Wereldwijzer Geschiedenis
1
Themafiche – Toen alles begon
Samenhang met Wereldwijzer In lijn met het kennisrijke curriculum zijn de inhouden van de methodes Taaltoer – ik lees met hup en aap en Wereldwijzer op elkaar afgestemd. In de tabel hieronder vind je enkele uitgelezen kansen om de band tussen taal en de zaakvakken in de verf te zetten. Ook op deze manieren word je daarin ondersteund: •
Op Bingel vind je een versie van het themaverhaal De schat in de grot waarin de themawoorden, de sleutelwoorden en andere waardevolle woordenschat die aansluit bij de zaakvakken gemarkeerd werden. Zo zie je in één oogopslag waaraan je extra aandacht kunt besteden.
•
In deze themafiche vind je een mogelijk ontwerp voor de woordmuur. Wil je een woord toevoegen waarvoor geen woordkaart bestaat? Gebruik dan de lege woordkaarten die je op Bingel vindt.
•
In de handleiding wordt de link gelegd met andere leergebieden en vind je nog meer tips die verwijzen naar aardrijkskunde, geschiedenis en wetenschap.
Les Taaltoer
Link met Wereldwijzer
Les 1
Wat: In het op ware feiten gebaseerde themaverhaal De schat in de grot ontdekken vier kinderen de grotten van Lascaux. Op de tijdband kun je de gebeurtenissen uit het verhaal situeren. Vertel dat de grot lang geleden werd ontdekt, in 1940, en dat de grotschilderingen van heel lang geleden dateren, namelijk uit de prehistorie. Achteraan in het prentenboek vind je een informatieve spread over de ontdekking van de grotten van Lascaux. Die pagina’s worden verder behandeld in les 5 van Wereldwijzer. Daar vind je ook verwijzingen naar het themaverhaal van Taaltoer. Waar in Wereldwijzer? Thema 4, les 2 en 5 (en de bijpassende kennisclip
)
Woordenschat: het verleden (vroeger), het heden (nu), de toekomst (later), de prehistorie, de grotschildering, de muurschildering, de tekening, het teken, de grot Les 6 en 11
Wat: In de tweede leesbeurt van het themaverhaal staan de leerlingen stil bij het begrip de evolutie. Ook in Wereldwijzer wordt aandacht besteed aan dat begrip. Onder andere de evolutie van het rechtop lopen, het samenleven en het doorgeven van boodschappen worden daarbij bekeken. In de derde leesbeurt herhaal je het begrip ‘de bron’. Vanaf les 3 voeren de leerlingen binnen het geschiedenisthema van Wereldwijzer bronnenonderzoek uit. Waar in Wereldwijzer? Thema 4, les 3, 4 en 5 (en de bijpassende kennisclips Woordenschat: de evolutie, de bron
2
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Themafiche
)
Les Taaltoer
Link met Wereldwijzer
Les 17
Wat: Door middel van de beschrijving van een grot leren de leerlingen hoe bijvoeglijke naamwoorden taal kunnen verrijken. Ze gebruiken woorden zoals scherp, smal, breed, vochtig, reusachtig en kronkelig. Je kunt die woorden koppelen aan de virtuele rondleiding door de grotten van Lascaux in les 5 van Wereldwijzer. Waar in Wereldwijzer? Thema 4, les 5 (en de bijpassende kennisclip
)
Woordenschat: de prehistorie, de grotschildering, de muurschildering, de tekening, het teken, de grot Les 22
Wat: De leerlingen leren in Wereldwijzer hoe mensen in de prehistorie communiceerden met geluiden, gebaren, lichaamstaal, gezichtsuitdrukkingen, tekeningen, symbolen en tekens. Daarbij wordt de link gelegd tussen prehistorische tekens en hedendaagse pictogrammen. In Taaltoer leren de leerlingen dat tekeningen en tekens een non-verbale vorm van communicatie kunnen zijn. Ze staan opnieuw stil bij het verschil tussen een teken en een tekening en denken na over een boodschap die ze zelf met een tekening zouden willen doorgeven. Waar in Wereldwijzer? Thema 4, les 5 (en de bijpassende kennisclip
)
Woordenschat: de prehistorie, de grotschildering, de muurschildering, de tekening, het teken, de grot Les 33 en 39
Wat: In deze lessen van Taaltoer bekijken de leerlingen twee reportages over de replica van de grotten van Lascaux. Voordat je de reportages bekijkt, kun je de voorkennis over de prehistorie activeren met de ontdekplaat uit Wereldwijzer. Daarbij kun je enkele themawoorden uit Taaltoer herhalen, zoals de oermens, de grotschildering, de wand, de grot, de mammoet, de bijl, de speer, de jacht, de jager, de steen en het mes. In de reportages zien de leerlingen hoe kinderen van hun leeftijd vuur maken op een tentoonstelling over de oertijd. Je kunt nog eens stilstaan bij het begrip de evolutie. Waar in Wereldwijzer? Thema 4, les 5 (en de bijpassende kennisclip
)
Woordenschat: Herhaal de themawoorden uit Taaltoer met de ontdekplaat van Wereldwijzer. /
Wat: In het geschiedenisthema van Wereldwijzer wordt met storytelling gewerkt. Aan de hand van verhalen en ontdekplaten worden belangrijke vakbegrippen uit de geschiedenis aangebracht. In les 4 en les 7 werken de leerlingen met tekstfragmenten uit het boek Mammoetmoed van Eva Vaes. In les 6 en les 8 lees je de kortverhalen Een nieuwe thuis en Een nieuwe mantel voor. Die verhalen werden door Sofie De Moor geschreven voor Wereldwijzer. Waar in Wereldwijzer? Thema 4, les 4, 6, 7 en 8 (en de bijpassende kennisclips
)
Woordenschat: de prehistorie, samenleven, de kleine groep, de stam, het vuur, de evolutie, de bron, wonen, de woning, de hut, de tent, de vuursteen, het been, de steen, het hout, de kleding, het kledingstuk, de dierenhuid, de bescherming, het been, de vacht
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Themafiche
3
De woordmuur
op jacht gaan
de grot
de jager
de speer
de grotschildering
de wand
het mes
de muurschildering
de rots
de bijl
de bron de tekening het teken
de spleet de gang scherp smal
breed
vochtig reusachtig kronkelig
de prehistorie
samenleven de kleine groep
de stam
het vuur de vuursteen de woning de hut de tent
vet: woordenschat uit Taaltoer – ik lees met hup en aap niet vet: woordenschat uit Wereldwijzer
4
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Themafiche
vet en onderlijnd: gedeelde woordenschat
Boekentips Fictie
Mammoetmoed – Eva Vaes
Atta – Jolien Janzing
Onder de golven – Linda Dielemans
Op zoek naar een mammoet – Catherine Cawthorne
Onderweg – Migraties die de wereld veranderden – Aimee de Jongh
Wulfie het wolfsjong – Veronica Nahmias
Non-fictie
Groot weetjesboek over de prehistorie – Cécile Benoist
Willewete – De eerste mens – Erwin Claes
Van oermens tot jou – Tialda Hoogeveen
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Themafiche
5
25'
LES 1
Domein: Attitudes
Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Subdomein: Leren leren
Les 1 van 9
Voor je start Temolo vendign atectiae. Sum aspelent at in natecullut volorum reste re volorporum ut qui andi repudip sandes estiuntur aut pre lantotate experionem hictatiur mint restet, se volum de evendandam aut volupis entis dolum sunt.
Oluptur? Evelessiti ommolutem nonsed utem re deleseque opta si optas ut lanita aut quasped quam, odici rere ex et perata nos ad mi, id quod qui alicium voloris
auditae omnis quibus et quia simi, sitatum nonseni nulparum qui dolor solore
nobit audit lacia quia aut incia cumenime volestiumet quae audaectorum que mi, santi dicia corem. Ita volorpos ea se eaquae dia vnime volestiumet quae audaec-
torum que mi, santi dicia corem. Ita volorpos ea se eaquae dia voluptatibus nonsectiust lautecae. Endis quistiunt pre nescien imaiorum seque pra voluptae ima nus andant adit vellique volo bearuptae isit qui temporecte lam venim endel
mil int, ut ipsanda volor sumetur, con prae nus demoluptas iunt veliqui rempere,
ullorem faceperum quisquodi conseriatio et dolorumquam qui doluptatium audio. Et is am faccuptatur ad ut renim idisque volupitoluptatibus nonsectiust lautecae.
Endis quistiunt pre nescien imaiorum seque pra voluptae ima nus andant adit vellique volo bearuptae isit qui temporecte lam venim endel mil int.
Henk Byls in natemque simin pre occuptptatium audio. Et is am faccuptatur ad
ut renim idisque volupitoluptatibus nonsectiust lautecae. En re evelliquatur mil
maiorem ium audaeptisquo que id ut que re, que custrumquia peria voloribus demos earchilibus.
Joost Hansen in natemque simin pre occupptatium audio. Et is am faccuptatur ad ut renim idisque volupitoluptatibus nonsectiust lautecae. Enum eum re evelliquatur mil maiorem ium audaeptisquo que id ut que re, que custrumquia peria voloribus demos earchilibus.
Van In ISBN 978-94-641-7816-6
607636
KENNISWIJZER GESCHIEDENIS VOOR HET LAGER ONDERWIJS
De nieuwe minimumdoelen en leerplannen brengen heel wat nieuwe inhouden en verwachtingen voor geschiedenis in de eerste graad met zich mee. In de handleiding word je ondersteund met achtergrondinformatie bij elke les. Wil je je verder verdiepen in de prehistorie? Lees dan het hoofdstuk over de prehistorie in Kenniswijzer geschiedenis voor het lager onderwijs. Dat boek biedt extra achtergrondkennis en helpt je om de leerstof met vertrouwen in de klas aan te brengen.
KENNISWIJZER
GESCHIEDENIS VOOR HET LAGER ONDERWIJS
vanin.be
Gebruik de Encyclopedie van Wereldwijzer kleuters om de voorkennis van de leerlingen op te halen en te activeren. Blader samen door de Encyclopedie en sta stil bij vertrouwde concepten, begrippen, foto’s en weetjes. Wat herkennen de leerlingen nog? Wat kunnen ze vertellen bij de beelden? Welke woorden kunnen ze nog verklaren? Je kunt bepaalde tekstjes ook opnieuw voorlezen om inhouden op te frissen en belangrijke begrippen te herhalen.
HENK BYLS & JOOST HANSEN
KS
Wereldwijzer
Zo wordt de Encyclopedie een laagdrempelige en herkenbare start om verder te bouwen op wat de leerlingen al weten.
Encyclopedie
Leercompetenties De leerlingen: • kunnen voorkennis ophalen en categoriseren bij het begin van een nieuw thema (MD 9.2.1).
Voorbereiding • • • •
6
Hang de tijdband van Wereldwijzer aan de muur. Houd de actualiteit in de gaten en denk na over hoe je nieuwsberichten aan het thema kunt koppelen. Bekijk bij elke les welk materiaal je nodig hebt, zodat je de lessen tijdig kunt voorbereiden. Leg stimulerende materialen klaar op de thematafel.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 1
Woordenschat Gekend vanuit de kleuterschool De prehistorie • het vuur • het werktuig (de pijlpunt, het mes, de speer, de bijl) • jagen (de prooi) • voedsel verzamelen • de kleine groep (stam) • de grotschildering • de muurschildering • de rotsschildering
Chronologisch ordenen • heel lang geleden • lang geleden • nu
Soorten bronnen • de beenderen • het fossiel • het werktuig • het graf • het standbeeld • de foto • het dagboek • de brief • de grotschildering
Achtergrondinformatie Wat kennen de leerlingen vanuit de kleuterschool? Tijdens deze lessenreeks bouwen de leerlingen verder op de kennis die ze in de kleuterschool hebben opgedaan. Ze kennen vanuit de kleuterschool de begrippen uit de tabel op de vorige pagina. Ze kennen de volgende concepten: • Mensen leefden vroeger heel anders dan wij nu. • Mensen gingen jagen en verzamelen om aan voedsel te komen. • Mensen leefden vroeger samen in kleine groepen die je stammen noemt. • Ze maakten kennis met grot- en muurschilderingen en leerden dat die ons vandaag iets vertellen over hoe mensen vroeger leefden. Ze kunnen: • iets plaatsen in de tijd: vroeger, nu, later: • het verschil maken tussen oud en nieuw. Wat is nieuw? In dit thema maken de leerlingen stap voor stap kennis met geschiedenis. Ze ontdekken dat geschiedenis gaat over mensen van vroeger, hoe zij leefden en welke sporen we vandaag nog van hen terugvinden. Daarnaast verdiepen ze zich in het dagelijkse leven in de prehistorie. Ze onderzoeken hoe mensen woonden, werkten en samenleefden, en hoe ze zelf in hun basisbehoeften konden voorzien. De leerlingen leren ook hoe we vandaag het verleden bestuderen. Ze ontdekken wat bronnen zijn en hoe die ons helpen om meer te weten te komen over vroeger. Tegelijk oefenen ze om gebeurtenissen in de tijd te plaatsen. Wat met de moeilijke woordenschat? De focus ligt in dit thema vooral op het herhalen en verdiepen van woorden die de leerlingen al kennen uit de kleuterklas. Dat gebeurt via gesprekken, prenten en verhalen. Enkele nieuwe begrippen uit de minimumdoelen komen al voorzichtig aan bod in gesprekken en verhalen, maar hoeven nog niet volledig gekend te zijn. In de volgende leerjaren worden ze verder vastgezet.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 1
7
Start Introductie startvraag Lees de titel van het thema voor: ‘Toen alles begon’. Kijk samen naar de afbeelding op de cover. Toon de iconen van Wereldwijzer op het bord. Kijk naar de cover van het werkschrift van thema 4. Welk pictogram zie je? Waarover gaan we leren? Toon de startvraag op het bord en lees ze voor: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Bespreek: • Hoe denk je dat het leven vroeger was? • Wat was er anders dan vandaag, denk je? • Wat gebruikten mensen vroeger uit de natuur? Je gaat in dit thema op onderzoek naar de eerste mensen. Wat is anders of hetzelfde met hoe wij nu leven? Hoe weten we al die dingen over de mensen van vroeger? In deze les vertel je wat je al weet over de mensen van vroeger en hoe zij samenleefden met de natuur. Daarna vertel je wat je te weten wilt komen. In het kort •
Introduceer de startvraag en bespreek klassikaal.
• •
Bespreek de rubriek ‘Bekend’ en vul aan. Bespreek de rubriek ‘Benieuwd’ en vul aan.
Kern De rubriek ‘Bekend’ Toon de twee ontdekplaten van dit thema en geef de leerlingen een kijkopdracht. Toon eerst de ontdekplaat over de prehistorie en geef ze voldoende tijd om die te bekijken. Toon daarna de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars. • • •
Wat zie je? (dieren, mensachtigen, mensen, een open plek, bomen, struiken, rivier, jacht, voedsel, vuur, mensen in een stam …) Wat herken je? Wat weet je daar al over?
Vraag telkens hoe de natuur de mens helpt, wat de mens kan gebruiken of nodig heeft uit de natuur. Kunnen de leerlingen ook gevaren in de natuur ontdekken? Waar denken de leerlingen nog aan? Welke voorbeelden van vroeger kennen ze nog? Wat weten ze over heel lang geleden? Noteer de antwoorden in kernwoorden onder de rubriek ‘Bekend’ van het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’.
8
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 1
De rubriek ‘Benieuwd’ Je vertelde wat je al weet over hoe mensen vroeger leefden. Wat wil je nog meer weten over de mensen van heel lang geleden en hoe ze leefden? Stel de volgende richtvragen: • Hoe kwamen mensen aan eten? (jagen, verzamelen) • Hadden ze werktuigen? Hoe maakten ze die? (Ze maakten werktuigen van been, hout, steen …) • Waar sliepen ze? (in een grot, in een tent) • Hoe leefden ze samen? (in een kleine groep) • Welke kleding droegen ze? (dierenhuid, bont …) • Waar woonden of schuilden ze? Bouwden ze al huizen? (schuilen in een grot, hut, tent) De leerlingen denken na en overleggen met hun buur. Bespreek klassikaal enkele antwoorden en noteer ze met kernwoorden onder de rubriek ‘Benieuwd’.
Afronding De rubriek ‘Bewaard’ Aan het einde van dit thema lezen we de startvraag nog een keer. We bespreken dan samen wat we geleerd hebben over de prehistorie en hoe alles begon voor de mens. Dat schrijven we in de derde kolom, bij ‘Bewaard’. De leerroute Toon de leerroute op het bord. Laat de leerlingen meekijken in hun werkschrift. Vandaag starten we bij de startvraag. In de volgende lessen zetten we telkens een stap verder. Op het einde van het thema weten we veel meer over hoe alles begon. Dan weten we hoe de mensen leefden in de prehistorie, of ze in groep leefden en met wie, of ze spraken en hoe, en weten we meer over hun voeding, kleding en hoe ze woonden. Spel ‘geluiden van vroeger en nu’ Heb je nog tijd over? Speel dan het spel ‘geluiden van vroeger’. Laat de verschillende geluiden horen en vraag aan de leerlingen of dat geluid heel lang geleden al te horen was of niet. De leerlingen staan recht als ze denken dat het geluid vroeger al te horen was, ze blijven zitten als ze denken dat het een geluid van nu is. Geluiden van vroeger: een knisperend vuur, een mammoet, tikkend gereedschap Geluiden van nu: auto’s, een schoolbel, een gsm of smartphone • •
Wat hoorde je? Waardoor weet je dat dat geluid van vroeger of van nu is? (Sommige geluiden kon je vroeger niet horen omdat bijvoorbeeld een gsm of een auto nog niet bestond.)
• • •
Licht de rubriek ‘Bewaard’ toe. Bespreek de leerroute. Speel het spel ‘geluiden van vroeger en nu’.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 1
9
100'
LES 2
Domein: Geschiedenis
De tijd en kalenders Subdomein: Chronologisch bewustzijn
Les 2 van 9
Lesdoelen De leerlingen: • gebruiken de volgende begrippen in de juiste context: heel lang geleden, lang geleden, vroeger, nu, later, het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur en geschiedenis (MD 5.2.9); • kunnen gebeurtenissen op de levenslijn chronologisch ordenen (MD 5.2.11); • herkennen de structuur van een week, een maand en een jaar (MD 2.3.34, MD 2.3.35, MD 2.3.36); • gebruiken verschillende soorten kalenders vlot (MD 2.3.34, MD 2.3.35, MD 2.3.36).
Voorbereiding • • • •
Zorg dat het tijdskader dat jullie in het instapthema opbouwden zichtbaar is in de klas. Kopieerblad 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 heb je nodig voor klassikaal gebruik. Kopieerblad 5 heb je nodig per duo en kopieerblad 9 per leerling. Teken op de kaarten van kopieerblad 4 en 5 de symbolen die jij in jouw klas gebruikt voor de dagen van de week (of voorzie eigen kaarten als je bijvoorbeeld met een kleurcode werkt). De kaarten van kopieerblad 4 kun je eventueel lamineren: ze worden in deze les ook een keer op de grond gelegd.
Materiaal • • • •
10
werkschrift p. 6 en 7 kopieerblad 1 t.e.m. 9 samenvatting voor de leerling tijdband
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
Woordenschat • • •
vroeger nu later
• • •
het verleden het heden de toekomst
• • • •
de dag de week de maand het jaar
• • • • •
eergisteren gisteren vandaag morgen overmorgen
•
de kalender
Achtergrondinformatie Wat is nieuw? De leerlingen leerden in de kleuterschool veranderingen tussen het verleden en het heden opnoemen. Ze maakten kennis met de begrippen heel lang geleden, lang geleden, vroeger, nu en later en de begrippen oud en nieuw. Ze leerden gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch te ordenen. Ze leerden drie opgegeven bronnen uit het verleden chronologisch te ordenen aan de hand van de begrippen heel lang geleden, lang geleden en nu. De leerlingen maakten ook kennis met de begrippen de dag, de week, het jaar, gisteren, vandaag en morgen. In het instapthema van Wereldwijzer 1 heb je met de leerlingen een tijdskader opgebouwd met de tijdsbegrippen vroeger, nu en later. In deze les bouw je daarop verder. De leerlingen ordenen foto’s en uitspraken in het tijdskader. Ze leren daarbij vroeger te benoemen als ‘het verleden’, nu als ‘het heden’ en later als ‘de toekomst’. Ze linken ook opnieuw de levenslijn aan het tijdskader. Daarnaast leren ze om de dagen van de week en de maanden van het jaar in de juiste volgorde te zetten. Dat doen ze aan de hand van verschillende kalenders, waarbij er aandacht is voor zowel de lineaire als de circulaire benadering van tijd. Werken met je eigen kalenders Binnen de routines van je eigen klas werk je al met een eigen weekkalender en misschien ook met een eigen jaarkalender. Vertrek van je eigen aanpak en selecteer uit de handleiding van deze les wat bij jouw manier van werken past. Met kalenders werken leren de leerlingen al doende. Maak er een gewoonte van om elke dag met verschillende kalenders te oefenen in de klas. Gebruik de kalenders ook om af te tellen naar bijzondere activiteiten.
Transferdoel wiskunde De leerlingen: • kennen de dagen van de week (MD KO 2.3.16); • kennen de maanden van het jaar (MD 2.3.34); • kennen de volgende begrippen: later, eerst, dan, vandaag, gisteren, morgen, de dag, de week, het jaar (MD KO 2.3.17); • kunnen zeggen welke dag het vandaag is, welke dag het gisteren was en welke dag het morgen zal zijn (MD KO 2.3.17).
Thematafel Leg foto’s van de verschillende fasen van de levenslijn op de thematafel: de geboorte, de baby, de peuter, de kleuter, het kind van de lagere school, de tiener, de volwassene. Leg er de pijlen van het tijdskader bij. De leerlingen ordenen de foto’s bij vroeger, nu of later. Voorzie ook verschillende soorten kalenders.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
11
Start Voorkennis activeren Gebruik de afbeeldingen van kopieerblad 1 om de voorkennis over de begrippen vroeger, nu en later opnieuw te activeren. Bespreek telkens wat er op de foto te zien is. De leerlingen sorteren ze bij de juiste pijl in het tijdskader van het instapthema. Je kunt de oefening ook in de bordles maken. Bespreek bij elke afbeelding: • Wat zie je? • Hoort het bij vroeger, nu of later? Waarom denk je dat? Lees dan telkens een uitspraak voor. De leerlingen denken na: hoort het bij vroeger, nu of later? Ze gaan telkens bij de juiste pijl van het tijdskader staan. • • • • • •
Mensen gingen jagen en verzamelen voor hun voedsel. (vroeger) Je kunt het verschil niet meer zien tussen robots en mensen. (later) Straks eten we onze boterhammen. (later) Op dit moment luister ik naar de juf/meester. (nu) Gisteren speelden we op de speelplaats. (vroeger) Ik ben een kind van het eerste leerjaar. (nu)
Leg uit dat je ‘vroeger, nu en later’ ook anders kunt benoemen: Vroeger noem je ook het verleden. Nu noem je ook het heden. Later noem je ook de toekomst. Hang de kaarten van kopieerblad 2 boven de juiste fase van het tijdskader. Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: Je weet al wat bij vroeger (het verleden), nu (het heden) en later (de toekomst) hoort. Daar oefen je in deze les op verder. Je leert ook de dagen van de week en de maanden van het jaar kennen. Je leert met kalenders werken. • • •
Ik ken vroeger (het verleden), nu (het heden) en later (de toekomst). Ik ken de dagen van de week en de maanden van het jaar. Ik kan een kalender lezen.
In het kort • • •
12
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
Activeer de voorkennis over de begrippen vroeger, nu en later aan de hand van het tijdskader uit het instapthema. Vermeld de begrippen het verleden, het heden en de toekomst al een eerste keer. Formuleer het lesdoel.
Kern De levenslijn aan het tijdskader koppelen In het instapthema heb je met de leerlingen de fasen van de levenslijn aan het tijdskader gekoppeld: de zwangerschap, de baby, de peuter, de kleuter, het kind van de lagere school, de tiener, de volwassene. Fris die kennis op. Gebruik telkens de begrippen vroeger, nu, later én het verleden, het heden, de toekomst. Zorg er zo voor dat de nieuwe benamingen verankerd worden bij de leerlingen. Benoem de afbeeldingen van kopieerblad 3 met de leerlingen en hang ze bij de juiste fase van het tijdskader.
•
• • • • •
De dagen van de week Bekijk met de leerlingen de weekkalender van de klas. • Welke dag is het vandaag? • Met welke dag begint de week? • Welke dag volgt er dan? • Welke dag komt er daarna? • Met welke dag eindigt de week?
• •
Koppel met de leerlingen de fasen van de levenslijn aan het tijdskader. Veranker de nieuwe begrippen het verleden, het heden en de toekomst. Oefen de dagen van de week in aan de hand van de weekkalender van de klas. Introduceer de begrippen vandaag, gisteren en morgen en oefen in. Introduceer de begrippen eergisteren en overmorgen en oefen in. Bekijk samen de maandkalender van de klas of van kopieerblad 7 en laat de leerlingen ermee oefenen. Oefen de maanden van het jaar in aan de hand van de jaarkalender van de klas of de jaarkring van kopieerblad 8. Oefen verder met de kalenders van de klas. De leerlingen maken oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift.
Tel samen hoeveel dagen er in een week zijn. Zeg samen alle dagen van de week op. Gebruik eventueel de melodie van een liedje of een rijmpje om de dagen makkelijker te onthouden. Oefen de volgorde van de dagen in. Geef zeven leerlingen een kaart van kopieerblad 4. Ze gaan vooraan in de klas op een rij staan in de juiste volgorde. De balkjes op de kaarten kunnen hen helpen om de volgorde te bepalen. Herhaal nog een keer met zeven andere leerlingen. Laat de leerlingen ook in duo’s oefenen met de kaartjes van kopieerblad 5. Stel een aantal inzichtsvragen: • Welke dag komt voor woensdag? (dinsdag) • Welke dag komt na donderdag? (vrijdag) • Welke dag komt na zondag? (maandag) Kom samen tot de conclusie dat na zondag de week opnieuw begint bij maandag.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
13
Vandaag, gisteren, morgen Hang de dagen van de week van kopieerblad 4 op. Oefen eerst de begrippen vandaag, gisteren en morgen in. • Welke dag is het vandaag? (…dag) • Welke dag kwam er voor …dag? Welke dag was het dus gisteren? • Welke dag komt er na …dag? Welke dag is het dus morgen? Hang de kaarten van kopieerblad 6 bij de dagen van de week. Vandaag is nu (het heden). Dat zie je aan de pijl die naar onderen wijst. Gisteren is vroeger (het verleden). Dat zie je aan de pijl die naar links wijst. Morgen is later (de toekomst). Dat zie je aan de pijl die naar rechts wijst. Hebben de leerlingen de begrippen onder de knie? Breid dan uit met extra denkvragen. • Stel je voor: vandaag is het donderdag. Welke dag was het dan gisteren? Welke dag is het morgen? • Stel je voor: vandaag is het zondag. Welke dag was het dan gisteren? Welke dag is het morgen? Stel opnieuw vast dat de week na zondag opnieuw begint bij maandag. Eergisteren, overmorgen Oefen dan de begrippen eergisteren en overmorgen in. Hanteer dezelfde opbouw. • Welke dag is het vandaag? (…dag) • Welke dag kwam er voor …dag? Welke dag was het dus gisteren? • Welke dag kam er voor die dag? Welke dag was het dus eergisteren? • • •
14
Welke dag is het vandaag? (…dag) Welke dag komt er na …dag? Welke dag is het dus morgen? Welke dag komt er na die dag? Welke dag is het dus overmorgen?
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
De maandkalender Bekijk met de leerlingen de maandkalender van de klas. Je kunt ook de maandkalender van kopieerblad 7 gebruiken. Die kun je ook op het bord tonen. Bovenaan op de maandkalender lees je de naam van de maand, bijvoorbeeld maart. Daaronder zie je alle dagen van die maand. Elk vakje is één dag. Elk rijtje is één week. • •
Hoeveel dagen zijn er in deze maand? Tel de vakjes. Waarom hebben sommige vakjes een andere kleur? (weekend, geen school)
Stel nog een keer vast dat de week na zondag opnieuw begint bij maandag. Geef opdrachten bij de maandkalender. Voorbeelden: • Op maandag 1 maart ga je zwemmen. Teken daar een druppel. • Op woensdag 10 maart is de juf jarig. Teken daar een kroon. • Op zondag 14 maart komt oma op bezoek. Schrijf daar een letter ‘o’. De jaarkring Bekijk met de leerlingen de jaarkalender van de klas. Je kunt ook de jaarkring van kopieerblad 8 gebruiken. Daar kun je op het bord mee oefenen. Tel samen hoeveel maanden er in een jaar zijn. Zeg samen alle maanden van het jaar op. Gebruik eventueel de melodie van een liedje of een rijmpje om de maanden makkelijker te onthouden. • • •
Hoeveel maanden tel je in een jaar? Welke maand is het nu? In welke maand ben jij jarig?
Stel vast dat het jaar na december opnieuw begint bij januari. De circulaire voorstelling maakt dat duidelijk. Stel denkvragen: • Welke maand komt voor maart? (februari) • Welke maand komt na april? (mei) • Welke maanden zijn er dit jaar al voorbij? (Gebruik daarbij de begrippen vroeger en het verleden.) • Welke maanden moet er dit jaar nog komen? (Gebruik daarbij de begrippen later en de toekomst.) De kalenders van de klas Gebruiken jullie nog meer kalenders in de klas, zoals een verjaardagskalender of een seizoenskalender? Bekijk die dan samen met de leerlingen en stel enkele denkvragen. Voorbeelden: • Waarvoor gebruik je deze kalender? • Op welke kalender kun je zien wanneer iemand jarig is? • Welke kalender gebruik je als je wilt weten wat je morgen gaat doen? • Heeft deze kalender de vorm van een rijtje of van een cirkel?
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
15
les 2
de tijd en kalenders
Laat de leerlingen een rond pijltje tekenen van vandaag naar gisteren en van vandaag naar morgen. Oefening 3 Merk op dat de eerste dag van de maand niet altijd op een maandag valt. Bij deze maand valt die op een woensdag. Geef opdrachten: • Op vrijdag 31 mei ga je naar de film. Zet daar een kruisje. • Op donderdag 2 mei is de juf jarig. Teken daar een kroon. • Op zondag 11 mei ga je naar opa. Schrijf daar een letter ‘o’. • Omcirkel elke zondag.
vroeger
nu
luister naar de opdrachten bij de weekkalender. voer uit.
2
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
zaterdag
zondag
thema 4 – les 2: de tijd en kalenders
3
luister naar de opdrachten bij de maandkalender. voer uit.
mei woensdag 1
donderdag 2
vrijdag 3
zaterdag 4
zondag 5
maandag 6
dinsdag 7
woensdag 8
donderdag 9
vrijdag 10
zaterdag 11
zondag 12
maandag 13
dinsdag 14
woensdag 15
donderdag 16
vrijdag 17
zaterdag 18
zondag 19
maandag 20
dinsdag 21
woensdag 22
donderdag 23
vrijdag 24
zaterdag 25
zondag 26
maandag 27
dinsdag 28
woensdag 29
donderdag 30
vrijdag 31
hoeveel dagen telt de maand mei? 4
X
31
knip en plak de maanden in de jaarkring.
r
no ve
mbe
dece
Oefening 4 Geef elke leerling een strook van kopieerblad 9. Stel extra denkvragen bij de jaarkring. • Welke maand komt er na augustus? • Welke maand komt er voor maart? • Welke maand komt er na december?
vrijdag
7
hoeveel dagen zijn er in een week?
6
later
ari
Oefening 2 Geef een aantal opdrachten: • Welke dag is het vandaag? Kleur die dag rood. • Welke dag was het gisteren? Kleur die dag blauw. • Welke dag is het morgen? Kleur die dag geel.
teken de juiste pijl bij elke afbeelding.
1
janu
Oefening 1 Benoem de fasen van de levenslijn die op de afbeeldingen te zien zijn: de baby, het kind van de lagere school, de volwassene. Herhaal de begrippen het verleden, het heden en de toekomst.
m
ri
ua
br
be
fe
r
okto
rt
maa
ber
er
emb
sept
april s
tu
us
m
ei
juni
juli
g au
thema 4 – les 2: de tijd en kalenders
16
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
7
Verwerking in het werkschrift Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift.
Afronding Reflectie Houd een korte reflectie. • Wat wist je al over vroeger, nu en later voor deze les? • Wat was nieuw voor jou? • Kon je al met kalenders werken voor deze les? • Wat heb je bijgeleerd dat je nog niet kon? Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Blik vooruit naar de volgende les, waarin jullie de geschiedenis induiken. Werp samen al een eerste blik op de tijdband.
• •
Houd een korte reflectie. Koppel terug naar de lesdoelen en de leerroute. Werp alvast een eerste blik op de tijdband.
Samenvatting voor de leerling De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de samenvatting.
Samenvatting voor de leerling: les 2
Samenvatting voor de leerling: les 2
onthoud
vroeger
nu
later
no ve
be
fe
r
okto
rt
maa
ber
maandag
er
emb
onthoud
sept dinsdag
woensdag
apri
l
s
tu
donderdag
s gu
m
ei
zondag
© Uitgeverij VAN IN
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
juni
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
zaterdag
juli
au vrijdag
i
ar
u br
r
m
janu
de toekomst
mbe
het heden
dece
het verleden
ari
onthoud
© Uitgeverij VAN IN
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 2
17
100'
LES 3
Domein: Geschiedenis
De mens loopt rechtop Subdomein: Kennis van het verleden en kennis van geschiedenis
Les 3 van 9
Lesdoelen De leerlingen: • kunnen de ontwikkeling verwoorden van de mensachtige die rechtop loopt (MD 5.1.1); • kunnen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch plaatsen (MD 5.2.11); • kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling verklaren (MD 5.2.7); • kennen het verschil tussen een bron en een bewijs (MD 5.2.1).
Voorbereiding • •
De afbeeldingen van kopieerblad 1 kun je lamineren en doorheen de hele lessenreeks op de thematafel gebruiken. Kopieerblad 2 heb je nodig voor elke leerling.
Materiaal • • • •
werkschrift p. 8 en 9 kopieerblad 1 en 2 samenvatting voor de leerling tijdband
Woordenschat •
de prehistorie
• •
voor onze tijd onze tijd
• • •
eerst dan daarna
• • •
de mensachtige de evolutie rechtop lopen
• •
de bron (het fossiel, de beenderen, het werktuig) het bewijs
•
als ... dan
Deze begrippen worden herhaald: • • •
18
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
vroeger (het verleden) nu (het heden) later (de toekomst)
Achtergrondinformatie Wat is nieuw? In de kleuterschool leerden de leerlingen hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden. Ze leerden over het gebruik van vuur, jagen, voedsel verzamelen, werktuigen (steen en been), grot- en muurschilderingen. Ze weten dat mensen in een kleine groep samenleefden (een stam). In deze les bouw je daarop verder. De leerlingen maken nader kennis met het eerste historische tijdvak van de tijdband: de prehistorie. Ze leren dat het een periode is van heel lang geleden, voor onze tijd en nog voor er geschreven bronnen waren. De leerlingen werkten in de vorige les met de begrippen het verleden, het heden en de toekomst. Nu gaan ze voor het eerst zo ver terug in de tijd dat er nog geen schrift was. Dat maakt het onderscheid tussen heel lang geleden en lang geleden concreter. Daarnaast verdiepen de leerlingen hun inzicht in verandering doorheen de tijd aan de hand van de evolutie naar rechtop lopen van de mens. Ze maken kennis met het begrip ‘de evolutie’ als een geleidelijk proces dat zich over een zeer lange periode afspeelt. Daarbij wordt verder gebouwd op hun eerdere ervaringen met chronologie (eerst-dan-daarna), maar wordt dat nu explicieter gekoppeld aan een ontwikkelingsproces. We spreken zowel van de mensachtige als van de mens. In menselijke evolutie worden die begrippen als volgt gebruikt: de mensachtige is elke soort die voorafgaat aan de mensensoort (denk aan australopithecus, Lucy). De mensensoorten zijn alle soorten die beginnen met de geslachtsnaam 'homo', we spreken dus van mensensoort vanaf de Homo Habilis. Nieuw in deze les is ook de nadruk op de wisselwerking tussen de mens en de natuur. De leerlingen ontdekken dat de omgeving invloed heeft op hoe mensen leven en bewegen. Ze leren eenvoudige oorzaak-gevolgredeneringen toepassen in een historische context, iets wat aansluit bij eerdere ‘als … dan’denkpatronen uit andere thema’s. Een belangrijke kanttekening is dat de prehistorie een zeer lange periode is over de hele wereld. De natuur was lang niet overal hetzelfde en ook de mensachtigen en later mensensoorten verschillen naargelang de plaats en het klimaat. We kiezen er daarom voor om met de ontdekplaat de verschillende soorten klimaat te tonen zodat de leerlingen een zo volledig mogelijk beeld hebben. Tot slot maken de leerlingen kennis met historische bronnen uit de prehistorie en leren ze hoe we via die bronnen kennis verwerven over het verleden. Ze bouwen verder op hun eerste kennismaking met het begrip ‘de bron’ en zetten een volgende stap door het onderscheid te maken tussen een bron en een bewijs. Daarbij leren ze dat een bron informatie geeft, en dat een bewijs het resultaat is van wat we uit die bron kunnen afleiden.
Transferdoel taal De leerlingen: • kunnen verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis (MD 1.1.7).
Thematafel Richt de thematafel in rond het thema de menselijke evolutie. Voorzie visueel materiaal, zoals de afbeeldingen van kopieerblad 1, voorwerpen of replica’s die als bron of bewijs kunnen dienen (bv. werktuigen en fossielen). Het doel van de thematafel is dat de leerlingen op een laagdrempelige manier vertrouwd raken met de menselijke evolutie. Verzamel boeken die de nieuwsgierigheid van de leerlingen opwekken. •
Benoist, C. Groot weetjesboek over de prehistorie (2021). Pelckmans.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
19
Start Voorkennis activeren In het instapthema leerden de leerlingen in les 2 de spieren kennen. In thema 3 leerden de leerlingen het skelet en de wervelkom (ruggengraat) kennen. Speel in op die voorkennis. Laat de leerlingen ontdekken wat je allemaal nodig hebt om rechtop te lopen. Stel enkele vragen: • Hoe beweeg jij je meestal voort? (We gebruiken onze benen en onze voeten.) • Wat in je lichaam zorgt ervoor dat je kunt bewegen? (de spieren) • Wat in je lichaam zorgt ervoor dat je rechtop kunt zitten of staan? (het skelet, de wervelkolom) • Waarvoor gebruik je je handen? (iets vasthouden, oprapen …) • Stel je voor dat je je handen nodig hebt om te stappen. Wat kun je dan niet meer doen? (iets vasthouden, dragen …) • Waarom is het handig dat je handen vrij zijn? (om iets te dragen, vast te houden, mee te nemen …) Vandaag is rechtop lopen heel normaal. We denken daar niet meer over na, maar dat is niet altijd zo geweest. Heel lang geleden bewogen de eerste mensachtigen anders dan wij. Vandaag ontdek je hoe dat veranderd is en hoe mensen stap voor stap rechtop zijn gaan lopen. Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: In deze les leer je hoe mensachtigen heel lang geleden leerden om rechtop te lopen. Je leert daarbij wat een bron en een bewijs is en wat die ons kunnen leren over vroeger. Je leert ook een nieuw woord: ‘de evolutie’. Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor. • • •
Ik kan uitleggen waarom de mensachtige rechtop ging lopen. Ik ken het verschil tussen een bron en een bewijs. Ik kan veranderingen over een heel lange tijd in de juiste volgorde zetten.
In het kort • •
20
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
Activeer de voorkennis over rechtop lopen. Speel daarbij in op wat de leerlingen al weten uit de lessen wetenschap levende natuur. Formuleer het lesdoel.
Kern De prehistorie Toon de tijdband en laat de leerlingen kennismaken met het eerste tijdvak. Fris hun kennis uit de kleuterschool over de prehistorie op en gebruik daarbij de begrippen de prehistorie, voor onze tijd, heel lang geleden, vroeger en het verleden. Je kent vroeger (het verleden), nu (het heden) en later (de toekomst). In deze les gaan we heel ver terug in de tijd, naar vroeger, het verleden. We gaan zelfs naar een tijd van heel lang geleden, nog voor onze tijd. Toen waren er nog geen boeken, geen school en geen schrift. Het eerste vak dat je op onze tijdband ziet, is de prehistorie. De prehistorie is een periode uit het verleden, van heel lang geleden.
• •
• • •
Introduceer de prehistorie met behulp van de tijdband. Veranker de nieuwe begrippen ‘de prehistorie’ en ‘voor onze tijd’. Introduceer de ontdekplaat over de prehistorie en laat de leerlingen ontdekken waarom mensen rechtop gingen lopen. Laat de leerlingen zelf ervaren dat rechtop lopen makkelijker was. Leg een duidelijke link met de natuur en toon aan dat de eerste mensachtigen leefden van de natuur. Bekijk samen de ontdekking van Lucy. Gebruik Lucy als voorbeeld om de nieuwe begrippen de bron en het bewijs te verankeren. De leerlingen maken oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift.
Duid de prehistorie aan op de tijdband en duid daarna aan in welke tijd wij nu leven. De tijd waarin wij leven, nu (het heden) noem je onze tijd. Rechtop lopen Heel lang geleden zagen mensachtigen er een beetje anders uit dan wij. Doorheen een heel lange tijd veranderde het lichaam van de mens. Dat noem je de evolutie: wanneer levende wezens héél langzaam veranderen over een heel lange tijd. Een belangrijke verandering was dat de mensachtigen steeds meer rechtop gingen lopen. Dat gebeurde in de prehistorie. Herhaal dat de prehistorie heel lang geleden plaatsvond, in een tijd wanneer mensen nog niets over hun leven opschreven. Dat de eerste mensen rechtop gingen lopen, kunnen de leerlingen vanuit hun kennis uit de kleuterschool herkennen op de ontdekplaat over de prehistorie. De leerlingen weten vanuit de kleuterschool dat mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden. Ze denken daarbij aan rechtop lopen en relaties tussen mens, dier en plant. Toon de ontdekplaat over de prehistorie en stel de volgende vragen: • Wat/wie zie je op de prent? • Lijken de mensachtigen een beetje op ons? • Wat doen ze? Wat herken je? • Verandert er iets aan hun manier van bewegen? Laat de leerlingen voelen waarom rechtop lopen handig is. Geef verschillende beweegopdrachten: kruipen, gebogen wandelen, rechtop lopen … • Wat ging het makkelijkst? • Wanneer zag je het meest? Zet samen de verschillende mensachtigen in de juiste volgorde, van gebogen lopen naar rechtop lopen. Gebruik de begrippen eerst, dan en daarna om de chronologische volgorde duidelijk te maken. • Welke prent komt eerst, welke komt dan, welke komt daarna?
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
21
Mensachtigen gingen in de prehistorie vaker op een plek wonen waar bijna geen bomen of struiken stonden. Rechtop lopen kon hen dan helpen: het zorgde ervoor dat ze hun handen konden gebruiken en dus handiger werden. Door rechtop te lopen, konden ze ook beter rondkijken en zagen ze het gevaar beter aankomen. Herhaal de betekenis van het begrip de evolutie: Het verschil tussen de eerste en de laatste mensachtige op de afbeelding noemen we de evolutie: wanneer levende wezens heel langzaam veranderen over een heel lange tijd. De evolutie van de eerste mensachtige naar de mens nu duurde een heel lange tijd. Focus dan op het landschap van de ontdekplaat over de prehistorie. • Wat zie je in de natuur? (bos, open plek) • Welke gevaren zie je in het landschap? (wilde dieren) • Wat denk je dat beter lukt als de mensachtige rechtop loopt? (rondkijken, de wilde dieren zien) De natuur hielp mee kiezen hoe mensachtigen gingen lopen. Op een open plaats kon rechtop lopen hen helpen: zo konden ze verder kijken en gevaar zien aankomen. Door rechtop te gaan lopen, konden ze ook dingen dragen en hun handen gebruiken, waardoor ze leerden werken met werktuigen. Laat de leerlingen dat in ‘als … dan’-zinnen verwoorden: • Als je rechtop loopt, dan zie je gevaar beter aankomen. • Als je rechtop loopt, dan kun je iets dragen in je handen. • Als je rechtop loopt, dan kun je je handen gebruiken om mee te werken. De mens en de natuur Ontdek in een leergesprek hoe de mensachtigen in de prehistorie leefden in en met de natuur. Leg uit dat de natuur hen alles gaf wat ze nodig hadden om te overleven. Zorg ervoor dat de leerlingen de link begrijpen tussen de omgeving van de mensachtige en wat de natuur hen gaf. Toon de ontdekplaat over de prehistorie en vraag de leerlingen wat ze zien. Laat de leerlingen aanwijzen en vertellen. • Waar konden de mensachtigen eten vinden? (bomen, struiken, op de grond, in het water) • Waar konden de mensachtigen zich verstoppen of schuilen? (bomen, rotsen, grot) • Zag de natuur er overal hetzelfde uit? (Nee.) In de prehistorie leefden de mensachtigen midden in de natuur, want die gaf hen alles wat ze nodig hadden om in leven te blijven. Er waren nog geen huizen, geen winkels en geen boeren die op het land werkten zoals nu. De eerste mensachtigen leefden in de natuur, samen met de dieren en de planten. Ze gingen elke dag op zoek naar eten: ze verzamelden vruchten, noten en planten. Later begonnen mensen ook dieren te vangen en te jagen. Leg hier de link met wat de leerlingen leerden in de lessen levende natuur: mensen zijn alleseters. Ze eten dieren (vlees, vis) en planten (groenten, fruit, noten, kruiden …). Als er op een bepaalde plek geen eten meer was, trokken ze verder naar een andere plek. Ze konden de natuur niet veranderen zoals wij dat vandaag doen. Ze moesten goed kijken naar de natuur: waar groeien planten? Waar zijn er dieren? Wanneer is het op een bepaalde plek warm of koud? De natuur koos hoe zij leefden. Niet andersom. Daarom zeggen we: de eerste mensachtigen leefden samen met de natuur.
22
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
Bronnen uit de prehistorie Ontdek samen met de leerlingen dat we dat allemaal te weten zijn gekomen aan de hand van bronnen. Toon drie concrete voorbeelden vanop de thematafel: een afbeelding van een fossiel, van een werktuig en van jagende mensen. Leg duidelijk uit wanneer we iets als bron zien of gebruiken en wanneer iets geen bron is. Hoe weten we dat nu allemaal over de mensachtigen uit de prehistorie? Daarvoor gebruiken we hulpmiddelen: bronnen. Een bron leert ons iets over vroeger. Als je er goed naar kijkt, dan leer je iets bij. Een bron is iets dat ons helpt om meer te weten te komen over het verleden. Een bron kan een voorwerp, een foto of een verhaal zijn. Niet alles van vroeger is een bron. Het wordt pas een bron als we het gebruiken om iets over vroeger te leren. Een speelgoedauto is gewoon speelgoed als je ermee speelt, maar het wordt een bron als je de auto gaat onderzoeken om te weten hoe kinderen er vroeger mee speelden. Je stelt je de vraag: ‘Kan het mij iets vertellen over vroeger?’ Als het antwoord ja is, dan is het een bron. Stel bij elke bron dezelfde denkvragen. • Is die bron iets van vroeger? • Wat kan die bron ons vertellen over de prehistorie? Lucy: een bijzondere vondst uit Afrika Gebruik de bron Lucy om samen te oefenen op bronnenonderzoek. We bekijken zo meteen samen een bron. Wanneer je een bron bekijkt en zo veel mogelijk te weten wilt komen, dan noem je dat een bronnenonderzoek. Wetenschappers vonden heel lang geleden beenderen van een mensachtige die al rechtop kon lopen. Die mensachtige kreeg de naam Lucy. Lucy leefde heel lang geleden, zelfs nog vóór de eerste mensen er waren die eruitzien zoals wij nu. De beenderen van Lucy zijn een bron. Dankzij de beenderen en andere bronnen die gevonden zijn, konden er voorbeelden gemaakt worden van hoe de mensachtigen er heel lang geleden uitzagen. In een museum kun je naar zo’n voorbeeld kijken. Toon de afbeelding van Lucy en vraag: • Uit welke tijd komt deze bron, denk je? (de prehistorie) • Wat kan de bron ons vertellen over vroeger? (De mensachtige begon rechtop te lopen.) • Lijkt Lucy een beetje op ons? • Wat is er anders aan haar lichaam? (kleiner, armen en benen zijn langer) Bron of bewijs? Ga in op het verschil tussen een bron en een bewijs. Bekijk samen de thematafel en benoem wat de leerlingen herkennen. Overloop voor een aantal voorbeelden op de thematafel het verschil tussen een bron en een bewijs. Gebruik een afbeelding of een voorwerp als voorbeeld. Een bron vertelt ons iets over vroeger. Een bron gebruik je om iets te leren over het verleden. Een bewijs is wat je zeker weet nadat je de bron goed hebt bekeken. Het is het antwoord dat je vindt door de bron te bekijken. Een oude foto is bijvoorbeeld een bron. Als je op de foto ziet dat kinderen vroeger buiten speelden, dan weten we zeker dat kinderen dat vroeger deden. Dat is het bewijs.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
23
les 3
de mens loopt rechtop
Oefening 1 Herhaal de evolutie naar rechtop lopen. Grijp eventueel terug naar de afbeeldingen in de bordles. De leerlingen knippen de kaartjes van kopieerblad 2 uit en kleven ze in de juiste volgorde. • Wat komt er eerst? • Wat komt er dan? • Wat komt er daarna?
zet het rechtop lopen in de juiste volgorde. knip en plak.
1
eerst
daarna
dan
nu
trek een lijn van de afbeelding naar het juiste woord.
2
Oefening 2 Verwijs naar het belang van de natuur voor de eerste mensachtigen. Herhaal dat de mensachtigen samenleefden met de natuur. Kunnen de leerlingen daarvan een voorbeeld geven?
eten de grot
schuilen de vruchten
jagen de speer
8
Oefening 3 Verwijs naar de geleerde begrippen heel lang geleden en nu. Herhaal kort wat een bron is en wat een bewijs is. De leerlingen bekijken in duo de afbeeldingen en omcirkelen de afbeeldingen die voorbeelden zijn van een bron.
thema 4 – les 3: de mens loopt rechtop
3
omcirkel de bronnen. zijn het bronnen van heel lang geleden of van nu? kleur het juiste vak.
het fossiel heel lang geleden
de beenderen nu
heel lang geleden
nu
heel lang geleden
de tekening heel lang geleden
Oefening 4 Herhaal wie Lucy was en waarom zij een belangrijke bron is. Bekijk samen de afbeelding van Lucy in het werkschrift en herhaal dat het een nagemaakt voorbeeld is. Er werden beenderen van Lucy gevonden en met de informatie die daaruit gehaald werd, werd Lucy nagemaakt. Zo kan ze als voorbeeld in een museum staan.
4
nu
het werktuig nu
waar of niet waar? luister naar elke zin en kruis aan. lucy leeft in het heden. waar
X niet waar
lucy is een bron.
X waar
niet waar
lucy leert ons dat mensachtigen rechtop liepen.
X waar
niet waar thema 4 – les 3: de mens loopt rechtop
24
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
9
Verwerking in het werkschrift Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. Ze gaan daarna aan de slag met oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift.
Afronding Reflectie Houd een korte reflectie. • Wat wist je al uit de kleuterschool over de eerste mensachtigen? • Wat heb je vandaag bijgeleerd? • Wat vond je nog moeilijk? Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven?
Samenvatting voor de leerling
• •
Houd een korte reflectie. Koppel terug naar de lesdoelen en de leerroute.
Samenvatting voor de leerling: les 3
PREHISTORIE
OUDHEID
MIDDELEEUWEN
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD
De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de tijdband.
HEDENDAAGSE TIJD
onthoud
Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren. rechtop lopen
de mensachtige
de bron
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
© Uitgeverij VAN IN
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 3
25
75'
LES 4
Samenleven in de prehistorie
Domein: Geschiedenis
Subdomein: Kennis van het verleden en kennis van geschiedenis
Les 4 van 9
Lesdoelen De leerlingen: • kunnen voorbeelden geven van hoe men in de prehistorie leefde en samenleefde (MD 5.1.1); • kunnen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch plaatsen (MD 5.2.11); • illustreren continuïteit versus verandering tussen bestudeerde samenlevingen (MD 5.2.6); • kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de prehistorie noemen (MD 5.2.4).
Voorbereiding • •
Print de afbeelding bij het verhaal van Mammoetmoed van kopieerblad 1 eventueel op groot formaat. Je kunt de afbeelding ook in de bordles tonen. Kopieer voldoende exemplaren van kopieerblad 2, één voor elk groepje.
Materiaal • • • •
werkschrift p. 10 en 11 kopieerblad 1 en 2 samenvatting voor de leerling tijdband
Zelf te voorzien • één post-it per leerling
Woordenschat • • • •
samenleven de kleine groep de stam het vuur
•
de bron (het werktuig, het wapen, de muurschildering, de grotschildering)
Deze begrippen worden herhaald:
26
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
• • • •
de prehistorie voor onze tijd vroeger nu
•
de evolutie
Achtergrondinformatie Wat is nieuw? In de kleuterklas leerden de leerlingen wat het betekent om samen te leven in groep. Ze maakten kennis met eenvoudige tijdsbegrippen, zoals vroeger en lang geleden. In deze les bouw je daarop verder en diep je de kennis van de leerlingen verder uit met historisch taalgebruik en gerichte historische vaardigheden. Deze les focust op één centrale vraag: hoe leefden mensen in de prehistorie samen? Het accent ligt daarbij niet op alle aspecten van hun bestaan, maar specifiek op samenwerking, groepsleven en hoe we daar vandaag kennis over hebben. In de prehistorie leefden mensen niet alleen, maar in kleine groepen, die we ‘stammen’ noemen. Dat samenleven was geen keuze zoals vandaag, maar een noodzaak om te kunnen overleven. Individuen waren kwetsbaar in de natuur, maar in groep stonden ze sterker. Samen konden ze zich beschermen, voedsel delen en voor elkaar zorgen. Binnen zo’n stam ontstond een vorm van samenwerking en taakverdeling. Niet iedereen deed hetzelfde: sommige mensen namen bepaalde taken op zich, terwijl anderen andere verantwoordelijkheden hadden. Voor leerlingen is het belangrijk te begrijpen dat die samenwerking de basis vormde van het dagelijks leven. Het idee van ‘samen dingen doen, gaat makkelijker’ is dus historisch verankerd en geen vanzelfsprekend gegeven. Een stam was meer dan alleen een groep mensen die samenleefden. Het was een sociale gemeenschap waarin mensen afhankelijk waren van elkaar. Er was zorg voor kinderen, samenwerking tussen volwassenen en een gedeeld dagelijks leven. Voor leerlingen is het belangrijk om dat te herkennen als een vroege vorm van samenleving. Hoewel de context volledig anders is dan vandaag, zijn er ook herkenbare elementen, zoals samenleven in een groep, voor elkaar zorgen, taken verdelen. Dat helpt de leerlingen om een brug te maken tussen hun eigen leefwereld en die van mensen in de prehistorie. De les zet sterk in op het vergelijken van het leven in de prehistorie met het leven vandaag. De leerlingen ontdekken dat sommige dingen hetzelfde zijn gebleven (zoals samenleven met anderen). Ze ondervinden dat andere dingen sterk veranderd zijn (zoals onderwijs, technologie en levensstijl). Door die vergelijking leren ze dat het leven van mensen niet altijd hetzelfde is geweest, maar geleidelijk veranderd is doorheen de tijd. Dat wordt benoemd als evolutie: veranderingen die langzaam plaatsvinden over een lange periode.
Transferdoel taal De leerlingen: • kunnen informatie uit een tekst combineren om tot een logische conclusie te komen (MD 1.1.6).
Thematafel Bouw de thematafel verder op en bekijk welke voorwerpen en afbeeldingen je opnieuw kunt gebruiken uit de vorige les. Voorzie op de thematafel enkele replica's of foto’s die verwijzen naar het dagelijks leven in de prehistorie (stenen, hout, touw, botjes, vuursteen). Verzamel boeken die de nieuwsgierigheid van de leerlingen kunnen opwekken. •
Vaes, E. (2015) Mammoetmoed. Eva Vaes
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
27
Start Voorkennis activeren Gebruik de ontdekplaat over de prehistorie om de voorkennis over samenleven in een kleine groep te activeren. In de vorige les ontdekte je met de leerlingen hoe mensachtigen voor onze tijd in en samen met de natuur leefden. • • •
Wat doen de mensen die je ziet? (rechtop lopen, jagen, voedsel verzamelen …) Wat hebben ze nodig om te overleven in de natuur? (schuilplaats, voedsel, warmte …) Werken ze alleen of samen? (alleen)
Speel het denkspel ‘alleen of samen’. Lees de uitspraken voor en laat de leerlingen reageren. Als ze denken dat ze dit beter alleen kunnen, steken ze één vinger op. Denken ze dat ze het beter samen doen, dan steken ze de beide handen omhoog. • • • • •
Bessen plukken aan een kleine struik. (alleen) Veilig blijven voor wilde dieren. (samen) Vuur maken om warm te blijven. (samen) Water drinken uit de rivier. (alleen) Een groot dier vangen om op te eten. (samen)
Besluit samen met de leerlingen dat de eerste mensachtigen moesten samenwerken met elkaar en de natuur om te overleven. In de vorige les leerde je over de eerste mensachtigen. Die leerden rechtop lopen. Daardoor kwamen hun handen vrij. Met die handen konden ze dingen dragen, voedsel verzamelen, werktuigen maken en werktuigen gebruiken. De natuur gaf hen alles wat ze nodig hadden, maar in je eentje was het leven in de natuur moeilijk. Er waren wilde dieren, je moest alleen eten zoeken en je moest een veilige plek vinden om te slapen. Daarom leerden de mensachtigen dat samenleven veel makkelijker was. Ze leefden samen in kleine groepen. Zo’n groep noem je een stam. In deze les ontdek je hoe mensen in de prehistorie samenleefden in een stam. Wat deden ze samen? Hoe hielpen ze elkaar? En waarom was samenleven zo belangrijk om te overleven? Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: In deze les leer je hoe mensen voor onze tijd, in de prehistorie, samenleefden in een kleine groep of stam. Je leert dat ze samen jaagden en voedsel verzamelden, hoe ze ervoor zorgden dat ze veilig waren en welke wapens en werktuigen ze daarvoor gebruikten. Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor: • • •
28
Ik kan vertellen hoe de mensachtigen / de mensen in de prehistorie samenleefden. Ik ken het verschil tussen hoe mensen vroeger en nu samenleven. Ik kan voorbeelden geven van bronnen uit de prehistorie, zoals grotschilderingen en werktuigen.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
In het kort •
• •
Activeer de voorkennis over de prehistorie met behulp van de ontdekplaat over de prehistorie. Herhaal samen dat de eerste mensachtigen elkaar en de natuur nodig hadden om te overleven. Speel het denkspel ‘alleen of samen’. Formuleer het lesdoel.
Kern Samenleven in de stam Toon de ontdekplaat over de jagersverzamelaars. Bekijk met de leerlingen hoe mensen in de prehistorie samenleefden in een kleine groep of stam. • •
Wat of wie zie je op deze prent? (mensen, dieren, kamp, stam, jacht, visvangst …) Zien de mensen er anders uit dan de mensachtigen op de vorige ontdekplaat? (Ja, de mensen lopen allemaal rechtop en lijken meer op ons.)
Hier spreken we van ‘mensen’ en niet meer van ‘mensachtigen’. Die mensensoort leeft nog steeds. Wij zijn er allemaal voorbeelden van. • • • •
•
•
•
•
Bekijk hoe de eerste mensen samenleefden in de stam aan de hand van de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars. Ontdek wat ze deden, aten en welke voorwerpen ze gebruikten. Lees het verhaal van ‘N’ voor en laat de leerlingen ontdekken hoe een normale dag in de stam verliep. Stel enkele verdiepende vragen. Laat de leerlingen ontdekken hoe verschillend het leven van vroeger was met dat van nu. Gebruik daarvoor de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars. Verken met de leerlingen verschillende bronnen via een bronnenonderzoek. De leerlingen maken oefeningen 1 t.e.m. 5 in het werkschrift.
• Wat doen de mensen? (Ze werken samen tijdens verschillende activiteiten.) Wat gebruiken de mensen? (werktuigen, materialen uit de natuur, zoals takken, stenen …) Werken ze samen? (ja: jagen, voedsel verzamelen, dierenhuid bewerken, het vuur brandend houden, werktuigen maken, grotschildering maken) Waar wonen de mensen? (hutten of tenten)
De mensen in de prehistorie hadden nog geen huizen zoals wij. Ze leefden vaak in hutten of tenten van hout, takken en dierenhuiden. Mensen leefden toen vaak samen in kleine groepen. Zo’n groep noem je een stam. In een stam hielpen mensen elkaar. Iedereen had een eigen taak: jagen, voedsel zoeken, vuur maken of voor de kinderen zorgen. Zo konden ze samen overleven. Het verhaal van ‘N’ Vertel een stukje uit het verhaal van ‘N’, een jongen die leefde in de prehistorie. Het verhaal komt uit het boek Mammoetmoed. Je vindt het op kopieerblad 1. Toon de bijpassende afbeelding op het kopieerblad of op het bord. In het verhaal komt duidelijk naar voren hoe de mensen in een stam elkaar nodig hadden. Bespreek. • • • •
Waarom doet iedereen iets anders? (Ze verdelen de taken omdat dat makkelijker is en minder tijd kost. Op die manier krijgt iedereen wat hij/zij nodig heeft om te overleven.) Waarom mag N nog niet deelnemen aan alle taken? (Hij is nog te jong, ze willen hem beschermen.) Wat zou er gebeuren als iedereen zomaar vertrekt en zijn zin doet? (Overleven wordt dan heel moeilijk, de groep heeft elkaar nodig.) Wat zou er kunnen gebeuren als de stam niet samenwerkt? (geen eten, geen bescherming, niemand die voor de baby zorgt, het vuur dooft uit ...)
Het verhaal van ‘N’ leert je dat de mensen in de prehistorie elkaar nodig hadden. Iedereen had een andere taak en alleen door samen te werken konden ze overleven.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
29
Het leven vroeger en nu Ontdek met de leerlingen welke verschillen er zijn tussen vroeger en nu. Toon de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars en laat de leerlingen het leven van vroeger en dat van nu vergelijken door voorbeelden te geven. Noteer of teken op het bord. Kom tot deze vergelijking:
verschillend
hetzelfde • • • • • •
• • • •
samenleven in groep samen eten elkaar helpen voedsel nodig hebben warmte nodig hebben bescherming nodig hebben
• • • • •
andere huizen: vroeger leefde men in een tent en ging men schuilen in een grot. naar de winkel gaan om eten te kopen andere werktuigen naar school gaan een vuur maken om ons warm te houden of te beschermen
Wat is hetzelfde gebleven? (samenleven in een groep, samen eten, elkaar helpen …) Wat is veranderd? (Vroeger leefden ze in een tent/hut en nu leven we in huizen, we gaan naar een supermarkt voor ons eten, we gebruiken andere werktuigen …) Hoe leer jij dingen, en hoe leerden kinderen dat toen? (Wij leren op school, via boeken, bordboeken, een juf/meester. In de prehistorie leerden ze vooral via verhalen en kijken.) Wat zou jij missen als je in de prehistorie leefde?
Speel het spel ‘vroeger of nu’. Maak gebruik van het tijdkader dat in de klas hangt. Noem enkele situaties van vroeger en nu. De leerlingen gaan bij elke situatie bij de juiste pijl staan. • • • • • •
Een kind leert van zijn ouders hoe je vuur maakt om wilde dieren op afstand te houden. (vroeger) Een kind gaat naar school met een boekentas. (nu) Kinderen helpen voedsel zoeken in de natuur. (vroeger) Kinderen denken samen na over een rekenopdracht in hun werkschrift. (nu) Kinderen leren niet lezen en schrijven. (vroeger) Kinderen spelen samen op de tablet en proberen een missie te bereiken. (nu)
In de loop van een heel lange tijd veranderde het leven van mensen. Dat noemen we evolutie: dingen veranderen heel langzaam over een heel lange tijd.
30
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
Bronnenonderzoek Herhaal wat een bronnenonderzoek is. Je bekijkt zo meteen een bron. Je doet een bronnenonderzoek: je bekijkt de bron heel aandachtig en je probeert zo veel mogelijk te weten te komen. Verdeel de klas in groepen van drie of vier leerlingen. Geef elke groep een versie A of B van kopieerblad 2. De leerlingen onderzoeken de afbeeldingen van de bronnen. Bespreek het bronnenonderzoek dan klassikaal. De afbeeldingen van de bronnen verschijnen willekeurig op het bord. Stel telkens de begeleidende vraag. De groepen die de bron hebben bestudeerd, beantwoorden de vraag. • Wat zie je op de bron? (werktuig/wapen, speer, bijl; tekening, muurschildering, grotschildering) • Waarvoor werd de bron gebruikt? (wapen/werktuig: jagen, verdedigen; muurschildering/grotschildering: iets duidelijk maken, iets vertellen) Bespreek telkens klassikaal welke informatie de leerlingen uit de bron halen. Bron 1 (de speer): wapens maken Bron 2 (de bijl): werktuigen/wapens maken Bron 3 (de muurschildering): kunst maken, een boodschap doorgeven Bron 4 (de grotschildering): kunst maken, een boodschap doorgeven
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
31
les 4
samenleven in de prehistorie
Oefening 1 Lees elke zin voor en start telkens met ‘de mensen in de prehistorie’. De leerlingen kruisen de zinnen aan die waar zijn. Bespreek klassikaal na elke zin.
luister. welke uitspraak over de prehistorie is waar? kruis aan.
1
de mensen in de prehistorie …
X leefden samen in een stam X gebruikten vuur
X hielpen elkaar om te overleven deden allemaal hetzelfde werk
X jaagden en verzamelden voedsel
werkten alleen
X schuilden in grotten Oefening 2 Laat de leerlingen de afbeelding doorstrepen die niet hoort bij de betekenis van het woord ‘de stam’ in deze les. Leg uit dat een woord soms meer dan één betekenis kan hebben. Oefening 3 Lees de woorden voor en overloop met de leerlingen wat ze zien op de afbeeldingen. Laat de leerlingen de juiste cijfers bij de afbeeldingen schrijven. De leerlingen kunnen bij elke afbeelding meerdere cijfers schrijven. De eerste en tweede afbeelding zijn voorbeelden van bronnen, de illustratie is geen bron.
2
wat betekent de stam niet in deze les? streep door.
3
schrijf de juiste cijfers bij de afbeeldingen. 1 het werktuig
2 de stam
3 10
Oefening 4 Koppel terug naar het verhaal van ‘N’. Geef de instructie van deze oefening voor je het verhaal opnieuw voorleest. Zo weten de leerlingen waarnaar ze op zoek moeten gaan.
gingen naar school
3 de bron
4 samenleven
1, 3
2, 4
thema 4 – les 4: samenleven in de prehistorie
4
wat hoor je in het verhaal van ‘n’? omcirkel.
5
wat deden de mensen in de prehistorie samen? kruis aan.
Lees het verhaal dan nog een keer voor. Vraag aan de leerlingen wat ze herkennen of gehoord hebben in het verhaal. De leerlingen omcirkelen de afbeeldingen die passen bij het verhaal. Oefening 5 Toon de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars op het bord. Herhaal kort wat mensen in een stam samen deden. Laat de leerlingen aankruisen wat mensen in de prehistorie vaak samen deden. Maak duidelijk dat wij nu heel andere dingen samen doen, zoals naar de televisie kijken. Wat kunnen de leerlingen nog meer opnoemen dat wij vandaag samen doen?
X jagen
fietsen
X vuur maken
televisie kijken
X werktuigen maken
naar de bakker gaan
thema 4 – les 4: samenleven in de prehistorie
32
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
11
Verwerking in het werkschrift Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud goed hebben begrepen. De leerlingen gaan aan de slag met oefeningen 1 t.e.m. 5 in het werkschrift.
Afronding Reflectie Herhaal de startvraag van het thema: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? De leerlingen tekenen of schrijven elk één voorbeeld op dat ze onthouden hebben over samenleven in de prehistorie. Verzamel de post-its op een groot blad of op het bord. In deze les leerde je dat mensen vroeger in kleine groepen (stammen) leefden waar ze samenwerkten om te jagen, voedsel te verzamelen of een schuilplaats te zoeken. Je ontdekte het samenleven in de prehistorie dankzij verschillende bronnen, zoals werktuigen en grotschilderingen. Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Koppel ook terug naar de startvraag: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Lees klassikaal een aantal post-its voor.
• •
Samenvatting voor de leerling
De leerlingen noteren of tekenen op een post-it een voorbeeld over samenleven in de prehistorie. Koppel terug naar het lesdoel en de leerroute.
Samenvatting voor de leerling: les 4
OUDHEID
MIDDELEEUWEN
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD
PREHISTORIE
HEDENDAAGSE TIJD
onthoud
De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de tijdband. Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.
de stam en het vuur
het wapen: de speer
de grotschildering
het werktuig: de bijl
de muurschildering
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
© Uitgeverij VAN IN
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 4
33
100'
LES 5
Domein: Geschiedenis
Een boodschap doorgeven in de prehistorie Subdomein: Kennis van het verleden en kennis van geschiedenis
Les 5 van 9
Lesdoelen De leerlingen: • kunnen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch plaatsen (MD 5.2.11); • kunnen voorbeelden geven van hoe men in de prehistorie taal gebruikte en informatie doorgaf (MD 5.1.1); • kunnen continuïteit versus verandering illustreren tussen bestudeerde samenlevingen (MD 5.2.6).
Voorbereiding • • •
De afbeeldingen van kopieerblad 1 kun je lamineren en doorheen de hele lessenreeks op de thematafel gebruiken. De afbeeldingen van kopieerblad 2 kun je lamineren. Kopieer ze voor elk duo. De kaartjes van kopieerblad 3 kun je lamineren en uitknippen. Voorzie per duo één kaartje.
Materiaal • • • •
werkschrift p. 12 en 13 kopieerblad 1, 2 en 3 samenvatting voor de leerling tijdband
Woordenschat • • • •
de grotschildering de muurschildering de tekening het teken
•
spreken
Deze begrippen worden herhaald:
34
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
• • •
vroeger nu later
• •
de prehistorie de evolutie
• •
de stam het vuur
Achtergrondinformatie Wat is nieuw? De leerlingen leerden in de voorbije lessen over de eerste mensen die samenleefden in een stam en de taken verdeelden om te overleven in de natuur. In de prehistorie hadden de mensen nog geen ontwikkeld taalsysteem zoals wij dat vandaag kennen, en het schrift bestond nog niet. Toch hadden mensen al manieren nodig om met elkaar te communiceren. Dat deden ze met geluiden, gebaren, lichaamstaal en gezichtsuitdrukkingen. Communicatie was dus in sterke mate non-verbaal en contextgebonden. Veel boodschappen waren eenvoudig en direct gekoppeld aan de situatie. Voor de leerlingen is het belangrijk te begrijpen dat communicatie niet altijd uit woorden bestaat. Een belangrijke stap in de ontwikkeling van communicatie was het gebruik van beelden en tekeningen. In de prehistorie maakten mensen grotschilderingen en muurschilderingen om iets te vertellen of vast te leggen. Die schilderingen tonen vaak dieren, mensen, jachtscènes, handafdrukken en symbolen. Hoewel we niet exact weten wat elke afbeelding betekent, gaan onderzoekers ervan uit dat de tekeningen verschillende functies hadden, zoals iets vertellen aan anderen, herinneringen vastleggen en mogelijk ook rituele of symbolische betekenissen. Voor de leerlingen is het belangrijk te begrijpen dat het een vroege vorm van communicatie was: beelden die een boodschap overbrengen zonder woorden. Naast realistische tekeningen begonnen mensen ook symbolen en tekens te gebruiken. Die vormden een belangrijke stap richting het ontstaan van schrift. Niet alle symbolen zijn vandaag nog duidelijk te begrijpen. Wat voor mensen toen logisch was, is dat voor ons niet altijd meer. Een andere belangrijke manier van communiceren in de prehistorie was verhalen mondeling doorgeven. Mensen vertelden elkaar verhalen om informatie te delen, ervaringen door te geven en kennis te bewaren. Dat gebeurde vaak in groep, wanneer mensen samenkwamen. Omdat alles mondeling werd doorgegeven, konden verhalen veranderen doorheen de tijd. De kern van deze les ligt in het inzicht dat mensen altijd de behoefte hadden om te communiceren, maar dat de manier waarop dat gebeurt, verandert doorheen de tijd. We begrijpen het verleden via bronnen, maar kunnen nooit volledig zeker zijn. Daardoor leren de leerlingen dat communicatie een menselijke constante is, maar dat de vorm ervan sterk afhankelijk is van tijd en context. Wat met de moeilijke concepten? Deze les gaat over communiceren. Dat begrip hoeven de leerlingen niet te kennen. Gebruik in de les ‘een boodschap doorgeven’ als makkelijker alternatief. Het begrip 'communiceren' wordt in de volgende leerjaren verder verankerd. Je kunt het in de les wel al een aantal keer in de mond nemen, zodat de leerlingen er vertrouwd mee raken.
Transferdoel taal De leerlingen: • kunnen teksten of mondelinge informatie uit vakdisciplines samenvatten in korte zinnen (MD 1.2.10).
Thematafel Leg de afbeeldingen van de grotschilderingen en de muurschilderingen van kopieerblad 1 op de thematafel. Leg er eventueel materialen bij waarmee schilderingen gemaakt werden, zoals gekleurde stenen, houtskool en aarde.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
35
Start Voorkennis activeren Vroeger konden mensen nog niet schrijven of lezen en spraken ze nog niet zoals wij. Hoe lieten zij elkaar dan iets weten? Als je iets wilt duidelijk maken aan iemand anders, kan dat door te spreken, maar ook zonder woorden. Je kunt een boodschap ook doorgeven door te tekenen, te wijzen of met je gezicht of lichaam iets te tonen. Geef kleine opdrachten als voorbeelden van manieren om een boodschap door te geven. • Zeg niets, toon met je lichaam dat je honger hebt. • Zeg niets, toon dat je boos bent. • Maak een geluid om te tonen dat er gevaar is. • Wijs naar waar iemand moet lopen. • Teken hoe jij je voelt op dit moment. Hoe begreep je wat de anderen jou duidelijk willen maken? Met gebaren, klank en geluiden of misschien zelfs met tekeningen. Jullie konden elkaar begrijpen zonder woorden. Zo deden mensen in de prehistorie het ook. In de vorige les leerde je dat de eerste mensen samenleefden in een kleine groep of stam. Als je samenleeft, moet je elkaar ook iets kunnen duidelijk maken. Je moet kunnen tonen waar gevaar is, waar eten te vinden is of wat je samen gaat doen. In deze les ontdek je hoe mensen in de prehistorie elkaar iets duidelijk maakten. Gebruikten ze woorden, gebaren, tekens of tekeningen? Laat de leerlingen in duo’s werken. Start met de vraag: Hoe geven wij een boodschap door? Laat de leerlingen per twee vrij brainstormen. Vraag daarna om hun antwoorden te delen met de klas. Noteer enkele kernbegrippen op het bord, waaronder: taal, spreken, woorden, gebaren, de telefoon, een berichtje … Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: In deze les leer je hoe mensen vroeger een boodschap doorgaven. Je leert dat ze elkaar iets duidelijk maakten met geluiden, gebaren, tekens en tekeningen. Je vertelt wat het verschil is met hoe wij vandaag boodschappen doorgeven. Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor. •
• •
Ik kan vertellen hoe de mensachtigen / de mensen in de prehistorie elkaar een boodschap doorgaven met geluiden, gebaren, tekens en tekeningen. Ik kan dingen in de juiste volgorde zetten (vroeger, nu, later). Ik kan zeggen hoe mensen vroeger en nu elkaar een boodschap doorgeven.
In het kort •
•
36
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
Activeer de voorkennis over hoe je boodschappen kunt doorgeven. Laat de leerlingen ervaren hoe je een boodschap kunt doorgeven zonder woorden. Formuleer het lesdoel.
Kern Evolutie Gebruik het tijdskader. Toon de afbeeldingen van de voorwerpen op het bord waarbij mensen een boodschap doorgeven (communiceren). Plaats samen met de leerlingen de afbeeldingen bij vroeger of nu. Bekijk de delen van het tijdskader: vroeger, nu, later. Kijk goed naar elke afbeelding. Denk na: hoort ze bij vroeger of nu? • • •
Wat zie je op deze afbeeldingen? (oude telefoon, brief schrijven met een veer, smartphone, videochat) Welke afbeeldingen horen bij vroeger? (telefoon, brief) Welke afbeeldingen horen bij nu? (smartphone, videochat)
• •
•
• • •
Gebruik het tijdskader om de evolutie van communicatie van vroeger tot nu duidelijk te maken. Oefen met verschillende voorbeelden van grot- en muurschilderingen van kopieerblad 1. Gebruik de afbeeldingen in de bordles als voorbeelden van bronnen. Introduceer de grotschilderingen van Lascaux aan de hand van de afbeeldingen van kopieerblad 2 en toon het filmpje van de virtuele toer. Oefen met de tekens en tekeningen van kopieerblad 3 als een manier om informatie door te geven. Introduceer het concept van verhalen vertellen rond het vuur. De leerlingen maken oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift.
Mensen hebben altijd al iets te vertellen gehad. Maar de manier waarop ze dat deden, veranderde doorheen de tijd. Dat noem je evolutie: dingen veranderen heel langzaam over een heel lange tijd. Sommige dingen blijven hetzelfde, zoals verhalen vertellen en samenwerken. Maar de manier waarop we een boodschap doorgeven, is veranderd. Grotschilderingen en muurschilderingen Toon het tafereel van de grotschildering in de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars. • Wat zie je? (Iemand tekent op de wand van de grot.) • Wat tekent die mens? (dieren, mensen, handen, krullen) • Waarom doet die mens dat? (Ze wil iets vertellen of duidelijk maken.) Verzamel de leerlingen rond de thematafel en toon de afbeeldingen van kopieerblad 1. Je kunt de afbeeldingen ook op het bord tonen. De leerlingen vertellen wat ze herkennen. • Wat wilden de mensen uit de prehistorie aan anderen vertellen met hun tekeningen? (dieren, jacht, dat ze op die plek zijn geweest) • Wat gebruikten de mensen in de prehistorie om iets aan anderen te vertellen? (tekens, tekeningen, symbolen, kleuren) Mensen konden in de prehistorie nog niet schrijven. Daarom maakten ze tekeningen om iets te vertellen aan anderen. Dat is een voorbeeld van een boodschap doorgeven (communiceren) zonder woorden. Toon drie afbeeldingen van grotschilderingen op het bord. In de prehistorie tekenden mensen op de wanden van grotten en op muren om elkaar iets te laten weten. Zo’n tekening noem je een grotschildering of een muurschildering. In de vorige les leerde je wat een bron is. Muurschilderingen en grotschilderingen zijn ook bronnen, net als beenderen en werktuigen. Ze leren ons iets over hoe mensen leefden in de prehistorie. Op deze afbeeldingen zie je voorbeelden van grotschilderingen. • • •
Wat zie je? (handafdrukken, hert, jager, bizon) Wat leren de tekeningen met de dieren je over de mensen in de prehistorie? (Ze gingen jagen.) Waarom denk je dat de tekening met de handafdrukken is gemaakt? (als versiering, omdat ze het mooi vonden, om te tonen dat ze in de grot geweest zijn)
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
37
De grotten van Lascaux Je ontdekte dat de mensen uit de prehistorie iets wilden vertellen met hun grotschilderingen. Nu bekijk je bronnen die gevonden zijn in een van de bekendste grotten uit de prehistorie: de grotten van Lascaux. Die grotten werden gevonden in Frankrijk. Gebruik een wereldbol of een wereldkaart om Frankrijk te situeren.
Tip! Werk je ook met Taaltoer? Koppel dan terug naar het verhaal over de grotten van Lascaux. In het verhaal vindt een aantal kinderen per ongeluk de grotten. Ze vertellen hun leerkracht over de bijzondere vondst waarna hun ontdekking in de krant komt te staan. Dat verhaal komt overeen met hoe het echt is gebeurd.
Verdeel de klas in groepjes van drie tot vier leerlingen. Geef elke groep een exemplaar van kopieerblad 2. Vraag om de volgende zaken te zoeken en in een bepaalde kleur te omcirkelen op de afbeeldingen. • Omcirkel één mens in het rood. • Omcirkel een dier dat op een koe lijkt in het blauw. • Omcirkel een dier dat op een hert lijkt in het groen. • Omcirkel iets dat je niet kent in het geel. Bespreek wat de leerlingen niet herkennen. Wat zou het kunnen zijn? Besluit samen: We begrijpen niet elke boodschap uit de prehistorie, maar door deze bronnen weten we dat de mensen in de prehistorie elkaar ook al iets wilden laten weten of boodschappen wilden doorgeven. Bekijk samen het filmpje van een virtuele toer in de grotten van Lascaux. Geheime boodschappen Ontdek met de leerlingen hoe mensen in de prehistorie tekens en tekeningen gebruikten om een boodschap door te geven. Gebruik de boodschappenkaartjes van kopieerblad 3. Op de kaartjes staan boodschappen zonder woorden, maar uitgedrukt met tekeningen. Benadruk dat de tekens voorbeelden zijn en het dus niet dezelfde tekens zijn die in de prehistorie gebruikt werden. In de prehistorie konden mensen nog niet schrijven zoals wij nu doen. Toch wilden ze dingen aan elkaar vertellen. Daarom gebruikten ze tekens en tekeningen om een boodschap door te geven. Een tekening lijkt op iets dat je in het echt kunt zien. Een tekening van een mammoet bijvoorbeeld lijkt op een echt dier. Een teken is eenvoudiger en staat symbool voor iets. Bijvoorbeeld: een pijl kan tonen welke richting je moet volgen, een duim omhoog betekent ‘goed gedaan’. Op de kaartjes zien jullie verschillende tekens en tekeningen. Die zijn speciaal gemaakt om te oefenen. Het zijn dus niet precies dezelfde tekens en tekeningen als vroeger, maar ze helpen ons begrijpen hoe mensen in de prehistorie boodschappen doorgaven zonder woorden. Verdeel de leerlingen in duo’s. Geef ieder duo een kaartje met een boodschap. De leerlingen bespreken samen en raden de boodschap. Elk groepje deelt hun idee. • Hoe heb je de boodschap gevonden? • Hielpen de tekens of tekeningen? • Waarom gebruikten mensen vroeger tekens en tekeningen in plaats van woorden? (Ze hadden nog geen taal of schrift. Ze konden waarschijnlijk niet lezen of schrijven.)
38
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
1. Vang een vis. 2. Verzamel bessen in het bos. 3. Maak een vuur om warm te blijven. 4. Let op, een leeuw. Sommige vormen (bijvoorbeeld handen of dieren), zijn wel herkenbaar voor ons, maar naar de betekenis van andere tekeningen kunnen we enkel raden. Vroeger maakten mensen tekeningen, later begonnen ze tekens te gebruiken en daarna woorden. Dat noemen we evolutie: dingen veranderen langzaam doorheen de tijd. Vandaag gebruiken mensen woorden om iets te vertellen, maar ze tekenen ook nog altijd. Verhalen vertellen Ga met de leerlingen in een kring zitten. Laat hen ervaren hoe een boodschap of een verhaal kan veranderen als je het meerdere keren vertelt. Fluister een korte boodschap in het oor van de eerste leerling: Er zit een mooie, grote vos bij de lange rivier. Hij heeft een rode vacht en het puntje van zijn staart is zwart. Elke leerling fluistert de boodschap in het oor van de volgende leerling, tot de boodschap terug bij jou komt. Vergelijk de aangekomen boodschap met de originele boodschap. • Wat gebeurde er met de boodschap? Is ze hetzelfde gebleven? • Welke woorden zijn anders of verdwenen? • Was de boodschap nog duidelijk op het einde? Toon op het bord de verschillende afbeeldingen waarop mensen rond het vuur te zien zijn. In de prehistorie was het heel gewoon dat verhalen werden doorverteld. De verhalen werden vaak verteld wanneer de stam samenkwam rond het vuur. De mensen luisterden en leerden van elkaar. Maar wanneer een verhaal of boodschap vaak wordt doorverteld, kunnen woorden veranderen of vergeten worden.
Tip! Werk je ook met Taaltoer? Vertel dan een stukje uit het verhaalboek ‘De schat in de grot’ en toon de prenten. Wat herkennen de leerlingen? (grotschilderingen, de grotten van Lascaux, jacht, dieren ...) Wat is nieuw?
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
39
les 5
een boodschap doorgeven in de prehistorie
Oefening 1 Geef extra uitleg bij een verhaal vertellen en de brief, omdat die zowel bij vroeger als nu horen. • Vroeger vertelde men verhalen over de stam rond het vuur. Nu vertellen we elkaar nog steeds verhalen. Aan welke verhalen die we vandaag vertellen denk jij? • Een brief schrijven is iets van vroeger en van nu. Vroeger schreef men veel meer brieven dan nu. Waarom zou dat zijn?
hoort dit bij vroeger of nu? kleur het juiste vak.
1
spreken langs de computer vroeger
de muurschildering vroeger
12
Oefening 2 Lees de woorden voor. De leerlingen lezen mee.
nu
de smartphone
nu
vroeger
nu
vroeger
de brief vroeger
een verhaal vertellen vroeger
nu
nu
de telefoon met draaischijf nu
thema 4 – les 5: een boodschap doorgeven in de prehistorie
2
wat hoort samen? trek een lijn.
de boodschap
het teken
de tekening
Oefening 3 Geef de instructie van de oefening voordat je met de leerlingen opnieuw naar de virtuele toer kijkt. Laat de leerlingen alle voorbeelden omcirkelen die ze in het filmpje over de grotten van Lascaux hebben gezien. Op de bovenste rij zien ze voorbeelden van tekeningen, op de onderste rij voorbeelden van tekens.
3
wat zag je in het filmpje? omcirkel.
de bizon
de oeros
het paard
de mammoet
de spiraal
de lijnen
de cirkel
de hand
thema 4 – les 5: een boodschap doorgeven in de prehistorie
40
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
13
Verwerking in het werkschrift Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud begrepen hebben. De leerlingen maken oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift.
Afronding Reflectie Houd een korte reflectie. • Wat wist je al over muurschilderingen en grotschilderingen uit de kleuterschool? • Wat heb je vandaag bijgeleerd? • Wat vond je nog moeilijk? Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven?
Samenvatting voor de leerling
• •
Houd een korte reflectie. Koppel terug naar de lesdoelen en de leerroute.
Samenvatting voor de leerling: les 5
OUDHEID
MIDDELEEUWEN
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD
PREHISTORIE
HEDENDAAGSE TIJD
onthoud
De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de tijdband. Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.
de tekening
de grotschildering
het teken
de muurschildering
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
© Uitgeverij VAN IN
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 5
41
100'
LES 6
Domein: Geschiedenis
Wonen in de prehistorie Subdomein: Kennis van het verleden en kennis van geschiedenis
Les 6 van 9
Lesdoelen De leerlingen: • plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch (MD 5.2.11); • kunnen verwoorden hoe de mensachtige / de mens in de prehistorie woonde en wat eigenschappen van de woning waren (MD 5.1.1); • illustreren continuïteit versus verandering tussen bestudeerde samenlevingen (MD 5.2.6); • weten dat we dankzij historische plekken zoals Çatalhöyük veel over de prehistorische samenleving te weten zijn gekomen (MD 5.1.1).
Voorbereiding • •
Lamineer de afbeeldingen van kopieerblad 1. Lees voor de les het verhaal Een nieuwe thuis van kopieerblad 2.
Materiaal • • • •
werkschrift p. 14 en 15 kopieerblad 1 en 2 samenvatting voor de leerling tijdband
Zelf te voorzien • wisbordjes
42
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
Woordenschat • • • • •
wonen de woning de hut de tent Çatalhöyük
Deze begrippen worden herhaald: • • •
de prehistorie vroeger nu
• • •
samenleven de stam (de kleine groep) het vuur
• •
de grotschildering de muurschildering
Achtergrondinformatie Wat is nieuw? In de prehistorie leefden de eerste menssoorten als jagers-verzamelaars en hadden ze geen vaste woonplaats. Ze trokken rond op zoek naar voedsel, water en veiligheid. Daardoor waren hun woonplaatsen tijdelijk en eenvoudig. De mensen maakten gebruik van wat de natuur hen bood: grotten dienden als natuurlijke schuilplaatsen. Hutten en tenten werden gezien als woningen, ook al waren ze niet duurzaam of permanent. Ze werden opgebouwd uit takken, bladeren, dierenhuid en beenderen. In de kleuterschool hebben de leerlingen geleerd dat de mensen in de prehistorie in een kleine groep (de stam) leefden. Het gebruik van vuur is hen ook bekend. In de vorige les ging je dieper in op het leven in een kleine groep (de stam). Samenleven gebeurde in kleine groepen (stammen). Binnen zo’n groep woonden de mensen dicht bij elkaar en was er een sterke afhankelijkheid van elkaar voor bescherming en overleving. Wonen stond dus niet los van leven, maar was rechtstreeks verbonden met overleven in een natuurlijke omgeving. Het vuur speelde een centrale rol. Het zorgde voor warmte, licht en bescherming tegen wilde dieren en maakte het mogelijk om voedsel te bereiden. Het gebruik van vuur betekende een belangrijke stap in de menselijke ontwikkeling en beïnvloedde zowel het dagelijks leven als de organisatie van de leefruimte. Het vuur kreeg een vaste en centrale plaats binnen de leefplaats, waardoor ook andere activiteiten errond georganiseerd werden. Plaatsen om te slapen, voedsel te bereiden, werktuigen te maken of samen te komen bevonden zich vaak dicht bij het vuur. Het vuur bepaalde dus mee hoe de leefruimte werd ingericht en gebruikt. Na verloop van tijd veranderde de manier van wonen door het veranderde klimaat. Het was niet meer nodig om rond te trekken. Mensen gingen zich geleidelijk vestigen op één plaats, wat leidde tot de eerste dorpen. Çatalhöyük (in het zuiden van het huidige Turkije) is een belangrijk voorbeeld van zo’n vroege nederzetting. Daar woonden de mensen in eenvoudige huizen die dicht tegen elkaar gebouwd waren. Dat wijst op een meer georganiseerde samenleving waarin mensen niet langer rondtrokken, maar samenleefden op een vaste plek. Archeologische vondsten uit die nederzetting, zoals woningen, gebruiksvoorwerpen en beeldjes (zoals de ‘Zittende vrouw van Çatalhöyük’), geven ons inzicht in het leven van de mensen. Dat soort vondsten worden bronnen genoemd: ze helpen ons te begrijpen hoe mensen vroeger leefden, woonden en dachten. Het beeldje toont onder andere dat mensen materialen zoals klei konden bewerken en dat er aandacht was voor symboliek of expressie.
Transferdoel taal De leerlingen: • kunnen verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis (MD KO 1.2.18).
Thematafel Voorzie materialen zoals een steen, takken, vacht (stof) en touw. Leg de gelamineerde afbeeldingen van kopieerblad 1 op de thematafel. Hergebruik de afbeeldingen uit de vorige lessen.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
43
Start Voorkennis activeren Toon de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars om de voorkennis over de begrippen wonen, de woning, de hut en de tent te activeren. Gebruik het denk-duo-deel-principe. De leerlingen denken eerst individueel na, daarna bespreken ze in duo’s. Als laatste delen ze hun antwoorden met de klas. Pas dat principe drie keer toe, telkens met een andere vraag. • • •
Wat gebruikten de eerste mensen om te schuilen? (Een grot om kort te schuilen, niet om te wonen.) Wat gebruikten de mensen uit de natuur om hun schuilplaats mee te bouwen? (takken, bladeren, dierenhuid) Welke materialen herken je op de ontdekplaat?
Heel lang geleden leefden de eerste mensen in de natuur. Vanaf de ontdekking van het vuur gebruikten de eerste mensen een grot om te schuilen. Zo hadden ze licht en konden ze aan het begin van de grot vuur maken om roofdieren weg te houden. Sommige mensen hebben nooit in grotten geschuild. Zij zochten schuilplaatsen in de natuur zelf, bijvoorbeeld onder bomen. Later leerden de mensen steeds beter nadenken en hadden ze werktuigen. Ze gebruikten hout, takken, bladeren en dierenhuiden om zelf hutten en tenten te bouwen. Zo moesten ze niet altijd een grot zoeken. De mensen veranderden dus stap voor stap: eerst schuilden ze vaak in grotten, daarna maakten ze zelf tenten en later hutten. De verandering van schuilen in een grot naar een hut of tent is ook een voorbeeld van evolutie: over een heel lange tijd verandert iets heel langzaam. Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: In deze les leer je hoe mensen vroeger woonden. Je leert dat de eerste mensen de natuur gebruikten om een schuilplaats te vinden of een woning te bouwen. Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor. • •
Ik kan vertellen hoe de mensachtigen / de mensen in de prehistorie woonden en hoe hun woningen eruitzagen. Ik kan vertellen wat hetzelfde was en wat anders is tussen vroeger en nu op het vlak van wonen.
In het kort •
•
44
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
Activeer de voorkennis over woningen in de prehistorie met behulp van de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars, aan de hand van het denk-duo-deel-principe. Formuleer het lesdoel.
Kern Woningen van vroeger en nu Gebruik het tijdskader. Toon de afbeeldingen van de verschillende woningen op het bord. De leerlingen gebruiken de pijlen van het tijdskader: ze tekenen op hun wisbordje een pijl naar beneden als het een woning/schuilplaats van nu is en een pijl naar links als het een woning/ schuilplaats van vroeger is. 1. Grot met mensen aan het vuur (vroeger) 2. Appartement (nu) 3. Huis met ramen, deur en bel (nu) 4. Hut van takken en dierenhuiden (vroeger) 5. Rijhuis (nu)
• • • • •
Gebruik het tijdskader om verschillende woningen te ordenen bij vroeger of nu. Onderzoek de verschillende woningen uit de prehistorie. Vergelijk aan de hand van het voorleesverhaal van kopieerblad 2. Toon de overgang van grotten, hutten en tenten naar huizen via de gevonden bronnen uit Çatalhöyük. Oefen met bronnen. Gebruik de ‘Zittende vrouw van Çatalhöyük’ als voorbeeld. De leerlingen maken oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift.
De mensen van vroeger leefden niet zoals wij nu. In het begin schuilden mensen in de natuur. Later leerden ze hutten en tenten maken van takken, bladeren en dierenhuiden. Nog later bouwden mensen stevige huizen van stenen en hout. Door de evolutie van mensachtige naar mens werden mensen handiger en slimmer. Ze werden ook beter in het bouwen van woningen. Wonen in de prehistorie Onderzoek met de leerlingen de verschillende soorten woningen in de prehistorie. Toon de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars. Benadruk het samenleven waar mogelijk. • Waren de mensen alleen of samen? (samen) Introduceer het verhaal Een nieuwe thuis. Lees het verhaal van kopieerblad 2 voor. Toon de twee illustraties tijdens het voorlezen. • • • • •
In welke soort woning wonen de mensen uit het verhaal? (hut) Wat kom je in het verhaal te weten over die woning? (Ze wonen in een hut die gebouwd is van takken, dierenhuid en gras/stro. De hutten zijn klein, waterdicht en er is een deuropening.) Waarom zoeken ze een nieuwe plek om te wonen? (Ze zoeken een plek waar voedsel en water is en waar het veilig is.) Zijn ze alleen of samen? (samen, leven in een stam) Waarom is het vuur heel belangrijk? (warmte, licht, koken, bescherming)
Toon de afbeeldingen van de grot en de tent op het bord. De leerlingen vertellen wat ze zien. • Welke verschillen zie je? • Zijn dit allebei voorbeelden van een woning? (Nee, een grot is een schuilplaats en geen woning.) • Hoe helpt de natuur hen om een schuilplaats te vinden. (Een grot kun je terugvinden in de natuur, zo zorgt de natuur voor schuilplaatsen.) De mensen in de prehistorie trokken rond en woonden niet op één vaste plek. Ze leefden samen in een groep. Zo’n groep noemen we een stam.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
45
les 6
wonen in de prehistorie
Oefening 1 Bekijk samen de afbeelding. Herhaal nogmaals het verschil tussen een grot die diende als schuilplaats vanaf de ontdekking van het vuur, en een tent/hut die diende als woning. Laat de leerlingen alle woorden kleuren die passen bij een grot of die ze herkennen in de afbeelding. Leg ook de link naar de vorige les met het begrip grotschildering.
bekijk de afbeelding van de grot. kleur alles wat met de grot te maken heeft.
1
wonen
schuilen
jagen
werktuigen maken
de grotschildering
voedsel verzamelen
Oefening 2 Bekijk de bron samen en vraag bij elke zin wat de juiste aanvulling is. Lees telkens het begin van de zin voor. De leerlingen doorstrepen het foute antwoord.
14
Oefening 3 Overloop de verschillende afbeeldingen. De leerlingen omcirkelen alles wat de mensen gebruikten uit de natuur om hun woningen te bouwen. Leg de nadruk op wat de eerste mensen allemaal gebruikten uit de natuur.
wat is fout? streep door.
2
de bron is van
vroeger
nu
de bron is een
grotschildering
muurschildering
de bron werd gemaakt om
iets te vertellen
van te leven
thema 4 – les 6: wonen in de prehistorie
3
met welke materialen bouwden ze woningen in de prehistorie? omcirkel.
de tak
de steen
het blad
de dierenhuid
het glas de dakpan
het been
het stro
thema 4 – les 6: wonen in de prehistorie
46
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
15
Van grot, hut of tent naar huis Toon aan dat de mens evolueerde van rondtrekken en leven in tenten en hutten naar een vaste verblijfplaats. Çatalhöyük is een mooi bewaarde site van een van de eerste vaste verblijfplaatsen waar mensen in een grote groep samenleefden. Toon de afbeeldingen van Çatalhöyük. Je ziet rechts op het bord een afbeelding van de bron die gevonden is op de plaats in Çatalhöyük. Een bron leert ons iets over vroeger. Als je er goed naar kijkt, dan leer je iets bij. Een bron is iets dat je helpt om meer te weten te komen over het verleden. Naast de afbeelding van de bron zie je links een voorbeeld van hoe wij denken dat het er vroeger uitzag door bronnen te onderzoeken. Het voorbeeld werd nagemaakt met wat we weten door de bronnen. • Wat valt je op aan de woningen? (Ze zijn klein en staan heel dicht bij elkaar.) • Hoe zie je dat de mensen op een bepaalde plaats bleven wonen? (Ze bouwden woningen uit andere materialen, zoals steen.) • Lijken de woningen meer of minder op die van ons dan de tenten en hutten? (De woningen lijken meer op die van ons omdat het al huizen zijn met kamers, een dak …) Het is een plek van heel lang geleden, Çatalhöyük. Daar woonden mensen niet meer in tenten of hutten, maar in kleine huizen dicht bij elkaar. De mensen bleven op één plek wonen. Ze trokken niet meer rond en woonden samen in een groot dorp. De ‘Zittende vrouw van Çatalhöyük’ Toon de afbeelding op het bord. Dit beeld heet ‘Zittende vrouw van Çatalhöyük’. Het is gemaakt van klei. Archeologen denken dat het belangrijk was voor de mensen van toen. Archeologen zijn mensen die op zoek gaan naar allerlei bronnen uit het verleden. Dit beeld vertelt ons dat mensen met klei konden werken en dat ze tijd maakten voor kunst. De ‘Zittende vrouw van Çatalhöyük’ is één voorbeeld van een bron die gevonden werd in Çatalhöyük. Er zijn nog honderden beenderen, gereedschappen, potten en muurschilderingen gevonden. Daarom is het een belangrijke plaats. Doordat mensen op één plaats bleven wonen, leerden ze elkaar beter helpen. Ze deelden eten, maakten samen spullen en zorgden samen voor het dorp. De mensen ontdekten ook steeds meer nieuwe dingen die ze konden maken of doen. Ze maakten potten om eten in te bewaren, versierden muren met tekeningen en maakten beeldjes uit klei. Verwerking in het werkschrift Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud begrepen hebben. De leerlingen maken oefeningen 1, 2 en 3 in het werkschrift.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
47
Samenvatting voor de leerling
Samenvatting voor de leerling: les 6
OUDHEID
MIDDELEEUWEN
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD
PREHISTORIE
HEDENDAAGSE TIJD
onthoud
De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de tijdband. Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren.
de tent
de hut
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
48
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
© Uitgeverij VAN IN
Afronding Reflectie Houd een korte reflectie. • Wat wist je al over de eerste woningen in de prehistorie uit de kleuterschool? • Wat heb je vandaag bijgeleerd? • Waar zou je meer over willen leren? Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven?
• •
Houd een korte reflectie. Koppel terug naar de lesdoelen en de leerroute.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 6
49
50'
LES 7
Domein: Geschiedenis
Voeding in de prehistorie Subdomein: Kennis van het verleden en van geschiedenis
Les 7 van 9
Lesdoelen De leerlingen: • kunnen verwoorden hoe de mensachtigen / de mensen in de prehistorie op jacht gingen en voedsel verzamelden (MD 5.1.1); • kunnen verwoorden hoe de maaltijd van de mensachtige / de mens in de prehistorie eruitzag (MD 5.1.1); • plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch (MD 5.2.11); • illustreren continuïteit versus verandering tussen bestudeerde samenlevingen (MD 5.2.6).
Voorbereiding • • •
De afbeeldingen van kopieerblad 1 kun je lamineren en doorheen de hele lessenreeks op de thematafel gebruiken. Kopieerblad 2 heb je nodig voor elke groep. Voorzie per duo een set pictogrammen van kopieerblad 3.
Materiaal • • • •
werkschrift p. 16 en 17 kopieerblad 1 t.e.m. 4 samenvatting voor de leerling tijdband
Woordenschat •
de voeding, het voedsel
• • • • •
de vuursteen het been de steen het hout het werktuig / het wapen (het mes, de speer, de bijl)
Deze begrippen worden herhaald:
50
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
• • •
de prehistorie vroeger nu
• • •
jagen verzamelen het vuur
Achtergrondinformatie Wat is nieuw? In de kleuterklas leerden de leerlingen dat de mensen in de prehistorie vuur gebruikten om eten te bereiden. Ze leerden hoe mensen in de prehistorie op jacht gingen, voedsel verzamelden en hoe ze werktuigen en wapens gebruikten om vlees te bewerken en te jagen. In de vorige les leerden de leerlingen hoe mensen in de prehistorie aan voedsel kwamen. In deze les bouw je daarop verder. In de prehistorie leefden mensen als jagers-verzamelaars, wat betekent dat ze volledig afhankelijk waren van de natuur. Er was nog geen landbouw of veeteelt, waardoor voedsel niet geproduceerd, maar gezocht moest worden. Dat gebeurde op twee manieren: verzamelen en jagen. Verzamelen hield in dat mensen eetbare planten, vruchten, aas, noten en zaden zochten in hun omgeving. Dat was relatief veilig, maar het voedsel dat ze zo verzamelden, was niet altijd voldoende om van te leven. Jagen was noodzakelijk om aan energierijk voedsel te komen, zoals vlees, maar het was gevaarlijker en het vereiste meer vaardigheden. Mensen moesten sporen van dieren herkennen, stil bewegen en vaak samenwerken om een dier te kunnen vangen. Dat toont aan dat jagen niet alleen fysieke kracht, maar ook inzicht en samenwerking vereiste. Bij de jacht maakten mensen gebruik van eenvoudige werktuigen en wapens. Die werden gemaakt uit natuurlijke materialen, zoals steen, hout en been. Werktuigen en wapens, zoals speren, messen en bijlen, maakten het mogelijk om efficiënter te jagen en voedsel te verwerken. Na de jacht moest het voedsel nog bewerkt worden. Vlees werd in stukken gesneden en verhit. Daarbij speelde vuur een essentiële rol. Vuur maakte voedsel beter verteerbaar en veiliger om te eten, en bood daarnaast warmte en bescherming tegen wilde dieren. Het gebruik van vuur betekende een belangrijke stap in de ontwikkeling van de mens. Visuele bronnen zoals grotschilderingen tonen scènes uit het dagelijks leven, bijvoorbeeld de jacht, en geven inzicht in hoe mensen vroeger leefden. Zo leren de leerlingen dat we via bronnen informatie kunnen verkrijgen over het verleden.
Transferdoel taal De leerlingen: • kunnen verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis (MD 1.3.3).
Thematafel Richt de thematafel in rond het thema voeding in de prehistorie. Voorzie visueel materiaal, zoals de afbeeldingen van kopieerblad 1, voorwerpen of replica’s die als bron of bewijs kunnen dienen (bijvoorbeeld werktuigen, noten, bessen).
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
51
Start Voorkennis activeren Gebruik de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars om de voorkennis over de begrippen jagen, verzamelen, vuur, werktuigen ... te activeren. Stel gerichte vragen. • Wat doen de mensen op de ontdekplaat? (op dieren jagen, vissen, bessen verzamelen, werken, werktuigen maken, rond het vuur zitten, huid bewerken) • Wat deden ze in het kamp? Wat deden ze daarbuiten? (In het kamp werkten ze, zaten ze rond het vuur en kookten ze. Buiten het kamp jaagden mensen op dieren en verzamelden ze voedsel.) • Hoe kwamen ze aan voedsel? (Ze verzamelden voedsel van struiken en bomen. Ze jaagden op dieren en visten met een harpoen.) • Welke hulpmiddelen gebruikten ze tijdens de jacht? (werktuigen en wapens, zoals een bijl, een speer en een mes) In de prehistorie waren er geen winkels. Mensen moesten hun voedsel zelf zoeken in de natuur. Dat deden ze door te jagen en te verzamelen. Zo kregen ze de naam ‘jagers’ en ‘verzamelaars’. Ze jaagden op verschillende dieren. Het was niet altijd makkelijk om op grote dieren te jagen en vaak was het erg gevaarlijk. Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: In deze les leer je dat mensen in de prehistorie hun voedsel verzamelden of op dieren jaagden. Je leert welk voedsel de mensen in de prehistorie aten en welke verschillen er zijn met onze voeding nu. Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor. • •
Ik kan vertellen welk voedsel de mensachtigen / de mensen in de prehistorie aten en hoe ze aan dat voedsel kwamen. Ik ken het verschil tussen de voeding van vroeger en de voeding van nu.
In het kort • •
52
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
Activeer de voorkennis over jagen en verzamelen aan de hand van de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars. Formuleer het lesdoel.
Kern Jagen en verzamelen Maak samen met de leerlingen een vergelijking tussen jagen en verzamelen. Benadruk de verschillen, maar kom tot het besluit dat jagen en verzamelen hetzelfde doel hadden. Toon het deel over jagen en het deel over verzamelen uit de ontdekplaat over de jagersverzamelaars naast elkaar. • Wat is hetzelfde? (op zoek gaan naar voedsel) • Wat is verschillend? (De ene groep mensen jaagt, de andere groep verzamelt.) • Waarom werken ze samen? (makkelijker, veiliger) Verdeel de klas in groepen van drie tot vier leerlingen. Geef elke groep de zoekplaat van kopieerblad 2 uit het Groot weetjesboek over de prehistorie. Kijk goed naar de zoekplaat. Zoek zo veel mogelijk voorbeelden die te maken hebben met voedsel vinden. Leg uit of je voorbeeld past bij jagen of bij verzamelen.
•
• • • •
• •
Vergelijk jagen en verzamelen aan de hand van de ontdekplaat over de jagersverzamelaars. Laat de leerlingen aan de slag gaan met de zoekplaat van kopieerblad 2. Bespreek uit welke materialen werktuigen en wapens in de prehistorie werden gemaakt. De leerlingen sorteren afbeeldingen bij jagen of verzamelen aan de hand van de pictogrammen van kopieerblad 3. Introduceer het jachtproces en de bijhorende werktuigen met de ontdekplaat. Onderzoek hoe het vlees bewerkt werd en welke gevolgen de jacht had via het voorleesverhaal uit Mammoetmoed van kopieerblad 4. Ontdek samen het belang van vuur met behulp van de zoekplaat. De leerlingen maken oefeningen 1 en 2 in het werkschrift.
Elke groep deelt een voorbeeld met de klas. Noteer de voorbeelden in twee kolommen op het bord. Geef bij sommige voorbeelden extra uitleg: • Insecten vangen: De mensen vingen de insecten met hun handen of zochten ze in de natuur. Daarom hoort het bij verzamelen. Bij jagen gebruik je wapens of werktuigen. • De prooi (vos) omcirkelen: Een kleiner dier omcirkelen, zodat het niet kan vluchten en het dan doden. jagen een mammoet vangen een geit/bok vangen de kudde opjagen de prooi (vos) omcirkelen vissen vangen
verzamelen insecten vangen vruchten plukken wortels uitgraven honing verzamelen zeevruchten verzamelen schelpen rapen kruiden plukken algen verzamelen
Werktuigen en wapens in de prehistorie Onderzoek samen met de leerlingen waarvan de jagers hun werktuigen en wapens maakten in de prehistorie. Toon de foto’s van enkele wapens en werktuigen op het bord en bespreek waarvan ze zijn gemaakt. • de speer: van hout; de scherpe punt is gemaakt van steen of van been • het mes: van steen of van been • de bijl: van steen; het handvat is gemaakt van hout
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
53
Jagen of verzamelen? Toon op het bord verschillende afbeeldingen van voedsel uit de prehistorie. De leerlingen geven telkens aan of het bij jagen of verzamelen hoort. Geef de leerlingen per twee een set pictogrammen van kopieerblad 3. Leg uit dat het pictogram van de mammoet staat voor jagen en het pictogram van de kom voor verzamelen. Laat de leerlingen bij elke afbeelding het juiste pictogram omhooghouden. Stel bij elke afbeelding ook een denkvraag. • •
Wat moet je doen om dit te kunnen eten? (jagen of verzamelen) Wat heb je daarvoor nodig? (de speer, de steen, de bijl, het mes, de pijl)
Hoe verliep de jacht? Laat de leerlingen kopieerblad 2 opnieuw bekijken. Vestig de aandacht op de mensen die op jacht zijn. • Wat zie je? (jagers, dier) • Zijn ze alleen of samen? Waarom, denk je? (Samen, Jagen in groep was veiliger en makkelijker.) • Wat doen ze? Doen ze allemaal hetzelfde? (op de loer liggen, kijken, wapen gooien) • Waarom liggen ze op de loer? (Om stil te zijn, ze willen het dier niet wegjagen.) • Hoe kun je op de grond zien of er een dier in de buurt is? (pootafdrukken van dier) • Hebben ze werktuigen/wapens bij? (de speer, het mes, de bijl) De jagers gingen op zoek naar dieren. Ze keken naar sporen, zoals pootafdrukken, op de grond. Zo konden ze het dier volgen. Daarna slopen ze stil dichterbij. Ze moesten daarbij heel voorzichtig zijn. Als het dier hen hoorde, liep het weg. De jagers jaagden meestal samen. Dat was veiliger en makkelijker. Om het dier te vangen, gebruikten ze werktuigen en wapens, zoals de speer, het mes en de bijl. Vlees bewerken De eerste mensen moesten zelf op zoek gaan naar eten. Ze jaagden op dieren met eenvoudige werktuigen en wapens. Het vlees van de dieren aten ze op. Maar dieren waren ook op andere manieren belangrijk. Van de huid maakten mensen warme kleren, dekens of stukken voor hun hutten. De beenderen gebruikten ze als werktuigen. Zo leerden mensen steeds beter hoe ze dieren konden gebruiken om te overleven. Lees een stukje voor uit het verhaal uit Mammoetmoed van kopieerblad 4. Toon dan de zoekplaat ‘maaltijd bereiden’ uit het Groot weetjesboek over de prehistorie, op het bord. Geef gerichte opdrachten die gelinkt zijn aan het verhaal. • Het vlees werd in stukken gesneden. Wijs aan waar je dat op de prent ziet. • De mensen brachten het vlees naar het vuur. Waar zie je dat op de prent? • Op welke manieren kon het vlees klaargemaakt worden? Wijs aan op de prent.
54
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
Het belang van vuur Laat de leerlingen ontdekken waarom vuur belangrijk was tijdens en na het jagen voor de prehistorische mensen. Ze ondervinden dat het vuur gebruikt werd als bescherming, om werktuigen en wapens te maken en om voedsel te bereiden. Toon de zoekplaat ‘vuur maken’ uit het Groot weetjesboek over de prehistorie, op het bord. Bekijk de zoekplaat. Denk terug aan alles wat je geleerd hebt tijdens deze les. Waarvoor hadden de mensen het vuur allemaal nodig? (wilde dieren afschrikken, werktuigen maken, voedsel bereiden, licht) Vuur hielp de eerste mensen tijdens en na de jacht. Met vuur konden ze wilde dieren op afstand houden, zodat de jagers veiliger waren. Soms gebruikten ze vuur om dieren weg te jagen tijdens het jagen. Na de jacht was vuur belangrijk om het vlees te bereiden. De mensen bakten of braadden het vlees boven het vuur. Warm eten was zachter, lekkerder en gemakkelijker om te eten. Ook de huiden en beenderen van dieren konden beter bewerkt worden met behulp van vuur. Zo gebruikten de eerste mensen vuur niet alleen om voedsel klaar te maken, maar ook om voorwerpen te maken die ze nodig hadden om te overleven. Focus op het deel ‘Hoe maak je vuur?’ op de zoekplaat. Om vuur te maken gebruikten de mensen een vuursteen. Dat is een harde steen met scherpe randen. Daarmee konden ze vonken maken en met die vonken maakten ze vuur. De mensen in de prehistorie gebruikten de vuursteen ook om scherpe messen en speerpunten te maken, omdat je van de steen een harde en scherpe punt kon maken. Een vuursteen was dus heel belangrijk in de prehistorie.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
55
les 7
voeding in de prehistorie
Oefening 1 Herhaal met de leerlingen de materialen die ze kennen: hout, been en steen. Leg uit dat één voorwerp soms van meerdere materialen gemaakt is.
waarvan is het werktuig of het wapen gemaakt? trek een lijn.
1
van hout
de speer
de bijl
Bespreek bij elk voorwerp waarvoor het gebruikt kon worden: jagen, verzamelen, bewerken … van been
het mes
de vuursteen
van steen
de stok
16
Oefening 2 Laat de leerlingen het verschil tussen jagen en verzamelen uitleggen. Ze zoeken vervolgens voorbeelden van jagen en verzamelen op de prent. Vraag telkens waarom het bij jagen of verzamelen hoort.
de messen
thema 4 – les 7: voeding in de prehistorie
2
kijk goed naar de prent. a
wat hoort bij jagen? omcirkel met blauw.
b
wat hoort bij verzamelen? omcirkel met oranje.
thema 4 – les 7: voeding in de prehistorie
56
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
17
Verwerking in het werkschrift Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud hebben begrepen. De leerlingen maken oefeningen 1 en 2 in het werkschrift.
Afronding Reflectie Houd een korte reflectie. • Wat wist je al over jagen en verzamelen uit de kleuterschool? • Wat heb je bijgeleerd over jagen en verzamelen? • Waar zou je nog meer over willen leren? Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Koppel ook kort terug naar de startvraag: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Welk antwoord kunnen de leerlingen na deze les geven? • Houd een korte reflectie. •
Samenvatting voor de leerling
Koppel terug naar het lesdoel en de leerroute.
Samenvatting voor de leerling: les 7
PREHISTORIE
OUDHEID
MIDDELEEUWEN
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD
De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de tijdband.
HEDENDAAGSE TIJD
onthoud
Bij deze samenvatting hoort ook een kennisclip. Zet die in om de lesinhoud verder te verankeren. jagen
verzamelen
het wapen de speer
het werktuig de bijl het been de steen
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
© Uitgeverij VAN IN
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 7
57
50'
LES 8
Domein: Geschiedenis
Kleding in de prehistorie Subdomein: Kennis van het verleden en kennis van geschiedenis
Les 8 van 9
Lesdoelen De leerlingen: • kunnen verwoorden hoe de kledij van de mensachtige / de mens in de prehistorie eruitzag (MD 5.1.1); • plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch (MD 5.2.11); • illustreren continuïteit versus verandering tussen bestudeerde samenlevingen (MD 5.2.6).
Voorbereiding • •
Lamineer de afbeeldingen van kopieerblad 1. Kopieerblad 2 heb je nodig voor klassikaal gebruik.
Materiaal • • • •
58
werkschrift p. 18 en 19 kopieerblad 1, 2 en 3 samenvatting voor de leerling tijdband
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
Woordenschat • • •
de kleding, het kledingstuk de dierenhuid de bescherming
• •
het been de vacht
Deze begrippen worden herhaald: • • •
vroeger nu de prehistorie
• •
voor onze tijd onze tijd
• •
de bron het werktuig
• •
jagen verzamelen
Achtergrondinformatie Wat is nieuw? De leerlingen hebben al voorkennis over het leven in de prehistorie. In de vorige les leerden ze dat mensen moesten jagen en voedsel verzamelen om te overleven. Ze weten dat vuur belangrijk was om te koken, warm te blijven en samen te leven. Daarnaast maakten ze kennis met wapens en werktuigen van hout, steen en been, zoals de speer, de bijl en het mes. Het vlees van de dieren werd gebruikt als voeding. De dierenhuiden en de beenderen werden gebruikt om kleding te maken. Het vuur en de werktuigen waren nodig om de huiden tot kleding te verwerken. In deze les ontdekken de leerlingen waarom de prehistorische mens kleding begon te dragen en hoe hij die kleding vervaardigde. Kleding maken was een tijdrovend en arbeidsintensief proces. Eerst moest de dierenhuid schoongemaakt worden. Met stenen werktuigen schraapten de mensen vlees- en vetresten van de huid. Daarna werd de huid gedroogd en bewerkt, zodat ze soepeler werd. Met naalden van been en pezen als draad werden verschillende stukken aan elkaar genaaid. Op die manier ontstonden eenvoudige kledingstukken, zoals mantels, schoenen of hoofddeksels. Kleding was in de prehistorie vooral functioneel. Mensen droegen kleren om zich te beschermen tegen kou, wind en regen, en om hun lichaam te beschermen tegen verwondingen. In koudere gebieden was kleding zelfs noodzakelijk om te overleven. Het aspect mode speelde nog geen rol. Doorheen de tijd is kleding sterk geëvolueerd. Waar mensen vroeger afhankelijk waren van wat ze in de natuur vonden, gebruiken we vandaag allerlei bewerkte materialen zoals katoen, wol en synthetische stoffen. Ook de manier waarop kleding gemaakt wordt, is veranderd: we maken onze kleren meestal niet zelf, maar we kopen ze in winkels. Toch is er ook continuïteit: mensen dragen nog steeds kleding om zich te beschermen tegen weersomstandigheden en om hun lichaam te bedekken. Deze les biedt de leerlingen een eerste inzicht in het verschil tussen vroeger en nu, en laat hen ontdekken dat sommige dingen veranderen doorheen de tijd, terwijl andere hetzelfde blijven.
Transferdoel taal De leerlingen: • kunnen verbanden leggen tussen voorgelezen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis (MD 1.3.3)
Thematafel Bouw de thematafel verder op. Voorzie kledingstukken uit bont en leer, of leg verschillende stukjes stof klaar waar de leerlingen aan kunnen voelen. Leg de afbeeldingen van kopieerblad 1 ook op de thematafel.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
59
Start Voorkennis activeren Toon verschillende kledingstukken. Laat de leerlingen ‘als … dan’-zinnen aanvullen. • • • •
Als het koud is, dan draag je een … (muts) Als je gaat zwemmen, dan draag je … (zwemkledij, een zwembroek, een badpak) Als het regent, dan draag je een … (regenjas) Als je naar het bos gaat, dan draag je … (laarzen)
We dragen kleding als bescherming, om ons warm te houden of om niet in ons blootje rond te lopen. Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: In deze les ontdek je welke kleding mensen in de prehistorie droegen. Je leert van welke materialen ze die kleding maakten. Vorm de lesdoelen op het bord en lees ze voor. • •
Ik kan vertellen waarvan de mensachtige / de mens in de prehistorie kleding maakte. Ik kan vertellen welke kleding van vroeger is en welke van nu.
In het kort • •
60
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
Activeer de voorkennis over de functie van kleding aan de hand van ‘als … dan’-zinnen. Formuleer het lesdoel.
Kern Welke kleding droegen mensen in de prehistorie? In de vorige les leerde je hoe mensen in de prehistorie jaagden en voedsel verzamelden. Het vlees van de dieren die ze vingen, aten ze op. Maar wat konden ze nog meer doen met de dierenhuid? Toon de ontdekplaat over de jagersverzamelaars en laat de leerlingen onderzoeken. • Wat deden de mensen met de dierenhuiden? (proper maken, bewerken) • Waarvoor gebruikten ze de huid? (kleding, warmte, tent/hut) Aan de slag met het tijdskader
• •
•
• •
Ontdek de samenhang tussen jagen en kleding aan de hand van de ontdekplaat. Sorteer samen afbeeldingen van kledingstukken op de juiste plaats bij het tijdskader. Sorteer de kleding van vroeger daarna chronologisch. Onderzoek welke kleding de mens in de prehistorie droeg aan de hand van de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars en een filmpje. Overloop aan de hand van de prent over kleding maken welke stappen er nodig waren van dier tot kleding. De leerlingen maken oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift.
Gebruik het tijdskader en de afbeeldingen met kledingstukken van kopieerblad 2. Werk klassikaal en in stappen. Sorteer elke afbeelding bij een stapeltje ‘vroeger’ en een stapeltje ‘nu’. Bespreek klassikaal. (vroeger: b, c, f, g, h; nu: a, d, e) Bekijk de afbeeldingen van vroeger. Leg de afbeeldingen in de juiste volgorde. Begin met het oudste kledingstuk, leg daarna wat erna komt en doe dat zo voor alle afbeeldingen. (oplossing: g-c-b-h-f) Toon de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars en verwijs naar de oudste kledingtukken bij het tijdskader. • Welke kledingstukken bij het tijdskader zie je ook terug op de ontdekplaat? (g) • Wat droegen de mensen nog meer, behalve kleding? (sieraden) • Waarvoor gebruikten de mensen kleding in de prehistorie? (warmte, bescherming) • Waarvan maakten de mensen kleding en sieraden? (dierenhuid, bont, beenderen en hout) Lees het verhaal Een nieuwe mantel van kopieerblad 3 voor. • Wat moet de mens vangen om kleding te kunnen maken? (een dier) • Waarom moeten ze samenwerken? (Het is een groot en zwaar dier. Iedereen heeft een eigen taak.) • Welke materialen gebruiken ze in het verhaal om kleding te maken? (brandnetels, dierenhuid)
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
61
les 8
kleding in de prehistorie
Oefening 1 Bij de bontmuts is zowel vroeger als nu correct. Leg uit dat mensen in de prehistorie vroeger mutsen van bont droegen om zich warm te houden. Nu dragen sommige mensen een muts van bont voor de warmte of omdat ze dat mooi vinden.
is deze kleding van vroeger of van nu? kleur het juiste vak.
1
de ketting vroeger
de jas nu
vroeger
nu
vroeger
nu
vroeger
de pet vroeger
de sandalen
de laarzen vroeger
18
Oefening 2 Help de leerlingen door de focus te leggen op enkele details. Bijvoorbeeld: Zijn er al gaatjes in de dierenhuid gemaakt om te naaien? Waarom schrapen ze de huid? (om ze proper te maken) Oefening 3 Lees de zinnen voor. Bespreek telkens klassikaal.
Oefening 4 Overloop de kledingstukken. Vraag aan de leerlingen of het een kledingstuk is van nu of van vroeger.
nu
nu
de muts nu
thema 4 – les 8: kleding in de prehistorie
2
zet de prenten in de juiste volgorde. schrijf de cijfers 1 tot 3.
1 3
4
3
2
luister naar de zinnen. zijn ze waar of niet waar? kleur. mensen in de prehistorie kochten hun kleding in de winkel.
waar
niet waar
mensen in de prehistorie maakten hun kleding van dierenhuiden.
waar
niet waar
mensen in de prehistorie droegen dezelfde kleding als wij nu.
waar
niet waar
mensen in de prehistorie droegen kleding om zich warm te houden.
waar
niet waar
waarvan is het kledingstuk gemaakt? trek een lijn.
de dierenhuid de muts
het been de vest
de wol de ketting thema 4 – les 8: kleding in de prehistorie
62
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
19
Kleding maken Onderzoek met de leerlingen waarvan en hoe de kleding in de prehistorie gemaakt werd. Mensen droegen vroeger kleding van dierenhuiden. Kleding maken van dierenhuiden was veel werk. De mensen moesten alles zelf doen, met de hand. Er waren geen winkels of machines. Toon de ontdekplaat over de jagers-verzamelaars nog een keer. De leerlingen wijzen aan waar er kleding wordt gemaakt. • Waar maakten ze de kleding? (in het kamp, dicht bij het vuur) • Wat deden ze precies? (huid bewerken, schrapen, snijden, naaien) Toon het filmpje op het bord. Leg uit dat de kleding uit de prehistorie komt. Die kleding is lang geleden gevonden. De kleding uit de prehistorie is ook een bron: ze vertelt ons iets meer over vroeger. Sommige kledingstukken die gevonden zijn, kun je bekijken in een museum. In het filmpje zie je een voorbeeld van een man uit de prehistorie. De kleding van die man is geen echte kleding uit de prehistorie; ze werd nagemaakt door goed naar bronnen van echte kleding te kijken. • • • •
Waarvan was de muts in het filmpje gemaakt? (van berenhuid) Waarvan was de oudste broek gemaakt? (van geitenleer) Waarvan waren de schoenen gemaakt? (van berenhuid, hertenhuid en hooi vanbinnen) Waarvan was de cape gemaakt? (van moerasgras)
Toon de prent over kleding maken. Laat de leerlingen beschrijven wat ze zien: mensen maken kleding van een dierenhuid. Overloop de stappen: 1. Huid: Na de jacht hadden mensen een dierenhuid. 2. Schrapen: Ze maakten de huid schoon met een werktuig. 3. Naaien: Ze maakten gaatjes in de huid en naaiden ze vast met een naald van been. 4. Kleding dragen: Zo werd de huid echte kleding. Verwerking in het werkschrift Controleer doorlopend of de leerlingen de lesinhoud begrepen hebben. De leerlingen maken oefeningen 1, 2, 3 en 4 in het werkschrift.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
63
Samenvatting voor de leerling
Samenvatting voor de leerling: les 8
OUDHEID
MIDDELEEUWEN
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD
PREHISTORIE
HEDENDAAGSE TIJD
onthoud
De leerlingen gaan in de bordles aan de slag met de tijdband.
de dierenhuid
de kleding
het been
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
64
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
© Uitgeverij VAN IN
Afronding Reflectie Houd een korte reflectie. • Welke kledingstukken herkende je al? • Wat was nieuw voor je? • Wat begrijp je nog niet helemaal? Terugkoppeling naar de lesdoelen en de leerroute Koppel terug naar de lesdoelen en bekijk samen de leerroute. Stel samen vast dat het thema ‘Toen alles begon’ bijna afgerond is. In de volgende les keren jullie terug naar het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’ en geven jullie samen een antwoord op de startvraag.
• •
Houd een korte reflectie. Koppel terug naar de lesdoelen en de leerroute. Blik vooruit naar de laatste les van het thema.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 8
65
25'
LES 9
Domein: Attitudes
Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Subdomein: Leren leren
Les 9 van 9
Leercompetenties De leerlingen: • kunnen informatie ordenen en onthouden door kernwoorden en begrippen te groeperen en in een tabel te plaatsen (MD 9.2.2); • kunnen reflecteren op wat ze hebben geleerd en dit verwoorden met kernwoorden (MD 9.2.2). Transferdoel taal De leerlingen: • kunnen ideeën, gedachten en verworven inzichten samenhangend formuleren (MD 1.3.9); • kunnen bij het spreken gepaste woordkeuze en correcte zinsconstructies gebruiken (MD 1.3.8); • kunnen verbanden leggen tussen teksten en hun vakspecifieke kennis en voorkennis (MD 1.3.3).
Voorbereiding • •
Print per vier à vijf leerlingen een set begrippenkaartjes. Print per vier à vijf leerlingen een woordkast van kopieerblad 1.
Materiaal • •
werkschrift p. 20 en 21 kopieerblad 1
Woordenschat • • • •
de stam samenleven de kleine groep het vuur
• • • • •
de grotschildering de muurschildering het teken de tekening de bron (het fossiel, de beenderen, het werktuig, het wapen, de muurschildering, de grotschildering)
• • • •
66
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 9
de woning de hut de tent Çatalhöyük
• • • • • • • • • • •
jagen verzamelen het wapen de speer het werktuig het mes de bijl de vuursteen het been de steen het hout
• •
de dierenhuid de kleding, het kledingstuk de bescherming het been de vacht
• • •
Start Terugblik op de startles Keer terug naar de bordles van de startles. Toon de startvraag op het bord en lees ze voor: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Toon het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’ waarin je in de startles kernwoorden invulde. Kijk nog eens kort naar de rubrieken ‘Bekend’ en ‘Benieuwd’ van het schema. • Wat hebben we bij ‘Bekend’ geschreven? • Wat hebben we bij ‘Benieuwd’ geschreven? Tijdens deze les kijken we terug op het thema over de prehistorie. We herhalen wat we hebben geleerd. We noteren wat we moeten onthouden in de derde kolom, bij ‘Bewaard’. Lesdoel formuleren Formuleer het lesdoel: ik kan woorden schikken in een tabel (woordkast)
In het kort • • •
Lees de startvraag opnieuw. Blik terug op de rubrieken ‘Bekend’ en ‘Benieuwd’. Benoem dat jullie in deze les de rubriek ‘Bewaard’ aanvullen.
Kern Sorteren en benoemen Verdeel de klas in groepen van vier tot vijf leerlingen. Elke groep krijgt een set begrippenkaartjes. De leerlingen sorteren de kaartjes die bij elkaar horen. Geef ze daarvoor een tiental minuten. Bespreek de resultaten. Kom zo tot vier of vijf groepen: • • • • •
• • • •
Verdeel de klas in groepen van vier tot vijf leerlingen. De leerlingen sorteren de begrippenkaartjes. Overloop en benoem samen de sorteergroepen. De leerlingen maken zelf een woordkast met de begrippenkaartjes en kopieerblad 1.
de mens de boodschap wonen/schuilen de voeding de kleding
Stel de volgende reflectievragen: • Waarom horen die kaartjes samen? • Hoe herken je dat dat bij de mens, de boodschap, wonen/schuilen, de voeding of de kleding hoort? • Kun je nog een voorbeeld bedenken dat ook in die groep past? Laat de leerlingen zelf een woordkast maken met de begrippenkaartjes. Gebruik daarvoor kopieerblad 1. Verdeel de klas: sommige leerlingen maken een woordkast met de mens en de boodschap, andere leerlingen maken een woordkast met wonen, de voeding, de kleding. Niet elk vak van de woordkast hoeft gevuld te zijn. Wie eerder klaar is, kan nog een woordkast maken of in een leeg vak zelf iets bijtekenen.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 9
67
Samenvatting Bespreek de afbeeldingen en stel telkens enkele vragen:
Wonen • Wat gebruikten sommige eerste mensen als schuilplaats? • In welke soort woning leefde de stam samen?
De mens • Leefde de mens in de prehistorie in een grote of kleine groep? • Wat is de naam van een kleine groep die samenleeft?
De voeding • Hoe kwamen de eerste mensen aan voedsel? • Wat hadden ze nodig om hun voeding te bereiden?
De boodschap • Hoe gaven de mensen in de prehistorie een boodschap door? • Waarom maakten ze grotschilderingen en muurschilderingen?
De kleding • Waarom droeg de mens in de prehistorie kleding? • Van welk materiaal waren de meeste kleren gemaakt?
samenvatting bij les 9
20
68
VROEGMODERNE TIJD
de mens
de boodschap
rechtop lopen
de grotschildering
de mensachtige
de muurschildering
de stam
het teken
thema 4 – samenvatting bij les 9
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 9
PREHISTORIE
wonen
MIDDELEEUWEN
OUDHEID
de voeding
VROEGMODERNE TIJD
MODERNE TIJD
MIDDELEEUWEN
HEDENDAAGSE TIJD
OUDHEID
MODERNE TIJD
PREHISTORIE
de prehistorie HEDENDAAGSE TIJD
de prehistorie
de kleding
de tent
het wapen
jagen
de dierenhuid
de hut
het werktuig
verzamelen
de vest
thema 4 – samenvatting bij les 9
21
Samenvatting in het werkschrift Vergelijk daarna de woordkasten klassikaal met de samenvatting in het werkschrift.
Afronding De rubriek ‘Bewaard’ Keer terug naar het schema ‘Bekend, benieuwd, bewaard’ van de startles. Wat moet je onthouden? Vul de rubriek ‘Bewaard’ aan met kernwoorden. Startvraag beantwoorden Lees tot slot de startvraag nog een keer: Hoe leefden mensen vroeger met wat de natuur hen gaf? Laat de leerlingen in duo’s nadenken over een antwoord. Ze formuleren hun antwoord aan de hand van de verschillende categorieën. Bespreek klassikaal en noteer enkele kernwoorden of korte zinnen op het bord. Kom samen tot de zes grote categorieën (groepen) doorheen de prehistorie. Overloop wat de leerlingen daarover leerden. Sluit het thema af: Zie je hoeveel we samen ontdekt hebben over de prehistorie?
• •
Bespreek de rubriek ‘Bewaard’ en vul aan. Stel de startvraag nog een keer en kom samen tot een antwoord.
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Les 9
69
PUNTENVERDELING VAN DE TOETS NA THEMA 4
1
De begrippen eergisteren, gisteren, vandaag, morgen en overmorgen correct linken aan de juiste dag van de week
per goed antwoord
richtnorm 16/20
1 punt
4/5
1 punt
3/4
1 punt
2/2
1 punt
1/1
2 punten
2/4
1 punt
3/4
Lees de opdracht voor en verduidelijk waar nodig. Laat de leerlingen met een lat werken om te verbinden. 2
De evolutie van het rechtop lopen in de juiste volgorde plaatsen Lees de opdracht voor en verduidelijk waar nodig.
3
Bronnen van de prehistorie aan de juiste historische periode linken Lees de opdracht voor en verduidelijk waar nodig. Laat de leerlingen met een lat werken om te verbinden.
4
De woning uit de prehistorie herkennen Lees de opdracht voor en verduidelijk waar nodig.
5
De juiste begrippen linken aan afbeeldingen van de prehistorie Lees de opdracht voor en verduidelijk waar nodig.
6
Afbeeldingen met betrekking tot de prehistorie kunnen categoriseren bij verzamelen, jagen en taal Lees de opdracht voor en verduidelijk waar nodig. Laat de leerlingen met een lat werken om te verbinden.
70
Wereldwijzer 1 – Thema 4 – Puntenverdeling van de toets
������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������
������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������ ������������������������������������������������������������������������������������������������������