Skip to main content

TALENT 4 - Werkwoordenblok

Page 1

4

Werkwoordenblok Naam: Klas:

Nr.:


Werkwoordenblok


Coördinatie: Daan Debuysere Auteur: Erwin Lenaers Myriam Monstrey Met medewerking van: Pieter Van Biervliet

Bij TALENT voor het 4e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Taalschriften A, B, C Spellingschrift Projectbundel – Te laat! Projectbundel – Goochelen Projectbundel – Dat klopt niet Werkwoordenblok 4 Voor de leraar: Handleidingen A, B, C Zorg- en evaluatiemappen A, B, C Correctiesleutels taalschriften A, B, C, spellingschrift en projectbundels Voor de klas: Talentbib 4 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) Bingel Max Bingel Plus Bingel Start

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8263-9 D/2019/0078/62 Art. 569677/01 NUR 191

Coverontwerp: B.AD Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group


Naam:

Datum:

tĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶ ŝĚĞŶƟĮĐĞƌĞŶ 1

Omcirkel de werkwoorden.

liederen vandaag

tafels

verandert schreeuwen

geven gebruiken

moeilijk

figuren

klompen

zijn slapen trekken

bloemen

heeft

bibberen

paarden

Is het vette woord een werkwoord? Schrijf ‘ja’ of ‘nee’. 1 Simon blijft elke dag in de studie. 2 Voor mijn verjaardag kreeg ik de nieuwste film. 3 Mijn ouders vinden dat ik betere punten kan halen. 4 In de winter kopen wij extra voeding voor de vogels. 5 Elke week ga ik met mijn klas naar de bibliotheek. 6 Gertje heeft de eerste prijs voor zijn laatste schilderwerk. 7 Wanneer komt oma je bezoeken? 8 Mijn buurjongen wordt een echte tennisster. 9 Na die wandeltocht ben ik nog niet uitgerust.

Talent - werkwoordenblok 4

1


Naam:

Datum:

tĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶ ŝĚĞŶƟĮĐĞƌĞŶ 2

Kleur de werkwoorden en schrijf ze over.

vergeten kammen bibberen kolen babbelen maaien haaien gouden toeteren slapen

zijn wollen antwoorden jassen plooien groter graten borden samen

Omcirkel de werkwoorden in de zinnen. 1 Mijn kleine zus speelt niet graag alleen. 2 Wanneer logeer je nog eens bij mij? 3 Vergeet je tablet dan niet! 4 Zondag koopt mama nieuwe schoenen voor mij. 5 Ik wil gele schoenen. 6 Ga je in de zomervakantie op reis met je ouders? 7 Nee, ik wil op kamp met de jeugdbeweging. 8 Ik moet kiezen tussen het kamp en een reisje met mijn ouders. 9 Dit jaar vertrekt de jeugdbeweging op zondag naar Frankrijk. 10 Ik wil dat kamp niet missen!

Talent - werkwoordenblok 4

2


Naam:

Datum:

Ğ ƉĞƌƐŽŽŶƐǀŽƌŵ ŝĚĞŶƟĮĐĞƌĞŶ 3

Onderstreep in elke zin de persoonsvorm. Tip: maak van de zin een ja-neevraag. 1 Regelmatig ga ik lopen. 2 Mijn vriendin Rosemie loopt ook snel. 3 Zij kan heel vlug lopen. 4 Rosemie wint geregeld de eerste prijs in haar categorie. 5 Ze moet wel elke dag trainen om zulke goede resultaten te behalen. 6 Volgend jaar zou ze graag Belgisch kampioen worden. 7 Ik hoop dat ze dan een gouden medaille ontvangt. 8 Tijdens de zomervakantie gaan we samen op sportkamp. 9 Daar leren we veel nieuwe mensen kennen. 10 We zullen daar zeker een mooie tijd beleven.

a Schrijf de zin opnieuw. Let op: het onderwerp is anders. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. 11 Morgen eet ik frietjes. Mijn grootouders 12 Arthur vindt mijn nieuwe jurk niet mooi. Ik

13 Ik drink elke morgen een glas fruitsap. Wij

14 Hannah wandelt graag met de hond van de buren. Karim en Lars

Talent - werkwoordenblok 4

3


Naam:

Datum:

sĂŶ ƉĞƌƐŽŽŶƐǀŽƌŵ ŶĂĂƌ ŝŶĮŶŝƟĞĨ 4

a Onderstreep in elke zin de persoonsvorm. b Schrijf de infinitief achter elke zin. Tip: je vindt de infinitief van een werkwoord gemakkelijk door er ‘ik zal’ voor te zetten. 1 ’s Nachts droomt mijn broer heel luid. 2 Wij eten graag hamburger met frietjes. 3 Iedere avond kijkt mijn zus naar Paw Patrol. 4 Vanaf mijn tiende verjaardag fiets ik naar school. 5 Juf An vertelde spannende avonturenverhalen. 6 De kinderen worden geholpen door Antonio. 7 De dierenverzorger verzorgde alle honden. 8 We verkleden ons als piraten voor de musical.

Kleur de stukken die bij elkaar passen in dezelfde kleur. Kijk naar het voorbeeld.

kijkt

vergeet

leef

bibber

antwoordt

verbrandt

snoep

schreeuwen

drrinken drinken

schreeuwen

bibberen

kijken

antwoorden

vergeten

snoepen

leven

verbranden

drink

Talent - werkwoordenblok 4

4


Naam:

Datum:

sĂŶ ƉĞƌƐŽŽŶƐǀŽƌŵ ŶĂĂƌ ŝŶĮŶŝƟĞĨ 5

a Onderstreep de persoonsvorm. Tip: maak van de zin een ja-neevraag. b Schrijf de zin opnieuw. Let op: het onderwerp verandert. 1 Quinten wandelt met mama en papa van Oostende naar Brugge. De kinderen

2 Hij is echt vermoeid. Ze 3 Na de wandeling heb ik geen energie meer. wij

4 Volgens mama moet je dringend iets eten. jullie

5 Hij zakt als een pudding in elkaar. De meisjes

Kleur de persoonsvorm en de infinitief die bij elkaar passen in dezelfde kleur. snoep

komt

goochelt

lezen

groeien

geeuwen

snoepen

plakt

lees

durft

komen

groeit

plakken

zwaaien

geeuw

durven

zwaait

verkoop

goochelen

verkopen

Talent - werkwoordenblok 4

5


Naam:

Datum:

e er oon or 6

In elke rij zit een woord dat geen werkwoord is. Schrijf het op. 1 gootsteen – rijden – heeft – brult – aantrekken 2 doen – verdwaald – werken – tovenaar – vertelt 3 jubelen – wanneer – gieten – maaien – bloed 4 spelletje – goochelen – naait – ruik – uitroepen 5 crossen – joggen – springen – vooruit – zwemmen

a Schrijf de zin opnieuw. Let op: het onderwerp verandert. b Onderstreep telkens de persoonsvorm. 6 Wij kijken vanavond naar de goochelshow. Tina

7 We hebben zes kinderen in ons gezin. Ik 8 Meester Karel maakt graag grapjes met ons. Onze juffen

9 Jullie verkopen wafels voor het goede doel. Boris

10 Wij doen mee aan de wedstrijd. Rik 11 Ube bouwt een kasteel met blokken. Naut en Jitte Talent - werkwoordenblok 4

6


Naam:

Datum:

e er oon or 7

a Omcirkel alle werkwoorden in de zin. b Onderstreep de persoonsvorm. c Schrijf achter elke zin de infinitief van de persoonsvorm. 1 Ik vind dit een afschuwelijke titel voor dit boek. 2 Die nieuwe animatiefilm wordt een kaskraker. 3 Birgit gaat drie maanden op reis. 4 Marieke vertrekt naar Egypte om te duiken. 5 Mijn oma kijkt naar haar serie op tv. 6 Haar idool is Niels Destadsbader. 7 We slenteren door de straten van Antwerpen. 8 Met dit weer rijdt opa niet graag met de fiets. 9 Ik hoor haar gillen van angst. 10 Waarom kijk je zo boos naar mij?

a Vul een passend onderwerp in bij de persoonsvorm. b Onderstreep de persoonsvorm. 11

verdeelt alle schriften in de klas.

12 Hoe laat vertrekken

?

13 Nog steeds herken

de weg niet naar huis.

14 Zaterdag skeelert 15 Elke dag bezoeken 16 Op dinsdag hebben

voor een medaille. oma. zwemles.

17

filmt alle reisavonturen in Namibië.

18

leven in grote armoede. Talent - werkwoordenblok 4

7


Naam:

Datum:

dĞŐĞŶǁŽŽƌĚŝŐĞ ƟũĚͬǀĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŚĞƌŬĞŶŶĞŶ 8

Schrijf de werkwoorden in de juiste kolom. Kies uit: werkte – zit – trekt – babbelden – lees – wandelde – zonk – kletste – slaap – doet – schitteren – liep – durfde – schrijf – verbrandt – verdedigde

tegenwoordige tijd (nu)

verleden tijd (vroeger)

a Omcirkel de werkwoorden. b Schrijf op of de zin in de tegenwoordige (t.t.) of verleden tijd (v.t.) staat. 1 Oma Greta kookt de beste soep ter wereld. 2 Hield jij niet van paardrijden? 3 Mijn sprookjesboeken vind ik niet meer. 4 Wie vliegt naar Australië? 5 Waarom verstopte jij dat potje pudding? 6 Xavier sprak altijd Frans met zijn grootouders. 7 Marieke schrijft al vloeiend haar naam. 8 Gisteren verloor ik vijf euro. 9 Die ridder vocht voor zijn leven. 10 Dat lied zingt Janne altijd onder de douche. Talent - werkwoordenblok 4

8


Naam:

Datum:

^ƚĂŵ ĞŶ ŝŶĮŶŝƟĞĨ 9

Schrijf van elke infinitief de stam. Tip: de stam is de vorm van het werkwoord die meestal lijkt op de ik-vorm. houden

houd

1 lopen 2 vinden 3 zitten 4 bedenken 5 vergeten 6 onthouden 7 verbinden 8 drinken 9 eten

Schrijf van elke stam de infinitief. Tip: je vindt de infinitief van een werkwoord gemakkelijk door er ‘ik zal’ voor te zetten. ontwerp

ontwerpen

10 giet 11 heb 12 kijk 13 roep 14 was 15 ben 16 tik 17 verdwaal 18 zoek Talent - werkwoordenblok 4

9


Naam:

Datum:

e ta 10

Schrijf telkens de stam van het werkwoord op. 1 worden 2 krijgen 3 ďŹ etsen 4 rijden 5 kijken 6 moeten 7 vinden 8 drijven 9 duiken 10 zwemmen

a Onderstreep de persoonsvorm. b Schrijf achter elke zin de stam. 11 Waar haal jij die mooie rokjes? 12 Mijn buurman antwoordt niet op mijn vraag. 13 We krijgen een daverend applaus. 14 Hij snijdt de koek in drie gelijke stukken. 15 Hij bedenkt een prachtig fantasieverhaal. 16 Wij zitten allebei in het vierde leerjaar. 17 Mijn neef Ali antwoordt niet op mijn brieven. 18 Opruimen in mijn kamer doe ik graag. 19 Die gps toont niet de juiste weg. 20 Nemen jullie een dessert? Talent - werkwoordenblok 4

10


Naam:

Datum:

sĞƌůĞĚĞŶ ƟũĚ ŚĞƌŬĞŶŶĞŶ ͬ Ğ ƐƚĂŵ 11

Kleur de werkwoorden in de verleden tijd.

stond

klom

ging babbel

onderzoeken

sloeg

antwoordde

ontwijken

ga

komen

zit

haastte vliegen

brandde

speelde

Onderstreep de persoonsvorm en schrijf de stam. 1 Er verschijnt een regenboog. 2 Ik verdien een tien voor Frans. 3 Kijken jullie ook naar die serie? 4 Waarom vraag jij altijd hetzelfde? 5 Ik lust pizza. 6 Wij rijden met de auto naar Hongarije. 7 Pavel klimt in een hoge boom om zijn kat te redden. 8 Mijn zus weigert mee te doen aan die pesterijen. 9 Mijn vriend Maarten zit elke week in de bioscoop. 10 Onze poes vangt veel muizen. Talent - werkwoordenblok 4

11


Naam:

Datum:

d͘ƚ͘ ĞŶ ǀ͘ƚ͘ ŚĞƌŬĞŶŶĞŶ ͬ Ğ ƐƚĂŵ 12

Zet de werkwoorden in de juiste kolom. Kies uit: zwom – klautert – roepen – vroeg – besefte – werkt – antwoordden – veegde – eet – trekt – vloog – verslinden – poets – schreef – kijkt – bibberde – kletste – tekent – stappen – klaagden

tegenwoordige tijd

verleden tijd

Onderstreep de persoonsvorm en schrijf de stam. 1 Cynthia maakt hele mooie juwelen. 2 De buschauffeur kijkt heel kwaad naar de kinderen. 3 De mensen protesteren tegen het geweld in de stad. 4 In de herfstvakantie logeert mijn nichtje bij ons. 5 De dierenarts redde het leven van mijn hond. 6 Kijk jij niet naar films? 7 Gelukkig halen we net op tijd de trein. 8 Tante Bie woont in Finland. 9 Cas kamt de mooie krullen in zijn haar. 10 We kopen elke vrijdag frietjes en een hamburger. Talent - werkwoordenblok 4

12


Naam:

Datum:

d͘ƚ͘ ĞŶ ǀ͘ƚ͘ ŚĞƌŬĞŶŶĞŶ ͬ Ğ ƐƚĂŵ 13

a Omcirkel de werkwoorden. b Schrijf op of de zin in de tegenwoordige (t.t.) of verleden tijd (v.t.) staat. 1 De Afrikaanse atleet liep het wereldrecord in 2019. 2 Die onbekende vrouw vroeg de weg naar het speelplein. 3 Kom je ook naar het verjaardagsfeestje? 4 Hoeveel muizen aten die roofvogels? 5 Esther schrijft elke dag een kaartje naar haar zus. 6 Alle ouders krijgen les techniek op de opendeurdag. 7 Ik vergat mijn portemonnee in de klas. 8 Jules is heel blij met zijn geschenk.

Wat doet de persoon of het dier? Schrijf het werkwoord op en vervolledig de kolommen.

stam 9

ze

10

ze

11

ze

12

ze

13

ze

infinitief

Talent - werkwoordenblok 4

13


Naam:

Datum:

^ƚĂŵ ĞŶ ƵŝƚŐĂŶŐ ŚĞƌŬĞŶŶĞŶ 14

Onderstreep de persoonsvorm en schrijf de stam op. 1 Hij beantwoordt alle vragen perfect. 2 Niemand praat met die nieuwe leerling. 3 Wij dienen een klacht in bij de directeur. 4 Mijn vader wordt vijftig jaar. 5 Louis kijkt heel graag naar griezelfilms. 6 Zijn mama vindt dat helemaal niet leuk. 7 Fara helpt elke woensdagnamiddag. 8 Ik speel mee in de nieuwe detectivereeks. 9 De chauffeur vergeet de deur open te doen. 10 Wij eten geregeld verse vis.

Vervang het onderwerp door een willekeurig ander onderwerp en schrijf de persoonsvorm erbij. Hij klimt.

Ik klim.

11 Wij zoeken. 12 Marie springt. 13 Oma vertelt. 14 De mensen vertrekken. 15 De kinderen lachen. 16 Lukaku scoort. 17 De voetballers gooien. 18 Ik speel. 19 Hij luistert. 20 De appels vallen. Talent - werkwoordenblok 4

14


Naam:

Datum:

ŶŬĞůǀŽƵĚͬŵĞĞƌǀŽƵĚ 15

Schrijf de werkwoorden in de juiste kolom. enkelvoud

meervoud

1 ik eet 2 hij bokst 3 jullie vragen 4 zij lezen 5 zij bidden 6 Leen leest 7 ik bid 8 Koen vraagt 9 de jongens boksen 10 zij studeren

a Vul een onderwerp in. b Omcirkel of de zin enkelvoud of meervoud is. 11

speelt tegen Anderlecht.

enk / mv

12

voetballen ook mee.

enk / mv

13 Tijdens de wedstrijd schopt

tegen mijn been. enk / mv

14

ben gekwetst.

enk / mv

15

brengen mij naar het ziekenhuis.

enk / mv

16

is gebroken.

enk / mv

17 De 18

wordt geschorst.

enk / mv

mag gedurende het toernooi niet meer spelen. enk / mv

19 Zes weken heb 20 Het goede nieuws is dat

met krukken gestapt. wonnen.

enk / mv enk / mv

Talent - werkwoordenblok 4

15


Naam:

Datum:

^ƚĂŵ ĞŶ ƵŝƚŐĂŶŐ ͬ ŶŬĞůǀŽƵĚ ĞŶ ŵĞĞƌǀŽƵĚ 16

De persoonsvorm in de zin is onderlijnd. Kleur telkens: de uitgang. 1 Lydia kookt.

6 Jullie antwoorden.

2 Wij vinden.

7 De tantes roddelen.

3 Hij haalt.

8 Ik schrik.

4 Wacht ik?

9 Zij studeren.

5 Het vliegt.

10 Spring jij?

Schrijf de zinnen op de juiste plaats. De vogels vliegen naar zuiderse landen. – Luister goed! – Eten jullie radijzen? – Het sneeuwt. – Ze kibbelen. – Ik vraag veel uitleg. – Het komt in orde. – Zij verwennen de kleinsten. – Kunnen jullie niet mee? – Jij poetst je tanden. enkelvoud

meervoud

Talent - werkwoordenblok 4

16


Naam:

Datum:

/ŶĮŶŝƟĞĨ ĞŶ ƐƚĂŵ 17

a Geef van elke infinitief de stam. b Maak een goede zin met de ik-vorm (1e persoon enkelvoud). zwemmen

zwem

Ik zwem in dit grote meer.

1 schreeuwen

2 verlangen

3 lopen

4 vissen

5 springen

6 knikkeren

7 geven

8 zwaaien

9 kijken

10 meten

Talent - werkwoordenblok 4

17


Naam:

Datum:

ϭĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 18 Vul in. 1 Ik

(komen) met de schoolbus naar huis.

2 Vandaag 3 Vanavond 4 Ik

(werken) ik aan mijn spreekbeurt. (schrijven) ik een briefje naar mijn broer. (jagen) soms op hazen.

5 In de krokusvakantie 6 Ik

(wandelen) ik altijd in Frankrijk. (vieren) de geboorte van mijn nichtje Lisa.

7 In de klas 8 Ik

(verdelen) ik de knikkers eerlijk. (proeven) van de saus.

Vul de zin aan met de juiste vorm van het werkwoord. Kies uit: joggen – kijken – vallen – betalen – hebben – zingen – halen – dansen – spelen – beginnen – schrijven 9 Elke dag 10 Ik 11 ’s Avonds 12 Ik

ik een euro voor de tram. enkel op het strand. ik graag televisie. mijn ontbijt met een glas water.

13 Als mijn buurmeisjes thuis zijn, 14 Voor de auditie 15 Ik

ik met hen op straat. ik een lied uit de musical Oliver. mijn voet bezeerd tijdens de turnles.

16 Bij het buiten gaan 17 Op de fuif 18 Ik 19 Elke dag

ik van de trap. ik met mijn vriendje uit de klas. voor mijn oma aardappelen uit de kelder. een e-mail.

Talent - werkwoordenblok 4

18


Naam:

Datum:

ϭĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 19 Vul in. 1 Ik

(zitten) nu in het vierde leerjaar.

2 Tijdens de kookles

(verbranden) ik mijn vinger.

3 Als huistaak

(moeten) ik opa interviewen.

4 Binnen drie weken

(worden) ik tien jaar.

5 Ik

(vergroten) alle tekeningen voor het decor.

6 Ik

(heten) eigenlijk Anne-Marie.

7 Tijdens de maaltijd

(snijden) ik het vlees.

8 In de klasrij

(praten) ik te veel, zegt de juf.

9 Ik

(lusten) geen spinazie.

10 Ik

(redden) mijn poes uit de vijver.

Maak met de werkwoorden goede zinnen. Het onderwerp in de zin moet ‘ik’ zijn. worden 11 rijden

Ik word morgen negen jaar. Ik

12 antwoorden 13 eten 14 binden 15 weten 16 doen 17 maken 18 schrijven 19 spelen

Talent - werkwoordenblok 4

19


Naam:

Datum:

ϭĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 20 Vul in. (zitten) ik een uurtje alleen op mijn kamer.

1 Elke avond 2 Wanneer

(eten) ik mijn zelfgemaakte slaatje op? (worden) vandaag verrast door mijn peter.

3 Ik 4 Soms

(vergeten) ik mijn huiswerk te maken. (weten) niet zo goed het verschil tussen die tweelingen.

5 Ik 6 Braafjes

(wachten) ik mijn beurt af bij de dokter. (haten) griezelfilms.

7 Ik

(rusten) ik eventjes uit.

8 Na tien kilometer bergop fietsen,

(rijden) aan een gemiddelde van 20 km per uur.

9 Ik 10 Vandaag

(planten) ik bieslook, munt en rozemarijn.

a Bedenk vijf infinitieven en hun stam. b Maak er een goede zin met ‘ik’ mee. infinitief: antwoorden

stam: antwoord

Bij de vragenronde antwoord ik elke keer juist.

infinitief:

stam:

infinitief:

stam:

infinitief:

stam:

infinitief:

stam:

infinitief:

stam:

Talent - werkwoordenblok 4

20


Naam:

Datum:

ϭƐƚĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 21 Vul in. Gebruik het werkwoordschema. 1 Ik

(zien) de affiche aan het bord niet.

2 In de vroege morgen 3 Ik

(wachten) ik op de bus. (houden) niet van die kleine beestjes.

4 Bij het afdrogen

(breken) ik twee glazen.

5 Ik

(bezoeken) mijn zieke tante.

6 In de klas

(raden) ik het juiste getal.

7 Ik

(vinden) tien euro.

8 Elke avond

(vertellen) ik een verhaaltje.

9 Ik

(verzinnen) af en toe een grapje.

Schrijf telkens de stam. Tip: de stam is de vorm van het werkwoord die meestal lijkt op de ik-vorm. infinitief

stam

10 zwemmen 11 vinden 12 rijden 13 weten 14 kopen 15 mijden 16 fietsen 17 lusten 18 proeven 19 praten 20 blijven Talent - werkwoordenblok 4

21


Naam:

Datum:

ϭƐƚĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 22

Schrijf de stam. infinitief

stam

1 genieten 2 babbelen 3 gieten 4 snijden 5 voetballen 6 smullen 7 drummen 8 wrijven

Vul de juiste vorm in. Gebruik het werkwoordschema. 9 Ik 10 Morgen 11 Groenten snijden 12 Ik 13 In mijn dromen

(fietsen) elke dag naar school. (verwachten) ik een kaartje van mijn oma. (vinden) ik heel leuk. (wassen) mij altijd voor het ontbijt. (vliegen) ik met een helikopter.

14 Ik

(worden) boos bij het zien van dat geweld op tv.

15 Ik

(verstaan) geen Spaans.

16 In de namiddag 17 Ik 18 Wanneer 19

(vegen) ik het bord schoon. (horen) de muziek tot in mijn kamer. (moeten) ik mijn wedstrijd lopen? (mogen) ik een ijsje?

Talent - werkwoordenblok 4

22


Naam:

Datum:

ϮĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 23 Verbind ‘jij’ met de passende persoonsvorm.

jij

loop lopen loopt

jij

vinden vind vindt

jij

eet eten gegeten

jij

joggen jog jogt

jij

lezen lees leest

jij

viert vieren vier

jij

wonen woont woon

jij

redden red redt

jij

antwoordt antwoorden antwoord

jij

klim klimt klimmen

jij

worden wordt word

jij

snijden snijd snijdt

Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Kies uit: worden – rijden – maken – binden – bibberen 1 Jij

niet graag met de fiets naar school.

2 Jij

van de kou.

3 Jij

vandaag gevierd als honderdjarige.

4 Jij

hele mooie juwelen om te verkopen.

5 Jij

de geit vast met een touw! Talent - werkwoordenblok 4

23


Naam:

Datum:

ϮĚĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 24 Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Kies uit: springen – schrijven – wandelen – spelen – verven 1

jij je eigen kamer?

2

jij veel fouten in de les Nederlands?

3

jij ook al één meter hoog?

4

jij na schooltijd in de nieuwe wijk?

5

jij in Oostenrijk of Italië?

Kies vijf infinitieven. Maak telkens een vraagzin met ‘jij’. lezen – beginnen – vieren – maken – proeven – sparen – wonen – kopen – vallen – helpen 6 infinitief: ? 7 infinitief: ? 8 infinitief: ? 9 infinitief: ? 10 infinitief: ?

Talent - werkwoordenblok 4

24


Naam:

Datum:

ϮĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 25

Maak van de zinnen een ja-neevraag. 1 Je rijdt elke dag vijf kilometer. ? 2 Je snijdt het vlees voor je kleine broer. ? 3 Je praat veel te luid als je binnenkomt. ? 4 Je antwoordt dikwijls naast de kwestie. ? 5 Je wordt veel geplaagd op school. ?

Vul in. Gebruik het werkwoordschema. 6

(raden) jij nooit de goede woorden?

7

(worden) jij volgende week verkozen?

8

(heten) jij Maria?

9

(vinden) je die rode portemonnee niet meer?

10

(moeten) jij nog niet naar huis vertrekken?

11

(lusten) je dan geen vlees?

12 Waarom

(vergroten) je de foto niet?

13

(verbranden) jij ook zo snel in de zon?

14

(antwoorden) jij goed op deze vraag?

15

(verliezen) je deze belangrijke wedstrijd?

Talent - werkwoordenblok 4

25


Naam:

Datum:

ϮĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 26 Vul in. Gebruik het werkwoordschema. (nemen) je eens de melk voor mij?

1

(drinken) je graag bij het eten?

2 Wat

(antwoorden) je niet als ik iets vraag?

3 Waarom 4

(vergeten) jij nu altijd goedendag te zeggen?

5

(klimmen) je ook zo hoog?

6

(worden) jij graag verwend op je verjaardag? (wachten) je al op dat geschenk?

7 Hoe lang 8

(kijken) je naar televisie tijdens de vakantie?

9

(schrijven) je een brief naar je oma?

10

(dragen) jij nu een bril?

Ontcijfer de werkwoorden. Kies er vier uit. Maak er een goede vraagzin met ‘jij’ mee. nesnad – nelevrev – nettiz – nezalb – netew – nethcaw – nelateb werkwoord: nekam

= maken

Maak jij altijd zoveel lawaai?

11 werkwoord:

= ?

12 werkwoord:

= ?

13 werkwoord:

= ?

14 werkwoord:

= ? Talent - werkwoordenblok 4

26


Naam:

Datum:

ϮĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 27

Maak vijf vraagzinnen met jij. Gebruik werkwoorden uit de slang. werken: Werk jij graag in de tuin?

k l e u re n m a k e nv e r b i n d e n b l i j v e nv e r k o p e n p ro e v e n s l a p e n t re k k e n

1

?

2

?

3

?

4

?

5

?

Maak van de zinnen ja-neevragen. 6 Je neemt nooit geschenken aan van vreemden. ? 7 Je kijkt graag naar de zwemwedstrijd. ? 8 Je vraagt vaak hetzelfde. ? 9 Jij houdt van katten. ? 10 Jij wordt clubkampioen. ? 11 Jij hoort de muziek van Mozart niet graag. ? 12 Jij breit mooie sokjes voor de baby. ? Talent - werkwoordenblok 4

27


Naam:

Datum:

ϯĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 28 Vul aan. 1 kunnen

ik

hij

2 willen

ik

hij

3 zullen

ik

hij

4 mogen

ik

hij

5 zijn

ik

hij

6 hebben

ik

hij

7 denken

ik

hij

a Ontcijfer de persoonsvormen. b Vul de zinnen aan.

nka

si

zla

gam

8 De hond 9 Hij

ilw

niet meer eten. later dokter worden.

10 Die dame

naar de bioscoop.

11 Het weer

veel beter.

12 Dat meisje

nooit meer terugkomen. Talent - werkwoordenblok 4

28


Naam:

Datum:

ϯĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 29 Vul in. Gebruik het werkwoordschema. 1 Georges 2 Het

(verdelen) alle snoepjes in zakjes van tien. (regenen) pijpenstelen!

3 Het meisje

(spreken) Engels.

4 Dat plantje

(groeien) een centimeter per dag.

5 Mijn oma uit Duitsland 6 Waarom 7 Anna

(sturen) altijd een kaartje. (vergeten) Koen toch altijd zijn pantoffels? (winkelen) graag in Antwerpen.

8 Iedereen 9 Hij

(kijken) naar de dansende pinguïn. (verrassen) zijn vrouw met bloemen.

10 De haas

(lachen) met de slak.

a Schrijf alle werkwoorden uit de werkwoordenslang op. Tip: lees van links naar rechts. b Vul dan de zinnen aan.

nedroowtnanenegernek runsnevjilbnek ok nereleeks infinitief 11

Hij

.

12

De professor

.

13

Iliana

.

14

Grootva

.

15

Het

.

16

Hassan

.

Talent - werkwoordenblok 4

29


Naam:

Datum:

ϯĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 30 Vul aan. heeft – verdedigt – ademt – beveelt – vindt 1 De majoor

de terugtocht.

2 De muis

zich tegen de kat.

3 Die hond 4 Lise

drie grote wonden aan zijn poot. haar nieuwe horloge niet meer.

5 Na het hardlopen

dat jongetje zwaar.

a Onderstreep de persoonsvorm. b Zoek een nieuw onderwerp in de 3e persoon enkelvoud en pas de pv aan. 6 Ik vraag de bakker speltbrood.

7 Gertie en Jan antwoorden driemaal fout.

8 Elke avond dek ik de tafel.

9 Zij lezen de vragen niet zo goed.

10 Waarom spelen jullie altijd verstoppertje?

11 Hij vertrekt vanavond op kamp.

Talent - werkwoordenblok 4

30


Naam:

Datum:

ϯĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 31

Maak met elk werkwoord een goede zin. Kies uit: lezen – schrijven – skeeleren – zitten – zwemmen – vinden Let op: de persoonsvorm moet in de 3e persoon staan. lopen: Kamiel loopt elke dag drie kilometer.

Vul aan. Gebruik het werkwoordschema. 1 De postbode

(brengen) elke morgen de post.

2 Elke dag

(drinken) die atleet een liter water.

3 Waarom

(verdelen) hij de rollen nooit eerlijk?

4 Minah 5 De hond 6 Opa 7 ’s Morgens om vijf uur 8 De jarige

(antwoorden) helemaal fout. (lijden) aan een ouderdomsziekte. (verbranden) zijn tong aan die warme soep. (maken) de haan ons wakker. (snijden) de taart in acht gelijke stukken.

9 Leen

(bakken) lekkere wafels.

10 Klaas

(eten) graag balletjes met frietjes.

Talent - werkwoordenblok 4

31


Naam:

Datum:

ϯĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 32 Vul de juiste persoonsvorm in. Kies uit: wuift – beeft – koopt – slentert – kijkt – zweet – smaakt – meet 1 De bedelaar 2 Gaston

van de kou. naar het journaal. zij zoveel potten choco?

3 Waarom 4 Het dametje

de hele tijd naar de camera.

5 Op zondag

mijn vader door de winkelstraten.

6 De schrijnwerker 7

waar hij de plank moet zagen. de soep een beetje zuur?

8 Een jogger drinkt veel omdat hij veel

.

Vul in. Gebruik het werkwoordschema. 9 Piet 10 De kok 11 Wie 12 In juni 13 Gust 14 Kapitein Eenoog 15 Loesje 16 17 Wannes

(houden) een kussengevecht. (laten) de ovenschotel verbranden. (gaan) als eerste naar de eindstreep? (worden) mijn broer zeven jaar. (krijgen) een tablet voor zijn verjaardag. (zingen) dit liedje niet zelf. (gebruiken) haar fantasie. (eten) Hanne graag granola? (wandelen) met zijn vrienden.

18 Hij

(fietsen) als eerste naar de top.

19 Ali

(tekenen) een stripverhaal. Talent - werkwoordenblok 4

32


Naam:

Datum:

ϯĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 33

Zoek het werkwoord dat in de zin past. Vul de juiste vorm in. kunnen – willen – helpen – meten – beantwoorden – zoeken – luisteren – bellen 1 De schilder

alle muren.

2 Mijn mama

elke avond naar het internaat.

3 Hij

zich niks meer herinneren.

4 De kandidaat

alle quizvragen correct.

5 Na de grote sneeuwstorm

elk dier naar voedsel.

6 Fien

de oudere dame bij het oversteken.

7 Bob

niet meer meedoen.

8 Lena

naar de uitleg van de juf.

Vul aan. 9 zoeken

Jij

.

Hij

.

10 rekenen

Je

.

Ze

.

11 wandelen Je

.

De hond

.

12 slaan

Jij

.

De kat

.

13 branden

Jij

.

De oven

.

14 verloten

Jij

.

Hij

.

15 raden

Jij

.

De leerling

.

16 fluiten

Jij

.

Ana

.

17 klimmen

Jij

.

De aap

.

18 proeven

Jij

.

De kok

.

Talent - werkwoordenblok 4

33


Naam:

Datum:

ϯĞ ƉĞƌƐŽŽŶ ĞŶŬĞůǀŽƵĚ 34 Vul aan. 1 bakken

Jij

.

De bakker

.

2 lezen

An

.

Hij

.

Liam

.

3 soezen

zij?

4 mogen

Het

.

Hij

.

5 werken

Het

.

U

.

6 grijpen

De hond

.

Zij

.

7 toeteren

De auto

.

8 strijken

Mama

.

Je

.

9 zijn

Hij

.

Jij

.

10 kunnen

Siska

.

hij?

zij?

a Ontcijfer de persoonsvormen. b Schrijf ze in de passende zin. Kies uit: gam – tmorb – si – trednod – tkjik – tletrev – tgaarv – tbeh – tnjihcs – tiaan 11 De beer 12 Jij 13 Op een avond 14 Na een zwoele dag 15 Michael 16 Het 17 In de zomer 18 Zij 19 Na het avondeten 20 Oma

naar de lachende kinderen. veel fans. hij haar om naar een feestje te gaan. het hevig. niet gekozen voor de wedstrijd. niet van mijn ouders. de zon vele uren. mooie rokjes voor de kinderen. mijn broer naar een film. heel graag verhalen uit haar kindertijd. Talent - werkwoordenblok 4

34


Naam:

Datum:

ŶŬĞůǀŽƵĚ 35 Vul in. Gebruik het werkwoordschema. 1 Het jong van de zeekoe 2 Ik 3

(willen) niet drinken. (moeten) van mijn mama naar de sportclub. (gaan) jij niet naar de film?

4 Het spel

(kosten) erg veel moeite.

5 Het schaap 6 Ik

(blaten) al een hele namiddag. (vergeten) mijn huiswerk niet.

7 Marie 8

(haten) schoonschrift. (vinden) je veel schelpen op het strand?

Vul de tabel aan. Infinitief

1e persoon (ik)

2e persoon (jij)

3e persoon (hij, zij, het)

9 geven 10 verfijnen 11 slaan 12 zijn 13 giechelen 14 denken 15 knippen 16 springen 17 voetballen 18 antwoorden

Talent - werkwoordenblok 4

35


Naam:

Datum:

ŶŬĞůǀŽƵĚ 36

a Vul de juiste vorm van het werkwoord in. b Schrijf het op de juiste plaats in het schema op de achterkant. 1 Waarom 2 Ik 3 Wim 4 Hij 5 6 Het jurylid 7 Ik 8 De zoektocht 9 Dino 10 11 Dat heb jij knap 12 De artiest 13 Jij 14 Zij heeft de hele dag

(vragen) jij niet naar dat boek? (weten) nog niet wanneer ik moet spelen. (mogen) naar Spanje voor het WK. (zijn) een beetje bang om in de fout te gaan. (antwoorden) jij op die brief van ons nichtje? (verzenden) het wedstrijdreglement. (snurken) als ik heel moe ben. (brengen) hem naar de aarde. (meppen) zo hard als hij kan. (spelen) het kind verstoppertje? (vinden)! (zingen) voor het goede doel. (worden) later zeker minister! (fietsen).

Talent - werkwoordenblok 4

36


o

1e persoon enkelvoud ik STAM

MAAR ... jij/je na pv: STAM

p

2e persoon enkelvoud jij STAM + t

Tegenwoordige tijd (t.t.)

Zoek het onderwerp en de pv.

ja

q

3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t

Is het een pv?

Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!

nee

n


Naam:

Datum:

ŶŬĞůǀŽƵĚ 37 Vul de zin aan met het werkwoord. 1 blaffen

De hond

2 wenen

Ik

3 springen

Dat aapje

.

4 beginnen

De zomer

.

5 knabbelen

De witte muis

. .

.

6 koken

jij?

7 snijden

Dat mes

8 gieten

Jij

. .

Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Het ei Het ei

(liggen) tussen een hoop andere eieren.

Heel lang Het ei

(gebeuren) er niets. (liggen) daar maar.

Maar op een dag

(komen) er een barst in het ei.

Een heel kleine barst. Het ei

(vallen) om en de barst (worden) groter.

En het ei Het

(beginnen) te rollen ... (rollen) en

tegen een steen. Kapot! En uit het ei Dino

(botsen) (komen) Dino!

(kijken) verbaasd om zich heen.

Naar: Het ei (Jan Simoen)

Talent - werkwoordenblok 4

37


Naam:

Datum:

eer o d 38 Vul aan. 1 Ik skeeler.

Wij

.

2 Ik ben.

Jullie

3 Ik kan.

Zij

4 Ik houd.

Die kinderen

.

5 Ik verras.

De meesters

.

6 Ik lees.

De kleuters

7 Ik tik.

De vogels

8 Ik draag.

Ze

9 Ik eet.

De baby’s

10 Ik hoor.

De heren

. .

. . . . .

Vul aan. Gebruik het werkwoordschema. 11 winkelen

Morgen gaan zij

.

12 werken

Ulrich en Sieglinde

13 huppelen

Vrolijk

14 wonen

De meisjes

in een boerderij.

15 bewonderen

Mijn broers

Lukaku.

16 vervalsen

Die gangsters

17 vinden

Wij

18 herkennen

Opa en oma

mij niet meer.

19 verkleden

Met carnaval

we ons.

20 kijken

Jullie

graag. zij in de weide.

veel geld. dat kleed heel mooi.

naar de verkeerde kant.

Talent - werkwoordenblok 4

38


Naam:

Datum:

eer o d 39 Vul aan. 1 Ik juich.

Wij

.

2 Lia roept.

Jullie

3 Cyriel weent.

De baby’s

4 Femke schrikt.

Ze

.

5 De hond jankt.

Zij

.

6 Sam verzamelt.

We

7 Gert verhuist.

Jullie

8 Zeno oefent.

De kinderen

9 Ik hinkel.

De meisjes

.

10 Hij verzwakt

De renners

.

. .

. . .

Maak de werkwoorden los en zet ze in de passende zin. vallensparendromenbegrijpenmakenscherenlezenvierenademenstempelen

11 Alle jongens 12 Jullie 13 14 Wij 15 Die dieren 16 Zij 17 Waarom 18 Die kunstenaars 19 20 Hoe lang

zich elke dag. de tekening. ze in het slijk? elke maand honderd euro. heel rustig. van mooie juwelen en dure kledij. jullie die Chinese dame niet? een prachtig kunstwerk. jullie ook Harry Potter? zij feest ter gelegenheid van hun trouw? Talent - werkwoordenblok 4

39


Naam:

Datum:

et- er oon or en 40 Wat deden de dieren? 1 brullen

De leeuw heeft

.

2 loeien

De koe heeft

3 blaffen

De hond heeft

4 balken

De ezel heeft

5 piepen

De muis heeft

6 miauwen

De kat heeft

7 blaten

Het schaap heeft

8 zoemen

De mug heeft

.

9 huilen

De wolf heeft

.

10 krassen

De raaf heeft

11 knorren

Het varken heeft

. . . . . .

. .

Vul in. Kies uit: beloven – betalen – bewonderen – vergeten – verbranden – landen – verwoesten – bestellen 12 Ik heb voor de hele familie pizza

.

13 Mauro heeft zijn rekening niet 14 Je hebt mij

. dat we naar Oostende zouden gaan.

15 Hij heeft die dame een hele tijd 16 Ik heb mij

. aan deze warme koffie.

17 Dat dorpje is door de aardbeving helemaal

.

18 Het vliegtuig uit New York is met veel vertraging 19 Oei! Ik heb mijn fiets

. ! Talent - werkwoordenblok 4

40


Naam:

Datum:

et- er oon or en 41 Vul de zinnen aan met het werkwoord. 1 eten

Hij heeft

.

2 vechten

De dieren hebben

3 lezen

Hij heeft

.

4 schilderen

Zij heeft

.

5 springen

De geitjes hebben

6 tekenen

Wij hebben

7 nadenken

Nina heeft

8 werken

Mijn buur heeft

9 voetballen

De spelers hebben

.

. . . . .

Vul de juiste vorm van het werkwoord in. 10 We hebben uren samen

(babbelen).

11 Dieven hebben deze kunstwerken 12 Op dat feest heb ik me echt

(verwoesten). (vervelen).

13 William heeft deze hoofdrol ook nog 14 Ik heb die soep niet

(spelen). (proeven).

15 Kobe heeft in die koude gebieden 16 Hij heeft haar veel geld 17 Die brief moet nog 18 Ilse heeft driemaal de juf

(leven). (lenen). (printen) worden. (groeten).

19 Die vogelliefhebber heeft dat vogeltje 20 Die snoepjes had ik beter niet

(redden). (kopen).

Talent - werkwoordenblok 4

41


Naam:

Datum:

ůůĞƐ ĚŽŽƌ ĞůŬĂĂƌ 42

a Lees de krantenkoppen en onderstreep het werkwoord. b Schrijf het werkwoord op de juiste plaats in het schema op de achterkant. Katten verwaarloosd door baasje

Oppositie verwerpt de klacht Nieuwe medicijnen maken mensen duizelig Verpleegsters protesteren tegen nieuwe wet

Meisje uit Hasselt nog steeds vermist!

Regen verpest optreden

Vul de juiste vorm in. Gebruik het werkwoordschema. 1 verzamelen

Wij

2 verkennen

De gidsen

3 verwennen

Ik word

4 vertrekken

De voetballers

5 openen

Ik heb de deur niet

6 zingen

Het koor heeft in de wedstrijd

7 verwoesten

De stad was volledig

8 bestellen

Mijn boeken heb ik nog niet

9 bibberen

Zij

10 drinken

Jullie

11 worden

veel geld met de hele klas. de bossen. door mijn mama. naar het WK. . . . . van de kou. niet van dat sapje? jij niet graag wakker gemaakt?

Talent - werkwoordenblok 4

42


o

1e persoon enkelvoud ik STAM

MAAR ... jij/je na pv: STAM

p

2e persoon enkelvoud jij STAM + t

q

3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t

Tegenwoordige tijd (t.t.)

Zoek het onderwerp en de pv.

ja

Is het een pv?

r

1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en

Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!

nee

n


Naam:

Datum:

ůůĞƐ ĚŽŽƌ ĞůŬĂĂƌ 43 Vul de juiste vorm in. Gebruik het werkwoordschema. 1 zwemmen

Hij heeft 1 km

2 antwoorden

Waarom

3 huilen

De baby’s blijven maar

4 vastbinden

We hebben de honden

5 gebruiken

Ingrid

6 vragen

Mijn mama heeft een drinkbus

7 versieren

De meester

8 verbranden

De kip smaakte

9 uitleggen

Ik heb de les aan mijn vriendin

10 lachen

De kinderen

11 missen

Die voetballer heeft de goal

12 schommelen

An en Bas

13 verbranden

Ik heb me aan die open haard

.

14 interviewen

Wij hebben de eerste minister

.

15 vinden

Meester Wim

16 goochelen

Kris

17 worden

. Veerle niet als ik bel? . . altijd een brooddoos. . de verjaardagsstoel. . . met de mopjes. . graag in de tuin.

zijn sjaal niet. met kaarten. jij afgehaald door je ouders?

18 vervuilen

Het strand wordt

19 rijden

Lisa

20 verwennen

Hij wordt graag

. met haar fiets in het bos. !

Talent - werkwoordenblok 4

43


Naam:

Datum:

ůůĞƐ ĚŽŽƌ ĞůŬĂĂƌ 44

Schrijf de persoonsvormen in de tabel. Infinitief

ik

zij/hij/het/je

wij/jullie/zij

1 juichen 2 kunnen 3 helpen 4 beslissen 5 boren 6 zullen 7 veranderen 8 kijken 9 zijn 10 antwoorden

a Onderstreep de persoonsvorm. b Schrijf achter elke zin de stam + de uitgang. Wij leveren veel grondstoffen.

lever +en

11 Onze buren werken in het buitenland. 12 Wil jij ook later piloot worden? 13 Tobe vindt steeds de juiste antwoorden. 14 De danseres voelt het juiste ritme. 15 Vergeet je huiswerk niet te maken! 16 Waarom lust jij geen fruit of groenten? 17 Hij liegt over zijn leeftijd. 18 Houden jullie acties tegen de vervuiling? Talent - werkwoordenblok 4

44


Naam:

Datum:

ůůĞƐ ĚŽŽƌ ĞůŬĂĂƌ 45

a Vul de juiste vorm van het werkwoord in. b Schrijf die in het schema op de achterkant. 1 Hij

(vragen) veel aandacht.

2 De leerlingen

(bekijken) de vragen.

3 Dat huis is volledig

(uitbranden).

4 Het schip is op zee

(vergaan).

5 Hadewijch

(schrijven) spannende verhalen.

6 We

(vertrekken) naar Londen op vakantie.

7

(worden) je morgen verwend op je verjaardag?

8 Ik heb die vraag nog niet

(beantwoorden).

9 Hoeveel geld

(wensen) je te lenen?

10 Aster

(vinden) de schatkaart na lang zoeken.

Zoek het werkwoord dat in de zin past. Vul de juiste vorm in. Kies uit: haasten – vinden – verbranden – melden – houden – worden 11 Waarom 12

ik altijd geplaagd? je het goed dat ik meega?

13 Ans

nog steeds veel van Stef.

14 We

ons naar het ziekenhuis.

15 Halil had als eerste de brand 16 Kom niet aan het vuur, anders

. je je!

Talent - werkwoordenblok 4

45


o

1e persoon enkelvoud ik STAM

MAAR ... jij/je na pv: STAM

p

2e persoon enkelvoud jij STAM + t

q

3e persoon enkelvoud hij / zij / het / ... STAM + t

Tegenwoordige tijd (t.t.)

Zoek het onderwerp en de pv.

ja

Is het een pv?

r

1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / ... STAM + en

Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!

nee

n


Naam:

Datum:

ůůĞƐ ĚŽŽƌ ĞůŬĂĂƌ 46

Maak met elk werkwoord een zin. Gebruik de juiste vorm. Tip: gebruik het werkwoordschema. vragen – geven – vergeten – mogen – klimmen – koken – schreeuwen – gaan 1

.

2

.

3

.

4

.

5

.

6

.

7

.

8

.

a Onderstreep de persoonsvorm. b Schrijf of de pv in de t.t. of in de v.t. staat. c Schrijf de infinitief. Kijk naar het voorbeeld. Morgen neem ik de eerste trein naar Gent.

t.t.

nemen

9 Waar kwam jij vandaan? 10 Eet niet te veel snoep! 11 Zij vochten in de Grote Oorlog. 12 Keken jullie ook graag naar die serie? 13 Het drinkwater van de vogels bevroor. 14 Waarom las jij dat boek? 15 Julie vindt heel wat goudstukken in de tuin.

Talent - werkwoordenblok 4

46


Naam:

Datum:

ůůĞƐ ĚŽŽƌ ĞůŬĂĂƌ 47 Vul de juiste vorm van het werkwoord aan. 1 Gery

(kopen) veel snoep.

2 Faro

(springen) niet ver genoeg voor zijn selectie.

3

(bouwen) jullie altijd zulke grote zandkastelen? (komen) de trainer kijken naar de turnles.

4 Morgen

(bedenken)?

5 Hoeveel trucjes moeten we nog

(snijden) de kok in zijn vinger.

6 Met zo’n scherp mes 7 Oma

(zorgen) heel goed voor haar buurmeisje. (vliegen) net boven de wolken.

8 Het vliegtuig 9 Ik 10

(durven) niet in het spookhuis. (drinken) elke dag twee glazen melk! (beloven) de soldaten trouw aan hun land.

11 Vandaag 12 Elke nacht

(sneeuwen) het tien centimeter.

13 Dat meisje

(antwoorden) op alle quizvragen.

14 Ik 15 Josje 16 Zij

(zijn) bang voor spinnen. (wachten) nu al uren op de trein. (blazen) samen vijftig kaarsjes uit. (schaatsen).

17 Als het een week vriest, kunnen we 18

(worden) jij ook tien jaar in mei?

19 Volgens wetenschappers moeten wij elke dag een uur (lachen). 20 Is die plant echt zo hard

(groeien)?

Talent - werkwoordenblok 4

47


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

48

oef. 1 werkwoorden: geven, zijn, gebruiken, slapen, verandert, trekken, schreeuwen, bibberen, heeft 1 ja 2 nee 3 ja

4 nee 5 ja 6 ja

7 nee 8 ja 9 ja

oef. 2 werkwoorden: vergeten, kammen, bibberen, babbelen, maaien, toeteren, slapen, zijn, antwoorden, plooien 1 2 3 4

speelt logeer vergeet koopt

5 6 7 8

9 leren 10 zullen

moet zou hoop gaan

9 vertrekt 10 wil missen

wil ga wil moet kiezen

oef. 3

Mijn grootouders eten morgen frietjes. Ik vind mijn nieuwe jurk niet mooi. Wij drinken elke morgen een glas fruitsap. Karim en Lars wandelen graag met de hond van de buren.

11 12 13 14

ga loopt kan wint

1 2 3 4

5 6 7 8

oef. 4 1 droomt, dromen 2 eten, eten 3 kijkt, kijken

4 fiets, fietsen 5 vertelde, vertellen 6 worden, worden

7 verzorgde, verzorgen 8 verkleden, verkleden

kijkt – kijken vergeet – vergeten leef – leven bibber – bibberen antwoordt – antwoorden verbrandt – verbranden snoep – snoepen schreeuwen – schreeuwen


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

49

oef. 5 1 2 3 4 5

wandelt; De kinderen wandelen met mama en papa van Oostende naar Brugge. is; Ze zijn echt vermoeid./Ze is echt vermoeid. heb; Na de wandeling hebben wij geen energie meer. moet; Volgens mama moeten jullie dringend iets eten. zakt; De meisjes zakken als een pudding in elkaar!

snoep – snoepen komt – komen lees – lezen durft – durven groeit – groeien geeuw – geeuwen zwaait – zwaaien plakt – plakken goochelt – goochelen verkoop – verkopen

oef. 6

Tina kijkt vanavond naar de goochelshow. Ik heb zes kinderen in mijn gezin. Onze juffen maken graag grapjes met ons. Boris verkoopt wafels voor het goede doel. Rik doet mee aan de wedstrijd. Naut en Jitte bouwen een kasteel met blokken.

6 7 8 9 10 11

gootsteen tovenaar wanneer spelletje vooruit

1 2 3 4 5


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

50

oef. 7 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

Ik vind dit een afschuwelijke titel voor dit boek. Die nieuwe animatiefilm wordt een kaskraker. Birgit gaat drie maanden op reis. Marieke vertrekt naar Egypte om te duiken. Mijn oma kijkt naar haar serie op tv. Haar idool is Niels Destadsbader. We slenteren door de straten van Antwerpen. Met dit weer rijdt opa niet graag met de fiets. Ik hoor haar gillen van angst. Waarom kijk je zo boos naar mij?

vinden worden gaan vertrekken kijken zijn slenteren rijden horen kijken

Bijvoorbeeld: 11 Katinka verdeelt 12 vertrekken jullie 13 herken ik 14 skeelert mijn oudste broer 15 bezoeken de kleinkinderen 16 hebben we 17 Mama filmt 18 Die mensen leven

oef. 8 tegenwoordige tijd (nu) zit trekt lees slaap doet schitteren schrijf verbrandt 1 2 3 4 5

kookt, t.t. hield, v.t. vind, t.t. vliegt, t.t. verstopte, v.t.

verleden tijd (vroeger) werkte babbelden wandelde zonk kletste liep durfde verdedigde 6 7 8 9 10

sprak, v.t. schrijft, t.t. verloor, v.t. vocht, v.t. zingt, t.t.


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

51

oef. 9 1 2 3 4 5

loop vind zit bedenk vergeet

6 7 8 9

onthoud verbind drink eet

haal, haal antwoordt, antwoord krijgen, krijg snijdt, snijd bedenkt, bedenk zitten, zit antwoordt, antwoord doe, doe toont, toon nemen, neem

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

gieten hebben kijken roepen wassen

10 11 12 13 14

15 16 17 18

zijn tikken verdwalen zoeken

oef. 10 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

word krijg fiets rijd kijk moet vind drijf duik zwem

oef. 11 verleden tijd: stond, ging, klom, speelde, sloeg, brandde, haastte, antwoordde 1 verschijnt, verschijn 4 vraag, vraag 2 verdien, verdien 5 lust, lust 3 Kijken, kijk 6 rijden, rij(d)

7 klimt, klim 8 weigert, weiger 9 zit, zit

10 vangt, vang

oef. 12 tegenwoordige tijd klautert verslinden roepen poets werkt kijkt eet tekent trekt stappen 1 2 3 4 5

maakt, maak kijkt, kijk protesteren, protesteer logeert, logeer redde, red

verleden tijd zwom vroeg besefte antwoordden veegde 6 7 8 9 10

vloog schreef bibberde kletste klaagden

Kijk, kijk halen, haal woont, woon kamt, kam kopen, koop


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

52

oef. 13 1 liep, v.t. 2 vroeg, v.t. 9 10 11 12 13

3 kom, t.t. 4 aten, v.t.

5 schrijft, t.t. 6 krijgen, t.t.

7 vergat, v.t. 8 is, t.t.

speelt, speel, spelen rekent, reken, rekenen trouwen, trouw, trouwen vliegt, vlieg, vliegen hoest, hoest, hoesten

oef. 14 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

beantwoordt, beantwoord praat, praat dienen, dien wordt, word kijkt, kijk vindt, vind helpt, help speel (mee), (mee)speel vergeet, vergeet eten, eet

Bijvoorbeeld: 11 Hij zoekt. 12 De kinderen springen. 13 Ze vertellen. 14 Ik vertrek. 15 Jana lacht. 16 Jullie scoren. 17 Lukaku gooit. 18 Wij spelen. 19 Ik luister. 20 Iets valt.

oef. 15 enkelvoud 1 eet 2 bokst 6 leest 7 bid 8 vraagt

meervoud 3 vragen 4 lezen 5 bidden 9 boksen 10 studeren

Bijvoorbeeld: 11 KV Mechelen, enkelvoud 12 Mijn vrienden, meervoud 13 Marc, enkelvoud 14 Ik, enkelvoud 15 Mijn ouders, meervoud

16 17 18 19 20

Mijn been, enkelvoud speler, enkelvoud Hij, enkelvoud ik, enkelvoud we, meervoud


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

53

oef. 16 1 2 3 4 5

kookt kt vinden en haaltt wacht vliegtt

enkelvoud Luister goed! Het sneeuwt. Ik vraag veel uitleg. Het komt in orde. Jij poetst je tanden.

6 7 8 9 10

antwoorden en roddelen en schrik studeren en spring

meervoud De vogels vliegen naar zuiderse landen. Eten jullie radijzen? Ze kibbelen. Zij verwennen de kleinsten. Kunnen jullie niet mee?

oef. 17 1 2 3 4

schreeuw verlang loop vis

5 6 7 8

15 16 17 18 19

betaal jog kijk begin speel zing

9 kijk 10 meet

spring knikker geef zwaai

oef. 18 1 2 3 4 5 6 7 8

kom werk schrijf jaag wandel vier verdeel proef

9 10 11 12 13 14

heb val dans haal schrijf

oef. 19 1 2 3 4 5

zit verbrand moet word vergroot

6 7 8 9 10

11 Ik rijd/rij bv. mee met opa. 12 Ik antwoord bv. op de vraag van de meester. Ik eet bv. graag spaghetti. Ik bind bv. het touw vast. Ik weet bv. het antwoord op dat raadsel. Ik doe bv. mijn best.

heet snijd/snij praat lust red

17 Ik maak bv. lekkere soep. 18 Ik schrijf bv. een brief naar mijn lief. 19 Ik speel bv. op de tablet.

13 14 15 16


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

54

oef. 20 1 zit 2 eet 3 word

4 vergeet 5 weet 6 wacht

7 haat 8 rust 9 rijd/rij

10 plant

oef. 21 1 2 3 4 5

zie wacht houd/hou breek bezoek

6 7 8 9 10

raad vind vertel verzin zwem

vind was vlieg word versta

11 12 13 14 15

vind rijd/rij weet koop mijd

11 12 13 14 15

16 17 18 19 20

fiets lust proef praat blijf

oef. 22 1 2 3 4 5

geniet babbel giet snijd/snij voetbal

6 7 8 9 10

smul drum wrijf fiets verwacht

16 17 18 19

veeg hoor moet Mag

oef. 23 jij vindt jij jogt jij viert jij redt jij klimt jij snijdt

jij eet jij leest jij woont jij antwoordt jij wordt

1 2 3 4 5

rijdt bibbert wordt maakt bindt

oef. 24 1 2 3 4 5

Verf Schrijf Spring Speel Wandel

oef. 25 1 2 3 4 5

Rijd je elke dag vijf kilometer? Snijd/Snij je het vlees voor je kleine broer? Praat je veel te luid als je binnenkomt? Antwoord je dikwijls naast de kwestie? Word je veel geplaagd op school?

6 Raad 7 Word

8 Heet 9 Vind

10 Moet 11 Lust

12 vergroot 13 Verbrand

14 Antwoord 15 Verlies


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

55

oef. 26 1 2 3 4 5

Neem drink antwoord Vergeet Klim

6 7 8 9 10

Word wacht Kijk Schrijf Draag

De werkwoorden zijn dansen, vervelen, zitten, blazen, weten, wachten, betalen

oef. 27 6 7 8 9 10 11 12

Neem je nooit geschenken aan van vreemden? Kijk je graag naar de zwemwedstrijd? Vraag je vaak hetzelfde? Houd/Hou jij van katten? Word jij clubkampioen? Hoor jij de muziek van Mozart niet graag? Brei jij mooie sokjes voor de baby?

oef. 28 1 2 3 4 5 6 7

ik kan; hij kan ik wil; hij wil ik zal; hij zal ik mag; hij mag ik ben; hij is ik heb, hij heeft ik denk, hij denkt

Bijvoorbeeld: 8 kan 9 zal 10 wil 11 is 12 mag

oef. 29 1 2 3 4 5

verdeelt regent spreekt groeit stuurt

6 7 8 9 10

vergeet winkelt kijkt verrast lacht

11 12 13 14 15 16

skeeleren, skeelert koken, kookt blijven, blijft snurken, snurkt regenen, regent antwoorden, antwoordt

oef. 30 1 2 3 4 5

beveelt verdedigt heeft vindt ademt

De pv van elke zin is: 6 vraag 7 antwoorden 8 dek 9 lezen 10 spelen 11 vertrekt


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

56

oef. 31 1 brengt 2 drinkt 3 verdeelt

4 antwoordt 5 lijdt 6 verbrandt

7 maakt 8 snijdt 9 bakt

10 eet

oef. 32 1 2 3 4 5

beeft kijkt koopt wuift slentert

6 7 8 9 10

meet Smaakt zweet houdt laat

11 12 13 14 15

gaat wordt krijgt zingt gebruikt

16 17 18 19

Eet wandelt fietst tekent

oef. 33 1 2 3 4 5 6 7 8

meet belt kan beantwoordt zoekt helpt wil luistert

9 10 11 12 13

zoekt, zoekt rekent, rekent wandelt, wandelt slaat, slaat brandt, brandt

14 15 16 17 18

verloot, verloot raadt, raadt fluit, fluit klimt, klimt proeft, proeft

oef. 34 1 2 3 4 5

bakt, bakt leest, leest Soest, soest mag, mag werkt, werkt

6 7 8 9 10

grijpt, grijpt toetert, Toetert strijkt, strijkt is, bent kan, Kan

7 haat 8 Vind

5 blaat 6 vergeet

16 17 18 19 20

11 12 13 14 15

bromt hebt vraagt dondert is

mag schijnt naait kijkt vertelt

oef. 35 1 wil 2 moet 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18

3 Ga 4 kost

geef verfijn sla ben giechel denk knip spring voetbal antwoord

geeft verfijnt slaat bent giechelt denkt knipt springt voetbalt antwoordt

geeft verfijnt slaat is giechelt denkt knipt springt voetbalt antwoordt


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

57

oef. 36

vraag antwoord wordt

weet snurk

p

o

5 6 7 8

1 2 3 4

vraag weet mag is

Antwoord verzendt snurk brengt

7 snijdt 8 giet

5 knabbelt 6 Kook

gevonden gefietst

mag is verzendt brengt mept speelt zingt

n

q

13 wordt 14 gefietst

9 10 11 12

mept Speelt gevonden zingt

oef. 37 1 blaft 2 ween

3 springt 4 begint

ligt, gebeurt, ligt, komt, valt, wordt, begint, rolt, botst, komt, kijkt

oef. 38 1 2 3 4 5

skeeleren zijn kunnen houden verrassen

6 7 8 9 10

lezen tikken dragen eten horen

geknord besteld betaald beloofd bewonderd

11 12 13 14 15

scheren stempelen Vallen sparen ademen

11 12 13 14 15

winkelen werken huppelen wonen bewonderen

11 12 13 14 15

16 17 18 19 20

vervalsen vinden herkennen verkleden kijken

oef. 39 1 2 3 4 5

juichen roepen wenen schrikken janken

6 7 8 9 10

verzamelen verhuizen oefenen hinkelen verzwakken

16 17 18 19 20

dromen begrijpen maken Lezen vieren

oef. 40 1 2 3 4 5

gebruld geloeid geblaft gebalkt gepiept

6 7 8 9 10

gemiauwd geblaat gezoemd gehuild gekrast

16 17 18 19

verbrand verwoest geland vergeten


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

58

oef. 41 1 2 3 4 5

gegeten gevochten gelezen geschilderd gesprongen

6 7 8 9 10

getekend nagedacht gewerkt gevoetbald gebabbeld

11 12 13 14 15

verwoest verveeld gespeeld geproefd geleefd

16 17 18 19 20

geleend geprint gegroet gered gekocht

oef. 42 maken protesteren

verwerpt verpest

r

q

1 2 3 4

verzamelen verkennen verwend vertrekken

5 6 7 8

n verwaarloosd vermist

15 16 17 18 19 20

verbrand uitgelegd lachen gemist schommelen verbrand geïnterviewd

9 bibberen/bibbert 10 drinken 11 Word

geopend gezongen verwoest besteld

oef. 43 1 2 3 4 5 6 7

gezwommen antwoordt huilen vastgebonden gebruikt gevraagd versiert

8 9 10 11 12 13 14

vindt goochelt Word vervuild rijdt verwend

oef. 44

werk +en wil vind +t voel +t

11 12 13 14

juich kan help beslis boor zal verander kijk ben antwoord

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

juicht kan (je kunt) helpt beslist boort zal (je zult) verandert kijkt is (je bent) antwoordt 15 16 17 18

juichen kunnen helpen beslissen boren zullen veranderen kijken zijn antwoorden

vergeet lust lieg +t houd +en


dĂůĞŶƚ Ͳ ĐŽƌƌĞĐƟĞƐůĞƵƚĞů ǁĞƌŬǁŽŽƌĚĞŶďůŽŬ ϰ

59

oef. 45 1 2 3 4 5

vraagt bekijken uitgebrand vergaan schrijft

1 vraagt 5 schrijft 10 vindt

7 Word 9 wens

q

p

11 12 13 14 15 16

6 7 8 9 10

vertrekken Word beantwoord wens vindt

3 uitgebrand 4 vergaan 8 beantwoord

2 bekijken 6 vertrekken

n

r

word Vind houdt haasten gemeld verbrand

oef. 46 9 10 11 12 13 14 15

kwam, v.t., komen eet, t.t., eten vochten, v.t., vechten keken, v.t., kijken bevroor, v.t., bevriezen las, v.t., lezen vindt, t.t., vinden

oef. 47 1 2 3 4 5

koopt springt Bouwen komt bedenken

6 7 8 9 10

snijdt zorgt vliegt durf Drink

11 12 13 14 15

beloven sneeuwt antwoordt ben wacht

16 17 18 19 20

blazen schaatsen Word lachen gegroeid


ISBN 978-90-306-8263-9 569677

vanin.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
TALENT 4 - Werkwoordenblok by VAN IN - Issuu