6
Werkwoordenblok Naam: Klas:
Nr.:
Werkwoordenblok
Coördinatie: Daan Debuysere Auteurs: Filip Casier Erwin Lenaers Met medewerking van: Pieter Van Biervliet
Bij TALENT voor het 6e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Taalschriften A, B en C Spellingschrift Projectbundel - Een blik op de wereld Projectbundel - Van pool tot evenaar Projectbundel - Talent Werkwoordenblok 6 Voor de leraar: Handleidingen A, B en C Zorg- en evaluatiemappen A, B en C Map curriculumdifferentiatie 6 Correctiesleutels taalschriften A, B, C en spellingschrift Voor de klas: Talentbib 6 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) Bingel Max Bingel Plus Bingel Start
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8265-3 D/2019/0078/85 Art. 569679 NUR 191
Coverontwerp: B.AD Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group
Naam:
Datum:
tĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶ ŝĚĞŶƟĮĐĞƌĞŶ 1
Omcirkel het werkwoord in elke rij. 1 kippen – rokken – voetballen – honden – peren 2 stripverhalen – schapen – lampen – klassen – lezen 3 wedstrijden – kinderen – treinen – tikken – jongeren 4 lenen – dozen – muren – truien – ongelukken 5 oren – gezichten – horen – wenkbrauwen – wangen 6 palingen – goudvissen – haringen – vissen – kabeljauwen 7 hengelen – netten – kinderen – eenden – dieven 8 zussen – spelen – damborden – schaakborden – handen 9 bladen – boeken – woorden – gitaren – papieren 10 mannen – vrouwen – baarden – knallen – seringen
Omcirkel het werkwoord in de zin. 11 Ik zing veel onder de douche. 12 Vandaag genoten we van de zon. 13 Mijn broer vergat zijn schooltas. 14 Koop jij een geschenk voor mama? 15 Mijn papa is ziek. 16 Julie beantwoordt de vraag. 17 Aanvaardt de directeur het voorstel? 18 We verwelkomen de nieuwe leerlingen in de klas. 19 Club Brugge won opnieuw van Anderlecht. 20 In de kerstvakantie trekken we op skivakantie. Talent - werkwoordenblok 6
1
Naam:
Datum:
tĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶ ŝĚĞŶƟĮĐĞƌĞŶ 2
Omcirkel alle werkwoorden in de zinnen. 1 Mama bakt een lekkere cake. 2 Helena heeft gisteren de kippen gevoederd. 3 Pieter gelooft niet wat mama hem vertelt. 4 De jongens willen in die hoge boom klimmen. 5 De wedstrijd is stipt op tijd begonnen. 6 Zullen we een bijdrage leveren voor het goede doel? 7 Wie een put graaft voor een ander, valt er zelf in. 8 Ik verbied je nog iets te zeggen. 9 Opa heeft veel pijn geleden. 10 Heb je de deur gesloten? 11 Heb je genoten van de zomer? 12 Skeeler je graag? 13 Elise trekt op stage naar Peru. 14 De zon schijnt eindelijk. 15 Ik fiets graag in de Vlaamse Ardennen. 16 We plantten bomen op onze speelplaats. 17 Help je soms met je ouders? 18 De trein komt opnieuw te laat aan ... 19 Mama loopt wekelijks twee keer tien kilometer. 20 Papa schilt aardappelen. 21 Kan Youssef hoger springen dan jij? 22 Ik heb net een kopje koffie gezet. 23 Morgen komt de bakker taarten brengen. Talent - werkwoordenblok 6
2
Naam:
Datum:
Ğ ƉĞƌƐŽŽŶƐǀŽƌŵ ŝĚĞŶƟĮĐĞƌĞŶ 3
Onderstreep telkens de persoonsvorm. Tip: Stel de ja-neevraag. Het eerste woord van de vraagzin is de persoonsvorm. 1 Ik draag elke morgen mijn fluojasje.
2 De autobestuurders zien mij goed in het verkeer.
3 Wij zullen straks voetballen tijdens de speeltijd.
4 Ik zoek tijdens de speeltijd mijn verloren trui.
5 We hebben met de hele klas een tof spel gespeeld.
6 Na school fietste ik vlug naar huis.
7 Wij moeten vanavond weinig huiswerk maken.
8 Verkeersveiligheid en gezondheid zijn belangrijk op onze school.
9 De fietsenmaker herstelde mijn fietslicht.
10 Heel wat sportievelingen bezoeken de Mont Ventoux.
11 Wij aten gisteren mosselen met frieten.
Talent - werkwoordenblok 6
3
Naam:
Datum:
Ğ ƉĞƌƐŽŽŶƐǀŽƌŵ ŝĚĞŶƟĮĐĞƌĞŶ 4
a Markeer in elke zin: het onderwerp. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. 1 De kinderen stoeien in de speeltuin. 2 In de krant las ik het overlijdensbericht van een oude vriend. 3 De leerlingen van onze school stuurden een lange brief naar de burgemeester. 4 We zullen vanavond een stevige training krijgen. 5 De school sluit op woensdagnamiddag. 6 De kinderen gingen naar de opening van het filmfestival. 7 We schaatsen met de hele klas op de overdekte ijspiste. 8 Gisteren vertelde juf een schitterende mop. 9 Op het einde van de vakantie organiseert de school een kennismakingsfeest. 10 We maken dit jaar een klasuitstap naar de IJzertoren en de Dodengang. 11 Onze meester was vorig jaar lang ziek. 12 Wij hebben een digitaal bord in onze klas. 13 Sociale netwerksites zorgen soms voor problemen op school. 14 Vorig schooljaar gingen we op plattelandsklassen naar Vleteren. 15 Heb jij al ooit in het gips gezeten? 16 Tijdens de zomer ga ik graag op kamp. 17 Op de meeste stranden staan er enkel in juli en augustus redders. 18 Een goede nachtrust is heel belangrijk. 19 Karen heeft een nieuwe tent gekocht. 20 Opa gaf me tien euro voor mijn goed rapport. Talent - werkwoordenblok 6
4
Naam:
Datum:
sĂŶ ƉĞƌƐŽŽŶƐǀŽƌŵ ŶĂĂƌ ŝŶĮŶŝƟĞĨ 5
Schrijf van de persoonsvormen de infinitief op. Tip: de infinitief van een werkwoord vind je door er ‘ik zal’ voor te zetten. belt
bellen
1 betaalt 2 snijdt 3 wandelden 4 waarschuwt 5 sprong 6 liep 7 glinstert 8 zei 9 bereidt 10 trek 11 maakte 12 zochten 13 prutst 14 gingen 15 bereidt 16 zitten 17 brachten 18 sluit af 19 openden 20 benijdt 21 vierden
Talent - werkwoordenblok 6
5
Naam:
Datum:
sĂŶ ƉĞƌƐŽŽŶƐǀŽƌŵ ŶĂĂƌ ŝŶĮŶŝƟĞĨ 6
a Onderstreep de persoonsvorm in elke zin. b Schrijf de infinitief op.
ik zal ...
1 We lachten heel wat tijdens onze daguitstap. 2 Gisteren ontving ik een brief van mijn neef. 3 Papa behangt in de vakantie mijn kamer. 4 Waarom schreef je mij geen brief? 5 In de garage herstelt men mijn auto. 6 Piet bereidt een lekker gerecht voor ons. 7 Stan staat altijd flink in de rij. 8 De nieuwe leerling amuseert zich goed. 9 In de bioscoop zit mijn zus altijd achteraan. 10 Voor Vaderdag kocht ik een schitterend cadeau. 11 Na mijn valpartij bloedde mijn elleboog. 12 We kijken uit naar de vakantie. 13 Morgen viert Hussam zijn verjaardagsfeest. 14 Mijn grootouders verhuizen volgende maand. 15 De ruitenwassers wasten vandaag de ramen. 16 Volg jij de voetbalcompetitie? 17 Hij zat vijf minuten in zijn tentje. 18 Sliep jij goed op de luchtmatras? 19 De postbode kwam vandaag pas laat. 20 Gisteren maaide ik het gras. 21 Mag ik absolute stilte? 22 Ik was even mijn tekst kwijt.
Talent - werkwoordenblok 6
6
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŚĞƌŬĞŶŶĞŶ 7
a Onderstreep de persoonsvorm. b Schrijf of de zin in de tegenwoordige tijd (t.t.) of verleden tijd (v.t.) staat. c Schrijf de infinitief van de persoonsvorm.
Tegenwoordige tijd: het gebeurt nu Verleden tijd: het gebeurde vroeger We voetballen tijdens de speeltijd.
t.t.
voetballen
1 We maakten een wandeling in het bos. 2 Elke avond kijken we naar het journaal. 3 We gingen gisterenavond vroeg slapen. 4 Met enkele vrienden fietsten we in de Alpen. 5 Liep jij ook de 10 Miles van Antwerpen? 6 Je komt te laat op het feestje. 7 Elke morgen leest papa de krant bij zijn ontbijt. 8 De agenten betrapten vannacht de dief. 9 Mijn buurmeisje en ik gaan samen naar school. 10 Maai jij ook al het gras? 11 Mama haalt elke morgen brood bij de bakker. 12 We skeelerden gisteren op de nieuwe piste. 13 We lachten heel wat tijdens de vorige les. 14 Viel die moeilijke toets mee voor jou? 15 Papa poetst op vrijdag het huis. 16 Elke avond bak ik aardappelen. 17 Maya herstelt haar fiets. Talent - werkwoordenblok 6
7
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŚĞƌŬĞŶŶĞŶ 8
Kleur: de zinnen in de tegenwoordige tijd. de zinnen in de verleden tijd. 1 Wij fietsen. 3 Papa droomde. 5 De juf vertelt. 7 We schaatsten. 9 De kleuters praten. 11 De bouwvakker metst. 13 De meisjes zongen. 15 Opa tuinierde. 17 Kleine zus sliep. 19 De baby dronk. 21 Niemand vecht. 23 De zon verblindde. 25 De kinderen glunderen.
2 De auto’s reden. 4 De directeur zwijgt. 6 Zus schrok. 8 De architect tekent. 10 Mijn ouders aten. 12 Niemand liegt. 14 De huisvrouw veegt. 16 De atleet springt. 18 De supporter roept. 20 Papa kocht. 22 De peuter scheurt. 24 De winnaar verwachtte. 26 Oma kuchte.
Talent - werkwoordenblok 6
8
Naam:
Datum:
e ta 9
Schrijf de stam van de werkwoorden op.
De stam is de vorm van het werkwoord die meestal op de ik-vorm lijkt.
1 huilen
8 tellen
2 zorgen
9 schieten
3 drinken
10 wensen
4 vallen
11 rusten
5 bellen
12 bieden
6 werken
13 begrijpen
7 poetsen
14 vinden
Schrijf van de persoonsvorm de inďŹ nitief en de stam. Hij lacht.
lachen
lach
15 De auto stopt. 16 De kinderen speelden. 17 De ober bedient. 18 De kinderen lachten. 19 De eend kwaakt. 20 De juf antwoordt. 21 Ik vind. 22 De regen kletterde. 23 De klasgenoten zwommen. 24 De winkel brandt. 25 Mijn broer snijdt. 26 De behanger bekleedde.
Talent - werkwoordenblok 6
9
Naam:
Datum:
Ğ ŝŶĮŶŝƟĞĨ ĞŶ ĚĞ ƐƚĂŵ 10
Schrijf van de persoonsvorm de infinitief en de stam. infinitief Hij spreekt
spreken
stam spreek
1 De winkelier verkoopt. 2 Mijn klasgenoot loog. 3 De klimmer bindt. 4 De agent stapt. 5 De bromfietser stopt. 6 Ine wordt. 7 De reizigers vonden. 8 Papa kookt. 9 De buurvrouw vertelde. 10 De ministers eisen. 11 De juffen praatten. 12 De timmerman klopt. 13 De vliegtuigen stijgen. 14 De koks bereidden. 15 De auto’s reden. 16 De ober noteert. 17 De receptioniste ontving. 18 De rechter beveelt. 19 De leerling groet. 20 De leerkracht veronderstelt.
Talent - werkwoordenblok 6
10
Naam:
Datum:
Ğ ŝŶĮŶŝƟĞĨ ĞŶ ĚĞ ƐƚĂŵ 11
a Onderstreep de persoonsvorm. b Kleur: de persoonsvormen in de tegenwoordige tijd. de persoonsvormen in de verleden tijd. c Schrijf de infinitief en de stam van het werkwoord. 1 Papa werkte een tijdje in nachtdienst. infinitief:
stam:
2 Thomas vindt altijd een reden om iets niet te doen. infinitief:
stam:
3 Zij neemt altijd haar verantwoordelijkheid. infinitief:
stam:
4 Brachten zij een mooi geschenk mee van hun wereldreis? infinitief:
stam:
5 Gelukkig zagen zij het ongeval! infinitief:
stam:
6 Opa staat te supporteren voor zijn kleinzoon. infinitief:
stam:
7 De douane controleert de brandstof van de auto’s. infinitief:
stam:
8 Vorig jaar dronken de autobestuurders minder alcohol. infinitief:
stam:
9 Een aardbeving verwoest heel wat huizen. infinitief:
stam:
10 Op 4 000 meter hoogte sprongen de parachutisten uit het vliegtuig. infinitief:
stam:
11 Hockey wordt een topsport in België. infinitief:
stam: Talent - werkwoordenblok 6
11
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ƟũĚ 12
Schrijf de vette woorden op de juiste plaats in het schema op de achterkant. De herfst begint op 21 september. Het seizoen duurt drie maanden en wordt gevolgd door de winter. Ik wandel dan graag in de bossen. De schitterende waaier aan kleuren geeft me een gevoel van verwondering. Het tapijt van bladeren zorgt ervoor dat je als het ware op een kussen loopt. De frisse bosgeur wordt opgesnoven. Het zet de longen open. Ook een fietstocht vind ik een schitterende ontspanning in het najaar. Dat wordt opnieuw genieten!
Talent - werkwoordenblok 6
12
í¢²
1e persoon enkelvoud ik STAM
MAAR ... jij/je na pv: STAM
í¢³
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í¢´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
í¢µ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
í¢±
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ƟũĚ 13
Neem het werkwoordschema op de achterkant erbij. Onderzoek de vette woorden en schrijf het cijfer van het vakje waar je uitkomt. 1 De buurvrouw verwittigt de brandweer. 2 De leerlingen studeren voor hun examens. 3 Kent grote broer al zijn leerstof? 4 Deze kleuter rijdt met zijn fiets op het trottoir. 5 Onze poes wordt door de veearts behandeld. 6 De hond zit aan de deur te wachten op zijn baasje. 7 Mijn zusje bindt al zelf haar schoenveters. 8 Ik bekijk de situatie dag per dag. 9 Verdraaid, zus maakt opnieuw dezelfde fout. 10 De dief boet voor zijn daden.
Schrijf het juiste nummer. Noteer de infinitief en de stam. infinitief
stam
11 Jij eist te veel! 12 Helena drijft op het water. 13 Daar blaast de wind. 14 Wij genieten van de zon. 15 Mama verbiedt mij te lezen in bed. 16 De bakker snijdt het brood.
Talent - werkwoordenblok 6
13
MAAR ... jij/je na pv: STAM
í˘ł í˘´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í˘ľ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
ik speel ik werk
jij speelt jij werkt werk jij
hij speelt zij werkt
wij spelen jullie werken
Verleden tijd (v.t.)
ik speelde zij werkten
í˘ś
STAM + de(n) STAM + te(n)
í˘ˇ
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
Schrijf wat je hoort.
Geen Klankverandering klankverandering
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven.
í˘˛
1e persoon enkelvoud ik STAM
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
í˘ą
BV. gespeeld, geplaatst
Æ d Trilt Trilt niet Æ t
OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de inďŹ nitief.
Hoor je d/t achteraan? Verleng.
Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen ...
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ƟũĚ 14
Schrijf de vette woorden op de juiste plaats in het werkwoordschema op de achterkant. 1 De strijd blijft nog een tijdje duren. 2 In het voorjaar zaait papa heel wat in het groentetuintje. 3 De marathonloper struikelt net voor de aankomst. 4 In de vakantie slaap ik graag uit. 5 Hij rijdt met zijn fiets naar school. 6 De konijnen huppelen door het groene gras. 7 De juf beantwoordt de vragen van de leerlingen. 8 De verkeerd geparkeerde auto wordt door de politie verplaatst. 9 Deze kleuter kleurt op een schitterende manier het blad. 10 Moeilijke woorden onthoud ik nooit! 11 Ik krijg vijftien euro zakgeld per maand. 12 Vraag jij of we mogen deelnemen? 13 Ik heb slecht nieuws. 14 Heb je het slechte nieuws gehoord? 15 Controleer jij even of het licht uit is?
Talent - werkwoordenblok 6
14
í¢²
1e persoon enkelvoud ik STAM
MAAR ... jij/je na pv: STAM
í¢³
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í¢´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
í¢µ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
í¢±
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ƟũĚ 15 Vul de zin aan. Noteer eerst de stam. Gebruik het werkwoordschema. infinitief (ik zal ...) komen
stam (ik ...) kom
Laura komt
naar mijn feestje.
1 zenden
Morgen
2 brengen
De postbode
de krant.
3 herstellen
De loodgieter
het dak.
4 kennen
Ik
5 aanvaarden
Nicky
6 fietsen
Elke dag
wij tien kilometer.
7 studeren
Milan
voor zijn examen.
8 antwoorden
ik je een e-mail.
het antwoord niet. geen kritiek.
jouw tante op die vraag?
9 spelen
Elke avond
we spelletjes.
10 aanbranden
Het vlees telefoneer.
omdat ik te lang
11 waaien
In de herfst
12 veranderen
Papa
van werk.
13 willen
Grote zus
een fiets.
14 plaatsen
De juf
15 laden
De chauffeur
16 durven
Niemand
17 gebruiken 18 gaan
het veel.
de bakken in het hok. de wagen. op die achtbaan. jij ook die zalf?
Hoe
ik dat uitleggen?
Talent - werkwoordenblok 6
15
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ƟũĚ 16
a Schrijf het werkwoord tussen haakjes in de juiste vorm. b Markeer: het onderwerp. 1 De landbouwer (voederen)
de varkens.
2 Een berg beklimmen (kosten) 3 (Braden)
iedere fietser moeite. je de worsten in de pan of op de barbecue?
4 De directeur (verwachten)
veel volk op het feest.
5 De clown (blazen)
op de trompet.
6 Vanavond (sluiten)
de winkel om 19 uur.
7 De neus (bloeden)
hevig.
8 (Vermelden) 9 De gids (begeleiden) 10 Iedere klas (kiezen) 11 De supporters (verlaten) 12 Zus (beloven) 13 (Binden) 14 Papa (stoeien) 15 De redder (trachten) 16 Je (antwoorden) 17 Iedere avond (leren) 18 Op de feestdagen (luiden) 19 De media (richten)
jij het nieuws in het schoolartikel? de toeristen op hun uitstap. een lid voor de leerlingenraad. het stadion. het geheim te bewaren. je zelf je schoenen? graag met de kinderen in de tuin. de drenkeling te helpen. schitterend op die vraag. Silke een uurtje. de misdienaar de klokken. zich vaak op de politiek.
Talent - werkwoordenblok 6
16
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ƟũĚ 17 Vul de zin aan. Noteer eerst de stam. Gebruik het werkwoordschema infinitief (ik zal ...) komen
stam (ik ...) kom
Laura komt
1 verbreden
Papa
2 loeien
In de zomer
3 praten
Mama
4 aanvaarden
naar mijn feestje. het weggetje. de koe in de wei. voortdurend. je je straf?
5 ontmoeten
Wanneer
6 gebruiken
Amina
7 zetten
Zij
8 rijden
Papa
elke dag met de fiets.
9 vergeten
Hans
zijn brooddoos.
10 branden
Die lamp
11 zitten 12 springen
de geodriehoek. de kruik op haar hoofd.
dag en nacht. je goed op die stoel?
De atleet
13 raden 14 bouwen
je je idool?
over 2,80 m. zij onze verstopplaats?
Rachid
15 verklappen
een prachtig kasteel. je ons geheim niet?
16 worden
jij later astronaut?
17 schrijven
Seppe
18 nemen
Lisa
een prachtige brief. een snoepje uit de pot.
Talent - werkwoordenblok 6
17
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 18
a Kleur de werkwoorden: met klankverandering. zonder klankverandering. b Schrijf naast elk werkwoord de infinitief. sprongen renden probeerden sloten ontmoette liep aten voetbalden genoten besloot bouwden verlieten lazen praatte schreven bereidde
Talent - werkwoordenblok 6
18
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 19
Denk aan de verleden tijd. Is er klankverandering? Schrijf de infinitief in de juiste kolom. zitten – antwoorden – voelen – breken – stromen – maken – zingen – verliezen – vluchten – drinken – verkopen – luisteren – verdwijnen – wonen – komen – gaan – werken – dromen – rijden – horen – zwemmen – spelen – fietsen – rekenen – lezen – hangen – zonnen – donderen – engageren – staan werkwoorden met klankverandering
werkwoorden zonder klankverandering
Talent - werkwoordenblok 6
19
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 20
Schrijf de vette woorden op de juiste plaats in het schema. 1 De reeën huppelden door het frisse gras. 2 Ze lachten heel hard met hem. 3 Verbaasd keek hij naar de juf. 4 Oma rustte elke middag in de zetel. 5 Opa vertelde graag over de oorlog aan zijn kleinkinderen. 6 Na de wedstrijd bibberde de renner van de koude. 7 Ik liep naar de bakker. 8 Meneer zuchtte na het foute antwoord van Sarah. 9 De verkoper verhoogde de prijs. 10 Vorige zomer fietste onze directeur naar de Mont Ventoux. 11 Hij besteedde heel veel tijd aan zijn hobby. 12 Mijn grote broer verwaarloosde zijn studies. 13 Hij bedankte de verkoopster voor haar hulp. 14 De kinderen hielpen hun papa in de tuin. 15 Er zaten enkele gaten in zijn broek. Geen klankverandering STAM + de(n)
Geen klankverandering STAM + te(n)
Klankverandering Schrijf wat je hoort.
Talent - werkwoordenblok 6
20
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 21
a Neem het werkwoordschema op de achterkant erbij en onderzoek de vette woorden. Schrijf het cijfer van het vakje waar je uitkomt. b Noteer de infinitief en de stam. 1 Mijn zus kleedde zich feestelijk voor het oudejaarsavondfeest. infinitief:
stam:
2 Papa heeft ons niet gehoord. infinitief:
stam:
3 Mama vergiste zich nog maar eens. infinitief:
stam:
4 Wij meldden ons onmiddellijk bij de verantwoordelijke. infinitief:
stam:
5 Natuurlijk probeerde hij altijd goed te presteren. infinitief:
stam:
6 Oma kookte heerlijk met Kerstmis. infinitief:
stam:
7 Het onaangename geurtje verspreidde zich snel. infinitief:
stam:
8 Lette jij ook altijd goed op in de klas? infinitief:
stam:
9 Vorige zomer bracht oma een mooi geschenk mee uit Italië. infinitief:
stam:
10 Deze strandredder verrichtte een heldendaad. infinitief:
stam:
11 Hechtte je de wond mooi, dokter? infinitief:
stam:
12 Bouwde je vroeger ook mooie dingen met Lego? infinitief:
stam: Talent - werkwoordenblok 6
21
MAAR ... jij/je na pv: STAM
í˘ł í˘´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í˘ľ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
ik speel ik werk
jij speelt jij werkt werk jij
hij speelt zij werkt
wij spelen jullie werken
Verleden tijd (v.t.)
ik speelde zij werkten
í˘ś
STAM + de(n) STAM + te(n)
í˘ˇ
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
Schrijf wat je hoort.
Geen Klankverandering klankverandering
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven.
í˘˛
1e persoon enkelvoud ik STAM
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
í˘ą
BV. gespeeld, geplaatst
Æ d Trilt Trilt niet Æ t
OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de inďŹ nitief.
Hoor je d/t achteraan? Verleng.
Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen ...
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 22 Vul de zinnen aan in de verleden tijd. Noteer eerst de stam. infinitief dansen
stam dans
Laura danste
op mijn feestje.
1 vieren
Wij
2 branden
De abdij
3 groeten
De winnaar
4 gebruiken
In de middeleeuwen mensen zout om vlees te bewaren.
5 gooien
Hij
met zijn speer een record.
6 zetten
Ik
mijn muts op mijn hoofd.
7 beschermen
Zijn we
8 ontsnappen
De koeien
9 verwachten
Ik
10 dromen
Waarover
11 lachen
We
12 luiden
helemaal uit. zijn supporters. de
tegen de regen? uit de weide. veel volk voor vandaag. jij vannacht? de hele voorstelling. de klok om twaalf uur?
13 richten
De schutter
14 vullen
De ober
15 spelen
De kinderen
16 poetsen
Papa
17 maken
oma haar verjaardag.
zijn boog. mijn glas bij. in de tuin. zijn vuile schoenen. de speler een doelpunt?
Talent - werkwoordenblok 6
22
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 23
a Schrijf het werkwoord in de juiste vorm in de verleden tijd. b Markeer: het onderwerp. 1 (Leren)
jij ook lezen in het eerste leerjaar?
2 De juf (plaatsen)
de kinderen in de klas. vorig jaar het gras.
3 Mijn vader en ik (maaien) 4 (razen)
we met de Vespa door Toscane?
5 (Ontmoeten)
jij al ooit een bekende Vlaming?
6 Mijn nieuwe computer (kosten)
heel wat.
7 Vorig jaar (groeten)
de juf ons elke morgen.
8 Ik had het nochtans goed (bedoelen) 9 De bakker (kneden) 10 Papa (verbranden) 11 De meisjes (giechelen) 12 De pestkop (beïnvloeden) 13 De vrachtwagen (stoppen) 14 De kleuter (scheuren) 15 Mijn zussen (begroeten) 16 Phebe (rennen) 17 Vorig jaar (tennissen) 18 Vroeger (breien) 19 Ik (wandelen) 20 (kosten)
. het deeg met zijn handen. het hout in de kachel. honderduit. de groep. net op tijd. de foto in 101 stukjes. elkaar met drie kussen. vliegensvlug de speelplaats over. hij op een hoog niveau. oma al mijn truien. niet graag in het park.
die ring een fortuin?
Talent - werkwoordenblok 6
23
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 24 Vul aan in de verleden tijd. Noteer eerst de stam. infinitief werken
stam werk
Laura werkte
gisteren heel laat.
1 straffen
Onze leraar
die jongen.
2 vrezen
De minister
banenverlies.
3 ploffen
Na de race
de loper neer.
4 verzamelen
jij vroeger ook postzegels?
5 krabben
De baby
6 aanmelden
De vluchteling
7 besteden
We
8 veroorzaken
De ijzel de weg.
9 putten
Hij
10 gebruiken
zich
.
veel tijd aan dit werk. veel ellende op moed uit het gesprek. jullie een rekenmachine?
11 vluchten
Het konijn
12 branden
De kaars
13 troosten
Oma en opa
14 feesten
Ali
15 wensen
Ik
16 koken
Hij
17 trouwen
Mijn neef
18 testen
Quinten
19 bouwen 20 schilderen
haar huid open.
het hol in. de hele nacht. me. tot in de vroege uurtjes. de jarige proficiat. een lekker avondmaal. vorige zomer. zijn nieuwe BMX. jullie een brug met LEGO?
Viviane
haar deuren blauw.
Talent - werkwoordenblok 6
24
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 25
Schrijf alle werkwoorden in de 3e persoon enkelvoud en meervoud, verleden tijd. doen – verkopen – verbieden – denken – snijden – sluiten – houden – laten – vinden – vallen – fluiten – klinken – staan – breken – liegen – zitten – worden 3e persoon enkelvoud (v.t.)
3e persoon meervoud (v.t.)
Talent - werkwoordenblok 6
25
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 26
a Neem het werkwoordschema op de achterkant erbij. Onderzoek de vette woorden en schrijf het cijfer van het vakje waar je uitkomt. b Markeer: het onderwerp. c Noteer de infinitief van de persoonsvorm. 1 Voor mijn H. Vormsel kreeg ik een nieuwe fiets. 2 De beklaagde bewees zijn onschuld. 3 In het buurthuis lazen ze een boek. 4 De vergrote foto hing uit in het stadhuis. 5 Hilde kwam nog maar eens te laat. 6 Gaf ik jou al een geschenk voor je verjaardag? 7 Deni kreeg de eerste prijs in de tekenwedstrijd. 8 De renner viel met een smak op de grond. 9 Gisteren namen we afscheid van grootmoeder. 10 Keek jij gisteren ook naar die schitterende film? 11 Dronk jij een frisdrank op het feestje? 12 Papa reed op een kameel in Marokko. 13 Verbleef je lang in het ziekenhuis? 14 Er ontbraken zeven puzzelstukjes. 15 Mijn ogen zochten mijn kinderen in de massa. 16 Ik liet een pakje van mijn vriendin vallen. 17 Ze verstonden elkaar niet zo goed. 18 De supporters riepen luid.
Talent - werkwoordenblok 6
26
MAAR ... jij/je na pv: STAM
í˘ł í˘´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í˘ľ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
ik speel ik werk
jij speelt jij werkt werk jij
hij speelt zij werkt
wij spelen jullie werken
Verleden tijd (v.t.)
ik speelde zij werkten
í˘ś
STAM + de(n) STAM + te(n)
í˘ˇ
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
Schrijf wat je hoort.
Geen Klankverandering klankverandering
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven.
í˘˛
1e persoon enkelvoud ik STAM
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
í˘ą
BV. gespeeld, geplaatst
Æ d Trilt Trilt niet Æ t
OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de inďŹ nitief.
Hoor je d/t achteraan? Verleng.
Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen ...
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 27
a Schrijf het werkwoord in de juiste vorm van de verleden tijd. b Markeer: het onderwerp. 1 Saar (bevallen)
van een wolk van een baby.
2 Op kamp (houden) 3 (Zingen)
ik me aan de afspraken. je uit volle borst mee op de zangavond?
4 De trainer (wijzen) 5 (Bekijken)
de voetballer op zijn foutjes. jij die verkeerssituatie goed?
6 We (hangen)
met het gezin de slingers op.
7 Gisteren (zwemmen)
ik 1 500 m.
8 Mathias (vallen)
nog maar eens uit de lucht.
Vul de zinnen aan met een passend werkwoord in de verleden tijd. Kies uit: fluiten – breken – schrikken – springen – gaan – bevriezen – scheren – schrijven 9 Ik 10 Vorige winter 11 12 Op kamp 13 Wij 14 Rida 15 De Damse vaart 16 Papa
me een bult! we skiën. jij het deuntje mee? we een brief naar huis. een gat in de lucht bij het nieuws. zijn been op kamp. vorig jaar nog eens. in het weekend de haag.
Talent - werkwoordenblok 6
27
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 28
a Kleur de werkwoorden: met klankverandering. zonder klankverandering. b Schrijf onder het werkwoord de infinitief en de stam. hij telefoneerde
zij verkleedde
hij kuste
hij schrok
hij poetste
hij blafte
hij onthield
zij mikte
zij dronk
zij kocht
het brandde
hij versierde
Talent - werkwoordenblok 6
28
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 29
a Kleur de werkwoorden: met klankverandering. zonder klankverandering. b Schrijf de stam van elk werkwoord in de juiste kolom. c Schrijf ernaast het werkwoord in de 3e persoon enkelvoud, verleden tijd. verdelen
vragen
slapen
praten
snijden
vergroten
bereiden
rijden
oefenen
schudden
zinken
bakken
zingen
printen
verzenden
geen klankverandering stam
3e pers. enk. v.t.
klankverandering stam
3e pers. enk. v.t.
Talent - werkwoordenblok 6
29
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 30
a Schrijf de vette woorden op de juiste plaats in het schema. b Schrijf achter elke zin de infinitief en de stam. infinitief
stam
1 Zij redde. 2 Hij schrok. 3 Hij moest. 4 Zij beantwoordden. 5 De dader ontsnapte. 6 Zij sliepen. 7 De beer gromde. 8 De makelaar schatte. 9 Hij blies de kaars uit. 10 De politie beboette. 11 De hond liep. 12 De kinderen vonden. Geen klankverandering STAM + de(n)
Geen klankverandering STAM + te(n)
Klankverandering Schrijf wat je hoort.
Talent - werkwoordenblok 6
30
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 31 Vul aan met de verleden tijd. Noteer eerst de stam. infinitief werken
stam werk
Laura werkte
gisterenavond laat.
1 abonneren
Ik
2 besteden
Sam
veel tijd aan zijn taak.
3 haasten
Hij
zich naar het podium.
4 verbieden
De directeur
5 vertalen
Eiman
6 eten
Wij
7 kaften
Ik
dit jaar mijn boeken zelf!
8 woeden
Er
een storm aan de kust.
9 binden
Ik
mijn veters.
10 vluchten
Wij
tijdens de oorlog.
11 treffen
Mathice
drie keer de roos.
12 zwaaien
De ouders
13 bespreken
We
14 dansen
De gasten
15 zoeken
Mama
naar haar oorbel.
16 drinken
Janne
fruitsap.
17 plakken
Papa
18 schudden
Ik
19 smullen
Samen
20 veranderen
me op de krant.
gsm’s op school. de brief in het Hindi. met de klas spaghetti.
hun dochter uit. de reis met het gezin. de hele nacht.
de foto aan de muur. een mop uit mijn mouw. we een ijsje op. de regels deze week?
Talent - werkwoordenblok 6
31
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 32
Schrijf de juiste vorm van het werkwoord (verleden tijd) in de puzzel. 1 Hij (wissen) het programma van de computer. 2 Papa (strijken) voor een keer zelf zijn hemd. 3 Mama (verzetten) de tafel nog maar eens. 4 Na het ongeval (herkennen) ik mijn buurjongen niet meer. 5 Thomas (wachten) tevergeefs op zijn vriendinnetje. 6 Lukaku (scoren) gisteren zijn zeventiende doelpunt van het seizoen. 7 Joepie! Mama (zoeken) werk en heeft er gevonden! 8 De trainer (roepen) zijn spelers toe van aan de zijlijn. 9 Het vliegtuig (landen) stipt op tijd. 10 De clown (blazen) de ballonnen in verschillende vormen. 11 We (kunnen) dat niet weigeren. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Talent - werkwoordenblok 6
32
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 33
Kies juiste werkwoorden voor de zinnen. Schrijf ze in de verleden tijd. verblinden – troosten – staan – zien – plannen – breken – ontbreken – logeren – worden – testen –slachten – overlijden – stelen – overwinnen – bemesten – schieten – schijnen – aanduiden – controleren – komen 1 De wielrenner
met succes zijn nieuwe tactiek.
2 Onze juf heeft de proeven goed 3 Wij
. vorig jaar aan de voet van de Mont Blanc.
4 De kinderverzorgster
de huilende baby.
5 Mijn opa en oma 6 De agent
vorig jaar. alle papieren van de chauffeur.
7 De tuinman 8 De jagers
het gazon. het jonge hert.
9 De zon
de chauffeur.
10 De vaas
in 1001 stukken.
11
jij de sleutelwoorden met fluo
12 Mijn verroeste fiets, die aan het station
? ,
. 13 Veni, vidi, vici, ik ik 14 De slager 15 De zon 16 Er
, ik
en
, is een bekende uitspraak van Julius Caesar. een varken in het weekend. eindelijk. een leerling op de belangrijke afspraak.
Talent - werkwoordenblok 6
33
Naam:
Datum:
sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŵĞƚ ĞŶ njŽŶĚĞƌ ŬůĂŶŬǀĞƌĂŶĚĞƌŝŶŐ 34
a Kleur de werkwoorden: in de tegenwoordige tijd. in de verleden tijd met klankverandering. in de verleden tijd zonder klankverandering. b Schrijf de infinitief en de stam onder het werkwoord. De verkoper
telt
.
De directeur benoemde .
De renner
leidt
De student
raadde
De jongen
verzon
De atleet
won
De acteur
zingt
Rijd
.
.
jij?
De parachutist
Wist
Het ijs
sprong
.
je?
landt
De helikopter
.
.
De dokter behandelt .
.
.
stichtte
De organisatie
ontdooit
.
.
Talent - werkwoordenblok 6
34
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 35
a Neem het werkwoordschema op de achterkant erbij en onderzoek de vette woorden. Schrijf het cijfer van het vakje waar je uitkomt. b Noteer de infinitief en de stam. 1 In Zwitserland spreekt men wel vier talen. infinitief:
stam:
2 De nomade wandelde door de steppe. infinitief:
stam:
3 Mijn broertje knuffelt graag met papa. infinitief:
stam:
4 De buurman roept mama. infinitief:
stam:
5 Onze school verplichtte het gebruik van de fluojasjes! infinitief:
stam:
6 Dit werd door de organisatoren gevraagd. infinitief:
stam:
infinitief:
stam:
7 De gokker wedde op het verkeerde paard. infinitief:
stam:
8 Ontdekte Columbus Amerika? infinitief:
stam:
9 Robbe houdt van chocolade-ijs. infinitief:
stam:
10 De hond blaft de buren ’s morgens wakker. infinitief:
stam:
11 De kip braadt aan het spit. infinitief:
stam: Talent - werkwoordenblok 6
35
MAAR ... jij/je na pv: STAM
í˘ł í˘´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í˘ľ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
ik speel ik werk
jij speelt jij werkt werk jij
hij speelt zij werkt
wij spelen jullie werken
Verleden tijd (v.t.)
ik speelde zij werkten
í˘ś
STAM + de(n) STAM + te(n)
í˘ˇ
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
Schrijf wat je hoort.
Geen Klankverandering klankverandering
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven.
í˘˛
1e persoon enkelvoud ik STAM
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
í˘ą
BV. gespeeld, geplaatst
Æ d Trilt Trilt niet Æ t
OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de inďŹ nitief.
Hoor je d/t achteraan? Verleng.
Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen ...
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 36
Schrijf de vette woorden op de juiste plaats in het werkwoordschema op de achterkant. 1 Er restte geen tijd meer na het feestje. 2 We genoten met volle teugen van het spektakel. 3 De gsm dateert uit de vorige eeuw. 4 Vind je dit optreden echt goed? 5 Er wordt al heel wat verwacht van de leerlingen van het zesde leerjaar! 6 Wie organiseerde dit feestje? 7 De juf spitste haar oren bij die uitspraak. 8 Mijn zus klappertandde de hele middag! 9 Opa deelde de kaarten. 10 Bloedt je lip nu nog altijd? 11 Hij begrijpt er geen snars van. 12 Ik rook niet. 13 De vrienden liepen samen door de poort.
Talent - werkwoordenblok 6
36
í¢²
1e persoon enkelvoud ik STAM
í¢³
MAAR ... jij/je na pv: STAM
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í¢´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
í¢µ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
Verleden tijd (v.t.)
í¢¶
STAM + de(n) STAM + te(n)
í¢·
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
Schrijf wat je hoort.
Geen Klankverandering klankverandering
Is het een pv?
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
í¢±
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 37
a Neem het werkwoordschema op de achterkant erbij en onderzoek de vette woorden. Schrijf het nummer van het vakje waar je uitkomt. b Markeer: het onderwerp. c
Noteer de infinitief en de stam. 1 Gelukkig verbiedt de wet het roken in restaurants. infinitief:
stam:
2 Gisteren zag ik Tom Boonen in Antwerpen! infinitief:
stam:
3 Houd je een oogje in het zeil? infinitief:
stam:
4 De redder beademde de drenkeling. infinitief:
stam:
5 Vroeger slachtte men de varkens op de boerderij. infinitief:
stam:
6 Op weg naar school vermijd je beter dit gevaarlijke kruispunt. infinitief:
stam:
7 Opa plantte elk jaar aardappelen. infinitief:
stam:
8 Stuurt mama elk jaar met Nieuwjaar een wens naar de vrienden? infinitief:
stam:
9 De brandweerman bluste vliegensvlug het brandje. infinitief:
stam:
10 De technicus installeert de zonnepanelen. infinitief:
stam:
Talent - werkwoordenblok 6
37
MAAR ... jij/je na pv: STAM
í˘ł í˘´
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t
Tegenwoordige tijd (t.t.)
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
í˘ľ
1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en
ik speel ik werk
jij speelt jij werkt werk jij
hij speelt zij werkt
wij spelen jullie werken
Verleden tijd (v.t.)
ik speelde zij werkten
í˘ś
STAM + de(n) STAM + te(n)
í˘ˇ
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
Schrijf wat je hoort.
Geen Klankverandering klankverandering
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven.
í˘˛
1e persoon enkelvoud ik STAM
Zoek het onderwerp en de pv.
ja
Is het een pv?
í˘ą
BV. gespeeld, geplaatst
Æ d Trilt Trilt niet Æ t
OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de inďŹ nitief.
Hoor je d/t achteraan? Verleng.
Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen ...
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
nee
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 38 Vul de juiste vorm van het werkwoord in. infinitief
tegenwoordige tijd
staan
De man staat
. Ik stond
zwemmen
Hij
. Ik
Ik
. Wij aten.
De agent
. De jager
De touwen
. De verpleegster verbond.
Mijn zus
. Jullie
Hij
. Zij verloor.
richten
verbeelden
De auto kost.
verleden tijd .
.
.
Het pak
.
De renner
. De fietsers reden.
ontsnappen
De dief
. De dieren
.
verwoesten
De storm
. De bliksem
.
De peuter valt.
De atleten
.
De collega helpt.
De aanwezigen
.
vinden
stranden
De tuinier
. De reizigers
De Sint
. De Noormannen kwamen.
De zeiler
. Het schip
De boer ploegt.
.
.
Hij
.
geven
Zus
. Jullie
.
aanvaarden
De bankier
. Oma
.
klimmen
De wandelaar
. De renners
.
Talent - werkwoordenblok 6
38
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 39 Vul aan. Tip: denk goed na in welke tijd de zin staat. infinitief 1 ontmoeten
Mijn zus
2 eindigen
Hier
3 aanvaarden
Gisteren
4 zitten
gisteren een vriend. onze samenwerking. hij de nederlaag. ze toen op dezelfde golflengte?
5 vertellen
Oma
6 trouwen
Mijn ouders
7 durven
Ken
8 melden
De fietser
9 praten
De juf
10 leiden
De trainer
11 sluiten
Papa
12 binden
Tot vorig jaar
13 vervangen
Hij
verleden week twee spelers.
14 doen
Wat
jullie gisteren op school?
15 broeden
De gans
16 genieten
Sofie
17 zoeken
De leerlingen
18 verrassen
Papa boeket.
(t.t.) graag een verhaaltje. tien jaar geleden. (t.t.) in het diepe te springen. (v.t.) het ongeval. (v.t.) met de directeur. de vorige wedstrijd. de deur toen hij vertrok. mama mijn veters.
nu al zestien dagen. (v.t.) van het optreden. (v.t.) de oplossing. mama gisteren met een
Talent - werkwoordenblok 6
39
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 40 Vul de juiste vorm van het werkwoord in. infinitief
3e persoon enkelvoud t.t.
1e persoon meervoud v.t.
ik heb ... of ik ben ...
schrijven hij bestaat gezet gebleven snijden luiden wij brachten gewacht wij redden zij koopt bieden hij spit zoeken geraden gerust vissen gekomen hij weet wij vingen
Talent - werkwoordenblok 6
40
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 41 Vul aan. Denk goed na in welke tijd de zin staat. 1 verhuizen
Vorig jaar
2 uitmonden
De IJzer
3 reizen
We
4 vluchten
Die gangsters
5 beloven
Oma
6 starten
De renner
7 schudden
De kok
8 haten
Ik
9 verbieden
De wet
10 beledigen
Waarom
11 laten
Geregeld
12 voeden
Het schaap
13 vertrouwen
Ik
14 schieten
De jager
15 hoeden
De herder
gisteren zijn schapen.
16 veranderen
Het weer
en we werden kletsnat.
17 waaien
De wind
door de bomen.
18 zoeken
Ik
19 naaien
Vorig jaar
20 typen
Leonie
we voor de vijfde keer. in de zee. vorige zomer door Europa. (v.t.) uit hun cel. (t.t.) een mooi geschenk. (v.t.) te laat. (t.t.) altijd de frietjes. nog nooit iemand! roken op school. hij gisteren zijn vriend? ik mijn tas thuis liggen. (t.t.) het lammetje. hem toen volledig. gisteren twee reeën.
vorige week mijn jas. we een zakje. al heel vlot!
Talent - werkwoordenblok 6
41
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 42 Vul de juiste vorm van het werkwoord in. infinitief
2e persoon enkelvoud t.t.
3e persoon enkelvoud v.t.
ik heb ... of ik ben ...
huppelen je heet besteden zij vreesde zuchten geopend jij verspreidt gehecht strijden treffen je vliegt uitgebreid je aarzelt hij mat gemaakt zonnen gered vechten het vroor
Talent - werkwoordenblok 6
42
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 43 Vul aan. Denk goed na in welke tijd de zin staat. 1 verlaten
We
2 lezen
gisteren het hotel. jij de voorbije vakantie dit boek?
3 genieten
Papa
4 houden
Mama
5 vergeten
Oma
6 bloeden
Mijn neus
7 kiezen
Welk liedje
jij vanmorgen?
8 luisteren
Mijn neefje
(t.t.) graag naar een
voorlezen
verhaal dat oma
9 bereiden
Mama
10 bouwen
Mijn ouders
11 controleren
Vroeger
oversteken
gisteren van het feestje. (t.t.) van mij. (t.t.) af en toe wel iets. elke week wel eens.
. gisteren een maaltijd. ooit een huis. de douane de bagage
wanneer je de grens
12 voorbereiden 13 ophangen
We
14 zwemmen
Lara
. je de proefwerken nu
?
gisteren affiches
.
het voorbije uur 17 lengtes.
Talent - werkwoordenblok 6
43
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 44 Vul de juiste vorm van het werkwoord in. infinitief
3e persoon enkelvoud t.t.
2e persoon meervoud v.t.
ik heb ... of ik ben ...
zij eet slaan afleiden hij schreeuwt starten zij klimt gevraagd jullie stonden voeden aangekleed jullie knipten hij sticht verwaarloosd schelden ze begroet snurken zij beveelt vergroot jullie behoedden
Talent - werkwoordenblok 6
44
Naam:
Datum:
dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ĞŶ ǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ 45 Vul aan. Denk goed na in welke tijd de zin staat. 1 wijden
Deni
2 struikelen
Mijn zusje
3 springen
De turnster
4 verlichten
De spot
5 verven
Vorige zomer
6 snijden
(t.t.) veel tijd aan judo. daarnet. gisteren van de balk. (v.t.) het podium. we de keuken. (t.t.) jij al het witlof?
7 planten
Gisteren
8 laden
De chauffeur
9 schieten
De jager
10 vergissen
De directeur
11 overnachten
papa boontjes. (t.t.) de truck. vorige week een haas. (v.t.) zich van klas. jij al ooit eens in een hotel?
12 verbreden
De gemeente
13 weten
Ik
14 schatten
Papa
(v.t.) het gewicht juist!
15 gaan
Waar
jullie vorige zomer op reis?
16 verhuizen
We
17 scheren
Mijn papa
(t.t.) het fietspad (v.t.) niets van de inbraak.
morgen. zijn baard.
Talent - werkwoordenblok 6
45
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
46
oef. 1 1 2 3 4 5
voetballen lezen tikken lenen horen
6 7 8 9 10
vissen hengelen spelen boeken knallen
trekt schijnt fiets plantten Help komt aan
13 14 15 16 17 18
zing genoten vergat Koop is
11 12 13 14 15
16 17 18 19 20
beantwoordt Aanvaardt verwelkomen won trekken
oef. 2 1 2 3 4 5 6
bakt heeft, gevoederd gelooft, vertelt willen, klimmen is, begonnen Zullen, leveren
7 8 9 10 11 12
graaft, valt verbied, zeggen heeft, geleden Heb, gesloten Heb, genoten Skeeler
19 20 21 22 23
loopt schilt Kan, springen heb, gezet komt, brengen
oef. 3 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
Draag ik elke morgen mijn fluojasje? Zien de autobestuurders mij goed in het verkeer? Zullen wij straks voetballen tijdens de speeltijd? Zoek ik tijdens de speeltijd mijn verloren trui? Hebben we met de hele klas een tof spel gespeeld? Fietste ik na school vlug naar huis? Moeten wij vanavond weinig huiswerk maken? Zijn verkeersveiligheid en gezondheid belangrijk op onze school? Herstelde de fietsenmaker mijn fietslicht? Bezoeken heel wat sportievelingen de Mont Ventoux? Aten wij gisteren mosselen met frieten?
oef. 4 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
De kinderen stoeien las ik De leerlingen van onze school stuurden We zullen De school sluit De kinderen gingen We schaatsen vertelde juf organiseert de school We maken
11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
Onze meester was Wij hebben Sociale netwerksites zorgen gingen we Heb jij ga ik staan redders Een goede nachtrust is Karen heeft Opa gaf
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
47
oef. 5 1 2 3 4 5 6
betalen snijden wandelen waarschuwen springen lopen
7 8 9 10 11 12
glinsteren zeggen bereiden trekken maken zoeken
13 14 15 16 17 18
prutsen gaan bereiden zitten brengen afsluiten
19 openen 20 benijden 21 vieren
oef. 6 1 2 3 4 5 6 7 8
lachten, lachen ontving, ontvangen behangt, behangen schreef, schrijven herstelt, herstellen bereidt, bereiden staat, staan amuseert, amuseren
9 10 11 12 13 14 15 16
13 14 15 16 17
leest, t.t., lezen betrapten, v.t., betrappen gaan, t.t., gaan maai, t.t., maaien haalt, t.t., halen skeelerden, v.t., skeeleren
17 18 19 20 21 22
zit, zitten kocht, kopen bloedde, bloeden kijken (uit), uitkijken viert, vieren verhuizen, verhuizen wasten, wassen Volg, volgen
zat, zitten Sliep, slapen kwam, komen maaide, maaien Mag, mogen was, zijn
oef. 7 1 2 3 4 5 6
maakten, v.t., maken kijken, t.t., kijken gingen, v.t., gaan fietsten, v.t., fietsen liep, v.t., lopen komt, t.t., komen
7 8 9 10 11 12
lachten, v.t., lachen viel (mee), v.t., meevallen poetst, t.t., poetsen bak, t.t., bakken herstelt, t.t., herstellen
oef. 8 t.t.: 1, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 14, 16, 18, 21, 22, 25 v.t.: 2, 3, 6, 7, 10, 13, 15, 17, 19, 20, 23, 24, 26
oef. 9 1 huil 2 zorg 15 16 17 18
3 drink 4 val
5 bel 6 werk
stoppen, stop spelen, speel bedienen, bedien lachen, lach
19 20 21 22
7 poets 8 tel
9 schiet 10 wens
kwaken, kwaak antwoorden, antwoord vinden, vind kletteren, kletter
23 24 25 26
11 rust 12 bied
13 begrijp 14 vind
zwemmen, zwem branden, brand snijden, snijd bekleden, bekleed
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
48
oef. 10 1 2 3 4 5 6 7
verkopen, verkoop liegen, lieg binden, bind stappen, stap stoppen, stop worden, word vinden, vind
8 9 10 11 12 13 14
koken, kook vertellen, vertel eisen, eis praten, praat kloppen, klop stijgen, stijg bereiden, bereid
15 16 17 18 19 20
rijden, rijd noteren, noteer ontvangen, ontvang bevelen, beveel groeten, groet veronderstellen, veronderstel
oef. 11 1 2 3 4 5 6
werkte, v.t., werken, werk vindt, t.t., vinden, vind neemt, t.t., nemen, neem Brachten, v.t., brengen, breng zagen, v.t., zien, zie staat, t.t., staan, sta
7 8 9 10 11
controleert, t.t., controleren, controleer dronken, v.t., drinken, drink verwoest, t.t., verwoesten, verwoest sprongen, v.t., springen, spring wordt, t.t., worden, word
oef. 12 begint, duurt, wordt, geeft, zorgt, wordt, zet, wordt
wandel, vind
q
o
n gevolgd, opgesnoven, genieten
oef. 13
q r
1 2
3 4
q q
5 6
q q
11 3, eisen, eis 12 4, drijven, drijf 13 4, blazen, blaas
7 8
q o
9 10
q q
14 5, genieten, geniet 15 4, verbieden, verbied 16 4, snijden, snij(d)
oef. 14 vraag, heb, controleer
slaap, onthoud, krijg
p
o
q blijft, zaait, struikelt, rijdt, beantwoordt, wordt, kleurt
strijd, verkeerd, verplaatst, blad, slecht, gehoord
huppelen
n
r
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
49
oef. 15 1 2 3 4 5 6
zend, zend breng, brengt herstel, herstelt ken, ken aanvaard, aanvaardt fiets, fietsen
7 8 9 10 11 12
studeer, studeert antwoord, Antwoordt speel, spelen brand aan, brandt aan waai, waait verander, verandert
13 14 15 16 17 18
wil, wil plaats, plaatst laad, laadt durf, durft gebruik, Gebruik ga, ga
oef. 16 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
De landbouwer voedert Een berg beklimmen kost Braad je De directeur verwacht De clown blaast sluit de winkel De neus bloedt Vermeld jij De gids begeleidt Iedere klas kiest
11 12 13 14 15 16 17 18 19
De supporters verlaten Zus belooft Bind je Papa stoeit De redder tracht Je antwoordt leert Silke luidt de misdienaar De media richten/richt
oef. 17 1 2 3 4 5 6
verbreed, verbreedt loei, loeit praat, praat aanvaard, Aanvaard ontmoet, ontmoet gebruik, gebruikt
7 8 9 10 11 12
zet, zet rijd, rijdt vergeet, vergeet brand, brandt zit, Zit spring, springt
13 14 15 16 17 18
raad, Raadt bouw, bouwt verklap, Verklap word, Word schrijf, schrijft neem, neemt
oef. 18 springen, sluiten, lopen, eten, genieten, besluiten, verlaten, lezen, schrijven rennen, proberen, ontmoeten, voetballen, bouwen, praten, bereiden
oef. 19 zitten, breken, zingen, verliezen, drinken, verkopen, verdwijnen, komen, gaan, rijden, zwemmen, lezen, hangen, staan
antwoorden, voelen, stromen, maken, vluchten, luisteren, wonen, werken, dromen, horen, spelen, fietsen, rekenen, zonnen, donderen, engageren
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
50
oef. 20 huppelden vertelde bibberde verhoogde besteedde verwaarloosde
lachten rustte zuchtte fietste bedankte
keek liep hielpen zaten
oef. 21 1 2 3 4
kleden, kleed, 6 horen, hoor, 1 vergissen, vergis, 6 melden, meld, 6
5 6 7 8
13 14 15 16 17
bescherm, beschermd ontsnap, ontsnapten verwacht, verwachtte droom, droomde lach, lachten luid, Luidde
9 10 11 12
proberen, probeer, 6 koken, kook, 6 verspreiden, verspreid, 6 letten, let, 6
brengen, breng, 7 verrichten, verricht, 6 hechten, hecht, 6 bouwen, bouw, 6
oef. 22 1 2 3 4 5 6
vier, vierden brand, brandde groet, groette gebruik, gebruikten gooi, gooide zet, zette
7 8 9 10 11 12
richt, richtte vul, vulde speel, speelden poets, poetste maak, Maakte
oef. 23 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Leerde jij De juf plaatste Mijn vader en ik maaiden Raasden we Ontmoette jij Mijn nieuwe computer kostte groette de juf bedoeld, ik De bakker kneedde Papa verbrandde
11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
De meisjes giechelden De pestkop beïnvloedde De vrachtwagen stopte De kleuter scheurde Mijn zussen begroetten Phebe rende tenniste hij breide oma Ik wandelde Kostte die ring
oef. 24 1 2 3 4 5 6 7
straf, strafte vrees, vreesde plof, plofte verzamel, Verzamelde krab, krabde meld aan, meldde aan besteed, besteedden
8 9 10 11 12 13 14
veroorzaak, veroorzaakte put, putte gebruik, Gebruikten vlucht, vluchtte brand, brandde troost, troostten feest, feestte
15 16 17 18 19 20
wens, wenste kook, kookte trouw, trouwde test, testte bouw, Bouwden schilder, schilderde
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
51
oef. 25 Enkelvoud: deed, verkocht, verbood, dacht, sneed, sloot, hield, liet, vond, viel, floot, klonk, stond, brak, loog, zat, werd
Meervoud: deden, verkochten, verboden, dachten, sneden, sloten, hielden, lieten, vonden, vielen, floten, klonken, stonden, braken, logen, zaten, werden
oef. 26 1 2 3 4 5 6 7 8 9
ik, krijgen, 7 De beklaagde, bewijzen, 7 ze, lezen, 7 De vergrote foto, uithangen, 1 Hilde, komen, 7 ik, geven, 7 Deni, krijgen, 7 De renner, vallen, 7 we, nemen, 7
schrok gingen Floot schreven sprongen brak bevroor schoor
9 10 11 12 13 14 15 16
jij, kijken, 7 jij, drinken, 7 papa, rijden, 7 je, verblijven, 7 zeven puzzelstukjes, ontbreken, 7 Mijn ogen, zoeken, 7 ik, laten, 7 Ze, verstaan, 7 De supporters, roepen, 7
10 11 12 13 14 15 16 17 18
oef. 27 1 2 3 4 5 6 7 8
Saar beviel hield ik Zong je De trainer wees Bekeek jij We hingen zwom ik Mathias viel
oef. 28 schrikken (schrik), onthouden (onthoud), drinken (drink), kopen (koop) telefoneren (telefoneer), verkleden (verkleed), kussen (kus), poetsen (poets), blaffen (blaf ), mikken (mik), branden (brand), versieren (versier)
oef. 29 vragen, slapen, snijden, rijden, zinken, zingen, verzenden verdelen, praten, vergroten, bereiden, oefenen, schudden, bakken, printen verdeel verdeelde vraag vroeg praat praatte slaap sliep vergroot vergrootte snij(d) sneed bereid bereidde rij(d) reed oefen oefende zink zonk schud schudde zing zong bak bakte verzend verzond print printte
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
52
oef. 30 1 2 3 4 5 6
redden, red schrikken, schrik moeten, moet beantwoorden, beantwoord ontsnappen, ontsnap slapen, slaap
redde beantwoordden gromde
7 8 9 10 11 12 ontsnapte schatte beboette
grommen, grom schatten, schat blazen, blaas beboeten, beboet lopen, loop vinden, vind schrok moest sliepen blies liep vonden
oef. 31 1 2 3 4 5 6 7
abonneer, abonneerde besteed, besteedde haast, haastte verbied, verbood vertaal, vertaalde eet, aten kaft, kaftte
8 9 10 11 12 13 14
woed, woedde bind, bond vlucht, vluchtten tref, trof zwaai, zwaaiden bespreek, bespraken dans, dansten
15 16 17 18 19 20
zoek, zocht drink, dronk plak, plakte schud, schudde smul, smulden verander, Veranderden
oef. 32 1 wiste 2 streek 3 verzette
4 herkende 5 wachtte 6 scoorde
7 zocht 8 riep 9 landde
10 blies 11 konden werkwoorden
oef. 33 1 2 3 4 5 6
testte gepland logeerden troostte overleden controleerde
7 8 9 10 11 12
bemestte schoten verblindde brak Duidde aan stond, werd, gestolen
13 14 15 16
kwam, zag, overwon slachtte scheen ontbrak
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
53
oef. 34 telt, tellen, tel leidt, leiden, leid zingt, zingen, zing rijd, rijden, rij(d) behandelt, behandelen, behandel landt, landen, land ontdooit, ontdooien, ontdooi
verzon, verzinnen, verzin won, winnen, win sprong, springen, spring wist, weten, weet
benoemde, benoemen, benoem raadde, raden, raad stichtte, stichten, sticht
oef. 35 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11
spreken, spreek, 4 wandelen, wandel, 6 knuffelen, knuffel, 4 roepen, roep, 4 verplichten, verplicht, 6 worden, word, vragen, vraag, 7, 1 wedden, wed, 6 ontdekken, ontdek, 6 houden, hou(d), 4 blaffen, blaf, 4 braden, braad, 4
oef. 36 vind
rook
p
o
q dateert wordt bloedt begrijpt
s restte organiseerde spitste klappertandde deelde
tijd verwacht
genoten liepen
n
t
oef. 37 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
de wet, verbieden, verbied, 4 ik, zien, zie, 7 je, houden, hou(d), 3 De redder, beademen, beadem, 6 men, slachten, slacht, 6 je, vermijden, vermijd, 3 Opa, planten, plant, 6 mama, sturen, stuur, 4 De brandweerman, blussen, blus, 6 De technicus, installeren, installeer, 4
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
54
oef. 38 – eten – verbinden – verliezen kosten rijden – – vallen helpen – komen – ploegen – – –
zwemt eet richt verbinden verbeeldt verliest – rijdt ontsnapt verwoest – – vindt komt strandt – geeft aanvaardt klimt
zwom – richtte – verbeeldden – kostte – ontsnapten verwoestte vielen hielpen vonden – strandde ploegde gaven aanvaardde klommen
oef. 39 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18
ontmoette eindigt aanvaardde Zaten vertelt trouwden durft meldde praatte leidde sloot bond verving deden broedt genoot zochten verraste
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
55
oef. 40 – bestaan zetten blijven – – brengen wachten redden kopen – spitten – raden rusten – komen weten vangen
(hij/zij/het/...) schrijft – zet blijft snijdt luidt brengt wacht redt – biedt – zoekt raadt rust vist komt – vangt
(wij) schreven bestonden zetten bleven sneden luidden – wachtten – kochten boden spitten zochten raadden rustten visten kwamen wisten –
geschreven bestaan – – gesneden geluid gebracht – gered gekocht geboden gespit gezocht – – gevist – geweten gevangen
oef. 41 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
verhuisden mondt uit reisden vluchtten belooft startte schudt haatte verbiedt beledigde laat voedt vertrouwde schoot hoedde veranderde waait zocht naaiden typt
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
56
oef. 42 – heten – vrezen – openen verspreiden hechten – – vliegen uitbreiden aarzelen meten maken – redden – vriezen
(jij/je) huppelt – besteedt vreest zucht opent – hecht strijdt treft – breidt uit – meet maakt zont redt vecht vriest
(hij/zij/het/...) huppelde heette besteedde – zuchtte opende verspreidde hechtte streed trof vloog breidde uit aarzelde – maakte zonde redde vocht –
gehuppeld geheten besteed gevreesd gezucht – verspreid – gestreden getroffen gevlogen – geaarzeld gemeten – gezond – gevochten gevroren
oef. 43 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
verlieten Las genoot houdt vergeet bloedt koos luistert, voorleest bereidde bouwden controleerde, overstak Bereid voor hingen op zwom
dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϲ
57
oef. 44 eten – – schreeuwen – klimmen vragen staan – aankleden knippen stichten verwaarlozen – begroeten – bevelen vergroten behoeden
(hij/zij) – slaat leidt af – start – vraagt staat voedt kleedt aan knipt – verwaarloost scheldt – snurkt – vergroot behoedt
(jullie) aten sloegen leidden af schreeuwden startten klommen vroegen – voedden kleedden aan – stichtten verwaarloosden scholden begroetten snurkten bevalen vergrootten –
gegeten geslagen afgeleid geschreeuwd gestart geklommen – gestaan gevoed – geknipt gesticht – gescholden begroet gesnurkt bevolen – behoed
oef. 45 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17
wijdt struikelde sprong verlichtte verfden Snijd plantte laadt schoot vergiste Overnachtte verbreedt wist schatte gingen verhuizen scheert
ISBN 978-90-306-8265-3 569679
vanin.be