Skip to main content

Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Page 1

VERKENNING BELEIDSEXPERIMENTEN LOKALE VEILIGHEID: INZET VAN PSYCHOLOGISCHE INZICHTEN TER VOORKOMING VAN UITGAANSOVERLAST


Verkenning Beleidsexperimenten Lokale Veiligheid: Inzet van Psychologische Inzichten ter Voorkoming van Uitgaansoverlast

31 juni 2016

Dr. Mirjam Galetzka Dr. Joris van Hoof Dr. Peter de Vries

UNIVERSITEIT TWENTE, Faculty of Behavioural, Management and Social sciences (BMS) Opdrachtgever: Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

Dit onderzoek is uitgevoerd door de Universiteit Twente, in opdracht van het WODC, afdeling Extern Wetenschappelijke Betrekkingen, ministerie van Veiligheid en Justitie. Š2016, WODC, ministerie van Veiligheid en Justitie. Auteursrechten voorbehouden.


Dankwoord Voor u ligt het rapport “Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid: inzet van psychologische inzichten ter voorkoming van uitgaansoverlast”. Dit rapport bevat een aantal voorstellen voor beleidsexperimenten die erop gericht zijn uitgaansoverlast te voorkomen met behulp van nudging, op basis van beschikbare kennis uit wetenschap en praktijk. Het rapport is geschreven in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). Aan de totstandkoming van dit rapport heeft een aantal personen een belangrijke bijdrage geleverd. Wij zijn de begeleidingscommissie zeer erkentelijk voor hun inbreng tijdens onze bijeenkomsten: Prof. dr. Kees van den Bos, Universiteit van Utrecht – Departement Psychologie en Departement Rechtsgeleerdheid (voorzitter) Dr. Maureen Turina-Tumewu, Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (opdrachtgever) Jasper Zuure, MSc., Raad voor Volksgezondheid en Samenleving Mr. Haiko Smid, Ministerie van Veiligheid en Justitie – Directoraat-Generaal Veiligheid en Bestuur (aanvrager) Graag bedanken wij de voorzitter en leden van de begeleidingscommissie voor hun input, constructieve discussies en de zeer prettige sfeer tijdens de bijeenkomsten. Verder willen Randy Bloeme van de DSP-groep bedanken voor de goede gesprekken, en zijn bereidheid zijn rapport “Beïnvloeding probleemgedrag uitgaansgebieden” met ons te delen. Dit rapport zou niet tot stand zijn gekomen zonder de initiatieven en bijdragen van Prof. Dr. Ellen Giebels. Wij danken haar voor haar inbreng, en het vertrouwen dat zij in ons stelde als initiatiefnemer voor dit onderzoeksvoorstel.

Enschede, juni 2016,

Mirjam Galetzka, Joris van Hoof en Peter de Vries


Samenvatting Uitgaansgebieden in dorpen en steden zijn helaas ook regelmatig het toneel van vernieling, agressie en aantasting van de openbare orde (Van Hest, Faes, & Sannen, 2011). Recent onderzoek van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CVV) onder 73 gemeenten laat zien dat een ruime meerderheid (ca. 83%) van de Nederlandse gemeenten last heeft van uitgaansoverlast (Van Hest, 2009). Omdat dergelijke uitgaansoverlast zijn tol eist in termen van sociale onveiligheid en materiële schade worden inzichten in de oorzaken en mogelijkheden tot vermindering en preventie noodzakelijk geacht. Gedragseconomen en psychologen onderkennen dat mensen zich lang niet altijd rationeel gedragen, en dat veel beslissingen slechts deels rationeel worden genomen. Gedrag is vaak het resultaat van (een combinatie van) twee soorten processen. Het spontane systeem bestaat uit onbewuste (impliciete) processen waar we weinig controle over kunnen uitoefenen, terwijl het gecontroleerde reflectieve systeem meer berust op meer bewuste (expliciete) processen waarin beslissingen beredeneerd worden genomen. Op basis van deze ideeën pleit de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling ervoor om nudging in te zetten, het sturen van gedrag van burgers via spontane en onbewuste processen (RMO, 2014). Dit rapport betreft een voorstel voor een lijn van beleidsexperimenten die erop gericht is uitgaansoverlast te voorkomen met behulp van nudging, op basis van beschikbare kennis uit wetenschap en praktijk.

Onderzoeksvraag De onderzoeksvraag luidt: Hoe kunnen inzichten uit de gedragswetenschappen (i.c., sociale psychologie en gedragseconomie) ingezet worden ter voorkoming van uitgaansoverlast? Onder uitgaansoverlast wordt hier verstaan vernieling, agressie en aantasting van de openbare orde, waaronder geluidsoverlast en wildplassen, allemaal wanneer de gedragingen in verband kunnen worden gebracht met het bezoeken van uitgaansgelegenheden. Aan de hand van een literatuurverkenning wordt geprobeerd de onderstaande deelvragen te beantwoorden: 1. Welke vormen van gedragsbeïnvloeding ter voorkoming van uitgaansoverlast zijn al toegepast (nationaal en internationaal) en hoe succesvol waren deze? 2. Wat zijn indicatoren voor een toename en afname in uitgaansoverlast? 3. Welke nieuwe maatregelen kunnen gemeenten en andere relevante veiligheidspartijen nemen om het uitgaan in uitgaansgebieden en bij evenementen veiliger te maken? 4. Is het mogelijk om middels een beleidsexperiment een maatregel van vraag 3 te onderzoeken op effectiviteit? 5. Hoe kan zo’n experiment vormgegeven worden?

Indicatoren voor uitgaansoverlast Inzichten uit de gedragspsychologie met een focus op de sociale en fysieke omgeving bieden aanknopingspunten om door middel van nudges, primes en prompts gewenst gedrag te “triggeren”. 1


Deze kunnen worden gebruikt om (veld)experimenten te ontwikkelen bedoeld om uitgaansoverlast te reduceren of zelfs te voorkomen. Voor de context van uitgaansoverlast zijn normen van belang. Het is gemakkelijk voorstelbaar dat mensen meegaan in bepaald gedrag, zoals wildplassen, wanneer ze zien dat vele anderen hen voor zijn gegaan. Door het gedrag van anderen ontstaat er een descriptieve norm, wat ertoe bijdraagt dat normoverschrijdingen besmettelijk kunnen zijn. Alcoholinname maakt bovendien dat individuen ontvankelijker zijn voor invloeden uit de sociale omgeving. Incidenten vinden verder regelmatig plaats in groepsverband. De sociale identiteit van de groep waartoe men behoort, bepaalt welk gedrag als acceptabel wordt gezien, en kan verklaren waarom zelfs brave burgers soms worden verleid tot normovertredend gedrag. Ook de fysieke omgeving kan een direct effect hebben op het ontstaan van uitgaansoverlast. Wanneer het druk is en het uitgaansgebied er rommelig uitziet (‘broken windows theory’, Wilson & Kelling, 1982) is de kans op vandalisme of ander normoverschrijdend gedrag groter. Zintuigelijke invloeden als hoge temperaturen, geluidsoverlast, slecht licht en drukte, tenslotte, kunnen een modererende rol spelen op het verband tussen bovenstaande variabelen en uitgaansoverlast. Uitgaansoverlast wordt dus vooral beĂŻnvloed door normen, alcoholgebruik, en de sociale en fysieke omgeving, zoals weergegeven in de onderstaande figuur.

Sociale omgeving

Fysieke omgeving

Uitgaansoverlast

Normen

Alcoholgebruik

2


Mogelijke beleidsexperimenten De experimenten die in dit rapport aan bod komen spelen zijn allen te relateren aan één of meer van de factoren in het bovenstaande model. Zo maakt een aantal experimenten gebruik van licht (respectievelijk straatverlichting, fun-verlichting en interactieve verlichting) om zichtbaarheid van het gebied te verhogen, maar ook de aantrekkelijkheid, leesbaarheid (eenduidigheid) van het gebied en toegankelijkheid alsook het zelfbewustzijn van de bezoekers aan het uitgaansgebied. Andere experimenten zijn gericht op normactivatie door deelnemers te confronteren eigen gedrag middels camerabeelden, het geven van advies middels een ‘alcohol-blaas-zuil’, of het inspelen op de sociale omgeving door een promotieteam in te zetten die alcoholvrije dranken ‘cool’ moet maken. Aan de hand van beoordelingen van ieder van deze experimenten (onder meer gebaseerd op inschattingen van effectiviteit, financiële kosten en wetenschappelijke relevantie) kan een keuze worden gemaakt voor één of meer van de interventies.

Ethische overwegingen In dit onderzoeksvoorstel is nagegaan welke ethische overwegingen een rol spelen bij de voorgestelde beleidsexperimenten. Hiertoe zijn de ethische richtlijnen van de American Psychological Association (APA), de ethische richtlijnen van de Commissie Ethiek van de faculteit Behavioural, Management, and Social Sciences (BMS) aan de Universiteit Twente (UT), de Wet Bescherming Persoonsgegevens, de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening en de Landelijke Code Ethische Toetsing Onderzoek geraadpleegd. Bij het uitvoeren van een nudging-experiment zoals beschreven in dit rapport zal sprake zijn van het registeren van gedrag van uitgaanspubliek zonder dat zij daarvan op de hoogte zijn gebracht. Aangezien het gaat om een wetenschappelijk onderzoek en het vooraf informeren van het uitgaanspubliek de resultaten kan beinvloeden, is het redelijkwijs niet mogelijk deelnemers vooraf op de hoogte te brengen. Daarbij is het gedrag in kwestie natuurlijk gedrag in een openbare ruimte, en zullen vastgelegde gedragingen niet te herleiden zijn naar specifieke individuen. Op basis hiervan staat de wet- en regelgeving het toe af te wijken van de bovengenoemde ethische richtlijnen en dit of soortgelijk onderzoek uit te voeren. Sommigen vinden nudging betutteling. Wij menen in navolging van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR, 2014) dat we geen principiele bezwaren tegen de inzet van nudges zien, mits bij het onderzoek naar de effectiviteit zorgvuldig wordt omgegaan met de hierboven beschreven overwegingen, er voldoende transparantie wordt betracht richting burgers en andere stakeholders in de samenleving, het geen controversiele kwesties betreft en de gebruikelijke rechtsstatelijke aspecten worden meegenomen.

Werkwijze Wat een succesvolle interventie zal zijn, hangt af van een groot aantal factoren. Het is daarom van groot belang om wat betreft de keuze voor een geschikt beleidsexperiment en de opzet daarvan een gefaseerde aanpak te hanteren: •

Contextanalyse: welke problemen worden ervaren in het uitgaansgebied, wie zijn de aanwezige bezoekers, en op welke tijdstippen ontstaat uitgaansoverlast en van welk type?

3


•

•

• •

Selectie en ontwikkelen van interventies: Welke interventies pakken de indicatoren voor uitgaansoverlast in het uitgaansgebied het meest efficiënt aan? Welke samenwerking en expertise is nodig om de interventies te ontwikkelen? Welke stakeholders moeten hierin betrokken worden (ondernemers, ontwerpers, creatieven, producenten)? Nulmeting: welke gedragingen zijn observeerbaar, hoe beleven bezoekers de omgeving en het gedrag van anderen; en welke elementen in de fysieke en sociale omgeving zijn waarneembaar (hoeveelheid afval op straat, geluidsniveau)? Interventies: welke interventies worden in welke volgorde ingezet? Effectmeting: welke veranderingen in gedragingen, beleving, attitudes, en fysieke en sociale omgeving kunnen worden gemeten? Wat is de vergelijkbare controlelocatie waarme wordt vergeleken?

Om de (mogelijke) effecten zo objectief en systematisch mogelijk vast te stellen, kan voorts gebruik gemaakt worden van verschillende methoden van dataverzameling, zoals vragenlijsten waarmee kan worden nagegaan wat deelnemers merken of vinden van interventies, observaties van gedrag als wildplassen en vechtpartijen, sensorische data (bijv. geluidsniveaus) en data uit andere bronnen, zoals opnamegegevens van ziekenhuizen in de omgeving. De mate van effectiviteit van de experimentele opzet en de metingen hangt samen met een aantal randvoorwaarden: • • • • • • •

de verwachte effectiviteit op korte en langere termijn; de uitvoerbaarheid van zowel de experimenten als de metingen; voldoende financiële middelen; draagvlak onder bezoekers van uitgaansgebieden, omwonenden en horecaondernemers; de ethische implicaties van de experimenten; aantrekkelijkheid; en wetenschappelijke relevantie.

Er kan geconcludeerd worden dat een gefaseerde aanpak een manier biedt om interventies te ontwerpen en te onderzoeken. Met deze aanpak kan nudging succesvol worden ingezet om uitgaansoverlast te verminderen en daarmee bij te dragen aan een veilige en aantrekkelijke omgeving.

4


Summary Nightlife areas in towns and cities are regularly the scene of vandalism, aggression and public order violations (Van Hest, Faes, & Sannen, 2011). Recent research by the Dutch Centre for Crime Prevention and Security (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, CVV) among 73 municipalities shows that a large majority (83%) of the Dutch municipalities suffer from nightliferelated violence (Van Hest, 2009). Such nightlife-related nuisances exact a toll in terms of decreased social safety perceptions and damage to property, and understanding of the causes and suitable possibilities for reduction and prevention are therefore considered essential. Behavioral economists and psychologists acknowledge that decisions are often irrational or only partly rational. Behavior can be the result of (a combination of) two different kinds of processes. The spontaneous system consists of unconscious (implicit) processes that we have little control over, whereas the controlled, more reflective system is based on conscious (explicit) processes underlying decision making. Based on these ideas, the Council for Societal Development (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, RMO) recently argued for nudging as a means to influence citizens’ behavior through spontaneous and unconscious processes (RMO, 2014). This report concerns a proposal for a line of policy experiments aimed at preventing nightlife-related nuisances using nudging strategies, based on available knowledge from science and practice.

Research question The research question is: How can insights from social psychology and behavioral economics contribute to reduce nightlife-related nuisances? Nightlife-related nuisances is taken to include vandalism, aggression and public order violations, including noise pollution and urinating in public, insofar that these can be linked to visiting nightlife areas. Based on a literature exploration the following questions will be addressed: 1. What forms of behavioral influence strategies to prevent nightlife-related nuisances have already been applied (nationally and internationally) and how successful were these? 2. What are indicators of an increase and decrease in nightlife-related nuisance? 3. What new measures may municipalities and other parties take to enhance safety for those visiting nightlife areas and events? 4. Is it possible to conduct a policy experiment to examine the effectiveness of such a measure (question 3)? 5. How can such an experiment be designed?

Antecedents of nightlife-related nuisances Behavioral psychology focusing on the social and physical environment provides insights that could enable the use of nudges, primes and prompts to trigger desired behavior. These can be used to develop (field) experiments intended to reduce or prevent nightlife-related nuisances. For the context of nightlife-related nuisances norms are important. It is easy to imagine that people are more likely to perform certain behavior, such as urinating in public, when they see that many 5


others have gone before them. In such cases, the behavior of others creates a descriptive norm, which may cause norm transgressions to become contagious. In addition, alcohol intake makes individuals more susceptible to influences of the social environment. Additionally, incidents often take place in a group context. The social identity of the group one belongs to determines what is seen as acceptable behavior, and may explain why even law-abiding citizens sometimes engage in norm-violating behavior. The physical environment can also have a direct effect on nightlife-related nuisances. When nightlife areas are crowded and disorderly ('broken windows theory', Wilson & Kelling, 1982) the likelihood of vandalism or other norm-violating behaviors is higher. Finally, sensory influences such as high temperatures, noise, bad light and crowding may play a moderating role on the relationship between the variables above and nightlife-related nuisances. Nightlife-related nuisances are, therefore, primarily influenced by norms, alcohol consumption, and the social and physical environment, as expressed in the model below.

Social environment

Physical environment

Nightliferelated nuisances

Norms

Alcohol consumption

Possible policy experiments The experiments that will be covered in this report can all be related to one or more of the factors in the model above. For instance, a number of experiments use light (respectively street lighting, fun lighting and interactive lighting) to increase visibility of the area, but also the attractiveness or appeal, legibility (clarity) of the area, accessibility, as well as the self-awareness of the visitors to the nightlife area. Other experiments are focused on norm activation by exposing participants to their 6


own behavior by means of camera recordings, on giving advice by means of an ‘breathalyzercolumn', or by intervening in the social environment with promotion team aiming to increase ‘coolness’ of alcohol-free beverages. On the basis of evaluations of each of these experiments (based on, for instance, estimated effectiveness, financial costs, and scientific relevance) a choice can be made for one or more of the interventions.

Ethical considerations Furthermore, the ethical considerations that need to be taken into account in the proposed policy experiments are discussed. To this end the ethical guidelines of the American Psychological Association (APA) and of the Faculty of Behavioral, Management, and Social Sciences (BMS) at the University of Twente (UT), the "Wet Bescherming Persoonsgegevens", the Dutch Code of Conduct Scholarly Activities (Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening) and the National Code for the Ethical Review of Research (Landelijke Code Ethische Toetsing Onderzoek) were consulted. Performing a nudging experiment as described in this report requires video registration of behavior of citizens in nightlife areas, without their prior knowledge. However, relevant laws and regulations allow for deviating from the above ethical guidelines, because of the studies’ scientific nature, in which the focal behavior is natural behavior taking place in a public area, the impossibility of informing participants beforehand, and the fact that recorded behaviors cannot be traced back to specific individuals. In addition, some would regard nudging as belittling for its targets. Following the Scientific Council for Government Policy (Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; WRR, 2014) we see no principal objections to the use of nudges, provided that effectiveness studies take due account of the ethical considerations, sufficient transparency towards citizens and other stakeholders in society is maintained, controversial issues are avoided, and fundamental rights are respected.

Method A successful intervention will hinge on many factors. It is therefore essential to adopt a phased approach in selecting and designing a suitable policy experiment: • •

•

• •

Context analysis: which issues are experienced in the nightlife area, who are the visitors, at what times are nightlife-related nuisances experienced and of what type are they? Selection and development of interventions: which interventions address the indicators for nightlife-related nuisances most efficiently? Whom should be cooperated with, what expertise is needed to develop the interventions? Which stakeholders should be involved (entrepreneurs, designers, creatives, producers)? Baseline assessment: what behaviors can be observed, how do visitors experience the surroundings and the behavior of others? What elements in the physical and social environment are observable (amount of waste on the street, noise level)? Interventions: which interventions are deployed in what particular order? Effect measurement: which changes in behaviors, perceptions, attitudes, and physical and social environment can be measured? What is the control location which measurements are to be compared?

7


To establish the (possible) effects as objective and systematic as possible, different methods of data collection can be used, such as questionnaires (useful in determining what participants noticed or perceived regarding the interventions), observations of behavior (e.g., urinating in public and brawling), sensory data (e.g. noise levels) and data from other sources (such as admission data from hospitals in the area). The degree of effectiveness of the experiment and related measurements is contingent upon a number of pre-conditions: • • • • • • •

the expected effectiveness on short and longer term; the feasibility of both the experiments and the measurements; sufficient financial resources; support among visitors to nightlife areas, local residents and local nightlife entrepreneurs; the ethical implications of experiments; appeal; and scientific relevance.

It can be concluded that a phased approach is worthwhile to develop and test interventions. Doing so allows for the successful implementation of nudging as a strategy to reduce nightlife-related nuisances and, thus, contribute to safe and appealing environments.

8


INHOUDSOPGAVE Dankwoord ................................................................................................................................................ Samenvatting........................................................................................................................................... 1 Summary ……………………………………………………………………………………………………………………………………………5 1. Inleiding........................................................................................................................................... 11 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................. 11 1.2 Gedragsbeïnvloeding ............................................................................................................. 11 1.3 Doelstelling en vraagstelling.................................................................................................. 13 1.4 Leeswijzer .............................................................................................................................. 15 2. Indicatoren voor het ontstaan en voorkomen van uitgaansoverlast ............................................. 18 2.1 De rol van normen ................................................................................................................. 18 2.1.1 Zelfregulatie en normconform gedrag .......................................................................... 19 2.2 De invloed van alcoholgebruik .............................................................................................. 20 2.3 De invloed van de sociale omgeving ..................................................................................... 21 2.4 De invloed van de fysieke omgeving ..................................................................................... 22 2.5 Moderatoren: De versterkende invloed van contextuele en persoonlijke factoren ............ 23 2.6 Gedragsbeïnvloeding ............................................................................................................. 24 2.6.1 Nudging van normen ..................................................................................................... 25 2.6.2 Nudging voor het ontmoedigen van alcoholgebruik ..................................................... 27 2.6.3 Nudging door middel van de fysieke omgeving ............................................................ 29 2.7 Conclusie ............................................................................................................................... 31

3. Beleidsexperimenten ...................................................................................................................... 35 3.1 Voorstel voor toepassing van licht ........................................................................................ 35 3.1.1 Straatverlichting ............................................................................................................ 36 3.1.2 Fun-verlichting ............................................................................................................... 37 3.1.3 Interactieve verlichting.................................................................................................. 38 3.2 Voorstel confrontatie met eigen gedrag middels camerabeelden ....................................... 39 3.3 Voorstel sfeerbeïnvloeding ................................................................................................... 40 3.4 Voorstel projectie van ogen .................................................................................................. 41 3.5 Voorstel verminderen van alcoholgebruik ............................................................................ 42 3.5.1 Wegduwen van alcohol/naar je toetrekken van frisdrank ............................................ 43 3.5.2 Beschikbaarheid van water ........................................................................................... 44 3.5.3 Bio-feedback door middel van de alcohol blaaszuil ...................................................... 45 3.5.4 Aangepaste menukaart ................................................................................................. 45 3.5.5 Promotieteam ............................................................................................................... 46 3.6 Faciliterend omgevingsdesign ............................................................................................... 47 3.7 Onderhoud van de omgeving: aantrekkelijk en schoon........................................................ 48

4. Conclusies ....................................................................................................................................... 50 4.1 Ethische overwegingen ......................................................................................................... 52 4.1.1 De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening .............................................. 53 4.1.2 Wet Bescherming Persoonsgegevens ........................................................................... 53 4.1.3 Richtlijnen American Psychological Association (APA).................................................. 54 4.1.4 Richtlijnen Facultaire Commissie Ethiek, BMS, UT en Landelijke Code Ethische Toetsing voor Sociale Wetenschappen ........................................................................................................ 54 4.2 Implicaties ............................................................................................................................. 55 4.3 Tot slot ................................................................................................................................... 56 4.3.1 Effectmetingen .............................................................................................................. 58 9


Referenties ............................................................................................................................................ 61 BIJLAGE A Literatuurverkenning ............................................................................................................... i BIJLAGE B Wet- en regelgeving omtrent Ethiek ....................................................................................... i B.1 Wet Bescherming Persoonsgegevens ...................................................................................... i B.2 Richtlijnen American Psychological Association...................................................................... iv 2.1 Informed consent ............................................................................................................ iv 2.2 Afzien van informed consent........................................................................................... iv 2.3 Misleiding in onderzoek ...................................................................................................v 2.4 Debriefing .........................................................................................................................v B.3 Code ethische toetsing sociaal-wetenschappelijk onderzoek................................................. vi B.4 Richtlijnen Facultaire Commissie Ethiek, BMS, UT. ................................................................. vi BIJLAGE C Overzicht met geurassociaties.............................................................................................. viii

10


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Inleiding Uitgaansgebieden in dorpen en steden vormen vaak een gastvrije omgeving voor bezoekers, maar zijn helaas ook regelmatig het toneel van vernieling, agressie en aantasting van de openbare orde (Van Hest, Faes, & Sannen, 2011). Vaak speelt alcohol een rol omdat gebruik van alcohol kan leiden tot verminderde impulsbeheersing en in sommige gevallen tot uitgaansagressie en delicten. Omdat dergelijke uitgaansoverlast zijn tol eist in termen van sociale onveiligheid en materiële schade worden inzichten in de oorzaken en mogelijkheden tot vermindering en preventie noodzakelijk geacht.

1.1

Aanleiding

Recent onderzoek van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CVV) onder 73 gemeenten laat zien dat een ruime meerderheid (ca. 83%) van de Nederlandse gemeenten last heeft van uitgaansgeweld (Van Hest, 2009). Van deze gemeenten voert 87% beleid om het geweld aan te pakken. Een succesvolle aanpak bestaat volgens de deelnemers aan het onderzoek uit een combinatie van repressieve (i.e., politie, en horeca- en gebiedsverboden) en preventieve aanpakken. Hoe dit er concreet uitziet en welke combinaties succesvol zijn, daar verschillen de meningen over. Van Hest en collega’s (2011) pleiten dan ook voor een integrale aanpak waarbij samenwerking tussen verschillende partijen voorop staat, en hulpmiddelen zoals preventieve maatregelen, repressie en handhaving op basis van een risicoanalyse geïntegreerd worden ingezet. De laatste jaren ontstaat het beeld dat het aantal geweldsincidenten en de hoeveelheid overlast in het uitgaansleven –behoudens enkele piekmomenten- redelijk constant blijven (Kuppens, Van Ham, & Ferwerda, 2013). Niettemin heeft zich in het afgelopen jaar een discussie afgespeeld in de landelijke media over de overlast die sommige Amsterdammers ervaren als gevolg van massatoerisme en horecapubliek in de stad en wordt er wat dat betreft een vergelijking getrokken met de situatie in steden als Barcelona en Venetië (Kruyswijk, 2015, Otten & Kramer, 2015; Stad in Balans, 2015). Daarom moeten beleidsmakers zich blijven afvragen hoe we uitgaansoverlast kunnen verminderen, en het liefst helemaal voorkomen, door een geïntegreerde aanpak van maatregelen. In een recent adviesrapport over de grenzen aan gedragsbeïnvloeding door de overheid stelt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO, 2014) dat traditionele sturende maatregelen (bijvoorbeeld financiële prikkels) onvoldoende geschikt zijn, persuasieve communicatie (bijvoorbeeld een massa-mediale campagne) van de overheid als betuttelend wordt ervaren en dat wet- en regelgeving eerder uitgaat van wantrouwen dan van vertrouwen in burgers. De inzet van deze instrumenten zou onvoldoende effectief zijn, omdat beleidsmakers volgens dit adviesrapport vaak ten onrechte uitgaan van burgers die altijd rationele keuzes maken (RMO, 2014). Inzichten uit de psychologie en gedragseconomie laten zien dat het rationele keuzemodel slechts beperkt van toepassing is.

1.2

Gedragsbeïnvloeding

Veel beslissingen worden slechts deels rationeel genomen, en de keuzes die mensen maken zijn sterk afhankelijk van de context waarin de beslissing plaatsvindt. Zo zijn er allerlei rationele redenen te bedenken om geen of matig alcohol te nuttigen tijdens het uitgaan, maar wanneer we met vrienden op stap zijn is het moeilijk ons daaraan te houden, bijvoorbeeld omdat we niet ‘ongezellig’ willen overkomen. Gedragseconomen en psychologen onderkennen dat mensen zich lang niet altijd rationeel gedragen en dat gedrag wordt beïnvloed door twee cognitieve systemen (e.g., Ariely, 2008; 11


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Bargh, 1994; Kahneman, 2003, 2011; Shiffrin & Schneider, 1977; Simon, 1991). Zoals te zien is in Figuur 1.1. gaat het spontane systeem uit van onbewuste (impliciete) processen waarover niet of nauwelijks wordt nagedacht en waar weinig controle over kan worden uitgeoefend. Je springt bijvoorbeeld op na het horen van een onverwachte knal of je moet spontaan lachen als je iemand ziet struikelen. Het gecontroleerde reflectieve systeem gaat uit van meer bewuste (expliciete) processen waarover mensen goed nadenken en waarin beslissingen beredeneerd en in volle concentratie worden genomen. Deze twee systemen vormen geen ‘alles-of-niets’ fenomeen. De beide systemen zijn op te vatten als twee uitersten van een continuüm, en gedrag kan het resultaat zijn van (een combinatie van) beide systemen (Bargh, 1994; Shiffrin & Schneider, 1977). Als je bijvoorbeeld wordt aangewezen als de BOB van het gezelschap en je voelt je sterk verantwoordelijk voor het welzijn van de groep, zal je je over het algemeen goed voorbereiden op een alcoholvrije avond, zorgen dat de auto beschikbaar is en je sterk voornemen alleen fris en water te drinken. Omdat je deze avond van tevoren goed hebt doordacht (reflectieve systeem) is het later op de avond makkelijker om je daar aan te houden (spontane systeem) (e.g., Gollwitzer & Sheeran, 2009).

Figuur 1.1. Continuüm van spontaan naar beredeneerd gedrag

Op basis van deze ideeën pleit het RMO er in het rapport voor om nudging in te zetten, het sturen van gedrag van burgers via spontane en onbewuste processen, zonder daarbij hun vrijheden in te perken (RMO, 2014). Het Engelse ‘nudge’ betekent ‘a light touch or push’; in de huidige context zijn nudges interventies die mensen een zacht zetje geven in een bepaalde richting maar hen tegelijkertijd de ruimte geven om de eigen weg te kiezen. Een van de bekendste nudges is de vlieg op de bodem van het herentoilet van Schiphol, daar geplaatst opdat mannelijke bezoekers beter zouden mikken tijdens het plassen (zie Figuur 1.2). Het aantal knoeiers nam met 80% af (https://nudges.wordpress.com/the-amsterdam-urinals).

12


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Figuur 1.2. De vlieg in het herentoilet

Een ander voorbeeld is het plaatsen van gezond eten, zoals fruit, op ooghoogte in een schoolkantine. Studenten hebben nog steeds de keuzevrijheid om ongezond eten te kiezen, maar krijgen wel een duwtje in de richting van gezond eten (Hanks, Just, Smith, & Wansink, 2012). Toegepast op de context van uitgaansoverlast kan het activeren van sociale normen door het plaatsen van spiegels mensen een zetje geven in de richting van sociaal wenselijk gedrag. Het idee hierachter is dat spiegels mensen meer bewust maakt van hun eigen gedrag en dat zij zich daardoor netter gaan gedragen. Deze voorbeelden illustreren dat mensen gevoelig zijn voor allerhande cues in de sociale en fysieke omgeving die invloed hebben op gedrag en dat zij onbewust kunnen worden beïnvloed door de wijze waarop keuzes worden gepresenteerd (‘keuze-architectuur 1’) en door factoren in de omgeving. In hetzelfde jaar dat het RMO rapport verscheen werd in opdracht van het WODC door de DSP-groep een literatuurverkenning uitgevoerd over het terugdringen van alcohol-gerelateerde uitgaansgeweld. De voorgestelde interventies in dit rapport richten zich op handhaving, bewustzijnsbevordering en nudging. Op basis van de bevindingen werd onder meer geconcludeerd dat maatregelen die zich richten op onbewuste gedragsbeïnvloeding (nudging) als veelbelovend kunnen worden beschouwd maar ook dat de maatregelen meer gewenst effect sorteren als ze worden gecombineerd met handhavingsmaatregelen (Van Aalst, Van Dijk, & Loef, 2014).

1.3

Doelstelling en vraagstelling

Nudging is in feite een containerbegrip voor allerlei interventies die ingezet kunnen worden om mensen te verleiden tot “juiste” keuzes, en vertoont grote overeenkomsten met concepten als priming, prompting, triggering en cueing (zie Box 1.1 voor een overzicht van definities en voorbeelden van deze overeenkomstige concepten). Hoewel er over de specifieke rol van gedragsbeïnvloeding via spontane en onbewuste processen wel het een en ander bekend is in de wetenschappelijke psychologische en gedragseconomische literatuur en de praktijk, is deze kennis versnipperd en zelden toegepast op de context van uitgaansoverlast (maar zie bijvoorbeeld Van Aalst, Van Dijk, & Loef, 2014 als uitzondering). In het door ons voorgestelde onderzoek, willen wij een voorstel doen voor een lijn van beleidsexperimenten die erop gericht is uitgaansoverlast te verminderen. Door middel van deze beleidsexperimenten willen we op basis van beschikbare kennis (zowel uit de wetenschap als praktijk) nagaan welke interventies effectief zijn om de verschillende vormen van uitgaansoverlast te verminderen en mogelijk zelfs te voorkomen.

1 Thaler en Sunstein en omschrijven de keuzearchitect als volgt: “A choice architect has the responsibility for organizing the context in which people make decisions” (Thaler & Sunstein, 2008, p. 3); “A choice architect is anyone who designs the environment in which choices are made” (Thaler, 2009, p. 11)

13


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

De onderzoeksvraag luidt derhalve: Hoe kunnen inzichten uit de gedragswetenschappen (i.c., sociale psychologie en gedragseconomie) ingezet worden ter voorkoming van uitgaansoverlast? Op grond van een literatuuronderzoek worden interventies geselecteerd die het meest kansrijk zijn om uitgaansoverlast te reduceren en mogelijk te voorkomen. Onder uitgaansoverlast verstaan wij, in navolging van Van Hest, Faes en Sannen (2011), vernieling, agressie en aantasting van de openbare orde, waaronder geluidsoverlast en wildplassen, allemaal wanneer de gedragingen in verband kunnen worden gebracht met het bezoeken van uitgaansgelegenheden.

Voortbouwend op de hierboven beschreven inzichten zal aan de hand van een literatuurverkenning geprobeerd worden de onderstaande deelvragen te beantwoorden. 1. Welke vormen van gedragsbeïnvloeding ter voorkoming van uitgaansoverlast zijn al toegepast (nationaal en internationaal) en hoe succesvol waren deze? 2. Wat zijn indicatoren voor een toename en afname in uitgaansoverlast? 3. Welke nieuwe maatregelen kunnen gemeenten en andere relevante veiligheidspartijen nemen om het uitgaan in uitgaansgebieden en bij evenementen veiliger te maken? 4. Is het mogelijk om middels een beleidsexperiment een maatregel van vraag 3 te onderzoeken op effectiviteit? 5. Hoe kan zo’n experiment vormgegeven worden?

In dit rapport wordt een voorstel voor beleidsexperimenten gedaan die zich richten op een aantal indicatoren van uitgaansoverlast, zoals gepresenteerd in onderstaand model (zie Figuur 1.3). De voorgestelde beleidsexperimenten richten zich op 1) het activeren van normen; 2) het verminderen van alcoholgebruik tijdens het uitgaan; 3) de invloed van de sociale omgeving; en 4 ) de inrichting van de fysieke omgeving om uitgaansoverlast te verminderen en mogelijk te voorkomen.

14


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Sociale omgeving

Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik

Figuur 1.3. Indicatoren van uitgaansoverlast

Om vast te kunnen stellen welke interventies het meest kansrijk zijn om uitgaansoverlast tegen te gaan moet per voorgesteld beleidsexperiment eerst worden vastgesteld in hoeverre uit de beschikbare literatuur blijkt dat de voorgestelde interventies bij kunnen dragen aan het terugdringen van uitgaansoverlast. Theorieën uit de sociale psychologie, gedragseconomie maar ook uit het veld van ‘persuasive technology’ die van belang kunnen zijn gaan in op gedragsbeïnvloeding, op concepten als priming, prompting, en nudging, en het activeren van normen. In het hiernavolgende zal de doelstelling van dit onderzoek nader gespecificeerd worden aan de hand van de beschikbare theoretische invalshoeken.

1.4

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 van dit rapport worden inzichten in de indicatoren die bijdragen aan het ontstaan en voorkomen van uitgaansoverlast besproken. Hoofdstuk 2 geeft bovendien een inleiding op verschillende vormen van gedragsbeïnvloeding zoals beschreven in de gedragswetenschappelijke literatuur. In Hoofdstuk 3 wordt een voorstel voor een lijn van beleidsexperimenten gepresenteerd. Deze richten zich op het nudgen van normconform gedrag, het verminderen van alcoholgebruik, de sociale omgeving en mogelijkheden in het ontwerp van de fysieke omgeving. Hoofdstuk 4 biedt tot slot een beantwoording van de onderzoekvraag en deelvragen, een algemene conclusie en een voorstel voor een gefaseerde aanpak van de voorgestelde experimenten.

15


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid BOX 1.1 NUDGES, PRIMES, CUES, PROMPTS, TRIGGERS, SPARKS, FACILITATORS & SIGNALS In 2010 werd door de Engelse regering een Behavioural Insights Team (BIT) opgericht, dat ook wel bekend staat als de ‘nudge unit’. In navolging pleit de WRR ervoor in Nederland ook een dergelijke eenheid op te richten (WRR, 2014). Bij het Ministerie van IenM is inmiddels een dergelijk team in het leven geroepen en hebben we in Nederland ook een Behavioural Insight Netwerk (BIN). Het BIT heeft tot doel burgers te helpen om ‘betere keuzes voor zichzelf’ te maken. Het team baseert zich op gedragswetenschappelijke literatuur. Allerlei stimuli blijken geschikt om mensen te helpen een betere keuze te maken: een selectie uit de gedragswetenschappelijke literatuur richt zich op het nudgen, primen, cueën, prompten en triggeren’ van gedrag. Wat betekenen deze concepten?

Nudging

Priming

“A nudge, as we will use the term, is any aspect of the choice architecture that alters people’s behavior in a predictable way without forbidding any options or significantly changing their economic incentives. To count as a mere nudge, the intervention must be easy and cheap to avoid. Nudges are not mandates. Putting the fruit at eye level counts as a nudge. Banning junk food does not”.

Gebruik van ‘piano stairs’ in Stockholm, San Francisco en Parijs zet mensen aan om vaker de trap te nemen

Priming verwijst naar subtiele prikkels die kennis in het geheugen activeert, waardoor informatie beschikbaar komt. Als gevolg daarvan gebruiken mensen deze informatie vervolgens voor evaluaties en beslissingen.

Visuele cues –afbeeldingen van een bibliotheek- activeren de norm om stil te zijn, ook handig in de stiltecoupe!

Primes zoals visuele cues, woorden, zintuigelijke sensaties of activiteiten beïnvloeden gedrag zonder dat mensen zich daarvan bewust zijn.

Woorden in een ‘scrambled sentence test’ (fit, mager, actief, atletisch) zet mensen aan om vaker de trap te nemen

foto: www.novimores.nl

Cueing Vergelijkbaar met priming maakt cueing ook bepaalde informatie beschikbaar in het geheugen. Het belangrijkste verschil is dat deze informatie direct gerelateerd is aan het daaropvolgende gedrag.

Prompting

Net zoals cues zijn prompts signalen die direct aanzetten tot gedrag.

(foto: Boen et al., 2010)

Triggering

Het algemene concept ‘triggers’ kent vele benamingen: ‘prompts’, ‘cues’, ‘calls to action’, etc. Het idee is steeds hetzelfde: een trigger is iets dat direct aanzet tot gedrag! Fogg (2009) onderscheidt drie soorten triggers: 1) een ‘spark’ motiveert gedrag, 2) een ‘facilitator’ maakt gedrag makkelijker, en 3) een ‘signal’ duidt het gedrag aan of herinnert ons eraan.

16

Het plaatsen van fruit op ooghoogte maakt het makkelijker om voor gezond eten te kiezen

Geur van schoonmaakmiddel zorgt ervoor dat mensen hun eigen omgeving ook beter opruimen Een uitgestoken hand vormt een duidelijke cue om de hand te schudden De eerste regendruppels vormen een cue om een paraplu op te steken of om te gaan schuilen

Posters met de tekst “Blijf in vorm. Volg de voeten”, voetstappen op de grond die naar de trap leiden, kunst en muziek zijn allen prompts die veelvuldig worden ingezet om mensen vaker de trap te laten nemen


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid BOX 1.1 NUDGES, PRIMES, CUES, PROMPTS, TRIGGERS, SPARKS, FACILITATORS & SIGNALS Bronnen Behvioural Insights Team: • • @ @

Lawrence, F. (2010, November 12). First goal of David Cameron's 'nudge unit' is to encourage healthy living: Behavioural Insight Team set up by prime minister will focus on urging people to 'make better choices for themselves'. Guardian. Retrieved from http://www.theguardian.com/politics/2010/nov/12/david-cameron-nudge-unit De Jong, R., & Plochg, Th. (2015). Dialoog ‘met gedragskennis beleid maken’. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, 93(8), 300-301. www.behaviouralinsights.co.uk www.wrr.nl

Nudging • •

Thaler, R.H., & Sunstein, C.R. (2008). Nudge: Improving Decisions about Health, Wealth and Happiness. New Haven, CT: Yale University Press. Thaler, R.H. (2009). Public policy nudges: The government as choice architect. In De Overheid als Keuzearchitect? (pp. 9 - 21). Den Haag: WRR.

Priming • • • • • • •

Aarts, H., & Dijksterhuis, A. (2003). The silence of the library: Environment, situational norm, and social behavior. Journal of Personality and Social Psychology, 84(1), 18-28. http://dx.doi.org/10.1037/0022-3514.84.1.18 Bargh, J. A. (2002). Losing consciousness: Automatic influences on consumer judgment, behavior, and motivation. Journal of Consumer Research, 29(2), 280-285. Bargh, J. A., & Chartrand, T. L. (2000). Study the mind in the middle: A practical guide to priming and automaticity research. In H. T. R. C. M. Judd (Eds.), Handbook of Research Methods in Social and Personality Psychology. New York: Cambridge University Press. Bargh, J. A., Chen, M., & Burrows, L. (1996). Automaticity of social behavior: Direct effects of trait construct and stereotype activation on action. Journal of Personality and Social Psychology, 71(2), 230-244. doi: 10.1037/00223514.71.2.230 Holland, R. W., Hendriks, M., & Aarts, H. (2005). Smells like clean spirit: Nonconscious effects of scent on cognition and behavior. Psychological Science, 16(9), 689-693. doi: 10.1111/j.1467-9280.2005.01597.x Wryobeck, J., & Chen, Y. (2003). Using priming techniques to facilitate health behaviours. Clinical Psychologist, 7(2), 105-108. doi: 10.1080/13284200410001707553 Wyer, R.S. (2008) The role of knowledge accessibility in cognition and behavior: Implications for consumer information processing, 31-76. In C.P. Haugtvedt, P.M. Herr, & F.R. Kardes (Eds.), Handbook of Consumer Psychology. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

Cueing • • •

Costley, C. L., & Brucks, M. (1992). Selective recall and information use in consumer preferences. Journal of Consumer Research, 18(4), 464-474. Hsu, Jen-Hsien (2015). Of morals and scents: How consumers’ physical sensation of cleanliness affects their evaluations of green products. (PhD thesis), University of Leeds, Leeds. Sudevan, P., & Taylor, D. A. (1987). The cuing and priming of cognitive operations. Journal of Experimental Psychology: Human Perception and Performance, 13(1), 89-103.

Prompting • •

• • •

Boen, F., Maurissen, K., & Opdenacker, J. (2010). A simple health sign increases stair use in a shopping mall and two train stations in Flanders, Belgium. Health Promotion International, 25(2), 183-191. doi: 10.1093/heapro/daq001 Foster, C., Hillsdon, M., Cavill, N., Bull, F.C., Buxton, K., & Crombie, H. (2006). Interventions that use the environment to encourage physical activity: Evidence review. Londen, UK: National Institute for Health and Clinical Excellence (NICE). Verkregen op 8 oktober 2015, van http://www.nisb.nl/weten/bibliotheek/publicaties.html?item=3566&view=1173433 Kerr, J., Eves, F., & Carroll, D. (2001). Encouraging stair use: Stair-riser banners are better than posters. American Journal of Public Health, 91(8), 1192–1193. Van Nieuw-Amerongen, M.E., Kremers, S.P.J., de Vries, N.K., & Kok, G. (2011). The use of prompts, increased accessibility, visibility, and aesthetics of the stairwell to promote stair use in a university building. Environment and Behavior, 43(1), 131-139. doi: 10.1177/0013916509341242 Rogers, Y., Hazlewood, W. R., Marshall, P., Dalton, N., & Hertrich, S. (2010). Ambient influence: Can twinkly lights lure and abstract representations trigger behavioral change? Paper presented at the 12th International Conference on Ubiquitous Computing, UbiComp 2010, Copenhagen.

Triggering •

Fogg, B.J. (2009). A behavior model for persuasive design. Paper presented at the PERSUASIVE 2009, Claremont, California, USA.

17


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Indicatoren voor het ontstaan en voorkomen van uitgaansoverlast Bij het bepalen van maatregelen om overlast tijdens het uitgaan te verminderen en mogelijk te voorkomen, is het van groot belang te weten waarom individuen of groepen overlast veroorzaken. Daarom zal eerst in kaart worden gebracht welke factoren een rol spelen bij het ontstaan van overlast.

2.1

De rol van normen

Normen worden in het algemeen beschouwd als belangrijke antecedenten van gedrag. Vroege gedragsvoorspellende modellen zoals de Theorie van Beredeneerd Gedrag (Ajzen & Fishbein, 1980) gingen er al uit dat naast de attitude, ook de “beliefs” over wat anderen zouden vinden van het focale gedrag sterk van invloed zijn op de intentie dat gedrag uit te voeren. Cialdini e.a. (1990) maakten later onderscheid tussen descriptieve en injunctieve normen. Beide zijn zogenaamde sociale normen, omdat ze tot stand komen of opgelegd worden vanuit de sociale omgeving. Het overtreden ervan kan leiden tot een sociale sanctie, bijvoorbeeld gezichtsverlies ten overstaan van anderen. Descriptieve normen hebben betrekking op wat mensen afleiden uit wat anderen feitelijk doen in een bepaalde situatie, terwijl injunctieve normen betrekking hebben op wat mensen vinden dat anderen van hen verwachten. Het gaat er bij injunctieve normen dus om wat “hoort” in een bepaalde situatie. Zo is in het geval van een bibliotheek de injunctieve norm dat men stil is en anderen niet stoort. Lawaai maken hoort immers niet in een bibliotheek. Wanneer er desondanks toch lawaai wordt gemaakt door aanwezigen in een bibliotheek kan bij de bezoeker het idee (d.w.z. de descriptieve norm) ontstaan dat het in orde is om er lawaai te maken. Evenzo kan er in een uitgaansgebied sprake zijn van een norm dat het prima is in een uitgaansomgeving lawaai te maken omdat we zien dat anderen dat ook doen (een descriptieve norm), maar tegelijkertijd zouden we ons kunnen realiseren dat het in die omgeving niet hoort dat te doen (injunctieve norm). Daarnaast kan er ook sprake zijn van een persoonlijke of geïnternaliseerde norm (Kallgren, Reno, & Cialdini, 2000). Men zou hierbij kunnen spreken van een strikt individuele waarde, die niet onder invloed staat van de omgeving. Zo kunnen individuen van zichzelf het idee hebben dat ze een bepaald gedrag nooit zouden vertonen (bijv. om nooit harder te rijden dan de maximale snelheid, om geen dieren te mishandelen, of om nooit iemand opzettelijk te beledigen), onafhankelijk van wat ze anderen zien doen (descriptieve norm) of wat hoort in een bepaalde situatie (injunctieve norm). De “sanctie” op het overtreden van zo’n persoonlijke norm is hoofdzakelijk intern (schaamte voor het eigen gedrag). Omdat het bij uitgaan echter vooral gedrag in een sociale context betreft, lijkt deze persoonlijke norm het minst belangrijk voor het voorkomen van uitgaansoverlast. Figuur 2.1 visualiseert het verband tussen de verschillende typen normen. Cialdini e.a. (Cialdini, Kallgren, & Reno, 1991; Cialdini et al., 1990) wezen er echter op dat normen niet altijd leiden tot overeenkomend gedrag. Hiervoor is vereist dat normen actief of saillant zijn in de gegeven situatie. Met andere woorden, mensen die een persoonlijke norm hebben om in een bepaalde omgeving geen lawaai te maken of rommel te maken, gedragen zich niet noodzakelijkerwijs als zodanig als hun aandacht niet specifiek op dit gedrag is gericht. Aan de andere kant heeft onderzoek laten zien dat bewuste aandacht op het gedrag geen absolute vereiste is. Normen kunnen namelijk ook ongemerkt of onbewust geactiveerd worden. Zo bleek dat 18


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid mensen die afbeeldingen te zien kregen van een bibliotheek, en vervolgens woorden moesten oplezen, dit minder luid deden dan degenen die geen bibliotheek hadden gezien (Aarts & Dijksterhuis, 2003). Blijkbaar zijn er sociale regels die we koppelen aan bepaalde omgevingen, zoals zacht spreken in een bibliotheek, en kunnen we die regels gaan naleven wanneer we nadenken over die omgevingen, zelfs wanneer we ons er niet daadwerkelijk bevinden en de regels daarmee irrelevant zijn.

Normen

Persoonlijke of geïnternaliseerde norm

Sociale norm

Descriptieve norm

Injunctieve norm

Figuur 2.1. Overzicht verschillende typen normen

Voor de context van uitgaansoverlast zijn normen van belang. Het is gemakkelijk voorstelbaar dat mensen bijvoorbeeld meegaan in een bepaald gedrag, zoals wildplassen, wanneer ze zien dat vele anderen hen voor zijn gegaan. Door het gedrag van anderen ontstaat er een descriptieve norm die het voor het individu gemakkelijker maakt hetzelfde gedrag ook te gaan vertonen. Onderzoek heeft aangetoond dat tekenen van normovertredend gedrag niet alleen kunnen leiden tot imitatie van hetzelfde gedrag, maar ook tot het schenden van normen op andere gebieden (Keizer, Lindenberg, & Steg, 2008). Keizer e.a. lieten onder meer zien dat mensen rommel sneller op de grond gooiden wanneer ze in een omgeving waren waarin er sprake was van graffiti op de muur terwijl er een verbodsbord tegen graffiti aanwezig was. Soortgelijke conflicten tussen descriptieve (graffiti op de muur) en injunctieve normen (verbodsbord) leidden eveneens tot andere normoverschrijdende gedragingen, zoals het begeven op verboden terrein, het niet terug brengen van winkelwagens, en het meenemen van enveloppen die uit brievenbussen staken. Overduidelijke normoverschrijdingen kunnen daarom besmettelijk zijn. 2.1.1 Zelfregulatie en normconform gedrag Zoals hierboven beschreven kan normconform gedrag optreden zonder dat het individu zich daar bewust van is. Toch suggereert ander onderzoek dat het ook moeite kan kosten je te gedragen naar de verwachtingen van de sociale omgeving. Vohs, Baumeister, en Ciarocco (2005) onderstreepten het belang van zogenaamde regulerende mentale hulpbronnen bij sociale interacties. Zij stelden het vermogen tot zelfregulatie –of zelfbeheersing- voor als een “voorraad” regulerende mentale hulpbronnen, die als een spier uitgeput kunnen worden door overmatige belasting. Bij uitputting 19


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid ervan zou men minder in staat zijn zichzelf te beheersen.Overeenkomend met dit idee lieten ze bijvoorbeeld zien dat taken die de hulpbronnen uitputten tot gevolg hadden dat individuen daarna minder goed in staat waren hun gedrag te sturen. Zij bleken bijvoorbeeld in vergelijking met nietuitgeputte personen meer geneigd om intieme informatie over zichzelf met anderen te delen, en minder geneigd om sociaalwenselijk gedrag te vertonen. Interessant in de context van uitgaan is dat de sociale omgeving zelf ook een nadelige invloed kan hebben in het vermogen van individuen om zich normconform te gedragen. Tyler en Burns (2008) lieten zien dat sociale omgevingen eveneens tot uitputting van de mentale hulpbronnen kunnen leiden, omdat mensen continu op anderen in hun omgeving letten om na te gaan hoe zijzelf door die anderen gezien worden (Leary & Baumeister, 2000; Tyler & Burns, 2008). Uitgaan is een bij uitstek sociale activiteit, en dit impliceert dat uitputting van deze hulpbronnen, en dus verminderde zelfcontrole, een belangrijke rol zouden kunnen spelen in uitgaansgerelateerde overlast. Het is echter moeilijk concreet aan te geven tot welke specifieke gedragingen dit in de uitgaanscontext zou kunnen leiden. Gedrag dat afwijkt van wat in een dergelijke situatie als wenselijk wordt beschouwd of dat afwijkt van een injunctieve norm, zoals teveel lawaai maken of ruw gedrag naar anderen toe ligt evenwel in de lijn der verwachting, al is hierover geen ondersteuning beschikbaar in de wetenschappelijke literatuur. Verder moet hier de kanttekening worden geplaatst dat er het afgelopen jaar de nodige kritiek is geweest op deze theorievorming (zie bijv. Lurquin e.a., 2016; zie ook http://www.nrc.nl/next/2016/04/04/zelfbeheersing-uitgeput-hoeft-niet-1607246 en http://www.nrc.nl/nieuws/2016/04/09/psychologische-oorlogvoering-1605724).

2.2

De invloed van alcoholgebruik

Alcohol Myopia Theory (Josephs & Steele, 1990) is een van de meest geaccepteerde theorieën met betrekking tot de invloed van alcohol op gedrag. Volgens deze theorie leidt overmatig alcoholgebruik tot een vernauwing van de cognitieve capaciteiten. Het gaat er vanuit dat alcohol een remmend effect heeft op het vermogen om om te gaan met tegenstrijdige stimuli in de omgeving, en wordt daardoor in verband gebracht met “gedisinhibeerd gedrag” zoals agressie (Giancola, Josephs, Parrott, & Duke, 2010). Dit wordt ondersteund door een recent veldexperiment in een uitgaansgebied (Van Hoof, De Vries, & Kroese, submitted). In die studie werd duidelijk dat alcoholgebruik zorgt voor verminderd cognitief vermogen alsmede een negatieve houding ten aanzien van alcoholmatiging. Mensen die gedronken hebben kunnen een sociale situatie minder goed beoordelen, waardoor de kans dat zij zich agressief gaan gedragen wordt vergroot (Giancola, Duke, & Ritz, 2011). Een dergelijke relatie tussen alcoholgebruik en normoverschrijdend gedrag is ook in Nederland in vele onderzoeken aangetoond (e.g., Ferwerda, Van Hasselt, Van Ham, & Voorham, 2012; Van Hest, 2009; Van Hest, Faes, & Sannen, 2011). De beschikbaarheid van alcohol en vooral het gemak waarmee jongeren aan alcohol kunnen komen geldt als de belangrijkste voorspeller van alcoholgebruik (Paschall et al, 2007; Pokorny et al, 2006) en alcoholgebruik werkt uitgaansoverlast in de hand. Drie typen beschikbaarheid zijn hier relevant; de fysieke beschikbaarheid van alcohol (denk aan openingstijden en het aantal verkooppunten), economische beschikbaarheid (de prijs van alcoholische dranken) en de juridische beschikbaarheid (wetgeving die alcoholverstrekking –o.a. aan jongeren- reguleert) (Van Hoof, 2010). Omdat jongeren vaak een vast budget uitgeven tijdens het uitgaan, leiden prijsacties in de horeca bijvoorbeeld tot meer alcoholgebruik. Jongeren besteden immers hetzelfde bedrag als zonder prijsactie (Van Hoof, De Jong, & Van Noordenburg, 2008). Het kopen van alcohol voor jongeren onder de wettelijke 20


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid leeftijdsgrens blijkt bijna net zo makkelijk als het kopen van een flesje cola (Van Hoof & Gosselt, 2013). Om kort te gaan veroorzaakt alcoholinname een focus op de meest opvallende stimuli in een omgeving, ten koste van andere. Zo bleken “beschonken” deelnemers in een studie naar meningen over rijden onder invloed van alcohol in hun antwoorden vooral te worden beïnvloed door de wijze van vraagstelling (MacDonald, Zanna, & Fong, 1995). Dezelfde gevoeligheid voor de meest opvallende stimulus, d.w.z. een manipulatie in de vraagstelling, is herhaaldelijk aangetoond (Davis, Hendershot, George, Norris, & Heiman, 2007; Giancola et al., 2010; MacDonald, Zanna, & Fong, 1996). Als we er vanuit gaan dat het gedrag van anderen in een uitgaanscontext ook een stimulus is die nadrukkelijk aanwezig kan zijn (denk aan lawaai, wildplassen, agressief gedrag, etc.), dan zou het bovenstaande impliceren dat alcoholinname ervoor kan zorgen dat individuen ontvankelijker zijn voor invloeden uit de sociale omgeving.

2.3

De invloed van de sociale omgeving

Onderzoek van Graham, Bernards, Osgood en Wells (2006) maakt duidelijk dat de sociale omgeving (i.e. de aanwezigheid van anderen en allerlei omstandigheden die sociale interactie beïnvloeden) invloed heeft op het ontstaan van uitgaansagressie in horecagelegenheden. Incidenten die leiden tot uitgaansoverlast vinden dan ook regelmatig plaats in groepsverband. Uitgaanspubliek zal soms een verzameling zijn van losse individuen, maar veel vaker bestaan uit groepen van verschillende omvang, zoals groepen vrienden, vriendinnen en collega’s. Dit heeft een sterke relevantie voor normen omdat deze niet los kunnen worden gezien van de aard en samenstelling van deze groepen. Bij sociale groepen doet zich namelijk het verschijnsel voor dat de identiteit van het individu wordt overstegen door die van de groep. Dit idee is afkomstig van Henry Tajfel. Hij liet zien dat het indelen van mensen in groepen op volstrekte willekeurige wijze voldoende was om categorisatie in termen van ingroups en outgroups (“wij” versus “zij”) te bewerkstelligen (Tajfel, 1979, 1982). Deze bevindingen hebben vervolgens geleid tot de ontwikkeling van de ‘Social Identity Theory’ (Tajfel & Turner, 1979). Uit deze theorie volgt dat mensen verschillende sociale identiteiten kunnen aannemen, afhankelijk van de outgroups waar men mee te maken heeft in een bepaalde context. Van belang voor de context van dit document is dat de specifieke normen die een rol gaan spelen een functie zijn van de sociale identiteit die wordt geactiveerd. Sociale identiteit wordt tegenwoordig gezien als onmisbaar om groepsgedrag te begrijpen en te beïnvloeden (Drury & Stott, 2011; Postmes, Spears, Lee, & Novak, 2005; Reicher, Stott, Cronin, & Adang, 2004). Het is de sociale identiteit die bepaalt wie het gedrag van anderen beïnvloedt, hoe groepsleden en niet-groepsleden en hun gedrag worden gezien, welk gedrag acceptabel is en welk gedrag niet. Wat wordt verstaan onder normconform gedrag is daarmee afhankelijk van de sociale identiteit. De sociale identiteitstheorie kan verklaren waarom “brave burgers” worden meegesleept tot het vertonen van wangedrag, zoals vandalisme of geweld (Reicher et al., 2004). Het is daarnaast aannemelijk dat de sociale identiteit ook bepaalt wat de invloed van specifieke rolmodellen op gedrag is. Iemand zou bijvoorbeeld zelf een belangrijk wetenschapper of politicus als lichtend voorbeeld kunnen zien, maar zich bij het uitgaan met leden van het voetbalteam meer laten beïnvloeden door topvoetballers als Lionel Messi. In extreme situaties kan de sociale identiteit ervoor zorgen dat hardhandig optreden van politie tegen een groepslid wordt gezien als een onterechte afstraffing voor de gehele groep, met escalatie tot gevolg (Reicher et al., 2004). Evenzo kan ongedifferentieerd politieoptreden ertoe leiden dat men zich deel voelt van een veel grotere 21


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid sociale groep, meer radicale elementen incluis, waarin men het gerechtvaardigd vindt om weerstand te bieden aan dergelijk optreden. Zo kan het aanspreken van mensen naar aanleiding van het gedrag van een enkeling leiden tot weerstand, wanneer dat als een onterechte bestraffing wordt ervaren. Omgekeerd kunnen groepsleden die gedrag vertonen dat onacceptabel wordt geacht binnen de groep, bijvoorbeeld lawaai maken of wildplassen, tot de orde worden geroepen door andere groepsleden ("self-policing"; Reicher et al., 2004). De sociale omgeving kan dus zowel positieve als negatieve invloed uitoefenen op het ontstaan van uitgaansoverlast. De aanwezigheid van grote groepen anderen (menselijke drukte) vormt bovendien een omgevingsfactor die kan bijdragen aan het ontstaan van uitgaansoverlast.

2.4

De invloed van de fysieke omgeving

Als het gaat om de rol van de omgeving moet onderscheid worden gemaakt tussen de sociale en fysieke omgeving (Graham et al., 2006). Ook de fysieke omgeving kan een direct effect hebben op het ontstaan van uitgaansoverlast. Uitgaansgebieden vormen immers de ‘nightscape’ die vaak het toneel is van plezier, avontuur en opwinding, maar die ook gelegenheid biedt om (sociale) normen te overtreden die overdag als vanzelfsprekend gelden (Chatterton & Hollands, 2003; Timan, 2013; Van Liempt & Van Aalst, 2012). Wanneer het druk is en het gebied er rommelig uitziet (‘broken windows theory’, Wilson & Kelling, 1982) is de kans op vandalisme of ander normoverschrijdend gedrag groter. Naast dergelijke fysieke elementen hebben ook minder tastbare elementen zoals zintuigelijke invloeden effect op het ontstaan van uitgaansoverlast. Onderzoek naar de invloed van zintuigelijke omgevingsstimuli laat zien dat hoge temperaturen (Anderson, 1989), geluidsoverlast of harde muziek (Homel, Carvolth, Hauritz, McIlwain, & Teague, 2004), slechte ventilatie, slecht licht (cf. Anderson, De Bruijn, Angus, Gordon, & Hastings, 2009; Hughes, Anderson, Morleo, & Bellis, 2010) en drukte (De Groot & Van der Land, 2012; Green & Plant, 2007) invloed hebben op het ontstaan van uitgaansoverlast. Vanuit het S-O-R paradigma (Mehrabian & Russell, 1974) gaan we ervan uit dat ieder van deze zintuigelijke omgevingsstimuli de stimuli (S) vormen die een reactie (of evaluatie) bij mensen oproepen (O) en tevens (kunnen) leiden tot specifieke gedragsresponses, w.o. toenaderings- en vermijdingsgedrag (R). Zintuigelijke stimuli in de omgeving beïnvloeden de beleving en het gedrag. De aanwezigheid van deze zintuigelijke stimuli kunnen variëren in sterkte en intensiteit. Een sterk prikkelende omgeving ontstaat door een combinatie van (menselijke) drukte en prikkelende omgevingsstimuli (Van Hagen, Galetzka, & Pruyn, 2014). Dergelijke omstandigheden kunnen resulteren in verhoogde fysiologische arousal en zelfs psychologische stress (Baker & Wakefield, 2012; Hui & Bateson, 1991; Stokols, 1972; Stott & Drury, 2000; Worchel & Yohai, 1979). Vooral wanneer tijdens drukke momenten het aantal bezoekers de capaciteit van de ruimte overschrijdt ontstaan opstoppingen, gevoelens van ongemak, frustratie en bezorgdheid om de veiligheid (Coa et al., 2009; Lee et al., 2009). Een te sterk prikkelende omgeving (overstimulering door bijvoorbeeld muziek waarvan het volume te hoog staat, veel drukte op straat en hoge temperaturen) kan zorgen voor stress en irritatie in complexe en drukke omgevingen, terwijl een te zwakke intensiteit juist kan leiden tot verveling (Berlyne, 1971). Inzichten in de rol van de fysieke omgeving bieden aanknopingspunten om door middel van omgevingscues (in de vorm van nudges, primes en prompts) uitgaansoverlast te voorkomen. 22


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

2.5 Moderatoren: De versterkende invloed van contextuele en persoonlijke factoren Niet iedereen reageert hetzelfde op een situatie. Persoonlijke kenmerken als geslacht en leeftijd zijn van invloed op het ontstaan uitgaansoverlast, alsook contextuele kenmerken zoals specifieke kenmerken van de omgeving waarin uitgaansoverlast ontstaat. Uitgaansoverlast kan ontstaan op momenten dat het te druk wordt op plaatsen die de drukte niet kunnen verwerken, en moderatoren in werking treden die de orde en veiligheid kunnen verstoren, zoals bijvoorbeeld weersomstandigheden (hitte, luchtvochtigheid, regen of hagel en gebrek aan ventilatie) (Berlonghi, 1995). Agressie en overlast tijdens het uitgaan en evenementen ontstaan door een combinatie van factoren, waarbij alcohol een dominante rol kan spelen. Maar niet iedereen die alcohol heeft gebruikt zal zich agressief gaan gedragen, of overlast veroorzaken. Vooral de staat of gemoedstoestand waarin een persoon zich bevindt, bepaalt waarom de eén sterker (of zwakker) reageert op de sociale en fysieke omgeving dan de ander. Mannen zijn bijvoorbeeld veel vaker betrokken (zowel actief als passief – dader en slachtoffer) bij agressie dan vrouwen. Vooral mannelijk adolescenten zijn vaker betrokken bij agressie en geweld (Van Hest et al., 2011). Jongeren zijn bovendien impulsiever in hun gedrag en laten zich sterker beïnvloeden door hun sociale omgeving, waardoor ze sneller risico’s nemen. Jongeren die veel tijd doorbrengen met leeftijdsgenoten drinken vaker grote hoeveelheden alcohol gedurende een drinkevent (‘binge drinking’, e.g., Schrijvers & Schuit, 2010). Onder andere door de verwachtingen die een persoon zelf heeft over de effecten van alcohol, zijn jongeren in een groep sterker geneigd zich gewelddadig te gedragen (Graham et al., 1998; Van der Linden, Knibbe, & Joosten, 2004). In een verkennend onderzoek naar de totstandkoming en beïnvloeding van probleemgedrag in uitgaansgebieden (Bloeme, 2015) staat beschreven dat in het uitgaanspubliek onderscheid moet worden gemaakt tussen uitgaanspubliek tussen 20:30 en23:00 uur –mensen die ontspanning zoeken na het werk-, tussen 23:00 en 3:00 uur –feestende groepen- en tussen 3:00 en 6:00 uur – de clubbezoekers (zie ook Fox, 2015). Hoewel er een duidelijke overlap bestaat tussen de verschillende groepen, heeft iedere groep zijn eigen kenmerken. De ontspanningszoekers na het werk (tussen 20:30 en 23:00 uur) combineren hun bezoek soms met andere activiteiten zoals uit eten gaan, gevolgd door een film of muziekvoorstelling. Voor deze groep geldt bovendien dat het soms de werkgever is die het uitje organiseert en / of betaalt. De feestende groepen (23:00 tot 3:00 uur) zijn vaak een jonger publiek van zware drinkers, waarvan sommigen het uitgaan combineren met druggebruik. Sommigen jongeren beginnen met drinken voor het uitgaan (‘pre-loading’ oftewel indrinken). De clubbezoekers (3:00 tot 6:00 uur) zijn vaak gebruikers van meerdere middelen, of zoals Fox (2015) hen omschrijft ‘poly-substance users’ (pp. 18). Onderzoek van het Trimbos-instituut laat zien dat een kwart van de partybezoekers en een op de acht clubbezoekers meerdere middelen (zoals cannabis, ecstasy en cocaïne) gebruikt (Van der Poel, Doekhie, Verdurmen, Wouters, Korf, & van Laar, 2010). Hoewel middelengebruik vaak wordt gezien als een belangrijke risicofactor voor gewelddadig gedrag, komt druggerelateerd geweld aanzienlijk minder voor dan alcoholgerelateerd geweld, en is er over de omvang van druggerelateerd geweld en uitgaansoverlast maar weinig bekend (Ferwerda et al., 2012). Wel is bekend dat vooral de combinatie van stimulerende drugs (zoals ecstasy, cocaïne en amfetamine) en alcoholgebruik agressief gedrag faciliteert (Duijvestijn, 2004; Ferwerda, et al., 2012; Van Hest et al., 2011; Kuppens, Van Ham, & Ferwerda, 2013).

23


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid De verschillende groepen gaan met verschillende doelen op stap en reageren anders op sociale en fysieke situaties. Om deze reden vereist het ontwerpen van interventies om uitgaansoverlast te voorkomen een analyse van context en doelgroepen.

2.6

Gedragsbeïnvloeding

Als het gaat om het beïnvloeden van gedrag in een sociale en fysieke context bieden de sociale psychologie en gedragseconomie tal van aanknopingspunten. Zo kan persuasieve communicatie worden ingezet om gedrag te motiveren, persuasief omgevingsdesign om gedrag te faciliteren, en nudges, primes en prompts om gedrag te triggeren. Uitgangspunt van deze strategieën is dat gedrag wordt aangestuurd vanuit twee verschillende systemen (zie Figuur 1.1 in Hoofdstuk 1). Het reflectieve (expliciete, gecontroleerde) systeem is doordacht en bewust en gebruiken we bijvoorbeeld als we voor het uitgaan moeten plannen wie die avond 100% nuchter (als BOB met 0% op) terug zal rijden. Wanneer je wegduikt voor een projectiel dat plotseling op je afkomt gebruik je het spontane (impliciete) systeem (Thaler & Sunstein, 2008). Traditionele vormen van persuasieve communicatie die erop gericht zijn om mensen bewust te maken van de gevolgen van alcoholgebruik tijdens het uitgaan, maken voornamelijk gebruik van het eerste (reflectieve) proces. Nudges richten zich meer op het tweede (spontane) systeem (Thaler & Sunstein, 2008). Het concept nudging werd geïntroduceerd door Richard Thaler en Cass Sunstein, beiden professor op het gebied van de gedragseconomie. Zij gaan er – in navolging van Tversky en Kahneman (1974)- van uit dat mensen vaak keuzes maken op basis van systematische fouten (biases en heuristieken). Ze laten vervolgens zien hoe je door middel van nudging de ‘juiste’ keuze het meest aantrekkelijk maakt voor mensen zonder dat hun vrijheid wordt ingeperkt. Deze typen gedragsinterventies richten zich dus niet op het expliciet voorschrijven, motiveren of bewust maken van gedrag, zoals bij voorlichting of regelgeving het geval is, maar sturen het gedrag door middel van subtiele en schijnbaar irrelevante cues op onbewuste wijze (Thaler & Sunstein, 2008). Inzicht in de rol van intuïtie en ‘biases’ in besluitvormingsprocessen biedt interessante aanknopingspunten voor beleidsmakers. Nudges zijn goed toepasbaar wanneer cognitieve processen van personen beperkt zijn, zoals het geval is bij bezoekers die alcohol gedronken hebben. Nudges helpen mensen om betere keuzes te maken -zoals het weggooien van je rotzooi in de prullenbak (en dus niet op de grond), of kiezen voor de trap in plaats van de roltrap of lift- en kunnen in allerlei vormen worden aangeboden: het toepassen van nudges om normen te activeren, om alcoholgebruik te ontmoedigen en oponthoud op risicoplekken (donkere steegjes, muurtjes en onverlichte hoeken) te voorkomen door middel inrichting van de fysieke omgeving. Verscheidene onderzoeken (voornamelijk experimenteel onderzoek) tonen aan dat nudges, primes, prompts, cues en triggers effectief ingezet kunnen worden om gewenst gedrag te triggeren (zie Box 1.1. voor een overzicht). Het fysiek beschikbaar maken van een gezond product (bijv. fruit) in kantines bleek bijvoorbeeld effectief in het verhogen van consumptie en omzet van gezonde voeding (e.g., Hanks, Just, Smith, & Wansink, 2012; Hanks, Just, & Wansink, 2012; Just & Wansink, 2009), dit is ook in lijn met het vele onderzoek naar alcoholgebruik, waaruit blijkt dat de beschikbaarheid van alcohol de meest belangrijke voorspeller is van drinken door jongeren (Paschall et al, 2007; Pokorny et al, 2006). Subtiele cues, bijvoorbeeld in de vorm van voetstappen op de vloer werden effectief ingezet om mensen aan te zetten vaker de trap te gebruiken (e.g., Adams & White, 2002; Blamey, Mutrie, & Aitchison, 1980; Boutelle, Jeffery, Murray, & Schmitz, 2001; Kerr, Eves, & Carroll, 2001; Rogers et al., 2012; Suri, Leslie, Gross, & Sheppes, 2014; Van Nieuw-Amerongen et al., 2012). Het 24


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid gebruik van een verdrietige emoticon bleek een efficiënte gedragsinterventie om het energiegebruik terug te brengen (Schultz, Nolan, Cialdini, Goldstein, & Griskevicius, 2007). Het gebruik van een default nudge (dwz het aanbieden van een energiezuinig contract als default optie) bleek de keuze voor duurzame energie met 44.6% te verhogen (Momsen & Stoerk, 2014). Overige nudges (d.m.v. priming, framing, het activeren van sociale normen, of het aanbieden van een decoy optie) bleken in dit onderzoek overigens minder effectief. Een verklaring wordt gezocht bij Thaler and Sunstein (2008) en Sunstein and Reisch (2013) die beschrijven dat ‘defaults’ effectieve nudges zijn omdat mensen verandering het liefst zoveel mogelijk uitstellen, en het veel meer moeite kost om iets te doen dan om in de huidige status te blijven (i.e. inertie). Hoewel onderzoek naar de inzet van nudges om uitgaansoverlast te voorkomen schaars is, kunnen we op grond van literatuur uit andere domeinen (e.g., consumentenvoorkeuren, energiegebruik, gezondheidsbevordering) concluderen dat nudges vooral effectief blijken in het triggeren van gewenst gedrag als ze voldoen aan CAN-criteria. Dat wil zeggen als de geboden gedragsopties ‘convenient’ (gemakkelijk beschikbaar), ‘attractive’ (aantrekkelijk en opvallend) en ‘normal’ (de meest logische gedragsoptie) zijn (e.g., Hanks, Just, & Wanskink, 2013; Wansink, 2015). 2.6.1 Nudging van normen Met name interessant in de huidige context is onderzoek waarin nudges in staat bleken normen te activeren die een impact hebben op gewenst gedrag. Sociale normen spelen een belangrijke rol in alcoholgebruik. Incidenten ten gevolge van alcoholgebruik zullen over het algemeen makkelijk onthouden worden, waarbij ook negatieve incidenten (bv. ongelukken) positief worden herinnerd (Van Hoof, Van den Boom & De Jong, 2011). Doordat deze informatie snel en makkelijk beschikbaar is in het geheugen zijn veel jongeren geneigd te denken dat het de norm is om veel te drinken (cf. ‘availability heuristic’, Tversky & Kahneman, 1974; Broughton & Molasso, 2006; Prentice, 2008). Een slogan waarin werd verwezen naar de sociale norm (“80% van de jongeren drinkt minder dan 4 glazen alcohol per week”) bleek een effectieve nudge om misvattingen omtrent alcoholgebruik te weerleggen en gedrag te beïnvloeden (Linkenbach & Perkins, 2003; Thaler & Sunstein, 2008). Ook in de priming literatuur is aandacht besteed aan het activeren van sociale normen. Aarts en Dijksterhuis (2003) toonden bijvoorbeeld aan dat afbeeldingen van een bibliotheek in staat blijken mentale representaties van normatief gedrag in het geheugen te activeren, en daarmee aanzetten tot het vertonen van normatief gedrag in de bibliotheek (d.w.z., zachter praten). De geur van schoonmaakmiddel in de trein bleek een prime om minder zwerfafval achter te laten (De Lange, Debets, Ruitenburg, & Holland, 2012). Keizer, Lindenberg en Steg (2008) lieten op grond van de Broken Windows Theory (Wilson & Kelling, 1982) zien dat wanneer er graffiti was gespoten op muren terwijl er een anti-graffiti bord hing, mensen vaker het reclamemateriaal aan het stuur van hun geparkeerde fiets op de grond gooiden in plaats van in een afvalbak. Het onderzoek van Keizer en collega’s (2008) suggereert dat dit ongewenste gedrag tot stand komt als gevolg van conflicterende normen in de fysieke omgeving, d.w.z. tussen situationele normen die worden opgelegd en descriptieve normen die worden afgeleid uit het gedrag van andere mensen. Spiegels Een bekende methode om normen te activeren is het vergroten van de zogenaamde zelffocus door mensen een spiegel voor te zetten (Carver & Scheier, 1978). Vergroten van zelffocus leidt vervolgens tot activatie van persoonlijke normen. De Kort, McCalley en Midden (2008) richtten zich eveneens op het vergroten van zelffocus om het laten slingeren van afval op straat (littering) tegen te gaan, maar 25


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid probeerden daarbij expliciete en impliciete normactivatie tegen elkaar af te zetten. In een winkelstraat deelden ze folders uit, en ze stelden vervolgens welk deel daarvan in de prullenbakken verdween. Met deze prullenbakken werd normactivatie bewerkstelligd. Expliciete activatie vond plaats door teksten op de afvalbakken, waarmee persoonlijke normen werden geactiveerd. Impliciete activatie gebeurde d.m.v. een spiegel. In de studie werd vervolgens gevonden dat zowel spiegels (impliciete normactivatie) als de teksten (expliciete normactivatie) resulteerden in een reductie in de hoeveelheid materiaal die op straat kwam te liggen. Wicklund en Duval (1971) gebruikten voor hetzelfde doel eveneens een spiegel als interventie, maar ook andere manieren om mensen met zichzelf te confronteren, zoals stemmen van de deelnemers die waren opgenomen op band, en een televisiecamera (zie ook Kallgren et al., 2000). Mensen die worden blootgesteld aan camera’s of aan beelden van zichzelf verkrijgen daardoor eveneens een verhoogde zelffocus. Camera’s en projecties van ogen Een specifieke cue in de omgeving die een verhoogde zelffocus kan activeren is de aanwezigheid van een veiligheidscamera. Van Rompay, Vonk en Fransen (2009) deden onderzoek naar de aanwezigheid van een veiligheidscamera op pro-sociaal gedrag. Hun bevindingen toonden aan dat de deelnemers inderdaad meer hulp boden in de aanwezigheid van een camera, maar alleen als het ging om publiek observeerbaar gedrag. Van Bommel, Van Prooijen, Elffers en Van Lange (2012, 2014) toonden soortgelijke effecten aan in onderzoek waaruit bleek dat in de aanwezigheid van een beveiligingscamera mensen sterker geneigd waren om te helpen. De aanwezigheid van beveiligingscamera’s zou mensen bovendien een gevoel van veiligheid geven (Van Rompay, De Vries, & Damink, 2015). Een mogelijke verklaring voor de impact van beveiligingscamera’s is dat wij ons geobserveerd voelen door anderen die ons meer bewust maken van onszelf, en dat we ons voor ons gedrag moeten verantwoorden. Men kan zich echter afvragen of het effect van camera’s op gedrag niet afhangt van de percepties van de deelnemers t.a.v. van degene achter de camera en de heersende sociale norm. Met andere woorden, in een omgeving waar de descriptieve norm niet in lijn ligt met wat ordehandhavers of toezichthouders zouden willen zien, zou de aanwezigheid van camera’s juist een averechts effect kunnen hebben. Echter, Bateson e.a. (2006) probeerden mensen het idee te geven dat ze werden bekeken bij juist een heel individuele handeling, door het ophangen van een afbeelding met een paar ogen. Het ging hierbij over het doneren van geld in een zogenaamde “honesty box” 2 in een koffiekamer, gebruikt om periodiek koffie, melk en suiker te kopen. Het verzamelde bedrag bleek hoger wanneer ogen aanwezig waren geweest in de buurt van de honesty box in vergelijking met wanneer ze afwezig waren geweest. Hoewel dit gedrag buiten de context ligt van uitgaansgedrag, suggereert het dat de indruk bekeken te worden wel degelijk ook een invloed kan hebben op conformeren aan de persoonlijke in plaats van sociale norm. Verlichting Ook verlichting kan leiden tot een verhoogde zelffocus, zoals in recent onderzoek van Steidle en Werth (2014) is aangetoond. In een helder verlichte kamer werd een hoger zelfbewustzijn gerapporteerd, alsmede meer gecontroleerde en meer reflectieve zelfcontrole, resulterend in betere onderdrukking van behoeftes en sociaal onwenselijke impulsen. Daarnaast heeft onderzoek

2

Dit is een doos, pot of blik waarin mensen een vrijwillige bijdrage kunnen doen waarmee in dit geval op gezette tijden koffie en toebehoren kan worden aangeschaft ten behoeve van de betreffende groep of afdeling.

26


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid aangetoond dat een helder verlichte ruimte van invloed is op ervaren ruimtelijkheid en toenaderingsgedrag onder gebruikers van die ruimte (Okken et al., 2013). De Vos en Van Hagen (2015) deden voor NS onderzoek naar de invloed van verlichting op percepties van veiligheid, reinheidsbeleving en sfeer. Hun bevindingen tonen aan dat de lichtintensiteit een impact heeft op percepties van veiligheid en reinheidsbeleving, terwijl de kleurtoon van de verlichting (de warmte van het licht, uitgedrukt in Kelvin) meer bijdraagt aan de sfeer op het station. Toegepast op de context van uitgaansoverlast is aangetoond dat verbeterde straatverlichting in Engeland tot een reductie in criminaliteit heeft geleid van 30% (Van Noye & Wittebrood, 2008). Onderzoek met betrekking tot uitgaansoverlast als gevolg van de jaarlijkse Halloweenviering in Madison in de Amerikaanse staat Winsconsin suggereert echter een ander effect van verlichting. Als onderdeel van een jarenlange periode van trial-and-error om overlast te beteugelen werden verlichtingswagens ingezet om het einde van het feest in kerngebieden in de stad aan te kondigen. In tegenstelling tot het vertrek van bezoekers leidde dit juist tot toegenomen drukte. Blijkbaar dachten bezoekers dat er in de verlichte gebieden iets zou gaan gebeuren (Plant & Scott, 2011). SfeerbeĂŻnvloeding Het activeren van een verhoogde zelffocus en sociale normen kan ook een nadelige invloed hebben op het vermogen om zich normconform te gedragen. Het gevoel bekeken te worden kan leiden tot uitputting van de mentale hulpbronnen. De wetenschappelijke literatuur kent een aantal voorbeelden van interventies die tot doel hebben deze uitgeputte hulpbronnen weer op peil te brengen door middel van stemmingverhogende interventies (sfeerbeĂŻnvloeding). Schmeichel en Vohs (2009), bijvoorbeeld, zetten deelnemers ertoe aan in positieve zin over zichzelf na te denken en brachten ze in een betere stemming; beide interventies lieten een herstel van de mentale hulpbronnen zien. Ook Tice e.a (2007) lieten een positief effect van stemming en emotie zien: het laten zien van een comedy of het geven van een spontaan cadeautje resulteerde in herstel van de hulpbronnen. Zowel het onderzoek van Schmeichel en Vohs (2009) als dat van Tice e.a (2007) lieten een positief effect van stemming en emotie zien. Anderen lieten zien dat korte rustperiode van 10 minuten, of een ontspanningsoefening hetzelfde effect had (Tyler & Burns, 2008). Het CCV meldt in haar fact sheet (CCV, 2015) dat de Universiteit Utrecht in samenwerking met de gemeente Hilversum en het Openbaar Ministerie, onderzoeken wat de effectiviteit van nudges kan zijn m.b.t. het bevorderen van veilig en sociaal gedrag door uitgaanspubliek. Hiertoe werden een rode loper en spiegels ingezet (zie ook Van Gestel, De Ridder, & Adriaanse, 2016). Terwijl de spiegels het zelfbewustzijn en dus prosociaal gedrag moeten verhogen heeft de rode loper tot doel het uitgaansgebied te markeren als een bijzondere plek met chique associaties. In Rotterdam werd in 2015 succesvol genudged op straat met projecties van ogen, local heroes, banners, voetstappen, en afbeeldingen om vervuilgedrag te reduceren en veiligheidsgevoelens te verhogen. Ook op Stratumseind in Eindhoven wordt door een aantal partners, waaronder de Technische Universiteit Eindhoven, op grote schaal geĂŤxperimenteerd met de inzet van o.m. verlichting ter reductie van uitgaansoverlast (CCV, 2015). Zie de Box 2.1 met betrekking tot deze cases. 2.6.2 Nudging voor het ontmoedigen van alcoholgebruik In de literatuur en praktijk zijn voorbeelden voor handen waarin nudging wordt toepast voor het ontmoedigen van het gebruik van alcohol en het aanmoedigen van alcoholvrije alternatieven. Deze nudges zetten in op beschikbaarheid en priming van alcoholvrije alternatieven (en minder beschikbaar maken van alcohol). 27


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Beschikbaarheid De beschikbaarheid van alcohol is een belangrijke voorspeller van gebruik van alcohol. Bij jongeren is beschikbaarheid van alcohol de belangrijkste voorspeller van gebruik (Paschall et al., 2007; Pokorny, Jason & Schoeny, 2006) en belangrijker dan cognitieve voorspellers (Brown et al., 2008). De beschikbaarheid van alcohol bestaat ten eerste uit de sociale beschikbaarheid (hieronder valt alcohol die mensen krijgen via vrienden, of via het ouderlijk huis). Daarnaast zijn er nog drie vormen van beschikbaarheid die relevant zijn voor commerciële alcohol, namelijk economische beschikbaarheid (prijs van alcohol i.r.t. besteedbare middelen), fysieke beschikbaarheid (het aantal daadwerkelijke winkels, openingstijden) en juridische beschikbaarheid (wettelijke restricties waaronder leeftijdsgrenzen). Deze drie vormen van beschikbaarheid zijn ook meteen ‘knoppen’ waaraan de overheid kan draaien om gebruik –structureel- tegen te gaan. Zo zijn er in sommige landen minimum prijzen voor alcohol, of kan de overheid de belastingen verhogen (zoals bij tabak of benzine). Ook kan de overheid de fysieke beschikbaarheid beperken via een restrictief vergunningenbeleid (zoals bijvoorbeeld het verbieden van alcoholverkoop bij benzinepompen) en tot slot kan de overheid via (tijdelijke) wetten het gebruik in bepaalde gebieden (via de APV) of voor bepaalde groepen (18minners) verbieden. De enkele nudging experimenten die in dit domein gehouden zijn redeneren ook langs deze lijnen: Enerzijds alcohol minder beschikbaar maken en alcoholvrije alternatieven juist meer beschikbaar maken. Een voorbeeld is ontwikkeld door het Research Center ‘Designing out crime’ in Sidney dat zich tot doel heeft gesteld innovatieve maatregelen te ontwerpen om criminaliteit en sociale problemen te voorkomen. Een watermuur werd door hen ontworpen die passanten in het uitgaanscentrum de mogelijkheid geeft flesjes water te pakken (http://designingoutcrime.com/project/oxford-squarealcohol-related-assault/). Andere voorbeelden van nudging die op internet circuleren die via de lijn van beschikbaarheid redeneren is dat je gasten ongemerkt drank kunt serveren met minder alcohol. Dit is in Nederland bijvoorbeeld ook het geval bij carnaval en andere feesten waar speciaal ‘evenementenbier’ (+ 2,5%) wordt geschonken (https://nl.wikipedia.org/wiki/Evenementenbier). Andere tips op internet om alcoholgebruik bij thuisfeestjes te verminderen zijn concreet en praktisch, zoals bijvoorbeeld flessen wijn gebruiken in plaats van grote pakken waaruit getapt kan worden (die lang mee gaan en waaruit je makkelijker veel kan drinken) (http://inudgeyou.com/archives/5172) en beschikbaarheid beperken en drinktempo zichtbaar maken, bijvoorbeeld door iedereen een eigen flesje wijn (0,5 liter) te geven. Snelle drinkers voelen zich dan opgelaten als ze snel drinken (http://inudgeyou.com/archives/5172). Al deze praktische tips (en deels nudges) spelen dus in op de beschikbaarheid. Onbewuste processen De ‘Cognitive Bias Modification’ (CBM) theorie is succesvol toegepast om alcoholgebruik te verminderen. De theorie komt erop neer dat het brein wordt getraind om ingesleten processen te doorbreken (Hallion & Ruscio, 2011). Er zijn allerlei computerprogramma’s en Apps die toegepaste applicaties van deze theorie hebben ontwikkeld. Zo zijn er Apps om mensen van angsten af te helpen, of om positieve gedachten te ‘primen’. Vaak is de keuze voor bijvoorbeeld een alcoholisch drankje een routine en denk je helemaal niet na over een alcoholvrij alternatief. Een interventie gebaseerd op CBM maakt alcohol in het brein minder populair (zogenaamde alcohol-avoidance) en fris juist populairder. Een onderzoek van Wiers et al. (2011) laat zien dat die ‘onbewuste voorkeur’ voor alcohol kan worden afgeleerd door het spelen van een game, waar alcohol moet worden ‘weggeduwd’ en alcoholvrij moet worden ‘gepakt’. De methode is succesvol toegepast (ook in een 28


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid game) om alcoholisten van hun alcohol-afhankelijkheid af te helpen (bv Eberl et al., 2013). De principes die in CBM worden gebruikt (wegduwen alcohol, toetrekken fris) zijn nog alleen toegepast bij mensen met ernstige verslavings- en gedragsproblemen, en nog niet eerder om ‘recreatief’ drinkgedrag te beïnvloeden. Juist omdat de principes effectief blijken bij het veranderen van problematisch (verslavings)gedrag zou het interessant (en veelbelovend) zijn om dit in een meer reguliere setting te implementeren. Andere voorbeelden die ingrijpen op onbewuste processen zijn, onder andere, dat je kleine glazen moet gebruiken. Mensen schenken meer volume in grote glazen. In de horeca zouden kleine glazen bovendien zorgen voor meer bewegingen naar de bar (en daardoor het gevoel dat je meer drinkt). Ook het gebruiken van lange, smalle glazen zou leiden tot minder alcoholgebruik. Mensen kunnen niet goed inschatten hoeveel volume er in brede glazen gaat. Verticaal lijkt altijd meer (zie Figuur 2.2).

Figuur 2.2. Verticale en horizontale lijn

Een andere lijn is dat alcoholvrije dranken vaak als ‘aparte’ categorie worden gepresenteerd en dat de drinker eigenlijk buiten de groep (out-group) wordt geplaatst door het zichtbaar drinken van alcoholvrij. Goode, Balzarini en Smith (2014) toonden dat het activeren van groepslidmaatschap door middel van priming een succesvolle nudge kan zijn om alcoholgebruik onder studenten te verminderen, mits de descriptieve norm daarmee in lijn is. Een strategie is dat alcoholvrije dranken zouden moeten worden geserveerd in dezelfde glazen als alcoholhoudende dranken. (http://blogs.lse.ac.uk/politicsandpolicy/nudging-the-pub-a-change-in-choice-architecture-can-helppub-goers-drink-less/). Verder stellen meerdere auteurs dat het gewoontegedrag van het halen van rondjes afgeschaft zou moeten worden omdat zo het drinktempo te hoog komt te liggen. Bovendien zouden mensen op die manier minder snel een alcoholvrij alternatief durven te bestellen. Ook het gebruik van ‘kaartjes’, waarbij aan het eind van de avond / week / maand wordt betaald werkt deels volgens dezelfde redenering, mensen voelen pas aan het eind van de periode wat hun drinkgedrag eigenlijk gekost heeft. In die zin wordt de economische beschikbaarheid eigenlijk uitgesteld en worden mensen dus minder frequent geconfronteerd met de financiële gevolgen. Een ander onbewust proces dat wordt aangehaald is dat mensen sneller drinken uit glazen met reliëf en dat je rechte glazen zou moeten gebruiken als men minder moet drinken (volgens: http://inudgeyou.com/archives/5172). 2.6.3 Nudging door middel van de fysieke omgeving Via het ontwerp van de omgeving kunnen uitgaansgerelateerde gedragingen als vernieling en agressie, vandalisme, aantasting van de openbare orde, geluidsoverlast en wildplassen worden voorkomen. López, Luten, Woldendorp en Zwam (2008) beschrijven in het “Handboek Veilig Ontwerp en Beheer” (in het Engels vertaald naar CPTED, Crime Prevention Through Environmental Design) hoe zichtbaarheid, eenduidigheid, toegankelijkheid en aantrekkelijkheid (ZETA) van de omgeving 29


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid bijdragen aan een sociaal veilige omgeving (Lopez et al.,2008, zie ook: www.veilig-ontwerpbeheer.nl). •

•

•

•

Zichtbaarheid: overzichtelijkheid en zichtbaarheid zorgen ervoor dat ongewenst gedrag buiten het zicht van omstanders kan worden voorkomen. Donkere steegjes, muurtjes, en onverlichte hoeken dienen te worden voorkomen. Zichtbaarheid kan instrumenteel worden benaderd door bovengenoemde risicoplekken meer zichtbaar te maken door middel van belichting. Zichtbaarheid kan echter ook worden vergroot door de plekken meer op te laten vallen (d.m.v. opvallende signs of een opvallend design). Eenduidigheid: een eenduidige en duidelijke zonering van territoria. Een eenduidige en voorspelbare omgeving maakt duidelijk welke gedrag gewenst is, en welke (sociale) normen gelden voor het uitgaansgebied. Een duidelijke layout en bewegwijzering van het uitgaansgebied kan problemen voorkomen en een vlottere doorstroming stimuleren. Een eenduidig omgevingsdesign kan bovendien bijdragen aan de ‘leesbaarheid’ van het uitgaansgebied en aan de zichtbaarheid. Toegankelijkheid: door de omgeving toegankelijk (of juist ontoegankelijk) te maken wordt een omgeving beheersbaar en goed bereikbaar voor de juiste personen. Duidelijke looproutes en efficiënt natransport zorgen ervoor dat groepen mensen zich niet onnodig ophouden bij het verlaten van de horecagelegenheden en voorkomen de kans op ongewenste confrontaties en botsingen. Aantrekkelijkheid: een aantrekkelijke en goed onderhouden omgeving zorgt ervoor dat mensen zich ook ‘aantrekkelijk’ (dwz volgens de normen van het uitgaansgebied) gedragen. Een rommelige omgeving verhoogt juist de kans op normoverschrijdend gedrag (‘broken windows theory’, Wilson & Kelling, 1982).

Deze omgevingsdimensies staan overigens niet los van elkaar. Een eenduidig “leesbare” omgeving met duidelijk aangegeven looproutes en een aantrekkelijk en opvallend design draagt bij aan de overzichtelijkheid en zichtbaarheid van de ruimte. Zichtverhogende elementen in de vorm verlichting en zichtlijnen, faciliterend design van de omgeving, en onderhoud van de omgeving kunnen allen bijdragen aan de zichtbaarheid, eenduidigheid, toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van de omgeving en daarmee aan het voorkomen van uitgaansoverlast. Nudging door middel van zintuigelijke prikkels vormen een interessante manier om mensen aan te zetten zich normconform te gedragen. Prettige geuren bleken bijvoorbeeld zeer geschikt om positieve emotionele reacties op te roepen, en bleken tevens van invloed op het eigen gedrag; de geur van schoonmaakmiddel zette mensen aan ook hun eigen omgeving beter op te ruimen (Holland, Hendriks, & Aarts, 2005; Hsu, 2015; De Lange, Debets, Ruitenburg, & Holland, 2012; De Vos, 2015). Schifferstein, Talke en Oudshoorn (2011) deden onderzoek naar de invloed van geurprikkels in uitgaansgelegenheden (dance clubs) en toonden aan dat het gebruik van sinaasappel, zeewater en munt positieve effecten had op gedrag (i.c., dansen) en positieve emoties. Deze effecten traden op ongeacht de geur die werd aangeboden in de clubs. Jansen et al. (2016) deden onderzoek naar de effecten van omgevingsfactoren (de aanwezigheid van een camera of niet) in een opgeruimde of rommelige kamer. Zij toonden aan dat in een rommelige

30


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid kamer mensen zich vaker normoverschrijdend gedragen (i.c., spieken) dan in een opgeruimde kamer. De aan-of afwezigheid van een camera had in dit onderzoek overigens geen effect. Terwijl zintuigelijke omgevingsstimuli al jarenlang onderwerp zijn van academisch onderzoek (cf. Eysink Smeets, Moors, Van ’t Hof, & Van den Reek Vermeulen, 2010), is er over de effecten van ruimtelijke indeling en faciliterend design veel minder bekend. Onderzoek naar voetgangerstromen maakt echter duidelijk dat ruimtelijke indeling en faciliterend design een belangrijke rol spelen bij het begeleiden van voetgangers in drukke omgevingen (e.g., Chen, De Vries, Sun, 2011; Harrell & Hutt, 1976; Helbing et al., 2005). Verbreding van doorgangen zorgt voor een betere doorstroming van voetgangers (Seyfried et al., 2009). Goed geplaatste signalen en obstakels kunnen bezoekers op een subtiele wijze begeleiden naar de gewenste route (Chen et al., 2011). Dergelijke interventies dragen bij aan de eenduidigheid en toegankelijkheid van het uitgaansgebied. Duidelijk is dat fysieke omgevingsfactoren invloed hebben op het gedrag van voetgangers (Chen, de Vries, & Sun, 2011) – denk aan “herding 3”, doorstroming en verspreiding – in uitgaansgebieden, en dat nudging kan bijdragen aan een efficiënte voetgangersflow op plaatsen waar veel mensen samenkomen.

2.7

Conclusie

Uitgaansoverlast wordt, blijkens het bovenstaande, vooral beïnvloed door normen, alcoholgebruik, en de sociale en fysieke omgeving. De literatuur laat zien dat alcoholgebruik kan leiden tot een verminderde mate van zelfcontrole en een verhoogde kans op agressie. Vooral mannelijke adolescenten zouden extra gevoelig zijn voor agressie waarbij ze zich sterk kunnen laten beïnvloeden door de sociale en fysieke omgeving. Inzichten uit de gedragspsychologie met een focus op de sociale en fysieke omgeving bieden aanknopingspunten om door middel van nudges, primes en prompts gewenst gedrag te triggeren en uitgaansoverlast te reduceren of zelfs te voorkomen. In Hoofdstuk 3 worden 13 beleidsexperimenten beschreven die ingaan op het activeren van normen, het ontmoedigen van alcoholgebruik, en het voorkomen va n oponthoud op risicovolle plekken door middel van de inrichting van de fysieke omgeving. De experimenten richten zich op de toepassing van licht, camera’s, sfeerbeïnvloeding, projectie van ogen, verminderen van alcoholgebruik en faciliterend omgevingsdesign.

3

Herding verwijst naar het fenomeen dat mensen de neiging hebben anderen te volgen.

31


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid BOX 2.1 NUDGING IN NEDERLAND, ENKELE VOORBEELDEN In 2016 lopen in Nederland drie grote nudging projecten die gericht zijn op het verminderen van uitgaansoverlast. In Hilversum wordt met behulp van nudges geprobeerd om de veiligheid te verhogen, in Eindhoven het structureel verbeteren van het economisch en maatschappelijk functioneren van het Stratumseind”, gericht op drie thema’s; leefbaarheid, veiligheid en aantrekkelijkheid. In deze Box bespreken we de opzet, de achterliggende processen (nudges), de effecten en hoe die zijn gemeten. Hilversum Betrokken partijen: het project is uitgevoerd door de Universiteit Utrecht in opdracht van OM Spaces Amsterdam en in samenwerking met het Openbaar Ministerie Midden-Nederland en de gemeente Hilversum. Opzet: In dit onderzoek zijn twee nudges gebruikt: rode lopers (2 meter bij 15 meter) en twee spiegels (60 x 80 cm).

Achterliggende processen: uit psychologisch onderzoek weten we dat spiegels ervoor zorgen dat mensen zich bewust worden van zichzelf en dat dit de kans vergroot dat mensen zich gedragen volgens hun eigen normen en waarden. Rode lopers symboliseren status en klasse waardoor mensen het idee hebben dat ze op een bijzondere plek zijn waar ze zich horen te gedragen. Effectmaten: subjectieve veiligheid (hoe veilig voelt men zich?) en objectieve veiligheid (hoe veilig is het daadwerkelijk?). Effectmeting: looptijd 4 weken; eerste 2 weken baseline en laatste 2 weken implementatie interventie en effectmeting. Korte vragenlijsten tijdens uitgaan (n = 209), observaties en vragenlijsten dag later (n = 64). Effecten: subjectieve veiligheid 7,20 baseline en 7,72 effectmeting (10-punts schaal). Objectieve veiligheid geen effecten. Ongeveer de helft van alle passanten loopt over de loper en kijkt in de spiegels. Geen positieve of negatieve reacties op de nudges. Bron: Van Gestel, L.C., De Ridder, D.T.C. & Adriaanse, M.A. (2016). Rode lopers en spiegels – een onderzoek naar het effect van nudges op de veiligheid tijdens het uitgaan in de gemeente Hilversum. Utrecht: Universiteit Utrecht.

32


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Eindhoven Living Lab 2.0 Stratumseind Betrokken partijen: in gezamenlijkheid met partijen als ondernemers, brouwerijen, vastgoedeigenaren en gemeente (inclusief politie). Instemming college B&W. Opzet: via diverse sensoren op het Stratumeind worden gemeten: drukte, geluidsniveaus en zijn camerabeelden beschikbaar. Ook wordt bijgehouden hoe bezoekers actief zijn op sociale media. Afhankelijk van bezoekersstromen kunnen lichtpunten (met verschillende kleuren licht) worden bediend. Het licht-experiment ‘Throwing Light’ (LuxLab) was onderdeel van het Living Lab. Bezoekers kunnen fictief licht gooien dat dan als vlek te zien is op een scherm.

Het Living Lab Stratumseind 2.0 heeft diverse prijzen gewonnen. Er wordt ook samengewerkt met de Tu/E. Concrete onderzoeken naar de effectiviteit van de diverse interventies op het Stratumseind hebben we (nog) niet aangetroffen. Bron: Kanters, T. (2013). Living Lab, onderdeel van Stratumseind 2.0. Presentatie

33


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Rotterdam Betrokken partijen: het project is uitgevoerd door Dijksterhuis en Van Baaren in samenwerking met Radboud Universiteit Nijmegen in opdracht van de gemeente Rotterdam. Opzet: In dit onderzoek is een interventie ingezet, bestaande uit meerdere onderdelen, met het doel vervuilgedrag te verminderen en veiligheidsgevoelens te verhogen. De volgende interventieonderdelen werden ingezet om vervuilgedrag te verminderen: afbeeldingen van ogen, portretten van lokale, bekende mensen en afbeeldingen van voetstappen richting groene vuilnisbakken. Interventies die werden ingezet om veiligheidsgevoelens te verhogen waren: banners die verwijzen naar verbondenheid met de buurt, local heroes, en hechting op de straat.

Effectmaten: vervuilgedrag gemeten door observaties van gedrag (uitdelen van (halal-)snoepjes, observeren of snoepje belandt op de grond/in de vuilnisbak). Interviews werden gebruikt om veiligheidsgevoelens te meten. Effectmeting: looptijd 21 mei tot 21 juni 2015 (voormetingen/nametingen) in een interventie-straat (Dordtselaan) en een controle straat (Oranjeboomstraat) uitgaan. Effecten: Meer snoeppapiertjes in de vuilnisbak en mensen voelen zich veiliger in de interventiestraat. Bron: Dijsterhuis & Van Baaren (2015). Een schone boel en een veilig gevoel: Verminderd vervuilgedrag en verhoogde veiligheidsgevoelens door een gedragsinterventie in Rotterdamse straten. Nijmegen: D&B Applied Behavioural Science.

34


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

3. Beleidsexperimenten In het voorgaande is geschetst dat gedragsinterventies die zich richten op het nudgen van gewenst gedrag danwel het verminderen van overlast kansrijke mogelijkheden kan bieden voor beleidsexperimenten. In dit hoofdstuk worden 13 mogelijke beleidsexperimenten gepresenteerd. De voorgestelde experimenten richten zich op de rol van normen, alcoholgebruik, de sociale en fysieke omgeving als indicatoren van uitgaansoverlast (zie ook Figuur 1.3). Bij ieder van de experimenten wordt gevisualiseerd op welke indicatoren van uitgaansoverlast de voorgestelde experimenten met name betrekking hebben. Van alle beleidsexperimenten is een eerste beoordeling gedaan op 10 criteria. Hieronder staat beknopt beschreven hoe de aspecten zijn opgebouwd. Alles is positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief. 1) Verwachte effectiviteit korte termijn: een inschatting van de directe effecten van de interventie 2) Uitvoerbaarheid experiment: 3) Uitvoerbaarheid effectmeting: onderzoek naar de mogelijke effecten van het experiment. Indien meerdere afhankelijke variabelen gemeten moeten worden (bijvoorbeeld oponthoud en alcoholgebruik) is de meting lastiger. 4) Minimale financiële kosten: investeringen die nodig zijn om het experiment op te zetten en uit te voeren, rekening houdend met de wenselijke looptijd. 5) Minimale maatschappelijke kosten: zo min mogelijk financiële en maatschappelijke negatieve gevolgen. Een interventie met muziek brengt bijvoorbeeld geluidsoverlast voor omwonenden met zich mee. 6) Verwacht draagvlak: de mate waarin deelnemers en andere stakeholders (zoals de horeca) het initiatief steunt. 7) Minimale (afbreuk-)risico’s: de kans dat de interventie voortijdig moet stoppen, ook door kwetsbaarheid van de materialen. 8) Minimale ethische bezwaren: voor de deelnemers en andere fysieke personen geen ethische problemen. Dit geldt voor de interventie en de effectmeting. 9) Aantrekkelijkheid: is de interventie ‘leuk’ om te doen? 10) Wetenschappelijke relevantie: is de interventie, behalve effectief en haalbaar, ook interessant vanuit een academisch perspectief? Is het mogelijk om te publiceren in wetenschappelijke journals over de mechanismen die door de interventie worden aangesproken. Om enige mate van objectieve duiding te kunnen geven aan de ‘kwaliteit’ van de interventie als geheel is per interventie ook de totaalscore (max. 50) gegeven. Er is geen gewicht toegekend aan de criteria en sommige criteria zijn voorwaardelijk, derhalve moet ook inhoudelijk goed naar de interventies worden gekeken bij het bepalen van de definitieve ontwikkeling.

3.1

Voorstel voor toepassing van licht

Zoals beschreven in Hoofdstuk 2, zou in de buurt van uitgaansgelegenheden in probleemgebieden een sterk verlichte omgeving kunnen leiden tot een betere zelfcontrole, en een betere onderdrukking van behoeftes en sociaal onwenselijke impulsen. De voorgestelde lichtprojecten richten zich met name op de rol van normen, het verhogen van zelfbewustzijn (of zelffocus), en het verhogen van de aantrekkelijkheid en zichtbaarheid van de fysieke omgeving.

35


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Sociale omgeving Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik

3.1.1 Straatverlichting In dit beleidsexperiment willen we verlichting inzetten met meerdere doelen; zichtbaarheid van het gebied verhogen, maar ook de aantrekkelijkheid, leesbaarheid (eenduidigheid) van het gebied en toegankelijkheid alsook het zelfbewustzijn van de bezoekers aan het uitgaansgebied. Dit experiment begint met een vooronderzoek (contextanalyse) waarin in kaart wordt gebracht welke (risico)plekken geschikt zijn voor het experiment, en welke groepen van uitgaanspubliek (zie 2.5 voor een beschrijving van relevante groepen) zich op deze plekken begeven Om dit te onderzoeken zal een aantal gelijkwaardige uitgaansgebieden moeten worden geselecteerd. In deze gebieden zal eerst een nulmeting worden uitgevoerd, waar het basisniveau van overlast wordt vastgesteld (aan de hand van variabelen als: de mate van rommel op straat, het geluidsdrukniveau als maat voor geproduceerd lawaai, de mate waarin men bij het verlaten van uitgaansgelegenheden op de locatie rond blijft hangen, het aantal wildplaslocaties en het aantal “daders” van wildplassen, …). Daarna zal in de helft van de geselecteerde gebieden sprake zijn van sterke verlichting van de probleemgebieden, in de andere helft niet. Deze situatie zal gedurende een periode van een aantal weken gehandhaafd blijven, waarbij op uitgaansavonden metingen zullen worden verricht; na deze periode zal de interventie verplaatst worden, en wisselt de controle- en interventiegroep gedurende eenzelfde periode. Deze opzet vergt investering in en installatie van lichtinstallaties. Dit is technisch gezien naar verwachting tamelijk eenvoudig. Verder zullen t.b.v. de metingen video-opnamen moeten worden gemaakt en beoordeeld (bijv. voor variabelen m.b.t. rondhangen, wildplassen, …), en zullen de uitgaansgebieden voorzien moeten zijn van een aantal geluidsdrukmeters (meerdere per locatie, opgehangen op vergelijkbare plaatsen). De vraag is echter of deze aanpak niet leidt tot overlast onder omwonenden van de uitgaanslocaties; deze zouden hinder kunnen ondervinden van de toegenomen mate van verlichting, waardoor de ingreep (het plaatsen van verlichting) feitelijk bijdraagt aan de uitgaansoverlast. Het risico hierop zal per situatie moeten worden bekeken: op locaties waar uitgaansgelegenheden sterk geconcentreerd zijn zullen er tegelijkertijd wellicht weinig omwonenden zijn en is het risico lager dan in gebieden waar uitgaansgelegenheden en woningen sterker gemengd zijn. 36


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Een voordeel van de inzet van verlichting is dat de normactivatie die via versterkt zelfbewustzijn bewerkstelligd wordt a-specifiek is. Met andere woorden, het zou mensen ertoe aanzetten zich te gedragen zoals het “hoort”, maar dit zou zijn uitwerking kunnen hebben op allerlei gedragingen, niet alleen het maken van lawaai, maar ook wildplassen, agressie, vandalisme, etc. Als nadeel kan worden aangemerkt dat specifieke groepen hiervoor niet ontvankelijk zijn of zelfs een aversieve reactie zullen gaan vertonen. Groepen als hooligans hebben weliswaar gedeelde normen, maar die kunnen afwijken van wat vanuit een handhavingsperspectief wenselijk wordt geacht. Met andere woorden, verlichting zou ook onwenselijk gedrag in de hand kunnen werken. Dit kan worden voorkomen dat het pre-testen van de interventies bij specifieke groepen van uitgaanspubliek (zie ook Hoofdstuk 4 voor een verdere toelichting op rol van deze pre-testen). Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 32 / 50 3.1.2 Fun-verlichting In een volgende fase van dit onderzoek kan toepassing van gekleurd licht in combinatie met lichtprojecties bijdragen aan de zichtbaarheid en aantrekkelijkheid van het uitgaansgebied. Deze lichtprojecties kunnen bovendien gecombineerd worden met een vorm van gamification: Tijdens de Twente Science Night 2015, werd op initiatief van de Universiteit Twente, de voorgevel van de Grote Kerk in Enschede door middel van lichtprojecties omgetoverd tot een gameplatform. In het kader van dit evenement werd een applicatie ontwikkeld om op afstand retrogames als Tetris, Pong of Pinball te spelen. Gamification kan op deze manier worden ingezet om gewenst gedrag te belonen, en bezoekers te verspreiden over het uitgaansgebied. Deze opzet vergt investering in en installatie van lichtinstallaties. Dit is technisch gezien haalbaar maar vergt samenwerking met lichtexperts. Afhankelijk van de keuze (en uitvoering) voor de juiste technologie, kan dit kostbaar zijn en het vereist samenwerking met gemeentes en lichtontwerpers. Een voordeel van de inzet van lichtprojecties in combinatie met gamification is dat dit sterk kan bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het uitgaansgebied, en een afleidend onderdeel is dat verspreiding van bezoekers over het uitgaansgebied kan bevorderen.

37


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 33 / 50

(bron: Twente Science Night 2015

www.utwente.nl; http://munisense.com/)

3.1.3 Interactieve verlichting De toepassing van ‘smart materials’ (‘slimme’ materialen die van vorm kunnen veranderen door interactie met de omgeving) bieden voorts de mogelijkheid om op een interactieve manier nudges toe te passen. In navolging van de ‘follow the grass 4’ (Minuto, Huisman, & Nijholt, 2012) kan toepassing van ‘follow-the-lights’ voetgangers de looprichting aanwijzen. Daarmee draagt deze interventie bij aan het vergroten van de leesbaarheid, aantrekkelijkheid en toegankelijkheid van het

4

‘Follow the Grass’ is een concept dat toegepast kan worden in de publieke ruimte. Het bestaat uit kunstmatige grassprieten die interactief kunnen reageren op hun omgeving. Dit betekent dat technologie wordt ingezet om voetgangers te detecteren waarna de grassprieten zodanig kunnen bewegen dat ze de juiste looprichting aanwijzen.

38


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid uitgaansgebied, en kan daarmee doorstroming en verspreiding van bezoekers over het uitgaansgebied vergroten. Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 34 / 50

3.2

Voorstel confrontatie met eigen gedrag middels camerabeelden

Een aantal studies is expliciet gericht op het verminderen van overlast of het versterken van normconform of pro-sociaal gedrag door - direct of indirect – normen te activeren. De gedragingen waarop deze zich richten hebben niet zozeer direct betrekking op uitgaansoverlast, maar zijn daarvoor wel degelijk relevant. De voorgestelde opzet van dit experiment is in aanleg gelijk aan de hierboven beschreven studie. In plaats van het gebruik van licht zal hierbij echter worden gekozen voor een opzet waarbij het gedrag van bezoekers van de uitgaansgelegenheden naar hen teruggekoppeld zal worden. Analoog aan de beelden van individuele bezoekers van sportevenementen die af en toe op videoschermen te zien zijn, zullen kleine groepen en individuen op de uitgaanslocatie met een camera worden geregistreerd, en worden deze vervolgens op een leeg oppervlak worden geprojecteerd – te denken valt aan een daartoe bedoeld projectiescherm of een groot muuroppervlak. Deze beelden kunnen at random worden opgenomen, of een cameraman zou zich specifiek kunnen richten die groepen of individuen wiens gedrag “bijgesteld” dient te worden. De interventie kan zich dus ofwel richten op het activeren van een persoonlijke norm (door verhoogde zelffocus) of op het creëren van een descriptieve norm, door gedrag te vertonen dat juist wel wenselijk is.

39


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Sociale omgeving Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik

Deze opzet vergt een camera installatie per locatie, en eventueel een camerapersoon per locatie. Eventueel zouden de camera’s van afstand bediend kunnen worden (vanuit een “controlekamer”). Daarnaast zal de opzet voor het meten van gedrag gelijk zijn aan wat bij 3.1. genoemd is: er zullen video-opnamen moeten worden gemaakt (door andere camera’s dan de camera’s die voor gedagsfeedback zorgen; tevens zullen geluidsdrukmeters moeten worden opgehangen (meerdere per locatie, opgehangen op vergelijkbare plaatsen). Een mogelijk nadeel zou kunnen zijn dat er joligheid ontstaat bij het zien van het eigen gedrag op een scherm of muur (en dus een toename van geluidsoverlast) of “acting out”, waarbij leden van het uitgaanspubliek zich bizar gaan gedragen, bijvoorbeeld om de aandacht te trekken van de camerabediener. Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 29 / 50

3.3

Voorstel sfeerbeïnvloeding

In de vorige paragraaf werd gerefereerd aan de mogelijk modererende rol van het vermogen tot zelfregulatie bij uitgaansgerelateerde overlast. In Hoofdstuk 2 werden een aantal stemmingverhogende interventies beschreven die tot doel hadden uitgeputte mentale hulpbronnen die gedrag reguleren weer op peil te brengen. In de kern is deze opzet weer gelijk aan de voorgaande. De interventie die hier wordt voorgesteld haakt aan bij de literatuur waarin succesvolle pogingen zijn ondernomen om uitgeputte hulpbronnen 40


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid weer op peil te brengen door middel van stemming en emotie. Zowel het onderzoek van Schmeichel en Vohs (2009) als dat van Tice e.a (2007) lieten een positief effect van stemming en emotie zien (zie Hoofdstuk 2). Analoog daaraan valt te verwachten dat het tonen van een serie vermakelijke filmpjes op een projectiescherm of muur leidt tot betere zelfcontrole. Een gunstige bijkomstigheid kan verder zijn dat bewegend materiaal de aandacht trekt en daardoor voor minder overlast gevend gedrag zorgt. Analoog aan het onderzoek van Tyler en Burns (zie Hoofdstuk 2) zou het draaien van rustgevende muziek ook een optie kunnen zijn. Zij lieten zien dat het zorgen voor ontspanning hetzelfde effect had op zelfregulatiehulpbronnen als stemming bevorderende maatregelen (Tyler & Burns, 2008). Dit onderzoek vergt, naast de hierboven genoemde maatregelen om metingen te verrichten, de middelen tot projectie van vooraf geselecteerd beeld- of geluidsmateriaal. Een mogelijk bij-effect van deze interventie is dat het tot irritatie leidt. Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 30 / 50

3.4

Voorstel projectie van ogen

Qua metingen en opzet komt deze studie overeen met de hierboven beschreven experimenten. Op een aantal strategisch gekozen plaatsen, waar ongewenst gedrag verwacht kan worden, worden ogen op kale muren of schermen geprojecteerd. Analoog aan de studie van Bateson e.a. (2006, zie Hoofdstuk 2) naar het effect van een afbeelding van een paar geprojecteerde ogen wordt verwacht dat dit leidt tot normconform gedrag. Eventueel kan gekozen worden van ogen en gezicht van bekende personen, zoals voetballers.

41


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Sociale omgeving Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik

Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat uitgaan vaak een groepsaangelegenheid is, en er in het gebied waar wordt gepoogd het overlastgevend gedrag te verminderen zich daardoor waarschijnlijk meerdere kleine groepen zullen bevinden. Zoals hierboven beschreven kan men in het licht van de Social Identity Theory verwachten dat bij ieder van deze groepen sprake zal zijn van een groepsidentiteit, die qua inhoud van groep tot groep kan verschillen. Deze groepsidentiteiten kunnen echter van belang zijn voor de vraag welke bekende persoon geschikt zou zijn om succesvolle beïnvloeding te bewerkstelligen. Voor de ene groep kan dat een voetballer zijn, voor een andere groep een volkszanger of rapper. De keuze voor een geschikte bekende persoonlijkheid vereist daarom de nodige kennis van de groepen die in het betreffende gebied te verwachten zijn. Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 37/ 50

3.5

Voorstel verminderen van alcoholgebruik

In Hoofstuk 2 werd beschreven dat voor het ontmoedigen van het gebruik van alcohol en het aanmoedigen van alcoholvrije alternatieven, met name nudges die inzetten in op beschikbaarheid en priming van alcoholvrije alternatieven (en minder beschikbaar maken van alcohol) van belang zijn. De voorgestelde projecten grijpen in op (een combinatie van) deze domeinen.

42


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Sociale omgeving Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik

3.5.1 Wegduwen van alcohol/naar je toetrekken van frisdrank In dit experiment stellen we een praktische toepassing van de CBM theorie (zie Hoofdstuk 2) voor. In plaats van het ‘digitaal’ wegduwen van alcohol en het ‘naar je toe halen’ van frisdrank wordt dit fysiek toegepast. In verschillende ruimtes (w.o. de toiletruimtes) van enkele horecagelegenheden worden stickers van alcohol geplakt die ‘weggeduwd’ moeten worden en stickers van frisdrank die ‘naar je toegehaald’ moeten worden. Wegduwen van alcohol - Hoofddeur naar toiletruimte die opengeduwd moet worden bij toegang (M/V) - Stickers in urinoirs. Die stickers hebben de vorm van een glas bier, maar veranderen bij warm worden in een glas fris. Op deze manier wordt de alcohol ook ‘weggeduwd’ (iig ‘weggemaakt’) en verschijnt er dus fris. Eventueel is die fris van een bepaald merk en staat er nog een bepaalde slogan bij (M)

Toetrekken van frisdrank of water - Hoofddeur naar toiletruimte die opengetrokken moet worden bij verlaten (M/V) - Toiletpapier met alcoholische drank die ‘weggespoeld’ wordt (mn V) - Een WC doortrekker in de vorm van een frisdrank flesje (mn V) - Frisdrank op spiegel waar je naartoe gaat om je op te maken (mn V)

In het experiment zouden we het nog kunnen combineren met ondersteuning in de horeca zelf. Bijvoorbeeld enkele gelegenheden waar fris (of het specifieke merk) prominent aanwezig is in de bar om zo de toegevoegde waarde van die verhoogde zichtbaarheid te onderzoeken. Ook deze studie komt qua op opzet overeen met de hierboven beschreven experimenten. Na een analyse van de context wordt een voormeting verricht (omzetgegevens naar type drank) in experimentele cafés en controle cafés. Nametingen worden verricht in beide groepen cafés. Een experimenteel design dat een week draait, dan weer een week niet, dan weer wel, etc is niet realistisch omdat dat verdacht is richting de bezoekers.

43


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 39 / 50 3.5.2 Beschikbaarheid van water In dit experiment hangen we bij plaatsen waar water beschikbaar is (bijv. bij wastafels) een houder op met plastic bekertjes (zoals naast een koffieautomaat op een kantoor). Tevens plaatsen we bij de wastafels een bordje, vergelijkbaar met het pictogram hieronder:

Meting: aantal bekertjes gebruikt. Eventueel een verborgen camera plaatsen en tellen hoeveel (procent van de) bezoekers ook water drinkt. En dan vergelijken met toiletten zonder interventie. Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 35 / 50

44


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid 3.5.3 Bio-feedback door middel van de alcohol blaaszuil In dit experiment wordt een ‘alcohol-blaas-zuil’ ontwikkeld en geïmplementeerd. In uitgaansgelegenheden of in het publieke domein kunnen mensen blazen in een zuil waarna een ‘advies’ volgt gebaseerd op geblazen BAC (‘Blood Alcohol Content’). De respons is dan bijvoorbeeld “je hebt nu 1.1 promille, dat betekent dat je nog 2 grote glazen water of fris moet drinken om geen kater te krijgen”, “je hebt nu teveel gedronken om nog te mogen autorijden of fietsen” of “drink wat water tussendoor” etc. Bij de zuil kan ook water worden getapt. Eventueel kunnen mensen vooraf ingeven wat ze nog willen doen die avond of de dag erna (bijvoorbeeld: “maar huis fietsen” / “morgen sporten” / “maandag een toets” / “vanavond nog seksueel actief zijn”) en krijgen ze advies dat toegespitst is op die activiteit. De taxidienst ‘UBER’ heeft een dergelijke zuil ontwikkeld, zie https://www.youtube.com/watch?v=VECIOprmHMg. Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 28 / 50 3.5.4 Aangepaste menukaart In dit experiment gaan we de menukaart van een (aantal) café(s) of restaurant(s) manipuleren door bij de helft van de menukaarten de dranken niet te sorteren onder de gebruikelijke kopjes ‘warme dranken’, ‘frisdranken’, ‘wijnen’, ‘bieren’, ‘cocktails’, ‘sterke dranken’ etc, maar worden de dranken door elkaar gepresenteerd. Dit experiment grijpt in op twee domeinen, in de eerste plaats worden de alcoholvrije dranken (die ook lekker en gesofisticeerd kunnen zijn) gezien omdat de gasten niet in de bias “ik heb zin in wijn” kunnen raken. Ze moeten de hele kaart bekijken. En omdat de gasten bij elk rondje met de alcoholvrije dranken worden geconfronteerd wordt het ook normaler om een alcoholvrije keuze te maken. Dit zou geschikt zijn voor een hipper restaurant, een biercafé, of een cocktailbar, het liefst een gelegenheid waar de gasten de avond aan één tafeltje doorbrengen. Niet voor een ‘zuipcafé’, of een plek met veel beweging. Per gelegenheid zou de helft van de menukaarten traditioneel zijn en de helft aangepast (bijvoorbeeld gedistribueerd naar even en oneven tafelnummers). Achteraf kan gewoon de omzet per tafel worden geanalyseerd. Belangrijk detail: obers mogen niet op de hoogte zijn van het experiment (double blind).

45


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 29 / 50 3.5.5 Promotieteam

Sociale omgeving Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik

Twee teams met ‘promotiemeisjes’ (5-10 per team) zijn aanwezig in het uitgaansgebied. Zij opereren vanuit een centrale plek waar hun opvallende bus staat (oa met voorraad). Eén team zijn de Cool Chicks en het andere team zijn de Hot Honeys (oid). De teams zijn ook zo aangekleed, de Chicks zijn blond in blauwe kleding (rokje, topje, typisch promomeisjes), de Honeys zijn rood/donker en gekleed in rode kleding. Het gaat erom dat de mannen (en vrouwen) moeten “uitvinden” of ze vallen voor de Chicks or Honeys. De Chicks hebben flesjes/blikjes met heel coole drank (menthol oid) en de Honeys hebben drankjes die heel spicy zijn (kaneel oid). Alle drankjes zijn alcoholvrij, maar daar doen de Chicks/Honeys geheimzinnig over. Als het drankje op is (hier moet iets ludieks op bedacht worden, bv dat je het blikje 10 seconden op je hoofd moet zetten ondersteboven) dan krijg je een bewijs –ketting, stempel-. Bij x bewijzen dan krijg je een grotere prijs, bijvoorbeeld een eervolle vermelding op Facebook. Je moet dan bv een foto maken in de bus. Er kan dan nog iets worden ingebouwd dat je snel naar huis moet om iets te doen, dit draagt meteen bij aan het doorstroomprobleem.

46


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 27 / 50

3.6

Faciliterend omgevingsdesign

Dit experiment richt zich in eerste instantie op de wayfinding, doorstroming, leesbaarheid en toegankelijkheid van het uitgaansgebied maar de voorgestelde interventies kunnen ook bijdragen aan de aantrekkelijkheid en zichtbaarheid van het gebied. Door het plaatsen van looplijnen en indicaties op de grond kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat mensen onnodig tegen elkaar opbotsen en efficiënter doorlopen op momenten dat dat nodig is. Goed geplaatste looplijnen/kleurvakken kunnen bijdragen aan een duidelijke lay-out en bewegwijzering.

Sociale omgeving Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik Ook deze lijn van experimenten is in opzet en metingen vergelijkbaar met de hierboven beschreven studies. Na nulmetingen worden looplijnen/kleurvakken aangebracht op experimentele plekken; In de volgende fase kunnen cues/prompts worden aangebracht die gewenst gedrag triggeren (bijv.: “Plassen om de hoek”) worden toegevoegd. Andere mogelijkheden die ingezet kunnen worden om oponthoud op risicoplekken te voorkomen, en te zorgen dat mensen doorlopen op momenten dat dat nodig is zijn: • • •

Kunstmatige groenvoorzieningen Plaatsen van kunst (‘fun factor’): bijvoorbeeld ‘follow-the-lights’ (zie ook 3.1.3) Evt. Gamification (waarin het game bijdraagt aan de leesbaarheid van het uitgaansgebied) (zie ook 3.1.2).

47


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

(Bron: www.cu2030.nl/page/jaarbeursplein met een voorbeeld van goed geplaatse looplijnen die de eenduidigheid van het plein duidelijker maken)

Deze opzet vereist een grondige analyse van de context. Het plaatsen van looplijnen is naar verwachting vrij eenvoudig, maar er moet goed worden gekeken welke plaatsen om een vlotte doorstroming vragen. Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 35 / 50

3.7

Onderhoud van de omgeving: aantrekkelijk en schoon

Een goed onderhouden omgeving draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de omgeving. Een aantrekkelijke en schone omgeving zet bovendien aan tot aantrekkelijk –dwz normconform- gedrag. Van geur en licht is bekend dat het kan bijdragen aan de reinheidsbeleving.

Sociale omgeving Fysieke omgeving

Normen

Alcoholgebruik

48

Uitgaansoverlast


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid In de kern is ook dit experiment in opzet weer gelijk aan de hierboven beschreven experimenten. De interventie die hier wordt voorgesteld richt zich op de invloed van zintuigelijke stimuli (geur, verlichting) op veiligheids- en reinheidsbeleving, sfeerbeleving en gedrag (normoverschrijdend gedrag). Toepassing van geurdiffusie zou zich kunnen richten op het verspreiden van antiseptische geuren zoals citroen of eucalyptus en rustgevende geuren zoals lavendel (zie Bijlage C voor een overzicht van geurassociaties). Dit onderzoek vergt, naast de eerder genoemde maatregelen om metingen te verrichten, dat geuren subtiel worden verspreid maar wel effect kunnen genereren zonder dat zij tot irritatie leiden. Het bepalen van de juiste geurintensiteit vereist vooronderzoek. Andere mogelijkheden die kunnen bijdragen aan veiligheids- en reinheidsbeleving zijn: • • •

Verbeterde straatverlichting: aanwezig vs afwezig, lichtintensiteit, en kleurtoon Schoonhouden van de straat “Opvallend” schoonhouden van de straat (zichtbaar schoonmaakpersoneel, vgl NS treinen) Beoordeling (positief geschaald: veel sterren is positief of weinig negatief) Verwachte effectiviteit korte termijn  Uitvoerbaarheid experiment  Uitvoerbaarheid effectmeting  Minimale financiële kosten  Minimale maatschappelijke kosten  Verwacht draagvlak  Minimale (afbreuk-)risico’s  Minimale ethische bezwaren  Aantrekkelijkheid  Wetenschappelijke relevantie  Eindoordeel 34 / 50

49


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

4 Conclusies De globale onderzoeksvraag van deze studie luidt: Hoe kunnen inzichten uit de gedragswetenschappen (i.c., sociale psychologie en gedragseconomie) ingezet worden ter voorkoming van uitgaansoverlast? In dit hoofdstuk presenteren wij onze conclusies op grond van een literatuuronderzoek en een aanpak voor interventies die wij het meest succesvol achten om uitgaansoverlast te reduceren en mogelijk te voorkomen. Dit hoofdstuk besluit met een aantal richtlijnen en een voorstel voor een gefaseerde aanpak van een lijn van beleidsexperimenten waarmee meer inzicht kan worden gegeven in de effectiviteit van nudging om uitgaansoverlast te verminderen. Aan de hand van de literatuurverkenning is geprobeerd de onderstaande deelvragen te beantwoorden. 1. 2. 3. 4. 5.

Welke vormen van gedragsbeïnvloeding ter voorkoming van uitgaansoverlast zijn al toegepast (nationaal en internationaal) en hoe succesvol waren deze? Wat zijn indicatoren voor een toename en afname in uitgaansoverlast? Welke nieuwe maatregelen kunnen gemeenten en andere relevante veiligheidspartijen nemen om het uitgaan in uitgaansgebieden en bij evenementen veiliger te maken? Is het mogelijk om middels een beleidsexperiment een maatregel van vraag 3 te onderzoeken op effectiviteit? Hoe kan zo’n experiment vormgegeven worden?

In Hoofdstuk 2 van dit rapport worden indicatoren voor uitgaansoverlast en verschillende mogelijkheden voor gedragsbeĂŻnvloeding besproken. Figuur 4.1. geeft beknopt weer welke indicatoren door ons worden onderscheiden voor de toename en afname van uitgaansoverlast. Deze zijn normen, alcoholgebruik, de sociale en fysieke omgeving. Daarnaast is het zo dat interventies die zich richten op ieder van deze indicatoren omgeven worden door contextuele en persoonlijke factoren (moderatoren). Uitgangspunt hierbij is dat niet iedereen hetzelfde reageert op een situatie. Persoonlijke kenmerken als geslacht en leeftijd, alsook contextuele kenmerken, zijn van invloed op het ontstaan van uitgaansoverlast. Agressie en overlast tijdens het uitgaan en evenementen ontstaan door een combinatie van factoren, waarbij alcohol een dominante rol kan spelen. Maar niet iedereen die alcohol heeft gebruikt zal zich agressief gaan gedragen, of overlast veroorzaken. Vooral de staat of gemoedstoestand waarin een persoon zich bevindt, bepaalt hoe die persoon reageert op de omgeving. Uitgaansoverlast kan daarnaast uit de hand lopen op momenten dat moderatoren in werking treden die de orde en veiligheid kunnen verstoren, zoals bijvoorbeeld weersomstandigheden (hitte, luchtvochtigheid, regen of hagel en gebrek aan ventilatie) (Berlonghi, 1995; De Vries, Galetzka, & Gutteling, 2013). Om deze reden vereist het ontwerpen van interventies om uitgaansoverlast te voorkomen een analyse van context en doelgroepen.

50


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Sociale omgeving

Fysieke omgeving

Normen

Uitgaansoverlast

Alcoholgebruik

Figuur 4.1. Indicatoren van uitgaansoverlast

De antwoorden op de onderzoeksvragen kunnen als volgt kort worden samengevat. Indicatoren voor het ontstaan en voorkomen van uitgaansoverlast staan weergegeven in Figuur 4.1. Deze indicatoren zijn: • • • •

Normen Alcoholgebruik Sociale omgeving Fysieke omgeving

Voor de context van uitgaansoverlast zijn normen van belang. Het is gemakkelijk voorstelbaar dat mensen meegaan in een bepaald gedrag, zoals wildplassen, wanneer ze zien dat vele anderen hen voor zijn gegaan. Door het gedrag van anderen ontstaat er een descriptieve norm. Overduidelijke normoverschrijdingen kunnen besmettelijk zijn. Daarbij komt dat het uitputten van de mentale hulpbronnen versterkt kan worden door de sociale context waarin men zich bevindt, bijvoorbeeld wanneer het erg druk is, of de cognitieve capaciteiten beperkt zijn door alcohol. Alcoholinname maakt bovendien dat individuen ontvankelijker zijn voor invloeden uit de sociale omgeving. Incidenten vinden regelmatig plaats in groepsverband. Onze sociale identiteit bepaalt welk gedrag als acceptabel wordt gezien, en kan verklaren waarom doorgaans brave burgers worden verleid tot normovertredend gedrag. Ook de fysieke omgeving kan een direct effect hebben op het ontstaan van uitgaansoverlast. Wanneer het druk is en het uitgaansgebied er rommelig uitziet (‘broken windows theory’, Wilson & Kelling, 1982) is de kans op vandalisme of ander normoverschrijdend gedrag groter. Zintuigelijke invloeden als hoge temperaturen, geluidsoverlast, slecht licht en drukte hebben 51


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid allemaal invloed op het ontstaan van uitgaansoverlast. Via het ontwerp van de fysieke en sociale omgeving en het toepassen van nudges kunnen uitgaansgerelateerde gedragingen worden voorkomen. In Hoofdstuk 3 wordt een lijn van beleidsexperimenten beschreven die zich richten op het verminderen en mogelijk voorkomen van uitgaansoverlast. Dit onderzoeksvoorstel richt zich op de volgende beleidsexperimenten: • • • • • • • • • • •

Toepassing van licht: straatverlichting, fun-verlichting en interactieve verlichting; Confrontatie met eigen gedrag middels camerabeelden; Sfeerbeïnvloeding; Projectie van ogen of het ophangen van camera’s; Het wegduwen van alcohol en het naar je toetrekken van frisdrank of water; Beschikbaarheid van water; Biofeedback d.m.v. een alcohol blaaszuil; Aangepaste menukaart; Promotieteam; Faciliterende design door middel van looplijnen; Onderhoud van een aantrekkelijke en schone omgeving (geurdiffusie).

In Hoofdstuk 3 is aan ieder van deze experimenten een beoordeling gegeven. Per besproken experiment is de totaalbeoordeling weergegeven in Figuur 4.2. 40

35

30

25

Figuur 4.2: Overzicht beoordeling van de besproken interventies

4.1

Ethische overwegingen

In dit hoofdstuk zullen ethische overwegingen worden besproken die betrekking hebben op het uitvoeren van onderzoek. De bronnen hiervoor zijn de ethische richtlijnen van de American Psychological Association (APA), de richtlijnen van de Commissie Ethiek van de faculteit Behavioural, Management, and Social Sciences (BMS) aan de Universiteit Twente (UT), de Wet Bescherming Persoonsgegevens, en de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Hierbij is een selectie 52


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid gemaakt; besproken wordt een samenvatting van de richtlijnen voor zover ze betrekking hebben op het type onderzoek dat hier wordt voorgesteld; de richtlijnen zoals ze in de betreffende documenten omschreven zijn, zijn te vinden in Bijlage B. Er is uitgegaan van deelnemers van 18 jaar of ouder (wilsbekwaam). 4.1.1 De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening De gedragscode, opgesteld door de Vereniging Samenwerkende Nederlandse Universiteiten, beschrijft op tamelijk hoog aggregatieniveau waaraan beoefenaars van wetenschap zich dienen te houden. Relevant voor de huidige context is vooral het zorgvuldigheidsprincipe. De gedragscode meldt daarover: Wetenschappelijke activiteiten geschieden met zorgvuldigheid. Toenemende prestatiedruk mag daaraan geen afbreuk doen. Zorgvuldigheid blijkt uit precisie en nuance bij het verzorgen van wetenschappelijk onderwijs en het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek en het publiceren van de resultaten daarvan. Iedere wetenschapsbeoefenaar toont verder respect voor mensen en dieren die betrokken zijn bij wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. Onderzoek met mensen is principieel slechts mogelijk als zij “informed consent” hebben verleend en de risico’s gering zijn. De privacy van de betrokkenen wordt afdoende beschermd. Als onderzoek met mensen of dieren enig risico oplevert, moet het belang van het onderzoek het nemen van dat risico rechtvaardigen. 4.1.2 Wet Bescherming Persoonsgegevens De Wet, Artikel 10, stelt dat persoonsgegevens die mogelijk zijn te herleiden naar individuen niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk in het licht van de gestelde doeleinden; hiervan mag worden afgeweken (d.w.z. ze mogen langer worden bewaard) voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, en de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de desbetreffende gegevens uitsluitend voor deze specifieke doeleinden worden gebruikt. Artikel 16 betreft een verbod op het verwerken van een aantal specifieke persoonsgegevens, namelijk de gegevens die betrekking hebben op iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, en het lidmaatschap van een vakvereniging. Dit geldt ook voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag. Voor wetenschappelijk onderzoek wordt op dit verbod een uitzondering gemaakt, voor zover dit een algemeen belang dient en noodzakelijk is, en de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad. Dit geldt ook wanneer het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost (Artikel 23, lid 2). Artikel 33 meldt dat indien persoonsgegevens worden verkregen, de onderzoeker/verantwoordelijke dit meedeelt aan de deelnemer vóórdat dit een feit is (of in afwijkende situaties, op het moment van vastlegging; Artikel 34). Daarbij dient de deelnemer geïnformeerd te worden omtrent de identiteit van de onderzoeker/verantwoordelijke en het doel waarvoor de gegevens verkregen dienen te worden. Artikel 35 verplicht de verantwoordelijke tot fatsoenlijke informatieverstrekking over het onderzoek en de verwerking van de gegevens richting de onderzoeksdeelnemer wanneer deze daar om verzoekt. Indien een verwerking plaatsvindt door instellingen of diensten voor wetenschappelijk onderzoek of statistiek, en de nodige voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat de persoonsgegevens uitsluitend voor statistische en wetenschappelijke doeleinden kunnen worden 53


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid gebruikt, kan de verantwoordelijke dit echter achterwege laten en zelfs weigeren aan een informatieverzoek te voldoen (Artikel 44, lid 1). 4.1.3 Richtlijnen American Psychological Association (APA) In principe dienen deelnemers volledig te worden geïnformeerd en dienen ze toestemming te geven voor hun deelname. De APA richtlijnen (zie Bijlage B.2) maken het mogelijk daar in een aantal gevallen vanaf te wijken, namelijk wanneer er redelijkerwijs geen stress of andere schadelijke gevolgen verwacht worden en wanneer er natuurlijk gedrag wordt geobserveerd, of wanneer dat is toegestaan door de wet- of regelgeving van het betrokken instituut. De onderzoeksopzet zoals beschreven in dit document gaat uit van observatie van natuurlijk gedrag waarvan geen risico’s zijn te verwachten. Het feit dat gebruik zal worden gemaakt van beeldopnamen levert daarom geen problemen op. Ook het verstrekken van informed consent vooraf kan, volgens de APA richtlijnen, om dezelfde reden achterwege worden gelaten. De APA richtlijnen laten zich niet specifiek uit over de vraag hoe een debriefing naderhand, waarin wordt uitgelegd wat de aard, resultaten en conclusies van het onderzoek zijn, zou moeten worden uitgevoerd. Omdat er grotendeels anonieme observaties en metingen gedaan zullen worden, en deelnemers daardoor, en ook om redenen van onderlinge beïnvloeding van deelnemers, zeer moeilijk naderhand benaderd kunnen worden, zou ervoor gekozen kunnen worden deze informatie over te brengen middels een bericht in een lokale krant. Omdat de APA het achterwege laten van Informed consent mede laat afhangen van de wet- en de regelgeving van het betrokken instituut, is in de volgende paragraaf een kort overzicht gegeven van de ethische richtlijnen waaraan onderzoekers van de Faculteit BMS (Behavioural, Management and Social Sciences) aan de Universiteit Twente, zich dienen te houden (zie Bijlage B.4). Het gaat om een kort overzicht, waar met name zal worden ingegaan op richtlijnen die afwijken van of specifieker zijn dan de APA richtlijnen. 4.1.4 Richtlijnen Facultaire Commissie Ethiek, BMS, UT en Landelijke Code Ethische Toetsing voor Sociale Wetenschappen De richtlijnen zoals deze gelden voor medewerkers en studenten van de faculteit BMS aan de Universiteit Twente komen overeen met de Landelijke Code Ethische Toetsing voor Sociale Wetenschappen, zoals opgesteld door het Disciplineoverleg Sociale Wetenschappen (bestaande uit decanen van de verschillende landelijke faculteiten). De voorzitter van deze commissie, prof. Dr. Daniël Wigboldus, geeft in een begeleidend schrijven aan dat de Code niet moet worden opgevat als strak keurslijf, maar als richtinggevend en als “work in progress” 5. De richtlijnen van de Commissie Ethiek van de UT zijn op punten ook verder uitgewerkt dan die in de landelijke code, en daarom zullen deze hieronder nader worden toegelicht. De Richtlijnen stellen expliciet dat gegevens die worden verkregen uit de onderzoeken niet aan derden kenbaar mogen worden gemaakt (gepubliceerd, maar ook vertoond in colloquia, of in onderling overleg) op een zodanige wijze dat daarmee de resultaten of andere bevindingen zijn terug te voeren op een bepaalde deelnemer. De gegevens waarin deelnemers identificeerbaar zijn worden

5

https://www.ou.nl/documents/10821/991167/Code_of_ethics_for_research_in_the_social_and_behavioural_sciences_involving_human _participants.pdf?version=1.0

54


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid zorgvuldig beheerd, en worden vernietigd zodra het belang van het onderzoek dat toestaat. In het algemeen geldt dat de onderzoeker handelt in overeenstemming met privacy wetgeving. Verder is het voorleggen van informed consent aan de deelnemer verplicht. Voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek en tijdens de werving van deelnemers informeert de onderzoeker de deelnemers over wat er kan worden verwacht tijdens het onderzoek. Op basis van die informatie wordt de deelnemer expliciet om toestemming gevraagd de bij hem/haar verkregen gegevens te gebruiken voor onderzoek. De richtlijnen staan evenwel misleiding toe. Hieronder wordt niet alleen verstaan het verschaffen van inaccurate of onvolledige informatie aan de deelnemer, maar ook het achterwege laten van informed consent. Wat betreft misleiding geldt dat het is toegestaan tenzij het gaat om informatie over de eventuele risico’s die verbonden zijn aan deelname, als er geen mogelijkheid bestaat de vraagstelling zonder misleiding te beantwoorden, en indien er naderhand een volledige debriefing van de deelnemer plaatsvindt over de manier waarop de deelnemer is misleid. In aanvulling op deze algemene richtlijnen zijn er omschrijvingen gegeven van typen onderzoek die als standaard worden opgevat binnen verschillende vakgroepen, en waarbij expliciet wordt aangegeven hoe met ethische voetangels wordt omgegaan. Wat betreft videoregistratie wordt in deze aanvulling beschreven dat slechts de onderzoeker en zijn/haar medewerkers toegang hebben tot de identificeerbare gegevens. Geluids- en video-opnamen worden – zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de betreffende respondenten- niet aan derden vertoond; opnamen waarin deelnemers identificeerbaar zijn worden zorgvuldig beheerd, en worden vernietigd zodra het belang van het onderzoek dat toestaat.

4.2

Implicaties

Zoals uit bovenstaande kan worden opgemaakt is het uitvoeren van onderzoek gebonden aan strenge wet- en regelgeving. Onderzoekers dienen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te voorkomen dat mensen deelnemen aan onderzoek zonder dat zij dit weten, moeten zij zorgvuldig omspringen met de verzamelde gegevens (zeker wanneer deze kan leiden tot identificatie van individuele deelnemers) en uiteraard dienen deelnemers beschermd te worden tegen mogelijk negatieve consequenties van deelname. Bij het uitvoeren van een nudging-experiment zoals beschreven in dit rapport zal sprake zijn van het registeren van gedrag van uitgaanspubliek zonder dat zij daarvan op de hoogte zijn gebracht. Aangezien het gaat om een wetenschappelijk onderzoek en het vooraf informeren van het uitgaanspubliek de resultaten kan beinvloeden, is het redelijkwijs niet mogelijk deelnemers vooraf op de hoogte te brengen. Daarbij is het gedrag in kwestie natuurlijk gedrag in een openbare ruimte, en zullen vastgelegde gedragingen niet te herleiden zijn naar specifieke individuen. Op basis hiervan staat de wet- en regelgeving het toe af te wijken van de bovengenoemde ethische richtlijnen en dit of soortgelijk onderzoek uit te voeren. Ook het geven van informatie naderhand zou achterwege kunnen worden gelaten, maar het heeft onze voorkeur dit naderhand toch te doen middels publicatie in lokale media. Bovendien zijn de voorgestelde beleidsexperimenten vaak gebaseerd op eerdere wetenschappelijke onderzoeken. Het is de vraag of effecten die veelal in laboratoriumsituaties zijn vastgesteld onder 55


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid individuele studenten ook opgaan voor een uitgaande groep consumenten, inclusief jongeren, die soms (overmatig) alcohol hebben genuttigd. Daarnaast vindt dezer dagen binnen de psychologie een heftige discussie plaats over de houdbaarheid van bevindingen uit priming-onderzoek en onderzoek op het gebied van ego depletion (zie onder andere publicaties in PLOS One, 2012, Science, augustus 2015 en maart 2016). De vraag is of overheid zich wel van 'nudges' mag bedienen die gebaseerd op veelal laboratoriumexperimenten op een terrein die onder sterke academische discussie staat. Sommigen vinden nudging betutteling. Wij menen in navolging van de WRR (2014) dat we geen principiĂŤle bezwaren tegen de inzet van nudges zien, mits bij het onderzoek naar de effectiviteit zorgvuldig wordt omgegaan met de hierboven beschreven overwegingen, er voldoende transparantie wordt betracht richting burgers en andere stakeholders in de samenleving, het geen controversiĂŤle kwesties betreft en de gebruikelijke rechtstatelijke aspecten worden meegewogen. Wat betreft videomateriaal en op andere wijze verzamelde data waarin herkenbare individuen voorkomen, stellen we voor hier zorgvuldig mee om te gaan: slechts de onderzoekers zullen toegang hebben tot de verzamelde gegevens, deze zullen in ruwe vorm niet aan derden worden vertoond (d.w.z. niet in een vorm waarin individuen herkenbaar zijn); dergelijke gegevens zullen worden vernietigd zodra het belang van het onderzoek dit toestaat. Bij bovenstaande ethische overwegingen is uitgegaan van individuen die 18 jaar of ouder zijn. Het valt echter niet te voorkomen dat ook minderjarigen zich in het uitgaansgebied bevinden op de momenten dat het onderzoek daar wordt uitgevoerd. De richtlijnen geven niet duidelijk aan hoe daarmee om te gaan. Zij specificeren dat bij minderjarigen informed consent van de ouders/verzorgers moet worden verkregen, maar wat betreft de voorwaarden waaronder afgezien kan worden van informed consent wordt geen onderscheid gemaakt tussen meerder- en minderjarigen. We gaan er vanuit dat dit onderscheid daarom niet relevant is in deze context.

4.3

Tot slot

Op grond van het bovenstaande pleiten wij voor gefaseerde aanpak van een lijn van beleidsexperimenten waarmee meer inzicht kan worden gegeven in de effectiviteit van nudging om uitgaansoverlast te verminderen. Deze gefaseerde aanpak richt zich op de volgende stappen: 1. Contextanalyse: welke problemen worden ervaren in het uitgaansgebied, wie zijn de aanwezige bezoekers, en op welke tijdstippen ontstaat uitgaansoverlast en van welk type? 2. Selectie en ontwikkelen van interventies: Welke interventies pakken de indicatoren voor overlast in het uitgaansgebied het meest efficiĂŤnt aan? Welke samenwerking en expertise is nodig om de interventies te ontwikkelen? Welke stakeholders moeten hierin betrokken worden (ondernemers, ontwerpers, creatieven, producenten)? 3. Nulmeting: welke gedragingen zijn observeerbaar, hoe beleven bezoekers de omgeving en het gedrag van anderen; en welke elementen in de fysieke en sociale omgeving zijn waarneembaar (hoeveelheid afval op straat, geluidsniveau)? 4. Interventies: welke interventies worden in welke volgorde ingezet? 5. Effectmeting: welke veranderingen in gedragingen, beleving, attitudes, en fysieke en sociale omgeving kunnen worden gemeten? Deze gefaseerde aanpak start met een analyse van de context. In deze fase moet worden vastgesteld op welke locaties (en tijdstippen) in uitgaansgebieden welk specifiek ongewenst gedrag (regelmatig) 56


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid optreedt. Om dit vast te stellen wordt gekeken naar rommel op straat, het geluidsdrukniveau als maat voor geproduceerd lawaai, de mate waarin bij het verlaten van uitgaansgelegenheden op de locatie rond blijft hangen, het aantal wildplas locaties en het aantal “daders” van wildplassen, …). Tevens kunnen kwalitatieve methoden (interviews met ondernemers of buurtbewoners) of onderzoek in andere bronnen (reguliere straat-videobeelden, politiedatabase, ziekenhuisopnamen) worden geraadpleegd. In de fase van de selectie en het ontwikkelen van interventies wordt bij voorkeur ook tijd ingeruimd voor het pre-testen van de materialen en interventies. Voor sommige interventies (bijvoorbeeld geurdiffusie of de selectie van ogen en gezicht van bekende personen) moet eerst in kaart gebracht worden hoe verschillende doelgroepen reageren op de intensiteit en keuze van de interventies. Zo kan het zijn dat geuren onder invloed van alcohol en middelengebruik anders wordt waargenomen dan onder normale omstandigheden. Wetenschappelijk onderzoeken die de effectiviteit van de interventies onderbouwen worden regelmatig uitgevoerd onder studenten in nuchtere toestand, en in gecontroleerde (laboratorium) omgevingen. Het is de vraag hoe mensen de interventies waarnemen binnen de context van een uitgaansgebied en onder invloed van alcohol, cannabis of ecstasy. Ook is uitgegaan van zowel een nulmeting op de te selecteren onderzoek locatie, voorafgaand aan de experimentele condities, als van een controlelocatie op vergelijkbare locaties is dezelfde stad. Op deze controlelocaties zullen op exact dezelfde tijdstippen als op de “experimentele locatie” exact dezelfde metingen zullen worden uitgevoerd. Dit stelt onderzoekers in staat rekening te houden met allerlei situationele variabelen, zoals het weer. Bij slecht weer zullen mensen na het uitgaan minder geneigd zijn te blijven hangen op de uitgaanslocatie, maar als de verkregen metingen hiervan worden vergeleken met die van controlelocaties (waar het ook slecht weer was) kan nog steeds iets gezegd worden over de effectiviteit van de interventies. Het nadeel van deze aanpak is dat het eveneens grotere kosten met zich meebrengt, omdat metingen zullen moeten worden verricht op twee in plaats van één locatie. Wat verder overwogen moet worden is wanneer de metingen dienen te worden uitgevoerd, en hoe lang deze metingen duren. Te denken valt aan vrijdag- en zaterdagavonden, van 23:00 tot 06:00 (afhankelijk van het horecabeleid in de betreffende stad); eventuele kan er voor worden gekozen iedere interventie (en de nulmeting) twee weekeinden te laten duren. Uiteraard is ook dit weer van invloed op de kosten en andere inspanningen. Deze opzet is weergegeven in de figuur op de volgende pagina. Het gaat om een basisopzet, waarbij nog geen keuze is gemaakt voor de uit te voeren interventie(s). Uiteraard is dit design een uitgangspunt voor verdere gesprekken en keuzes. Eventueel kan er nog een lange(re) termijn meting worden toegevoegd aan het design op het moment dat de experimenten weer gestopt zijn. Op deze manier kan worden vastgesteld hoe lang de effecten beklijven.

57


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Geen Nudge Week 1 Week 2 Locatie Controle 0 0 Experimenteel 0 0 0 : nulmeting Xeffect: effectmeting Xcontrole: meting controlelocatie

Nudge type 1

Nudge type 2

Nudge type 3

Week 3

Week 5

Week 7

Week 4

Xcontrole Xcontrole Xeffect Xeffect

Week 6

Xcontrole Xcontrole Xeffect Xeffect

Week 8

Xcontrole Xcontrole Xeffect Xeffect

Bij deze aanpak is een aantal aannames gedaan. Zo is er vanuit gegaan dat er ruimte is voor meerdere experimentele variaties die opeenvolgend uitgevoerd kunnen worden. In plaats van het selecteren van een enkele nudginginterventie, kan er dus voor gekozen worden meerdere kansrijke interventies te implementeren door middel van een gefaseerde aanpak. Hierin kunnen dus meerdere interventies achtereenvolgens worden getoetst. Het nadeel daarvan is dat de studie in zijn geheel langer zal duren, en daardoor meer kosten en andere inspanningen met zich mee brengen. 4.3.1 Effectmetingen Wanneer het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) een beleidsexperiment gaat ontwikkelen en implementeren, zou het wenselijk zijn om de (mogelijke) effecten objectief en systematisch vast te stellen. Op de volgende manieren zouden de effectmetingen plaats kunnen vinden. Vragenlijsten In het experiment in Hilversum zijn op uitgaansavonden korte vragenlijsten afgenomen onder bezoekers. In het rapport van Hilversum staat niet beschreven hoeveel mensen zijn aangesproken en hoeveel daarvan hebben ingesteld om deel te nemen aan de vragenlijst. Het is niet bekend hoe groot de non-respons daar was en in hoeverre de steekproef een representatieve afspiegeling was van het publiek. Maar in Hilversum zijn ongeveer 50 mensen per week bevraagd en gebaseerd op de eigen ervaringen van het onderzoeksteam van de Universiteit Twente stellen we dat het goed mogelijk is om uitgaanspubliek een (korte) vragenlijst voor te leggen. Bij een vragenlijst hoeven we niet noodzakelijkerwijs te denken aan een potlood met een papier, maar de vragenlijsten kunnen ook op een mobiel device (bv een iPad) worden afgenomen. Indien de vragenlijst erg kort is (maximaal 4 vragen), dan zou ook gewerkt kunnen worden met een systeem waarbij de respondent de keuze ‘inscheurt’ aan de randen van een kaart. Een vragenlijst die afgenomen wordt bij uitgaand publiek moet kort zijn, of er moet een compensatie worden geboden. Dit zou een ludieke gift kunnen zijn of bijvoorbeeld een waardebon. In Hilversum zijn de passanten gevraagd om hun e-mailadres in te vullen, zodat een deel van de respondenten achteraf nogmaals benaderd kon worden voor een tweede vragenlijst. Ongeveer 30% van de passanten heeft ook die tweede vragenlijst ingevuld. Observaties Het gedrag van uitgaanders kan ook worden geobserveerd, waarmee twee doelen gediend kunnen worden. In de eerste plaats kan worden vastgesteld welk deel van het uitgaanspubliek deelneemt aan het experiment (bereik). Hier kunnen verschillende maten voor worden opgesteld. In Hilversum is bijvoorbeeld gemeten hoeveel procent van het publiek daadwerkelijk over de rode loper liep en hoeveel procent van de passanten in de spiegels keek. Het tweede doel dat gediend kan worden met observaties is het meten van de effectiviteit van de interventie. Afhankelijk van de interventie zullen specifieke maten moeten worden opgesteld. Indien het gaat om doorstroming dan ligt het voor de hand om tijden te meten die bezoekers gebruiken om bepaalde trajecten af te leggen, of om te 58


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid meten hoe lang mensen op bepaalde plekken blijven staan. Maar ook het monitoren van wildplassen, geluidsniveaus, vechtpartijen et cetera kan door middel van observaties worden gedaan. Belangrijk bij de observaties is het ontwerpen van een goed codeboek waarin de gedragingen worden genoteerd. Een ander belangrijk aspect bij dit type onderzoek betreft de (on)bewuste sturing van de observators. Daarom wordt er vaak voor gekozen om het onderzoek ‘double blind’ vorm te geven. De onderzoekers die observeren zijn dan niet op de hoogte van de precieze doelen van het onderzoek. Heel concreet weten de onderzoekers dat ze bepaalde gedragingen moeten observeren en noteren, maar niet dat er in een bepaalde periode een interventie is geïmplementeerd die tot doel heeft om bepaalde gedrag van bezoekers te veranderen. Sensorische data Met behulp van diverse sensoren (zie ook Living Lab Stratumseind 2.0 Eindhoven) kan ook data verzameld worden. Denk hierbij aan decibelmeters voor geluidsniveaus, maar ook camera’s voor bijvoorbeeld crowd management. Privacy issues zijn hierbij een relevant issue dat goed uitgezocht dient te worden en moet worden ingepast in het uiteindelijke ontwerp van de meting. Omdat alcoholgebruik bij uitgaansoverlast een belangrijke factor is en de interventie (mede) tot doel kan hebben om alcoholgebruik te verminderen, kan ook gedacht worden aan het meten van BAC (‘Blood Alcohol Content’) van uitgaanders. Voor de hand ligt dan om bezoekers te laten blazen in een alcoholtester. Apparaten om dit te doen zijn te huur bij de leverancier (bv Dräger). Om betrouwbare metingen te hebben moet er minimaal 15 minuten zitten tussen het drinken van alcohol en de meting, anders verstoort de ‘mondalcohol’ de meting. Data uit andere bronnen Om de effecten van een interventie te meten kan ook gedacht worden aan het raadplegen van andere bronnen voor data. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aantal behandelingen in de ziekenhuizen voor en na de interventie. Dit kan eventueel gesplitst worden naar type behandeling en type ongeval (denk aan vechtpartijen, vallen, verwondingen door glas, verkeersongevallen etc). Ook de politie kan een rijke bron voor data zijn en een analyse van de PVs zou erg interessant kunnen zijn. Maar ook handhavers (BOAs) kunnen bruikbare informatie registreren. Ook hier zijn privacy issues relevant en dienen goed meegenomen te worden. In Hoofdstuk 3 staat beschreven hoe de mate van effectiviteit van zowel de experimentele opzet als de metingen samenhangt met een aantal randvoorwaarden: • • • • • • •

de verwachte effectiviteit op korte en langere termijn; de uitvoerbaarheid van zowel de experimenten als de metingen; voldoende financiële middelen; draagvlak onder bezoekers van uitgaansgebieden, omwonenden en horecaondernemers; de ethische implicaties van de experimenten; aantrekkelijkheid; en wetenschappelijke relevantie.

Er kan geconcludeerd worden dat een gefaseerde aanpak van een lijn van beleidsexperimenten een manier biedt om interventies te ontwerpen en te onderzoeken. Met deze aanpak kan nudging

59


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid succesvol worden ingezet om uitgaansoverlast te verminderen en daarmee bij te dragen aan een veilige en aantrekkelijke omgeving.

60


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Referenties Van Aalst, M., Van Dijk, B., & Loef, L. (2014). Theoretische toetsing maatregelen tegen alcohol gerelateerd uitgaansgeweld. Verkregen op 8 oktober 2015, van https://www.wodc.nl/onderzoeksdatabase/2413a-planevaluatie-aanpak-alcoholgerelateerd-uitgaansgeweld.aspx?nav=ra&l=veiligheid_en_preventie&l=preventietheorie Aarts, H., & Dijksterhuis, A. (2003). The silence of the library: Environment, situational norm, and social behavior. Journal of Personality and Social Psychology, 84(1), 18-28. http://dx.doi.org/10.1037/0022-3514.84.1.18 Adams, J., & White, M. (2002). A systematic approach to the development and evaluation of an intervention promoting stair use. Health Education, 61, 272-286. Ajzen, I, & Fishbein, Martin. (1980). Understanding attitudes and predicting social behaviour. Englewood Cliffs, NY: Prentice Hall. Anderson, C.A. (1989). Temperature and aggression: Ubiquitous effects of heat on occurrence of human violence. Psychological Bulletin, 106, 74-96. Anderson, P., De Bruijn, A., Angus, K., Gordon, R., & Hastings, G. (2009). Impact of alcohol advertising and media exposure on adolescent alcohol use: A systematic review of longitudinal studies. Alcohol and Alcoholism, 44, 229-243. doi:10.1093/alcalc/agn115 Ariely, D. (2008). Predictably Irrational: The Hidden Forces That Shape Our Decisions. Harper Collins. Baker, J., & Wakefield, K. L. (2012). How consumer shopping orientation influences perceived crowding, excitement, and stress at the mall. Journal of the Academy of Marketing Science, 40(6), 791-806. Bargh, J.A. (1994). The four horsemen of automaticity: awareness, lntention, efficiency, and control in social cognition. In J. R. S. Wyer & T. K. Srull (Eds.), Handbook Of Social Cognition (2nd ed ed., pp. 1-40). Hillsdale, NJ Erlbaum. Bargh, J. A. (2002). Losing consciousness: Automatic influences on consumer judgment, behavior, and motivation. Journal of Consumer Research, 29(2), 280-285. Bargh, J. A., & Chartrand, T. L. (2000). Study the mind in the middle: A practical guide to priming and automaticity research. In H. T. R. C. M. Judd (Eds.), Handbook of Research Methods in Social and Personality Psychology. New York: Cambridge University Press. Bargh, J. A., Chen, M., & Burrows, L. (1996). Automaticity of social behavior: Direct effects of trait construct and stereotype activation on action. Journal of Personality and Social Psychology, 71(2), 230-244. doi: 10.1037/0022-3514.71.2.230 Bateson, M., Nettle, D., & Roberts, G. (2006). Cues of being watched enhance cooperation in a realworld setting. Biology Letters, 2(3), 412-414. Berlonghi, A. E. (1995). Understanding and planning for different spectator crowds. Safety Science, 18(4), 239-247. doi: 10.1016/0925-7535(94)00033-y Berlyne, D.E. (1971). Esthetics and Psychobiology. New York: Meredith. Blamey, A., Mutrie, N., & Aitchison, T. (1995). Health promotion by encouraged use of stairs. BMJ, 311, 289-290. Bloeme, R. (2015). Gedragsbeinvloeding in uitgaansgebieden: Een verkennend onderzoek naar de totstandkoming en beinvloeding van probleemgedrag in uitgaansgebieden. Amsterdam: DSPgroep.

61


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Boen, F., Maurissen, K., & Opdenacker, J. (2010). A simple health sign increases stair use in a shopping mall and two train stations in Flanders, Belgium. Health Promotion International, 25(2), 183-191. doi: 10.1093/heapro/daq001 Boutelle, K. N., Jeffery, R. W., Murray, D. M., & Schmitz, M. K. H. (2001). Using Signs, Artwork, and Music to Promote Stair Use in a Public Building. American Journal of Public Health, 91(12), 2004–2006. Van Bommel, M., Van Prooijen, J. W., Elffers, H., & Van Lange, P. A. M. (2014). Intervene to be seen: The power of a camera in attenuating the bystander effect. Social Psychological and Personality Science, 5(4), 459-466. Van Bommel, M., Van Prooijen, J. W., Elffers, H., & Van Lange, P. A. M. (2012). Be aware to care: Public self-awareness leads to a reversal of the bystander effect. Journal of Experimental Social Psychology, 48(4), 926-930. Boutelle, K. N., Jeffery, R. W., Murray, D. M., & Schmitz, M. K. H. (2001). Using Signs, Artwork, and Music to Promote Stair Use in a Public Building. American Journal of Public Health, 91(12), 2004–2006. Broughton, E., & Molasso, W. M. (2006). College drinking: Content analysis of 30 years of research. Journal of College Student Development, 47(6), 609-627. Carver, C. S., & Scheier, M. F. (1978). Self-focusing effects of dispositional self-consciousness, mirror presence, and audience presence. Journal of Personality and Social Psychology, 36(3), 324332. doi: 10.1037/0022-3514.36.3.324 CCV. (2015). Trends Uitgaansgeweld: Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Chatterton, P., & Hollands, R. (2003). Urban nightscapes: Youth cultures, pleasure spaces and corporate power. London: Routledge. Chen, Qunli, de Vries, Bauke, & Sun, Chengyu. (2011). A vision-based simulation system of navigation through virtual environment. Paper presented at the 25th European Conference on Modelling and Simulation, ECMS 2011. Cialdini, R. B., Kallgren, C. A., & Reno, R. R. (1991) A Focus Theory of Normative Conduct: A Theoretical Refinement and Reevaluation of the Role of Norms in Human Behavior. Vol. 24. Advances in Experimental Social Psychology (pp. 201-234). Cialdini, R. B., Reno, R. R., & Kallgren, C. A. (1990). A Focus Theory of Normative Conduct: Recycling the Concept of Norms to Reduce Littering in Public Places. Journal of Personality and Social Psychology, 58(6), 1015-1026. Cao, S. H., Z. Z. Yuan, et al. (2009). Queuing mechanism of passengers at exit stairs of urban rail transit. Jilin Daxue Xuebao (Gongxueban)/Journal of Jilin University.Engineering and Technology Edition, 39(6), 1463-1468. Costley, C. L., & Brucks, M. (1992). Selective recall and information use in consumer preferences. Journal of Consumer Research, 18(4), 464-474. Davis, K. C., Hendershot, C. S., George, W. H., Norris, J., & Heiman, J. R. (2007). Alcohol's effects on sexual decision making: An integration of alcohol myopia and individual differences. Journal of Studies on Alcohol and Drugs, 68(6), 843-851. Dijsterhuis & Van Baaren (2015). Een schone boel en een veilig gevoel: Verminderd vervuilgedrag en verhoogde veiligheidsgevoelens door een gedragsinterventie in Rotterdamse straten. Nijmegen: D&B Applied Behavioural Science. Drury, J., & Stott, C. (2011). Contextualising the crowd in contemporary social science. Contemporary Social Science, 6(3), 275-288. doi: 10.1080/21582041.2011.625626 Duijvestijn, H.H. (2004). Uitgaansgeweld: oorzaken en preventie. Den Haag: Stichting Maatschappij en Onderneming.

62


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Eberl, C., Wiers, R.W., Pawelczack, S., (...), Becker, E.S., Lindenmeyer, J. (2013). Approach bias modification in alcohol dependence: Do clinical effects replicate and for whom does it work best? Developmental Cognitive Neuroscience, 4, 38-51. Eysink Smeets, M., Moors, H., van ‘t Hof, K. & van den Reek Vermeulen, E. (2010). Omgaan met de perceptie van overlast en verloedering. Een beknopt advies voor de bestuurspraktijk. Tilburg: IVA. Ferwerda, H., Van Hasselt, N., Van Ham, T., & Voorham, L. (2012). De juiste snaar? Professionals met een publieke taak en de omgang met overlast, agressie en geweld als gevolg van alcohol en/of drugsgebruik. Den Haag: WODC Ministerie van Veiligheid en Justitie. Fogg, B.J. (2009). A behavior model for persuasive design. Paper presented at the PERSUASIVE 2009, Claremont, California, USA. Foster, C., Hillsdon, M., Cavill, N., Bull, F.C., Buxton, K., & Crombie, H. (2006). Interventions that use the environment to encourage physical activity: evidence review. Londen, UK: National Institute for Health and Clinical Excellence (NICE). Verkregen op 8 oktober 2015, van http://www.nisb.nl/weten/bibliotheek/publicaties.html?item=3566&view=1173433 Fox, A. (2015). Understanding behaviour in the Australian and New Zealand night-time economies. An anthropological study. Oxted: Galahad SMS ltd. Giancola, Peter R., Duke, Aaron A., & Ritz, Katalin Z. (2011). Alcohol, violence, and the alcohol myopia model: Preliminary findings and implications for prevention. Addictive Behaviors, 36(10), 1019-1022. doi: http://dx.doi.org/10.1016/j.addbeh.2011.05.006 Van Gestel, L.C., De Ridder, D.T.C. & Adriaanse, M.A. (2016). Rode lopers en spiegels – Een onderzoek naar het effect van nudges op de veiligheid tijdens het uitgaan in de gemeente hilversum. Utrecht: Universiteit Utrecht. Giancola, P. R., Josephs, R. A., Parrott, D. J., & Duke, A. A. (2010). Alcohol myopia revisited: Clarifying aggression and other acts of disinhibition through a distorted lens. Perspectives on Psychological Science, 5(3), 265-278. Gollwitzer, P. M., & Sheeran, P. (2009). Self-regulation of consumer decision making and behavior: The role of implementation intentions. Journal of Consumer Psychology, 19(4), 593-607. doi: 10.1016/j.jcps.2009.08.004 Goode, C., Balzarini, R. H., & Smith, H. J. (2014). Positive peer pressure: Priming member prototypicality can decrease undergraduate drinking. Journal of Applied Social Psychology, 44(8), 567-578. doi: 10.1111/jasp.12248 Graham, K., Bernards, S., Wells, S., Osgood, D. W., Abbey, A., Felson, R. B., & Saltz, R. F. (2011). Behavioural indicators of motives for barroom aggression: Implications for preventing bar violence. Drug and Alcohol Review, 30(5), 554–563. http://doi.org/10.1111/j.14653362.2010.00252.x Graham K., Bernards S., Osgood D. W., & Wells S. (2006). Bad nights or bad bars? Multilevel analysis of environmental predictors of aggression in late-night large-capacity bars and clubs. Addiction, 101, 1569-1580. Green, J. & M.A. Plant (2007). Bad bars: A review of risk factors. Journal of substance use, 12 (3), 157189. De Groot, I. & Van der Land, M. (2012). Ingenomen en uitgehaald. Alcohol en geweld in Amsterdamse uitgaanssettings. Amsterdam: Leerstoel Veiligheid en Burgerschap, Vrije Universiteit Amsterdam.

63


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Van Hagen, M., Galetzka, M., & Pruyn, A. (2014). Waiting experience in railway environments. Journal of Motivation, Emotion and Personality, 3, 41-55. doi: 10.12689/jmep.2014.305 Hallion, L.S., & Ruscio, A.M. (2011). A meta-analysis of the effect of cognitive bias modification on anxiety and depression. Psychological Bulletin, 137(6), 940-958 Hanks, A. S., Just, D. R. & Wansink, B. (2012). Trigger foods: The influence of ‘irrelevant’ alternatives in school lunchrooms. Agricultural and Resource Economics Review,1(1), 1-10. Hanks, A. S., Just, D. R., Smith, L. E. & Wansink, B. (2012). Healthy convenience: nudging students toward healthier choices in the lunchroom. Journal of Public Health, 34 (3), 370-376. doi:10.1093/pubmed/fds003 Harrell, Gilbert D., & Hutt, M.D. (1976). Crowding in retail stores. MSU Business Topics, 33-39. Helbing, D., Buzna, L., Johansson, A., & Werner, T. (2005). Self-organized pedestrian crowd dynamics: Experiments, simulations, and design solutions. Transportation Science, 39(1), 1-24. Van Hest, M. (2009). Uitgaansgeweld: Lokaal beeld en aanpak. Utrecht: Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Verkregen op 8 oktober 2015, van http://www.hetccv.nl/binaries/content/assets/ccv/dossiers/uitgaansgeweld/Eindrapportage _uitgaansgeweld_def.pdf Van Hest, M., Faes, F., & Sannen, A. (2011). Alcohol en agressie. Utrecht: Centrum Veilig en Gezond Uitgaan, Trimbos-instituut en Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Verkregen op 8 oktober 2015, van http://www.veiligengezonduitgaan.nl/documents/Infosheet_Alcohol_en_agressie.pdf Holland, Rob W., Hendriks, Merel, & Aarts, Henk. (2005). Smells Like Clean Spirit: Nonconscious Effects of Scent on Cognition and Behavior. Psychological Science, 16(9), 689-693. doi: 10.1111/j.1467-9280.2005.01597.x Van Hoof, J. J. (2010). Sweet sixteen and never been drunk? Adolescent alcohol consumption, predictors and consequences. Enschede, The Netherlands: University of Twente. Van Hoof, J. J., Van den Boom, S. G. M., & De Jong, M. D. T. (2011). Making sense of alcohol experiences. Young adolescents' accounts of alcohol-related critical incidents. Addictive Behaviors, 36, 849-854. Van Hoof, J. J., Gosselt, J. F. (2013). Underage alcohol sales—It only takes a minute: A new approach to underage alcohol availability. Journal of Studies on Alcohol and Drugs, 74, 423–427. Van Hoof, J. J., De Jong, M. D. T., & Van Noordenburg, M. (2008). Happy hours and other alcohol discounts in cafés: prevalence and effects on underage adolescents. Journal of Public Health Policy, 29, 340-352. Van Hoof, J. J., De Vries, P. W., & Kroes, J. (submitted). Using the Lost Letter Technique to measure real-life behavioural effects of alcohol use. Submitted Homel, R., R. Carvolth, M. Hauritz, G. McIlwain & R. Teague (2004). Making licensed venues safer for patrons: what environmental factors should be the focus of interventions? Drug and Alcohol Review, 23, 19-29. Hsu, Jen-Hsien. (2015). Of morals and scents: How consumers’ physical sensation of cleanliness affects their evaluations of green products. (PhD thesis), University of Leeds, Leeds. Hughes, K., Anderson, Z., Morleo, M., & Bellis, M. (2007). Alcohol, nightlife and violence: the relative contributions of drinking before and during nights out to negative health and criminal justice outco, 103, 60-65. doi: 10.1111/j.1360-0443.2007.02030.

64


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

Hui, Michael K., & Bateson, John E. G. (1991). Perceived control and the effects of crowding and consumer choice on the service experience. Journal of Consumer Research, 18(2), 174184. Josephs, R. A., & Steele, C. M. (1990). The Two Faces of Alcohol Myopia: Attentional Mediation of Psychological Stress. Journal of Abnormal Psychology, 99(2), 115-126. Leary, M. R., & Baumeister, R. F. (2000) The nature and function of self-esteem. Sociometer Theory, 32, 1-62. Jansen, Anja M., Giebels, Ellen, van Rompay, Thomas J. L., Austrup, Sebastian, & Junger, Marianne. (2016). Order and control in the environment: Exploring the effects on undesired behaviour and the importance of locus of control. Legal and Criminological Psychology, n/a-n/a. doi: 10.1111/lcrp.12095 De Jong, R., & Plochg, Th. (2015). Dialoog ‘met gedragskennis beleid maken’. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, 93(8), 300-301. Just, D. R. & Wansink, B. (2009). Smarter lunchrooms: Using behavioural economics to improve meal selection. Choices: The Magazine of Food, Farm and Resource Issues, 24(3), 1-7. Retrieved from: http://www.choicesmagazine.org/magazine /article.php?article=87 Kahneman, D. (2003). Maps of bounded rationality: Psychology for behavioral economics. The American Economic Review, 93(5), 1449-1475. doi: 10.1257/000282803322655392 Kahneman, D. (2011). Thinking, fast and slow. New York: Farrar, Straus and Giroux. Kallgren, C. A., Reno, R. R., & Cialdini, R. B. (2000). A focus theory of normative conduct: When norms do and do not affect behavior. Personality and Social Psychology Bulletin, 26(8), 1002-1012. Kanters, T. (2013). Living Lab, onderdeel van Stratumseind 2.0. Presentatie. Keizer, K., Lindenberg, S., & Steg, L. (2008). The spreading of disorder. Science, 322(5908), 1681-1685. doi: 10.1126/science.1161405 Kerr, J., Eves, F., & Carroll, D. (2001). Encouraging stair use: Stair-Riser banners are better than posters. American Journal of Public Health, 91(8), 1192–1193. De Kort, Y. A. W., McCalley, L. T., & Midden, C. J. H. (2008). Persuasive trash cans: Activation of littering norms by design. Environment and Behavior, 40(6), 870-891. doi: 10.1177/0013916507311035 Kruyswijk, M. (2015, May 16). Massatoerisme verheft Amsterdam tot wereldstad. Parool. Retrieved from http://www.parool.nl/binnenland/massatoerisme-verheft-amsterdam-totwereldstad~a4025980/ Kuppens, J., Van Ham, T., & Ferweda, H. (2013). Rem de ontremming: Naar een innovatieve aanpak van geweld en overlast tijdens uitgaan en evenementen. Utrecht: Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Verkregen op 8 oktober 2015, van http://www.hetccv.nl/binaries/content/assets/ccv/dossiers/uitgaansgeweld/rem_de_ontre mming_tussenrapportage_definitief.pdf De Lange, M. A., Debets, L. W., Ruitenburg, K., & Holland, R. W. (2012). Making less of a mess: Scent exposure as a tool for behavioral change. Social Influence, 7(2), 90-97. doi: 10.1080/15534510.2012.659509 Lawrence, F. (2010, November 12). First goal of David Cameron's 'nudge unit' is to encourage healthy living: Behavioural Insight Team set up by prime minister will focus on urging people to 'make better choices for themselves'. Guardian. Retrieved from http://www.theguardian.com/politics/2010/nov/12/david-cameron-nudge-unit

65


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Lee, H., Strawderman, L., & Usher, J. M. (2009, October 19-23, 2009). Analyzing pedestrian traffic behavior using video footage, zone of comfort and situation awareness. Paper presented at the 53rd Annual Meeting of the Human Factors and Ergonomics Society, San Antonio. Van Liempt, I., & Van Aalst, I. (2012). Urban Surveillance the struggle between safe and exciting nightlife districts. Surveillance & Society, 93(3), 280-292. Van der Linden, J., Knibbe, . R.A., & Joosten, J. (2004). Daders en Slachtoffers aan het woord: een exploratief onderzoek naar uitgaansgeweld. Maastricht: Universiteit Maastricht. Linkenbach, J., & Perkins, H.W. (2003). misperceptions of peer alcohol norms in a statewide survey of young adults. In H. W. Perkins (ed.), The Social Norms Approach to Preventing School and College Age Substance Abuse: A Handbook for Educators, Counselors, and Clinicians. San Francisco: Jossey-Bass. Lopez, M., Luten, I., Woldendorp, T., & van Zwam, C. (2008). Handboek Veilig Ontwerp en Beheer: Sociale veiligheid in buitenruimten, gebouwen en woningen. Bussum: Thoth Uitgeverij. Lovelock, C., Wirtz, J., & Chew, P. (2009). Essentials of Services Marketing. Singapore: Pearson Education South Asia Pte Ltd. Lurquin, J. H., Michaelson, L. E., Barker, J. E., Gustavson, D. E., Von Bastian, C. C., Carruth, N. P., & Miyake, A. (2016). No evidence of the ego-depletion effect across task characteristics and individual differences: A pre-registered study. PLoS ONE, 11(2). doi: 10.1371/journal.pone.0147770 MacDonald, T. K., Zanna, M. P., & Fong, G. T. (1995). Decision Making in Altered States: Effects of Alcohol on Attitudes Toward Drinking and Driving. Journal of Personality and Social Psychology, 68(6), 973-985. MacDonald, T. K., Zanna, M. P., & Fong, G. T. (1996). Why common sense goes out the window: Effects of alcohol on intentions to use condoms. Personality and Social Psychology Bulletin, 22(8), 763-775. Mehrabian, A., & Russell, J. (1974). An Approach to Environmental Psychology. Cambridge, Mass.: MIT Press. Minuto, A., Huisman, G., & Nijholt, A. (2012). Follow the Grass: a Smart Material Interactive Pervasive Display. In: 11th International Conference on Entertainment Computing, ICEC 2012, 26-29 September 2012, Bremen, Germany (pp. pp. 144-157)

Momsen, K., & Stoerk, T. (2014). From intention to action: Can nudges help consumers to choose renewable energy? Energy Policy, 74(C), 376-382. doi: 10.1016/j.enpol.2014.07.008 Van Nieuw-Amerongen, M.E., Kremers, S.P.J., de Vries, N.K., & Kok, G. (2011). The use of prompts, increased accessibility, visibility, and aesthetics of the stairwell to promote stair use in a university building. Environment and Behavior, 43(1), 131-139. doi: 10.1177/0013916509341242 Van Noije, L., & Wittebrood, K. (2008). Sociale veiligheid ontsleuteld. Veronderstelde en werkelijke effecten van veiligheidsbeleid. Den Haag: SCP. Okken, V., Van Rompay, T., & Pruyn, A. (2013). When the world is closing in: Effects of perceived room brightness and communicated threat during patient-physician interaction. Health Environments Research and Design Journal, 7(1), 37-53. Otten, J., & Kramer, F. (2015, April 11). Stop de uitverkoop van onze stad – Amsterdam. Parool. Retrieved from http://www.parool.nl/amsterdam/-stop-de-uitverkoop-van-onzestad~a3949215/ Paschall M.J., Grube J.W., Black C., et al. (2007). Alcohol outlet characteristics and alcohol sales to youth: Results of alcohol purchase surveys in 45 oregon communities. Prev Sci, 8, 153-159. 66


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Plant, J. B., & Scott, M. S. (2011). Trick or Treat? Policing Halloween in Madison, Wisconsin. In Tamara D. Madensen & Johannes Knutsson (Eds.), Preventing Crowd Violence (Vol. 26, pp. 159-190). London: Lynne Rienner Publishers, Inc. Van der Poel, A., Doekhie, J., Verdurmen, J., Wouters, M., Korf, D., & Van Laar (2010). Feestmeter 2008-2009. Uitgaan en middelengebruik onder bezoekers van party’s en clubs. Amsterdam/Utrecht: Bonger Instituut voor Criminologie & Trimbos-instituut. Pokorny, S.B., Jason, L.A., & Schoeny, M. (2006). Youth supplying tobacco to other minors: Evaluating individual and town-level correlates. Journal of Youth Adolescence, 35, 705–715. Postmes, T., Spears, R., Lee, A. T., & Novak, R. J. (2005). Individuality and social influence in groups: Inductive and deductive routes to group identity. Journal of Personality and Social Psychology, 89(5), 747-763. doi: 10.1037/0022-3514.89.5.747 Prentice, D.A. (2008). Mobilizing and weakening peer influence as mechanisms for changing behavior: Implications for alcohol intervention programs. In P. M.J. & D. K.A. (Eds.), Understanding peer influence in children and adolescents (pp. 161-180). New York, NY: Guilford Press. Reicher, S., Stott, C., Cronin, P., & Adang, O. (2004). An integrated approach to crowd psychology and public order policing. Policing, 27(4), 558-572. doi: 10.1108/13639510410566271 Rogers, Y., Hazlewood, W. R., Marshall, P., Dalton, N., & Hertrich, S. (2010). Ambient influence: Can twinkly lights lure and abstract representations trigger behavioral change? Paper presented at the 12th International Conference on Ubiquitous Computing, UbiComp 2010, Copenhagen. Van Rompay, T. J. L., De Vries, P.W., & Damink, M. T. (2015). "For Your Safety" - Effects of camera surveillance on safety impressions, situation construal and attributed intent. Lecture notes in computer science (9072), 141 – 146. http://dx.doi.org/10.1007/978-3-319-20306-5_13 Van Rompay, T. J. L., Vonk, D. J., & Fransen, M. L. (2009). The eye of the camera: Effects of security cameras on prosocial behavior. Environment and Behavior, 41(1), 60-74. doi: 10.1177/0013916507309996 RMO - Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2014). De verleiding weerstaan: Grenzen aan beïnvloeding van gedrag door de overheid. Verkregen op 8 oktober 2015, van http://www.adviesorgaanrmo.nl/publicaties/adviezen/de_verleiding_weerstaan_maart_2014 Schifferstein, H. N. J., Talke, K. S. S., & Oudshoorn, D.-J. (2011). Can ambient scent enhance the nightlife experience? Chemosensory Perception, 4(1-2), 55–64. http://doi.org/10.1007/s12078-011-9088-2Schmeichel, B. J., & Vohs, K. D. (2009). Selfaffirmation and self-control: Affirming core values counteracts ego depletion. Journal of Personality and Social Psychology, 96(4), 770-782. doi: 10.1037/a0014635 Schrijvers, C.T.M. & A.J. Schuit (2010). Middelengebruik en seksueel gedrag van jongeren met een laag opleidingsniveau. Aangrijpingspunten voor preventie. Bilthoven: RIVM. Schultz, P. W., Nolan, J. M., Cialdini, R. B., Goldstein, N. J., & Griskevicius, V. (2007). The constructive, destructive, and reconstructive power of social norms. Psychological Science, 18(5), 429-434. doi: 10.1111/j.1467-9280.2007.01917 Seyfried, A., Passon, O., Steffen, B., Boltes, M., Rupprecht, T., & Klingsch, W. (2009). New insights into pedestrian flow through bottlenecks. Transportation Science, 43(3), 395-406. Shiffrin, Richard M., & Schneider, Walter. (1977). Controlled and automatic human information processing: II. Perceptual learning, automatic attending and a general theory. Psychological Review, 84(2), 127-190. doi: 10.1037/0033-295X.84.2.127 Simon, Herbert. (1991). Bounded rationality and organizational learning. Organization Science, 2(1), 125-134. doi: 10.1287/orsc.2.1.125 Stad in balans: Startdocument (28 Mei 2015). Amsterdam: Gemeente Amsterdam. 67


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Steele, C. M., & Josephs, R. A. (1990). Alcohol myopia: Its prized and dangerous effects. American Psychologist, 45(8), 921-933. Steidle, A., & Werth, L. (2014). In the spotlight: Brightness increases self-awareness and reflective self-regulation. Journal of Environmental Psychology, 39, 40-50. Stokols, D. (1972). On the distinction between density and crowding: Some implications for future research. Psychological Review, 79(3), 275-277. Stott, C., & Drury, J. (2000). Crowds, context and identity: dynamic categorization processes in the ‘Poll Tax riot’. Human Relations, 53(2), 247–273. Strack, F., Werth, L., & Deutsch, R. (2006). Reflective and Impulsive Determinants of Consumer Behavior. Journal of Consumer Psychology, 16(3), 205-216. Sunstein, C., & Reisch,L. (2013) .Green by default. Kyklos, 66,398–402. Sudevan, P., & Taylor, D. A. (1987). The cuing and priming of cognitive operations. Journal of Experimental Psychology: Human Perception and Performance, 13(1), 89-103. Suri, G., S. G., Leslie, S., & Gross, J. J. (2014). Stairs or escalator? Using theories of persuasion and motivation to facilitate healthy decision making. Journal of Experimental Psychology: Applied, 20(4), 295-302. doi: 10.1037/xap0000026 Tajfel, H. (1979). Individuals and groups in social psychology. British Journal of Social and Clinical Psychology, 18(2), 183-190. Tajfel, H. (1982). Social-psychology of intergroup relations. Annual Review of Psychology, 33, 1-39. doi: 10.1146/annurev.ps.33.020182.000245 Tajfel, H., & Turner, J.C. (1979). An integrative theory of intergroup conflict. In W. G. Austin & S. Worchel (Eds.), The Social Psychology of Intergroup Relations. Monterey, CA: Brooks-Cole. Thaler, R.H. (2009). Public policy nudges: T he government as choice architect. In De Overheid als Keuzearchitect?. (pp. 9 - 21). Den Haag: WRR. Thaler, R.H., & Sunstein, C.R. (2008). Nudge: Improving Decisions about Health, Wealth and Happiness. New Haven, CT: Yale University Press. Tice, D. M., Baumeister, R. F., Shmueli, D., & Muraven, M. (2007). Restoring the self: Positive affect helps improve self-regulation following ego depletion. Journal of Experimental Social Psychology, 43(3), 379-384. doi: 10.1016/j.jesp.2006.05.007 Timan, T. (2013). Surveillance in urban nightscapes: A STS-informed perspective. Tecnoscienza: Italian Journal of Science & Technology Studies, 4(2), 93-124. Tversky, A., & Kahneman, D. (1974). Judgment under uncertainty: Heuristics and biases. Science, 185(4157), 1124-1131. Tyler, J. M., & Burns, K. C. (2008). After depletion: The replenishment of the self's regulatory resources. Self and Identity, 7(3), 305-321. doi: 10.1080/15298860701799997 Vohs, K. D., Baumeister, R. F., & Ciarocco, N. J. (2005). Self-regulation and self-presentation: Regulatory resource depletion impairs impression management and effortful selfpresentation depletes regulatory resources. Journal of Personality and Social Psychology, 88(4), 632-657. doi: 10.1037/0022-3514.88.4.632 De Vos, M. & Van Hagen, M. (2015). Licht op treinstations. Bijdrage aan Colloquium Vervoersplanologisch Speurwerk (CVS), 19 en 20 November 2015, Antwerpen: CVS. De Vries, P.W., Galetzka, M., & Gutteling, J.M. (2013). Inzet communicatie bij crowd management en crowd control (pp. 127). Den Haag: WODC Ministerie van Veiligheid en Justitie.

68


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Wansink, B. (2004). Environmental factors that increase the food intake and consumption volume of unknowing consumers. Annual Reviews Nutrition, 24, 455-479. doi: 10.1146/annurev.nutr.24.012003.132140 Wansink, B. (2015). Change their choice! Changing behavior using the CAN approach and activism research. Psychology & Marketing, 32(5), 486-500. doi: 10.1002/mar.20794 Wicklund, R. A., & Duval, S. (1971). Opinion change and performance facilitation as a result of objective self-awareness. Journal of Experimental Social Psychology, 7(3), 319-342. doi: 10.1016/0022-1031(71)90032-1 Wiers, R.W., Eberl, C., Rinck, M., Becker, E.S., Lindenmeyer, J. (2011). Retraining automatic action tendencies changes alcoholic patients' approach bias for alcohol and improves treatment outcome. Psychological Science, 22 (4), 490-497. Wilson, J.Q., & Kelling, G. L. (1982). Broken windows: The police and neighbourhood safety. The Atlantic Monthtly, March, 29-38. Worchel, S., & Yohai, S. M. L. (1979). The role of attribution in the experience of crowding. Journal of Experimental Social Psychology, 15(1), 91-104. WRR - Wetenschappelijk Raad voor Regeringsbeleid (2014). Met kennis van gedrag beleid maken. Den Haag: WRR. Wryobeck, John, & Chen, Yiwei. (2003). Using priming techniques to facilitate health behaviours. Clinical Psychologist, 7(2), 105-108. doi: 10.1080/13284200410001707553 Wyer, R.S. (2008) The role of knowledge accessibility in cognition and behavior: Implications for consumer information processing, 31-76. In C.P. Haugtvedt, P.M. Herr, & F.R. Kardes (Eds.), Handbook of Consumer Psychology. Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum Associates.

69


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

70


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

BIJLAGE A Literatuurverkenning Door het uitvoeren van een literatuurverkenning werd bestaande kennis over uitgaansoverlast, het ontstaan van agressie en vandalisme en alcoholgebruik samengebracht met kennis over gedragsbeïnvloeding via spontane processen. De bronnen die ter beantwoording van de onderzoeksvragen werden geraadpleegd waren uit de wetenschappelijke literatuur afkomstig, alsook uit de zogenaamde grijze literatuur (artikelen of rapportages van niet-wetenschappelijke instellingen, die dus meestal “de praktijk” vertegenwoordigen). Bij het verkennen van de wetenschappelijke literatuur werd aandacht besteed aan publicaties die betrekking hadden op de nationale en internationale context (d.w.z. zowel in de Nederlandse als in de internationale context).

Databases In databases als Web of Science, PsychINFO en Scopus werd gezocht naar beschikbare literatuur aan de hand van (combinaties van) relevante zoekwoorden. In eerste instantie werd gezocht worden met combinaties van zoektermen als “priming” en “nudging”. Daarnaast werden ook zoekacties verricht waarin de termen “gedragsbeïnvloeding” en “social norms” gecombineerd werden met termen die betrekking hebben op deze informatiegebieden. Web of Science (WoS) is een veelgebruikte database, die bestaat uit drie afzonderlijke citatie databases, nl. Science Citation Index Expanded (1945-heden, natuurwetenschappen, wiskunde, geneeskunde en technische wetenschappen), Social Sciences Citation Index (1956-heden, sociale wetenschappen, psychologie en bedrijfskunde) en de Arts & Humanities Citation Index (1975-heden, kunst en humanioria). WoS bevat bibliografische gegevens van artikelen uit ongeveer 9.500 wetenschappelijke tijdschriften. PsychINFO is een zoekmachine met meer dan 3 miljoen records van peer-reviewed literatuur in de gedragswetenschappen. Scopus is een zoekmachine die een overzicht biedt van wetenschappelijke en professionele artikelen binnen alle disciplines, conferentiebijdragen en patenten. Vervolgens werden referentielijsten van relevante artikelen doorzocht, relevante handboeken (zoals, Haugtvedt et al., 2008; Thaler & Sunstein, 2008) en congrespublicaties (zoals, de Persuasive Technology proceedings in Lecture Notes in Computer Science). Ook werd door middel van een citatie-analyse gezocht naar recente literatuur die naar de gevonden artikelen verwijzen. Omdat we ook relevante grijze literatuur niet willen missen wordt een extra literatuuronderzoek verricht met Google Scholar, en werd gezocht op/naar relevante websites (zoals www.hetccv.nl van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en veiligheid), Bureau Beke, Nederlands Instituut voor Fysieke Veiligheid (NIFV), WODC en Kenniscentrum Evenementenveiligheid. Gedurende het onderzoek werd via het CCV per email de vraag uitgezet naar informatie over lopende nudging experimenten in Nederland.

Selectiestrategie De resultaten van de zoekacties werden gescand op basis van titel en samenvatting om de bruikbaarheid in te kunnen schatten. De bruikbaarheid werd bepaald op grond van de aanwezigheid van relevante zoektermen.

i


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Relevante zoektermen De volgende zoektermen werden relevant geacht voor de onderzoeksvraag en vormden de input voor de zoek- en selectiestrategie. Hoe deze concepten samenhangen met de geformuleerde onderzoeksvragen, is te zien in onderstaande tabel. Gebaseerd op deze zoekwoorden werd eerst breed gezocht op de combinatie van concepten en bredere zoektermen, daarna meer specifiek op combinaties van de smallere zoektermen. Tabel Zoektermen Hoofdvraag: Hoe kunnen inzichten uit de sociale psychologie en gedragseconomie bijdragen om uitgaansoverlast tegen te gaan? Deelvragen

1.

Welke vormen van gedragsbeĂŻnvloeding ter voorkoming van uitgaansoverlast zijn al toegepast (nationaal en internationaal) en hoe succesvol waren deze?

Zoektermen Concepts

Smaller terms

Broader terms

Nudge

Automatic behavior

Social influence

Sponteneous behavior

Persuasion

Impulsiveness

Persuasive technology

Priming

Self regulation Prompts

Self awareness Persuasive design

Dual process theories

Persuasive

Atmospherics

Biases in decision making

Behavior

Alcohol use

Alcohol

Drunkenness Aggression

Social behavior

Violence Drunkenness 2. Wat zijn indicatoren voor een toename en afname in uitgaansoverlast?

drugs, cannabis Social incivilities Physical incivilities

3. Welke nieuwe maatregelen kunnen gemeenten en andere relevante veiligheidspartijen nemen om het uitgaan in uitgaansgebieden en bij evenementen veiliger te maken?

Vandalism Adolescents Social identity Peer pressure

4. Is het mogelijk om middels een beleidsexperiment een maatregel van vraag 3 te onderzoeken op effectiviteit?

Social interaction Norms

5. Hoe kan zo’n experiment vormgegeven worden?

Norm activation

Instrument

Littering

Intervention

Social norms

Prevention

Prosocial behavior Disorder Descriptive norms Situational norms Injunctive norms Surveillance camera

ii


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

BIJLAGE B Wet- en regelgeving omtrent Ethiek B.1 Wet Bescherming Persoonsgegevens

Hoofdstuk 2. Voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens (Bron: http://wetten.overheid.nl/BWBR0011468/2016-01-01#Hoofdstuk2) Artikel 9: 1. Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. 2. Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk geval rekening met: a. de verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen; b. de aard van de betreffende gegevens; c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene; d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen en e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen. 3. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, wordt niet als onverenigbaar beschouwd, indien de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke doeleinden. Artikel 10: 1. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt. 2. Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan bepaald in het eerste lid voor zover ze voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard, en de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de desbetreffende gegevens uitsluitend voor deze specifieke doeleinden worden gebruikt. Artikel 16: De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag. Artikel 23, lid 2: Het verbod om persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16, te verwerken ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek is niet van toepassing voor zover: a. het onderzoek een algemeen belang dient, b. de verwerking voor het betreffende onderzoek of de betreffende statistiek noodzakelijk is, c. het vragen van uitdrukkelijke toestemming onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost en d. bij de uitvoering is voorzien in zodanige waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad. i


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Artikel 33: 1. Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene, deelt de verantwoordelijke vóór het moment van de verkrijging de betrokkene de informatie mede, bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is. 2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens zijn bestemd, mede. 3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen. Artikel 34: 1. Indien persoonsgegevens worden verkregen op een andere wijze dan bedoeld in artikel 33, deelt de verantwoordelijke de betrokkene de informatie mede, bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij deze reeds daarvan op de hoogte is: a. op het moment van vastlegging van hem betreffende gegevens, of b. wanneer de gegevens bestemd zijn om te worden verstrekt aan een derde, uiterlijk op het moment van de eerste verstrekking. 2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking mede. 3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen. 4. Het eerste lid is niet van toepassing indien mededeling van de informatie aan de betrokkene onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. In dat geval legt de verantwoordelijke de herkomst van de gegevens vast. 5. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vastlegging of de verstrekking bij of krachtens de wet is voorgeschreven. In dat geval dient de verantwoordelijke de betrokkene op diens verzoek te informeren over het wettelijk voorschrift dat tot de vastlegging of verstrekking van de hem betreffende gegevens heeft geleid. Artikel 35: 1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. 2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. 3. Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. 4. Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens. Artikel 44, lid 1:

ii


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid Indien een verwerking plaatsvindt door instellingen of diensten voor wetenschappelijk onderzoek of statistiek, en de nodige voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat de persoonsgegevens uitsluitend voor statistische en wetenschappelijke doeleinden kunnen worden gebruikt, kan de verantwoordelijke een mededeling als bedoeld in artikel 34 achterwege laten en weigeren aan een verzoek als bedoeld in artikel 35 te voldoen.

iii


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

B.2 Richtlijnen American Psychological Association (bron: http://www.apa.org/ethics/code/principles.pdf) .2.1

Informed consent

De algemeen geldende regel zoals gestipuleerd door de APA is dat deelnemers aan onderzoek vooraf geïnformeerd worden over de doelstellingen van het onderzoek en expliciet hun instemming voor deelname kenbaar maken. Meer specifiek moeten onderzoekers deelnemers informeren met betrekking tot de volgende zaken: • • • • • • • •

Doel van het onderzoek, verwachte duur, en procedures Het recht van de deelnemer om weigeren deel te nemen en hun deelname te staken als ze eenmaal begonnen zijn De consequenties van het staken van deelname (voor zover te voorzien) Factoren (voor zover te voorzien) die van invloed zouden kunnen zijn op de bereidheid tot deelname, zoals risico’s, ongemak, of schadelijke bijverschijnselen Voordelen van het onderzoek (?) In hoeverre is voorzien in vertrouwelijkheid en anonimiteit Wat deelnemers ontvangen in ruil voor hun deelname Met wie deelnemers contact op kunnen nemen met vragen over het onderzoek en de rechten van deelnemers

Wanneer het gaat om een interventieonderzoek, waarbij sprake is experimentele condities, moeten onderzoekers verder duidelijk maken dat • • • • •

Het onderzoek experimenteel van aard is Welke diensten beschikbaar zijn voor deelnemers in controlegroepen (indien van toepassing) De wijze waarop deelnemers aan condities worden toegewezen Welke alternatieve behandelingen beschikbaar zijn als een deelnemer zijn/haar deelname staakt Eventuele compensatie voor gemaakte kosten.

.2.2 Afzien van informed consent In algemene zin mag van informed consent mag worden afgezien wanneer •

•

Redelijkerwijs geen stress of andere schadelijke gevolgen verwacht kunnen worden en o Er sprake is van normale onderwijspraktijken o Slechts anonieme vragenlijsten gebruikt worden, natuurlijk gedrag wordt geobserveerd, of wanneer er sprake is van bronnenonderzoek waarbij resultaten geen schadelijke gevolgen opleveren voor de deelnemers en vertrouwelijkheid wordt betracht o Onderzoek in organisaties vertrouwelijk is en geen schade oplevert voor deelnemers’ aanstelling Is toegestaan door de wet of door regelgeving van het betrokken instituut.

Voor het maken van geluids- en beeldopnamen kan van informed consent worden afgeweken als er •

Sprake is van observatie van natuurlijk gedrag in openbare ruimten en het materiaal naar verwachting niet zal worden gebruikt voor identificatie van individuen of hen schade kan betrokkenen iv


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid •

Wanneer als onderdeel van het onderzoek deceptie wordt toegepast en toestemming voor het gebruik van de opnamen in de debriefing (d.w.z. na afloop van het onderzoek) wordt gevraagd.

.2.3 Misleiding in onderzoek Misleiding is alleen toegestaan • • •

wanneer dat nodig is met het oog op de praktische, wetenschappelijke, of onderwijskundige waarde ervan, en effectieve alternatieve methoden niet haalbaar zijn wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het onderzoek tot fysieke pijn of ernstige emotionele stress kan leiden wanneer onderzoekers zo vroeg als redelijkerwijs mogelijk deelnemers hiervan op de hoogte brengen, bij voorkeur aan het einde van het onderzoek, maar niet later dan het einde van de dataverzameling, en deelnemers de mogelijkheid krijgen zich uit het onderzoek terug te trekken.

.2.4 Debriefing Onderzoekers stellen deelnemers tijdig in staat kennis te nemen van informatie als aard, resultaten en conclusies van het onderzoek, en nemen redelijkerwijs stappen om eventuele misvattingen onder deelnemers voor zover onderzoekers hiervan op de hoogte zijn te corrigeren. Als het om wetenschappelijke of humane redenen nodig mocht zijn het bekendmaken van deze informatie te vertragen of tegen te houden, dienen onderzoekers redelijke stappen te ondernemen om eventuele schade te minimaliseren. Wanneer onderzoekers zich bewust worden van schade opgelopen door de onderzoeksprocedures, zullen ze redelijke stappen ondernemen deze schade te minimaliseren.

v


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

B.3 Code ethische toetsing sociaal-wetenschappelijk onderzoek Zie hiervoor de volgende webpagina: https://www.ou.nl/documents/10821/991167/Code_of_ethics_for_research_in_the_social_and_be havioural_sciences_involving_human_participants.pdf?version=1.0

B.4 Richtlijnen Facultaire Commissie Ethiek, BMS, UT. (Bron: https://www.utwente.nl/organisatie/structuur/faculteiten/bms/onderzoek/formulieren-endownloads/regeling-ethiek-onderzoek.pdf?_whpub_clock_=20151201T095852884Z) Het voorleggen van een informed consent aan de proefpersoon is verplicht (voor proefpersonen die niet in staat zijn om informed consent te geven, zoals kinderen, worden wettelijke vertegenwoordigers gevraagd instemming te verlenen). Voorafgaand aan de uitvoering van het onderzoek en tijdens de werving van proefpersonen informeert de onderzoeker de proefpersonen over wat er kan worden verwacht tijdens het onderzoek. Op basis van die informatie wordt de proefpersoon expliciet om toestemming gevraagd de bij hem/haar verkregen gegevens te gebruiken voor onderzoek. De proefpersoon (of zijn wettelijke vertegenwoordiger) ondertekent na kennis te hebben genomen van de bij het onderzoek behorende informatiebrochure, en voorafgaande aan deelname aan het onderzoek, een informed-consentformulier. Informatiebrochure en informedconsentformulier kunnen twee gescheiden documenten zijn, dan wel in een geheel zijn vervat. Gegevens die worden verkregen uit de onderzoeken worden niet aan derden kenbaar gemaakt (gepubliceerd, maar ook vertoond in colloquia, of in onderling overleg) op een zodanige wijze dat daarmee de resultaten of andere bevindingen zijn terug te voeren op een bepaalde proefpersoon. De gegevens waarin proefpersonen identificeerbaar zijn worden zorgvuldig beheerd, en worden vernietigd zodra het belang van het onderzoek dat toestaat. In het algemeen geldt dat de onderzoeker handelt in overeenstemming met privacy wetgeving. De richtlijnen staan misleiding toe. Onder misleiding wordt verstaan het verschaffen van inaccurate of onvolledige informatie aan de proefpersoon. Het achterwege laten van informed consent wordt met deze omschrijving impliciet als een vorm van misleiding opgevat. In het algemeen geldt bij misleiding het volgende: a. Misleiding is niet toegestaan als het gaat om informatie over de eventuele risico’s die verbonden zijn aan deelname. b. Misleiding is slechts toegestaan als er geen mogelijkheid bestaat de vraagstelling zonder misleiding te beantwoorden. c. Na misleiding vindt er altijd een volledige debriefing van de proefpersoon plaats over de manier waarop de proefpersoon is misleid. Indien er redelijkerwijs tijdelijke negatieve effecten van een misleiding zijn te verwachten, dan vindt deze debriefing plaats onmiddellijk na het beëindigen van het experiment. De debriefing is op een dergelijke manier gesteld dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de tijdelijke negatieve effecten op bijvoorbeeld zelfbeeld en stemming door de debriefing worden weggenomen. Indien geen tijdelijke negatieve effecten worden verwacht mag de debriefing ook op een later tijdstip plaatsvinden, echter uiterlijk binnen een maand na het beëindigen van het experiment. Verder worden deze algemene richtlijnen aangevuld met omschrijvingen van typen onderzoek die als standaard worden opgevat binnen verschillende vakgroepen. Daarbij wordt expliciet aangegeven hoe met ethische voetangels wordt omgegaan. Onderzoek dat voldoet aan deze omschrijvingen wordt voorgelegd aan de vakgroepvertegenwoordiger binnen de Commissie Ethiek en vervolgens

vi


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid goedgekeurd indien hieraan is voldaan. Onderzoek dat hier niet aan voldoet, wordt voorgelegd aan de plenaire Commissie. Wat betreft experimenteel onderzoek (d.w.z., lab-, veld- en webexperiment) houdt de standaard het volgende in (beschrijving van de vakgroep PCRV). •

• •

Deelnemers worden blootgesteld aan stimuli (meestal videofragmenten of ander beeldmateriaal) of spelen een game (bijvoorbeeld een onderhandelingsgame). Hun gedrag, als reactie op de stimuli, wordt gemeten door gedragsregistratie en/of door deelnemers vragenlijsten te laten invullen. Het gedrag kan op audio of video worden opgenomen. Slechts de onderzoeker en zijn medewerkers hebben toegang tot de identificeerbare gegevens, en geluids- en video-opnamen worden niet aan derden vertoond; opnamen waarin proefpersonen identificeerbaar zijn worden zorgvuldig beheerd, en worden vernietigd zodra het belang van het onderzoek dat toestaat. Er wordt voorafgaand aan het onderzoek niet altijd het echte doel van het onderzoek aan de deelnemer vermeld om o.a. sociaal wenselijke antwoorden te voorkomen. Het echte doel van het onderzoek wordt wel altijd tijdens de debriefing aan de deelnemer uitgelegd. De volgende vormen van misleiding kunnen worden gebruikt: - het suggereren van een bepaalde taak (bijvoorbeeld een puzzeltaak), terwijl de uiteindelijke meting vooral gaat over opgewekte emoties of gedrag(sintenties) zoals informatiezoekgedrag of deviant gedrag (bijv. rommel achterlaten) - Deelnemers ontvangen soms gemanipuleerde feedback (false feedback) over persoonlijkheid, capaciteiten of prestaties bij het uitvoeren van een taak, mits daarvan geen blijvende schadelijke gevolgen zijn te voorzien; in alle gevallen worden proefpersonen naderhand hierover ingelicht - De deelnemers wordt soms verteld dat ze in interactie zijn of zullen gaan met andere proefpersonen terwijl dit niet werkelijk het geval is - Soms wordt gebruik gemaakt van een of meerdere confederates die een bepaalde rol aannemen in de interactie met deelnemers die zich hier niet bewust van zijn.

Wat betreft videoregistratie wordt het volgende aangegeven: •

Slechts de onderzoeker en zijn/haar medewerkers hebben toegang tot de identificeerbare gegevens, en geluids- en video-opnamen worden – zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de betreffende respondenten- niet aan derden vertoond; opnamen waarin proefpersonen identificeerbaar zijn worden zorgvuldig beheerd, en worden vernietigd zodra het belang van het onderzoek dat toestaat.

vii


Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid

BIJLAGE C Overzicht met geurassociaties

Bron: Lovelock, C., Wirtz, J., & Chew, P. (2009). Essentials of Services Marketing. Singapore: Pearson Education South Asia Pte Lt

viii


Universiteit Twente Faculty of Behavioural, Management & Social Sciences Dr. M. Galetzka (m.galetzka@utwente.nl) Dr. J. van Hoof (j.j.vanhoof@utwente.nl) Dr. P.W. de Vries (p.w.devries@utwente.nl) Postadres: Universiteit Twente (BMS) Postbus 217 7500 AE Enschede Bezoekadres: Cubicus (gebouw 41) Drienerlolaan 5 7522 NB Enschede T +31 (0)53 489 3299 www.utwente.nl/bms

Dit onderzoek is uitgevoerd door de Universiteit Twente, in opdracht van het WODC, afdeling Extern Wetenschappelijke Betrekkingen, ministerie van Veiligheid en Justitie.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verkenning beleidsexperimenten lokale veiligheid by University of Twente - Issuu