Skip to main content

Code Gedragswetenschappen 6 (KathOndVla) Voorbeeldpagina's

Page 1

Thema 1

Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 9

13/09/17 16:23


Hoofdstuk 1

n

e u id iv d in n e s s u t it e Diversit

1 Inleiding ................................................................................................................................................................................................................................... 13 2 Begrippen ............................................................................................................................................................................................................................... 14

2.1 Invloed van de erfelijkheid op de ontwikkeling (nature) .................................................................................................................... 14

2.2 Invloed van de omgeving op de ontwikkeling (nurture) ................................................................................................................... 15

2.3 De vrije wil ....................................................................................................................................................................................................................... 15

3 Nature en nurture in de psychologie ................................................................................................................................................................ 17

3.1 Herhaling .......................................................................................................................................................................................................................... 17

3.2 Nature in de psychologie ....................................................................................................................................................................................... 18

3.3 Nurture in de psychologie .................................................................................................................................................................................... 19

3.3.1 Het behaviorisme van Watson ................................................................................................................................................................ 19

3.3.2 De klassieke conditionering ...................................................................................................................................................................... 20

3.3.3 De operante conditionering .................................................................................................................................................................... 22

4 Het hedendaagse perspectief: wisselwerking tussen nature en nurture ........................................................................... 24

Na dit hoofdstuk kan je … £ een onderscheid maken tussen nature en nurture als oorzaak van verschillen tussen mensen; £  aantonen dat visies over de mens kunnen uitgaan van een nature-standpunt, een nurture-standpunt of een samenhang van beide; £ een aantal psychologische stromingen kaderen in het nature-nurturedebat.

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 11

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

11 13/09/17 16:23


INTRO Bekijk de afbeeldingen en beantwoord in een kringgesprek volgende vragen. • Ben jij iemand die al verdikt als je al naar eten kijkt of kan je alles eten zonder een grammetje bij te komen? Zit dat in je familie of is een strak lijf het resultaat van strikte discipline? • Jonnie is de grootste van de klas. Is dat omdat zijn ouders lang zijn of omdat hij zijn hele jeugd kaas en melk gegeten heeft en zo veel calcium binnenkreeg? • Kinderen van gescheiden ouders scheiden later vaker zelf. Is dat vanwege hun opvoeding? Is dat toeval? Of is het bepaald door de genen?

12

Thema 1 - Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 12

Code 13/09/17 16:23


1 Inleiding In het vijfde jaar lag de klemtoon op eigenheid. Dit jaar zal de klemtoon liggen op de diversiteit in al die eigenheden. Diversiteit is verscheidenheid, het gaat over alle mogelijke verschillen tussen mensen. Sommige verschillen zijn zichtbaar: denk aan huidskleur, leeftijd of geslacht. Andere verschillen, zoals levensbeschouwing of persoonlijke voorkeuren, zijn minder zichtbaar. Diversiteit is belangrijk voor onze samenleving. Ze zorgt ervoor dat we kunnen leren van elkaar en vormt zo een verrijking van onze cultuur. Ann (34) en Karel (35) zijn verpleegkundigen in een ziekenhuis. Ze hebben allebei hun eigen stijl van werken: Ann werkt snel en strikt volgens de regels. Karel is heel wat socialer en hecht veel belang aan contact met de patiënt, maar is daardoor vaak een stuk trager in het werk dan Ann. Toch ergeren zij zich niet aan elkaar. Ann weet hoe belangrijk die sociale babbels voor de patiënten zijn, maar het is haar echt niet gegeven om die rol op te nemen. Af en toe kijkt ze wel eens hoe Karel een gesprek aanpakt, want stiekem droomt ze ervan om dit ook zo ongedwongen en vlot te kunnen. En Karel apprecieert het werktempo van Ann. Hij probeert Ann vaak bij te houden met het werk, en is dan echt trots op zichzelf dat hij zo snel heeft gewerkt. Ze waarderen in de ander de eigenschappen die ze zelf niet bezitten en ze proberen van elkaar te leren. Maar als de verschillen te groot zijn en mensen zich niet goed met elkaar kunnen identificeren, wordt het moeilijk om vreedzaam samen te leven. Stefanie (28) en Marnix (29) zijn al acht jaar een koppel. Marnix is een sloddervos en Stefanie houdt van orde. In het begin van de relatie waren er weinig problemen, maar toen ze gingen samenwonen liet Marnix al zijn spullen rondslingeren in hun appartement. Opruimen is niet aan hem besteed; voor hem is het geen rommel. Hij weet alles zijn: onder de scheefgezakte stapel tijdschriften ligt zijn iPod en de lader ligt onder het bed. Stefanie heeft hier veel moeite mee. Ze doet niet anders dan opruimen en is het beu om Marnix te vragen om erop te letten. Stephanie heeft het gevoel dat Marnix niet naar haar luistert en dat hij geen belang hecht aan wat ze hem vraagt. Marnix heeft het gevoel dat de passie weg is uit hun relatie omdat Stephanie alleen maar loopt te zeuren en altijd negatief is. Ze zijn niet meer gelukkig in hun relatie door de voortdurende ruzies en hebben er allebei al vaak aan gedacht om uit elkaar te gaan. Diversiteit geeft dus kansen tot verrijking van een samenleving, maar kan ook leiden tot conflicten. In dit eerste thema ligt de aandacht op het bestuderen van de verschillen. We maken daarbij een onderscheid tussen: • verschillen tussen individuen (interpersoonlijke verschillen); • verschillen tussen individuen en groepen (intragroepsverschillen); • verschillen tussen groepen (intergroepsverschillen). In het tweede thema zullen we het hebben over de conflicten die kunnen voorvloeien uit (een te grote) diversiteit. Opdracht 1 Zoek in de actualiteit een voorbeeld van een verschil tussen individuen, een verschil tussen individuen en groepen en een verschil tussen groepen. Je moet minstens één filmpje (audiovisuele bron) als voorbeeld hebben. Denk eraan om de bronnen op de juiste manier te vermelden. Bij het onlinelesmateriaal kan je opzoeken hoe je dat moet doen.

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 13

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

13 13/09/17 16:23


2 Begrippen De verschillen tussen individuen of interpersoonlijke verschillen worden bestudeerd door de psychologie en de genetica. Zijn de verschillen tussen individuen erfelijk of worden ze bepaald door de omgeving en de opvoeding? Ben je wie je bent omdat er een natuurlijke voorprogrammering bestaat of vanwege concrete ervaringen die je geleidelijk aan in een richting hebben ‘geduwd’? Of ben je zelf verantwoordelijk voor je ontwikkeling? Naargelang de antwoorden op die vragen kunnen we drie stromingen onderscheiden. • Nature: individuele verschillen worden veroorzaakt door erfelijke factoren. • Nurture: individuele verschillen worden veroorzaakt door de omgeving. • Vrije wil: het individu is zelf verantwoordelijk voor zijn ontwikkeling. Eerst lichten we deze begrippen toe, om ze daarna in de context van de psychologie te bespreken.

2.1  Invloed van de erfelijkheid op de ontwikkeling (nature) Aanhangers van het nature-standpunt* gaan ervan uit dat iemands gedrag en ontwikkeling gestuurd en beïnvloed worden door erfelijke factoren. Tegenwoordig spreken we niet meer van aangeboren, maar van erfelijk, omdat niet alle biologische factoren zich manifesteren van bij de geboorte. Zo manifesteert de (erfelijk bepaalde) bipolaire stoornis zich pas op volwassen leeftijd. Anderzijds zijn bepaalde aangeboren kenmerken niet erfelijk, bijvoorbeeld beperkte verstandelijke mogelijkheden als gevolg van zuurstofgebrek bij de geboorte. MINIVOLWASSENE In de 17de eeuw gingen mensen ervan uit dat een baby een minivolwassene was. Ze dachten dat alle kennis en vaardigheden al aanwezig waren van bij de geboorte, en dat door te groeien die kennis en vaardigheden tot uiting kwamen. Voor opvoeding was dan ook weinig of geen plaats. Kinderen dienden zich te gedragen zoals volwassenen. Ze hadden op die manier een economisch nut. Volgens de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) spelen ouders geen rol in de ontwikkeling van hun kind, aangezien dat een innerlijk, biologisch proces is. Er wordt zelfs beweerd dat Rousseau zijn eigen kinderen naar het weeshuis bracht. Die neiging om te denken dat opvoeding weinig zin heeft, omdat alles toch erfelijk bepaald is, noemen we pedagogisch pessimisme*. De mens kan dus niet meer veranderen gedurende zijn leven. De ontwikkeling van de mens gebeurt endogeen*: ze is ‘van binnen afkomstig’ en gebeurt spontaan. De enige rol die voor de omgeving of het milieu is weggelegd, is het ter beschikking stellen van gunstige omstandigheden. De omgeving kan ervoor zorgen dat een individu zijn erfelijk potentieel volledig ontplooit of dat de erfelijke eigenschappen latent blijven sluimeren. Eigenschappen die niet geërfd zijn, kunnen niet ontplooid worden. • • • •

14

Sietske is theoretisch-abstract intelligent en wil ingenieur worden. Haar ouders laten haar naar de universiteit gaan als ze daarom vraagt. Sietske wordt ingenieur. Koen is theoretisch-abstract intelligent en wil ingenieur worden. Zijn ouders willen liever dat hij na het middelbaar in de bakkerij van de familie komt werken. Koen wordt geen ingenieur. Sandra is niet theoretisch-abstract intelligent maar wil toch ingenieur worden. Haar ouders denken: ‘Ze kan het maar proberen.’ Sandra doet haar eerste jaar drie keer opnieuw en haakt vervolgens af. Sandra wordt geen ingenieur. Wouter volgt de bakkersopleiding. Hij doet dat met veel plezier en zit er echt op zijn plek. Na een paar jaar studeert Wouter af als bakker en opent hij zijn eigen bakkerij. Wouter wordt bakker, geen ingenieur.

Thema 1 - Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 14

Code 13/09/17 16:23


2.2  Invloed van de omgeving op de ontwikkeling (nurture) Aanhangers van nurture-standpunt* gaan ervan uit dat iemands gedrag en ontwikkeling gestuurd en beïnvloed worden door omgevings- en ervaringsfactoren. AANGELEERD GEDRAG BIJ BABY’S De eerste behavioristen zagen dat pasgeboren baby’s al vanaf de eerste levensuren te beïnvloeden zijn en dus gekneed kunnen worden in de gewenste richting, als je maar de juiste prikkels en bekrachtigers van gewenst gedrag geeft. Als je een baby veel aandacht geeft en knuffelt, dan krijg je een kind dat veel aandacht wenst (omdat het zo is aangeleerd). Recent onderzoek wijst uit dat ouders geneigd zijn om mannelijke baby’s langer door te laten huilen dan vrouwelijke baby’s. Jongetjes leren dus al heel vroeg dat hun emoties uiten minder rendeert. De Engelse filosoof John Locke (1632-1704) ontkende dat er aangeboren ideeën bestaan. Volgens Locke weten we bij de geboorte nog niets, ons brein is dan een schone lei. Hij noemde het een tabula rasa, een onbeschreven blad. Alles wat we waarnemen en meemaken wordt na de geboorte op die lei geschreven. Die neiging om te denken dat de opvoeding allesbepalend is en dat enkel cultuur en opvoeding de mens kunnen maken tot wie/wat hij is, noemen we pedagogisch optimisme*. Iedereen wordt geboren met dezelfde mogelijkheden, niemand begint met een voorsprong of een achterstand. Hoe een persoon is, wordt bepaald door wat hij tijdens zijn leven heeft geleerd of hoe hij tijdens zijn leven is gevormd. Wat je leert, kan je ook afleren. Een mens kan dus in zekere mate veranderen gedurende zijn leven. De ontwikkeling gebeurt exogeen*: de ontwikkeling van het gedrag wordt gestuurd en beïnvloed door factoren van buitenaf. Er is sprake van uitlokkende stimuli. De omgeving is volgens het nurture-standpunt dus allesbepalend. Opdracht 2 Maak op een apart blad een mindmap waarin je het nature-standpunt en het nurture-standpunt met elkaar vergelijkt. Bij het onlinelesmateriaal kan je opzoeken hoe je dat moet doen.

2.3  De vrije wil Sommige denkers gaan ervan uit dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun ontwikkeling. De vrije wil speelt daarbij een cruciale rol. Met vrije wil bedoelen we het vermogen van rationeel handelende personen om controle uit te oefenen over eigen daden en beslissingen. Maar bestaat vrije wil wel? Om hier een antwoord op te kunnen geven, moet bekeken worden of er een verband is tussen vrijheid en oorzakelijkheid. Je kan twee stromingen onderscheiden. • De stroming van het voluntarisme beweert dat de vrije wil bestaat. • De stroming van het determinisme beweert dat de vrije wil niet bestaat en dat elke gebeurtenis veroorzaakt wordt door eerder gebeurtenissen. De Engelse evolutiebioloog Richard Dawkins (°1941) schreef in zijn boek The Selfish Gene (1976) dat genen succesvol zijn als ze doorgegeven worden aan de volgende generatie, als een soort estafette. De drager van het gen (een mens) moet in leven blijven totdat hij zich voortplant, anders sterft het gen af. Voor het voortbestaan van het gen maakt het weinig uit of de drager nog blijft doorleven nadat hij zich heeft voortgeplant: of hij nu leeft of sterft, zijn nageslacht heeft het gen nu en kan het later op zijn beurt weer doorgeven. Daarom bedacht Dawkins de term the selfish gene (letterlijk: het egoïstische gen). Een selfish gene stuurt het gedrag van de drager zodat die zich voortplant voordat hij doodgaat. Alle genen sturen het gedrag van hun drager op de ene of andere manier. Enkel de genen die zorgen voor gedrag waarbij de drager zich voortplant voordat hij sterft zijn succesvolle genen: zij blijven leven. Dawkins paste de theorie van de Engelse evolutiebioloog Charles Darwin (18091882) over de survival of the fittest dus toe op onze genen. In tegenstelling tot Darwin, die het heeft over de kracht van het overleven van de soort, gaat Dawkins uit van het overleven van het individu dankzij zelfzuchtige genen. De genen zijn de bouwblokken en bevatten het ontwerpplan, of delen van het ontwerpplan, van een organisme en dat is het enige dat doorgegeven wordt van generatie op generatie. Het gen dat het beste overlevingsapparaat bouwt, overleeft.

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 15

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

15 13/09/17 16:23


Zo gezien zijn genen in concurrentie met andere genen die dezelfde functies op een andere manier vervullen. De genen die het beste overlevingsapparaat kunnen bouwen, zullen lang genoeg leven om hun eigenschappen aan volgende generaties door te geven. Opdracht 3 a Bedenk een voorbeeld van gedrag dat helpt om genen door te geven aan de volgende generatie.

b Hoort het standpunt van the selfish gene bij het determinisme of het voluntarisme? Beargumenteer je antwoord.

‘Het leven is een kaartspel. De kaart die je toebedeeld krijgt, is determinisme. De manier waarop je je kaart inzet, is vrije wil.’ Jawaharlal Nehru

16

Thema 1 - Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 16

Code 13/09/17 16:23


3  Nature en nurture in de psychologie 3.1 Herhaling De vorige jaren leerde je al heel wat verschillende visies en stromingen in de psychologie kennen. Opdracht 4 a Hieronder vind je enkele psychologische benaderingen waarover je de afgelopen jaren leerde. Combineer elke stroming met de juiste uitleg. stroming

uitleg A

De focus ligt op genetische, hormonale en neurochemische verklaringen van gedrag.

1

humanisme

B

Aangeboren seksuele driften en agressie zijn belangrijk. Maar ook de opvoeding tijdens de kinderjaren.

2

cognitieve psychologie

C

Al het gedrag is aangeleerd door de omgeving, met behulp van conditionering.

3

psychoanalyse

D

Maslow maakte een overzicht van basisbehoeften (in fasen). Hieruit komt voort dat de samenleving een grote invloed heeft op hoe iemand zichzelf ziet.

4

behaviorisme

E

Er zijn aangeboren mentale structuren (perceptie, geheugen …) die constant veranderd worden door de omgeving.

5

biologische benadering

A

B

C

D

E

b Plaats deze vijf psychologische benaderingen op een continuüm van nature tot nurture. nature

nurture

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 17

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

17 13/09/17 16:23


3.2  Nature in de psychologie De Italiaanse criminoloog Cesare Lombroso (1835-1909) was een aanhanger van het nature-standpunt. Hij wilde aantonen dat misdadigheid erfelijk bepaald is en dat sommige mensen aangeboren criminelen zijn. Hij schreef: ‘Criminelen zijn herkenbaar aan brede kaken, diepliggende ogen, een asymmetrisch gezicht, hoge jukbeenderen, afwijkende oren, een haviksneus, vlezige lippen en doorlopende wenkbrauwen.’ Criminaliteit was volgens Lombroso een overblijfsel uit een eerdere fase van de evolutie, dat alleen bij primitieve mensen voorkwam. Hij legde de oorzaak van misdadig gedrag dus bij het individu en niet bij maatschappelijke factoren. Zijn theorie sloot aan bij de (in zijn tijd als waar aanvaarde) overtuiging dat het karakter van een persoon af te lezen is aan zijn uiterlijk: mooie mensen hebben een beter karakter dan lelijke. Die intussen achterhaalde theorie merk je trouwens nog vaak op in romans en films: de kwade heeft een ‘karakterkop’ en de goede heeft een knap gezicht. De Canadees-Amerikaanse psycholoog Steven Pinker (°1954) gaat ook uit van het nature-standpunt. Zijn veelbesproken boek The Blank Slate stelt ouders gerust: het effect van ouderlijke opvoeding op de vorming van de kinderlijke persoonlijkheid wordt schromelijk overschat. ‘Of kinderen thuis blijven bij moeder of naar de crèche gaan, of ze worden opgevoed door een heteroseksueel of homoseksueel koppel … Op lange termijn heeft het allemaal weinig of geen invloed. Kinderen lijken in heel wat opzichten natuurlijk wel op hun biologische ouders, maar dat komt doordat ze hun genen geërfd hebben, niet omdat ze door hun ouders zijn opgevoed. Liefdevolle ouders krijgen vaak liefdevolle kinderen, agressieve ouders krijgen vaak agressieve kinderen,’ zegt Pinker. Opdracht 5 Bekijk bij het onlinelesmateriaal het filmpje waarin Steven Pinker zijn boek toelicht. Geef de drie argumenten die Pinker aanhaalt tegen het idee van de tabula rasa.

Voor de maatschappij vormt het nature-standpunt echter een probleem als het gebruikt wordt om bepaalde groepen mensen te discrimineren en andere groepen als superieur te beschouwen. Opdracht 6 Bekijk het filmpje dat je bij het onlinelesmateriaal terugvindt. Discussieer daarna in groepjes over eugenetica en gehandicapten binnen de maatschappij.

18

Thema 1 - Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 18

Code 13/09/17 16:23


ETNOCENTRISME Etnocentrisme, de overtuiging dat bepaalde rassen in aanleg superieur zijn, wordt vaak verantwoord door een nature-standpunt. Etnocentrisme is van alle tijden en er werden allerlei argumenten gebruikt om te ‘bewijzen’ dat een bepaald volk minderwaardig was. • Het felle antisemitisme zoals dat in de 15de eeuw in Spanje bestond was een mengvorm van religieus-culturele elementen en raciale elementen. • Vanaf de 17de eeuw onderscheidden sommige Europese theologen een hiërarchie onder de mensen. Zo beschouwde men de blanke mens het dichtst bij God; helemaal onderaan in de hiërarchie positioneerde men de negroïde mensen, dan de aap enz. Voor veel 18de- en 19de-eeuwse slavenhandelaren betekende dit een rechtvaardiging van hun activiteiten. • Zogezegde ‘natuurwetenschappelijke’ rassentheorieën ontstonden in de 19de eeuw, onder meer door uitwerking van bepaalde inzichten uit de evolutietheorie. Men meende dat bepaalde rassen een natuurlijk recht hadden op een hogere positie. Het zogenaamd superieure blanke ras zou door vermenging met andere rassen verzwakken en ten onder gaan. • In de 19de eeuw werd de racistische theorie in veel gevallen als rechtvaardiging gebruikt voor kolonialisme. Sommigen gingen ervan uit dat blanken het morele recht hadden om landen met een nietEuropese bevolking te overheersen.

In Zuid-Afrika heerste van 1948 tot ca. 1990 apartheid. Op het bord op de foto staat dat dit strand enkel toegan­ kelijk is voor blanken.

3.3  Nurture in de psychologie 3.3.1 Het behaviorisme van Watson Het behaviorisme* is een stroming in de psychologie die zich bezighoudt met het waarneembare gedrag van mensen en dieren, omdat het bewustzijn volgens de behavioristen niet bestudeerd kan worden. De Amerikaanse behavioristische psycholoog John Broadus Watson (1878-1958) schreef in 1913 het geruchtmakende artikel Psychologie zoals de behaviorist haar ziet. Daarin argumenteert hij dat psychologie even objectief moet proberen te zijn als natuurkunde of scheikunde. Een aantal niet-observeerbare begrippen, zoals bewustzijnstoestand, geest en emotie, worden verbannen. Ook introspectie wordt niet meer gebruikt, aangezien die onderzoeksmethode veel te subjectief is. Psychologen moeten zich beperken tot wat ze meteen kunnen waarnemen en meten. Behavioristen experimenteren veel met dieren (o.a. ratten), want volgens hen is er een zekere overeenkomst tussen het gedrag van dieren en dat van mensen. Gedrag of respons (R) is een aangeleerde reactie op een bepaalde uitwendige prikkel of stimulus (S). M.a.w. gedrag is geconditioneerd gedrag. Watson was ervan overtuigd dat elk gedrag van mens én dier kan worden geanalyseerd in termen van stimulus/respons-relaties.

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 19

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

19 13/09/17 16:23


Opdracht 7 Je leerde in het vierde jaar al over stimulus en respons. Lees de onderstaande voorbeelden en geef telkens de stimulus en de respons. voorbeeld

stimulus

respons

Ingrid doet haar trui aan als ze voelt dat het kouder wordt. Fred stopt met zijn racefiets voor een rood licht. Miel zet zijn veiligheidshelm op vooraleer hij de werf betreedt. Volgens Watson zijn alle verschillen tussen mensen te wijten aan het verschillend ervaren van het leerproces. Hij beweerde ooit het volgende: ‘Geef me een dozijn gezonde kinderen en mijn eigen specifieke wereld om hen in groot te brengen en ik garandeer dat ik gelijk welk kind kan trainen om een bepaald soort specialist te worden, zoals dokter, advocaat, baas … Ik kan er zelfs een dief of een bedelaar van maken.’ Je leerde vorig jaar al dat conditioneren* een techniek is waarbij behavioristen in experimentele situaties een dier aanleren om een associatie te maken tussen twee factoren. • Watson leerde de kleine Albert (1) in een beroemd experiment om een associatie te maken tussen knuffeldieren en angst. • De Russische fysioloog Ivan Pavlov (1849-1936) toonde in experimenten met honden aan dat hij ze kon aanleren om een associatie te maken tussen het horen van voetstappen en eten krijgen; zonder leerproces lukte dit niet. • De Amerikaanse psycholoog B.F. Skinner (1904-1990) trainde ratten door een associatie te maken tussen bepaald gedrag en een beloning of straf die daarop volgde. Er zijn twee soorten conditionering: • de klassieke conditionering; • de operante conditionering. 3.3.2 De klassieke conditionering Klassieke conditionering* is een vorm van leren waarbij nieuw gedrag aangeleerd wordt door de koppeling van bestaand gedrag aan een neutrale prikkel. We leren welke signalen gevaar aangeven, welke duiden op voedsel … Deze signalen vergroten onze kans op overleven. Klassieke conditionering werd voornamelijk door de behavioristen gebruikt, zowel bij dieren als bij mensen. • Met een open vuur kan je je verwarmen, maar als het vuur te groot wordt is het tijd om te vluchten of te blussen. • Gekleurde bloesems zijn voor insecten duidelijke signalen dat er voedsel in de buurt is.

20

Thema 1 - Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 20

Code 13/09/17 16:23


HET PAVLOV-EFFECT De Russische fysioloog Ivan Pavlov (1849-1936) verrichtte baanbrekend werk. Hij bestudeerde de speekselafscheiding bij honden als reactie op specifieke prikkels. Voor de studie van de spijsverteringsmechanismen hadden Pavlov en zijn medewerkers via een operatieve ingreep de speekselafscheiding van honden afgetapt. Zo hadden ze aangetoond dat honden automatisch gingen kwijlen als er voedsel in hun bek zit, een natuurlijke reflex. Ook stelden ze vast dat de hond na een tijdje al ging kwijlen als hij nog maar eten zag, of als hij voetstappen hoorde van degene die voedsel bracht. De hond ging dus kwijlen, ook al had hij nog geen voedsel in zijn bek, omdat hij geleerd had om voedsel te verwachten. Daarop ging Pavlov verder: hij leerde de honden aan om te kwijlen elke keer als er een bel geluid werd, door dat belgeluid af te spelen telkens als de honden eten zagen. Het proces van de klassieke conditionering kent drie fasen. • De eerste fase vindt plaats voor de eigenlijke conditionering: een stimulus uit de omgeving zorgt voor een natuurlijke reactie die niet aangeleerd (ongeconditioneerd) is. Behavioristen zeggen: een ongeconditioneerde stimulus (UCS, unconditioned stimulus) zorgt voor een ongeconditioneerde reactie (UCR, unconditioned response). -  Door een virus (UCS) op te lopen, wordt Mariya misselijk (UCR). -  Pavlov observeerde dat de honden in het onderzoekslabo bij het zien van hun eten (UCS) begonnen te watertanden (UCR). • De tweede fase is het proces van de conditionering: een neutrale stimulus (NS) wordt aangeboden in combinatie met de ongeconditioneerde stimulus (UCS). De ongeconditioneerde stimulus (UCS) zorgt nog steeds voor de ongeconditioneerde reactie (UCR). -  In de week dat Mariya het virus opliep (UCS), at ze bijna elke dag frikandellen (NS). Het virus (UCS) maakte Mariya misselijk (UCR). -  Pavlov liet een geluidsignaal afspelen (NS) op het moment dat zijn honden hun eten zagen (UCS). Het zien van het eten (UCS) maakte de honden watertanden (UCR). Als de neutrale stimulus vaak aangeboden wordt in combinatie met de ongeconditioneerde stimulus, wordt de neutrale stimulus hierdoor de geconditioneerde stimulus (CS, conditioned stimulus). • In de derde fase zorgt de geconditioneerde stimulus (CS), die nu geassocieerd is met de ongeconditioneerde stimulus, voor een geconditioneerde reactie (CR). -  Mariya wordt misselijk (CR) als ze ook maar denkt aan frikandellen eten (CS), ook al is ze genezen van het virus (UCS). -  Pavlovs honden gingen ook watertanden (CR) als hij het geluidsignaal afspeelde (CS) en er geen eten (UCS) in zicht was. Opdracht 8 Bedenk zelf nog twee voorbeelden van klassieke conditionering en vul daarna de elementen op de juiste plaats in de tabel in. Voorbeeld 1:

Voorbeeld 2:

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 21

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

21 13/09/17 16:23


element

voorbeeld 1

voorbeeld 2

ongeconditioneerde stimulus (UCS) Pavlovs honden zien eten. ongeconditioneerde reactie (UCR) De honden gaan watertanden. neutrale stimulus (NS) Pavlov speelt een geluidssignaal. geconditioneerde stimulus (CS) Pavlov speelt een geluidssignaal. geconditioneerde reactie (CR) De honden gaan watertanden. 3.3.3 De operante conditionering Operante conditionering* is een vorm van bewust leren waarbij gewenst gedrag beloond wordt en ongewenst gedrag bestraft wordt. Opdracht 9 a Stel, je hebt een goed eindrapport. Waarmee zouden je ouders je dan kunnen belonen?

b Geef nog andere manieren van belonen.

c Hoe kunnen je ouders je straffen?

d Geef nog andere manieren van straffen.

22

Thema 1 - Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 22

Code 13/09/17 16:23


De grondlegger van de operante conditionering is de Amerikaanse psycholoog B.F. Skinner (1904-1990). Volgens hem zijn de krachtigste beïnvloeders van gedrag de gevolgen van dat gedrag, dus wat net na het gedrag gebeurt (belonen en straffen). Het bekendste experiment van Skinner voerde hij uit met ratten in zijn operante ruimte, later ook Skinner-box genoemd. Zo kon hij onderzoek doen naar de effecten van belonen en straffen. Skinners experiment ging als volgt: een rat wordt in de Skinner-box geplaatst. Als de rat de hendel aanraakt, krijgt hij onmiddellijk voedsel toegediend. In het begin doet de rat dat toevallig, maar naarmate dit proces zich vaker voordoet, leert de rat dat er voedsel volgt telkens wanneer hij de hendel aanraakt. Deze vorm van leren staat bekend als leren door gissen en missen (Engels: trial and error). Als de rat opnieuw in de Skinner-box wordt geplaatst, zal hij ‘bewust’ de hendel aanraken om voedsel te krijgen. Op dezelfde manier kan je heel wat ander nieuw gedrag aanleren. Een voordeel van de Skinner-box was dat de tijdstippen en de frequentie van beloning gereguleerd konden worden. Als je vaak genoeg en op regelmatige tijdstippen beloond wordt, wordt het gedrag dat wordt nagestreefd, beter en efficiënter bereikt. Dit principe wordt ook toegepast in de behandeling van angsten en fobieën. Denk bijvoorbeeld aan iemand die hoogtevrees heeft. De psycholoog zal de patiënt belonen voor elke fase, zoals op een trapje gaan staan, dan op een hogere stoel. Vervolgens beloon je de patiënt als hij op een ladder gaat staan, enzovoort. Opdracht 10 Operante conditionering doet zich niet enkel voor bij dieren. Ook bij mensen wordt dit vaak gebruikt om nieuwe gedragingen aan te leren. Denk in deze context aan zindelijkheidstraining bij kinderen. Hoe zou jij dit stapsgewijs aanpakken, met behulp van operante conditionering?

Opdracht 11 Je hebt nu de klassieke en de operante conditionering bestudeerd. Geef twee verschillen en één gelijkenis tussen deze twee manieren van conditioneren.

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 23

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

23 13/09/17 16:23


4  Het hedendaagse perspectief: wisselwerking tussen nature en nurture Intussen weten we dat het geen kwestie is van ofwel nature ofwel nurture, maar dat alle menselijke eigenschappen een wisselwerking zijn van erfelijke en omgevingsfactoren. In het vijfde jaar leerde je al over het tweelingonderzoek van de Nederlandse gedragsgenetica Danielle Posthuma (°1972), die concludeerde dat de bijdrage van erfelijke factoren en omgevingsfactoren gemiddeld vrijwel gelijk is bij de vorming van menselijke eigenschappen. Dit noemen we ook de convergentietheorie*. Gedragsgenetici hebben drie mogelijke verhoudingen vastgesteld tussen erfelijkheid en milieu. • Positieve samenhang Zowel in erfelijk materiaal van de mens als in het milieu zitten elementen die de ontwikkeling in een bepaalde richting duwen. Beide elementen ondersteunen dus dezelfde richting. • Reactieve samenhang Mensen kunnen anders reageren op personen met een verschillende erfelijke aanleg. Dat zal invloed hebben op de persoonlijkheidsontwikkeling. • Actieve samenhang Kinderen zullen in functie van hun erfelijke aanleg een passend milieu opzoeken of opbouwen. Opdracht 12 Hieronder staan voorbeelden van de mogelijke verhoudingen tussen erfelijkheid en milieu. Plaats bij elk voorbeeld een kruisje in de juiste kolom. positieve samenhang

reactieve samenhang

actieve samenhang

Vic (6) speelt heel graag voetbal en zoekt daarom klasgenoten op de speelplaats op die ook graag voetbal spelen. Ze worden echte vrienden. Leerkrachten zijn toleranter tegenover verstandige leerlingen dan tegenover minder verstandige leerlingen. Soukaina (13) houdt ervan om haar dwarsfluit boven te halen op familiefeesten. Haar vader speelt er dan gitaar bij. Als haar moeder zin heeft, laat ze ook haar prachtige stem horen. Wat een geweldig trio is het dan! Opdracht 13 De leerkracht verdeelt jullie in groepjes. Onderzoek een van de onderstaande onderwerpen en leg uit wat de invloed van nature en nurture op jullie onderwerp is. • Abortus als er een handicap vastgesteld wordt • Wat veroorzaakt kanker? • Hoe speelt de erfzonde nog in de samenleving? • Early tracking in het onderwijs

24

Thema 1 - Met verschillen samenleven

Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 24

Code 13/09/17 16:23


Opdracht 14 Maak een begrippenlijst voor dit hoofdstuk. De bijhorende definities vind je in het leerwerkboek of zoek je op in een betrouwbare bron. Vermeld zeker de woorden met een sterretje. Je mag ook andere moeilijke of nieuwe woorden toevoegen. Werk je begrippenlijst na elk hoofdstuk bij. Zo heb je een goede houvast voor je examen. Meer informatie over een begrippenlijst maken vind je bij het onlinelesmateriaal. Opdracht 15 Maak de inhoud van dit hoofdstuk inzichtelijk. Hiervoor kan je kiezen voor een samenvatting, een mindmap of een schema. Bij het onlinelesmateriaal vind je meer uitleg over hoe je dat aanpakt. Doe dit voor alle hoofdstukken.

Code Code Gedrag 6 VO_LWB.indb 25

Hoofdstuk 1 - Diversiteit tussen individuen

25 13/09/17 16:23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Code Gedragswetenschappen 6 (KathOndVla) Voorbeeldpagina's by VAN IN - Issuu