vleugelstompjes >> eiafzet in een samengevouwd blad
Deze fel goudgroen gekleurde sprinkhaan bezit als vrouwtje roze, rood of soms helder groen gekleurde, zeer korte vleugelstompjes, als mannetje sterk verkorte vleugels die tot aan het midden van het achterlijf reiken. Het mannetje heeft een Vrouwtje bij de eiafzet zeer zachte zang, die is samengesteld uit kort gesnor. Voor de eiafzet vouwt het vrouwtje met haar achterpoten een blad samen en legt de eitjes in de vouw. Ze worden ingebed in een snel uithardende, schuimige vloeistof. De bruine eicocons bevatten elk 5-6 eitjes. vleugels tot halverwege het achterlijf
eicocon
Mannetje achterlijf toegespitst
56
Rosse sprinkhaan
Gomphocerippus rufus (Veldsprinkhanen) L 14–24 mm juli–november Voorkomen Vooral in struiken langs zonnige bosranden, ook in graslanden; in het zuiden algemeen, in het noorden zeldzamer. >> antenneknots lancet vormig, met witte top >> vooral in struikgewas >> zang van samengestelde snorrende strofen
Beide geslachten worden gekenmerkt door de lancetvormige, recht naar voren uitgestrekte antenneknotsen. Deze hebben een witte punt en zijn verder zwart van kleur. De zang is behoorlijk luid en een beetje krassend. Bij de balts lancetvormige antenneknots met witte top voor het vrouwtje voert het mannetje een speciale zang uit, begeleid door expressieMannetje ve antenne- en tasterbewegingen. Het antennes langer vrouwtje legt haar eipakket in de grond. dan de halve Ze sluit het gat gemaakt tijdens de eiafzet lichaamslengte af door schrapende en stampende bewegingen met de achterpoten.
antennes korter dan de halve lichaamslengte
larve van de rosse sprinkhaan
046-093-Insecten.indd 56
Vrouwtje zeer donker gekleurd
13-05-19 14:01
Gentiaanblauwtje Maculinea alcon (Blauwtjes, enz.)
eitjes op gentianen
SW 32–36 mm juni–augustus
Hoewel de soort zich door de kleur van de bovenzijde Voorkomen Op natte weilanden, hoogveen van de vleugel niet significant van andere blauwtjes en natte heiden; overal onderscheidt, is de onderkant van de vleugel slechts vrij zeldzaam en op grijs met donker omlijnde donkere vlekken en dus veel locaties al verdwezonder rode kleur. Het vrouwtje legt de eitjes alleen nen. op de bloemknoppen van de klokjes- of de zijdeplantgentiaan. De licht roodachtige of geelachtige rupsen eten >> onderzijde grijs met licht eerst de zich ontwikkelende zaden en vallen uiteindelijk op de omrande vlekken grond. Hier trekken ze heel specifieke knoopmieren aan waarvan >> rupsen eerst op de bloemen van gentianen ze de nestgeur imiteren, en laten ze zich naar het bovenvleugels >> verdere ontwikkeling in nest vervoeren, waar ze net als de mierenlarmierennesten van het mannetje ven worden gevoerd. Vrouwtje bij de eiafzet
larven op gentiaan
onduidelijke randstrepen
franjezoom zwak gevlekt
215
Klein tijmblauwtje
Pseudophilotes baton (Blauwtjes, kleine pages en vuurvlinders) SW 20–25 mm april–augustus
Dit vrij kleine blauwtje heeft als mannetje lichtblauwe bovenvleu- Voorkomen Bij voorkeur in bergstreken in gels met een smalle zwarte rand en een kort donker streepje in stenige of rotshet midden van de vleugel. Bij het vrouwtje zijn de vleugels alleen open, achtige terreinen, aan de basis blauw bestoven. Beide hebben een duidelijk vooral op zonbeschezwart-witte gevlekte vleugelzoom en opvallend grote, zwarte stip- nen puinhellingen; overal vrij zeldzaam. pen aan de onderkant van de vleugel. De tot 15 mm lange groene Foto boven: vrouwtje rups is zeer kleurrijk getekend met 3 rode lengtebanden en rode en witte diagonale strepen. Hij leeft meestal op kleine tijm, af en >> onderzijde met grote toe op andere lipbloemigen. Mannetje
vleugelonderzijde
op elke voorvleugel een zwarte vlek
donkere punten >> zwart-wit gevlekte vleugelfranjes >> rups op kleine tijm
grote zwarte punten oranje rand vlekken met dubbele zwarte punten witte franjes duidelijk zwart gevlekt
190-245-Insecten.indd 215
rups op kleine tijm
13-05-19 15:27
Keizersmantel Argynnis paphia (Aurelia‘s) SW 55–65 mm juni–september Voorkomen Langs bosranden en langs bospaden, vooral graag op wat vochtige, bloemenrijke open plekken in bossen; vrij algemeen. >> onderzijde groenig met zilverstrepen >> mannetje met 4 geurstrepen >> rupsen op viooltjes
vleugelonderzijde
De bovenvleugels van deze vrij grote vlinder zijn helder oranjebruin met zwartbruine strepen en een puntvlekjespatronen, bij het mannetje op de 4 achterste langsaders van de voorvleugel brede geurstrepen. Het vrouwtje zilverstrepen kan ook voorkomen in een groenachtig grijze kleur. De groenachtige onderzijde van de achtervleugels is bij beide geslachten getekend met zilverwitte schuine strepen. De donkerbruine tot 38 mm lange rups draagt 2 gele rugstrepen en achter de kop een paar lange, zwarte stekels. Hij leeft op verschillende soorten viooltjes. geurstrepen
lange doorns achter de kop Vrouwtje
Mannetje
rups van keizersmantel
216
Kleine parelmoervlinder Issoria lathonia (Aurelia‘s)
SW 35–45 mm maart–september Voorkomen In open weinig begroeide terreinen, bijv. op droge graslanden, braakliggende akkers en extensief gebruikte akkers; in de meeste streken niet zeldzaam. >> bovenzijde met ronde zwarte vlekken >> onderzijde met grote witte parelmoervlekken >> rups meestal op akkerviooltje
Deze van boven geelrode vlinder draagt op zijn vleugels een vrij regelmatig patroon van rondachtige zwarte vlekken. De onderkant van de achtervleugels is bedekt met tal van opvallend grote witte parelmoervlekken. De tot 35 mm lange, grijsbruine rups heeft vrij korte bruine stekels met een witte punt en aan de achterkant een dubbele rij korte witte lijnen. Hij leeft het liefst op het akkerviooltje. De vlinders vliegen jaarlijks in een opmerkelijk lange periode en brengen 2-3, soms zelfs 4 generaties per jaar voort. grote witte parelmoervlekken
paring
rups van kleine parelmoervlinder
190-245-Insecten.indd 216
gelijkmatig patroon van ronde zwarte vlekken
13-05-19 15:27
Snelle oriëntatie: • Met of zonder vleugels? • Aantal en vorm van de vleugels • Lichaamsbouw • Silhouet • Orde (kleurcode) • Uiterlijk (foto) • Lengte (millimeters) • Spanwijdte (millimeters) • Periode waarneming (wanneer) • Voorkomen (waar) • Belangrijkste kenmerken • Bijzonderheden (details)
Alle belangrijke kenmerken overzichtelijk in beeld! In deze handige veldgids vind je ruim 450 soorten insecten. Elke soort wordt beknopt en overzichtelijk besproken: • • • • • •
de ordes onderscheiden met een kleurcode, heldere foto’s voor snelle herkenning, duidelijke tekeningen met alle details, snelle informatie over wanneer en waar je ze kunt vinden, puntsgewijze informatie over belangrijke kenmerken, vaak in vergelijking met soorten die er sterk op lijken.
Welk insect is dat?
Wat kun je in deze gids vinden om te bepalen welk insect je ziet?
Welk
insect is dat?
Springstaarten blz. 18
Dierluizen blz. 61
Tweestaarten blz. 18
Wantsen blz. 62
Rotsspringers blz. 19
Cicaden blz. 78
Zilvervisjes blz. 19
Plantenluizen blz. 84
Eendagsvliegen blz. 20
Slijkvliegen blz. 88
Steenvliegen blz. 22
Netvleugelen blz. 89
Kakkerlakken blz. 38
Kevers blz. 92
Oorwormen blz. 39
Waaiertjes blz. 144
Bidsprinkhanen blz. 40 Webspinners blz. 41
BELLMANN
KOSMOS UITGEVERS UTRECHT ⁄ ANTWERPEN NUR 428, 411
ANWB Insectengids
45
Ruim soorten snel herkennen
blz. 88
Libellen blz. 24
Termieten blz. 39
Een compacte gids in handig zakformaat, dus gemakkelijk mee te nemen.
Kameelhalsvliegen
Wandelende takken blz. 41
Schorpioenvliegen blz. 144
Vliegen en muggen blz. 146
Vlooien blz. 166 Vliesvleugeligen blz. 166
Sprinkhanen blz. 42
Schietmotten blz. 190
Luizen blz. 60
Vlinders blz. 192
Halfvleugeligen blz. 60
WWW.KOSMOSUITGEVERS.NL
Kosmos ANWB insecten.indd 1
14-05-19 09:46