Project
06
©
VA N
IN
Zinken, zweven en drijven
VERKEN!
EROP OF ERONDER
ONDERZOEK! DRIJFVERMOGEN
CREËER! LAAT VOORWERPEN DRIJVEN EN ZINKEN
VERKEN!
EROP OF ERONDER 1 Vul de onderschriften van de foto’s aan. 1
2
De boot drijft/zinkt/zweeft in
3
De duikboot drijft/zinkt/zweeft in .
. 5
. 6
IN
4
De olie drijft/zinkt/zweeft in
.
De kiwismoothie drijft/zinkt/zweeft in .
Het schuim drijft/zinkt/zweeft in
VA
.
Het kopje drijft/zinkt/zweeft in
N
Het plasticafval drijft/zinkt/zweeft in
.
©
2 Verbind de begrippen links met de omschrijvingen rechts. a zinken
b zweven c drijven
1
Het voorwerp beweegt zich naar het vloeistofoppervlak.
2
Het voorwerp beweegt zich naar de bodem van de vloeistof.
3
Het voorwerp bevindt zich op een willekeurige hoogte in de vloeistof.
Welke factoren bepalen of een voorwerp zinkt of drijft? Hoe kan een duikboot stijgen en dalen? We zoeken het uit in dit project!
2 ZINKEN, ZWEVEN EN DRIJVEN
ONDERZOEK!
DRIJFVERMOGEN 1 Brainstorm met de klas over de verschillende factoren die invloed kunnen hebben op het zinken en drijven van voorwerpen in vloeistoffen
2 Formuleer een centrale onderzoeksvraag en deelvragen. a Stel ‘wat’-, ‘waarom’-, ‘wanneer’-, ‘wie’-, ‘welke’- of ‘hoe’-vragen. b Gebruik de checklist. JA
NOG AANPASSEN
- Start de onderzoeksvraag met een vraagwoord?
☐
☐
- Is de onderzoeksvraag afgebakend?
☐
☐
- Is de onderzoeksvraag een probleem waarop je het antwoord nog niet kent?
☐
☐
- Is de onderzoeksvraag beknopt?
☐
☐
☐
☐
VA N
- Is de onderzoeksvraag onderzoekbaar?
IN
KENMERK
ZINKEN EN DRIJVEN VAN VOORWERPEN
Centrale onderzoeksvraag:
©
Deelvraag 1:
Deelvraag 2:
3 Ga in groep op zoek naar een experiment om een van de factoren die een invloed op het zinken, drijven of zweven van voorwerpen hebben, te onderzoeken. a b c d
Zoek op het internet een experiment rond zinken, drijven en zweven. Werk je experiment uit aan de hand van de wetenschapelijke methode. Voer het experiment uit. Stel je onderzoek voor aan de klas.
3 ONDERZOEK! DRIJFVERMOGEN
WETENSCHAPPELIJKE METHODE
TITEL VAN HET EXPERIMENT: 1 ONDERZOEKSVRAAG
a
Formuleer een onderzoeksvraag.
b
Gebruik de checklist om na te gaan of je een goede onderzoeksvraag hebt. KENMERK
JA
NOG AANPASSEN
Start de onderzoeksvraag met een vraagwoord?
☐
☐
-
Is de onderzoeksvraag afgebakend?
☐
☐
-
Is de onderzoeksvraag een probleem waarop je het antwoord nog niet kent?
☐
☐
-
Is de onderzoeksvraag beknopt?
-
Is de onderzoeksvraag onderzoekbaar?
Tip
VA N
2 HYPOTHESE
IN
-
☐
☐
☐
☐
Om tot een goede hypothese te komen, denk je na over wat je al weet, en formuleer je een verwachting (hypothese) die voldoet aan een aantal criteria. Noteer in de mindmap wat je al weet.
©
a
4 ZINKEN, ZWEVEN EN DRIJVEN
b
c
Stel nu een hypothese op die je aan de hand van experimenten kunt aftoetsen. Gebruik de checklist. KENMERK
JA
NOG AANPASSEN
-
Is de hypothese afgebakend?
☐
☐
-
Is de hypothese zinvol?
☐
☐
-
Is de hypothese beknopt?
☐
☐
-
Is de hypothese onderzoekbaar?
☐
☐
Formuleer je hypothese. We denken dat
3 BENODIGDHEDEN
Welke bronnen gebruik je? Lijst ze op.
b
Onderzoeksplan: ☐ digitaal (met sjabloon) ☐ niet-digitaal
c
Welk materiaal heb ik nodig? ☐ ☐ ☐ ☐
ONDERZOEKSPLAN
©
VA N
a
IN
.
☐
d
Wie neemt welke CLIM-rol op? ☐
Organisator:
☐
Materiaalmeester:
☐
Verslaggever:
☐
Bemiddelaar:
5 ONDERZOEK! DRIJFVERMOGEN
4 WERKWIJZE
Schrijf stap per stap de werkwijze uit. Gebruik de checklist. KENMERK
JA
NOG AANPASSEN
Gebruik je al het materiaal?
☐
☐
-
Beschrijf je hoe je het materiaal moet gebruiken?
☐
☐
-
Beschrijf je welke waarneming er moet gebeuren?
☐
☐
-
Beschrijf je hoe je de gegevens (waarnemingen) moet noteren, filmen ...?
☐
☐
5 WAARNEMINGEN
VA N
IN
-
Voer het experiment uit volgens het stappenplan.
b
Stel vragen om tot een gerichte waarneming te komen. Noteer die vragen hier.
c
Noteer je waarnemingen in je onderzoeksplan.
©
a
6 BESLUIT
a
Bestudeer je waarnemingen en stel vragen om ze te verwerken.
b
Noteer je verwerking in je onderzoeksplan.
c
Formuleer een antwoord op de onderzoeksvraag.
d
Rapporteer. ☐ Maak een verslag. Deadline: ☐ Presenteer het onderzoek. Deadline:
6 ZINKEN, ZWEVEN EN DRIJVEN
/
/20 /
/20
7 REFLECTIE
Sta stil bij het experiment. Vul de onderstaande zaken aan in je onderzoeksplan. a
Verloop van het experiment: - Wat liep goed? Wat liep fout? - Hoe verliep de samenwerking? - Vervulde iedereen zijn CLIM-rol?
b
Resultaat van experiment: - Was de hypothese juist? - Hoe kun je je resultaten verklaren? Gebruik eventueel bronnen.
Welke eigenschappen bepalen of het voorwerp zinkt of drijft in dit experiment? Markeer. • massa / volume / massadichtheid / vorm • massa / volume / massadichtheid
-
Welke voorbeelden of toepassingen daarvan heb je al opgemerkt in het dagelijks leven?
VA N
IN
-
4 Leg de resultaten van de verschillende experimenten samen
b c
Gebruik de applet (zoek op: Phet, volume, massa, dichtheid) om tot een algemeen besluit te komen. Noteer de voorwaarde voor drijven, zinken en zweven in symbolen Vul de antwoorden aan in het schema.
OPEN APPLET
©
a
Antwoord deelvraag 1:
Antwoord deelvraag 2:
ZINKEN EN DRIJVEN VAN VOORWERPEN
Antwoord centrale onderzoeksvraag:
7 ONDERZOEK! DRIJFVERMOGEN
5 Verklaar het gedrag van de voorwerpen in oefening 1 op p. 2. Foto 1:
Foto 2:
Foto 3:
Foto 4:
IN
Foto 5:
Foto 6:
VA N
6 Bestudeer de foto’s. Vul de onderschriften aan. 1
3
©
2
De luchtballon drijft / zinkt / zweeft in de lucht.
De heliumballon drijft / zinkt / zweeft in de lucht.
ρluchtballon ρlucht
ρheliumballon ρlucht
De ballon drijft / zinkt / zweeft in de lucht.
ρballon ρlucht
7 Zoek op wat een cartesiaans duikertje is. a Gebruik het cartesiaanse duikertje uit de klas, maak het zelf of zoek zelf een gebruikersfilmpje op YouTube. b Verklaar de werking.
8 ZINKEN, ZWEVEN EN DRIJVEN
g
8 Een glas is gevuld met water en olie (ρolie= 0,9 ).
cm3 Een ijsblokje (volume van 3,0 cm³ en massa van 2,9 gram) wordt in het glas gelegd. a Hoe gedraagt het ijsblokje zich in water?
b Hoe gedraagt het ijsblokje zich in olie? c
Toon aan met berekeningen.
Gegeven:
Gevraagd:
Oplossing:
VA N
IN
d Teken het ijsblokje in de verschillende situaties.
©
ijsblokje in glas gevuld met water
ijsblokje in glas gevuld met olie
ijsblokje in glas gevuld met olie en water
9 ONDERZOEK! DRIJFVERMOGEN
CREËER!
LAAT VOORWERPEN DRIJVEN EN ZINKEN 1
Bouw een duikboot. Gebruik het internet als inspiratiebron. TECHNISCH PROCES 1
BOUW EEN DUIKBOOT 1 PROBLEEM STELLEN
Wat is het probleem?
2 ONTWERPEN
Hoe moet de duikboot kunnen bewegen?
b
Hoe kun je het drijfvermogen regelen?
c
Hoe zorg je daarvoor?
d
Welke materiaal heb je nodig?
VA N
a
☐ ☐
©
☐ ☐
☐ ☐ ☐ ☐
e
IN
Stel ‘wat’-, ‘waarom’-, ‘wanneer’-, ‘wie’-, ‘welke’- of ‘hoe’-vragen en schrijf ze neer.
Welk gereedschap heb je nodig? ☐ ☐ ☐ ☐
10 ZINKEN, ZWEVEN EN DRIJVEN
3 MAKEN EN UITVOEREN
©
VA N
IN
Schrijf je werkwijze uit.
4 IN GEBRUIK NEMEN / TESTEN
Gebruik je ontwerp zoals het bedoeld is en noteer hoe je de werking test.
5 EVALUEREN
a
Wat werkte? Wat niet?
b
Welke aanpassingen doe je nog?
c
Hoe kun je je model nog verfijnen/verbeteren?
11 CREËER! LAAT VOORWERPEN DRIJVEN EN ZINKEN
2
Ontwerp een animatie rond zinken en drijven.
TECHNISCH PROCES 2
ONTWERP EEN ANIMATIE ROND ZINKEN EN DRIJVEN 1 PROBLEEM STELLEN
Wat is het probleem?
2 ONTWERPEN
Stel ‘wat’-, ‘waarom’-, ‘wanneer’-, ‘wie’- of ‘hoe’-vragen en schrijf ze neer. Welk programma gebruik je?
b
Hoe maak je zinken en drijven duidelijk in je animatie?
c
Welke voorwerpen kies je?
d
Hoe maak je de animatie visueel aantrekkelijk?
e
Wat zijn de benodigdheden?
©
VA N
IN
a
3 MAKEN EN UITVOEREN
Schrijf een programma om je preventiemaatregel duidelijk te maken.
12 ZINKEN, ZWEVEN EN DRIJVEN
4 IN GEBRUIK NEMEN / TESTEN
Gebruik je ontwerp zoals het bedoeld is en noteer hoe je de werking test.
5 EVALUEREN
Wat werkte? Wat niet?
b
Welke aanpassingen doe je nog?
c
Hoe kun je je model nog verfijnen/verbeteren?
©
VA N
IN
a
13 CREËER! LAAT VOORWERPEN DRIJVEN EN ZINKEN
© VA N IN