Thema 1
Van kinds af aan
Hoofdstuk 1
lt e k ik w t n o n e e r e d Ie
1 Wat is ontwikkeling? ..................................................................................................................................................................................................... 28 2 Ontwikkelingsvormen................................................................................................................................................................................................... 29
2.1 Groeien............................................................................................................................................................................................................................... 29
2.2 Rijpen ................................................................................................................................................................................................................................. 29
2.3 Leren ................................................................................................................................................................................................................................... 31
3 Fasen in de ontwikkeling ............................................................................................................................................................................................ 33 4 Ontwikkelingsdomeinen ............................................................................................................................................................................................ 35
4.1 Lichamelijke ontwikkeling ..................................................................................................................................................................................... 35
4.2 Psychische ontwikkeling.......................................................................................................................................................................................... 36
4.3 Sociale ontwikkeling ................................................................................................................................................................................................. 37
4.4 Morele ontwikkeling ................................................................................................................................................................................................. 37
Een mindmap maken .................................................................................................................................................................................................................. 38
Na dit hoofdstuk kan je … £ de begrippen ontwikkelen, groeien, rijpen en leren in concrete situaties gebruiken; £ de verschillende ontwikkelingsfasen herkennen; £ de verschillende ontwikkelingsdomeinen opsommen; £ een mindmap maken.
Code
Hoofdstuk 1 - Iedereen ontwikkelt
27
INTRO a b c
Bekijk de linkse foto en beschrijf wat je ziet. Wat is er precies gebeurd? Bekijk nu de rechtse foto. Wat zie je daar gebeuren? Welk verband kan je leggen tussen de twee foto’s?
1 Wat is ontwikkeling? Ontwikkeling is een belangrijke term in de gedragswetenschappen. Hij wordt in verschillende betekenissen gebruikt. • • •
Als je van een quizzer zegt dat hij gewonnen heeft omdat hij een grote algemene ontwikkeling heeft, dan bedoel je dat hij een uitgebreide algemene kennis heeft. Als je van een meisje van 12 jaar zegt dat ze lichamelijk al sterk ontwikkeld is, dan bedoel je dat ze al bredere heupen heeft gekregen en haar borsten al gegroeid zijn. Als je vaststelt dat de mens zich ontwikkelt van foetus tot bejaarde, dan bedoel je dat de mens groeit, evolueert, zich door de jaren heen vormt.
Kijk eens naar de samenstelling van het woord ontwikkelen. Je merkt dat het uit twee delen bestaat, nl. ont- en wikkelen. Letterlijk betekent het ‘van een wikkel ontdoen’. Synoniemen zijn ontvouwen en ontplooien. Ontwikkelen heeft dus te maken met het loskomen uit de ene fase om een volgende fase in te gaan, zoals een rups zich tot een vlinder ontplooit.
28
Thema 1 - Van kinds af aan
Code
Elke nieuwe fase in het ontwikkelingsproces is een uitbreiding van een vorige fase. De ontwikkeling kan verschillende vormen aannemen en ze kan betrekking hebben op verschillende domeinen. De ontwikkelingspsychologie, ook bekend als de levenslooppsychologie, behandelt de veranderingen die we meemaken in verschillende leeftijdsfasen, tot de oude dag. In de ontwikkelingspsychologie is er dus niet altijd sprake van vooruitgang. Ontwikkeling* is het gevolg van groei-, rijpings- en leerprocessen.
Ontwikkelingspsychologie* is een tak van de psychologie die de ontwikkeling bestudeert die de mens doormaakt van kind tot oudere.
2 Ontwikkelingsvormen Groeien, rijpen en leren zijn ontwikkelingsvormen. Ze kunnen niet los van elkaar gezien worden, want ze spelen op elkaar in. Een ontwikkelingsvorm* is een manier waarop een mens tot ontwikkeling kan komen.
2.1 Groeien • •
Seppe (14) is in één jaar 12 cm gegroeid. Met een goed geplaatste sprong kan hij aan het plafond bij hem thuis. Celine (15) is lid van een atletiekclub. Aanvankelijk was ze wat onzeker, maar door de training is haar spiervolume enorm toegenomen. Groeien* is de toename van lichamelijke afmetingen en van fysieke functies.
Groeien heeft een invloed op de psychische ontwikkeling en op de mate dat een persoon nieuwe dingen kan doen. De toename van het spierweefsel kan er onder meer voor zorgen dat een persoon kan lopen. Zo kan een persoon dan nieuwe dingen ontdekken en wordt zijn wereld als het ware groter.
2.2 Rijpen Opdat een appel met smaak gegeten kan worden, moet hij voldoende rijp zijn. De vrucht kan onder invloed van zon en voedingsstoffen al behoorlijk gegroeid zijn, maar daarom is hij nog niet rijp. Bij de ontwikkeling van de mens is er ook sprake van rijping of maturatie. Het gaat dan om het klaarmaken van organen vooraleer die werkelijk kunnen functioneren. Zodra de rijping gebeurd is, kunnen we meer doen. Als groeien een kwantitatieve toename is, ligt bij het rijpen de nadruk op het kwalitatieve. • •
Vanaf de geboorte is alles aanwezig om te kunnen praten: stembanden, hersencellen, ademhaling. Maar toch lukt praten niet meteen. Er is een rijpingsperiode nodig. Een kind van anderhalf jaar is nog niet klaar om aan zindelijkheidstraining te beginnen, omdat de sluitspieren van de blaas nog niet voldoende gerijpt zijn.
Code
Hoofdstuk 1 - Iedereen ontwikkelt
29
Opdracht 1 Geef een ander voorbeeld van rijping dat je zelf hebt meegemaakt.
Rijping gebeurt onder andere door het vormen van myeline rond de zenuwvezels, zodat prikkels goed geleid worden. We zijn ons meestal niet bewust van die biologische processen. Ze worden voornamelijk gestuurd door de genen die je hebt meegekregen van je ouders. DE RIJPING VAN DE ZENUWVEZELS Hier zie je een afbeelding van een zenuwvezel, die omgeven wordt door een myelineschede. Voor onze spieren bewegingen kunnen uitvoeren, moeten de zenuwvezels rijp zijn. Die zenuwvezels vervoeren namelijk impulsen naar de spieren. De rijping van de zenuwvezels gebeurt o.m. door het vormen van een laagje myeline. De myeline zorgt ervoor dat signalen sneller worden doorgestuurd. Vooral voor het overbruggen van lange afstanden, zoals bij zenuwvezels die lopen van ruggenmerg naar handen of voeten, is dat van cruciaal belang.
myelineschede
Ook omgevingsfactoren hebben echter een invloed op de lichamelijke en geestelijke rijpingsprocessen. • •
Kinderen in Denemarken gaan pas op 4-jarige leeftijd naar school, omdat dan de zindelijkheidstraining achter de rug is. In ons land beginnen we er veel vroeger aan: hier mogen peuters van 2;6 al naar school gaan. Nu Hanne rijp is om te leren praten, zal haar omgeving mee bepalen welke taal ze spreekt.
Rijpen en groeien hangen samen. Voor je organen kunnen rijpen, moeten ze eerst voldoende gegroeid zijn. Opdracht 2 a Bekijk de foto’s. Hoe kan deze omgevingsfactor het rijpingsproces van de mens beïnvloeden?
30
Thema 1 - Van kinds af aan
Code
b Kinderen leren binnen de lijntjes kleuren met een potlood. Welke omgevingsfactoren kunnen hier stimulerend werken?
c Bedenk zelf een voorbeeld van een factor die een negatieve invloed heeft op het rijpingsproces.
Rijpen* is het ontwikkelingsproces van reeds aanwezige functies dat gestuurd wordt door genen en omgevingsfactoren.
2.3 Leren Mensen ontwikkelen zich niet alleen door te groeien en te rijpen, maar ook door te leren. Ze doen dan kennis en vaardigheden op. Dat kan op heel wat manieren. Opdracht 3 Verbind de voorbeelden met een van de leerprocessen. voorbeeld
leerproces
Bas (21) kan heel mooie meubels maken. Dat hoeft niet te verwonderen. Als 3-jarige kleuter was hij heel vaak op stap met zijn opa, die A schrijnwerker was. Als opa een hamer nam, dan moest Bas er ook een hebben.
1
door ervaringen op te doen
Als Elias (2) geronk hoort in de lucht, zegt hij: ‘Kijk, vliegtuig.’ Toen Liesje B (3) een olijf proefde, zei ze: ‘Bah, vies!’ Bert (1;6) huilde toen hij met zijn handje tegen de kachel viel. Later zei hij zelf: ‘Pas op, warm!’
2
door te imiteren
Toen Pieter (5) in de tweede kleuterklas zat en de bal afpakte van Kevin C (5), kreeg hij prompt een klap. Hij leerde al vlug dat afpakken onprettige gevolgen kan hebben.
3
door zelf dingen te proberen, te experimenteren
Liv (17) leerde op school dat hormonale veranderingen tijdens de menopauze serieuze schommelingen in het humeur teweeg kunnen D brengen. Toen begreep ze beter waarom haar moeder soms zo lichtgeraakt was.
4
door zintuigen te gebruiken
Anja (34) was studente aan de academie en interesseerde zich heel sterk voor het bewerken van foto’s op de computer. Haar leerkrachten waren daarin niet geschoold, dus moest ze zelf aan de slag. Door zelf heel veel technieken uit te proberen, is ze een bekende kunstenares geworden.
5
door kennis op te doen via school of andere bronnen
E
A
B
C
D
E
Leren* is het verwerven van nieuwe gedragsmogelijkheden. Het verwerven van nieuwe gedragsmogelijkheden kan ook betekenen dat je oude gedragingen afleert.
Code
Hoofdstuk 1 - Iedereen ontwikkelt
31
Opdracht 4 Beslis of de onderstaande voorbeelden betrekking hebben op groeien, rijpen of leren. voorbeeld
groeien
rijpen
leren
Jos (15) is in één jaar 11 cm groter geworden. Eve (0;8) is nog niet toe aan zindelijkheidstraining. De sluitspieren van de blaas zijn er nog niet klaar voor. Matthias (20) is de laatste twee jaar enorm veranderd. Zijn schouders zijn breder geworden en zijn spiermassa nam spectaculair toe. Na het taalkamp nam Koen vlot het woord in de les Frans. Opdracht 5 Lees het verhaal van Cis. Schrijf daarna op welke elementen van het verhaal te maken hebben met rijping en welke met lering. Tot vorig jaar werd er met Cis (15;2) gelachen. Hij had toen nog een kinderstemmetje, gaf toe dat hij nog met speelgoedautootjes speelde en interesseerde zich niet voor meisjes. Nu heeft hij een diepe basstem en een uitgeschoten gestalte. Hij heeft zich ingeschreven voor een monitorcursus tijdens de vakantie en bezoekt regelmatig de fitness. •
Elementen van rijping:
•
Elementen van lering:
32
Thema 1 - Van kinds af aan
Code
3 Fasen in de ontwikkeling Opdracht 6 Wat weet je al? Probeer het juiste antwoord te kiezen. Na opdracht 7 kan je controleren of je de vragen goed hebt beantwoord. a
Wie is het jongste? £ een peuter £ een zuigeling £ een kleuter
b
Hoe oud is een adolescent? £ tussen 7 en 17 jaar £ tussen 22 en 32 jaar £ tussen 12 en 20 jaar
c
Wat is de prenatale fase? £ de periode net na de geboorte van een kind £ de twaalf uur voordat een baby geboren wordt £ de negen maanden van het moment van de bevruchting tot aan de geboorte
Telkens wanneer er diepgaande veranderingen optreden, zeggen we dat de mens een andere fase in zijn ontwikkeling intreedt. De ontwikkelingspsychologie onderscheidt een vijftal fasen, die verder opgedeeld worden in vijftien perioden. Over de leeftijdsgrenzen van die fasen en perioden is men het niet altijd eens. Je weet vast ook wel dat een kind van 3 jaar onmogelijk als volwassene beschouwd kan worden. Een jongeman van 11 jaar, daarentegen, is nog wel een kind, maar misschien ook al een adolescent. De afbakening van de leeftijdscategorieën die hieronder gebruikt wordt, is in de praktijk dus niet zo strikt. Opdracht 7 Lees de tekst aandachtig en vervolledig de tabel op de volgende bladzijde.
De prenatale fase is de fase vanaf het moment van conceptie tot net voor de geboorte. Het kind in de buik krijgt eerst de naam embryo. Na drie maanden, wanneer het kind er al iets meer als een mens begint uit te zien, wordt het foetus genoemd. Na gemiddeld negen maanden (38 weken na de bevruchting) is het moment van de geboorte aangebroken. Tot één maand na de geboorte spreken we van een pasgeboren baby. In de periode daarna wordt het kind een baby of zuigeling genoemd. Een kind van anderhalf jaar oud is een druk experimenterende en vaak ondeugende peuter. Nog eens anderhalf jaar later wordt de peuter een kleuter. Voor veel Vlaamse kinderen betekent dit de eerste kennismaking met de school, maar dat is niet verplicht. In deze periode leert het kind vooral omgaan met anderen en met zijn eigen mogelijkheden. In Vlaanderen wordt een kind leerplichtig op 1 september van het jaar
Code
dat het 6 wordt. Op 6-jarige leeftijd breekt dan ook de periode van het lagereschoolkind aan. In deze periode leert het kind lezen, schrijven, rekenen, allerlei problemen oplossen en samenwerken met anderen. Rond de 12de verjaardag stopt de fase van de kindertijd, om over te gaan naar de fase van de adolescentie. Die kan op haar beurt onderverdeeld worden in drie perioden: de vroeg-adolescentie (12 tot 14 jaar), de midden-adolescentie (14 tot 17 jaar) en de laat-adolescentie (17 tot 20 jaar). Nadien gaan we over naar de fase van de volwassenheid. Die fase kent ook drie perioden: de periode van de jong-volwassene (20 tot 30 jaar), de periode van de midden-volwassene (30 tot 45 jaar) en de periode van de laat-volwassene (45 tot 60 jaar). Tot slot breekt de fase van de ouderdom aan. Die bestaat uit twee perioden: de vroege ouderdom (tot 75 jaar) en de hoge ouderdom.
Hoofdstuk 1 - Iedereen ontwikkelt
33
fase
leeftijd
periode
naam van iemand in je omgeving
Waaraan herken je de periode bij die persoon?
-0;9 tot -0;6
embryo
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
prenatale fase
0 tot 0;1 baby of zuigeling 1;6 tot 3
lagereschoolkind
adolescentie
midden-adolescent
17 tot 20
45 tot 60
vroege ouderdom
75+
34
Thema 1 - Van kinds af aan
Code
4 Ontwikkelingsdomeinen De fasen zijn niet de enige manier om de ontwikkeling van mensen te bestuderen. Je kan ook kijken naar de ontwikkelingsdomeinen. Concreet gaat het over de lichamelijke ontwikkeling, de psychische ontwikkeling, de sociale ontwikkeling en de morele ontwikkeling. Heel vaak loopt de ontwikkeling in het ene domein parallel met de ontwikkeling in een ander domein. De verschillende ontwikkelingsdomeinen zullen in dit boek meermaals aan bod komen. In thema 1 bekijken we bijvoorbeeld de ontwikkeling van het kind.
4.1  Lichamelijke ontwikkeling Een erg opvallend ontwikkelingsdomein is de lichamelijke ontwikkeling. Doorheen je leven ontwikkelt je lichaam voortdurend. Sommige veranderingen ervaren we als positief, andere niet. Denk maar aan de kwaaltjes die gepaard gaan met ouderdom of de fysieke ongemakken die de vroeg-adolescentie teweegbrengt. Een synoniem voor lichamelijke ontwikkeling is fysieke ontwikkeling. Dit ontwikkelingsdomein kan verder opgedeeld worden in drie subdomeinen: de lichaamsbouw, de sensorische ontwikkeling en de motorische ontwikkeling. Opdracht 8 Vul de tabel in door bij elk subdomein de juiste omschrijving en het juiste voorbeeld te kiezen. subdomein
omschrijving
voorbeeld
lichaamsbouw sensorische ontwikkeling motorische ontwikkeling omschrijving
voorbeeld
A
ontwikkeling van de zintuigen
1
leren stappen
B
ontwikkeling van de bouw van het lichaam
2
lichaamslengte
C
ontwikkeling van het bewegingsapparaat
3
zien, horen
Opdracht 9 a Hoeveel zintuigen hebben we? b Een aantal zintuigen werden in de vorige opdracht opgesomd. Welke andere zintuigen heb je nog?
c Welke twee zintuigen gebruik je het meest wanneer je mensen observeert? d Wat wil sensomotorische ontwikkeling zeggen? Baseer je hiervoor op de aparte delen in dit samengestelde begrip. Geef ook een voorbeeld.
De lichamelijke ontwikkeling* of fysieke ontwikkeling* is de ontwikkeling die het menselijk lichaam doormaakt. Ze bestaat uit drie subdomeinen: de lichaamsbouw, de sensorische ontwikkeling en de motorische ontwikkeling.
Code
Hoofdstuk 1 - Iedereen ontwikkelt
35
NOG MEER ZINTUIGEN? Er wordt algemeen aanvaard dat we vijf zintuigen hebben. Sommige wetenschappers vinden echter dat er nog zintuigen in het lijstje ontbreken. Denk maar aan het vermogen om je evenwicht te vinden, verplaatsingen te ervaren of temperatuur en pijn te voelen. Enkele van die ‘zintuigen’ ontstaan door het samenbrengen van informatie uit andere zintuigen in de hersenen. Je evenwicht behoud je bv. door een samenspel van visuele prikkels, het evenwichtsorgaan in je oor en een complex proces dat bekendstaat als proprioreceptieve waarneming of kinesthesie. Sommige dieren bezitten extra zintuigen. Vleermuizen, dolfijnen en sommige soorten walvissen maken bv. gebruik van echolocatie om voorwerpen te lokaliseren. Ze zenden een geluid uit en creëren een gedetailleerd beeld van hun omgeving op basis van de echo die terugkeert. In een vereenvoudigde vorm wordt echolocatie ook toegepast door blinde mensen. Op code.deboeck.com kan je een video bekijken van een blinde man die fietst met behulp van echolocatie.
4.2 Psychische ontwikkeling Naast de lichamelijke ontwikkeling is er ook sprake van psychische ontwikkeling. Het woord psychisch is afgeleid van het Griekse psyche, wat geest of ziel betekent. De psychische ontwikkeling beschrijft dus de mentale processen in de hersenen. De psychische ontwikkeling bestaat uit drie subdomeinen: de cognitieve ontwikkeling, de sociaal-affectieve ontwikkeling en de conatieve ontwikkeling. Opdracht 10 Vul de tabel in door bij elk subdomein de juiste omschrijving en het juiste voorbeeld te kiezen. subdomein
omschrijving
voorbeeld
cognitieve ontwikkeling sociaal-affectieve ontwikkeling conatieve ontwikkeling omschrijving
voorbeeld
A
verstandelijke ontwikkeling
1
ik ben boos, blij
B
ontwikkeling van de wil
2
ik kan goed redeneren
C
gevoelsontwikkeling
3
ik wil niet eten
De psychische ontwikkeling* is de ontwikkeling van de mentale processen. Ze bestaat uit drie subdomeinen: de cognitieve ontwikkeling, de sociaal-affectieve ontwikkeling en de conatieve ontwikkeling.
36
Thema 1 - Van kinds af aan
Code
4.3 Sociale ontwikkeling De sociale ontwikkeling beschrijft hoe mensen met elkaar omgaan. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat kinderen leren interageren (in wisselwerking treden) met anderen. Tijdens hun ontwikkeling worden ze zich onder meer bewust van sociale verhoudingen en ontdekken ze hoe vriendschappen tot stand kunnen komen. Kleuters leren vaak hoe ze zich in bepaalde situaties moeten gedragen door volwassenen na te bootsen. Nelle (6) en Lenn (4) zijn zus en broer. Ze spelen ‘mama en papa’. Een popje is hun kindje, met als naam Tess. Plots zegt Nelle tegen Tess: ‘Ga maar in de hoek staan, want zo praat je niet tegen mama.’ Tegen Lenn doet Nelle haar verhaal nog eens om ook ‘papa’ op de hoogte te brengen van wat Tess heeft gedaan. De sociale ontwikkeling stopt nochtans niet in de kindertijd. Ook op latere leeftijd leer je mensen kennen, maak je deel uit van groepen en kom je tot nieuwe inzichten over jezelf en de personen in je omgeving. De sociale ontwikkeling* bestaat uit het ontwikkelen van begrip voor anderen en een positieve houding ten opzichte van anderen.
4.4 Morele ontwikkeling De morele ontwikkeling is de ontwikkeling van het besef van goed en kwaad. Kinderen moeten daarin begeleid worden om zo een geweten op te bouwen. De morele ontwikkeling heeft te maken met waarden, normen en attitudes, waarover je meer leert in het volgende thema. De morele ontwikkeling* is de ontwikkeling van het besef van goed en kwaad.
Code
Hoofdstuk 1 - Iedereen ontwikkelt
37
Opdracht 11 Tot welk ontwikkelingsdomein behoren de volgende vragen? Geef bij lichamelijke en psychische ontwikkeling ook het subdomein. onderzoeksvraag
ontwikkelingsdomein
Hoe werkt de kniereflex? In welke omstandigheden maken kinderen echte vrienden? Hoe kan ons verstand een probleem oplossen? Waarom hebben veel kinderen een afkeer tegenover witlof? Hoe verklaar je overgevoeligheid voor bepaalde geuren? Wat zijn de secundaire geslachtskenmerken? Wat is de beste houding is bij het schrijven? Hebben peuters besef van goed en kwaad? Is het mogelijk een 6-jarige een cursus van 600 blz. te laten studeren? Hoe voelen mensen met een depressie zich? Waarom is het zo belangrijk om goede buren te hebben?
EEN MINDMAP MAKEN Een mindmap of woordspin is een manier om informatie op een overzichtelijke manier te schematiseren. De eerste stap bij het maken van een mindmap is het selecteren van het centrale thema. Dat centrale begrip komt in het midden te staan. Daarrond schrijf je de subthema’s, belangrijke woorden die met het centrale thema te maken hebben. Per subthema kan je dan nog extra informatie toevoegen. Meer informatie over mindmaps vind je in Stapstenen. Opdracht 12 Blader terug naar de intro vooraan in dit hoofdstuk. De jongen op het skateboard heeft een hele ontwikkeling afgelegd voor hij een volleerde skater werd. Vul de mindmap op de volgende bladzijde aan. Opdracht 13 Werk je begrippenlijst bij met de nieuwe begrippen uit dit hoofdstuk. Doe dat voortaan na elk hoofdstuk.
38
Thema 1 - Van kinds af aan
Code
Code
Hoofdstuk 1 - Iedereen ontwikkelt
39
bv. De skater leert nieuwe trucjes van zijn vrienden.
bv. De skater neemt de taal en muziekvoorkeuren van de skatersbende over.
bv. De skater heeft sterk ontwikkelde dijspieren.
bv. De skater voelt zich goed in de skatersbende en kan er zichzelf zijn.
SKATER
bv. De skater ziet overal wel een geschikte plaats om zijn hobby uit te oefenen, hij luistert graag naar de muziek uit het skatewereldje.
bv. De skater wil koste wat het kost oefenen op de ramp, om zo steeds beter te worden. Daaruit blijkt dat hij gedreven is.
bv. De skater leert zijn beurt af te wachten op de skateramp.
bv. De skater heeft soepele gewrichten om goed te kunnen bewegen.