Skip to main content

ZOUFFF! 5 Livre du professeur Cahier A (ed. 2026)

Page 1


ZOUFFF!

Mission 1 - Et toi? Comment tu t'appelles

DIFFERENTIATIE

Om het verschil in achtergrond en kennis van de Franse taal op te vangen, voorzien we bij elke Mission van ZOUFFF! extra taken.

Deze taken kunnen door Franstalige leerlingen en leerlingen die meer aankunnen worden uitgevoerd bovenop de ‘gewone’ taken. Hieronder vind je enkele suggesties om deze taken in te zetten.

Taak 1

Laat de leerlingen een klasposter ontwerpen en een leuke titel bedenken (bv. Nous sommes une classe de ZOUFFF!). Vraag hen de klasfoto te integreren en over elke leerling in de klas een weetje, talent of sterkte in het Frans op de poster te schrijven.

Franstalige leerlingen hoeven de aanbreng van de woordenschat en het werkwoord être niet mee te volgen. Ze maken zelfstandig de schriftelijke oefeningen van Mission 1, behalve die van Arrivée. Wanneer ze daarmee klaar zijn, starten ze met de taak.

Leerlingen die meer aankunnen volgen de aanbreng van de woordenschat en être wel mee en werken elke les aan de taak wanneer ze de oefeningen in het leerwerkschrift hebben afgewerkt.

Taak 2

Laat de leerlingen een inleiding en een slot maken voor het filmpje dat jullie met de klas zullen opnemen. Vraag hen bordjes te maken met tekst die ze kunnen vasthouden terwijl ze de dialoog opnemen.

Suggesties:

- Bonjour tout le monde.

- On vous présente 5C. / Nous sommes 5A.

- Nous sommes une classe super / fantastique. Nous sommes 10 garçons et 11 filles.

- Au revoir. / À plus tard. / Vous êtes toujours les bienvenus./Nous5B.

Franstalige leerlingen en leerlingen die meer aankunnen voeren deze taak uit wanneer ze de standaardopdrachten bij Arrivée hebben afgewerkt.

Taak 1 en 2

De weetjes van de klasposter kunnen geïntegreerd worden in het filmpje waarin de leerlingen zichzelf voorstellen of kunnen als afsluiter aan de klas gepresenteerd worden.

CULTUUR

Steden (les 1)

Anvers: Onze-Lieve-Vrouwekathedraal

- 123 meter hoog, gebouwd tussen 1352 en 1521

- moest eigenlijk twee identieke torens hebben, maar de tweede werd nooit afgewerkt

- herbergt een aantal bekende schilderijen van Pieter-Paul Rubens

Bruxelles: Atomium

- gebouwd naar aanleiding van de wereldtentoonstelling in 1958

- 9 bollen die elk een ijzeratoom voorstellen

- restaurant in de bovenste bol met een mooi uitzicht over Brussel

Gand: Gravensteen

- versterkte waterburcht gebouwd in 1180

- verblijfplaats van de graven van Vlaanderen tot 1353

Hasselt: Villa Verbeelding

- herenhuis in Hasselt waarin elke kamer een ander thema binnen de literatuur heeft

- accent op jeugdliteratuur, sprookjes en illustraties

Louvain: stadhuis

- gebouwd in de 15e eeuw op de Grote Markt

- heeft alleen nog een ceremoniële functie

- heel wat beelden van historische Leuvense en bijbelse figuren in de gevelnissen

Bruges: reien

- kanaaltjes in het centrum van Brugge genoemd naar de rivier (de Reie) die ooit door de stad stroomde

- favoriete plek van heel wat zwanen

- veel boogbruggen over de reien: vandaar de bijnaam ‘Venetië van het Noorden’

Getallenlied (les 9)

Arlon: archeologisch museum

- opgericht eind 19e eeuw

- archeologisch en Gallo-Romeins museum

Mons: Grote Markt

- veel mooie gebouwen waaronder het stadhuis

- Le singe du grand garde is een aapje dat zich links van de ingang van het stadhuis bevindt. Over zijn kopje aaien zou geluk moeten brengen.

Liège: station Luik-Guillemins

- voltooid in 2009

- ontworpen door Santiago Calatrava

Namur: citadel van Namen

- oude vesting gelegen op de heuvel waar Samber en Maas samenkomen

- omhelst een heel uitgebreid netwerk van onderaardse gangen

Wavre: Walibi

- pretpark opgericht in 1975

- naam is een lettergreepwoord afkomstig van de gemeenten waar het pretpark gelegen is: Waver – Limal – Bierges

In het getallenlied komen een aantal plaatsen in Europa aan bod waar Frans gesproken wordt. De leerlingen zien op de kaart bij het lied waar die plaatsen gelegen zijn. Je hoeft er verder niet inhoudelijk op in te gaan, al kun je de leerlingen natuurlijk zelf wat info laten opzoeken als daar tijd voor is.

Materiaal

• leerwerkschrift p. 2-3

• Bingel: Mission 1, les 1

• flitskaarten Mission 1

• audiofragment

POUR ALLER PLUS LOIN

Basistekst

De woorden un nom en une ville komen in latere Missions aan bod. De leerlingen zullen door de context vermoedelijk wel begrijpen wat ze betekenen.

We maken in ZOUFFF! een onderscheid tussen doorkijk-, doordenk- en doorleerwoorden.

Dit woordenschatkader bestaat enkel uit doorleerwoorden.

DÉPART

- MOI, JE SUIS ... LES 1

Doelen - De leerlingen

• begrijpen de basistekst (MD 10.1.3);

• kennen de nieuwe woordenschat (MD 10.1.2 + 10.6.1);

• spreken de nieuwe woordenschat correct uit (MD 10.6.1);

• maken kennis met de provinciehoofdsteden (MD 10.8.2 + 10.8.3).

DÉPART - MOI, JE SUIS …

LES RAQUETTES

N° 1948

Nom1: Ville2: Louis Bruxelles

Bonjour! Tu es qui?

Salut! Moi, je suis Alice.

Comment tu tʼappelles?

Je m'appelle Louis. Je suis de Bruxelles.

Et toi? Tu es de Liège?

Oui, je suis de Liège.

Tu as quel âge?

J’ai onze ans. Et toi? Moi, jʼai dix ans.

N° 1110

Nom: Ville: Alice Liège

Découvrir les nouveaux mots.
nieuwe woorden ontdekken.
Lebrun Khadira

INTRO (5’)

1 Bekijk de lidkaarten in de basistekst. Welke onderdelen herkennen ze?

2 Hebben de leerlingen er zelf ook? Digitaal of echt een kaartje?

KERN (15’): BASISTEKST BELUISTEREN EN KENNISMAKEN MET DE NIEUWE WOORDENSCHAT

1 Beluister samen de basistekst van oefening 1.

2 Breng de juiste uitspraak en de vertaling van de nieuwe woorden onder de aandacht. Zeg het nieuwe woord altijd eerst zelf hardop en toon de afbeelding op de flitskaart. Gebruik de basistekst als context.

3 Laat de woorden nadien twee keer klassikaal herhalen en vervolgens door twee individuele leerlingen.

4 Breng vervolgens ook nog non en être op dezelfde manier aan. Deze woorden zitten niet in de basistekst. Leg uit dat être de infinitief is van een werkwoord waarvan ze later in deze Mission de vervoeging leren.

INTRO (5’)

1 Nous regardons les cartes du texte. Vous reconnaissez quelque chose?

2 Vous avez aussi des cartes pareilles?

KERN (15’): BASISTEKST BELUISTEREN EN KENNISMAKEN MET DE NIEUWE WOORDENSCHAT

1 Nous écoutons le texte de l’exercice 1 ensemble.

2 Dans le texte, il y a de nouveaux mots. Pour commencer, il y a un an Un an signifie een jaar.

3 Répétez ensemble: un an. Encore une fois. X, répète. Y, répète. (Faites la même chose pour les autres mots.)

Oefening 4: bezienswaardigheden

Anvers: Onze-Lieve-Vrouwekathedraal, Bruxelles: Atomium, Gand: Gravensteen, Hasselt: Villa Verbeelding, Louvain: stadhuis, Bruges: reien, Arlon: archeologisch museum, Mons: Grote Markt, Liège: station Luik-Guillemins, Namur: citadel van Namen, Wavre: Walibi

Tip

Kijk op pagina 3 voor meer informatie over de bezienswaardigheden die bij de afsluiter aan bod komen.

2 VOCABULAIRE

Écoutez, répétez et étudiez les mots et les phrases. Luister naar de woorden en de zinnen. Herhaal en studeer ze.

ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN un an een jaar

KLAAR OM TE SPREKEN

Au revoir! Tot ziens! Bonjour! Goedendag! Comment tu t’appelles? Hoe heet jij? Et toi? En jij?

J’ai 9 ans. Ik ben 9 jaar. Je m’appelle Sami Ik heet Sami Moi, j’ai 10 ans. Ik, ik ben 10 jaar. Moi, je suis Milou Ik, ik ben Milou Salut! Dag!

Tu as quel âge? Hoe oud ben jij? Tu es qui? Wie ben jij?

Marquez dans le texte:

WERKWOORDEN être zijn

ANDERE WOORDEN comment? hoe? et en non nee oui ja qui? wie?

Kijk nog eens terug naar de tip op p. 1!

VOORZETSELS de / d’ van de Bruxelles van Brussel d’Anvers van Antwerpen

Duid aan in de tekst: - deux mots pour saluer en vert; twee woorden om te begroeten in het groen; - deux manières de dire votre nom en bleu. twee woorden om je naam te zeggen in het blauw.

Complétez les cartes de membre. Vul de lidkaarten aan.

Copiez les noms français de la carte de la Belgique Kopieer de Franse namen van de kaart.

AntwerpenBruggeBrusselGentHasseltLeuven

AarlenBergenLuikNamenWaver

Quel est le nom français de votre ville/village? Wat is de Franse naam van jouw stad/dorp?

Écoutez et répétez les nombres. Luister naar de getallen en herhaal ze.

ZOUFFF! trois 3

5 Bekijk het woordenschatkader van oefening 2 en lees de woorden nog eens samen. Bespreek de tips van René(e) op pagina 1 en pas ze toe.

Doorleerwoorden: un an - comment?oui - et - de - qui? - Au revoir! - Bonjour!Comment tu t’appelles - Et toi?J’ai … ans - Je m’appelle … - Moi, j’ai …Moi, je suis … - Salut! - Tu as quel âge?Tu es qui? - non - être

6 Kijk nog eens terug naar de basistekst en los oefening 3a en 3b op.

5 Nous regardons le cadre de l’exercice 2 ensemble. Répétez les mots. À la page 1, vous voyez René(e) le croissant qui nous donne des conseils pour apprendre de nouveaux mots français. Nous le faisons ensemble.

AFSLUITER (5’)

1 Bekijk het kaartje. Kennen de leerlingen de namen nog in het Nederlands? Spreek zelf de Franstalige benamingen uit. Toon van elke stad een bezienswaardigheid op het bordboek.

2 Laat oefening 4a maken.

3 Laat de leerlingen de naam van hun eigen stad of dorp opzoeken bij oefening 4b. Ze noteren die op een wisbordje of op een blaadje.

6 Nous écoutons encore une fois le texte. Regardez maintenant les exercices 3a et 3b. Cherchez la bonne réponse dans le texte et complétez les cartes.

AFSLUITER (5’)

1 Regardez la carte de la page 2. Vous connaissez encore le nom de ces villes en néerlandais?

2 Nous faisons l’exercice 4a. Copiez les noms français.

3 Maintenant, nous faisons l’exercice 4b et nous cherchons le nom de notre propre ville/ village sur Internet.

Materiaal

• leerwerkschrift p. 3-4

• Bingel: Mission 1, les 2

• audiofragment

POUR ALLER PLUS LOIN

Transcriptie oefening 6b sept - onze - trois - cinqzéro - deux - six - neuf - dixun - douze - quatre - huit

Transcriptie oefening 8

1 Bonjour! Tu es qui?

Je suis Amal. J’ai 9 ans et je suis d’Anvers.

2 Comment tu t’appelles? Je m’appelle Bruce. Je suis d’Arlon.

3 Salut! Tu es qui? Moi, je suis Carlo. J’ai dix ans.

Tip

De afsluiter is een fijn tussendoortje om vanaf nu af en toe te spelen.

VOCABULAIRE

Marquez dans le texte: Duid aan in de tekst: - deux mots pour saluer en vert; twee woorden om te begroeten in het groen; - deux manières de dire votre nom en bleu. twee woorden om je naam te zeggen in het blauw.

Doelen - De leerlingen

Complétez les cartes de membre. Vul de lidkaarten aan.

• kennen de nieuwe woordenschat (MD 10.1.1 + 10.6.1);

• schrijven de nieuwe woordenschat juist (MD 10.6.3);

Copiez les noms français de la carte de la Belgique Kopieer de Franse namen van de kaart.

• gebruiken de nieuwe woordenschat functioneel (MD 10.6.2).

AntwerpenBruggeBrusselGentHasseltLeuven

AarlenBergenLuikNamenWaver

Quel est le nom français de votre ville/village? Wat is de Franse naam van jouw stad/dorp?

Écoutez et répétez les nombres. Luister naar de getallen en herhaal ze.

Écoutez bien et jouez au bingo. Qui gagne? Luister goed en speel

ANDERE WOORDEN zéro nul un een deux twee trois drie quatre vier cinq vijf six zes

cinq + sept = huit + deux = trois + quatre = sept + quatre = deux + trois = un + un = quatre + deux = trois + zéro = cinq + quatre = un + sept =

BINGO

©VANIN

Vous entendez quel mot? Welk woord hoor je? Écoutez bien et marquez le bon mot. Luister goed en duid het juiste woord aan.

sept zeven huit acht neuf negen dix tien onze elf douze twaalf 7 douze dix sept onze cinq deux six trois neuf huit 8 Je m’appelle Je suis J’ai ... ans. 1 2 3 a 9 Bonjour toi

Complétez les phrases. Vul de zinnen aan. , je suis Salma. Et ? tu t’appelles? , je m’appelle Frances.

Kijk nog even terug naar het woordenschatkader!

Tu es ? Nora? , je suis Paulette. toi? Comment tu t’appelles?

Salut! Comment tu t’appelles? Céline? , je m’appelle Céline. Je suis Bruges. Et toi?

Parlons! Lisez les dialogues à deux. Tijd om te spreken! Lees de dialogen per twee. a 6 b

Comment Moi qui Non Et Oui de b

Bingo! Notez huit nombres di érents de 0 à 12. Bingo! Noteer acht verschillende getallen van 0 tot 12.
bingo. Wie wint?
Calculez! Notez le résultat.
Reken uit! Noteer het resultaat.
AmandaAmalde Bruxellesd'Arlon dixdouze

INTRO (5’)

Laat een leerling tot 12 tellen in een vreemde taal.

KERN (15’): GETALLEN AANBRENGEN EN WOORDENSCHAT INOEFENEN

1 Lees de getallen (oefening 5) traag voor.

2 Lees ze nogmaals voor, de leerlingen herhalen.

3 Zeg de getallen nu samen met de leerlingen. Gebruik de flitskaarten.

4 Maak een lange slang door de klas. Elke leerling zegt 1 getal.

5 Maak oefening 6a. De leerlingen schrijven 8 getallen tussen 0 en 12 in de vakjes. Maak oefening 6b. Zeg de getallen hardop en speel bingo. Je kunt ook het audiofragment gebruiken.

6 De leerlingen maken de bewerkingen bij oefening 7 individueel. Verbeter klassikaal en zeg daarbij telkens de bewerking in het Frans. Laat na elke bewerking herhalen.

7 Laat het audiofragment bij oefening 8 drie keer horen.

• Controleer of de leerlingen weten waarover het gaat.

• De leerlingen duiden het juiste antwoord aan. Pauzeer na elk personage.

• De leerlingen controleren hun antwoord.

8 Maak oefening 9a klassikaal. Verwijs naar de tip van René(e) en overloop het kader nog eens samen. Laat leerlingen die het moeilijk hebben de woorden zoeken in het kader. Leerlingen die meer aankunnen zullen de opdracht wellicht zonder het kader kunnen oplossen. Wie klaar is, maakt oefening 9b en leest de dialogen per twee.

AFSLUITER (5’)

De leerlingen sluiten de ogen. Een leerling zegt het cijfer zéro, een andere un, enzovoort. Laat je leerlingen zo tot 12 tellen. Elk cijfer mag maar door één leerling gezegd worden. De pauze tussen twee cijfers mag nooit meer zijn dan 5 seconden. Is dat wel het geval, dan begint de klas opnieuw bij zéro.

INTRO (5’)

Qui sait compter jusqu’à 12 dans une autre langue? Vas-y!

Après ce cours, tout le monde sait compter jusqu’à 12 dans une autre langue.

KERN (15’): GETALLEN AANBRENGEN EN WOORDENSCHAT INOEFENEN

1 Écoutez bien: zéro, un, deux, trois, quatre, cinq, six, sept, huit, neuf, dix, onze, douze.

2 Je dis les nombres encore une fois, maintenant vous répétez.

3 Maintenant, nous lisons ensemble.

4 Finalement, vous faites un long serpent. Chaque élève dit un nombre.

5 Nous faisons l’exercice 6a. Écrivez 8 nombres entre zéro et douze dans les cases. Nous faisons l’exercice 6b. Nous jouons au bingo. Je dis les nombres. L’élève qui barre ses nombres le plus vite gagne.

6 Faites les exercices du numéro 7. Notez le résultat. Nous corrigeons ensemble. Je lis, vous répétez: cinq et sept font douze …

7 Je mets un fragment d’écoute (exercice 8). Écoutez bien. On parle de quoi? Maintenant nous écoutons une deuxième fois. Marquez le mot que vous entendez. Je fais une pause après chaque personnage. On écoute une troisième fois. Contrôlez vos réponses.

8 Complétez les dialogues de l’exercice 9a par les mots ou les phrases de la liste. Nous corrigeons ensemble. Je montre la bonne réponse et je la lis. Répétez chaque phrase. Puis, faites l’exercice 9b et lisez les dialogues à deux.

AFSLUITER (5’)

Fermez les yeux. Nous comptons jusqu’à douze, mais chaque nombre peut être dit par un seul élève et seulement une fois. La pause entre deux nombres ne peut pas dépasser les 5 secondes. Si ça va mal, nous recommençons de zéro.

Materiaal

• leerwerkschrift p. 5

• Bingel: Mission 1, les 3

• een bal

• audiofragment

POUR

Tip

Als de woordenschatherhaling met de flitskaarten moeizaam verloopt, overloop dan bijkomend het woordenschatkader klassikaal.

Oefening 10b

Franstalige leerlingen kunnen voortwerken aan hun taak of leerlingen die het moeilijk hebben bijsturen tijdens het lezen van de dialogen.

Transcriptie oefening 11

1 Tu as quel âge?

2 Comment tu t’appelles?

3 Je suis de Bruxelles.

4 Au revoir!

5 Bonjour!

6 J’ai dix ans.

7 Tu es qui?

8 Je m’appelle Maxime. Et toi?

VOCABULAIRE

Doelen - De leerlingen

• kennen de nieuwe woordenschat (MD 10.6.1);

• schrijven de nieuwe woordenschat juist (MD 10.6.3);

• gebruiken de nieuwe woordenschat functioneel (MD 10.6.2).

a 10

Continuez! Notez la question ou la réponse. Ga maar door! Noteer de vraag of het antwoord. Choisissez entre: Kies uit:

Tu as quel âge?

Comment tu t’appelles? Salut!

Tu es qui? Non, je suis Je . Comment?

Comment tu t’appelles?

Tu es qui?

Tu as quel âge?

Bonjour!

Tu t’appelles Yanis?

Je m’appelle Salomon.

Je m’appelle Cas.

Je suis Annette.

J’ai cinq ans.

Salut!

Non, je suis Jeff.

Comment?

Parlons! Lisez les dialogues à deux. Tijd om te spreken! Lees de dialogen per twee.

Écoutez les phrases. Qu'est-ce que ça veut dire? Luister naar de zinnen. Wat betekenen ze? Écrivez chaque numéro au bon endroit. Schrijf elk nummer op de juiste plaats.

Hoe heet jij?

Ik ben 10 jaar.

Goedendag!

Wie ben jij?

Ik heet Maxime. En jij?

Hoe oud ben jij?

Ik ben van Brussel.

Tot ziens!

Traduisez les phrases en français. Vertaal de zinnen naar het Frans.

Tu as quel âge?

Comment tu t’appelles?

Je suis de Bruxelles.

Au revoir!

Bonjour!

J’ai dix ans.

Tu es qui?

Je m’appelle Maxime. Et toi?

INTRO (5’)

Herhaal alle woorden, ook de getallen, aan de hand van de flitskaarten. Wijs nogmaals op de tip van René(e) om woordenschat te studeren.

KERN (15’): WOORDENSCHAT INOEFENEN

1 Maak oefening 10a. De leerlingen vullen aan met de juiste vraag of het juiste antwoord. Ze kiezen de structuren uit het kadertje. Verbeter klassikaal. Zeg het juiste antwoord en projecteer het op het bord. Laat elke zin die je zegt herhalen door de klasgroep. Nadien oefenen de leerlingen per twee.

2 Maak oefening 11 klassikaal. Werk in drie luisterrondes:

• Laat het fragment in zijn geheel beluisteren. De leerlingen vertalen in hun hoofd.

• De leerlingen noteren het juiste nummer bij de juiste vertaling. Geef een pauze na elke zin.

• De leerlingen controleren hun oplossingen.

3 De leerlingen vertalen de zinnen van het Nederlands naar het Frans (11c).

Wie dat nodig heeft, gebruikt het woordenschatkadertje.

AFSLUITER (5’)

1 Laat de leerlingen één item kiezen uit het woordenschatkadertje.

2 Gooi een bal naar een leerling en zeg een Frans of een Nederlands woord uit het woordenschatkadertje.

3 De leerling vertaalt, zegt zijn gekozen woord en gooit de bal naar een volgende leerling.

4 Wie aan de beurt kwam, gaat zitten. Zo ga je heel de klas rond.

INTRO (5’)

Je montre une image, vous dites le bon mot en français. N’oubliez pas le conseil de René(e) pour étudier les mots.

KERN (15’): WOORDENSCHAT INOEFENEN

1 Faites l’exercice 10a. Complétez par la bonne question ou la bonne réponse. Utilisez le cadre si nécessaire. Nous corrigeons ensemble. Je montre la bonne réponse et je la lis. Répétez chaque phrase. Après, lisez les dialogues à deux.

2 Écoutez les phrases du numéro 11 N’écrivez pas. Vous écoutez une deuxième fois. Notez chaque nombre au bon endroit. Je fais une pause après chaque phrase. Vous écoutez une troisième fois, mais sans pauses. Corrigez vos solutions.

3 Faites l’exercice 11c. Traduisez les phrases en français. Utilisez le cadre de vocabulaire si nécessaire.

AFSLUITER (5’)

1 Choisissez un mot ou une phrase du cadre de vocabulaire.

2 Je jette un ballon à un élève et je dis un mot en français ou en néerlandais.

3 Cet élève traduit ce mot et dit son mot. Il jette le ballon à un autre élève qui traduit, dit son mot et jette le ballon et ainsi de suite.

4 Asseyez-vous quand vous avez eu le ballon.

Materiaal

• leerwerkschrift p. 6-7

• Bingel: Mission 1, les 4

GRAMMAIRE – LES PRONOMS

PERSONNELS ET LE VERBE ÊTRE

Doelen - De leerlingen

• gebruiken de Franse persoonlijke voornaamwoorden juist (MD 10.7.1 + 10.7.6 + 10.7.7 + 10.7.8);

• vervoegen être juist (MD 10.3.4 + 10.7.1 + 10.7.6 + 10.7.7 + 10.7.8).

©VANIN

POUR ALLER PLUS LOIN

Tip

Wie te weinig tijd heeft om alle oefeningen te maken, kan gerust verder laten werken aan de oefeningen tijdens de volgende grammaticales. Daar worden minder oefeningen aangeboden.

Oefening 12

Ils gebruik je ook voor groepen waar er zowel mannen als vrouwen zijn. Ook als er maar één man is en de rest vrouwen zijn.

GRAMMAIRE

Écoutez, répétez et étudiez les pronoms personnels. Luister naar de persoonlijke voornaamwoorden. Herhaal en studeer ze.

Les pronoms personnels De persoonlijke voornaamwoorden enkelvoud jeik meervoud nouswij tujij vousjullie

Op Bingel vind je handige filmpjes met uitleg over de grammatica.

ilhij ilszij

ellezij

Il, ils, elle ou elles? Combinez!

Samuel et Hamza

Nina

papa

elleszij

Aya il elle ils elles

Élise et Nina

Verbind!

Antoine

Marie

Claire et Isabelle

Ivo

Mounir et Jean

Écoutez, répétez et étudiez la conjugaison. Luister naar de vervoeging. Herhaal en studeer ze. 14

je suis tu es il est elle est ik ben jij bent hij is zij is

nous sommes vous êtes ils sont elles sont wij zijn jullie zijn zij zijn zij zijn

Je suis Ahmed. Tu es Sylvie? Toon est de Bruges. Emma est d’Ostende.

Nous sommes de Boom. Vous êtes Tim et Soufiane?

Sam et Phil sont d’Anvers. Bo et Ada sont de Louvain.

INTRO (5’)

Projecteer de afbeeldingen van personen die gebaren gebruiken. Vraag: wat is het nut van gebaren? (Gebaren helpen om een boodschap duidelijk te maken of om iets beter te onthouden.)

KERN (15’): LES PRONOMS PERSONNELS EN HET WERKWOORD ÊTRE AANBRENGEN EN INOEFENEN

1 Leg uit: net zoals in het Nederlands, heb je in het Frans ook woorden om de personen te benoemen: les pronoms personnels Beeld de gebaren uit en zeg er telkens het passend voornaamwoord in beide talen bij.

Leg uit: Het Frans en het Nederlands hebben allebei persoonlijke voornaamwoorden: ik = je, jij = tu, hij = il, zij = elle, wij = nous, jullie = vous. Enkel in het mannelijk en vrouwelijk meervoud is er een verschil. In het Nederlands gebruiken we enkel zij, in het Frans gebruiken we ils voor het mannelijk en elles voor het vrouwelijk meervoud.

2 Overloop het kader van oefening 12 Lees de voornaamwoorden samen en laat ze uitbeelden. Leg de leerlingen uit waar ze het Bingel-filmpje vinden en toon het in de klas.

3 Laat oefening 13 maken. Overloop de namen samen indien nodig.

4 Leg uit: vandaag leren we ons eerste Franse werkwoord vervoegen: être Een werkwoord past zich zoals in het Nederlands aan aan het onderwerp van de zin.

Vervoeg het werkwoord traag zonder dat de leerlingen het op het bord zien en met de juiste gebaren.

5 Projecteer de vormen van être aan het bord en zeg de vervoeging nogmaals met de gebaren.

6 Herneem de vormen hardop, de leerlingen herhalen. Doe dat een aantal keer.

7 Lees het kadertje in het leerwerkschrift (oefening 14). Laat de voorbeeldzinnen herhalen.

INTRO (5’)

Regardez bien les photos.

KERN (15’): LES PRONOMS PERSONNELS EN HET WERKWOORD ÊTRE AANBRENGEN EN INOEFENEN

1 Comme en néerlandais, il existe en français des mots pour désigner les personnes: les pronoms personnels. Je mime les gestes et je prononce à chaque fois le pronom personnel dans les deux langues.

2 Nous faisons l’exercice 12. Regardez bien le cadre. Répétez après moi et mimez les gestes. Je vous montre aussi la vidéo.

3 Faites l’exercice 13 et combinez ce qui va ensemble. Vous connaissez tous les noms?

4 Aujourd’hui, nous apprenons notre premier verbe: être. Écoutez bien la conjugaison d’être et observez bien mes gestes: je suis, tu es, il est, elle est, nous sommes, vous êtes, ils sont, elles sont.

5 Je dis la conjugaison encore une fois et je vous montre comment écrire le verbe.

6 Encore une fois, répétez chaque forme.

7 Prenez votre cahier, nous lisons le cadre de l’exercice 14 ensemble. Répétez chaque phrase.

Oefening 15

Neem leerlingen die het moeilijk hebben bij jou en maak de linkerkolom samen met hen.

15 b a 16 b

Combinez. Verbind. Cachez les formes du verbe et conjuguez. Bedek de werkwoordsvormen en vervoeg. il tu suis papa es je est Marie elle

Mil et Stan nous sommes ils êtes Nora et moi, nous sont vous Paulo et toi, vous

Copiez les formes du verbe dans le bon ordre. Kopieer de werkwoordsvormen in de juiste volgorde. Cachez et récrivez la conjugaison. Dek af en schrijf de vervoeging opnieuw.

être de Gand il est nous sommes elles sont je suis elle est vous êtes

ils sont tu es

©VANIN

je suis je suis tu es tu es il est il est elle est elle est nous sommes nous sommes vous êtes vous êtes ils sont ils sont elles sont elles sont

Mettez une barre après chaque forme Zet een streepje na elke vorm du verbe être van het werkwoord être (zijn). est|sommessuissontêtesessontest

17 es sommes sont êtes êtes suis sont sommes est

Soulignez la forme correcte et complétez la phrase. Onderstreep de juiste persoonsvorm en vul de zin aan.

1 es / sommes / êtes Tu de Charleroi?

2 suis / est / sommes Nous Lena et Matti.

3 sommes / êtes / sont Jamar et Bob de Bruxelles.

4 est / êtes / sont Maurane et toi, vous d’Avignon.

5 sont / êtes / est Vous de Namur?

6 suis / es / est Je Nuria. Et toi?

7 sommes / êtes / sont Ming et Alixe d’Anvers?

8 sommes / êtes / sont Bertrand et moi, nous d’Arlon.

9 est / sommes / êtes Roman de Liège.

ZOUFFF! sept 7

8 Laat oefening 15 maken.

9 Vervolgens kunnen de leerlingen verder werken aan oefening 16a

Laat het kader van oefening 12 gebruiken indien nodig.

Maak nadien oefening 16b

Dek de vormen af en schrijf ze in de rechterkolom.

Wie klaar is, kan ook oefening 16c maken en de vormen van het werkwoord être zoeken.

10 Wijs er bij oefening 17 op om steeds goed te kijken wat het onderwerp van de zin is en vervolgens de juiste vorm van het werkwoord te kiezen.

AFSLUITER (5’)

Vervoeg être een laatste keer. Deel de klas op in verschillende groepen (volgens rij, eiland, linker- en rechterhelft …). De verschillende groepen in de klas spelen tegen elkaar. Ze zeggen per groep om de beurt een vorm. Houd bij wie de snelste groep is.

8 Nous faisons l’exercice 15. Combinez les pronoms personnels avec les formes correspondantes du verbe être

9 Faites l’exercice 16a. Copiez la conjugaison. Faites attention au bon ordre. Vous pouvez regarder le cadre de l’exercice 12 si nécessaire.

Puis, cachez les solutions et écrivez les conjugaisons dans la colonne de droite (l’exercice 16b).

Faites l’exercice 16c lorsque vous êtes prêts et cherchez les formes du verbe être

10 Faites l’exercice 17. Regardez bien quel est le sujet de la phrase. Choisissez la forme correcte du verbe et complétez dans la phrase.

AFSLUITER (5’)

Nous conjuguons être une dernière fois, mais en petits groupes. Chaque élève d’un groupe dit une forme du verbe. Nous commençons par je suis et nous finissons par elles sont. Pour chaque groupe je note le temps utilisé. Quel groupe est le plus rapide?

POINT DE CONTRÔLE 1 - GRAMMAIRE

Materiaal

• leerwerkschrift p. 8-9

• Bingel: Mission 1, les 5

• point de contrôle 1

POUR ALLER PLUS LOIN

Oefening 19

Ostende, Bastogne, Charleroi en Paris kennen de leerlingen nog niet. Toon ze eventueel op de kaart.

Doelen - De leerlingen

• kennen de nieuwe woordenschat uit de Woordenlijst Frans (MD 10.6.1)

• vervoegen être juist (MD 10.3.4 + 10.7.1 + 10.7.6 + 10.7.7 + 10.7.8);

• weten wanneer ze de of d' moeten gebruiken (MD 10.7.1 + 10.7.6 + 10.7.8).

Complétez avec les formes correctes. Vul de juiste vormen in.

Rick et moi, nous elles je il vous

b Moi, je m'appelle Moses.

Écrivez une phrase avec les noms.

Et moi, je suis Noemi.

a 19 b c

Schrijf een zin met de namen.

Marquez le sujet.

Duid het onderwerp aan. Complétez avec la forme correcte du verbe être Vul aan met de juiste vorm van être Parlons! Lisez les dialogues à deux. Tijd om te spreken! Lees de dialogen per twee.

Jules de Bruxelles? Non, il de Namur. est est

Vous d’Ostende? Non, nous de Bruges. êtes sommes

Marie et Salima de Paris? Oui, elles de Paris. sont sont

Vous de Bastogne? Non, nous de Charleroi. êtes sommes

20 sont est sommes suis est êtes es sont de d’ de d’ d’ de de d’

Opgelet! De wordt dʼ voor een klinker.

Je d’Anvers. Et toi? Moi, je de Gand. suis suis

Vous Ella et Tommy? Oui, et toi? Tu qui? êtes es

Salut, tu qui? Moi, je Zofia. es suis

Emma de Gand. Et Alicia? Elle d’Anvers. est est

Complétez avec: Vul aan met: - la bonne forme d’être; de juiste vorm van être (zijn); - de ou dʼ de of d’ être? de / d’?

8 huit

Louis et Yaro

Papa Nous

Je Aline Vous

Tu Mya et Aude

Trouvez ces 10 mots dans les mots mystères.

Liège. Ottignies. Pepinster. Ath. Esneux. Durbuy? Bruges? Arlon.

10

Vind deze
woorden in de woordzoeker.

WOORDENSCHATTOETS (5’)

Neem de woordenschattoets af.

INTRO (5’)

Projecteer een liedje waarin être vervoegd wordt. Zoek bijvoorbeeld op YouTube:

• Verbe être au présent de l’indicatif (Alain Le Lait)

• Je suis, tu es, il est, elle est (Linguo Singers)

KERN (13’): ÊTRE INOEFENEN EN HET VERSCHIL TUSSEN DE EN D’ AANBRENGEN EN INOEFENEN

1 Maak oefening 18.

WOORDENSCHATTOETS (5’)

On fait le test de vocabulaire.

INTRO (5’)

Nous écoutons une chanson avec un verbe que vous connaissez très bien.

©VANIN

2 Maak oefening 19. Zorg dat de leerlingen hun oefening verbeteren met de correctiesleutel voor ze de conversaties per twee spelen.

3 Laat alle steden aanduiden in oefening 19. Waarom schrijven we soms de en soms d’ (d apostrof)?

4 Als de leerlingen niet meteen het verschil zien, laat hen dan de eerste letter van alle steden omcirkelen. Als je naar de eerste letter van de steden kijkt, kun je het verschil zien. De wordt inderdaad verkort tot d’ (d apostrof) als het woord dat volgt met een klinker begint. Kijk maar naar de tip van René(e).

5 Laat het kadertje van oefening 20 aanvullen met de juiste vorm van être en de of d’

AFSLUITER (2’)

De leerlingen zochten eerder al hun eigen stad of dorp in het Frans. Hoe zeggen ze nu in het Frans Ik ben afkomstig van (eigen stad/ dorp)?

KERN (13’): ÊTRE INOEFENEN EN HET VERSCHIL TUSSEN DE EN D’ AANBRENGEN EN INOEFENEN

1 Faites l’exercice 18a. Complétez les cadres avec la bonne forme d’être. S’il y a encore du temps, vous faites l’exercice 18b. Écrivez une phrase avec les noms que vous trouvez.

2 Pour l’exercice 19 marquez d’abord le sujet, puis écrivez la forme correcte d’être. Corrigez avec la clé de correction. Finalement lisez les conversations à deux.

3 Prenez un marqueur. Marquez toutes les villes dans l’exercice 19

4 Encerclez la première lettre de chaque ville.

5 Complétez le cadre de l’exercice 20 avec la bonne forme du verbe être et de ou d’

AFSLUITER (2’)

Vous avez déjà cherché le nom de votre ville/village. Comment je dis en français Ik ben afkomstig van (eigen stad/dorp)? On utilise de ou d’?

Lay-outconcept: Eindeloos Communicatie, Crius Group

Opmaak: Barbara Vermeersch (EMPC)

Illustraties: Koen Aelterman

Auteurs: Leen Bresseleers, Nadine Corbeels, Annelies Magerman, Edith Meerbergen, Rein Trogh

m.m.v. Delfiene Beyaert, Nicole Kocken, Ellen Merckx

Eerste druk 2026

ISBN 978-94-651-4569-3

D/2026/0078/114

Art. 612306/01

NUR 191

ISBN 978-94-651-4569-3 612306

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Meer oefenen? Ga naar bingel.be en maak oefeningen op jouw niveau.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
ZOUFFF! 5 Livre du professeur Cahier A (ed. 2026) by VAN IN - Issuu