Skip to main content

Traject Nederlands 1 - inhoudstafel (basis)

Page 1

Inhoud DEEL 1 VERBEELDEN

9

PAPS DROOMJOB – Hilde E. Gerard

10

1 Hallo, ik ben Speelse Fluwijn Wie ben je? 2 Begrijpen we elkaar? Help Zootastic 3 In een lijst gevangen Aan de slag met een geordende en overzichtelijke lijst 4 Gezocht: taalfanaat en mailkampioen Bericht aan je leraar 5 De stem van verbeelding De live lezershow UITDAGING In de mailbox van je leraar DE LAATSTE RONDE

12 17 19 28 30 37 38 46 48 54 56 57

DEEL 2 VERTELLEN VERTELLEN ZONDER WOORDEN – Guy Didelez 1 Tekstsoorten en tekstdoelen Maak een kwartet 2 Aan iemands lippen hangen Heet van de naald 3 Wat vertelt een tekst? Word een schema-expert 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp Informeer met een berichtje 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden Goochelen met zelfstandige naamwoorden 6 Speeddaten met een boek Laat je niet zomaar verleiden UITDAGING Ontmasker de leugenaar DE LAATSTE RONDE

DEEL 3 ONTDEKKEN

61 62 64 72 73 80 82 92 93 102 103 112 113 117 118 119

123

HET GEHEIM – Luc Descamps

124

1 Doen of zijn? Over het wwg en nwg Help de journalist 2 Ontdek de wereld Op inleefreis 3 Wat als … Standaardnederlands niet bestond? Op het podium 4 Ken je het voorwerp? Over het lv en mv Jouw blik op de toekomst 5 Lees en ontdek Ken je de held? 6 Gevat samengevat Een karaktertekening UITDAGING Speel het spel DE LAATSTE RONDE

126 138 139 148 150 154 156 164 165 177 178 181 183 184

INHOUD  TRAJECT Nederlands 1

3


DEEL 4 TRAINEN

187

BLOED, ZWEET EN TRA(I)NEN – Winny Ang

188

ROUTEPLANNER 1 Beluister of lees een boek Word junior recensent 2 Het was … : verleden tijd en voltooid deelwoord Wie wordt kampioen? 3 Korte en lange zinnen Kruip in je pen 4 Schrijven kun je leren Word moppentapper 5 Vragen over vragen Geheugenwerk trainen 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie Op zoek naar afkortingen UITDAGING Waag een gokje! Quiz je mee? DE LAATSTE RONDE

190 191 195 196 209 210 214 216 222 224 232 233 239 240 242

DEEL 5 VERLEIDEN

245

ZEEHONDEN – Koen D’Haene

246

1 Geloof je wat reclame belooft? Laat je niet zomaar verleiden 2 Naar het reclamebureau Creatief met reclame 3 Zeg het met … een bijvoeglijk naamwoord Een verzonnen product promoten 4 Hocus, pocus, poëzie Verleid met woorden 5 Ik nodig je uit Een verleidelijke uitnodiging maken UITDAGING Word reclame-expert DE LAATSTE RONDE

248 254 256 263 265 272 273 278 280 282 284 285

DEEL 6 ONDERZOEKEN BAS’ ROTTE ZOMER – Sebastiaan Leenaert

289 290

ROUTEPLANNER 292 1 Zakelijke teksten onder de loep 293 Je bent een belangrijke getuige 301 2 Het grote luisterexperiment 302 Word je een echte professor of net niet? 308 3 Foutloos spellen 310 Sprintdictee 318 4 Op zoek naar een boek 319 Creatief aan de slag! 326 UITDAGING Word tekstchirurg 328 DE LAATSTE RONDE 329

4

INHOUD  TRAJECT Nederlands 1


DEEL 7 SCOREN PENALTYKILLER – Do Van Ranst

331 332

1 Hoe doe je dat? 334 Ben je een goochelaar? 338 2 Scoren maar … 339 Een tekst begrijpen en alinea’s husselen 346 3 Stap voor stap 348 Schrijvend scoren bij je vrienden? 353 4 Klare taal 354 Zo doe je dat … 364 5 Je favoriete boek? 365 De kroon op het werk 375 UITDAGING Op naar de top 377 DE LAATSTE RONDE 379

DEEL 8 LIKEN

383

Vind ik leuk – Piet De Loof

384

1 Surfen en liken Een nieuwsbericht voor de klas 2 Expressief met taal De grote voorleesronde 3 Wie zijn ze? Profiel van een personage 4 Boeiend presenteren Word marktkramer 5 Striphelden tellen Bingo spelen UITDAGING Mijn talent DE LAATSTE RONDE

386 395 396 403 405 423 425 429 430 438 439 441

DEEL 9 SPRINGEN

447

BEVROREN – Evelien De Vlieger

448

ROUTEPLANNER 1 Wat ik deze zomer echt wil doen … Op bezoek in het reisbureau 2 Ik weet meer dan ik denk Win bingo als redacteur van ‘De foute woordenboek’ 3 Ik ga op reis en ik neem mee … Genre zoekt auteur 4 Spelen met taal UITDAGING Spring de vakantie in DE LAATSTE RONDE

450 451 456 458 464 465 476 478 483 485

INHOUD  TRAJECT Nederlands 1

5


Starten met Traject Nederlands Welkom bij Traject Nederlands. Hoe ga je met dit boek aan de slag? We navigeren je even door enkele belangrijke aspecten.

1

Op weg met Traject In het leerwerkboek vind je negen delen. Elk deel heeft als titel een werkwoord en is op dezelfde manier opgebouwd. Op de titelpagina van elk deel staat een beeld dat verband houdt met het werkwoord in de titel van dat deel. Daaronder vind je vragen over dat beeld.

deel 3

ontdekken

HILDE E. GERARD

1

5

10

15

20

25

30

© Merel van den Enden

1 Wat zie je op de foto? 2 Wie zie je op de foto? 3 Wanneer speelt dit tafereel zich af?

35

4 Waar speelt het zich af? 5 Is er maar één persoon te zien? Voorspel wat ze elkaar vertellen. 6 Welk verhaal zou de fotograaf met dit beeld willen vertellen? 7 Zou je bij de foto zelf een verhaal kunnen verzinnen? Waarover zou dat dan gaan?

40

‘Voor volgende week plan ik een hele leuke opdracht.’ Met stralende ogen kijkt mevrouw Jansen de klas rond. Pieter zucht binnensmonds. Een halfjaar ver is het schooljaar en ja hoor, zijn nieuwe school is best oké. Alleen … de lessen Nederlands. Pff f. Teksten lezen, nieuwe woorden instuderen. Homoniemen, homofonen, oeverloos taaltaken schrijven … En nu … Pieter dwingt zichzelf naar zijn lerares te luisteren. ‘Een spreekbeurt!’ Mevrouw Jansen juicht het uit. Pieter zucht nog meer. Steels kijkt hij rond. Achteraan rolt Stef met zijn ogen. Stef is zijn vriend. Samen werken ze aan een project voor informatica. Programmeren, dat is pas leuk. ‘Twee minuten praten jullie vooraan in de klas over jezelf. Maar niet echt over jezelf.’ De lerares schudt haar hoofd. ‘Je fantaseert een hele nieuwe persoonlijkheid.’ Saar op bank één klapt nog net niet in haar handen. Natuurlijk vindt zijn buurmeisje die opdracht geweldig. Fantaseren is haar dagelijkse bezigheid. Zó vermoeiend. Twee dagen voor het nieuwe schooljaar is Pieter verhuisd. Pas eind september sprak Saar Frederiks hem aan. Drie voetballen had hij toen al over de omheining getrapt. Elke keer ging hij aanbellen bij het nummer 13. ‘Beleefd zijn, Pieter!’ waarschuwde mam hem steeds. Tevergeefs, want de zwarte deur van de buren ging nooit open. Eén keer had hij zijn buurmeisje al gezien, toen ze door de voortuin naar de brievenbus sloop. Op school zag hij haar natuurlijk ook. Waar ze steevast te laat aankwam. ‘Zijn dat jouw voetballen?’ vroeg Saar. Bij voetbal nummer vier zwaaide ze de deur open. Totaal onverwacht. Met haar schoenpunt wees ze naar de ballen die onder een laag modder zaten. ‘Ja’, zei Pieter. ‘Ik heb al een paar keer aangebeld.’ Op zijn beurt wees hij naar de glanzende voordeur. ‘We doen nooit open’, vertrouwde Saar hem toe. Ze deed een stapje dichterbij om op fluistertoon verder te gaan. ‘Mijn vader is geheim agent, moet je weten. Hij jaagt op maffiabonzen en terroristen. Vóór alles wil hij zijn identiteit afschermen.’ Gejaagd keek ze om zich heen. ‘Laatst scheurde er een auto door de straat. Wat later verstopte een gemaskerde kerel zich in de struiken. Vader stuurde de bloedhond erop af.’ Pieter slikte en deed een stapje weg. Hij had het niet zo met honden sinds hij als kind was gebeten, in zijn arm en niet eens heel erg en door een poedel. Stel je voor hoe een bloedhond zou toeslaan. ‘D-d-dank je’, stotterde hij, ‘voor mijn voetballen.’ Hij bukte zich en drukte drie vieze ballen tegen zijn borst. De andere schopte hij voor zich uit naar het nummer 15. Op school bleef hij uit de buurt van Saar. Oktober was al enkele weken oud toen de verjaardagskalender van de klas eindelijk aan de muur kwam. ‘Babyfoto’s zijn altijd leuk’, had mevrouw Jansen geantwoord toen een leerling vroeg wat ze precies moest meebrengen. ‘Of een kiekje van je huisdier, of je hobby … Een gezinsfoto, eventueel. Aan jullie de keus.’ Het spectaculairst was zonder twijfel Jons portret. Hij bracht een kleurige foto mee van Sisje, zijn kousenbandslang. De meisjes in de klas griezelden, behalve Saar. Als er een bloedhond in je woonkamer rondliep, was je wel het een en ander gewoon, nam Pieter aan. Enkele dagen later hing ook Saars foto aan de wand. 13 maart. De verjaardag van haar en het hondje dat ze twee jaar geleden als geschenk had gekregen. Woefie, een rasechte chihuahua. Pieter hield het niet meer. ‘Is dat je bloedhond?’ hikte hij, terwijl hij Stef een vriendschappelijke por gaf. Saar keek Pieter aan alsof hij van een andere planeet kwam. ‘Zie je niet goed of wat?’ antwoordde ze met een weervraag en ze rolde met haar ogen. ‘Of weet je gewoon niks van honden af? Want een bloedhond ziet er helemaal anders uit, hoor. Ik kan het weten’, voegde ze er fluisterend aan toe. Ze kantelde haar hoofd en even leek het alsof ze nog iets wou zeggen, maar toen liep ze gewoon weg. Pieter keek haar fronsend na. Voor de spreekbeurtvolgorde trok Berna’s onschuldige hand een naam uit een zakje. Saar komt als eerste aan de beurt. Ze vertoont geen greintje nervositeit.

woord

8 De foto geeft een vreemde gebeurtenis weer. Het is een eigenaardig beeld. Ken jij andere vreemde dingen in onze wereld of in de ruimte?

binnensmonds: onduidelijk, mompelend oeverloos: eindeloos steels: heimelijk, stiekem steevast: altijd, voortdurend de identiteit: de persoonlijkheid, eigen karakter het greintje: het vleugje, het zweempje de nervositeit: de druk, de spanning

9 Hoe zou de fotograaf dit beeld gemaakt hebben? Zou je termen zoals close-up en totaalbeeld hier kunnen gebruiken? Bespreek samen.

123

routeplanner van deel 4 trainen

Klas

Nr.

Bekijk de uitdaging over quizzen, gokken en raden aandachtig. De kennis en vaardigheden die daarvoor nodig zijn, kun je op verschillende manieren inoefenen. Verken daarom de lessen van dit deel. Maak een keuze om enkele of alle lessen van dit deel zelfstandig of klassikaal af te werken. De volgorde van de lessen binnen het deel A en B en het tempo bepaal je zelf. Je start met deel A. Les 1 valt buiten deze routeplanner. In de tabel vind je een voorstel van het aantal lesuren per les. Baseer je daarop. De leraar begeleidt je. De leraar zorgt voor correctiesleutels waar nodig. Duid in de tabel de volgorde aan van de lessen die je zult afwerken. Kruis aan wat van je leraar mag en wat moet. Duid ook aan welke les zelfstandig en welke les klassikaal wordt gemaakt. Werk voor het groepswerk samen met iemand die (ongeveer) dezelfde volgorde kiest. Zet een teken in de laatste kolom als de les is afgerond. Succes!

JOUW ROUTEPLANNER lessen A

volgorde

aantal moet lesuren

Beeld en verhaal: ’Bloed, zweet en tra(i)nen’

0,5 - 1

Verken de uitdaging en de andere lessen + planning

0,5

Les 2 Het was …: verleden tijd en voltooid deelwoord

klassikaal

afgerond

1 - 1,5

Les 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

1

Les 4 Schrijven kun je leren

2

Les 5 Vragen over vragen

2

Uitdaging: Waag een gokje!

1-2

De laatste ronde

10

In delen 4, 6 en 9 kun je zelf je route uitstippelen: de routeplanner begeleidt je in de keuzes die je maakt om dat deel te doorlopen. Je kunt er invullen welke lessen je klassikaal of zelfstandig doet en in welke volgorde je door de lessen gaat.

Schrijf een korte tekst (van vijf tot acht zinnen) over een aspect of mogelijke ontdekking voor de toekomst. Kies eerst een thema. Werk per twee. Hoe pak je dat aan?

v

u

r

1 Kies een thema (mode, natuur, kunst, wetenschappen, bouwen en wonen, school …).

VOORBEREIDEN

o

v

u

r

2 Verzamel ideeën. 3 Probeer eerst op een apart blad een antwoord te formuleren op de vragen. Antwoord met een volledige en duidelijke zin of zinnen. 4 Onderstreep in je antwoorden het lijdend voorwerp met groen. a Hoe benader jij de toekomst?

c Wat geloof je niet?

b Wat fascineert je?

d Waarin geloof je?

UITVOEREN

o

v

u

r

5 Schrijf je tekst op een apart blad. Gebruik je antwoorden op de vragen.

REFLECTEREN

o

v

u

r

6 Vind je in je antwoorden een lijdend voorwerp? 7 Bekijk nu alle lijdende voorwerpen en de werkwoorden waarbij ze voorkomen. Wat kun je daaruit besluiten? 8 Onderzoek je zinnen opnieuw: heb je ook ergens een meewerkend voorwerp gebruikt? Onderstreep met rood.

Elke les eindigt met een pitstop. Dat is een creatieve opdracht waarbij je kunt laten zien wat je geleerd hebt. Aan de hand van OVUR word je door de opdracht geloodst. Daarbij hoort ook een evaluatiemoment.

Je traject naar succes

1

WAT WEET JE AL? WAT KUN JE AL? OPDRACHT 1

Wat is het onderwerp van de zin?

1 Onderzoek de zinnen: over wie of wat gaat het in deze zinnen? Markeer het onderwerp. a De jongens en meisjes van de scouts hielden gisteren een wafelverkoop voor het goede doel. b Vooral ouders en grootouders hebben de heerlijke wafels gebakken. c De groep zamelde zo meer dan 500 euro in. d Volgende zaterdag brengen ze dat geld naar de organisatie. e Omdat ze niet allemaal in de auto kunnen, gaan slechts vijf leden naar Boom. f

Daar zullen velen aanwezig zijn om hun goede doel toe te lichten en te vertellen hoe ze het geld bijeengebracht hebben.

2 In welke zinnen was het onderwerp vinden voor jou … gemakkelijk? twijfelachtig? te moeilijk? A

Als het grootste aantal bij ‘te moeilijk’ staat, dan herlees je het kader bij het onderwerp op p. 93. Daarna maak je extra oefeningen op diddit over het onderwerp. OPDRACHT 2

Wat wordt er over het onderwerp gezegd?

1 Lees de tekst over Jommeke. Onderstreep het onderwerp blauw en wat over het onderwerp gezegd wordt rood.

TRAJECT NEDERLANDS 1

DEEL 3 ONTDEKKEN

Bij een literatuurles is er een leesstop in plaats van een pitstop.

word junior recensent Werk per twee. Ken sterren toe aan de boeken die je beluisterde of las: van 1 tot 4 sterren.

ORIËNTEREN

o

v

u

r

1 Ken je de sterren bij films, tv-programma’s en liedjes? Staat de uitleg van de sterren ergens genoteerd? Zoek het eens op. 2 Wat betekenen voor jou de verschillende scores? Wanneer verdient een boek 1, 2, 3 of 4 sterren?

VOORBEREIDEN

o

v

u

r

3 Omschrijf de verschillende scores/criteria voor het aantal sterren.

UITVOEREN

o

v

u

r

4 Geef nu sterren aan de boeken die je beiden las. Noteer die sterren op een kaartje met titel en auteur. Breng die kaartjes ergens aan in de klas, zodat anderen ze ook kunnen bekijken.

REFLECTEREN

o

v

u

r

5 Zoek een titel van een boek dat je kent. Ga je akkoord met het aantal sterren dat erbij staat? Ken je geen enkel boek? Spreek dan een klasgenoot aan en vraag waarom zijn boek zo veel sterren kreeg. Je traject naar succes Je kunt duidelijke omschrijvingen maken voor de scores/sterren.

1234

Je kunt helder uitleggen waarom je boek precies zo veel sterren kreeg.

1234

Dit heb je over jezelf geleerd:

Je vertelt in je tekst over de toekomst.

1234

Je verwerkt alle antwoorden in je tekst.

1234

Je kunt alle lijdende voorwerpen aanduiden. Heb je ook een meewerkend voorwerp gebruikt?

JOURNALIST HELPEN: schrijven gezegde: wwg en nwg aanduiden, benoemen en gebruiken

126

Jouw blik op de toekomst

o

Elk deel bevat vier tot zes lessen. Aan het begin van elke les tonen vliegertjes je wat in de les aan bod zal komen.

Doen of zijn? Over het wwg en nwg

1

(1) Jommeke is een personage bedacht door tekenaar Jef Nys en hoofdrolspeler in de gelijknamige Vlaamse stripreeks. (2) Hij heeft een pratende papegaai, Flip, als huisdier. (3) Op 30 oktober is Jommeke jarig en als sterrenbeeld heeft hij schorpioen. (4) Hij is een slim en avontuurlijk jongetje van 10 jaar en 4 maanden. (5) Zo beschreef tekenaar Jef Nys hem zelf. (6) Hij is makkelijk herkenbaar aan zijn apart blond kapsel, het strooien dakje.

DEEL 4 TRAINEN

ORIËNTEREN

DEEL 1 VERBEELDEN

betekenisverbanden in zinnen aantonen

10,5 - 13

TRAJECT NEDERLANDS 1

TRAJECT NEDERLANDS 1

les

0,5 - 1

TOTAAL

190

zelfstandig

2

Les 3 Korte en lange zinnen

B

mag

Na de titelpagina verrast een jeugdauteur je met een kort verhaal dat te maken heeft met het werkwoord.

PAPS DROOMJOB

1234 ja

nee

woord

fascineren: betoveren, boeien, aanspreken

164

6

TRAJECT NEDERLANDS 1

DEEL 3 ONTDEKKEN

Starten met TRAJECT Nederlands 1

LES 1 BELUISTER OF LEES EEN BOEK

195


Na de laatste pitstop volgt het grotere, belangrijke werk: de uitdaging. Dat is een grotere opdracht waarbij je combineert wat je in de lessen van dat deel hebt geleerd. De uitdaging is ook opgebouwd rond OVUR en bevat eveneens een evaluatiemoment.

UITDAGING: IN DE MAILBOX VAN JE LERAAR ORIËNTEREN

o

v

u

r

Aan het einde van deze les zul je een mail versturen aan je leraar met daarin een lijst van zes jeugdboeken die je nog zou willen lezen. 1 Denk voor die situatie na over de vragen van het communicatiemodel.

VOORBEREIDEN

o

v

u

r

2 Zoek zes boeken die jij in de toekomst graag zou willen lezen. Stap 1: Kijk terug naar les 5. In die les verzamelde je al vier boekentips. Stap 2: Zoek twee extra boekentips voor jezelf. Daarvoor kun je de websites gebruiken die aan bod kwamen in les 5. Stap 3: Leg een lijst aan met die zes boeken. Kies een logische volgorde. Leg je keuze voor je volgorde uit. 3 Stel een e-mail op aan je leraar Nederlands waarin je die lijst doorgeeft. 4 Welke info mag zeker niet ontbreken? 5 Maak een eerste kladversie van de mail. 6 Controleer je mail: O Wijst de spellingchecker nog fouten aan? O Herlees je e-mail: zijn alle zinnen goed gebouwd? O Heeft elke zin een hoofdletter en een leesteken?

UITVOEREN

o

v

u

r

7 Maak een definitieve versie van de mail. Verstuur die aan je leraar.

REFLECTEREN

o

v

u

r

8 Evalueer jezelf. In orde

Je traject naar succes Je mail bevat een lijst met zes jeugdboeken in een logische volgorde.

1234

Je gebruikt een kernachtige onderwerpregel.

1234

Je hanteert een gepast taalregister.

1234

Je schrijft een beleefde begroeting, bedanking en slot.

1234

De boodschap is duidelijk, kort en bondig.

1234

Je gebruikt hoofdletters en leestekens correct.

1234

Dit deel is nu afgerond. Bekijk ook de werkpuntjes en de criteria bij elke pitstop of leesstop van dit deel. Vul aan voor jezelf:

56

2

•

dit gaat vlot:

•

dit vraagt training:

TRAJECT NEDERLANDS 1

Na de uitdaging volgt De laatste ronde: daarin ga je op een leuke en uitdagende manier aan de slag met de woordenschat van het deel.

De laatste ronde OPDRACHT 7

Welke woorden zoeken we? 1

2

3

4

5

6 7 8 9 10 11

12 13 14

15

Horizontaal 1 Dat vlinderdasje t

mijn vader. Hij draagt het elke dag.

5 Ik probeer mijn zus te s

om zich ook bij de dansclub aan te sluiten.

6 Op zondagmiddag gaan we s 9 O

op bezoek bij mijn tante. We eten dan taart en drinken thee.

die datum op de kalender. We plannen dan een feestje!

11 Als je b

praat, kunnen we je niet goed verstaan. Probeer goed te articuleren!

12 Een d

gesprek voeren met mijn beste vriendin is onmogelijk. Ze krijgt altijd de slappe lach.

13 De verkiezing van Prins Carnaval werd afgeblazen. Er werden o in de selectieprocedure. 15 Op basis van die t

ontdekt

wil ik de film echt niet gaan bekijken! Hij sprak mij helemaal niet aan.

Verticaal 2 Ben jij p

ingesteld? Of ben je eerder een nonchalant type?

3 Mijn moeder vroeg me om muziek te s 4 Heb jij dan geen g

voor het jubileumfeest van mijn grootouders. respect voor al het harde werk dat ik verzet heb?

7 Ik vind het werken met een atlas erg g de knie te krijgen. 8 Heb je een s

! Het kost mij veel moeite om het onder

nodig om een kerstboom te tekenen? Of doe jij dat met de losse hand?

10 Mijn oma kan aan de telefoon o

kletsen over al haar kleine kwaaltjes.

14 Je kunt bij deze les de sleutelwoorden m

. Dat zal je helpen bij het studeren.

59

DE LAATSTE RONDE

DEEL 1 VERBEELDEN

Handig voor onderweg In de loop van elk deel word je ondersteund door enkele hulpmiddelen.

Dit logo geeft aan dat je een fragment zult bekijken of beluisteren.

Dit logo geeft aan dat je op diddit extra materiaal kunt vinden.

Dit logo geeft aan dat je meer info over de leerstof kunt vinden in je Trajectwijzer.

2

VAN VERHAAL OVER SLEUTELWOORDEN NAAR SAMENVATTING Lees op diddit het fragment uit De Grijze Jager: de ruïnes van Gorlan.

OPDRACHT 3

Werk in groepjes van vier met de placemat of vul de steekkaart in die op diddit staat. 1 Zou jij dit boek willen lezen? Waarom wel/niet? 2 Zou je op basis van dit fragment het boek aanraden aan een klasgenoot? Waarom wel/niet?

Oriënteren o v u Wat als … Standaardnederlands 3 niet bestond? Voorbereiden

les

opbouw van taal verwoorden

Uitvoeren Reflecteren

articulatie en intonatie verzorgen

letters en soorten opsommen

WAT ALS … OPDRACHT 1

o

v

SCHITTEREN op het podium

o volume en tempo

klanken herkennen

1

v

u

u

2

VAN VERHAAL OVER SLEUTELWOORDEN NAAR SAMENVATTING OPDRACHT 3

r

3 Zoek een tiental sleutelwoorden in het verhaal. Denk daarbij aan de w-vragen.

Lees op diddit het fragment uit De Grijze Jager: de ruïnes van Gorlan.

Werk in groepjes van vier met de placemat of vul de steekkaart in die op diddit staat.

4 Ga per twee verder. Vat het verhaal met behulp van de sleutelwoorden samen in een vijftal goede zinnen. Werk op een apart blad. Kijk je eigen werk na met behulp van de criteria.

1 Zou jij dit boek willen lezen? Waarom wel/niet?

5 Wissel je werk met je buur. Vul voor de samenvatting van je buur het kader in.

2 Zou je op basis van dit fragment het boek aanraden aan een klasgenoot? Waarom wel/niet?

r

In orde 3 Zoek een tiental sleutelwoorden in het verhaal. Denk daarbij aan de w-vragen.

OVUR loodst je regelmatig door de opdrachten.

r

4 Ga per twee verder. Vat het verhaal met behulp van de sleutelwoorden samen in een vijftal goede zinnen. Werk op een apart blad. Kijk je eigen werk na met behulp van de criteria.

aanpassen

5 Wissel je werk met je buur. Vul voor de samenvatting van je buur het kader in.

o

v

u

In orde

r

7 Schrijf de woorden die het verband aanduiden over.

Wat als … op televisie alleen maar dialect gesproken zou worden?

Je traject naar succes

Je traject naar succes

jij

je klasgenoot

Je vermeldt de belangrijkste personages (wie).

1234

1234

Je samenvatting bevat de belangrijkste gebeurtenissen (wat).

1234

1234

Je samenvatting vertelt iets over enkele andere w-vragen: waar OF 1 2 3 4 wanneer OF waarom.

1234

Je samenvatting bevat geen details.

1234

1234

Je samenvatting bestaat uit ongeveer vijf zinnen.

1234

1234

Werkpuntje voor jezelf: jij

je klasgenoot

Je vermeldt de belangrijkste personages (wie).

1234

1234

Je samenvatting bevat de belangrijkste gebeurtenissen (wat).

1234

1234

Je samenvatting vertelt iets over enkele andere w-vragen: waar OF 1 2 3 4 wanneer OF waarom.

1234

hoe Een verhaal samenvatten

Bij het leren en studeren krijg je ook hulp van verschillende kaderteksten. Gebruik ze zeker om je voor te bereiden.

Bekijk een panelgesprek over taal op televisie.

8 Hoe ondersteunt de schrijver dat verband nog?

Je samenvatting bevat geen details.

1234

1234

Je samenvatting bestaat uit ongeveer vijf zinnen.

1234

1234

Om een verhaal samen te vatten ga je eerst op zoek naar de sleutelwoorden. Die vind je door een antwoord te zoeken op de w-vragen: wie, wat, waar, wanneer en waarom. Daarna gebruik je de sleutelwoorden om je verhaal in enkele zinnen samen te vatten. Details laat je weg.

Werkpuntje voor jezelf:

1 Luc Appermont en Herman Verbruggen geven hun mening over het gebruik van dialect op televisie. a Hoe denken zij daarover? Met welke argumenten staven zij hun mening?

en omdat

Signaalwoorden

Een verhaal samenvatten

Je kunt:

Woorden die verbanden in de tekst tussen de alinea’s of de zinnen aanduiden, noem je signaalwoorden.

Om een verhaal samen te vatten ga je eerst op zoek naar de sleutelwoorden. Die vind je door een antwoord te zoeken op de w-vragen: wie, wat, waar, wanneer en waarom. Daarna gebruik je de sleutelwoorden om je verhaal in enkele zinnen samen te vatten. Details laat je weg.

• • • • •

Voorbeelden van die woorden in een chronologische structuur: eerst, daarna, vervolgens, dan, nu, later, nadien, toen, eerst, ten slotte, terwijl, vroeger, in 1682, de Herman Verbruggen is voor/tegen het gebruik van dialect optwee televisie omdat 15de eeuw, 7 jaar later, maanden eerder, voor, voordat, tot, terwijl, zolang, sinds, in het begin, intussen, een jaar later, op 25 december …

waarheen

en omdat

Een wat-kader brengt je kennis of theorie.

b Welke taalvariëteit gebruiken zij zelf?

wat

Opbouw van een tekst

2 Wat doet een taaldokter?

1 Een tekst wordt dikwijls in een chronologische volgorde geschreven. Dat wil zeggen dat de tekst opgebouwd is volgens de tijd. Tijdsaanduidingen zoals een datum, woorden als morgen, vorige week … en woorden als ten eerste, vervolgens, daarna, ten slotte … duiden die volgorde aan.

3 Discussieer in groepen van vier. Mag op televisie ook dialect gesproken worden? Noteer een groepsbesluit. 2 Een tekst wordt ook structureel geordend: titels, tussentitels …

4

TIJD OM TE OEFENEN In het midden volgt de verdere uitwerking. Daarin vind je de boodschap van de tekst.

Het slot dient om de tekst gepast af te ronden. Soms wordt de belangrijkste informatie kort Presentatoren moeten voor een groot publiek verstaanbaar zijn.bevat Op die welke zaken moeten ze bij het spreken herhaald, soms slotzin een conclusie. OPDRACHT 5 Zoek het betekenisverband in de genummerde zinnen in de tekst: doen of zijn? letten?

180

de w-vragen stellen en beantwoorden bij een verhaal; sleutelwoorden vinden in een verhaal; een verhaal navertellen aan de hand van de sleutelwoorden; een verhaal samenvatten aan de hand van de sleutelwoorden; enkele woorden kiezen om het karakter van een hoofdpersonage te beschrijven.

TRAJECT NEDERLANDS 1

DEEL 3 ONTDEKKEN

Je kunt: • • • • •

de w-vragen stellen en beantwoorden bij een verhaal; sleutelwoorden vinden in een verhaal; een verhaal navertellen aan de hand van de sleutelwoorden; een verhaal samenvatten aan de hand van de sleutelwoorden; enkele woorden kiezen om het karakter van een hoofdpersonage te beschrijven.

Een hoe-kader vertelt je hoe je aan de slag kunt gaan bij spreken, schrijven, luisteren, lezen, spellen, taal onderzoeken … 180

3 Zakelijke teksten zijn meestal opgebouwd met een inleiding, een midden en een slot. De inleiding trekt de aandacht van de lezer en vertelt kort waarover de tekst handelt.

3

waarheen

hoe

wat

Luc Appermont is voor/tegen het gebruik van dialect op televisie omdat

TRAJECT NEDERLANDS 1

DEEL 3 ONTDEKKEN

Wat je moet kennen en kunnen staat in een waarheen-kader. Dat kader vind je telkens op het einde van een les en geeft aan waaraan je gewerkt hebt.

1 Markeer eerst het onderwerp. Onderstreep dan de woorden die aangeven wat het onderwerp doet of is.

woord

Hond

Onderaan sommige pagina's tref je de verklaring aan van een woord dat of een uitdrukking die op die pagina staat. Op diddit vind je een overzicht van al die woorden en schooltaalwoorden.

waarheen

Je kunt: gesprek metenkel een ander groepdier vanheeft experten (1) Een hond ishet eenpanelgesprek: van de slimste dieren. (2) Geen zich • de de hoofdgedachte vandeeen tekst(3)aangeven; het argument: wat je gebruikt om jehond. bewering te staven, kracht bij te zetten zo naar mens geschikt als Overigens heeft die ontwikkeling • inmeer een intelligentie informatievevan tekst de hoofdzaken van devan bijzaken discussiëren: gedachten wisselen over metnemen iemand hen veel opgeleverd! (4) Als gevolg hetiets in onderscheiden; huis • de opbouw van een informatieve tekst herkennen en de verschillende delen aanduiden; van honden – met een volwaardige plek binnen het gezin – zijn deze dieren • de sleutelwoorden in een tekst aanduiden; veel slimmer geworden. (5) Zo hebben honden leren blaffen op het moment • de gepaste titel/kop of tussentitels voor een tekst bedenken; ITVOEREN o v u r dat ze• met in contact (6) Op die manier vertellen dataanduiden; ze de mensen signaalwoorden vankwamen. een chronologische structuur in een ze tekst of eten Een leuk weetje: wilde honden blaffen bijna • de moeten kenmerken van willen. een chronologische structuur aanduiden; Bv. auto150 TRAJECT NEDERLANDS 1 DEEL 3 ONTDEKKEN naar buiten • de termen alinea en opbouw van (inleiding, midden en slot) gebruiken. (7) niet. Ook het empathisch vermogen de hond is enorm toegenomen. – Dit voorwerp zie je elke dag als je naar school fietst. Honden kunnen zich veel beter inleven in de situatie van een ander. Het is een

U

tip

– Het is vrij groot en ook vrij duur.

feit dat een stoeipartij tussen honden vrijwel nooit overgaat in een vechtpartij.

– Je hebt het in diverse vormen en kleuren. Als je begint met ‘het heeft vier wielen’, dan raadt de klas het meteen. Vermijd dat.

176

Bij sommige opdrachten staat een tip om je op weg te helpen.

(8) Kennelijk honden bepaalde gedragsregels in acht. Ook vertrouwen ze Geef niet te snelnemen te veel informatie prijs. de ander dezelfdezaken. bedoeling heeft. Vertel erop eerstdatheel algemene TRAJECT NEDERLANDS 1

DEEL 3 ONTDEKKEN

2 Noteer de nummers van de zinnen met een doen-relatie.

De miniquiz

Noteer de nummers van de zinnen met een zijn-relatie.

Organiseer een miniquiz! Vorm groepjes van drie leerlingen. Je leraar duidt een groep aan die tegen je groep speelt en geeft instructies over hoe je deze miniquiz zult spelen. + – Zorg voor een ondoorzichtig zakje of een doos waarin je kleine kaartjes kunt stoppen. OPDRACHT 6 Onderzoek het verschil. Bespreek mondeling en let vooral op de werkwoorden. Verknip de woordenkaart en leg de kaartjes met de blanco zijde naar boven. Werk per twee. – Elke groep kiest om beurten een kaartje. Verdeel alle kaartjes.

1 a Hij is ziek.

is genezen. – Vervolgens zoekt elke groep passende vragen bij de woorden diebopHijhet kaartje staan. Het a woord Papa komt antwoord op de vraag mag maar uit één woord bestaan. Dat is2het op naar het huis. kaartje. b Hij komt zijn belofte na.

– Beide groepen stoppen hun kaartjes in hun doos.

3 a Ze neemt weer de benen. b Ze neemt elke dag een appel. 4 a Dat is een gevaarlijk spel. b Ze speelt een gevaarlijk spel.

Soms wil je wat verder gaan? Dan is een plusopdracht iets voor jou. Dat is een extra opdracht of extra theorie, gewoon wat meer of wat moeilijker.

– Elke groep komt om beurten aan het woord. – Ofwel raadt enkel de leerling die het kaartje trekt het antwoord, ofwel mag je samen zoeken. OPDRACHT 7 Bekijk en onderzoek de zinnen in het schema. Werk per twee. Bepaal dat vooraf. 1 Doe voor iedere zin het volgende.

– Hou de stand bij.

REFLECTEREN

o

4 Hoe ging het? Je traject naar succes

v

u

r

• • • • •

Zoek de kernwoorden (denk aan de peutertaal zoals je die in schema 1 geoefend hebt). Bepaal het betekenisverband (iets doen of iets zijn). Noteer de persoonsvorm (pv). Ga na of de pv past bij een werkwoordelijk (wwg) of naamwoordelijk gezegde (nwg). Noteer (geef ) de redenering die je bij het beantwoorden van de vragen gevolgd hebt.

Starten met TRAJECT Nederlands 1

Je stelt duidelijke en correcte ja-neevragen en vraagwoordvragen.

jij

je klasgenoot

1234

1234

woord

overigens: voor het overige, wat de rest betreft

7


het onlineleerplatform bij Traject Nederlands Leerstof kun je inoefenen op jouw niveau. Je kunt vrij oefenen en de leraar kan ook voor jou oefeningen klaarzetten. Hier vind je de opdrachten terug die de leraar voor jou heeft klaargezet. Hier kan de leraar toetsen en opdrachten voor jou klaarzetten. Benieuwd hoe ver je al staat met oefenen en opdrachten? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten. Hier vind je het lesmateriaal per deel (o.a. videobestanden en instructiefilmpjes). Geniet bij de start al even mee van dit gedicht.

Ik sta pal voor je, onderzoek je scherp: jij telt tien tintelende tenen, en aan elke vinger bungelt een maand. Ben jij het nieuwe schooljaar? Ja, in mijn hoofd werk en woorden, onder mijn knieĂŤn een boek. Met wijd open mond kijk jij me strak aan, verbeeld ik het me of wentelen er werkelijk witte woorden uit? Zie ik je hand en wenk je mij? Kom binnen, zeg je, open me gerust, zet je voor me en lees, speel met me en leer, geniet maar gooi me niet hardhandig dicht. Ik open voor jou een traject, mijn bladzijden trillen en willen je verleiden, willen je trainen en zorgen dat je scoort. In mijn hoofd woelen wollige woorden ze tellen ver en zoeken onder, wil jij van me houden en me liken, vertellen wat je bekoort? Ontdek tomeloos wat ik in me heb: aan letters geef ik plaats, vurig verzin ik zinnen om mijn gedachten in een web te spinnen. Begin nu maar, en spring samen uitdagend in dit nieuwe schooljaar. Ria Van der Mueren

8

Starten met TRAJECT Nederlands 1


deel 1

verbeelden

1 Wat zie je? Beschrijf de situatie of context en de sfeer. 2 Zouden de personen volgens jou een gesprek voeren? Waarom denk je dat? 3 Waaraan zouden ze kunnen denken? 4 Zou jij een van die personen willen zijn? 5 Beeld je in dat jij een van hen bent. Waar is jouw favoriete plek om van de wolken te genieten? 6 Hoe heeft de fotograaf dit beeld genomen? Welke houding nam de fotograaf aan?

9


les

Hallo, ik ben Speelse Fluwijn

1

jezelf voorstellen

kennismaken

OVUR-strategie inzetten

1

Wie zijn zij? Bekijk de foto’s.

© Trijn Nickees

OPDRACHT 1

Expressieve sneeuwuil

Stroppendragers

Keizer van het Vlaamse lied

Big Rom

1 Wie zie je op de foto’s? 2 Welke namen worden bij die personen vermeld? 3 Wat voor namen krijgen ze? Hoe wordt zo’n naam gekozen?

12

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


les

2

Begrijpen we elkaar? communicatiemodel gebruiken

gastenboek INVULLEN geconcentreerd luisteren

1

Wat vertel jij mij? OPDRACHT 1 Lees het stripverhaal.

© Wilma van den Bosch en Pascal Oost

LES 2 Begrijpen we elkaar?

19


les

In een lijst gevangen

3

lijstjes lezen en opstellen

chronologie ontdekken en weergeven informatie ordenen

alfabetisch rangschikken

1

Te weten, te onthouden, te doen … OPDRACHT 1

A

Bekijk deze teksten.

2016 1 Lionel Messi 2 Cristiano Ronaldo 3 Neymar 4 Thiago Silva 5 Robin van Persie

B

✓  Minecraft ✓  Mario Games ✓  FIFA ✓  Lego ✓  Angry Birds

C

• Telefacts • Familie •  Belgium’s Got Talent •  Echte Verhalen: De Buur tpolitie

F

D

•  huiswerk maken •  kamer opruimen •  sportzak klaarzetten •  1 uur pianospelen

E

- 6 flessen melk - 200 gr gehakt - 1 klein bruin brood - 2 flessen cola - 1 zak chips

1 Waarvan zijn dit voorbeelden? 2 Kijk naar de opbouw en de opsommingstekens. Wat kun je daaruit afleiden?

30

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden

2018 – Geraint Thomas 2017 – Chris Froome 2016 – Chris Froome 2015 – Chris Froome 2014 – Vincenz o Nibali 2013 – Chris Froome 2012 – Bradle y Wiggins


les

Gezocht: taalfanaat en 4 mailkampioen BERICHT schrijven

spellingonderzoek VOEREN

1

FORMELE EN INFORMELE CONTEXT HERKENNEN

Fanaat, acrobaat of piraat? OPDRACHT 1

Welk speltype ben jij? Omcirkel telkens A, B of C.

1 Welke sms zou van jou kunnen zijn? A

B

C

14:30

14:30

14:30

…

…

…

Ma wa seg, trijn weral weg zonder mij ofwa?

Is ff wachten op ne trein Sorry, ma komt wel goed, mams.

Ik heb een trein over een kwartier. Kom je me dan om 15u ophalen?

2 Je hebt een schrijfopdracht voor Nederlands. Wat doe je? A Ik schrijf en bombardeer mijn kladwerk ook meteen tot definitieve versie. B Ik schrijf, herlees en herwerk. Ik lees extra na op spelfouten. C Ik schrijf, herlees hardop, herwerk, controleer mijn spelling en laat het door minstens twee kenners nalezen. 3 De leraar maakt zelf een spelfout. Hoe reageer je? Markeer. A Wat een domkop! Dat zou mij nooit overkomen! B Oh, beetje gênant. Maar hè, wie maakt nooit eens een fout? C Ik verbeter de leraar. Minstens twee keer per dag. Ongenadig. 4 Wanneer let je extra op spelling? A Alleen als ik een speloefening of speltoets van Nederlands heb. Anders nooit. Simpel! B Als ik voor school werk of een onbekend iemand moet aanschrijven. C Extra? Ik kijk altijd uit voor spelfouten. Bereken je resultaat: A = 1 punt   B = 2 punten   C = 3 punten 10 of meer? Je bent een spelfanaat. Perfectionistisch als altijd, doe je er alles aan om spelfouten te vermijden. Stay cool, niemand is perfect!

6, 7, 8 of 9? Je mag jezelf een spelacrobaat noemen: je doet je best, controleert wat je schreef door het na te lezen. Maak je een fout? Dan leer je eruit en ga je weer verder.

6 of minder? Je bent een spelpiraat. Je geeft helemaal niet om spelling. Als anderen je begrijpen, vind je het allang goed. Helaas is er voor jou dan nog veel werk aan de winkel!

woord

perfectionistisch: het ideale (perfecte) nastreven

38

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


les

De stem van verbeelding

5

leeservaring verwoorden

‘lezershow’: genietend lezen EN PRESENTEREN boekentips zoeken

1

Wereldboekendag: rozen en boeken OPDRACHT 1

Ontdek dit feest voor geliefden.

1 Bekijk het filmpje. a Waarover gaat het filmpje? b In welke stad speelt dit filmpje zich af? Hoe weet je dat? c Aan welk feest doen de beelden je denken? d Wat is het doel van dit filmpje, denk je? 2 Lees de tekst over dit Catalaanse feest. BARCELONA – Op 23 april is het heel gewoon om in Catalonië vrouwen op straat te zien lopen met een roos in de hand terwijl naast hen een man loopt met een boek onder zijn arm. 23 april is namelijk een nationale feestdag waarop de vrouwen rode rozen ontvangen van degene die van hen houdt en als tegenprestatie ontvangen de mannen een boek van de vrouwen. Meestal vormen de inkomsten op die dag 5 % van het volledige jaarinkomen van de boekensector. Alleen rond kerst en tijdens de inter­ nationale boekenbeurs te Madrid worden meer boeken verkocht in Spanje. Op Sant Jordi was het oorspronkelijk de bedoeling dat alleen geliefden meededen, maar de laatste jaren is de feestdag uitgegroeid tot een fenomeen waarbij familieleden, ondernemers en zelfs klasgenoten elkaar

de traditionele cadeaus overhandigen. In grote steden als Barcelona, Girona en Tarragona worden op de Ramblas boekenmarkten gehouden waar de geliefden boeken kunnen kopen en uiteraard ontbreekt het ook niet aan bloemenverkopers bij wie ze de traditionele rode roos kunnen kopen. Oorsprong Maar waar komt dat feest nu vandaan? Het verhaal van het boek is gemakkelijk te verklaren. Op 23 april herdenken we de dood van twee van de grootste schrijvers ooit, Miguel de Cervantes en William Shakespeare. 23 april is door UNESCO dan ook uitgeroepen tot ‘Dag van het Boek’. Het verhaal van de roos is wat gecompliceerder. Het is terug te voeren tot de middeleeuwen en is doordrenkt van een romantische legende.

Naar: R. Stoffer. ‘Sant Jordi, Catalaanse liefdesdag met boeken en rozen’, www.spanjevandaag.com

woord

oorspronkelijk: allereerst, in het begin het fenomeen: een zeldzaam verschijnsel traditioneel: volgens de oude gewoonte gecompliceerd: ingewikkeld, complex, moeilijk doordrenken: ergens helemaal in doordringen

48

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 1 Verbeelden


deel 2

vertellen

1 Wat zie je? 2 Houd jij ervan om bij een kampvuur te zitten? 3 Beschrijf de sfeer bij dit kampvuur. 4 Wie zit er rond het kampvuur? 5 Waarover zouden de gesprekken kunnen gaan? 6 Wanneer wordt een kampvuur georganiseerd? 7 Wat in de foto trekt vooral de aandacht? Hoe kreeg de fotograaf dat voor elkaar? 8 Wat kun je zeggen over het ‘licht’ in het hele beeld? Wat wordt er allemaal belicht? 9 Wat zou de fotograaf bedoeld hebben met deze foto?

61


les

Tekstsoorten en TEKSTDOELEN

1

tekstsoort herkennen tekstdoel aanduiden

1

kwartet MAKEN leesdoel bepalen

Aan de slag met een variatie aan teksten OPDRACHT 1

Wissel ideeën uit over lezen. Bespreek samen deze vragen.

1 Houd jij van lezen? Wat lees je zoal? 2 Wat heb je vandaag al gelezen? Waarom heb je dat gelezen? Met welk doel? 3 Met welk doel kun je teksten lezen? Met welk doel worden teksten geschreven? Zet het tekstdoel er telkens bij. Je leest: • een overzicht van tv-programma’s voor vandaag. • de reclametekst over een nieuw tv-programma. • een versje op het geboortekaartje van de baby van de buren. • een fragment in het jeugdboek dat daarnet de prijs van de Kinder- en Jeugdjury won. • een bespreking of review van een nieuwe game. OPDRACHT 2

Bespreek deze context of situatie.

1 Je wilt thuis een nieuw huisdier. Moet je iemand overtuigen? Wie? Hoe pak je dat aan? Welke teksten zou je kunnen raadplegen of gebruiken? Bespreek de vragen mondeling. a Welk huisdier willen jullie? Hoe kom je tot een keuze? b Voor welk ras kies je? Welke kenmerken heeft dat ras? c Wat moet je aanschaffen om het dier een warme thuis te geven? Hoeveel kost dat dan? d Welke zorgen heeft dat huisdier nodig? e Woont er een dierenarts in de buurt? Waar precies en wanneer kun je bij hem terecht? f Welke namen zou je je dier kunnen geven? g Waar kun je je favoriete huisdier kopen? h Een van je ouders wil een soort contract: je zult zelf goed voor de nieuwe huisgenoot zorgen.

64

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


les

2

Aan iemands lippen hangen

oriënterend en globaal luisteren

luisterdoel bepalen luisterfiche INVULLEN verhaal NAVERTELLEN

1

nieuwsflits beluisteren

Luisteren is een kunst OPDRACHT 1

Lees de boodschappen van Loesje en bekijk de tekening.

Waaraan denk je bij deze boodschappen? Vertel.

OPDRACHT 2

Bereid je voor op de luisteropdracht. Bekijk de afbeeldingen.

1 Hoe kun je je op een luistertaak voorbereiden? Hoe pakte je vroeger zo’n opdracht aan? Welke tips kreeg je van de leraar of van een klasgenoot? Noteer hier twee tips. Tip 1 Tip 2

LES 2 Aan iemands lippen hangen

73


les

Wat vertelt een tekst?

3

leesstrategieën inzetten

informatie uit een tekst en schema HALEN

stamboom OPSTELLEN

schema’s lezen en schema’s maken

1

tip

Hoe ga je lezen? OPDRACHT 1

Vergelijk met hoe je luistert naar een tekst.

Lees de tekst ‘Wil je astronaut worden?’ en zoek een gepaste aanpak.

1 Denk na over deze vragen voor je begint te lezen. a Lees je een tekst altijd volledig? b Met welk doel zul je deze tekst lezen? c Oriënteer je op de tekst: bekijk de tekst, voorspel waarover die gaat. Waar vind je de informatie? d Hoe noem je die manier van lezen? Vergelijk met je manier van luisteren. e Wat weet je al over het onderwerp? f Wil je de tekst lezen? Hoe kun je snel een beeld krijgen van de inhoud? Hoe pak je dat aan? Vertel. g Hoe noem je die manier van lezen? 2 Lees nu de hele tekst. a Uit welke grote delen bestaat een tekst? Schrijf de naam boven elk deel. b Lees daarna elke paragraaf of alinea en noteer de sleutelwoorden van elke paragraaf of alinea in de marge. Probeer de tekst te begrijpen. Lees grondig en zoek op of vraag wat je niet begrijpt. c In de tekst markeer je bijzonderheden bij het sleutelwoord.

woord

het sleutelwoord: het kernwoord, belangrijk woord in een zin of tekst

82

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 2 Vertellen


les

Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

41

onderwerp zoeken en aanduiden

relatie tussen o en pv aanduiden

persoonsvorm aanduiden

1

korte boodschap SCHRIJVEN

pv spellen in de ott

Wat zie je? OPDRACHT 1

Bekijk de foto’s. Beschrijf wat je ziet.

1 Noteer minstens één zin per beeld. Wees origineel!

1

2

3

Foto 1: Foto 2: Foto 3: 2 Werk verder in duo’s. Onderzoek de zinnen. a Over wie of waarover wordt er in de zin iets gezegd? Wie doet iets? Wie is of wordt iets? Onderstreep die woorden in de zin. b Hoe noem je iets of iemand waarover of over wie iets gezegd wordt? c Wat wordt er over het onderwerp in de rest van de zin gezegd? Markeer de woorden (de rest van de zin). 3 Kies allebei een originele zin van de ander. Vervang ‘wie’ of ‘wat’ door een andere persoon of zaak. Noteer de twee zinnen: LES 4 Over wie of wat gaat het? Het onderwerp

93


les

5

Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

zelfstandig naamwoord herkennen en aanduiden

genus bepalen

lidwoord kiezen

1

ENKELVOUD EN MEERVOUD gebruiken

toneelstukje BEWERKEN

stofnaam herkennen

Win het woord! OPDRACHT 1

Speel het spel. Je leraar legt de spelregels uit.

Lees daarna de tekst en markeer de woorden die in het spel aan bod kwamen. Van zwarte kunst tot witte heks: alles over heksen vroeger en nu. Maar dan wel over échte heksen natuurlijk. Voor alle jonge heksengekken die zelf het liefst een heks zouden worden en willen weten of heksen ook echt kunnen heksen. Lang geleden had elk dorp wel een vrouwtje dat met kruiden en oude rituelen helpen kon bij ziekte en ander gevaar. Omdat ze vaak ‘s nachts hun mysterieuze praktijken uitvoerden, werden hun al snel allerlei magische krachten toegedicht: ze konden vliegen of zichzelf in een dier veranderen. Men raakte ervan overtuigd dat die heksen samenwerkten met de duivel en schuld hadden aan alles wat er misging. Hekserij werd streng verboden en heksen werden vervolgd. Dat leidde tot de bekende heksenproeven, folteringen en de brandstapel. Hele dorpen raakten in de ban van de angst en het regende valse beschuldigingen. Wie had kunnen denken dat diezelfde heksen model zouden staan voor de nu zo populaire ‘moderne’ heksen? Kinderen dromen ervan te kunnen heksen. Overal kun je heksenspullen kopen (van punthoeden tot kromme neuzen), kranten, tijdschriften en boeken staan er vol mee en Halloween groeit uit tot een nationale heksendag. Tijd dus voor een boek met het verhaal van de echte heks. En antwoorden op alle vragen over heksen. Waaraan herken je een heks? Waarom vliegen heksen op een bezemsteel? Is een toverstaf gemaakt van hout? Kunnen heksen heksen of doen ze dat alleen in sprookjes? Waarom dragen heksen een zwarte puntmuts? Hebben ze een zwarte kat? Hoeveel heksen zijn er verbrand? Hoe kon men weten wie een heks was en wie niet? Hoe word je een echte heks? Kathleen Vereecken schrijft historische jeugdboeken en werkt als journaliste. Na een interview met een moderne heks raakte ze helemaal in de ban van de hekserij en ging ze op onderzoek uit. Veel plezier met dit magische boek! Naar: K. Vereecken. Kunnen heksen heksen? Amsterdam, Querido

Tot welke woordsoort behoren de gemarkeerde woorden?

woord

mysterieus: raadselachtig de foltering: marteling waarbij ze iemand opzettelijk lichamelijke pijn bezorgen historisch: wat te maken heeft met de geschiedenis

LES 5 Heksen, brandstapels en bezemstelen … Zelfstandige naamwoorden

103


les

Speeddaten met een boek

6

bibliotheek

spreken over leesgedrag kern van het verhaal achterhalen

1

leesvoorkeur VERWOORDEN spreken over boeken

Eerste date: op wandel … OPDRACHT 1

Lees de tekst. Bespreek per twee.

Speeddaten in de bibliotheek Blind daten, speeddaten, internetdaten: je kunt het zo gek niet bedenken of het bestaat. Nu bestaat er ook zoiets als bibdaten. De deelnemers praten over hun passie voor boeken. De bibliotheek van Leuven organiseerde in het kader van Kulturama voor de eerste keer een bibdating. Het leek een beetje op speeddating, maar dan tussen de boeken. De organisatoren wilden komaf maken met het stereotiepe beeld dat bibliotheken muf en saai zijn. Een tijdje geleden had de bibliotheek al zoiets georganiseerd tijdens de Week van de Bibliotheek, maar dat had toen weinig succes. Frederika Van Wing is laaiend enthousiast over bibdating. ‘Het is voor iedereen toegankelijk, je hoeft geen vrijgezel te zijn. Het is een originele formule om over boeken te praten en nieuwe mensen te leren kennen. Natuurlijk kun je eraan deelnemen om aan een lief te geraken, maar je kunt ook gewoon nieuwe vrienden maken die dezelfde passie voor boeken delen als jij.’ Naar: ‘Speeddaten in de bibliotheek’, De Standaard

1 Zou jij aan zo’n initiatief willen deelnemen? Waarom wel/niet? 2 Ben je lid van een bibliotheek? 3 Neem je weleens deel aan initiatieven van de bib? Welke? 4 Formuleer een suggestie voor een activiteit die de bib in jouw gemeente kan organiseren.

woord

stereotiep: traditioneel, vastgeroest

LES 6 Speeddaten met een boek

113


deel 3

ontdekken

© Merel van den Enden

1 Wat zie je op de foto? 2 Wie zie je op de foto? 3 Wanneer speelt dit tafereel zich af? 4 Waar speelt het zich af? 5 Is er maar één persoon te zien? Voorspel wat ze elkaar vertellen. 6 Welk verhaal zou de fotograaf met dit beeld willen vertellen? 7 Zou je bij de foto zelf een verhaal kunnen verzinnen? Waarover zou dat dan gaan? 8 De foto geeft een vreemde gebeurtenis weer. Het is een eigenaardig beeld. Ken jij andere vreemde dingen in onze wereld of in de ruimte? 9 Hoe zou de fotograaf dit beeld gemaakt hebben? Zou je termen zoals close-up en totaalbeeld hier kunnen gebruiken? Bespreek samen.

123


les

Doen of zijn? Over het wwg en nwg

1

betekenisverbanden in zinnen aantonen

JOURNALIST HELPEN: schrijven gezegde: wwg en nwg aanduiden, benoemen en gebruiken

1

Wat weet je al? Wat kun je al? OPDRACHT 1

Wat is het onderwerp van de zin?

1 Onderzoek de zinnen: over wie of wat gaat het in deze zinnen? Markeer het onderwerp. a De jongens en meisjes van de scouts hielden gisteren een wafelverkoop voor het goede doel. b Vooral ouders en grootouders hebben de heerlijke wafels gebakken. c De groep zamelde zo meer dan 500 euro in. d Volgende zaterdag brengen ze dat geld naar de organisatie. e Omdat ze niet allemaal in de auto kunnen, gaan slechts vijf leden naar Boom. f Daar zullen velen aanwezig zijn om hun goede doel toe te lichten en te vertellen hoe ze het geld bijeen­ gebracht hebben. 2 In welke zinnen was het onderwerp vinden voor jou … gemakkelijk? twijfelachtig? te moeilijk? Als het grootste aantal bij ‘te moeilijk’ staat, dan herlees je het kader bij het onderwerp op p. 95. Daarna maak je extra oefeningen op diddit over het onderwerp. OPDRACHT 2

Wat wordt er over het onderwerp gezegd?

1 Lees de tekst over Jommeke. Onderstreep het onderwerp blauw en wat over het onderwerp gezegd wordt rood.

(1) Jommeke is een personage bedacht door tekenaar Jef Nys en hoofdrolspeler in de gelijknamige Vlaamse stripreeks. (2) Hij heeft een pratende papegaai, Flip, als huisdier. (3) Op 30 oktober is Jommeke jarig en als sterrenbeeld heeft hij schorpioen. (4) Hij is een slim en avontuurlijk jongetje van 10 jaar en 4 maanden. (5) Zo beschreef tekenaar Jef Nys hem zelf. (6) Hij is makkelijk herkenbaar aan zijn apart blond kapsel, het strooien dakje.

126

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


les

Ontdek de wereld

2

intensief luisteren

hoofdletters en leestekens gebruiken schrijfkader invullen

1

formulieren invullen: inleefreis

Luisteren om te weten OPDRACHT 1

Lees de blogtekst.

Neem een andere weg Het is jouw missie om de wereld om je heen anders te bekijken. Alsof je hem voor het eerst ziet, want de eerste keer is de mooiste keer. Maak aantekeningen. Verzamel wat je op je ontdekkingsreizen tegenkomt. Schrijf je bevindingen op. Spreek mensen aan. Neem risico’s. Heb oog voor patronen. Zoek en vind. Concentreer je op één ding tegelijkertijd. Stel een ongewone vraag. En neem een andere weg … Zo kom je op plekken waar je nog nooit geweest bent. En dat is waar een                 naar op zoek is.

1 De blogtekst beschrijft de jobinhoud van één bepaald beroep. Welk beroep? Vul dat in de laatste zin in. 2 Onderstreep vier zaken die je volgens de tekst moet doen om dat beroep goed uit te oefenen. 3 Zou jij dat beroep graag uitoefenen? Waarom wel/niet? 4 Welke talenten heb jij die je zou kunnen gebruiken bij het uitoefenen van die job? Zoek er andere dan wat je in de tekst vindt.

woord

het patroon: een model, een vorm, steeds terugkerende zaken

LES 2 Ontdek de wereld

139


les

Wat als … Standaardnederlands 3 niet bestond? opbouw van taal verwoorden

letters en soorten opsommen

SCHITTEREN op het podium

volume en tempo aanpassen

klanken herkennen

1

articulatie en intonatie verzorgen

Wat als … OPDRACHT 1

Wat als … op televisie alleen maar dialect gesproken zou worden?

Bekijk een panelgesprek over taal op televisie. 1 Luc Appermont en Herman Verbruggen geven hun mening over het gebruik van dialect op televisie. a Hoe denken zij daarover? Met welke argumenten staven zij hun mening? Luc Appermont is voor/tegen het gebruik van dialect op televisie omdat en omdat Herman Verbruggen is voor/tegen het gebruik van dialect op televisie omdat en omdat b Welke taalvariëteit gebruiken zij zelf? 2 Wat doet een taaldokter? 3 Discussieer in groepen van vier. Mag op televisie ook dialect gesproken worden? Noteer een groepsbesluit. 4 Presentatoren moeten voor een groot publiek verstaanbaar zijn. Op welke zaken moeten ze bij het spreken letten?

woord

het panelgesprek: gesprek met een groep van experten het argument: wat je gebruikt om je bewering te staven, kracht bij te zetten discussiëren: van gedachten wisselen over iets met iemand

150

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


les

Ken je het voorwerp? 4 Over het lv en mv blik op de toekomst: SCHRIJVEN

lijdend voorwerp (lv) herkennen, aanduiden, gebruiken meewerkend voorwerp (mv) herkennen, aanduiden, gebruiken

1

Onderzoek de zin verder … OPDRACHT 1

Lees de tekst.

1 Omcirkel in de onderstreepte zinnen het onderwerp en markeer het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde. ‘Iedereen kent de kusjesdans’ De Amerikaanse groep Los Lobos had in de zomer van 1987 een hit met ‘La Bamba’. Dat was toen al jarenlang een bekend lied. Bijna iedereen kende het hier als ‘de kusjesdans’. Op feesten ging bij het lied iedereen in een kring staan. Daarna mocht je elkaar kussen. ‘La Bamba’ raakte in 1958 bekend door de Amerikaanse zanger Ritchie Valens. Hij was toen 17 jaar. De ouders van de tiener kwamen uit Mexico. Daar was ’La Bamba’ een oud volksliedje. Het lied zou al in de 16de eeuw hebben bestaan. De Spanjaarden zongen het toen ze Mexico veroverden. Soldaten en matrozen zongen het lied. Ze wilden er vrouwen mee verleiden. Die traditie bleef bestaan. Dankzij de hit uit 1958 leerden we de dans zelfs in Vlaanderen kennen. De mannen zongen hier niet. Ze dansten ook niet echt. Ze kusten gewoon! In 1959 stierf Ritchie Valens. Hij zat in een vliegtuig dat neerstortte. In 1987 maakten ze een film over zijn leven. De groep Los Lobos mocht de muziek spelen. Ook de muzikanten van Los Lobos zijn van Mexicaanse afkomst. Vandaag kennen de jongeren ‘La Bamba’ bijna niet meer. Ze denken gewoon aan een Spaans lied. Kusjesdans? Daar hebben ze nog nooit van gehoord. Ze kussen nu op andere muziek. Naar: ‘Zomer-Wablieft: Iedereen kent de kusjesdans’, Wablieft

2 Overloop je oplossing samen met je buur. Waar zitten er verschillen? Bespreek. Als je er niet uit raakt, vraag je hulp aan je leraar.

156

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


les

5

Lees en ontdek

tekstopbouw HERKENNEN

chronologische tekststructuur AANDUIDEN delen van een tekst AANDUIDEN

1

CENTRALE THEMA OF HOOFDGEDACHTE AANGEVEN

hoofd- en bijzaken ONDERSCHEIDEN

je held VOORSTELLEN

Wat weet je al? Wat kun je al? OPDRACHT 1

Onderzoek de opbouw van een tekst. Die helpt je om een tekst beter te begrijpen.

1 Bekijk de tekst. a Duid de delen aan van de tekst en benoem ze. Kies uit: alinea – illustratie – inleiding – kop – lead – tekstblok – titel – tussenkop – tussentitel b Welke termen zijn synoniemen? Noteer die hier.

Allemaal (vreemde) beestjes? De mens leeft niet alleen op deze aarde. Planten en dieren zijn de andere bewoners van onze wereldbol. Ons gedrag heeft invloed op het milieu en dus ook op die andere bewoners. Veel soorten dreigen uit te sterven. Dat is heel jammer, want deze opvallende beestjes kleuren de wereld.

Draakje speelt verstoppertje De rafelvis lijkt een beetje op een blad met rafels. Toch is het helemaal geen plant. De vis verbergt zich graag tussen de planten onder water en leeft in de buurt van Australië. Zijn thuis zijn de riffen in zee. De vis kan tot 35 centimeter groot worden. Zijn vijanden en prooien ontdekken hem moeilijk. Door zijn vorm krijgt hij de bijnaam ‘zeedraak’. Groene vacht De luiaard is een harig beest uit de oerwouden van Zuid-Amerika. Slapen kan hij als geen ander. De luiaard leeft in de bomen. Hij eet vooral bladeren. Daar kan ook wel een insectje bij. Of zelfs een klein diertje. Om alles te verteren slaapt de luiaard wel tien uur aan één stuk. De haren van de luiaard zijn bruin of soms wat groen. Dat komt door bacteriën en algen. Die leven in zijn vacht. Heilige hoorns Voor deze runderen heb je vanzelf respect. Dat komt door hun lange hoorns. Het zijn Watusi-runderen. Ze leven vooral in Rwanda in Afrika. Hun voorouder is de oeros. Watusi-runderen waren eeuwenlang heel belangrijk voor enkele Afrikaanse stammen. Voor de Tutsi’s waren deze runderen zelfs heilig. Naar: ‘In de kijker: Allemaal (vreemde) beestjes?’ Wablieft

LES 5 Lees en ontdek

165


les

Gevat samengevat

6

verhaal samenvatten MET SLEUTELWOORDEN

genietend lezen

karaktertekening MAKEN

w-vragen STELLEN

1

Van sleutelwoorden tot verhaal OPDRACHT 1

Lees de sleutelwoorden.

John Flanagan

Waasland Shoppingcenter

10-jarig jubileum van ‘De Grijze Jager’

vrijdag 2 juni van 16.30 uur tot 18.00 uur

Signeren – max. één boek

voor alle fans

1 Op welke vragen geven de sleutelwoorden een antwoord? Markeer het vraagwoord en het bijbehorende sleutelwoord telkens in dezelfde kleur. 2 Kun jij met die sleutelwoorden het verhaal reconstrueren? Schrijf het verhaal op in drie goede zinnen. 3 Je leraar leest het originele artikel voor. Welke verschillen merk je met jouw versie? OPDRACHT 2

Ken jij de boekenreeks ‘De Grijze Jager’?

1 Vertel in maximaal tien sleutelwoorden waar de reeks over gaat. Ken je de reeks niet? Geen nood. In het kader vind je de nodige info. Markeer tien sleutelwoorden en noteer ze onder de tekst. Denk bij het selecteren van sleutelwoorden aan de w-vragen.

woord

signeren: handtekenen reconstrueren: opnieuw opbouwen met de gegevens die je hebt

178

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 3 Ontdekken


deel 4

trainen

1 Bekijk het beeld. Beschrijf wat je ziet. 2 Wat doen de jongens? Ken je het woord voor die sport? 3 Zou jij dat ook kunnen? Zou je er hard voor moeten trainen? 4 Oefening baart kunst, wordt weleens gezegd. Geloof je dat? Leg uit vanuit je eigen ervaring. 5 Welk beeld zou jij aan het werkwoord trainen koppelen? 6 Vind je dit een geslaagde foto? Waarom wel/niet? 7 Hoe zou dit beeld tot stand gekomen zijn? 8 Is het belangrijk dat je de gezichten ziet? Waarom wel/niet? 9 Zou een close-up volgens jou hetzelfde effect hebben? Wat is het effect van een close-up?

187


les

Beluister of lees een boek

1

luisterboek en jeugdboek

mening formuleren junior recensent voorkeur uitdrukken

1

GERICHT NOTITIES NEMEN

Voor het luisteren of lezen OPDRACHT 1

Zoek informatie en maak dan de juiste keuze.

Bespreek deze vragen klassikaal of per twee. • Van welke bibliotheek ben jij lid? • Ben je nog geen lid? Ga dan op zoek naar informatie: wat moet je doen om lid te worden van een bibliotheek in de buurt (van je school of van waar je woont)? • Is er een schoolbibliotheek of misschien zelfs een klasbibliotheek? • Reserveer je weleens digitaal een boek in de bib? Raadpleeg je de catalogus om te kijken welke boeken er zijn in de bib waar jij lid bent? • Welke boeken kun je niet alleen lezen, maar ook beluisteren? Wat zijn luisterboeken en Daisy-boeken? Op stap naar de bibliotheek. Ga eventueel per twee naar de bib waar je lid bent en vraag de bibliothecaris of een medewerker van de bib naar deze zaken. • Kun je in de bib luisterboeken van jeugdauteurs lenen? Welk systeem in verband met luisterboeken gebruikt de bib? • Worden luisterboeken dikwijls geleend? Door wie? Welke boeken worden dan vooral geleend? Welk genre? Voor welke doelgroep? • Kan de medewerker enkele ervaringen van leners van luisterboeken vertellen? Onthoud er zeker een. • Noteer minstens drie titels: in de bib kun je zowel het boek als het luisterboek lenen. Kies een boek: luisterboek én jeugdboek (zelfde titel – zelfde auteur). Breng over het bezoek aan de bibliotheek een kort (mondeling) verslag uit in de klas.

LES 1 Beluister of lees een boek

191


les

Het was … : verleden tijd en 2 voltooid deelwoord verleden tijd gebruiken

persoon, getal, stam, uitgang inzetten voltooid deelwoord vormen

1

spelkampioen WORDEN

gepaste tijd bij communicatie kiezen

Weet je het nog? OPDRACHT 1

Lees de tekst. Beantwoord daarna de vragen.

(1) Een zwaluw scheert vlak boven mijn hoofd door de azuurblauwe lucht. (2) Het felle zonlicht verjaagt de laatste restjes van mijn heerlijke droom. (3) Ik knipper slaperig met mijn ogen, ga rechtop zitten en rek me uit. (4) De zon staat al boven de abdij van Ename (…) (5) Onze geiten Lokke en Liza grazen nog altijd gulzig onder de Grote Olm. M. de Bel. Nelle, Blankgoud. Antwerpen, Van Halewyck

1 Over wie zou het verhaal gaan? Markeer in elke zin het onderwerp blauw. 2 Onderstreep alle werkwoorden. 3 Markeer de persoonsvormen geel. 4 In welke persoon en in welk getal staan de onderwerpen en de persoonsvormen? 5 Schrijf in deze tabel de persoonsvormen over. Elke zin is genummerd. Noteer ook de stam van het werkwoord. ZIN

PERSOONSVORM

1 2 3 3 3 4 5

196

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen

STAM


les

Korte en lange zinnen

3

enkelvoudige zin herkennen en bouwen

verbindingswoord/ voegwoord gebruiken

krantenbericht VERZINNEN

samengestelde zin herkennen en bouwen

1

Zinnen onderzoeken OPDRACHT 1

Bekijk en beluister het filmpje over judo. Lees daarna teksten 1 en 2. tekst 1

tekst 2

Judo is een krachtsport. Veel jongens beoefenen die Judo is een krachtsport. Veel jongens beoefenen die sport. Ook meisjes doen judo. Je hebt er veel kracht sport, maar ook meisjes doen judo. Je hebt er veel voor nodig. Ook techniek is belangrijk. kracht voor nodig en ook techniek is belangrijk. Op school moeten leerlingen vaak stilzitten. Als je dan zenuwachtig bent voor toetsen, kun je je uitleven op de mat. Dat is alvast een reden die meisjes geven om aan judo te doen. Meisjes geven nog andere redenen. Judo is niet alleen voor jongens. Meisjes kunnen het even goed. Soms zelfs nog beter.

Op school moeten leerlingen vaak stilzitten en als je dan zenuwachtig bent voor toetsen, kun je je uitleven op de mat. Dat is alvast een reden die meisjes geven om aan judo te doen. Ze geven nog andere redenen. Judo is niet alleen voor jongens, want meisjes kunnen het even goed of soms zelfs nog beter.

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten. Op de training mogen meisjes ook meisjes vechten, maar op de training mogen ze ook tegen jongens kampen. tegen jongens kampen. 1 Welke tekst zou het best passen bij het filmpje op televisie? Welke tekst leest het vlotst? Waarom? 2 Lees beide boodschappen aandachtig. boodschap A

210

boodschap B

Veel jongens beoefenen de sport. Ook meisjes doen judo.

Veel jongens beoefenen de sport, maar ook meisjes doen judo.

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten. Op de training mogen meisjes ook tegen jongens vechten.

Tijdens wedstrijden mogen meisjes enkel tegen meisjes vechten, maar op de training mogen ze ook tegen jongens kampen.

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


les

Schrijven kun je leren

4

schrijfplan gebruiken

structuur in de tekst aanbrengen: VERSLAG SCHRIJVEN

gepaste tijd in de schrijfopdracht kiezen

1

op communicatieve situatie afstemmen

MOPPEN TAPPEN

voor afwisseling zorgen

Welke tekst, met welke kenmerken? OPDRACHT 1

Denk samen na over deze drie vragen.

1 Wat is een persoonlijk verslag? 2 Welke delen horen in zo’n verslag? 3 Hoe pak je het schrijven van een persoonlijk verslag aan?

OPDRACHT 2

Zoek eisen (criteria) voor de schrijfopdracht. Werk per twee of per vier.

1 Lees deze verslagen. COLLEGETEAM WINT HET BASKETTOERNOOI VOOR SCHOOLPLOEGEN UIT DE EERSTE GRAAD Ons team begon als favoriet aan het toernooi en ontgoochelde niet. Onze ploeg won tegen de Middenschool en het VTI. En telkens met duidelijke cijfers. Onze jongens moesten het in de halve finale opnemen tegen de buren van het Lyceum. Een leuke partij tussen twee goed spelende ploegen werd uiteindelijk door onze jongens gewonnen met 34-21. Onze ploeg moest in de laatste wedstrijd opnieuw tegen het VTI spelen en ook ditmaal trokken wij aan het langste eind. Het werd 33-23. Proficiat aan alle spelers voor hun inzet: Léonard, Yanis, Simon, Ahmed, Wout, Anton, Jarne en Thijs.

SPORTDAG Op de sportdag vorige week vrijdag zwermden onze leerlingen van de eerste graad uit naar De Gavers in Harelbeke. Dat adembenemende decor nodigt simpelweg uit tot avontuur, sport en spel. De weergoden waren ons niet echt gunstig gezind. Toch trotseerden onze dappere sportievelingen de kou en waagden ze zich aan ‘de grote sprong’ vanaf de steiger. Kanoën en raften zorgden voor een vleugje competitie. Teamwork was eens te meer de sleutel tot succes! Geen boom bleek te hoog, geen touw te gevaarlijk, geen hindernis te moeilijk! De vuile was bij thuiskomst vormde daarvan absoluut het bewijs. Ook de leraren deden (soms onder sociale druk ) gewillig mee. Kortom, we leerden elkaar op vele terreinen kennen en dat nemen we graag vanaf maandag mee terug naar de klas!

216

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


les

Vragen over vragen

5

instructie/vraag/opdracht herkennen en onderzoeken

geheugen trainen antwoorden formuleren

1

De foute toets of vraag? OPDRACHT 1

Bestudeer een van je vorige toetsen en leer voor de toekomst.

1 Bespreek per twee of klassikaal deze opdracht. Denk aan een toets of vraag die voor jou moeilijk was. Herinner je je het vak? Het onderwerp van de toets? Een specifieke vraag? a Noteer een vraag die jij moeilijk vindt. b Tot welk vak behoort die vraag? c Wat vind jij precies moeilijk? d Ging het fout met die vraag? Waar dan wel? Of waarom net niet? e Waar liep of loopt het bij jou weleens fout? Voor of tijdens de toets? 2 Neem een toets van om het even welk vak. Het mag uiteraard ook van het vak Nederlands zijn. Selecteer minstens twee soorten vragen. Bespreek per twee welke soorten vragen het volgens jou zijn en hoe het antwoord er moet uitzien.

2

De ene vraag is de andere niet OPDRACHT 2

Lees de vraag en de opdracht.

A Wanneer kookt water? B Kleur de Schelde blauw. 1 Wat is het verschil tussen A en B? 2 Met welk woord begint vraag A? Markeer. 3 Geef vijf vraagwoorden.

224

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 4 Trainen


les

Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

6

afkortingen begrijpen en gebruiken taalvariatie of taalvariëteit (h)erkennen

1

formeel en informeel taalgebruik gepast inzetten: dialect of Standaardnederlands

afkortingenlijst OPSTELLEN

Begrijp je de boodschap? OPDRACHT 1

Bekijk, lees, beluister deze fragmenten.

1 Denk aan de vragen van het communicatiemodel. Gericht kijken, luisteren en lezen doe je aan de hand van vragen. • Wie is de zender/ontvanger? • Wat is de boodschap? • Waarover zou de boodschap gaan? • Wat is de bedoeling?

A  ’Als we kussen, dan geven we een pieper.’ Als we werken, dan doen we deure. Als we prutsen, dan zijn we aan tjoolen. Als we voortdoen, dan geven we sjette. En als we westvlaanderen, dan doen we dat met hart en ziel.

B luggage

luggage

C  ‘Ma ge kunt ni zonder, hè?’

D  ‘Ek verkuup verscheilende sorten alme, gelijk

E  ‘Ik wil vanavond eens flink boozen en shaken!’

F  ‘Heb jij al een pinpas om te pinnen?’

LES 6 Welke taal gebruik jij? Over taalvariatie

tournaviezn, liern, okkers, moar uuk dingn veur de lochting, gelijk kurtwoans en rikkn.’

233


deel 5

verleiden

1 Bekijk het beeld. Beschrijf wat je ziet. Wat zie je niet? Wat zou er gebeuren? 2 Waarover zou het gesprek kunnen gaan? Wat wordt er gezegd? Waar bevinden beiden zich? Verzin een plaats. 3 Bestudeer ook de houding en de mimiek van beiden. 4 Welke verhalen ken je waarin een appel een rol speelt? 5 Waaraan denk je bij het woord ‘appel’? Werk per twee en zoek zo snel mogelijk elk 12 woorden die volgens jou met appel te maken hebben. Stel per twee jullie keuze voor aan de klas. 6 Welke kleuren zijn hier belangrijk? Trekken ze de aandacht? 7 Wie of wat wil de fotograaf benadrukken? Hoe doet hij dat?

woord

de mimiek: de gezichtsuitdrukking

245


les

Geloof je wat reclame belooft?

1

KRITISCH KIJKEN EN LUISTEREN

1

laat je niet verleiden DOOR RECLAME BETROUWBARE EN MISLEIDENDE INFORMATIE onderscheiden

Achter de schermen van de reclame OPDRACHT 1

Bespreek de vragen bij de foto.

1 Wat zijn deze mensen van plan, denk je? Waar zijn ze? 2 Waarom kijken ze verleidelijk? 3 Waar vind je foto’s als deze terug? 4 Wat was er allemaal nodig om deze foto te maken? 5 Voor welk soort product zou er reclame gemaakt worden?

OPDRACHT 2

Bekijk een fragment uit een consumentenprogramma.

Het programma test of de beweringen in reclamespots waar zijn. Doet het product wat het belooft? Of moet je het allemaal met een korreltje zout nemen? 1 Kijk naar de reclametests op diddit. Focus je tijdens het kijken op deze vragen: a Welke bewering test het programma op de waarheid? b Op welke manier doen ze dat? c Wat is hun besluit? 2 Bespreek je antwoorden eerst per twee, daarna klassikaal.

woord

de consument: iemand die een product of dienst koopt, een verbruiker of klant de bewering: iets waarvan je zegt dat het zo is met een korreltje zout nemen: niet te letterlijk nemen, het niet allemaal zomaar geloven

248

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


les

2

Naar het reclamebureau

reclameonderzoekje uitvoeren: delen herkennen en strategieën inzetten

functie en belang van het beeld omschrijven

klasfolder of klasposter ONTWERPEN

RECLAMETECHNIEKEN herkennen

1

Reclame onder de loep OPDRACHT 1

Wat is reclame? Bespreek samen deze vragen.

1 Zag of hoorde je vandaag al reclames die je opgevallen zijn? Welke? 2 Welke tekstsoort is reclame? Wat is het tekstdoel? 3 Probeer reclame te omschrijven.

OPDRACHT 2

Onderzoek de reclames met het communicatiemodel.

1 Bekijk de reclames op p. 257-258. 2 Zoek een antwoord op de vragen van het communicatiemodel voor twee reclames. Kies er twee samen met je buur en bespreek. Noteer de oplossingen in de tabel. reclame 1

reclame 2

Wie is de zender?

Wat is de boodschap?

Waarover gaat de boodschap?

Wie is de ontvanger?

Wat is de bedoeling?

woord

iets onder de loep nemen: iets nauwkeurig onderzoeken

256

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden


les

Zeg het met … 3 een bijvoeglijk naamwoord bijvoeglijk naamwoord herkennen en gebruiken trappen van vergelijking gebruiken

1

verzonnen product PROMOTEN

Hoe ‘kleur’ je een tekst? OPDRACHT 1

Bekijk aandachtig deze tekst en beantwoord daarna de vragen.

Lommel wordt een levend museum In de zomer vind je ze in elke stad: levende standbeelden. Ze hebben prachtige kostuums aan en staan stil tot je een munt in hun hoed werpt. Dit weekend komen ze samen in Lommel. De stad wordt een museum van levende standbeelden. Niet iedereen mag in Lommel beeld spelen. Enkel de beste artiesten van Europa werden geselecteerd. Hun kostuums zijn heel mooi. Ze kunnen urenlang stilstaan. En ze zijn erg origineel. Bonte boel De organisatoren zorgen voor een wandelroute door de stad. Op je weg ontdek je klassieke beelden die van steen of brons lijken. Je ziet het verschil met een echt standbeeld bijna niet! Er zijn ook kleurrijke, poëtische en grappige figuren. Sommigen zijn alleen, anderen staan in groep. Maar je ziet niet alleen standbeelden. Op je wandeling ontmoet je ook acteurs en acrobaten. Zij voeren een toneeltje op. Je weet niet waar je eerst moet kijken! Kortom: een origineler uitstapje bestaat niet! Naar: ‘Tip: Festival Beeldig Lommel’, Wablieft

1 Wat is het tekstdoel? 2 Tot welke tekstsoort behoort deze tekst? 3 Wat is het centrale thema of de hoofdgedachte van de tekst? 4 Lees de tekst nu intensief. In deze tekst vind je heel wat zelfstandige naamwoorden. Ken je ze nog? Test jezelf en onderstreep ze allemaal. Heb je meer dan vijf fouten? Ga naar diddit. Heb je minder dan vijf fouten? Ga rechtstreeks naar oefening 5.

LES 3 Zeg het met … een bijvoeglijk naamwoord

265


les

4

Hocus, pocus, poëzie KENMERKEN VAN POËZIE OPSOMMEN

LEESERVARING BIJ GEDICHTEN VERWOORDEN

poëzie schrijven

ZICH CREATIEF UITDRUKKEN

WAARDERING UITSPREKEN

1

Liefde voor poëzie OPDRACHT 1

Beluister het radioprogramma met Bart Moeyaert.

1 Beantwoord de vragen mondeling. a Welk gedicht raakt je het meest? Waarom? b Waarom heeft Bart Moeyaert dat gedicht gemaakt? Wat was de aanleiding? c Welke woorden blijven je bij omdat je ze mooi/ontroerend/… vond? 2 Benieuwd naar nog een gedicht van Bart Moeyaert? Beluister ‘Siberië’.

OPDRACHT 2

Lees of beluister deze gedichten. Welk gedicht betovert jou?

1 Naar welk gedicht gaat jouw voorkeur uit? Vertel waarom.

A

B

C

P. sneed de liefde aan en nam een grote hap.

Mijn hart is een rood hondje dat blaft en bijt misschien Maar dat kwispelend rent als jij in de buurt en vooral als jij dicht bij mij bent.

Schrijf aan je toekomstige liefje. Een waanzinnig warme liefdesbrief.

Niet te veel ineens! riep ik nog. Maar het was te laat.

Stop de brief in een fles. Gooi de fles in een glasbak. Wacht op het wonder.

P. verslikte zich. G. De Kockere. P. en ik. Wielsbeke, De Eenhoorn

LES 4 Hocus, pocus, poëzie

T. Wigersma. Zoen me tot ik spin. Amsterdam, Querido

J. van Hest. Zie hoe eenvoudig. Haarlem, Holland

273


les

5

Ik nodig je uit uitnodiging opbouwen: w-vragen

kenmerken en doel van overtuigende tekst geven

aantrekkelijke uitnodiging SCHRIJVEN

KENMERKEN VAN EEN UITNODIGING toelichten

1

Wat is een goede uitnodiging? OPDRACHT 1

Onderzoek de uitnodiging.

Werk per twee. Beantwoord de vragen mondeling en ga aan de slag met de voorbeelduitnodigingen die je zelf meebracht. Heb je zelf geen uitnodiging meegebracht? Dan kijk je naar de uitnodigingen op diddit. 1 Voor welke gelegenheid heb je zelf al eens een uitnodiging ontvangen? 2 Voor welke gelegenheid heb je zelf al een uitnodiging gemaakt? 3 Wat is het doel (tekstdoel) van een uitnodiging? 4 Via welke kanalen kun je een uitnodiging aan de ontvanger bezorgen? 5 Kies een voorbeelduitnodiging. Bekijk de voorbeelden aandachtig en beantwoord de vragen in de tabel. vragen Voor welke gelegenheid is dit een uitnodiging? Voor wie is de uitnodiging bedoeld? (doelpubliek) Op welke vragen geeft de uitnodiging nog een antwoord? Noteer het vraagwoord en het bijbehorende antwoord. Is de informatie op de uitnodiging correct of niet correct?  Onderzoek ook of je spelfouten of slecht gebouwde zinnen kunt vinden. Is de informatie op de uitnodiging gepast?  Onderzoek of de lezer in de je-vorm of de u-vorm aangesproken wordt.  Is de woordkeuze aan het doelpubliek aangepast?

280

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 5 Verleiden

uitnodiging 1

uitnodiging 2


deel 6

onderzoeken

1 Bekijk het beeld. Wie zie je? Wat zijn ze aan het doen volgens jou? 2 Welke vraag zou de man in het water aan de meisjes gesteld hebben? 3 Hoe zie je dat het de bedoeling is om te leren? 4 Waarover heb jij al buiten de schoolmuren geleerd? 5 Wat zou jij graag onderzoeken als je een onderzoeker was? 6 Wat heeft de fotograaf ‘centraal’ in beeld gebracht? 7 Wat betekent ‘kadrage’? Bespreek het kader waarin de fotograaf hier zijn ‘verhaal’ brengt. 8 Is alles even scherp in beeld gebracht?

289


les

Zakelijke teksten onder de loep

1

tekstdelen rangschikken

kernzin en HOOFDGEDACHTE aangeven

GETUIGENVERSLAG GEVEN

alinea’s en verbanden AANDUIDEN

1

Logisch gerangschikt? OPDRACHT 1

Zoek de volgorde.

Geloof jij in buitenaards leven? 1 Lees zin a. Kun je een krantenbericht daarmee beginnen? JA / NEE 2 Lees zin f. Kun je het bericht daarmee eindigen? Sluit die zin het artikel af? JA / NEE Bestaat buitenaards leven? a Ook als maar een klein deel van die planeten gunstige omstandigheden heeft, is het mogelijke aantal bewoonbare planeten erg groot. b Tot nu toe hebben wetenschappers alleen leven op aarde gevonden. c Velen zijn er echter van overtuigd dat er ook elders leven moet zijn. d Alleen al in ons sterrenstelsel zijn er honderden miljarden sterren, waarvan er vele planeten hebben. e De vraag of buitenaards leven bestaat, is dus grotendeels afhankelijk van hoe makkelijk of moeilijk het is om leven te beginnen. f Want het universum is enorm groot en het leven dat wij kennen, kan onder zeer afwisselende omstandigheden gedijen. R. Dinwiddie. Hapklare wetenschap. Baarn, Tirion Natuur

3 Zoek de eerste zin. Welke zin geeft een algemeen antwoord op de vraag of er buitenaards leven bestaat? 4 Zoek de laatste zin. Welke zin bevat een besluit? 5 Markeer in de overgebleven zinnen woorden of woordgroepen die je de logische volgorde van de zinnen ‘verklappen’. Zulke woorden die alinea’s of zinnen met elkaar verbinden, noem je signaalwoorden. 6 Herstel nu de volgorde van de zinnen. Noteer ze in de tabel. 7 Alle zes de zinnen horen bij elkaar en vormen één blokje tekst. Hoe kun je dat aan de lezer duidelijk maken?

8 Hoe wordt zo’n blokje tekst genoemd?

woord

gunstig: positief, goed, voordelig het universum: het heelal, de ruimte gedijen: goed groeien, makkelijk overleven, bloeien

LES 1 Zakelijke teksten onder de loep

293


les

Het grote luisterexperiment

2

gericht luisteren en kijken

luisteren en kijken met voorkennis noteren TIJDENS HET LUISTEREN

1

VERTELLEN ALS EEN professor INFORMATIE ONTHOUDEN

Is voorkennis een voordeel? Je kunt je afvragen of je beter en gerichter kunt luisteren als je al iets weet over het onderwerp van de tekst. Als je vooraf meer weet, zou je dan op een betere manier luisteren en onthouden? OPDRACHT 1

Bereid de luisteropdracht voor. Luister naar een fragment over het voetbal.

1 Bepaal eerst tot welke groep voetballers jij behoort: de fervente voetballer, de occasionele voetballer of de niet-voetballer. Beantwoord de vragen. a Ben je supporter van een voetbalclub?  ja (1 punt) –  nee (0 punten) b Hoeveel soorten spelers (op het veld) kun je opsommen?  > 4 (3 punten) –  3 (2 punten) –  < 3 (1 punt) c Vanaf hoeveel meter van de doellijn wordt een strafschop of penalty genomen? (juist = 1 punt)

Naar Clive Gifford, GOAL! Alles over voetbal

d Wat is een hattrick? (juist = 1 punt) e Wat is buitenspel? Omschrijf of teken het. (juist = 1 punt) 2 Wat verwacht je? Welke groep zal het meest van het luisterfragment begrijpen en onthouden? Formuleer een hypothese. Ik verwacht dat

woord

fervent: enthousiast, fanatiek, geestdriftig, gepassioneerd, ijverig, vurig occasioneel: toevallig, af en toe, bij gelegenheid de hypothese: een aanname, veronderstelling die je wilt bewijzen

302

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


les

3

Foutloos spellen lange, korte en andere klanken correct spellen sprintdictee MAKEN

1

Schrijf je wat je hoort? Hoor je wat je schrijft? OPDRACHT 1

Luister naar de tien reeksen van woorden.

1 In elke reeks ontbreekt het laatste woord. Vul de reeks aan terwijl je luistert. Denk goed na over de spelling. reeks 1

cel

cirkel

carnaval

reeks 2

kwartaal

quiz

kwartel

reeks 3

karamel

kanarie

kantine

reeks 4

café

diner

logé

reeks 5

bikini

lelie

spinazie

reeks 6

gefascineerd

lieverd

automaat

reeks 7

niveau

bureau

gitaarsolo

reeks 8

roem

boerka

boerderij

reeks 9

koud

wenkbrauw

dauw

fantasie

politie

reeks 10 conditie

a In elke reeks zit een vreemde eend in de bijt. Onderstreep het woord dat niet in het rijtje past. b Licht mondeling toe waarom. c Wat kun je besluiten? Je schrijft niet altijd wat je           en je hoort niet altijd wat je          . Klanken die je op               uitspreekt, worden soms anders geschreven (café, diner). Klanken die je op

uitspreekt, worden soms met

dezelfde letter geschreven (cirkel, carnaval).

woord

een vreemde eend in de bijt: een vreemde tussen allemaal bekenden de bijt: een onbevroren plek in het ijs

310

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 6 Onderzoeken


les

4

Op zoek naar een boek

thema bepalen vanuit COVER EN ACHTERPLAT

BOEK CREATIEF presenteren BOEKENWEBSITES vergelijken

LEESGEDRAG ONDERZOEKEN

1

Jongens en meisjes en boeken OPDRACHT 1

Wat lees jij zoal?

1 Noteer wat je zoal kunt lezen door de dag heen. 2 Ben je een ‘boekenverslinder’ of eerder een ‘boekenzweter’? Vreet je de lettertjes op of krijg je er hoofdpijn van? a Waaraan denk jij bij ‘een boek lezen’? Vink aan.

ontspannend

verrijkend

gevoelig

spannend

fantasie

aangenaam

informatie

saai

leerzaam

vakantie

vermoeiend

gezellig

opwekkend

wereld

einde

winter

verplicht

realiteit

lastig

vervolg

dun

tuin

alleen

regendagje

zon

triestig

avontuur

zwembad

geschiedenis

leuk

b Onderzoek of er een verschil is tussen waaraan jongens en meisjes denken bij een boek lezen. Welke drie woorden werden door de jongens het meest gemarkeerd? En welke drie door de meisjes? Kruis aan wat het best bij jou past. Onderzoek wat jongens en meisjes het meest aankruisten. aantal meisjes

aantal jongens

 Je leest graag en veel. Hoe meer boeken je kunt verslinden, hoe liever!  Af en toe lees je wel een boek, maar dan het liefst tijdens de vakantie.  Je leest enkel boeken als het moet, maar dan vind je dat wel leuk.  Boeken lezen is voor jou een zware opdracht. Niet tof! c Hoe verklaar je die gelijkenissen of verschillen?

woord

een boek verslinden: een boek snel en met veel leesplezier lezen

LES 4 Op zoek naar een boek

319


deel 7

scoren

1 Beschrijf wat je ziet. 2 Waarom past de afbeelding bij het thema Scoren? 3 Wat gebeurde er voor deze foto genomen werd? 4 Hoe weet je dat de voetbalspeelster gescoord heeft? 5 Welk gevoel kun je van het gezicht van de voetbalspeelster aflezen? 6 Wanneer heb jij je zo gevoeld? 7 Wat zie je scherp in het beeld? Wat is onscherp? 8 Is de keuze scherp-onscherp van de fotograaf volgens jou een goede keuze? Bespreek.

331


les

Hoe doe je dat?

1

luisteren NAAR INSTRUCTIES

delen van instructie aanduiden BEVELENDE ZINNEN bouwen

1

IMPERATIEF gebruiken

signaalwoorden in stappenplan aanduiden

GOOCHELTRUC UITLEGGEN

INSTRUCTIES GEVEN of aanvullen

Keitof knutselen OPDRACHT 1

Maak zelf een cactus.

1 Bekijk de foto’s en de tekst. Wat zie je?

Wil je wat groen op je kamer dat nooit kan verwelken en waaraan je niet te veel aandacht moet schenken? Wil je groen dat er ook mooi uitziet en zelfgemaakt is? Iets waarmee je bij vrienden kunt uitpakken? Met deze ‘keitoffe’ cactus zul je ongelooflijk scoren! 2 Bereid de luisteropdracht voor. Beantwoord eerst de vragen. Beluister daarna het eerste luisterfragment. a Welke tekst gebruik je als je iets wilt knutselen, koken of in elkaar zetten? b Wat is de bedoeling van de zender (spreker, schrijver)? Wat is het tekstdoel? c Denk na over een knutselopdracht of een bekend recept. Welke delen bevat zo’n instructie?

334

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


les

2

Scoren maar … SCHEMA'S opstellen: VERSCHILLEN EN GELIJKENISSEN

INTENSIEF LEZEN VERBANDEN ZOEKEN

1

alinea’s husselen EN ORDENEN

Welke sporten ken je?

OPDRACHT 1

Kun je scoren?

1 De leraar noemt een sport. Daarna gaat een leerling verder met een nieuwe sport. Een volgende leerling mag de vorige sporten niet herhalen, maar moet een andere kiezen. Als je binnen de vijftien seconden geen nieuwe sport kunt noemen, scoor je geen punten. 2 Bekijk de fragmenten. Vertel waaruit de onbekende of minder bekende sporten bestaan.

2

Wat is het verschil? OPDRACHT 2

Lees de tekst ‘Onbekende sporten’.

1 Lees de tekst oriënterend en beantwoord de vragen mondeling. a Waarom lees je deze tekst? Wat is het leesdoel? c Wat verwacht je te lezen? 2 Lees de tekst globaal en beantwoord de vragen mondeling. a Wat weet je al over het onderwerp? b Hoe kun je het lezen van deze tekst het best aanpakken? c Wie is de zender en wat zou zijn bedoeling kunnen zijn? d Welke vragen stel jij je als lezer over het onderwerp? Op welke vragen zal de tekst een antwoord geven?

LES 2 Scoren maar …

339


les

Stap voor stap

3

NADENKEN OVER INSTRUCTIES instructies aanpassen

1

instructie SCHRIJVEN

bedenken KENMERKEN INSTRUCTIE gepaste TAAL IN EEN INSTRUCTIE gebruiken

Hoe voer je de handelingen uit? OPDRACHT 1

Zoek de kenmerken van een goede instructie.

1 Noteer voor jezelf met kernwoorden minstens vier kenmerken van een instructie. In totaal zijn er zeven kenmerken. Als je er maar twee kunt opnoemen, dan lees je opnieuw wat een instructie is op p. 337 of in de Trajectwijzer. 1

2

3

4

5

6

7

2 Bekijk de foto’s. Leg uit wat je ziet.

a Heb jij zo’n voorwerp al zelf gemaakt? b Uit welk land komt die gewoonte oorspronkelijk? c Vul in de tekst op p. 349 de ontbrekende woorden in. Kies uit: Italiaans – Spaans – Chinees – piñata – verjaardag – verjaardagstaart – kinderfeestje – Italianen – Spanjaarden – Chinezen

348

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren

Sommige woorden moet je meer dan eenmaal gebruiken. Soms moet je het woord aanpassen aan de zin.


les

Klare taal

4

KIJKEN EN LUISTEREN NAAR EEN INSTRUCTIE

signaalwoorden gepast gebruiken

stappenplan OPSTELLEN

1

verzorgde mondelinge instructie GEVEN en uitvoeren

verschillende soorten zinnen bouwen

Hoe werkt dat? Leg eens uit! OPDRACHT 1

Kijk en luister naar het beeldfragment.

Vul daarna het kader aan. Wat verliep volgens jou niet zo vlot?

354

Hoe zou jij het zelf beter aanpakken?

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 7 Scoren


les

Je favoriete boek?

5

hamvraag STELLEN EN BEANTWOORDEN

genieten VAN VERHALEN verhalen BEOORDELEN

1

jeugdboeken SCORE TOEKENNEN verhalen interpreteren

Het is een pareltje, een aanrader, geweldig, schitterend! NIEUWS WAT IS KJV? HOE WORD IK LID?

Boekenjury KJV is een jury van kinderen en jongeren tussen 4 en 16 jaar. Juryleden krijgen een lijst van boeken om te beoordelen. Soms komen ze samen in leesgroepen om te praten over de boeken.

DE INTERNETJURY

Als je als jurylid alle titels van jouw leeftijdsgroep hebt gelezen, dan mag je stemmen. Op het stemformulier noteer je je top 8.

WELKE BOEKEN LEZEN WE?

Alle stemmen van heel Vlaanderen worden verzameld en geteld.

OPDRACHT 1

Lees wat er over boeken gezegd wordt.

1 Wat moet je weten als je iets over boeken wilt vertellen? Bespreek samen. 2 Wat onthoud jij van boeken?

LES 5 Je favoriete boek?

365


deel 8

liken

1 Beschrijf wat je op de foto ziet. 2 Wat zie je niet? 3 Welke gevoelens herken je bij de persoon op de foto? Waaruit leid je dat af? 4 Heb jij een gezicht dat gemakkelijk je gevoelens verraadt? Vertel over een situatie waarin dat duidelijk was. 5 Verzin een boodschap die op het computerscherm zou kunnen verschijnen. Denk aan de w-vragen. 6 Past dit beeld volgens jou bij ‘liken’? Waarom wel/niet? 7 Kies of maak zelf een beeld dat volgens jou bij dit werkwoord past. 8 Bespreek je houding. • Hoe breng je je beeld: van onderen naar boven of omgekeerd of werk je vanop ooghoogte? • Hoe neem je een close-up of een totaalbeeld?

383


les

Surfen en liken

1

informatie verzamelen en vergelijken

ONLINE TEKSTEN BEOORDELEN

persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden GEBRUIKEN

1

presentatie BRENGEN

Klopt dat wel? OPDRACHT 1

Ken je deze? Bespreek samen.

1 Wat is Twitter en wat is Facebook? a Zoek het op het internet op. b Vertel op welke webpagina je de beste omschrijving vond. c Wie heeft een Facebookaccount, Instagramaccount of YouTubekanaal? 2 Zoek het antwoord op deze vragen. Ga naar de site van WAT WAT. a Hoe oud moet je zijn om een Facebookaccount te mogen hebben? b Hoe kun je een foto die iemand van jou op Facebook geplaatst heeft, laten verwijderen?

386

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


les

Expressief met taal

2

KUNST VAN voorlezen ’toepassen’: articulatie, tempo, intonatie ...

verhalen delen

eigen mening geven

1

luisteren EN EXPRESSIEF VOORLEZEN

feedback geven

Liken, likete, geliket OPDRACHT 1

Bekijk het filmpje. Formuleer je mening.

1 Noteer onder de zes emoji wat ze betekenen.

2 Lees de verzen of gedichten en teken er een emoji bij. Geef je mening.

A

B

C

Anoniem

J. ’t Lam

Anoniem

LEES blij: Ik mij? op ik denk aan en zeg aan jij neer dan jou Denk

396

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken

Je gezicht is je eigen weerbericht als je in de spiegel kijkt kun je je eigen bui zien hangen.

Goede morgen maandag Hoe gaat het met dinsdag? Doe de groeten aan woensdag; En zeg tegen donderdag, Dat ik met de trein van vrijdag, Zaterdag en zondag kom logeren.


les

Wie zijn ze?

3

leesvoorkeur aangeven

karaktereigenschappen personages beschrijven

stripverhaal en jeugdboekfragment beoordelen

1

(Facebook)profiel MAKEN

letterlijk en figuurlijk onderscheiden en begrijpen

Veel of weinig karakter hebben OPDRACHT 1

Bekijk de stripplaatjes.

1 Lees de karakterbeschrijving van de stripfiguren en combineer die met de stripplaatjes. Over wie gaat het? karakterbeschrijving

stripplaatjes

1

Zij is stoer en vrolijk en heeft een grote mond, maar wel een klein hartje. Soms is ze jaloers, dikwijls erg nieuwsgierig en altijd heeft ze zin in avontuur.

A

2

Ze is een geweldige moederfiguur en tante. Ze sleurt haar neefje en nichtje dikwijls mee op avontuur. Ze heeft een boon voor â&#x20AC;Ś

B

3

Hij is een echte ijdeltuit en wil altijd de held zijn. Als dat niet lukt, ligt hij dwars, zeker als een ander met de eer gaat lopen. Hij heeft een goed hart en schiet iedereen te hulp.

C

4

Deze dubbelgespierde borstkas kan elke boef de baas en heeft een hart van goud. Hij komt uit de oertijd, dus weet niemand hoe oud hij is. Hij is slim, spreekt een beetje raar en heeft veel geduld.

D

5

Je vindt geen slimmere professor. Met zijn teletijd­ machine kun je door de tijd reizen. De striphelden vliegen de hele wereld rond in zijn Gyronef. Hij is meestal zeer ernstig, maar dikwijls ook verstrooid.

E

LES 3 Wie zijn ze?

405


les

4

Boeiend presenteren

presenteren VOOR EEN GROEP

mindmap maken

1

informatie zoeken en vergelijken

PowerPointpresentatie opstellen

OVERTUIGEN ALS marktkramer

gericht kijken en luisteren

Zou je dit liken? OPDRACHT 1

Beoordeel deze presentaties. Bekijk de afbeeldingen aandachtig.

Stel: het onderwerp van elke presentatie is hetzelfde. De plaats, de persoon en de manier verschillen. Welke presentatie zou bij jou de meeste aandacht trekken? Kleur de nodige like-tekens om een waardeoordeel te geven. Licht je oordeel kort toe in een klasgesprek.

A

B

C

D

E

F

LES 4 Boeiend presenteren

425


les

Striphelden tellen

5

ZOEKEND LUISTEREN: STRIPS

WOORDSOORTEN HERKENNEN

bingo SPELEN

telwoorden AANDUIDEN EN GEBRUIKEN

1

Ken je deze striphelden? OPDRACHT 1

Lees de tekst.

1 Duid in de tekst sleutelwoorden aan. Twee van de bekendste Belgische stripfiguren zien er vanaf nu anders uit: Suske en Wiske zitten in een nieuw, eigentijdser jasje. De vernieuwing moet helpen om de dalende verkoopcijfers op te krikken. Suske draagt nu een trui met een kap en Wiske krijgt borstjes, net als Sidonia trouwens. In meer dan zeventig jaar zijn er al ruim tweehonderd miljoen albums van Suske en Wiske verkocht, maar de laatste jaren neemt de verkoop af. De uitgever hoopt dat deze ingreep die tendens kan keren. ‘Willy Vandersteen heeft ervoor gekozen om Suske en Wiske een levende strip te houden’, zegt Toon Horsten, ‘in tegenstelling tot bijvoorbeeld Hergé, die besliste dat Kuifje na zijn dood moest stoppen.’ Willy Vandersteen tevreden? Ook Leen Vandersteen, dochter van Willy Vandersteen, is tevreden met de verandering en ze hoopt dat haar vader dat ook zou zijn. ‘Hopelijk zijn we goed bezig met zijn erfenis, maar dat denk ik wel. De figuurtjes zijn wie ze zijn en beleven nog altijd dezelfde avonturen. Alleen doen ze dat nu in een vorm die beter bij de tijd past’, zegt Leen. De Planeetvreter, het 339ste album van Suske en Wiske, komt volgende woensdag uit. Naar: nieuws.vtm.be

2 Bekijk twee korte beeldfragmenten. Lees de vragen vooraf om zoekend te luisteren. Bekijk de beeldfragmenten. Beantwoord daarna de vragen. Markeer het juiste antwoord.

Suske en Wiske zien er vanaf nu zo uit.

© 2018 Standaard Uitgeverij/WPG Uitgevers België

Vergelijk de gemarkeerde sleutelwoorden met een klasgenoot. Vertel waarom jij voor bepaalde sleutelwoorden koos.

woord

tendens: een trend of ontwikkeling

430

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 8 Liken


deel 9

springen

1 Wat zie je in dit beeld? 2 Hoe zou de persoon op de foto zich voelen? Waarom denk je dat? 3 Waaraan zou jij denken terwijl je dit deed? 4 Welke leuke, positieve boodschap of slagzin kun je verzinnen waarin het woord â&#x20AC;&#x2DC;springenâ&#x20AC;&#x2122; staat? 5 Wanneer zou jij hoog in de lucht willen springen? Of een gat in de lucht kunnen springen? 6 Waar zou jij dit toestel plaatsen om het nog spannender te maken? 7 Welk perspectief herken je in deze foto: een kikkerperspectief of een vogelperspectief? 8 Verduidelijk wat beide perspectieven betekenen. 9 Welke effect bereikt de fotograaf met deze keuze?

447


les

Wat ik deze zomer echt wil doen …

1

gepaste leesstrategieën inzetten

informatie kritisch bekijken

MINIBROCHURE OPMAKEN

informatiebronnen raadplegen

1

De bucketlist OPDRACHT 1

Bekijk de tekst ‘Zes dingen die ik echt nog wil doen op reis’.

Beantwoord vragen 1 tot en met 7. Vergelijk na afloop je oplossing met die van een klasgenoot. 1 Som drie tekstkenmerken op. 2 Welke tekst herken je? Hoe weet je dat? 3 Waarom schreef de auteur de tekst? Wat is het tekstdoel? 4 Waarom zou jij de tekst lezen? Wat is het leesdoel? 5 Welke leesstrategie paste je toe om de vorige vier vragen te beantwoorden? Markeer. globaal lezen – oriënterend lezen – zoekend lezen – kritisch lezen – intensief lezen 6 Wat is het hoofdonderwerp van de tekst? Waar vind je dat terug? 7 Welke leesstrategie gebruikte je om het antwoord op de vorige vraag te vinden?Markeer. globaal lezen – oriënterend lezen – zoekend lezen – kritisch lezen – intensief lezen 8 Lees de tekst nu intensief.

woord

de bucketlist: een lijst met dingen die je zeker nog wilt doen/beleven

LES 1 Wat ik deze zomer

echt wil doen …

451


les

2

Ik weet meer dan ik denk

woordbetekenissen achterhalen

taalregisters onderscheiden

1

Woordbetekenissen vinden OPDRACHT 1

Luister en kijk naar een fragment uit een televisieprogramma.

1 Beantwoord de vragen. a Uit welk tv-programma hoorde je een fragment? b Wat hebben ze gemaakt? c Hoe voelen ze zich in het begin van het fragment? En op het einde? d Welke taalvariëteit wordt gebruikt? Verduidelijk met voorbeelden. e Zijn de gesprekken formeel of informeel? Hoe weet je dat? 2 Kijk naar een fragment uit een ander televisieprogramma. a Uit welk tv-programma hoorde je een fragment? b Wat heeft een student ontwikkeld? c Waarvoor dient zijn uitvinding? d Welke taalvariëteit wordt gebruikt? e Zijn de gesprekken formeel of informeel? Hoe weet je dat?

458

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen

woordbetekenissen voor bingo opnemen


les

3

Ik ga op reis en ik neem mee …

genres ontdekken

leeservaring en -voorkeur verwoorden placemat-verhaal schrijven

genietend lezen

1

een goed boek

OPDRACHT 1

Wat is een goed boek? Beantwoord de vragen.

1 Wanneer is een boek voor jou ‘een goed boek’? Je dacht daarover al even na in les 5 van het deel ‘Scoren’. 2 Welk ‘goed boek’ heb je onlangs gelezen? Naar welke wereld nam de auteur je mee? 3 Bespreek met een klasgenoot. Heb je dezelfde smaak? Of net niet? Noteer een besluit.

tip

4 Houd je vooral van fictie of eerder van non-fictie?

non-fictie: de realiteit zoals in een zakeliijke tekst fictie: verzonnen tekst zoals in een verhaal

2

een genre voor elke dag

OPDRACHT 2

Groepeer de jeugdboeken.

Werk in groepen. Welke boeken horen samen en welke zeker niet? Overleg met je klasgenoten en beredeneer je keuze. Na elke ronde krijg je van de leraar extra informatie. Je kunt je keuze dan eventueel aanpassen. Malou van de mussen

Paultje, echt geen jongen

Ule

De vloek

iBoy

Jonkvrouw

De mysterieuze zolder

Horowitz horror

Havikskruid

Mijn vader maakt wapens

Eilanddagen

Inwijding

genre

hier-en-nu-verhalen

historische verhalen

fantasieverhalen

boeken (titels)

LES 3 Ik ga op reis en ik neem mee …

465


les

Spelen met taal

4

luisteren en kijken naar interview

verbale en lichamelijke expressie inzetten IMPROVISEREN

1

Luisteren naar Paul De Moor OPDRACHT 1

Bekijk het gesprek met Paul De Moor.

Kun jij achterhalen welke vragen de interviewer stelde? Noteer ze hier.

2

Improvisatie OPDRACHT 2

Lees het verhaal en maak een woordspin.

Verleiden? Ik had ontdekken moeten hebben! Paul De Moor 1

5

10

Natuurlijk zat ik te dromen. Met mijn gedachten ver weg. Ik zag ze meevliegen met de zwaluwen, ginds zwart buitelend en door de blauwe lucht scherend. En ik zag ze in de luchtballon die rood en groen en breekbaar als een kerstbal in de lucht hing. ‘Verleiden is voor jou, Nathan’, zei de leraar Nederlands. Ik schrok. De klas schudde. Van het lachen. ‘Waar was je?’ vroeg de leraar. ‘Hier’, zei ik hulpeloos verward. De klas daverde. Joachim had onderzoeken gekregen. An-Sofie vertellen. Achmet liken. Wouter springen. Daraya verbeelden. Vera ontdekken. Ze hadden de werkwoorden onder elkaar verdeeld. Ik had zitten dromen. Natuurlijk had ik zitten dromen. Ik had het laatste woord gekregen. Het werkwoord dat ik niet wilde. Verleiden. De luchtballon hing roerloos boven het lilarozige van de Japanse kerselaar. De zwaluwen waren ver en hoog. Verleiden? Wat moest ik ermee? Een heel verhaal schrijven om het werkwoord verleiden? Dat werd lijden, en geen klein beetje, dat had ik meteen door.

woord

buitelen: rollebollen, tuimelen, duikelen

478

TRAJECT Nederlands 1   DEEL 9 Springen


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Traject Nederlands 1 - inhoudstafel (basis) by VAN IN - Issuu