Skip to main content

ZOUFFF! 5 - Kit de survie (editie 2026)

Page 1


ZOUFFF!

Kit de survie

Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode ZOUFFF! van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN.

Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.

ZOUFFF! 5 bestaat uit:

- Cahier A, B, C, D

- Correctiesleutel A, B, C, D

- Kit de survie

- Parcours

- Livre du professeur

- Flitskaarten

- Calendrier

- Beloningsstickers

Auteurs: Leen Bresseleers, Nadine Corbeels, Annelies Magerman, Edith Meerbergen, Ellen Merckx, Rein Trogh m.m.v. Delfiene Beyaert, Nicole Kocken

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken.

In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.

Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden.

Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk 2026

ISBN 978-94-651-4573-0 D/2026/0078/109

Art. 612311/01

NUR 191

Lay-outconcept: Crius Group, Eindeloos Communicatie Coverontwerp en opmaak: Barbara Vermeersch (EMPC)

Illustratie cover: Koen Aelterman

Illustraties: Koen Aelterman, Frédéric Thiry Beeldmerk ZOUFFF!: Kolos

3

5

1 ALFABETISCHE WOORDENLIJST FRANS-NEDERLANDS

Aà in, naar, aan M3 à Bruxelles in, naar Brussel M7 donner à geven aan M7 téléphoner à telefoneren naar M3 acheter kopen M11 à côté de/d’ naast M6 une adresse een adres M7 un âge een leeftijd M7 tu as quel âge? hoe oud ben je? M1 aider helpen M6 aimer

j’aime chanter je n’aime pas les livres tu aimes faire quoi?

houden van, leuk vinden ik hou van zingen ik hou niet van boeken wat doe je graag? M3

aller gaan M6 allo! hallo! (telefoon) M7 alors dan, daarom, welnu M7 un ami een vriend M3 une amie een vriendin M3 un an j’ai dix ans een jaar ik ben tien jaar M1 un anniversaire een verjaardag M7 aout (m.) augustus M7 un appartement een appartement M7 appeler, s’appeler heten comment tu t’appelles? hoe heet jij? M1

je m’appelle Joe ik heet Joe M1 il/elle s’appelle Bo hij/zij heet Bo M9 après la leçon na de les M10 l’ après-midi (m./f.) de namiddag M10 arriver (à) aankomen (aan) M6 au (à+le) cinéma in, naar de bioscoop M3 au revoir! tot ziens M1 aux (à+les) élèves aan de leerlingen M3 aussi ook M5 autre, autre ander(e) M12 avant la leçon voor de les M10 avec met M2 une avenue een laan M7 un avion en avion een vliegtuig met het vliegtuig M12 avoir hebben M4 avril (m.) april M7

Bune baguette een stokbrood M11

une banane een banaan M8

un banc een bank M2

une basket een sneaker M4

un bateau en bateau een boot met de boot M12 beau, belle mooi M5 beaucoup (de/d’) veel M9 beaucoup de kiwis veel kiwi’s M11

un bébé een baby M5 la Belgique en Belgique België in, naar België M12 le beurre de boter M8 bien

ça va bien goed het gaat goed M7 bientôt à bientôt! binnenkort tot gauw! M7 blanc, blanche wit M5 bleu, bleue blauw M4 blond, blonde blond M5 boire drinken M8

un bois een bos M17 bon, bonne goed M8 bonjour! goedendag! M1

une botte een laars M4

une bouteille (de lait) een fles (melk) M11 brun, brune bruin M4

un bureau (des bureaux) een bureau (meubel) M2

un bus (autobus) een bus M6

je prends le bus ik neem de bus M8

je vais en bus ik ga met de bus M6

C

c’est un cahier het is een schrift M2 ça va?

comment ça va?

ça va bien gaat het? hoe gaat het? het gaat goed M7

un cahier een schrift M2

la caisse de kassa M11

une carotte een wortel M8

un carrefour een kruispunt M6

ce ce pull

ces chaussures cette jupe deze, die deze, die trui deze, die schoenen deze, die rok M4

ce sont des cahiers het zijn schriften M2 cent honderd M7

un cent een cent M11

un centime een eurocent M11 un champignon een paddenstoel M8

une chanson een lied(je) M3 chanter zingen M3

chaque, chaque elk(e) M9 la charcuterie de vleeswaren M11

un chat een kat M9

une chaussure een schoen M4

une chemise een hemd M4 chercher

je cherche un pull zoeken ik zoek een trui M4

un cheveu (des cheveux)

j’ai les cheveux noirs een haar ik heb zwart haar M5

chez Hasan bij Hasan (thuis) M7 un chien een hond M9 le chocolat de chocolade M11

une chose een ding M11 chouette, chouette c’est chouette! tof het is tof! M12

le cinéma de bioscoop M3 cinq vijf M1 cinquante vijftig M7 cinquième vijfde M6

une classe een klas M2

un coca een cola M8 un coin een hoek M6 combien?

ça fait combien? hoeveel? hoeveel kost het? M11 commencer beginnen M10 comment? hoe? M1

comment ça va? hoe gaat het? M7 comment tu t’appelles? hoe heet jij? M1 comment? hoezo? M12 comprendre begrijpen je ne comprends pas ik begrijp het niet M2

la confiture de confituur, jam M11 continuer verdergaan M6 une couleur een kleur M4 une course faire des courses een boodschap boodschappen doen M8

court, courte kort M5 un crayon een potlood M2 un croissant een croissant M11

Dd’accord! akkoord! M7

une dame een mevrouw M5 dans la rue in de straat M6 danser dansen M3 la date de datum M12 de/d’ de Gand d’Anvers van van Gent van Antwerpen M1 décembre (m.) december M7 demain morgen à demain tot morgen M7 demiun demi-kilo half, halve een halve kilo M11 dernier, dernière laatste M6 des (de+les) élèves van de leerlingen M6 deux twee M1

deux-cents tweehonderd M8 deuxième tweede M6 dimanche (m.) zondag M3

un directeur een directeur M10

une directrice een directrice M10 dix tien M1 dix-huit achttien M7 dix-neuf negentien M7 dix-sept zeventien M7 donner (à) geven (aan) M7 douze twaalf M1 droit, droite rechter- M6 à droite à droite de/d’ la première rue à droite naar rechts rechts van de eerste straat rechts M6 du (de+le) prof van de leraar M6

El’ eau (f.) het water M8

une école een school M2 écouter luisteren M3 écrire schrijven M10

un élève een leerling M2

une élève een leerlinge M2 elle est zij is M1 chez elle bij haar (thuis) M8 elle s’appelle Bo zij heet Bo M9 elles sont zij (v. mv.) zijn M1 avec elles met hen (v.) M8 en in, naar M7 en Belgique, Europe in, naar België, Europa M12

2 ALFABETISCHE WOORDENLIJST NEDERLANDS-FRANS

Aaan aan de juf aan het bureau aan de leerlingen à à la prof au (à+le) bureau aux (à+les) élèves M3

aanhebben

ik heb een trui aan porter je porte un pull M4 aankomen (aan, in) arriver (à) M6

een aardappel une pomme de terre M8 aardig gentil, gentille sympa, sympa M9

acht huit M1 achttien dix-huit M7

een adres une adresse M7 akkoord! d’accord! M7 alsjeblieft (ajb.)? s’il te plait (s.t.p.)? M2 alstublieft (a.u.b.)? s’il vous plait (s.v.p.)? M2

ander(e) autre, autre M12

een antwoord une réponse M2

een appartement un appartement M7 een appel une pomme M8 april avril (m.) M7

augustus aout (m.) M7

een auto une voiture M12 de avond le soir M10

B

een baby un bébé M5

een balpen un stylo M2

een banaan une banane M8

een bank un banc M2 bedankt! merci! M6 beginnen commencer M10 begrijpen comprendre ik begrijp het niet je ne comprends pas M2

België in België la Belgique en Belgique M12

betalen payer M11

bij Hasan (thuis) chez Hasan M7

een bioscoop un cinéma M3

een blad une feuille M2 blauw bleu, bleue M4

blijven rester M12 blond blond, blonde M5

een boek un livre M2

een boodschap une course M8

boodschappen doen faire des courses M8

een boot met de boot un bateau en bateau M12

een bord (in de klas) un tableau (des tableaux) M2 de boter le beurre M8

een boterham une tartine M10

een bril ik draag een bril des lunettes (f.) je porte des lunettes M5

een broer un frère M9

een brood un pain M8 bruin brun, brune M4

een bureau un bureau (des bureaux) M2

een bus met de bus un bus en bus M6

een buurman un voisin M2

een buurvrouw une voisine M2

Ceen cent (eurocent) un cent, centime M11 de chocolade le chocolat M11

een cola un coca M8

een computer un ordinateur M3 de confituur la confiture M11

een croissant un croissant M11

Ddaar là M6 daarom alors, M

een dag un jour M3

een dag (duur) une journée M10 dag! salut! M1 dan (daarom) alors M7 dank u merci M6 dansen danser M3 de datum la date M12 de le, la, l’, les M3 december décembre (m.) M7 denken (aan) penser (à) M9 derde troisième M6 dertien treize M7 dertig trente M7 deze ce, cette, ces M4 dicht fermé, fermée M11 dicht bij près de/d’ M6 die ce, cette, ces M4

E

een ding une chose M11 dinsdag mardi (m.) M3

een directeur un directeur M10

een directrice une directrice M10

een dochter une fille M9 doen faire wat doe je? tu fais quoi? M3 wat doe je graag? tu aimes faire quoi? M3

donderdag jeudi (m.) M3 doorgaan continuer M6 de dorst ik heb dorst la soif j’ai soif

dragen ik draag een trui porter je porte un pull

drie trois M1 drinken boire M8 duizend mille M8

één un, une M1 een un, une M2 eenentwintig vingt-et-un M7 eerste premier, première M6

een ei un œuf M8 elf onze M1 elk(e) chaque, chaque M9 en et M1

er is, er zijn il y a M2 eten manger M8

een euro het is acht euro un euro ça fait huit euros M11

een eurocent un cent, centime M11 Europa in Europa l’ Europe (f.) en Europe M12 excuseer mij! excusez-moi! M6

F

een familie une famille M9 februari février (m.) M7

een fiets

met de fiets un vélo à vélo M6

een film un film M3

een fles een fles melk une bouteille une bouteille de lait M11

een foto une photo M5

een fout une faute M10 Frankrijk in, naar Frankrijk la France en France M12

G

het Frans in het Frans le français en français M10 fruit des fruits M8

een fruitsap un jus de fruit(s) M8

gaan aller M6

gaat het? ça va? M7

hoe gaat het? comment ça va? M7

het gaat goed ça va bien M7 geel jaune, jaune M4 geen ne/n’ … pas M5

geen meer ne/n’ … plus M6 gesloten fermé, fermée M11 geven (aan) donner (à) M7 geweldig formidable, formidable M12

een gezin une famille M9 goed

het gaat goed bien ça va bien M7 goed bon, bonne M8 goedendag bonjour M1

een gom une gomme M2 graag gedaan! de rien! M6

een gram honderd gram kaas un gramme (de/d’) cent grammes de fromage M8 grijs gris, grise M5 groen vert, verte M4

een groente un légume M8 groot grand, grande M5

een grootmoeder une grand-mère M9 grootouders des grands-parents (m.) M9

een grootvader un grand-père M9

een gsm un GSM, un portable M3

H

een haar ik heb zwart haar un cheveu (des cheveux) j’ai les cheveux noirs M5 haar elle bij haar (thuis) chez elle M8 haar haar jeans haar jas haar sneakers son, sa, ses son jean sa veste ses baskets M7

half, halve een halve kilogram demiun demi-kilo M11 hallo! salut! M1

3 THEMATISCHE WOORDENLIJST

1

2

3

4

5

Vanaf Mission 7 vind je in Retour verwijzingen naar deze thematische woordenlijst, bv. 2.2 Vrijetijdsbesteding, t.e.m M6. Dat zijn de woorden die je het best herhaalt om de nieuwe lessen goed te kunnen volgen. Kijk maar eens of je die hier terugvindt.

Handig oefenen met deze woordenlijst doe je zo:

• Stap 1: Dek de Nederlandse kolom af, lees het Franse woord en geef de vertaling.

• Stap 2: Dek de Franse kolom af, lees het Nederlandse woord en de voorbeeldzin. Plaats het Franse woord in gedachten in die zin.

• Stap 3: Doe dat opnieuw, maar schrijf de Franse woorden nu op een blaadje en controleer.

• Stap 4: Lees de zinnen hardop, met het Franse woord erin.

Persoonlijke

gegevens

1.1 Naam

M1 comment? hoe?

M1 comment tu t'appelles? hoe heet jij?

M1 et en

M1 et toi? en jij?

M1 je m'appelle ik heet

M1 je suis ik ben

M1 moi ik, mij

M1 non nee

M1 oui ja

M1 qui? wie?

M7 un nom een naam

M7 un prénom een voornaam

M7 quel(le) est? wat is?

M9 il/elle s'appelle hij/zij heet

1.2 Leeftijd

M1 j'ai 10 ans ik ben 10 jaar

M1 tu as quel âge? hoe oud ben jij?

M7 un âge een leeftijd

M7 un anniversaire een verjaardag

1.3 Adres

M1 de/d' van

… tu t'appelles? - Je m'appelle Vladi.

Moi, je suis Nour. Et toi? ... tu t'…?

Georges … Osman sont d'Arlon.

Je m'appelle Lucas. Et …? Comment tu t'appelles?

Comment tu t'appelles? - Je …'… Mehdi.

Tu es qui? - Moi, … … Anouk.

Je suis Amina. Et toi? Tu es qui? - …, je suis Billie.

Tu es Amina? - …, moi, je suis Marie.

Tu t'appelles Marie? - …, je suis Marie. Bonjour!

Moi, je suis Amina. Et toi, tu es …?

Comment tu t'appelles? - Mon … est Tahiri.

Mon nom est Dufour et mon … est Stéphane.

Je m'appelle Lucas. Et toi? … est ton nom?

Ce garçon est ton frère? - Oui, il …'… Oleg.

Tu as quel âge? - J'... dix …

J'ai onze ans. Et toi? Tu as … …?

Tu as quel …? - J'ai onze ans.

Nous sommes le 21 mars. C'est mon … J'ai douze ans.

Je suis … Gand et Caro est … Anvers.

M7 à in Mehdi habite … Liège.

M7 une adresse een adres

M7 une avenue een laan

M7 habiter wonen

Quelle est votre …? - J'habite rue de Namur au numéro 10.

Vous habitez une grande rue? – Oui, nous habitons une belle … à Liège.

Vous aimez … dans un appartement?

M7 j’habite ik woon J'… rue Dupont au numéro 13, à Schaerbeek.

M7 un numéro een nummer Aline habite dans cette rue, au … 8.

M9 la Flandre Vlaanderen J'habite à Anvers. Je suis de …

M9 en Flandre in Vlaanderen Anvers et Gand sont … Flandre.

M9 la Wallonie Wallonië J'habite à Liège. Je suis de …

M9 en Wallonie in Wallonië Arlon et Liège sont … Wallonie.

M12 en in, naar (+ land) Nous habitons … Belgique. En juillet, nous allons … France.

M12 ou of Tu habites en Flandre … en Wallonie?

M12 la Belgique België

M12 en Belgique in België Bruxelles est en ....

M12 l’ Europe (f.) Europa

M12 en Europe in Europa La Belgique est en ....

M12 la France Frankrijk

M12 en France in Frankrijk Paris est en ...

4 GRAMMATICA

Bekijk je de kennisclip graag opnieuw?

Een toont bij welk onderdeel een filmpje hoort.

Bekijk het via je Bingel-eiland.

Het lidwoord L’article

Een lidwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord: een boek, de leerling.

In het Frans gebruik je altijd een lidwoord, ook als dat in het Nederlands niet zo is.

1.1 Het onbepaald lidwoord L’article indéfini

mannelijk vrouwelijk

enkelvoud un élève un cahier

↓ un een leerling een schrift une élève une gomme ↓ une een leerlinge een gom

mannelijk vrouwelijk

meervoud des élèves des cahiers

↓ des leerlingen schriften des élèves des gommes ↓ des leerlingen gommen

Opmerking:

Als het bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord staat, wordt des meestal de.

Ce sont des bébés blonds. → Ce sont de beaux bébés.

1.2 Het bepaald lidwoord L’article défini

mannelijk vrouwelijk

enkelvoud le cinéma l’ordinateur

↓ le (l’) de bioscoop de computer la chanson l’amie ↓ la (l’) het liedje de vriendin

Let op! Le/la wordt l’ voor een woord dat begint met een klinker.

mannelijk vrouwelijk

meervoud les cinémas les ordinateurs

↓ les de bioscopen de computers les chansons les amies ↓ les de liedjes de vriendinnen

1.3 Het samengetrokken lidwoord met à L’article contracté avec à

à + le = au le cinéma → Les enfants sont au cinéma.

à + la = à la la radio → J’écoute des chansons à la radio.

à + l’ = à l’ l’ami → Louise téléphone à l’ami de Noa.

à + les = aux les élèves → La prof montre l’exercice aux élèves.

1.4 Het samengetrokken lidwoord met de L’article contracté avec de

de + le = du le carrefour → Le cinéma est près du carrefour.

de + la = de la la radio → Tu aimes les chansons de la radio?

de + l’ = de l’ l’ami → Voici la classe de l’ami de Noa.

de + les = des les élèves → Ce sont les cahiers des élèves de 5A.

1.5 Het deelaanduidend lidwoord L’article partitif

Du, de la, de l' en des drukken een onbepaalde hoeveelheid uit.

In het Nederlands gebruiken we dit niet.

de + le = du le pain → Zazi et Elia mangent du pain. Zazi en Elia eten brood.

de + la = de la la limonade → Rosa boit de la limonade. Rosa drinkt limonade.

de + l’ = de l’ l’eau → Paul boit de l’eau. Paul drinkt water

de + les = des les légumes → Nous mangeons des légumes. Wij eten groenten.

1.6 Het lidwoord achter een hoeveelheid L’article après une quantité

In het Frans volgt altijd de (d') achter een hoeveelheid.

Mo achète un litre de lait.

J'ai une bouteille de limonade.

Je voudrais 500 grammes de poires.

Tu bois combien d'eau?

Achter een hoeveelheid gebruik je in het Nederlands geen lidwoord.

Mo koopt een liter melk.

Ik heb een fles limonade.

Ik wil graag 500 gram peren. Hoeveel water drink jij?

Het zelfstandig naamwoord Le substantif

Een zelfstandig naamwoord geeft de naam van een persoon of een ding, bv. een meisje, een boek.

2.1 Het mannelijk en het vrouwelijk

Le masculin et le féminin

In het Frans zijn zelfstandige naamwoorden mannelijk of vrouwelijk. Onzijdig bestaat niet.

Je leert dus het best het zelfstandig naamwoord altijd samen met het lidwoord.

mannelijk vrouwelijk un ami un frère un garçon une amie une sœur une fille un carrefour un exercice un nom une pomme une radio une veste

2.2 Het enkelvoud en het meervoud

Opmerking:

Le singulier et le pluriel

mannelijk vrouwelijk

enkelvoud un élève une fille meervoud des élèves + s des filles + s -s blijft -s un fils des fils -eau wordt -eaux un tableau des tableaux -eu wordt -eux un cheveu des cheveux

5 LETTERS EN UITSPRAAK

De accenten

Les accents

Sommige Franse letters krijgen een accent. Dat accent bepaalt de uitspraak van een woord.

é - accent aigu spreek uit zoals in twee

è - accent grave spreek uit zoals in bed

of zoals in trein

décembre, une école, écouter

Kort klinkende è: deuxième, très, troisième

Langer klinkende è: une mère, un père, derrière

à - accent grave spreek uit zoals in bad à Paris, à pied, voilà

â - accent circonflexe

ê - accent circonflexe spreek uit zoals in maar spreek uit zoals ei

un âge être, un vêtement, une fête

ë - tréma spreek uit zoals in bed Noël

De verbinding van œ

In une sœur schrijf je de o en de e tegen elkaar.

Dat mag, maar het hoeft niet.

La ligature œ

œ un œuf, une sœur

De letters c en ç

c als [k] uitgesproken c als [s] uitgesproken

vóór de klinkers van auto

comment, comprendre, une école, beaucoup, à côté de, un cahier, une carotte, un carrefour, un coca, continuer, court, écouter

vóór medeklinkers

mercredi, un oncle, une classe, un crayon

Opmerking:

Les lettres c et ç

vóór de andere klinkers

cinq, cinquième, cinquante, un cinéma, c’est, ce, ce sont, cent, un exercice, décembre, ici, merci, voici

vóór de klinkers van auto met ç

ça, ça va?, un garçon

Het tekentje onder de c heet een cedille. Je noemt de letter dan ook c cédille.

De letter g

g = [g] g = [zj]

vóór medeklinkers

gris, grand

vóór de klinkers van auto

garçon, gauche, gomme, regarder, longue

qu = [k]

La lettre g

in alle andere gevallen

orange, page, rouge, âge

Qu’est-ce que tu aimes? / Qui aime la musique? /

Qui aime la quatrième et la cinquième symphonie de Beethoven?/ Tu aimes quoi?

De letter r

un fruit, un jus de fruits, une pomme de terre,

une carotte, une poire, le beurre

rouge, roux, vert, noir, grand, court, fort

Régine, Marie, Cathérine, Charles, Trésor, Rayan, Bruges, Durbuy, Rochefort

De neusklinkers Les voyelles nasales

[on] [in] [an]

bon, mon, non, champignon, crayon, pantalon, pardon, continuer, montrer, long

cinq, cinquième, quinze, vingt, cinquante, juin, rien, rondpoint

trente, soixante, cent, janvier, septembre, vendredi, dimanche, comment, dans, orange, prendre

De verbinding La liaison

Een n, s of x op het einde van een woord spreek je niet uit: un, on, mon, ton, des, les, nous, vous, très, trois, deux, dix litres, six pommes ...

Bij six en dix spreek je de laatste letter uit als [s] wanneer er geen woord achter komt.

Wanneer er een woord volgt dat met een klinker (a, e, i, o, u, y) of een h begint, spreek je de laatste letter wel uit: dat is de verbinding.

geen verbinding wel verbinding

unxtableau, monxpantalon, tonxjean, sonxshort, onxcommence

desxcrayons, lesxdirectrices, mesxchemises, deuxxsecondes, dixxminutes, nousxparlons

un ordinateur, mon oncle, ton âge, son anniversaire, on achète

des élèves, les hommes, mes oranges, ses amis, deux exercices, dix heures

nous aidons

Als je de verbinding maakt met een woord dat eindigt op -s of -x, spreek je de laatste letter uit als [z].

Bonjour, je suis Clara. Comment tu t’appelles?

J’ai dix ans. Et toi?

Moi, je suis d’Arlon.

Au revoir!

Salut, Clara, je m’appelle Julien. Tu as quel âge?

J’ai onze ans. Je suis de Mons / de Flandre / de Wallonie. Et toi?

Vragen wie iemand is en waar die woont

Bonjour, comment ça va?

Quel est ton prénom?

Quel est ton nom?

Quelle est ton adresse? / Tu habites où?

Très bien, merci. Au revoir.

Au revoir!

Ça va bien, merci.

Je m’appelle Remi.

Mon nom est De Lannoy.

J’habite 47 rue de l’École à 1000 Bruxelles. Au revoir.

Nom: Prénom:

Adresse:

47 rue de l’École

Numéro de téléphone: Âge: Anniversaire: De Lannoy Remi

1000 Bruxelles

0454 32 17 61 12 ans 27 septembre

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
ZOUFFF! 5 - Kit de survie (editie 2026) by VAN IN - Issuu