5
Handleiding 71124_TALENT 5_HANDLEIDING 5A_ 580265-1.indd 1
22/01/18 14:42
TALENT 5 - Handleiding Bij TALENT voor het 5e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: • Taalschrift A • Taalschrift B • Taalschrift C • Spellingschrift • Projectbundel - De Warmste Klas • Projectbundel - Loop naar de maan • Projectbundel - Daar zit muziek in • Werkwoordenblok Voor de leraar: • Handleiding A • Handleiding B • Handleiding C • Correctiesleutel Taalschrift A • Correctiesleutel Taalschrift B • Correctiesleutel Taalschrift C • Correctiesleutel Spellingschrift • Zorg- en evaluatiemap A • Zorg- en evaluatiemap B • Zorg- en evaluatiemap C • Map curriculumdifferentiatie Voor de klas: • Talentbib • Wandplaten • Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) • Bingel Max • Bingel Plus • Bingel Start
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2018 Art. 580265 / 1
71124_TALENT 5_HANDLEIDING 5A_ 580265-1.indd 2
22/01/18 14:42
THEMA
3
Dat is gemeen(d)
HDL T3.indd 297
29/01/18 15:47
HDL T3.indd 298
29/01/18 15:47
Inhoud Themaplanner – Dat is gemeen(d)! LES 1
Ontdekplaat ‘Dat is gemeend)!’
LES 2
Taal: Vrij lezen
LES 3
Taal: Toen mijn vader een struik werd
LES 4
Taal: Kinderen in oorlog
LES 5
Spelling: Woorden net als restaurant en fabrikant
LES 6
Taal: Hoe leid je een woord af uit een ander woord?
LES 7
Taal: Vrij lezen
LES 8
Taal: Blijven of terugkeren?
LES 9
Taal: Ik word journalist!
LES 10 Spelling: Woorden net als heerlijk, rustig en cent LES 11 Taal: Waarom heet een bijvoeglijk naamwoord zo? LES 12 Taal: In Vlaanderens Velden LES 13 Taal: Vrij lezen LES 14 Spelling: Werkwoorden in de verleden tijd LES 15 Taal: Enthousiast over woorden LES 16 Differentiatieblok LES 17 Evaluatieblok
HDL T3.indd 299
29/01/18 15:47
HDL T3.indd 300
25’
25’
75’
75’
Les 2: Vrij lezen Domein: lezen
Les 3: Toen mijn vader een struik werd Domein: lezen, schrijven, luisteren en spreken
Les 4: Kinderen in oorlog Domeinen: lezen, spreken, luisteren, schrijven
Lesduur
Les 1: Ontdekplaat ‘Dat is gemeen(d)!’ Domein: spreken, luisteren, lezen
Les/domeinen
De leerlingen vinden de hoofdpersonages en de hoofdgedachte in een tekst. De leerlingen zoeken argumenten voor of tegen een stelling.
De leerlingen leiden de bedoeling van de hoofdpersonages af uit de tekst. De leerlingen stellen goede vragen.
De leerlingen lezen vrij in een boek naar keuze en voeren een algemene opdracht uit.
De leerlingen ontdekken het thema. Hun voorkennis wordt geactiveerd.
Inhouden
> Maak van elk kopieerblad voldoende kopieën zodat iedereen zijn tekst kan kiezen.
> Laat eventueel leesboeken meebrengen van thuis. > Je kunt zelf boeken over het thema in de bib halen en aanbieden in de klas.
> Bekijk vooraf de ontdekplaat.
Voorbereiding
Digitaal > bordboek > dvd Folio > taalschrift > kopieerbladen 1-4 Diversen > woordenboek > atlas
Digitaal > bordboek Folio > taalschrift > bronnenblad 1 Diversen > facultatief: Toen mijn vader een struik werd van Joke Van Leeuwen (Talentbib 5)
Diversen > boek naar keuze van de leerling
Digitaal > bordboek > tablet/computer > facultatief: hoofdtelefoon
Materialen
Themaplanner - Dat is gemeen(d)!
300
29/01/18 15:47
301
HDL T3.indd 301
29/01/18 15:47
50’
25’
75’
Les 7: Vrij lezen Domein: lezen
Les 8: Blijven of terugkeren? Domeinen: schrijven, lezen, luisteren
75’ (3 x 25’)
Les 5: Woorden net als restaurant en fabrikant. Domein: spelling
Les 6: Hoe leid je een woord af uit een ander woord? Domein: taaldenken
Lesduur
Les/domeinen
De leerlingen schrijven de hoofdgedachte in een schema. De leerlingen schrijven een verslag.
De leerlingen lezen vrij in een boek naar keuze en voeren een algemene opdracht uit.
De leerlingen vormen woorden door een voor- en/of een achtervoegsel toe te voegen aan bestaande woorden. Zo vormen ze een afleiding. De leerlingen onderscheiden samenstellingen en afleidingen van elkaar.
De leerlingen leren > vrije klinker oo als au geschreven > vrije klinker ie als i geschreven juist schrijven.
Inhouden
> Laat eventueel leesboeken meebrengen van thuis. > Je kunt zelf boeken over het thema in de bib halen en aanbieden in de klas.
> Kopieer de dicteekaartjes: voorzie voor de helft van de leerlingen dictee 1 en voor de andere helft dictee 2. > Voorzie voor zwakke leerlingen het dicteekaartje als kopieerkaart. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
Voorbereiding
Digitaal > bordboek > dvd > bronnenblad 1 Folio > taalschrift
Diversen > boek naar keuze van de leerling
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC Folio > taalschrift > bronnenblad 1 > map curriculumdifferentiatie voor IAC
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC Folio > spellingschrift > dicteekaartjes (kopieerblad 1) > bronnenblad 1 > map curriculumdifferentiatie voor IAC Diversen > schrijflei
Materialen
302
HDL T3.indd 302
29/01/18 15:47
50’
75’ (3 x 25’)
Les 10: Woorden net als heerlijk, rustig en cent Domein: spelling
Les 11: Waarom heet een bijvoeglijk naamwoord zo? Domein: taaldenken
75’
Lesduur
Les 9: Ik word journalist! Domeinen: spreken, schrijven, luisteren
Les/domeinen
De leerlingen kunnen bijvoeglijke naamwoorden herkennen en gebruiken. De leerlingen vergelijken zaken door het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden (trappen van vergelijking).
De leerlingen leren > woorden met een doffe klinker in achtervoegsel -ig/-ige > woorden met een doffe klinker in achtervoegsels -(e)lijk, e(e)lijke > woorden uitgesproken met s geschreven als c juist schrijven.
De leerlingen interviewen een volwassen. De leerlingen stellen goede vragen. De leerlingen schrijven een verslag.
Inhouden
> Kopieer kopieerblad 1 per twee leerlingen, lamineer en verknip het. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC
> Kopieer de dicteekaartjes: voorzie voor de helft van de leerlingen dictee 1 en voor de andere helft dictee 2. > Voorzie voor zwakke leerlingen het dicteekaartje als kopieerkaart. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
> De lessen 3, 4 en 8 moeten afgewerkt zijn. > Verdeel de leerlingen in groepen voor de volwassenen binnenkomen zodat ze dadelijk aan het interview kunnen beginnen.
Voorbereiding
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC > map curriculumdifferentiatie voor IAC Folio > taalschrift > kopieerblad 1 Diversen > markeerstift > kladpapier
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC Folio > spellingschrift > dicteekaartjes (kopieerblad 1) > map curriculumdifferentiatie voor IAC Diversen > een schrijflei
Digitaal > bordboek > dvd Folio > taalschrift > bronnenblad 1
Materialen
303
HDL T3.indd 303
29/01/18 15:47
Les 15: Enthousiast over woorden Domein: taaldenken betekenissen
25’
75’ (3 x 25’)
25’
Les 13: Vrij lezen Domein: lezen
Les 14: Werkwoorden in de verleden tijd. Domein: spelling
25’
Lesduur
Les 12: In Vlaanderens Velden Domeinen: taalspel, spreken, luisteren, lezen
Les/domeinen
De leerlingen verklaren en gebruiken woorden uit het thema. De leerlingen zoeken woorden in het woordenboek op door gebruik te maken van de alfabetische volgorde.
De leerlingen leren werkwoorden in de verleden tijd correct schrijven.
De leerlingen lezen vrij in een boek naar keuze en voeren een algemene opdracht uit.
De leerlingen beluisteren gedichten en genieten van poëzie. De leerlingen zetten het gevoel van het gedicht om in beeld en kleur.
Inhouden
> Kopieer voor elke leerling kopieerblad 1.
> Kopieer de dicteekaartjes: voorzie voor de helft van de leerlingen dictee 1 en voor de andere helft dictee 2. > Voorzie voor zwakke leerlingen het dicteekaartje als kopieerkaart. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
> Laat eventueel leesboeken meebrengen van thuis. > Je kunt zelf boeken over het thema in de bib halen en aanbieden in de klas.
> Bereid het gedicht uit fase 1 van de lesgang grondig voor zodat je het vlot kunt voordragen/voorlezen aan het begin van de les.
Voorbereiding
Digitaal > bordboek Folio > taalschrift > kopieerblad 1 > bronnenbladen 1-4 Diversen > kladpapier > woordenboek
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC Folio > spellingschrift > kopieerblad 1 > dicteekaartjes (kopieerblad 2) > map curriculumdifferentiatie voor IAC Diversen > een schrijflei
Diversen > boek naar keuze van de leerling
Digitaal > bordboek Folio > taalschrift
Materialen
304
HDL T3.indd 304
29/01/18 15:47
100’
100’
Les 17: Evaluatieblok
Lesduur
Les 16: Differentiatieblok
Les/domeinen
Keuzeaanbod: > evaluatie begrijpend lezen fictie > evaluatie taaldenken (incl. betekenissen) > evaluatie begrijpend lezen nonfictie > evaluatie spelling
De leerlingen krijgen: > herhalingskansen voor diverse doelen die aan bod kwamen in het thema > taken zelfstandig werk > een coĂśperatieve taaltaak
Inhouden
> Print de evaluaties af uit de zorgeen evaluatiemodule.
> Vul het portfolio in in de zorg- en toetsmodule en maak op basis van het voorgestelde aanbod per leerling een planning op.
Voorbereiding
Digitaal > zorg- en evaluatiemodule Folio > zorg- en evaluatiemap
Digitaal > zorg- en evaluatiemodule Folio > zorg- en evaluatiemap
Materialen
305
HDL T3.indd 305
29/01/18 15:47
Les 14: Parallel onderwijzen Om de leertijd voor elke groep te maximaliseren, is parallel onderwijzen aangewezen tijdens het lesblok Aanbreng. De ene leraar begeleidt de groep instructieafhankelijke leerlingen in groep aan een aparte tafel, terwijl de andere leraar de instructie begeleidt voor de instructiegevoelige en de instructieonafhankelijke leerlingen.
Les 10: Parallel onderwijzen Om de leertijd voor elke groep te maximaliseren, is parallel onderwijzen aangewezen tijdens het lesblok Aanbreng. De ene leraar begeleidt de groep instructieafhankelijke leerlingen in groep aan een aparte tafel, terwijl de andere leraar de instructie begeleidt voor de instructiegevoelige en de instructieonafhankelijke leerlingen.
Les 9: Parallel onderwijzen Vanaf de fase ‘Een verslag schrijven’ gaat de ene leraar rond in de klas en helpt of stuurt bij waar nodig bij de instructieonafhankelijke en instructiegevoelige leerlingen. De andere leraar begeleidt de instructieafhankelijke leerlingen.
Les 8: Parallel onderwijzen Vanaf de fase ‘Uitvoeren van het hoofddoel en het verwerken ervan’ gaat de ene leraar rond in de klas en helpt of stuurt bij waar nodig bij de instructieonafhankelijke en instructiegevoelige leerlingen. De andere leraar begeleidt de instructieafhankelijke leerlingen.
Les 5: Parallel onderwijzen Om de leertijd voor elke groep te maximaliseren, is parallel onderwijzen aangewezen tijdens het lesblok Aanbreng. De ene leraar begeleidt de groep instructieafhankelijke leerlingen in groep aan een aparte tafel, terwijl de andere leraar de instructie begeleidt voor de instructiegevoelige en de instructieonafhankelijke leerlingen.
Les 4: Parallel onderwijzen Vanaf de fase ‘Uitvoeren van het hoofddoel en het verwerken ervan’ gaat de ene leraar rond in de klas en helpt of stuurt bij waar nodig bij de instructieonafhankelijke en instructiegevoelige leerlingen. De andere leraar begeleidt de instructieafhankelijke leerlingen.
Les 3: Parallel onderwijzen Om de leertijd voor elke groep te maximaliseren, is parallel onderwijzen aangewezen tijdens het lesblok Aanbreng. De ene leraar begeleidt de groep instructieafhankelijke leerlingen in groep aan een aparte tafel, terwijl de andere leraar de instructie begeleidt voor de instructiegevoelige en de instructieonafhankelijke leerlingen.
Tips voor co-teaching
306
HDL T3.indd 306
29/01/18 15:47
verdeelde informatie
partnerdictee
uitwisselen en delen
Les 5 Les 10 Les 14
Les 5 Les 10 Les 14
De leerlingen bekijken samen de topwoorden en bespreken ze. Terwijl ze dat doen, leggen ze om de beurt aan elkaar uit hoe het woord geschreven wordt. Daarbij modellen ze de gebruikte spellingstrategie(ën).
Materiaal per leerling: dicteekaartjes 1 Leerling 1 dicteert het eerste woord van zijn kaartje, leerling 2 schrijft op. 2 Leerling 2 dicteert het eerste woord van zijn kaartje, leerling 1 schrijft op. 3 Zo gaan ze verder tot de beide dictees geschreven zijn. 4 De leerlingen wisselen de kaartjes uit en verbeteren hun dictee. 5 Ze bespreken de fouten die ze maakten en leggen de spellingstrategie(ën) aan elkaar uit.
Materiaal: informatie, materiaal of tekst per groep, verdeeld in drie of meer delen 1 De leraar verdeelt de tekst, leerinhoud, informatiebron ... in drie of meer gelijkwaardige en logische delen. De leraar geeft daarbij aan dat leerlingen elkaars gegevens nodig hebben om de opdracht uit te voeren. 2 De leraar geeft de opdracht. 3 De leerlingen krijgen hun materiaal (1-2 of 3). De leerlingen bekijken kort hun eigen materiaal. 4 De leerlingen maken groepen van drie (steeds 1-2 en 3 samen in een groep). 5 De leerlingen maken samen de opdracht en presenteren hun materiaal aan elkaar. 6 De leraar wijst een aantal leerlingen aan die een samenvatting geven.
1 De leerlingen worden in groepen verdeeld. 2 De leraar geeft de opdracht/duidt het probleem. 3 De leerlingen zoeken in groep naar een oplossing. Het belangrijkste element hier is dat er pas een oplossing is gevonden wanneer alle groepsleden het met die oplossing eens zijn. Als er zelfs maar één leerling geen goed gevoel heeft bij de oplossing, wordt er verder overlegd tot iedereen zich in het besluit kan vinden. 4 Plenummoment.
consensusmethode
De leraar stelt een vraag of geeft een opdracht. De leerlingen denken eerst individueel na. De leerlingen overleggen per twee. De leerlingen proberen de twee meningen samen te brengen in één antwoord. De leraar wijst een aantal leerlingen aan die het antwoord geven.
1 2 3 4 5
denken - delen - doen
Les 4
Les 3 Les 4 Les 12
Gebruikte coöperatieve werkvormen in het thema
307
HDL T3.indd 307
29/01/18 15:47
Materiaal: per groep een groot blad papier. Midden op het blad staat een rechthoek. Vanuit de hoeken van de rechthoek lopen lijnen naar de hoeken van het blad: zo ontstaan vier gelijke velden. 1 De leerlingen zitten per vier in een groep rond de flap papier. 2 De leraar geeft een opdracht/thema/onderwerp. 3 De leerlingen schrijven in het ‘eigen veld’ gedurende enkele minuten hun ideeën, antwoorden, uitspraken ... op. 4 De leerlingen lezen elkaars bijdragen en/of lichten toe. 5 De leraar geeft de opdracht om gemeenschappelijke dingen in de rechthoek in het midden te noteren. 6 Discussie en gesprek in groep. 7 De leraar duidt een leerling aan die vertelt wat er in het centrale deel staat. Materiaal: pen en papier 1 De leerlingen zitten per twee. 2 De leraar stelt de vraag/geeft het onderwerp van het interview op. 3 De leerlingen bedenken individueel welke vragen ze hun partner gaan stellen en noteren die vragen. 4 De leerling interviewt zijn/haar partner. De leraar stimuleert de leerlingen om door te vragen. 5 De partners wisselen van rol.
placemat
interview
Les 9 Les 11
1 De leraar biedt het onderwerp aan. 2 De leerlingen krijgen maximaal drie minuten de tijd om te bedenken wat ze weten over dat onderwerp. 3 De leerling vertelt in één minuut wat hij/zij weet. (één minuut is ongeveer de tijd die je in de lift hebt om met iemand te praten.) 4 De leraar noteert met staakwoorden op het bord. 5 De volgende ronde start. Nu luidt de vraag “Wat zou je nog willen weten over het onderwerp?”
elevator pitch
Les 8
Gebruikte coöperatieve werkvormen in het thema
Thema 3 - les 1
Ontdekplaat ‘Dat is gemeen(d)’! Domeinen: Onderwerp: Lesduur:
spreken, luisteren, lezen thema ontdekken en voorkennis activeren 25 minuten
Samenhang
Materialen
Deze les maakt de leerlingen enthousiast om aan het thema te beginnen. De ontdekplaat raakt zaken aan die later uitgebreider aan bod komen. > In les 3 lezen de leerlingen een fragment uit Toen mijn vader een struik werd van Joke van Leeuwen. > In les 4 komen er teksten van Unicef en War Child aan bod. > In les 9 interviewen de leerlingen volwassenen die getuige waren (of zijn) van een conflict. > In les 12 leren de leerlingen hun gevoelens te uiten met gedichten.
Digitaal > bordboek > tablet/computer > facultatief: hoofdtelefoon
Lesdoelen Hoofddoel van de les In voor hem of haar bestemde informatieve teksten: gewenste informatie vinden, chronologie herkennen, vergelijking herkennen, relaties ontdekken. Andere doelen > Gewenste informatie opzoeken in verschillende bronnen. > Op basis van op hun leeftijd afgestemde teksten: hoofdgedachte, bedoeling hoofdpersoon afleiden, afloop voorspellen, vergelijkingen afleiden, relaties (oorzaakgevolg). Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel De leerling is nieuwsgierig naar en toont bereidheid om het nieuwe te ontdekken en erover te leren.
Voorbereiding > Bekijk vooraf de ontdekplaat. Zo kun je goed inspelen op de vragen en interesses van de leerlingen. > Je kunt de les klassikaal geven, door de ontdekplaat met het bordboek te projecteren. Je vergroot de spreeken luisterkansen van de leerlingen aanzienlijk als ze per twee aan de slag kunnen op een tablet of computer.
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling De leerlingen krijgen de kans om nieuwe dingen te ontdekken die aansluiten bij hun interesses. Ze klikken door bij onderwerpen die hen aanspreken. Onderwerpen die hen niet interesseren, hoeven ze niet aan te klikken.
308
L5 - Thema 3 - les 1 - lesgang
HDL T3.indd 308
29/01/18 15:47
Brug naar andere leergebieden
Op de ontdekplaat staat informatie die in een thema wereldoriëntatie over oorlogen en conflicten van pas kan komen.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Op het lesdoel focussen Schrijf de titel van het nieuwe thema op het bord. Bespreek: > Waarom staat er (d) achter gemeen? (het thema gaat over gemene en gemeende dingen) > Wat zijn gemene dingen? > Wat zijn gemeende dingen? (verontschuldigingen, eerlijkheid, goede dingen die mensen voor anderen doen) Laat enkele leerlingen vertellen waar zij aan denken bij de titel.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 2 Op eigen tempo de ontdekplaat verkennen Geef de leerlingen vijftien minuten ontdektijd. De leerlingen werken per twee en kiezen om de beurt een item om aan te klikken.
tablet of computer facultatief: hoofdtelefoon
Controleren en reflecteren 3 Bespreken en terugkoppelen Na de ontdektijd evalueer je wat de leerlingen hebben ontdekt: > Welke onderwerpen ben je tegengekomen op de ontdekplaat? > Welke onderwerpen spraken je aan? Welke niet? > Waar wil je meer over weten?
Redicodis/viersporenbeleid Instructiegevoelige leerlingen > werken samen met sterke lezers. De sterke lezer leest de tekst hardop. Instructieafhankelijke leerlingen > worden door jou geleid naar de fragmenten uit Toen mijn vader een struik werd, het gedicht ‘De laatste brief’ van Bertus Aafjes en de filmfragmenten. Ze krijgen hulp bij het lezen van de moeilijke teksten of laat ze weten dat die teksten moeilijker zijn om zelfstandig te lezen.
Pre-instructie voor de volgende les Vraag om tegen de volgende les (Vlot en vloeiend lezen: vrij lezen) een boek naar keuze mee te brengen.
L5 - Thema 3 - les 1 - lesgang
HDL T3.indd 309
309
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 2
Vrij lezen Domein: Onderwerp: Lesduur:
lezen vrij lezen in een boek naar keuze 25 minuten
Lesdoelen
Materialen
Hoofddoel van de les Plezier beleven aan lezen.
Diversen > boek naar keuze van de leerling
Ander doel Bereid zijn spontaan voor hen bestemde boeken en andere informatiebronnen te raadplegen. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Plezier beleven en voldoening ervaren.
Voorbereiding Laat een eigen boek of een bibliotheekboek meebrengen.
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling Begeleid leerlingen die niet graag lezen om een boek op maat te vinden. Bied hun verschillende tekstsoorten aan, bijvoorbeeld: strips, informatieve boeken, fictieboeken in alle soorten genres. Peil naar hun interesses en geef hen extra kansen om te vertellen wat ze gelezen hebben.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Op het lesdoel focussen Verduidelijk wat je in deze les beoogt: > Je mag lezen in een boek naar keuze, bijvoorbeeld: een verhaal, een informatief boek, een strip, een tijdschrift of nog iets anders. > Wie graag digitaal leest, mag kiezen voor een boek uit de Talentbib of uit de BiB-BoXen. Die boeken zijn heel compact. Je leest ze binnen de voorziene tijd helemaal uit. Sta de leerlingen toe om samen in een informatief boek te lezen. Ze kunnen dan zaken aan elkaar verduidelijken. Geef de samenlezers een aparte plaats in de klas, zodat ze de individuele ‘stillezers’ niet storen. Maak duidelijke leesafspraken. Waar mogen de leerlingen zitten? Wat doen ze als hun boek uit is?
310
L5 - Thema 3 - les 2 - lesgang
HDL T3.indd 310
29/01/18 15:47
Geef de leerlingen vooraf een algemene opdracht die ze moeten uitvoeren tegen het einde van de leestijd: > Lees je in een fictieboek? Vertel dan wie je meest en minst favoriete personage is en waarom. > Lees je in een non-fictieboek? Kies dan een foto of een prent die je erg aanspreekt. Vertel waarom dat zo is.
TIP! Zet de algemene opdrachten op kaartjes en laat de leerlingen een opdracht trekken.
Leerlingen die hun boek uit hebben, geef je een bijzondere opdracht: > Las je in een fictieboek? Lees dan je favoriete verhaalfragment van maximum vijftien regels voor. Wees expressief! > Las je in een non-fictieboek? Maak dan een korte klasquiz van vijf vragen voor je klasgenoten. Natuurlijk moet je zelf de antwoorden weten.
TIP! Stimuleer om een boek uit te lezen door leuke opdrachten te verzinnen die ze alleen dan mogen uitvoeren.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 2 Het boek lezen Laat vrij lezen in een boek naar keuze.
Controleren en reflecteren 3 Over het boek en het leesproces reflecteren Bespreek: > > > >
Wat heb je gelezen? Hoeveel heb je gelezen? Heb je zin om verder te lezen in het boek? Wat ben je te weten gekomen?
TIP! Lees zelf in een boek (modelling). Of begeleid een zwakke lezer bij het lezen, bijvoorbeeld door te duolezen met de leerling, samen een informatief boek te lezen of extra duiding te geven.
4 Met een algemene opdracht controleren Kom terug op de algemene opdracht die je meegaf voor het lezen. Kies uit twee opties: > Pik er enkele leerlingen uit die hun algemene opdracht uitvoeren voor de hele klasgroep. > Stel groepjes samen met groepsleden die al dan niet dezelfde opdracht kregen. De groepsleden voeren dan voor elkaar de algemene opdracht uit. Op die manier komt iedereen aan de beurt.
L5 - Thema 3 - les 2 - lesgang
HDL T3.indd 311
311
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 3
Toen mijn vader een struik werd Domeinen: Onderwerp: Lesduur:
lezen, schrijven, spreken een fictietekst lezen en vragen beantwoorden 75 minuten
Samenhang
Materialen
De leerlingen maken aan de hand van het boek Toen mijn vader een struik werd van Joke van Leeuwen kennis met conflicten. In deze les wordt besproken wie ze zullen interviewen: volwassenen die zich in een conflictsituatie bevonden of bevinden. In les 3, 4 en 8 oefenen de leerlingen in goede vragen. Zo bereiden les 9 voor, waarin ze volwassenen interviewen die zich in een conflictsituatie bevinden of bevonden.
Digitaal > bordboek
Lesdoelen
Folio > taalschrift > boek Toen mijn vader een struik werd, Joke van Leeuwen (Talentbib 5) > bronnenblad 1
Hoofddoel van de les Op basis van op hun leeftijd afgestemde teksten: hoofdgedachte, bedoeling hoofdpersoon afleiden, afloop voorspellen, vergelijkingen afleiden, relaties (oorzaak-gevolg). Andere doelen Schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden (informatie weergeven aan de hand van schema’s). Vragen stellen om informatie in te winnen: kritische en controlevragen stellen, doorvragen. Betekenis van woorden afleiden uit de tekst. Strategie Volgende leesstrategie zelfstandig of met behulp van een stappenplan hanteren: > Voor het lezen: zich vragen stellen over de tekst. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Zich empathisch inleven in anderen, andere standpunten en situaties, zonder de eigen identiteit te verliezen.
Voorbereiding
In les 9 interviewen de leerlingen een volwassene. Zoek tijdig drie tot vijf geschikte kandidaten.
Woordenschat Tekstwoorden > enthousiast
312
School- en instructietaal > het tegenargument > de oorzaak > het gevolg
L5 - Thema 3 - les 3 - lesgang
HDL T3.indd 312
29/01/18 15:47
Coöperatieve werkvorm in deze les > consensusmethode
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling De leerlingen voelen empathie voor kinderen en volwassenen die in een oorlogssituatie leven en die daarom hun land ontvluchten.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Met het boek kennismaken Laat het boek zien of projecteer een afbeelding van het boek
Wie kent dit boek? Wat is de titel? (Toen mijn vader een struik werd) Wie zijn de auteur en de uitgever? (Joke Van Leeuwen, Querido) De titel van dit boek klinkt raar. Wat zou de auteur bedoelen met ‘een vader die een struik wordt’? Verklap het antwoord op die laatste vraag nog niet. > > > >
boek Toen mijn vader een struik werd van Joke van Leeuwen (Talentbib 5) Leesstrategie 2: Ik voorspel de inhoud.
2 Op het lesdoel focussen In deze les leer je de bedoeling van de personages uit de tekst afleiden. En net als in de volgende lessen zal je oefenen op het stellen van goede vragen.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 3 Fragment beluisteren en bespreken Lees het fragment voor waarin de betekenis van de titel duidelijk wordt. Bespreek: > Wat bedoelt de auteur met de titel ‘Toen mijn vader een struik werd’? (vader moet zich als soldaat camoufleren) > Waarom gaat vader het leger in? (de enen vechten tegen de anderen) > Verwijs even naar de actualiteit. Wie zijn nu ‘de enen’ en ‘de anderen’? > Waarover zal het boek gaan? (oorlog) > Wie zijn de personages in dit boek? (ik-figuur, oma, vader) > Wie is het hoofdpersonage? (ik-figuur) > Waarom denk je dat? (de ik-figuur is de verteller van het verhaal) > Wie is ‘ik’? (dochter of zoon van ‘vader’). > Hoe oud denk je dat het hoofdpersonage is? (meerdere leeftijden mogelijk, maar wel een kind) > Hoe voelt het hoofdpersonage zich? (meerdere antwoorden mogelijk)
bronnenblad 1 (fragment 1) boek Toen mijn vader een struik werd van Joke van Leeuwen (Talentbib 5) Leesstrategie 2: Ik voorspel de inhoud.
L5 - Thema 3 - les 3 - lesgang
HDL T3.indd 313
313
29/01/18 15:47
Lees daarna het fragmentje waarin de naam van het personage duidelijk wordt. Bespreek:
bronnenblad 1 (fragment 2)
> Hoe heet het hoofpersonage? (dat weten we niet, maar we mogen haar Toda noemen) > Wat weet je wel over haar naam? (die is moeilijk uit te spreken, de letter k komt er vier keer in voor) > Is dit verhaal fictie (verzonnen) of non-fictie (niet verzonnen)? (fictie) > Is er dan niets waar van wat er in het verhaal gebeurt? (jawel, het verhaal zou echt gebeurd kunnen zijn, misschien is het wel gebaseerd op waargebeurde feiten) 4 Op het lesdoel focussen In deze les leer je de bedoeling van de personages uit de tekst afleiden. En net als in de volgende les oefen je op goede vragen stellen. 5 Vragen over het boek oplossen De leerlingen lezen deel 1 van het verhaal (oefening 1). Daarna lossen ze per twee oefening 1a-1c op. Oefening 1d en 1e zijn uitbreiding. Bespreek na 15 minuten elke vraag klassikaal. De leerlingen verbeteren indien nodig. Duid bij oefening 1c meerdere leerlingen aan. Noteer een aantal goede vragen op het bord. Coรถperatief leren: consensusmethode De leerlingen lezen deel 2 van het verhaal (oefening 2) in stilte. Daarna lossen ze in groepjes van vier oefening 2a-2c op. De groepen overleggen tien minuten, noteren de beste vraag en komen tot een lijstje van vijf zaken die ze zouden onthouden, maar niet kunnen meenemen. De leerling die de beste vraag bedacht, mag die op bord schrijven. De vragen bij oefening 2c zijn enkel bedoeld voor de snelle groepjes. 6 Vragen bij een fragment over de Eerste Wereldoorlog oplossen Heel wat mensen, vroeger en nu, komen in contact met oorlog, niet alleen Toda en haar familie. Germaine uit Vlaanderen leefde tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zij beschreef haar ervaringen in een dagboek. We lezen daar een klein stukje uit. De leerlingen lezen het fragment bij oefening 3 in stilte. Daarna lossen ze oefening 3a individueel op. Coรถperatief leren: consensusmethode Wanneer ze klaar zijn, gaan ze opnieuw per vier zitten voor oefening 3b. De groepen overleggen en noteren de beste vraag. De leerling die de vraag bedacht, mag ze op bord schrijven.
taalschrift
TIP! Laat deze vragen op het bord staan tot les 8. taalschrift
TIP! Laat deze vragen op het bord staan tot les 8.
taalschrift
TIP! Laat deze vragen op het bord staan tot les 8.
7 Een interview organiseren Hier is gelukkig geen oorlog, maar ook in ons dorp of onze stad kunnen er conflicten zijn. Conflicten zijn ruzies die kunnen uitlopen op gevechten. > Ken je voorbeelden van conflicten? (vluchtelingen uit landen in oorlog die graag in ons land komen wonen maar niet welkom zijn, betogingen tegen het beleid van een president, twee chauffeurs die allebei zeggen dat het ongeval de schuld van de ander is)
314
L5 - Thema 3 - les 3 - lesgang
HDL T3.indd 314
29/01/18 15:47
> In les 9 interviewen we mensen die iets kunnen vertellen over een conflict. Wie zouden we kunnen uitnodigen? (een advocaat, journalist, politieagent, militair of burgemeester, migrantenouders die uit een conflictgebied komen, een slachtoffer van verkeersagressie of ander zinloos geweld, een historicus die over een conflict uit het verleden vertelt)
TIP! Maak een brief waarin je de bedoeling van het interview uitlegt en vraagt wie zich wil laten interviewen.
Voor les 9 heb je drie tot vijf volwassenen nodig.
Controleren en reflecteren 8 Over de gevonden vragen reflecteren Laat enkele leerlingen de vragen op bord hardop lezen. Bespreek: Zijn dit goede vragen? Waarom (niet)? Controleer aan de hand van de taalweter ‘Welke soorten vragen kan ik stellen?’ We kunnen deze vragen gebruiken in het interview van les 9.
taalschrift
9 Over de samenwerking reflecteren > Hoe verliep de samenwerking met je groep? > Ben je het makkelijk eens geraakt over de antwoorden op de vragen? 10 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
taalschrift TIP! Met behulp van de Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > maken alle oefeningen zonder hulp. > maken ook de uitbreidingsoefeningen. Instructiegevoelige leerlingen > krijgen aanwijzingen om de antwoorden in de tekst te vinden. > krijgen hulp om vragen op te stellen, bv. ‘Sluit je ogen en beeld je in dat je oma voor je staat. Wat wil je haar vragen?’ > maken geen uitbreidingsoefeningen. Instructieafhankelijke leerlingen > > > >
werken in miniklas onder begeleiding. maken samen oefeningen 1a, 1b en 1d. maken geen uitbreidingsoefeningen. krijgen hulp om goede vragen te noteren.
Na les Vul het portfolio in bij elke leerling. Baseer je daarvoor op de observaties tijdens de les, de zelfevaluatie van de leerling en op de antwoorden van de leerling op de vragen in het taalschrift.
L5 - Thema 3 - les 3 - lesgang
HDL T3.indd 315
315
29/01/18 15:47
les 3
Toen mijn vader een struik werd Ik kan achterhalen waarom de personages iets doen in een verhaal. Ik kan goede vragen stellen.
1
Lees deel 1 van het verhaal. Beantwoord de vragen.
5
10
15
20
Ik moest op de bank gaan zitten, want ze had me iets te zeggen, zei mijn oma. Ze zei dat ik hier beter niet kon blijven. Het was te gevaarlijk geworden. En mij mocht niets overkomen, omdat ik het kind van haar kind was. Ze had contact gehad met mijn moeder, zei ze. Omdat die in het buurland woonde, waar geen oorlog was, kon ik daar maar het beste heen gaan. Mijn moeder zou me met open armen ontvangen. “Maar ik wil liever bij papa blijven”, zei ik. Dat begreep mijn oma wel. Het was tijdelijk, zei ze. Als het gevaar geweken was, kon ik terugkomen. Ik vroeg of ze dan niet meeging. W inpikken Nee, dat kon niet, zei mijn oma. Ze moest op het huis passen, anders zouden er afpakken anderen in gaan wonen. Die zouden alles inpikken wat mijn vader nog bezat. Maar ik hoefde me geen zorgen over haar te maken. Zij had al een keer een oorlog meegemaakt. “Zijn er daar waar ik naartoe moet geen aardbevingen of overstromingen?” vroeg ik. “Anders kan ik net zo goed thuisblijven.” Nee, die waren er niet, zei mijn oma. En dit was de beste oplossing in deze omstandigheden. Ik zag wel aan haar dat ze deze omstandigheden heel graag had veranderd in andere omstandigheden. Maar dat kon ze niet. “Je bent niet alleen”, zei mijn oma. “Dat hebben ze me op het hart gedrukt. Je wordt tot het laatst begeleid. En er gaan nog meer kinderen naar veiliger oorden. Overmorgen vertrekt er een bus.” We zaten een poosje naast elkaar zonder wat te zeggen. Toen trok ze me naar zich toe en hield me in haar armen alsof ze me nooit zou laten gaan. Ik kon haast niet meer ademen.
Thema 3 - les 3
316
79
L5 - Thema 3 - les 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 316
29/01/18 15:47
a Kleur in de tekst: de redenen die Toda gebruikt om niet naar haar mama te moeten gaan.
W
de tegenargumenten van oma. b Lees het fragment nog eens met speciale aandacht voor de gevoelens van Toda. 1 Omcirkel hoe Toda zich volgens jou voelt. Er zijn meerdere antwoorden mogelijk. Kies uit:
W
angstig – verdrietig – nieuwsgierig – vrolijk – enthousiast – eenzaam – teleurgesteld – verloren – hopeloos – bezorgd
het tegenargument iets waarmee je bewijst waarom je het niet eens bent met een idee of uitspraak
enthousiast met groot plezier, opgewonden, zeer blij
2 Kies een van je antwoorden. Leg aan je buur uit waarom je denkt dat Toda dat gevoel ervaart. 3 Hoe zou jij je voelen als een van je ouders naar het leger moest en jij voor een lange tijd bij een vreemde moest logeren? Waarom zou jij je zo voelen? Bespreek met je buur. c
Stel je voor dat Toda vooraan de klas staat. Welke vraag zou je haar stellen? Let op: Stel geen ja-neevraag.
d In de tekst lees je op regel 17: ‘Ik zag wel aan haar dat ze deze omstandigheden heel graag had veranderd in andere omstandigheden’. 1 Wat zijn deze omstandigheden? de oorlog die op komst is, het gevaar dat dreigt
Laat enkele leerlingen klassikaal verwoorden waarom Toda dat voelt en hoe ze zich zouden voelen als ze langere tijd bij een vreemde moesten logeren. Let erop dat de vragen geen ja-neevragen zijn en dat de vragen gaan over het conflict dat Toda beleeft.
2 Wat zouden andere omstandigheden kunnen zijn? een leven zonder oorlog of gevaar
e Aan het einde van de tekst (r. 19) staat de zin ‘Dat hebben ze me op het hart gedrukt.’ 3 Wie zijn ze in deze zin? de organisatoren van de reis
4 Wat betekent op het hart drukken? de nadruk leggen op
80
Thema 3 - les 3
L5 - Thema 3 - les 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 317
317
29/01/18 15:47
2
Lees deel 2 van het verhaal. Beantwoord de vragen.
het tegenargument iets waarmee je bewijst waarom je het niet eens bent met een idee of uitspraak
Het enige wat ik mee kon nemen was wat er in mijn schoudertas paste. Dat waren vier onderbroeken, twee T-shirts, een broek, een trui, mijn toiletspullen, een rol droge koekjes, een flesje water, een schrift en een pen. De rest moest ik achterlaten. Mijn oma zei dat ze er goed op zou passen. W
5
enthousiast met groot plezier, opgewonden, zeer blij 10
In het schrift schreef ze het adres van mijn moeder en ze plakte haar foto erbij. Ze plakte ook een foto van mijn vader in het schrift. En een kopie van zijn paspoort, waar mijn naam in stond. Ze had geen foto van zichzelf bij zich. Daarom maakte ze een tekeningetje van haar hoofd, maar ze kan niet zo goed tekenen. Ze kraste zichzelf wel drie keer door.
doorkrassen doorhalen, een streep door iets trekken
“Je moet me maar onthouden”, zei ze. Samen maakten we een lijstje van wat ik allemaal nog meer zou kunnen onthouden.
den heel graag had
gedrukt.’
Thema 3 - les 3
318
81
L5 - Thema 3 - les 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 318
29/01/18 15:47
15
We oefenden de makkelijkste manier om mijn tas te dragen. Aan de binnenkant van mijn broek maakte mijn oma een geheim portemonneetje, waar ze zoveel mogelijk biljetten in stopte. Voor de zekerheid, zei ze, want de mensen die de busreis organiseerden, hadden gezegd dat ik onderweg niets hoefde te betalen. Joke van Leeuwen Toen mijn vader een struik werd
Voordat Toda’s vader een struik wordt, is hij banketbakker. Iedere dag staat hij voor dag en dauw op om wel twintig soorten gebakjes te maken en drie soorten taart. Tot op een dag alles verandert. In het zuiden breken gevechten uit en Toda’s vader moet erheen om het land te verdedigen. Gelukkig heeft hij het handboek Wat Elke Soldaat Moet Weten. Hierin staat precies hoe hij zich met takjes en bladeren kan verkleden als struik, zodat de vijand hem niet herkent. Toda blijft met haar oma achter in de stad, maar ook daar is het niet langer veilig. Ze wordt naar haar moeder gestuurd, die in het buurland woont. De reis ernaartoe is vol avonturen en gevaar. Maar Toda geeft niet op. Ze moet haar moeder vinden! Joke van Leeuwen schreef en tekende prachtboeken als Deesje, Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden en Iep! Haar teksten en illustraties zijn met vele prijzen bekroond.
Meer lezen? Toen mijn vader een struik werd, Joke van Leeuwen, Talentbib 5
5
a Stel: jij bent Toda. Welke vraag zou je aan oma stellen? Noteer de beste vraag van je groep. Let op: Stel geen ja-neevraag.
Let erop dat de vragen geen ja-neevragen zijn en dat de vragen gaan over het conflict dat oma beleeft.
b Maak met je groep een lijst van vijf zaken die je moet onthouden maar niet kunt meenemen.
Vijf zaken die je moet onthouden maar niet kunt meenemen Bijvoorbeeld ❤ de smaak van pizza ❤ je lievelingsliedje of de geluiden in de keuken wanneer je nog in bed ligt ❤ de gesprekken met vrienden ❤ familie of huisdieren ❤ voetbal
c
Bespreek de vragen in je groep. Raadpleeg de correctiesleutel als je het antwoord niet vindt of als jullie het niet eens raken met elkaar. 1 In de laatste zin (r. 15) staat er voor de zekerheid. Wat bedoelt de auteur daarmee? Oma is bang dat er onvoorziene dingen zullen gebeuren en stopt Toda daarom wat geld toe.
2 Waarom kleeft oma een foto van Toda’s moeder naast het adres? Toda heeft haar moeder nog nooit gezien.
3 Waarom kleeft oma ook een foto van Toda’s vader in het schrift? Toda zal haar vader missen en zo is hij toch een beetje bij haar.
82
Thema 3 - les 3
L5 - Thema 3 - les 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 319
319
29/01/18 15:47
3
Lees de tekst. Beantwoord daarna de vragen. Toda is niet de enige die tijdens de oorlog moest vluchten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vertrokken in onze streken vele gezinnen uit hun dorp of stad. Hieronder staat een bladzijde uit het dagboek van Germaine Brouckaert. Zij was zes jaar toen de oorlog uitbrak in 1914.
“Twee jaar na de inval van de Duitsers zijn we uit de stad weggevlucht. Wij, dat zijn mijn moeder, mijn broers Michel en Albert en mijn zusje Jeanne. Van onze papa hebben we al twee jaar geen nieuws. Eerst zijn we naar Ardooie gestapt. Dan naar Tielt, met al ons gerief op een driewielkar. Onderweg brak de kar en moesten we alles Germaine Brouckaert, achterlaten in een kapelletje. We hadden niets meer en 6 jaar, 1914 vluchtten verder naar Lebbeke. Daar kregen we elke dag één kom soep. Niets anders. We hebben daar zo’n honger geleden dat we toch maar naar Roeselare zijn teruggekeerd. Daar hadden we tenminste nog wat te eten. Maar na een tijdje zijn we weer gevlucht. Nu met de trein naar Frankrijk. Op een dag klopte er iemand aan onze voordeur. Een vreemde man, in het uniform van het Belgische leger. Het was onze vader! We hadden hem in zes jaar niet gezien of gehoord!” Bron: www.kindereninbezetgebied.be
a Vul de tabel aan. Gebruik de taalweter als je het moeilijk vindt. Oorzaak
Gevolg
Inval van de Duitsers
We zijn gevlucht.
De kar brak.
We lieten alles achter in een kapelletje.
We leden honger.
W
de oorzaak
aanleiding, reden
het gevolg
resultaat, uitkomst
We keerden terug naar Roeselare.
Thema 3 - les 3
320
83
L5 - Thema 3 - les 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 320
29/01/18 15:47
Wat is een oorzaak? En een gevolg?
Heb je het weer niet begrepen? Een gevolg heeft altijd een oorzaak. En een oorzaak heeft altijd een gevolg. De oorzaak komt altijd eerst, daarna pas het gevolg. U hebt het niet goed Bv.
oorzaak ontzettend veel regen slechte oogst boeiende juf
gevolg overstromingen hongersnood geĂŻnteresseerde leerlingen
uitgelegd, juffrouw!
Let erop dat de vragen geen ja-neevragen zijn en dat de vragen gaan over het conflict dat Germaine beleeft.
b Stel dat jij dit meemaakt. Wat vraag jij aan je papa? Let op: Stel geen ja-neevraag.
Welke soorten vragen kan ik stellen? > Vragen waarop je ja of nee kunt antwoorden (= ja-neevragen). Bv. Heb jij al eens een boef gezien?
Hoe zag de boef eruit?
> Vragen waarop je met een woord of een hele zin moet antwoorden. Bij deze vragen gebruik je woorden als: hoe, wat, waar, wanneer, wie, waarom, welke, hoeveel ... Die woorden noemen we vraagwoorden. Bv.
4
Hoe zag de boef eruit?
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon achterhalen waarom de personages iets doen in een verhaal. Ik kon goede vragen stellen. Ik kon goed samenwerken in groep.
84
Thema 3 - les 3
L5 - Thema 3 - les 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 321
321
29/01/18 15:47
Bronnenblad 1 Fragment 1 Het ging niet goed met ons land. In het zuiden waren gevechten aan de gang tussen de enen en de anderen. Hier nog niet, zei hij, maar als ze zo doorgingen kon het hier ook beginnen. Hij zei dat mijn oma een poosje bij mij in huis zou komen wonen. Hijzelf moest weg om de enen te verdedigen tegen de anderen, hoewel hij ook vrienden had die nu bij de anderen hoorden. Maar het moest, zei hij, hoewel hij 5 veel liever gebakjes maakte. Hij liet me een donkergroen, dun boek zien. Het heette ‘Wat Elke Soldaat Moet Weten’. Eén hoofdstuk ging over camoufleren. Dat woord kende ik toen nog niet. “Kamoefleren,” zei mijn vader, “dat is jezelf onherkenbaar maken. Je moet je verdekt kunnen opstellen.” Er stond een plaatje bij van een soldaat die zich had verkleed als struik.
Fragment 2 Ik dacht in die tijd nooit dat het daar ergens anders was. Het was overal ergens anders, behalve waar we woonden. Iedereen kon zonder moeite mijn naam uitspreken. Waar ik nu woon, kunnen ze dat niet. Ze kunnen de letter k niet zeggen. De eerste die hier mijn naam wilde uitspreken brak bijna zijn tong. Voorlopig zeg ik maar dat ik Toda heet. Dat zijn de laatste letters van mijn lange voornaam met vier keer 5 een k erin.
Joke van Leeuwen schreef en tekende prachtboeken als Deesje, Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden en Iep! Haar teksten en illustraties zijn met vele prijzen bekroond.
Joke van Leeuwen Toen mijn vader een struik werd
Voordat Toda’s vader een struik wordt, is hij banketbakker. Iedere dag staat hij voor dag en dauw op om wel twintig soorten gebakjes te maken en drie soorten taart. Tot op een dag alles verandert. In het zuiden breken gevechten uit en Toda’s vader moet erheen om het land te verdedigen. Gelukkig heeft hij het handboek Wat Elke Soldaat Moet Weten. Hierin staat precies hoe hij zich met takjes en bladeren kan verkleden als struik, zodat de vijand hem niet herkent. Toda blijft met haar oma achter in de stad, maar ook daar is het niet langer veilig. Ze wordt naar haar moeder gestuurd, die in het buurland woont. De reis ernaartoe is vol avonturen en gevaar. Maar Toda geeft niet op. Ze moet haar moeder vinden!
Meer lezen? Toen mijn vader een struik werd, Joke van leeuwen, Talentbib 5
5
322
L5 - Thema 3 - les 3 - bronnenblad 1
HDL T3.indd 322
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 4
Kinderen in oorlog Domeinen: Onderwerp: Lesduur:
lezen, spreken, schrijven, luisteren een informatieve tekst lezen en vragen beantwoorden 75 minuten
Samenhang
Materialen
Les 3 bereidde de leerlingen voor op het interview met een volwassene dat in les 9 plaatsvindt. Ook in deze les wordt er geoefend op het stellen van geschikte interviewvragen.
Digitaal > bordboek > dvd
Lesdoelen
Folio > taalschrift > kopieerbladen 1-4
Hoofddoel van de les In voor hen bestemde informatieve teksten: gewenste informatie en hoofdgedachte afleiden. Andere doelen > In voor hen bestemde informatieve teksten: informatie vergelijken met eigen waarden en normen, reactie geven. > Informatie selecteren in voor hen bestemde argumentatieve teksten: tegenargumenten vinden. Verslag uitbrengen over een gelezen tekst: classificaties maken, argumenten geven. Schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden (informatie weergeven aan de hand van schema’s, informatie samenvatten). Informatie achterhalen uit (multi)mediale bronnen voor een breder publiek: gevraagde of gewenste informatie selecteren.
Diversen > woordenboek > atlas
Strategie Volgende leesstrategie zelfstandig of met behulp van een stappenplan hanteren: > Voor het spreken: zich vragen stellen over de tekst. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Gevoelig zijn voor wat zinvol, goed, schoon, waar is voor zichzelf én voor anderen.
Voorbereiding > Informeer of de leerlingen al mensen hebben aangesproken voor het interview van les 9. Vraag via de agenda of een briefje of die personen aanwezig kunnen zijn tijdens les 9. > Maak van elk kopieerblad voldoende kopieën zodat iedereen zijn tekst kan kiezen.
Woordenschat Tekstwoorden > het opvangcentrum
School- en instructietaal > de stelling > (je mening) staven L5 - Thema 3 - les 4 - lesgang
HDL T3.indd 323
323
29/01/18 15:47
Coöperatieve werkvormen en in deze les > verdeelde informatie > concensusmethode
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling
De leerlingen zijn gevoelig voor wat zinvol, goed, schoon, waar is voor zichzelf én voor anderen in conflictsituaties.
Brug naar andere leergebieden
In deze les komen conflicten uit verschillende landen aan bod. De leerlingen kunnen die landen opzoeken in een atlas tijdens een les werledoriëntatie.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Kennismaken met de clown van Aleppo We spraken vorige les over kinderen in oorlog. Dit filmpje vertelt over een man die in oorlogsgebied iets speciaals wilde doen voor de kinderen: > Wie zie je in het filmpje? (een clown, kinderen) > Is de man clown van beroep? (nee, hij is arts) > Waarom speelt hij clown? (om de kinderen op te vrolijken) > Wat is er met hem gebeurd? (hij stierf tijdens de bombardementen) > Hoe voel je je hierbij? > Welke vraag had jij willen stellen aan de clown van Aleppo? Voeg de beste vragen van de leerlingen toe aan het bordschema dat je in les 3 maakte. 2 Een tekst kiezen Bij oefening 1 zie je de titel en een foto van vier verschillende teksten. Bekijk ze en nummer de teksten van 1 (de meest interessante voor jou) tot 4 (de minst interessante voor jou). Laat de leerlingen per twee bespreken waarom ze een bepaalde volgorde hebben gekozen. Kies er enkele leerlingen uit die hun volgorde en redenen vertellen aan de klasgroep.
dvd
taalschrift
3 Op het lesdoel focussen We lezen teksten over kinderen in oorlogsgebieden en denken in groepen na over wat die kinderen meemaken en hoe ze zich voelen. We zoeken in verschillende teksten de hoofdfiguren en de kerngedachte. We zoeken argumenten om een stelling te bewijzen of tegen te spreken.
324
L5 - Thema 3 - les 4 - lesgang
HDL T3.indd 324
29/01/18 15:47
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 4 De groepen verdelen Leg de kopieerbladen van de teksten verspreid in de klas. Elke leerling gaat bij de tekst van zijn of haar voorkeur staan. Zorg ervoor dat er bij elke tekst een even aantal leerlingen staat. Sommige leerlingen zullen een andere tekst moeten kiezen i.f.v. de groepsverdeling. 5 Vragen bij de tekst beantwoorden, vragen stellen, argumenten en tegenargumenten bedenken De leerlingen met dezelfde tekst gaan per twee zitten. Ze lezen de tekst in stilte. Daarna lossen ze samen oefening 2a-2f op in hun taalschrift. Bij twijfel of discussie raadplegen ze de correctiesleutel. 6 De argumenten en tegenargumenten in groep bespreken CoÜperatief leren: consensusmethode De duo’s die dezelfde tekst lazen, zet je na vijfentwintig minuten samen. De groep (of jij) kiest een gespreksleider. Ze bespreken de argumenten en tegenargumenten bij de stelling (oefening 3) en proberen tot een consensus te komen. 7 De teksten aan elkaar vertellen CoÜperatief leren: verdeelde informatie Vorm groepen van vier leerlingen met een verschillende tekst. Elk groepslid vertelt over zijn of haar tekst. Ze gebruiken daarvoor de identiteitskaart (oefening 4). 8 Vragen toevoegen aan het bordschema Laat de leerlingen de vragen die ze bij oefening 2f noteerden hardop formuleren. Noteer de interessante vragen in het bordschema dat je de vorige les opstartte.
kopieerbladen 1-4
taalschrift kopieerbladen 1-4 woordenboek atlas
taalschrift
taalschrift
taalschrift
Controleren en reflecteren 9 Reflecteren over de doelen Bespreek: > Kon je de hoofdfiguur gemakkelijk vinden? Waarom (niet)? > Kon je de kerngedachte uit de tekst halen en bij de identiteitskaart noteren? Waarom (niet)? > Vond je argumenten of tegenargumenten voor de stellingen? Waarom (niet)? 10 Reflecteren over de samenwerking Bespreek: > Hoe verliep de samenwerking binnen je groep? > Luisterden de anderen naar jou als je over je tekst vertelde? Waarom (niet)?
L5 - Thema 3 - les 4 - lesgang
HDL T3.indd 325
325
29/01/18 15:47
11 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
TIP! Met behulp van de Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > kunnen aangemoedigd worden om de moeilijkste tekst (over kindsoldaten) te lezen. > maken uitbreidingsoefening 5. Instructiegevoelige leerlingen > vermijden de moeilijkste tekst (over kindsoldaten). > maken uitbreidingsoefening 5 niet. > sluiten aan bij de instructieafhankelijke leerlingen als ze vastlopen. Instructieafhankelijke leerlingen > zitten samen in een groep, lezen de teksten en maken de opdrachten samen met jou. > kunnen aangemoedigd worden om de gemakkelijkste tekst te lezen: ‘Ooit wilde ik dokter worden, nu verzamel ik afval’. > maken uitbreidingsoefening 5 niet.
326
L5 - Thema 3 - les 4 - lesgang
HDL T3.indd 326
29/01/18 15:47
les 4
Kinderen in oorlog Ik kan het hoofdpersonage en de hoofdgedachte in een tekst vinden. Ik kan argumenten vinden om een stelling te bewijzen of tegen te spreken.
1
Bekijk de krantenkoppen. Welk artikel wil jij het liefst lezen? Nummer de titels van 1 tot en met 4: 1 staat voor het artikel dat je het liefst wilt lezen, 4 voor het artikel dat je het minst graag wilt lezen.
Kindsoldaten: recht op bescher ming en vrijheid © AFP
2 jaar oorlog in Syrië, kinderen getuigen:
“Ooit wilde ik dokter worden, nu verzamel ik afval”
Oekraïne: een dag in het leven van Diana en Sasha
He t verhaal van Hiba, 10 jaar, een Syr isch vlu chtelingen kind Thema 3 - les 4
85
L5 - Thema 3 - les 4 - correctiesleutel
HDL T3.indd 327
327
29/01/18 15:47
2
Lees je favoriete tekst. Beantwoord de vragen met een klasgenoot. a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. Tip: Gebruik een atlas of zoek op internet. Naam (Opgegroeid in
Geboren in
)
Werelddeel*: Vlag*:
* Deze vragen los je op als je klaar bent met vraag e. Dit maakt hij/zij mee tijdens de oorlog:
Dit zijn de gevolgen:
c
86
328
Over welke hulporganisatie gaat de tekst? Wat doet die organisatie?
Thema 3 - les 4
L5 - Thema 3 - les 4 - correctiesleutel
HDL T3.indd 328
29/01/18 15:47
W
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
de stelling bewering die anderen juist/ waar of niet juist/onwaar kunnen vinden (je mening) staven (je mening) met argumenten uitleggen, bewijzen
e Wat vind je van de stelling bij je tekst? Ga je akkoord? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
W
f
de stelling
bewering die anderen juist/waar of niet juist/onwaar kunnen vinden
(je mening) staven
(je mening) met argumenten uitleggen, bewijzen
Bij tekst 2 zijn er meerdere hoofdfiguren. Laat de leerlingen eerst de taalweter ‘Welke soorten vragen kan ik stellen?’ op p. 84 lezen voor ze oefening 2f oplossen.
Beeld je in dat het hoofdpersonage in je klas staat. Welke vragen stel je hem of haar? Lees eerst de taalweter over soorten vragen op pagina 84 aandachtig. 1 2 3 4
3
Vorm een groepje van vier. Elk groepslid moet dezelfde tekst gelezen hebben. Bespreek de argumenten die je noteerde bij oefening 2e. Is iedereen het eens met elkaars argumenten? Waarom (niet)?
4
Vorm een groepje van vier. Elk groepslid moet een andere tekst gelezen hebben. Vertel de andere groepsleden over jouw tekst. Doe dat met behulp van de identiteitskaart.
Thema 3 - les 4
87
L5 - Thema 3 - les 4 - correctiesleutel
HDL T3.indd 329
329
29/01/18 15:47
5
Kies een tweede tekst. Lees en vul de identiteitskaart aan. Naam Geboren in
(Opgegroeid in
)
Werelddeel: Vlag:
Dit maakt hij/zij mee tijdens de oorlog:
Dit zijn de gevolgen:
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon het hoofdpersonage in de tekst vinden. Ik kon de hoofdgedachte in de tekst vinden (door de identiteitskaart in te vullen). Ik vond twee argumenten voor of tegen mijn stelling. Ik werkte goed samen met mijn partner en in groep.
88
330
Thema 3 - les 4
L5 - Thema 3 - les 4 - correctiesleutel
HDL T3.indd 330
29/01/18 15:47
Naam:
Datum:
Nr.
Kindsoldaten: recht op bescherming en vrijheid
© BELGA/AFP
Silvain werd in 1994 geboren in Rwanda. Enkele maanden na zijn geboorte vluchtten zijn ouders met hem en zijn oudere broer voor de oorlog naar het buurland Congo. Nadat de situatie in Rwanda rustiger was, keerden zijn ouders terug met zijn oudere broer. Silvain werd achtergelaten bij een kennis. Zijn ouders en zijn broer zijn nooit teruggekomen en Silvain weet nog steeds niet waar ze zijn. In Congo woonde hij bij een pleegmoeder en ging hij naar school. Op een dag, hij was toen 14 jaar, kwamen er mannen in de school. Ze vertelden Silvain dat ze wisten waar zijn ouders waren. “Kom met ons mee en wij zullen laten zien waar ze zijn”, zeiden de mannen. Voordat hij het wist, maakte hij deel uit van een gewapende groep.
“Mijn leven bij de soldaten was erg moeilijk”, zegt Silvain. Hij moest ervoor zorgen dat de vrouw van de leider van de troepen genoeg eten had. “Ja, ik moest mijn wapen gebruiken en mensen doden, vooral als dorpelingen hun voedsel niet wilden afgeven”, zegt hij. “Ik kon het niet aanzien en ik kon dat niet volhouden.” Op een dag kon hij ontsnappen. Zijn groep stapte door een gebied vlakbij de Rwandese grens. Op de radio hoorden we dat ze soldaten die naar huis wilden komen, zouden helpen. Dus heb ik toen besloten om samen met drie vrienden te vluchten.” Silvain en zijn vrienden werden over de grens geholpen en werden in een opvangcentrum opgenomen. “Het is geweldig hier. Ik kan naar school, ben in veiligheid en studeer rechten”, zegt hij. “Ik zou graag advocaat worden.” Wat is een kindsoldaat? Een kindsoldaat was eerst een jongen of een meisje zoals jij: hij of zij is nog geen 18 jaar, gaat nog naar school, speelt met vrienden, droomt ervan om voetballer of zangeres te worden... Door de oorlog sluiten de scholen, verliezen de kinderen hun thuis en moeten ze vluchten. Vaak worden de kinderen gescheiden van hun familie en verliezen ze vrienden en familieleden. De kinderen worden ontvoerd of meegelokt en leven in verschrikkelijke omstandigheden. © Maurizio Gambarini / DPA
Waarom worden kinderen gebruikt als soldaten? Er zijn verschillende redenen: - omdat oorlogen lang duren en er te weinig volwassen soldaten zijn; - omdat kinderen gratis, gehoorzaam en gemakkelijk bang te maken zijn; - omdat de wapens steeds lichter worden en gemakkelijk door kinderen gedragen kunnen worden. Kinderen nemen deel aan gevechten of worden gebruikt als spionnen, boodschappers, dragers of kok. Ze worden ook vaak gebruikt om landmijnen te leggen en op te ruimen. Er zijn ook kinderen die gevangenen moeten bewaken.
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 331
331
29/01/18 15:47
Wat zijn de gevolgen?
Š Phil Moore / AFP
Kinderen kunnen gewond of gehandicapt raken of zelfs sterven tijdens de gevechten. Ze krijgen niet genoeg te eten waardoor ze ondervoed zijn en vlugger ziek worden. Het is moeilijk voor deze kinderen om nog een normaal leven te leiden na alles wat ze gezien en meegemaakt hebben. Dus wanneer kinderen als Silvain vluchten, moeten ze zich opnieuw aanpassen en leren samenleven. Ze hebben hiervoor de hulp nodig van familie en vrienden of organisaties zoals Unicef, die zich voor hen inzetten en hun humanitaire hulp bieden.
Bron: Amnesty International
332
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 332
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet.
Naam:
Geboren in:
Opgegroeid in :
Werelddeel: Dit maakt hij mee tijdens de oorlog:
Dit zijn de gevolgen:
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 333
333
29/01/18 15:47
c
Over welke hulporganisatie gaat de tekst? Wat doet die organisatie?
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Het is cool om kindsoldaat te zijn? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
334
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 334
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet.
Naam: Silvain
Geboren in:
Opgegroeid in :
Rwanda
Congo
Werelddeel: Afrika
Dit maakt hij mee tijdens de oorlog: Op 14 jaar werd hij meegelokt om kindsoldaat te worden. Hij moest mensen doden. Uiteindelijk is hij met enkele andere jongens ontsnapt.
Dit zijn de gevolgen: Hij is bang, moet dingen doen die hij niet wil doen, hij gaat niet meer naar school. Na zijn ontsnapping is hij in veiligheid. Hij vindt het geweldig in het opvangcentrum en durft weer te dromen
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 1 - correctiesleutel
HDL T3.indd 335
335
29/01/18 15:47
c
Over welke hulporganisatie gaat de tekst? Wat doet die organisatie? Unicef zet zich in voor kindsoldaten en biedt humanitaire hulp.
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Het is cool om kindsoldaat te zijn? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
336
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 1 - correctiesleutel
HDL T3.indd 336
29/01/18 15:47
Naam:
Datum:
Nr.
Drie jaar oorlog in Syrië, kinderen getuigen: “Ooit wilde ik dokter worden, nu verzamel ik afval.” Scholen kapot gebombardeerd “Vroeger droomde ik ervan om dokter te worden”, zegt de achtjarige Jumana tegen een Unicefmedewerker. Nu woont ze in Turkije en na drie jaar zonder onderwijs bergt ze haar droom stilaan op. Op dit moment verzamelt ze vuilnis, wat haar een schamele vier dollar per dag oplevert. “We missen veel, maar vooral voedsel”
In 2011 begon in Syrië een bloedige burgeroorlog. In drie jaar tijd liep het aantal kinderen dat getroffen werd door het conflict op tot 5,5 miljoen. Constant gevaar Toen het huis van de 14 maanden oude Ghina werd gebombardeerd, vreesden omstaanders voor het leven van het meisje. Na uren graafwerk werd ze van onder het puin bevrijd. “Het meisje is helemaal hersteld, maar ze is nog steeds snel bang en kan onverwachts in tranen uitbarsten...” vertelt haar vader aan Unicef. Ghina is een van de ‘gelukkige’ kinderen die een bom overleefde. Meer dan 10 000 kinderen kwamen al om in de oorlog en 1,2 miljoen kinderen wonen een in een opvangcentrum. Het is Unicef dat hier met zijn talrijke taken humanitaire hulp kan bieden. Te snel moeten opgroeien Ahmed ging voor de oorlog, net als elke andere 14-jarige jongen, naar school. Maar sinds hij zijn land in oorlog ontvluchtte, werkt hij dertien uur per dag in een restaurant in het noorden van Irak.
© BELGA/AFP
Veel kinderen die opvang vonden in een vluchtelingenkamp zijn ondervoed. Dat heeft niet alleen negatieve gevolgen voor de lichamelijke ontwikkeling van de kinderen. Ook hun concentratievermogen is hierdoor verzwakt. “’s Morgens eet ik enkele beschuiten. Ik voel me dan zwak en heb het koud”, vertelt Mohammed (12) die in een vluchtelingenkamp. “We hebben een heleboel dingen nodig, maar wat we toch het hardste missen is voedsel.”
“Ik zie hoe uitgeput mijn kinderen zijn en hoe hard ook zij moeten werken zodat ons gezin financieel kan rondkomen. Hoe denk je dat dat voelt als vader?” getuigt Ahmeds vader in het verslag van Unicef. Naast het leed van kinderen, geeft de oorlog veel ouders een schuldgevoel. Naar: Knack
L5 L5--Thema Thema33-- les 4 - kopieerblad 2x
HDL T3.indd 337
337
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet. Namen:
Geboren in:
Werelddeel: Dit maken ze mee tijdens de oorlog:
Dit zijn de gevolgen:
338
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 2
HDL T3.indd 338
29/01/18 15:47
c
Welke hulporganisatie is actief in dit land? Wat doen ze voor de kinderen uit de tekst?
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Ghina moet niet huilen, maar blij zijn dat ze nog leeft? Ga je akkoord? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 2
HDL T3.indd 339
339
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet. Namen: Ghina, Ahmed, Jumana, Mohammed
Geboren in: SyriĂŤ
Werelddeel: AziĂŤ
Dit maken ze mee tijdens de oorlog: Ghina werd bedolven onder puin, Ahmed stopte met school en werkt in een restaurant om geld te verdienen, Jumana verzamelt afval om eten te kunnen kopen, Mohammed is gevlucht en leeft in een vluchtelingenkamp.
Dit zijn de gevolgen: Ghina is snel bang en huilt onverwachts, Ahmed is uitgeput van het harde werken, Jumana werkt en gaat daardoor niet naar school, Mohammed is verzwakt van de honger.
340
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 2 - correctiesleutel
HDL T3.indd 340
29/01/18 15:47
c
Welke hulporganisatie is actief in dit land? Wat doen ze voor de kinderen uit de tekst? Unicef biedt humanitaire hulp en helpt kinderen die in een oorlogssituatie leven.
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Ghina moet niet huilen, maar blij zijn dat ze nog leeft? Ga je akkoord? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 2 - correctiesleutel
HDL T3.indd 341
341
29/01/18 15:47
Naam:
Datum:
Nr.
Het verhaal van Hiba, een Syrisch vluchtelingenkind Hiba Al Nabolsi is 10 jaar oud. Ze is opgegroeid in Syrië, een land verscheurd door oorlog. De tijd voor de oorlog lijkt een verre droom voor Hiba. “Ik ging heel graag naar school, maar de scholen sloten hun poorten. We mochten niet meer buitenkomen. Daarna zijn de bombardementen begonnen. Mijn vrienden, mijn buren – ze stierven rondom ons, en we konden niets doen om hen te helpen.”
In 2014 besloot de papa van Hiba, Abde, de lange reis naar Europa aan te vatten, om zijn vrouw, zijn vijf zonen en zijn dochter te beschermen. Europa leek hen een veilige haven en hield de belofte in op een normaal leven. Hiba legt uit dat jaar oudste broer gedood werd toen ze nog in Syrië waren. “Het was de broer waar ik het meest van hield. Ik mis hem verschrikkelijk”, vertelt het jonge meisje. Voor de rest van de familie was het vervolg van de tocht een beproeving. Ze hadden niet genoeg geld en voedsel, en ze reisden met een baby. De jongste broer van Hiba, Hossam, was op dat moment 7, en haar broer Yussef was 11. “Hiba heeft haar broers heel erg geholpen. Ik weet niet wat ik zonder haar had gedaan”, zegt haar moeder Nesrin.
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 3
HDL T3.indd 342
In februari 2015 bereikte haar familie de kust van de koude en stormachtige Middellandse Zee in Turkije. “We zijn in een rubberen boot gestapt met een heleboel andere mensen. We zijn beginnen varen, maar de motor stopte plots”, herinnert Hiba zich. De familie is urenlang in de defecte boot blijven zitten. “Velen waren aan het huilen. Ik zag een helikopter aankomen. Ik wees ernaar en zei dat hulp onderweg was. En we zijn gered”, legt Hiba uit. In mei 2015 zijn Hiba en haar familie er na meerdere pogingen om de grens over te steken in geslaagd de Republiek Macedonië te bereiken. “We moesten door een rivier waden en mijn mama heeft zich bezeerd aan haar been. Onze kleren waren nat. We bibberden van de kou”, herinnert Hiba zich. “Maar nu voelen we ons beter – veel beter.” Met haar familie woont ze vandaag in een kamp voor migranten en vluchtelingen in Macedonië. De familie Al Nabolsi woont in een tijdelijke woonunit, net zoals tweehonderd andere vluchtelingen- en migrantenfamilies. In de zomer is het warm, in de winter te koud in het kleine, metalen huisje. De basisbehoeften van de familie zijn vervuld, maar ze hebben niet het recht het centrum te verlaten. Ook weten ze niet hoelang ze zullen moeten wachten tot ze een permanente verblijfsoplossing gevonden hebben.
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad x
342
29/01/18 15:47
Kindvriendelijke Ruimte is een onderdeel van het hele humanitaire pakket aan hulp dat Unicef biedt. Hier brengt Hiba het grootste deel van haar tijd door. Een jonge animator legt een liedje van Shakira op. Een groep kinderen danst in een cirkel en doet de stoelendans.
In het midden van het centrum staat er een groot wit gebouw waar muziek, handengeklap en gelach van kinderen te horen is. Het is een ‘Kindvriendelijke Ruimte’ van Unicef. De
Overdag organiseren meer dan twintig animatoren om beurt een heleboel verschillende activiteiten voor de kinderen. “Ik vind alles fijn. We tekenen en spelen ... We leren Engels, Duits en Macedonisch”, legt het meisje uit. Ze straalt van blijdschap. “Ik weet dat mijn toekomst veelbelovend is. Ik wil lerares worden en les geven aan kinderen. Alle kinderen verdienen immers een mooi leven – een mooi leven voor ieder kind.”
Bron: www.unicef.be
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 3
HDL T3.indd 343
343
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet. Naam:
Geboren in:
Werelddeel: Dit maakte ze mee tijdens de oorlog:
Dit zijn de gevolgen:
344
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 3
HDL T3.indd 344
29/01/18 15:47
c
Welke hulporganisatie is actief in dit land? Wat doen ze voor het meisje uit de tekst?
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Hiba heeft het goed in het opvangcentrum? Ga je akkoord? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 3
HDL T3.indd 345
345
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet. Naam: Hiba al Nabolsi
Geboren in: SyriĂŤ
Werelddeel: AziĂŤ
Dit maakte ze mee tijdens de oorlog: Om haar hen zag ze mensen die omkwamen door de oorlog, haar lievelingsbroer is ook gestorven. Met de rest van haar gezin is ze naar Europa gevlucht. In Turkije zijn ze in een rubberen boot gestapt om de stormachtige Middellandse Zee over te steken.
Dit zijn de gevolgen: Ondanks de traumatische herinneringen aan de oorlog en de riskante reis, is Hiba opnieuw een vrolijk meisje met grootse dromen en een onbreekbaar optimisme.
346
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 346
29/01/18 15:47
c
Welke hulporganisatie is actief in dit land? Wat doen ze voor het meisje uit de tekst? Unicef biedt humanitaire hulp en helpt kinderen die in een oorlogssituatie leven, bijvoorbeeld met de Kindvriendelijke Ruimte in het vluchtelingenkamp.
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Hiba heeft het goed in het opvangcentrum? Ga je akkoord? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 3 - correctiesleutel
HDL T3.indd 347
347
29/01/18 15:47
Naam:
Datum:
Nr.
Oekraïne: een dag in het leven van Diana en Sashaa Eén miljoen kinderen in Oost-Oekraïne heeft dringend humanitaire hulp nodig. Al drie jaar worden ze bedreigd door gevechten en bombardementen. De situatie is uiterst ernstig voor zowat 200 000 meisjes en jongens. Ze zijn afgesneden van basisvoorzieningen als water en verwarming. Meer dan 740 scholen, of 1 school op 5, zijn beschadigd of verwoest. We laten je kennismaken met Diana, 14 jaar, en Sasha, 6 jaar. Ze zijn getroffen door een conflict dat de wereld liever vergeet. Nina omarmt haar 14-jarige kleindochter Diana (links) en de zesjarige Sasha voor hun huis. De meisjes wonen bij hun oma sinds 2014. Hun ouders vinden het er veiliger dan bij hen thuis in Donetsk.
Sasha, die in het eerste leerjaar zit, doet haar huiswerk met de hulp van haar zus Diana, die in de negende klas zit. Ondanks het gewapende conflict en het feit dat 1 school op 5 beschadigd of verwoest is, blijven de scholen open en beginnen de lessen op tijd.
Sasha (midden) heeft een lege fles in de hand. Samen met haar oma en haar zus Diana is ze op weg om water te halen aan een fontein aan de rand van het dorp. De watervoorziening is erg problematisch in de dorpen. In het begin kwamen hun ouders hen eenmaal per week opzoeken, maar door de controleposten is de reis tussen Toretsk en Donetsk moeilijk en duur geworden. “Ik wou dat de bombardementen stopten zodat ik mijn mama en papa kan terugzien”, zegt Sasha.
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 4
HDL T3.indd 348
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad x
348
29/01/18 15:47
Diana (rechts) houdt Sasha in haar armen (midden). Met hun grootmoeder, Nina, schuilen ze tegen de bombardementen in de kelder van het huis. Volgens Nina trillen de ruiten tijdens de bombardementen en telkens hoopt ze dat ze niet zullen geraakt worden.
12 000 kinderen wonen op plaatsen die minstens een keer per maand worden gebombardeerd. Sasha (met de rode trui) en andere leerlingen volgen les in een school in Toretsk. Meer dan 740 scholen zijn beschadigd of verwoest in Oost-Oekraïne. Hoewel Diana en haar zus Sasha het niet makkelijk hebben, hoopt Diana op een dag lerares te worden – net zoals haar grootmoeder die lerares fysica is.
Sasha (met de rode trui) doet turnoefeningen samen met haar klasgenootjes in een school in Toretsk. Leraren, psychologen en ouders geven aan dat de kinderen tekenen van ernstige stress vertonen: nachtmerries, agressie, teruggetrokkenheid en paniekaanvallen als ze luide geluiden horen.
Sasha, Diana en hun oma wonen niet in een opvangcentrum. Maar Unicef heeft wel een oproep gedaan om 31,3 miljoen dollar aan fondsen te verzamelen om hulp te krijgen op het vlak van gezondheid, voeding, onderwijs, water, hygiĂŤne en sanitair (WaSH) en kinderbescherming voor de kinderen en families die getroffen zijn door het conflict. Dit is slechts een klein onderdeel van het hele pakket aan humanitaire hulp dat Unicef biedt. Bron: www.unicef.be
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 4
HDL T3.indd 349
349
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet. Namen:
Geboren in:
Werelddeel: Dit maakt ze mee tijdens de oorlog:
Dit zijn de gevolgen:
350
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 4
HDL T3.indd 350
29/01/18 15:47
c
Welke hulporganisatie is actief in dit land? Wat doen ze voor het hoofdpersonage?
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Diana en Sasha hebben het goed bij hun oma? Ga je akkoord? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 4
HDL T3.indd 351
351
29/01/18 15:47
a Onderstreep de moeilijke woorden in de tekst. Zoek de betekenissen indien nodig op in een woordenboek en schrijf de verklaringen hieronder op.
b Vul de identiteitskaart van het hoofdpersonage in. TIP! Gebruik een atlas of zoek op internet. Namen: Diana en Sasha
Geboren in: OekraĂŻne
Werelddeel: Europa
Dit maakt ze mee tijdens de oorlog: Ze wonen bij hun oma omdat er bombardementen zijn waar hun ouders wonen. Contact met hun ouders is heel moeilijk door de oorlog. Er zijn problemen met de watervoorziening. Ze moeten regelmatig schuilen in een kelder als er bombardementen zijn.
Dit zijn de gevolgen: Kinderen vertonen tekenen van ernstige stress: nachtmerries, agressie, teruggetrokkenheid en paniekaanvallen als ze luide geluiden horen.
352
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 4 - correctiesleutel
HDL T3.indd 352
29/01/18 15:47
c
Welke hulporganisatie is actief in dit land? Wat doen ze voor het hoofdpersonage? Unicef biedt humanitaire hulp. De organisatie zamelt fondsen in op hulp te krijgen op het vlak van gezondheid, voeding, onderwijs, water, hygiĂŤne en sanitair en kinderbescherming voor de kinderen en families die getroffen zijn door het conflict.
d Hoe voel jij je bij wat die kinderen meemaken?
e Wat vind je van de stelling Diana en Sasha hebben het goed bij hun oma? Ga je akkoord? Bedenk twee argumenten die je mening staven. Ik ga wel / niet akkoord omdat: 1
2
L5 - Thema 3 - les 4 - kopieerblad 4 - correctiesleutel
HDL T3.indd 353
353
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 5
Woorden net als restaurant en fabrikant Domein: Onderwerp: Lesduur:
spelling vrije klinker oo als au geschreven – vrije klinker ie als i geschreven 1 week – 3 lesblokken van 25 minuten
Samenhang
Materialen
De leerlingen kennen de onthoudstrategie. Ze maken kennis met woorden waarin je de vrije klinker ie als i schrijft (net als fabrikant) een woorden waarin je de vrije klinker oo als au schrijft (net als restaurant).
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC
Lesdoelen Hoofddoelen van de les > Woorden met een vrije klinker oo als au geschreven (bv. restaurant) correct schrijven. > Woorden met een vrije klinker ie als i geschreven (bv. fabrikant) correct schrijven. Andere doelen > Leestekens gebruiken en erover reflecteren: het punt. > Hoofdletters gebruiken en erover reflecteren bij het begin van een zin. > Alfabetisch rangschikken op eerste en/of tweede letter.
Folio > spellingschrift > dicteekaartjes (kopieerblad 1) > map curriculumdifferentiatie voor IAC Diversen > een schrijflei > kladpapier
Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Doelgericht en efficiënt handelen door taken te plannen, uit te voeren, erop te reflecteren en waar nodig bij te sturen.
Voorbereiding > Kopieer de dicteekaartjes: voorzie voor de helft van de leerlingen dictee 1, voor de andere helft dictee 2. Heel zwakke spellers gebruiken het dicteekaartje als kopieerkaart. Zo kunnen ze de woorden en zinnen eerst bekijken om ze daarna te bedekken en op te schrijven. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
Coöperatieve werkvormen in deze les > uitwisselen en delen > partnerdictee
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling De leerlingen reflecteren in oefening 5 zelf over de schrijfwijze van hun woord. Ze verbeteren waar nodig. Ook andere oefeningen zijn heel geschikt voor partnerwerk. Partners reflecteren samen over hoe ze de oefening aangepakt hebben. Zo krijgen ze de kans om de moeilijkheid samen te bespreken en te leren uit elkaars fouten.
354
L5 - Thema 3 - les 5 - lesgang
HDL T3.indd 354
29/01/18 15:47
Lesgang Aanbreng (25 minuten) 1 Voorgaande spellingmoeilijkheden herhalen: woorddictee Herhaal enkele woorden uit de vorige les met een woorddictee. Laat de woorden mondeling spellen of op een schrijflei schrijven. Geef onmiddellijk feedback. > toeschouwers Er zaten veel ... in het stadion. > omheining De ... is heel hoog. > Drijven ... jullie papieren bootjes ook? > farao De ... werd begraven in een piramide.
schrijflei
2 Werken aan het spellinggeweten Bespreek waarom het belangrijk is om foutloos te schrijven (bv. uit respect voor je lezer, betere communicatie ...) en sta stil bij hoe je dat doet (bv. goed luisteren, controleren wat je schrijft, hulp vragen of iets opzoeken als je twijfelt). 3 De moeilijkheid inductief ontdekken De leerlingen lezen de toptekst uit de bordles. Verduidelijk dat deze tekst een aantal woorden bevat met de spellingregels van deze les. Laat hen ontdekken waar het in deze les over gaat. 4 Directe instructie Woorden met de vrije klinker o als au geschreven Noteer de twee woorden met de klank oo geschreven als au op het bord (restaurant, chauffeur). Bespreek de woorden, zowel naar betekenis als naar spellingmoeilijkheid. Model zelf of laat modellen hoe je de moeilijkheid aanpakt: Je hoort een oo maar schrijft au. Die woorden moet je onthouden. Woorden met oo als au schrijf je net als restaurant. Bespreek de spellingweter. Vergelijk ook even met dinosaurus. Daar hoor je ook een oo, die je schrijft als o en schrijf je ook een au, maar die au spreek je niet uit als oo. Woorden met ie als i geschreven net als fabrikant Noteer de eerste twee woorden met ie als i op het bord (kapitein en piraten). Bespreek de woorden, zowel naar betekenis als naar spellingmoeilijkheid. Model zelf of laat modellen hoe je de moeilijkheid aanpakt: Je hoort een ie maar schrijft een i. Die woorden moet je onthouden. Woorden met ie als i schrijf je net als fabrikant. Bespreek de spellingweter. Vergelijk ook even met televisie. Daar heb je beide schrijfwijzen: ie als i en ie als ie.
spellingschrift
spellingschrift
spellingschrift
5 De toegepaste strategieĂŤn herhalen CoĂśperatief leren: uitwisselen en delen De leerlingen zoeken per duo andere woorden in de toptekst die passen bij de spellingregel ie als i: dinosaurus, limonade, minuten, idee, bizar en direct.
L5 - Thema 3 - les 5 - lesgang
HDL T3.indd 355
355
29/01/18 15:47
Leerlingen die sneller klaar zijn zoeken andere woorden die hier ook passen en zoeken ook extra woorden bij de spellingregel oo als au. Een voorbeeld is fauteuil. 6 Gedifferentieerd verwerken aan de hand van visueel dictee Laat leerlingen oefening 1 oplossen.
TIP! Laat de woorden noteren op een schrijflei.
spellingschrift
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > verwerken oefening 1 zelfstandig. > zoeken op het einde van de oefening zelf nog twee voorbeeldwoorden met de moeilijkheid. Voorbeelden van veelgebruikte woorden zijn: fauteuil, uniform, prima. > (snelle leerlingen) houden nadien een partnerdictee met hun schrijflei. Instructiegevoelige leerlingen > verwerken oefening 1 zelfstandig. > zoeken op het einde van de oefening zelf nog twee voorbeeldwoorden met de moeilijkheid. Instructieafhankelijke leerlingen > maken in groep de oefening onder jouw begeleiding. > staan per woord stil bij de moeilijkheid en hoe je die aanpakt. > modellen om de beurt de aanpak. Verlengde instructie > Zeg het woord hardop voor jezelf. > Duid de moeilijkheid aan in fluo. > Verwoord de spellingmoeilijkheid en bespreek de aanpak van de moeilijkheid (modellen). > Bekijk het woord opnieuw en dek het af. > Schrijf het woord op, zonder lidwoord. > Controleer aan de hand van het voorbeeldwoord of het stukje dat je net kleurde juist geschreven is. > Controleer of de rest van het woord juist geschreven is. Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs. Leerlingen met een IAC oefenen in deze les extra op het verenkelen. Deze leerlingen oefenen tijdens de les extra op het verenkelen (bv. apen).
map curriculumdifferentiatie
Inoefening (25 minuten) 7 De leerstof kort herhalen Dicteer twee woorden net als restaurant (restaurant en chauffeur) en twee woorden net als fabrikant (dinosaurus, skileraar). De leerlingen spellen mondeling of schrijven op de schrijflei. Bespreek de schrijfwijze en laat enkele leerlingen modellen.
356
schrijflei TIP! Gebruik de zelf gevonden woorden uit oefening 1.
L5 - Thema 3 - les 5 - lesgang
HDL T3.indd 356
29/01/18 15:47
8 Schriftelijk oefenen Laat de leerlingen oefeningen 2 - 7 oplossen.
spellingschrift
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > verwerken de oefeningen zelfstandig, inclusief de uitbreidingsopdrachten. Instructiegevoelige leerlingen > overlopen eerst samen met jou de oefeningen. > maken alleen de basisoefeningen. Instructieafhankelijke leerlingen > werken in miniklas onder begeleiding. > modellen om de beurt de eerste opdracht van elke oefening. > krijgen hulp waar nodig. Oefening 2 Laat een leerling het woord hardop zeggen en de aanpak van het schrijven modellen. Oefening 3 Bespreek eerst de alfabetische volgorde en laat de nummering boven de woorden schrijven. Oefening 4 Bespreek de samengestelde woorden voor de leerlingen ze opschrijven. Oefening 5 Bied meer letters aan of laat die aanbieden als de leerlingen het woord niet vinden. Laat naar de woorden bij oefening 1 kijken, maar laat die bedekken voor ze het woord in de zin aanvullen. Oefening 6 Laat de woorden zoeken en kleuren. Laat de spellingmoeilijkheid verwoorden (ie > i). Sta ook even stil bij woorden met andere spellingmoeilijkheden: finale (verenkeling), familie (banaanwoord). Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs. Leerlingen met een IAc oefenen in deze les extra op het verenkelen.
map curriculumdifferentiatie
Signaal en integratie (25 minuten) 9 Signaaloefening Coรถperatief leren: partnerdictee De leerlingen dicteren en schrijven om de beurt bij oefening 8.
schrijflei TIP! Gebruik de zelf gevonden woorden uit oefening 1.
L5 - Thema 3 - les 5 - lesgang
HDL T3.indd 357
357
29/01/18 15:47
Leerling 1 > Ik eet graag op restaurant. > Mijn auto verbruikt veel benzine. > Een lawine is gevaarlijk. > De kapitein bestuurt het schip. > Elke minuut is kostbaar. > In januari kan het nog sneeuwen. > De piloot bestuurt een helikopter. > De sirene is heel luid.
spellingschrift
Omdat het onthoudwoorden betreft, komen alle woorden uit de spellingles.
Overzicht van de gedicteerde woorden: Uit spellingles Losse woorden Woorden in zin
restaurant, benzine, lawine, kapitein, minuut, januari piloot, helikopter, sirene
Leestekens/ hoofdletters Totaal /10
Transfer
Leestekens: een punt bij het einde van elke zin Hoofdletters: De, De 9
1 (met telkens 0,5 punt als beide hoofdletters/ punten correct geschreven zijn)
Leerling 2 > Mijn papa is een veilige chauffeur. > Ik wil graag mijn diploma halen. > Dat was een bizar verhaal! > Heb jij een goed idee? > De zon is bijna verdwenen achter de horizon. > Wij drinken graag limonade. > Een olifant is niet zo groot als een dinosaurus. > De skileraar sprak enkel Frans. Overzicht van de gedicteerde woorden: Uit spellingles Losse woorden Woorden in zin
chauffeur, diploma, bizar, idee, horizon, limonade olifant, dinosaurus, skileraar
Leestekens/ hoofdletters Totaal /10
Transfer
TIP! De puntenverdeling is facultatief.
Leestekens: een punt bij het einde van elke zin Hoofdletters: Een, De, Frans 9
1 (met telkens 0,5 punt als beide hoofdletters/ punten correct geschreven zijn)
Na het dictee wisselen de leerlingen de dicteekaartjes uit. Iedereen verbetert zijn dictee met een gekleurde balpen. Ze bespreken hun fouten en zoeken samen de juiste schrijfwijze. Daarbij geven ze elkaar uitleg. Bij twijfel roepen ze hulp in. Het correcte woord schrijven ze op de twee correctielijnen. 10 Integratieoefening Laat oefening 9 oplossen.
358
L5 - Thema 3 - les 5 - lesgang
HDL T3.indd 358
29/01/18 15:47
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen Integratieoefening > schrijven zelfstandig een krantenartikel. > vergelijken en bespreken de teksten in duo. Instructiegevoelige leerlingen Integratieoefening > lossen de oefening als partnerwerk op. > bespreken met hun partner hoe ze het krantenartikel opbouwen. Instructieafhankelijke leerlingen Partnerdictee > heel zwakke spellers gebruiken het dicteekaartje als kopieerkaart. Wie twijfelt, kan even spieken, het woord afdekken en opschrijven. > leerlingen die gebruik maken van het kopieerkaartje zetten een kruisje bij het woord om te duiden dat ze gebruik maakten van een compenserende maatregel. > leerlingen met een IAC hebben een eigen dictee dat de inhoud(en) van hun les behandelt. Integratieoefening > lossen de integratieoefening in partnerwerk op. Bespreken daarbij hoe ze het krantenartikel opbouwen. Maken een klasversie, bespreken die met de leraar en schrijven dan op in het spellingschrift. > leerlingen met een IAC hebben een aparte integratieoefening die alleen inhouden uit leerjaar 4 behandelt.
Na de les Duid in het portfolio aan of de leerling het lesdoel bereikt heeft. Baseer je daarvoor op twee zaken: > De kolom ‘Ik twijfel’: die geeft aan hoe zeker een leerling zich voelt. Een leerling die aangeeft dat hij of zij twijfelt, kan gebaat zijn met een verlengde instructie. > Het aantal fouten dat de leerling maakte tegen de spellingmoeilijkheid: een leerling die twee fouten of meer maakte, kan gebaat zijn met een verlengde instructie. Zet de resultaten in de zorg- en evaluatiemodule op in het lerarengedeelte van bingel.be om in het differentiatieblok herhaling en oefenkansen op maat te krijgen.
Pre-instructie voor de volgende spellingweek De volgende les komen woorden net als rustig(e) en heerlijk(e) aan bod: de doffe klinker in ig(e) en (e)lijk(e). Laat de leerlingen dergelijke woorden opnoemen. Laat ook een aantal woorden waar je een c schrijft, maar een s hoort (woorden net als cent) aanbieden. Die komen ook aan bod in de volgende les.
L5 - Thema 3 - les 5 - lesgang
HDL T3.indd 359
359
29/01/18 15:47
les 5
Woorden net als restaurant en fabrikant Een chauffeur bracht een kapitein en elf piraten naar een restaurant. “Eén dinosaurus en twaalf flessen limonade!” bestelde de kapitein. Binnen een paar minuten stond er een enorm skelet op tafel. “Het gaat om het idee”, zei de ober. “Dat is dan 285 euro.” “Dat is bizar en gemeen!” riep de kapitein. “Dit is een maaltijd van niks!” Nog geen minuut later deed hij alsof hij geld op tafel legde. ‘Hé, daar ligt niets”, zei de ober direct. “Ach ja”, zei de kapitein. “Het gaat om het idee, nietwaar?”
1
woorden net als restaurant het restaurant de chauffeur
spellingweter 17 restaurant
Mijn broer heeft een heel goed chauffeur
Rijdt de
.
van de taxi veilig?
woorden net als fabrikant
spellingweter 18 benzine
de benzine
De
de dinosaurus
Ik zou graag eens een
dinosaurus
het diploma
Ik werk hard voor mijn
diploma
de helikopter
Een
van de auto is bijna op.
helikopter Januari
januari het idee
Wat een leuk
de kapitein
De
de limonade
Heb je de
in het echt zien. .
kan lang in de lucht blijven hangen. is het begin van een nieuw jaar. idee
kapitein
om morgen bij Janne te gaan spelen! bestuurt het schip.
limonade
de minuten
In een uur zitten zestig
de piloot
De
piloot
de olifant
Een
olifant
de piraten
De
bizar
Mijn broer had een heel
direct
Mama vraagt of we
piraten
teruggezet in de koelkast? minuten
.
stelt alle passagiers gerust. is heel erg groot. kaapten een zeilschip. bizar direct
idee. naar huis kunnen komen. Thema 3 - les 5
360
Laat de leerlingen de woorden in de linkerkolom lezen. Ze duiden in elk woord de moeilijkheid aan, spreken het in stilte uit, dekken het af en schrijven het in de zin. Eerst verbeteren de leerlingen zelf, jij verbetert achteraf.
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin.
27
L5 - Thema 3 - les 5 - correctiesleutel
HDL T3.indd 360
29/01/18 15:47
2
Zet de letters in de juiste volgorde. Breng de letters met een nummer samen tot een zin. 1 sau di no rus
d
i
n
o
s
a
u
r
3
2 taar gi
g
3 li ter kop he
h
i
u
s
18
t
a
a
r
l
i
k
o
9
12
e 8
4 a nu ja ri
j
5 ma di plo
d
a
n
17
15
i
p
u
l
i
l
m
o
11
7 mi ten nu
m
8 fant li o
o
i l
e
r
20
a
r
i a
o
m
19
6
n
a
d
e
n
e
21
n
u
i
f
10
13
1
3
t
16
7
6 na li mo de
p
2
4
t 14
5
a
n
t
i
k
n
e
e
m
d
e
s
k
i
l
i
f
t
1
2
3
4
5
6
7
8
9
2
10
11
12
13
14
n
a
a
r
15
16
17
18
b
o
v
19
e
n
20
21
.
Rangschik de woorden alfabetisch. bizar – restaurant – direct – chauffeur – kapitaal – titel
4
28
Deze oefening is geschikt voor partnerwerk. Leerlingen zoeken samen naar het woord. Ze helpen elkaar en modellen nog eens de moeilijkheid.
1
bizar
2
chauffeur
3
direct
4
kapitaal
5
restaurant
6
titel
Noteer een samenstelling met deze woorden. Maak een zin met de gevonden samenstelling. 1 televisie
bv. betaaltelevisie, televisiezender
2 piloot
bv. autopiloot, racepiloot
3 rivier
bv. zijrivier, rivierkreeft
Leerlingen die deze oefening moeilijk vinden, schrijven het alfabet op kladpapier. Zo zien ze onmiddellijk welke letter eerst komt. Leerlingen die deze oefening moeilijk vinden, gebruiken een woordenboek.
Thema 3 - les 5
L5 - Thema 3 - les 5 - correctiesleutel
HDL T3.indd 361
361
29/01/18 15:47
5
Noteer het juiste woord in de zin. De eerste letter krijg je. 1 Ken jij de (t)
titel
restaurant
2 Ik heb lekker gegeten in het (r) 3 De (c)
chauffeur
benzine
5 Ik zit vol goede plannen. Heb jij ook een goed (i)
6
kapitein
Oefening 5 is gericht op controle. Stimuleer om elk woord grondig na te kijken. Als ze twijfelen, dan zetten ze een kruisje en zoeken ze het woord op of vragen ze hulp aan een klasgenoot of aan jou. Bespreek de schrijfwijze. Als een woord fout geschreven is, verbeteren ze in de verbeterkolom. Oefening 6 is een goede oefening om per twee te verbeteren. De leerlingen lezen het woord aan elkaar voor en vergelijken. Jij verbetert achteraf.
Fout? Verbeter.
.
van de bus moet tanken
4 want hij heeft een tekort aan (b)
6 De (k)
Ik twijfel.
van dat leuke boek nog?
. idee
?
van de boot houdt van hoge golven.
Markeer de woorden net als fabrikant in de tekst. Schrijf ze op. De skileraar leert mij skiĂŤn. Dat vraagt heel wat organisatie. Soms is er gevaar voor lawines. Er vliegt een helikopter over de skipiste. De piloot houdt alles in de gaten. In de namiddag houden we af en toe een wedstrijd. Morgen is de grote finale. Als ik win, zal mijn familie heel trots zijn. Dan spring ik een kilometer in de lucht. Ik tel de minuten al af.
7
1
skileraar
2
organisatie
3
lawines
4
helikopter
5
skipiste
6
piloot
7
finale
8
familie
9
kilometer
10
minuten
De leerlingen kunnen de moeilijkheid aanduiden in fluo. Dat helpt hen om hier bewust bij stil te staan. Oefening 7 is geschikt voor partnerwerk. De leerlingen bedenken samen een zin. Ze helpen elkaar en modellen nog eens de moeilijkheid.
Maak met volgende woorden een zin. 1 lawine: 2 horizon: 3 sirene:
Thema 3 - les 5
362
29
L5 - Thema 3 - les 5 - correctiesleutel
HDL T3.indd 362
29/01/18 15:47
8
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1 2 3 4 5 6 7 8 Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
9
Schrijf een kort krantenartikel met deze woorden. lawine – skilift – skileraar – chauffeur – benzine – piloot
30
Thema 3 - les 5
L5 - Thema 3 - les 5 - correctiesleutel
HDL T3.indd 363
363
29/01/18 15:47
Dicteekaartjes - overschrijfkaartjes Leerling 1
Leerling 1 Ik eet graag op restaurant. Mijn auto verbruikt veel benzine. Een lawine is gevaarlijk. De kapitein bestuurt het schip. Elke minuut is kostbaar. In januari kan het nog sneeuwen.
woorden
1 2 3 4 5 6
zinnen
7 De piloot bestuurt een helikopter. 8 De sirene is heel luid.
Leerling 2
woorden
zinnen
364
Ik eet graag op restaurant. Mijn auto verbruikt veel benzine. Een lawine is gevaarlijk. De kapitein bestuurt het schip. Elke minuut is kostbaar. In januari kan het nog sneeuwen.
woorden
1 2 3 4 5 6
zinnen
7 De piloot bestuurt een helikopter. 8 De sirene is heel luid.
Leerling 2 Mijn papa is een veilige chauffeur. Ik wil graag mijn diploma halen. Dat was een bizar verhaal! Heb jij een goed idee? De zon is bijna verdwenen achter de horizon. 6 Wij drinken graag limonade. 1 2 3 4 5
7 Een olifant is niet zo groot als een dinosaurus. 8 De skileraar sprak enkel Frans.
woorden
zinnen
Mijn papa is een veilige chauffeur. Ik wil graag mijn diploma halen. Deze pagina is heel interessant. Heb jij een goed idee? De zon is bijna verdwenen achter de horizon. 6 Wij drinken graag limonade. 1 2 3 4 5
7 Een olifant is niet zo groot als een dinosaurus. 8 De skileraar sprak enkel Frans.
L5 - Thema 3 - les 5 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 364
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 6
Hoe leid je een woord af uit een ander woord? Domein: Onderwerp: Lesduur:
taaldenken grondwoord, samenstelling, afleiding, voor- en achtervoegsels 50 minuten
Samenhang
Materialen
Dit is de eerste les in het vijfde leerjaar die gaat over woordstructuren. In het vierde leerjaar dachten de leerlingen een eerste keer na over grondwoord, samenstelling, afleidingen, vooren achtervoegsel. Die termen zijn nog niet gekend. We breiden die kennis in deze les uit en gebruiken de termen veelvuldig.
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC
Lesdoelen
Folio > taalschrift > bronnenblad 1 > map curriculumdifferentiatie voor IAC
Hoofddoel van de les Reflecteren op de structuur van afleidingen: het grondwoord, het voor- en achtervoegsel. Ander doel Termen gebruiken: afleiding, grondwoord, voorvoegsel, achtervoegsel, samenstelling. Vakoverschrijdend/persoonsgebonden doel Nieuwsgierig zijn naar en bereidheid tonen het nieuwe te ontdekken en erover te leren.
Voorbereiding > Indien je geen gebruik maakt van de bordles (digitaal schoolbord), download dan het bordschema van bronnenblad 1 uit de downloadbare bundel op het lerarengedeelte van bingel.be. Je gebruikt het in lesfase 1 en lesfase 3. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling De lessen taaldenken bieden de kans om met de leerlingen na te denken over hoe onze taal opgebouwd is. Ze verwonderen zich erover hoe klanken, woorden, zinnen en teksten de kern vormen van ons taalsysteem. Speel in op de verwondering van de leerlingen en maak hen nieuwsgierig over hoe taal ‘gemaakt’ wordt.
L5 - Thema 3 - les 6 - lesgang
HDL T3.indd 365
365
29/01/18 15:47
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Het zelfstandig naamwoord herhalen Maak oefening 1 in je taalschrift. Bespreek na: > Wat valt je op aan alle woorden? > Wat verandert er aan het zelfstandig naamwoord dat je markeerde?
taalschrift bronnenblad 1: bordschema. Plaats de woorden in de juiste kolom op het bord.
2 Op het lesdoel focussen Je leert vandaag dat je sommige woorden vormt door er een deeltje aan toe te voegen. Zulke woorden heten afleidingen. Je leidt een woord af van een grondwoord. Soms krijgt het grondwoord daardoor een andere betekenis, zoals bv. ‘werk’ in ‘werkelijkheid’.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 3 Afleidingen met een voorvoegsel of achtervoegsel maken Bekijk oefening 2 en lees de opdracht. Wie kan een voorbeeld geven? (geweld + loos = geweldloos) Maak oefening 2 in je taalschrift. Vraag na vijf tot tien minuten naar enkele voorbeelden en schrijf ze op het bord in de drie kolommen. Lees de taalweter ‘Wat is een afleiding?’ Maak oefening 3 in je taalschrift. Laat de ingevulde kolommen verbeteren door een ander groepje. Bespreek de twijfelgevallen en noteer ze in de drie kolommen van het bordschema. Teken de drie kolommen op het bord en rubriceer de woorden. Maak oefening 4 in je taalschrift. Bespreek klassikaal enkele voorbeelden en twijfelgevallen. Laat de leerlingen bij een moeilijk woord een zin maken of hun zin voorlezen. Maak oefening 5 in je taalschrift. Bespreek klassikaal. 4 Samenstellingen en afleidingen herkennen Lees de taalweter en maak oefening 6 in je taalschrift. Bespreek na: > Wat is het verschil tussen een samenstelling en een afleiding? > Wie heeft er een woord met een voor-en achtervoegsel?
taalschrift
bronnenblad 1: bordschema. Teken de drie kolommen op het bord en rubriceer de woorden.
taalschrift
Controleren en reflecteren 5 Reflecteren en samenvatten > Is het woord ‘afleiding’ een afleiding? Laat de ja-antwoorders hun hand opsteken. Zij hebben gelijk. > Van welk grondwoord is ‘afleiding’ afgeleid? (leid) > Heeft het een voor- of een achtervoegsel? (voorvoegsel af- en achtervoegsel -ing) > Welk woord kun je afleiden van het woord ‘vrij’? (bv. onvrij, vrijheid, bevrijding)
366
L5 - Thema 3 - les 6 - lesgang
HDL T3.indd 366
29/01/18 15:47
6 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
taalschrift Met behulp van Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > lossen oefening 2 en 3 op in taalheterogene groepen van vier leerlingen (zie: tip instructieafhankelijke leerlingen). > lossen oefening 4, 5 en 6 individueel op. Instructiegevoelige leerlingen > lossen oefening 2 en 3 op in taalheterogene groepen van vier leerlingen (zie: tip instructieafhankelijke leerlingen). > lossen oefening 4, 5 en 6 individueel op. Instructieafhankelijke leerlingen > lossen oefening 2, 3 en 4 best op in taalheterogene groepen van vier leerlingen. Instructieafhankelijke leerlingen kunnen zo ‘meedenken’ met de meer taalvaardige leerlingen. Spoor hen aan om voorbeelden in te brengen. Je kunt de groepen verplichten om beurtelings een woord te noemen. > lossen oefeningen 4 en 5 onder jouw begeleiding op, als ze de vorige oefeningen niet goed konden oplossen. Laat hen na enkele voorbeelden zelfstandig werken als dat kan. Laat hen de taalweter erbij nemen. > maken oefening 6 in groep onder jouw begeleiding. Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs. Deze leerlingen oefenen in deze les een lager beheersingsniveau op het herkennen en gebruiken van samenstellingen en afleidingen.
map curriculumdifferentiatie
Pre-instructie voor de volgende les Vraag om tegen de volgende les (Vlot en vloeiend lezen: vrij lezen) een boek naar keuze mee te brengen.
L5 - Thema 3 - les 6 - lesgang
HDL T3.indd 367
367
29/01/18 15:47
les 6
Hoe leid je een woord af uit een ander woord? Ik kan afleidingen herkennen. Ik kan afleidingen maken met voorvoegsels en/of achtervoegsels. Ik kan samenstellingen en afleidingen van elkaar onderscheiden.
1
Kleur in de volgende woorden: het grondwoord. vluchteling
overlast
werk werkelijk
antwoord
gebouw
onweer
wanhoop
storm stormachtig
Wat is een grondwoord? Een grondwoord is de allerkortste vorm van een woord. Je kunt een grondwoord dus niet meer in afzonderlijke woorden splitsen. Bv.
bus, tand, werk, tapijt, douche ...
Zie tip viersporenbeleid. 2
Maak afleidingen door één oranje kaartje met één of meer groene kaartjes te combineren. Je mag elk kaartje meerdere keren gebruiken. geweld
eer
bescherm
vreemd
aard
bang
veilig
interview
ge-
be-
on-
ont-
ver-
-(e)lijk
-ig
-(l)ing
-loos
-heid
-en
-er
bv. onveilig
gevlucht
beveiliging
bangelijk
vervreemd
ontaard
geweldloos
onveiligheid
beveilig
onaardig
oneerlijk
interviewer
bescherming
vluchteling
ontvreemding
vlucht
Thema 3 - les 6
368
89
L5 - Thema 3 - les 6 - correctiesleutel
HDL T3.indd 368
29/01/18 15:47
3
Zie tip viersporenbeleid.
Lees de taalweter. Plaats de afleidingen uit oefening 2 in de juiste kolom. Voorvoegsel
Achtervoegsel
bv. gevlucht
Voor- en achtervoegsel
geweldloos
oneerlijk
vervreemd
bangelijk
ontvreemding
onveilig
interviewer
onaardig
ontaard
bescherming
onveiligheid
beveilig
vluchteling
beveiliging
Wat is een afleiding? Sommige woorden bestaan uit een woord waaraan een klein stukje is toegevoegd. Ze zijn afgeleid van een bestaand woord. Bv.
Ik heb honger, dus ik ben hongerig.
Soms staat het toegevoegde stukje vooraan. Dat noemen we een voorvoegsel. Veel voorkomende voorvoegsels zijn: > > > > >
beonvergeher-
(belonen) (onbeleefd) (verkopen) (geloven) (herbeginnen)
> > > > >
oerhyperaartsont...
(oerstom) (hypernerveus) (aartsmoeilijk) (ontdekken)
Soms staat het toegevoegde stukje achteraan. Dat noemen we een achtervoegsel. Veel voorkomende achtervoegsels zijn: > > > >
-je (kindje) -er (langer) -ster (loopster) -achtig (kinderachtig)
Ik zei niet ‘stom’, maar ‘oerstom’.
> -heid (eerlijkheid) > -ig (zielig) > ...
Stommerik! Dat heeft ook een achtervoegsel, meester!
Soms heb je een voor- en achtervoegsel: > onbruikbaar
90
Thema 3 - les 6
L5 - Thema 3 - les 6 - correctiesleutel
HDL T3.indd 369
369
29/01/18 15:47
4
Voorvoegsel
5
De leerlingen mogen een woordenboek gebruiken. Bij de verbetering moeten ze een zin kunnen maken met dat woord. Laat er ook de taalweter bij nemen.
Zoek bij elk voorvoegsel en achtervoegsel een woord. Je mag je woordenboek gebruiken. Let op: Maak bij de verbetering ook een zin met jouw woord. Achtervoegsel
be-
bv. bevries
-je
grapje
on-
onaangenaam
-er
voetballer
ge-
gevlucht
-ster
leidster
ver-
vereerd
-achtig
vergeetachtig
her-
hervatten
-heid
voorzichtigheid
oer-
oersterk
-ig
grappig
hyper-
hypermodern
-ing
bezetting
aarts-
aartslelijk
-(e)lijk
ongemakkelijk
ont-
ontwijken
-loos
respectloos
Laat de leerlingen eerst de taalweter lezen. Ze mogen hun woordenboek gebruiken.
Zoek vier woorden met een voor- en achtervoegsel. Kleur daarna in elk woord: het grondwoord.
6
Bv. onwettig ttig
betovering etovering
verzekering
onhandelbaar
a Lees de taalweter.
Wat is een samenstelling? We gebruiken niet voor elk nieuw ding een nieuw woord. In plaats daarvan kunnen we bestaande woorden samenvoegen (bv. muis + mat = muismat). Nu je dat weet, kan het je helpen om de betekenis van bepaalde woorden te achterhalen of om ze correct te schrijven. Bv.
brood + mager sport + artikelen + fabrikant
broodmager sportartikelenfabrikant
Er zijn verschillende soorten samenstellingen: > > > > >
met meerdere zelfstandige naamwoorden (bv. televisieaansluiting, netwerkkabel ...) met een bijvoeglijk naamwoord (bv. megaleuk, supersnel ...) met anderstalige delen (bv. harddisk, webcam, webmaster ...) met een afkorting (bv. tv-programma, cd-speler, USB-stick ...) met als eerste deel de stam van een werkwoord (bv. springplank, looprek ...)
Thema 3 - les 6
370
91
L5 - Thema 3 - les 6 - correctiesleutel
HDL T3.indd 370
29/01/18 15:47
b Maak zoveel mogelijk samenstellingen en afleidingen met het grondwoord werk. Je mag een woordenboek gebruiken. Rangschik de woorden in de vier kolommen.
7
Samenstelling
Voorvoegsel
Achtervoegsel
Voor- en achtervoegsel
bv. werkstraf
bewerk
werkloos
onwerkelijk bewerking
werkbank
herwerk
werkelijk
nachtwerk
verwerk
werker
afwerking
bandwerk
gewerk
werking
herwerking
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon afleidingen herkennen. Ik kon afleidingen maken met voorvoegsels en/of achtervoegsels. Ik kon samenstellingen en afleidingen van elkaar onderscheiden.
92
Thema 3 - les 6
L5 - Thema 3 - les 6 - correctiesleutel
HDL T3.indd 371
371
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 7
Vrij lezen Domein: Onderwerp: Lesduur:
lezen vrij lezen in een boek naar keuze 25 minuten
Lesdoelen
Materialen
Hoofddoel van de les Plezier beleven aan lezen.
Diversen > boek naar keuze van de leerling
Ander doel Bereid zijn spontaan voor hen bestemde boeken en andere informatiebronnen te raadplegen. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Plezier beleven en voldoening ervaren.
Voorbereiding Laat een eigen boek of een bibliotheekboek meebrengen.
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling Begeleid leerlingen die niet graag lezen om een boek op maat te vinden. Bied hun verschillende tekstsoorten aan, bijvoorbeeld: strips, informatieve boeken, fictieboeken in alle soorten genres. Peil naar hun interesses en geef hen extra kansen om te vertellen wat ze gelezen hebben.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Op het lesdoel focussen Verduidelijk wat je in deze les beoogt: > Je mag lezen in een boek naar keuze, bijvoorbeeld: een verhaal, een informatief boek, een strip, een tijdschrift of nog iets anders. > Wie graag digitaal leest, mag kiezen voor een boek uit de Talentbib of uit de BiB-BoXen. Die boeken zijn heel compact. Je leest ze binnen de voorziene tijd helemaal uit. Sta de leerlingen toe om samen in een informatief boek te lezen. Ze kunnen dan zaken aan elkaar verduidelijken. Geef de samenlezers een aparte plaats in de klas, zodat ze de individuele ‘stillezers’ niet storen. Maak duidelijke leesafspraken. Waar mogen de leerlingen zitten? Wat doen ze als hun boek uit is?
372
L5 - Thema 3 - les 7 - lesgang
HDL T3.indd 372
29/01/18 15:47
Geef de leerlingen vooraf een algemene opdracht die ze moeten uitvoeren tegen het einde van de leestijd: > Lees je in een fictieboek? Kies dan een fragment dat je grappig/ spannend/verrassend ... vond. Lees het stukje voor aan een klasgenoot en leg uit waarom je dat stukje gekozen hebt. nonfictieboek? Kies dan een foto of een prent die je erg aanspreekt. Vertel waarom dat zo is. Leerlingen die hun boek uit hebben, geef je een bijzondere opdracht: > Las je in een fictieboek? Schrijf dan een nieuwe, korte achterflaptekst. > Las je in een non-fictieboek? Maak reclame voor het boek. Waarom zouden anderen het moeten lezen? Wat kunnen ze ervan leren? Maak de anderen warm voor het boek door er iets uit te vertellen of voor te lezen wat jij heel bijzonder vond.
TIP! Zet de algemene opdrachten op kaartjes en laat de leerlingen een opdracht trekken.
TIP! Stimuleer om een boek uit te lezen door leuke opdrachten te verzinnen die ze alleen dan mogen uitvoeren.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 1 Het boek lezen Laat vrij lezen in een boek naar keuze.
Controleren en reflecteren 2 Over het boek en het leesproces reflecteren Bespreek: > Wat heb je gelezen? > Hoeveel heb je gelezen? > Heb je zin om verder te lezen in het boek? > Wat ben je te weten gekomen?
TIP! Lees zelf in een boek (modelling). Of begeleid een zwakke lezer bij het lezen, bijvoorbeeld door te duolezen met de leerling, samen een informatief boek te lezen of extra duiding te geven.
3 Met een algemene opdracht controleren Kom terug op de algemene opdracht die je meegaf voor het lezen. Kies uit twee opties: > Pik er enkele leerlingen uit die hun algemene opdracht uitvoeren voor de hele klasgroep. > Stel groepjes samen met groepsleden die al dan niet dezelfde opdracht kregen. De groepsleden voeren dan voor elkaar de algemene opdracht uit. Zo krijgt iedereen de kans zijn of haar algemene opdracht uit te voeren.
L5 - Thema 3 - les 7 - lesgang
HDL T3.indd 373
373
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 8
Blijven of terugkeren? Domeinen: Onderwerp: Lesduur:
schrijven, luisteren, spreken een informatieve tekst lezen, verwerken in een schema en een verslag schrijven 75 minuten
Samenhang
Materialen
Ook deze les biedt, net als les 3 en 4, oefenkansen voor het opstellen van vragen. Een aantal van deze vragen zullen ze in het interview van les 9 gebruiken. Op het einde van de les schrijven de leerlingen een verslag. Een aantal van hen zal dat aan de geïnterviewde voorlezen.
Digitaal > bordboek Folio > taalschrift
Lesdoelen Hoofddoel van de les Schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden (informatie weergeven aan de hand van schema’s, informatie vergelijken, informatie samenvatten). Andere doelen > Plezier beleven en bereid zijn te lezen en te schrijven. > Een verslag schrijven van een gebeurtenis, een behandeld project, een gelezen boek, eigen belevenissen en ervaringen... (persoonlijke indruk, eigen mening, passende illustraties). Actief luisteren en zelf spreken evenwichtig afwisselen. In voor hen bestemde informatieve teksten: gewenste informatie afleiden, hoofdgedachte afleiden. Strategieën Volgende strategieën zelfstandig of met behulp van een stappenplan hanteren: > Tijdens het lezen: in de tekst belangrijke zaken markeren. > Tijdens het schrijven: gedachten onder woorden brengen in de vorm van woorden, zinnen en teksten. > Na het schrijven: de tekst in een definitieve vorm brengen en in interactie met anderen reflecteren over het schrijfproduct. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Beseffen dat wat we nu en hier doen gevolgen heeft voor later en voor anderen elders op de wereld.
Voorbereiding Vraag aan de leerlingen wie al een geïnterviewde vond voor les 9 en of die persoon op het afgesproken tijdstip aanwezig kan zijn.
374
L5 - Thema 3 - les 8 - lesgang
HDL T3.indd 374
29/01/18 15:47
Woordenschat Tekstwoorden > de migratie > het asiel
Coöperatieve werkvormen > denken - delen - doen > verdeelde informatie
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling Door de oorzaken voor migratie na te gaan, beseffen de leerlingen dat bijvoorbeeld oorlog en klimaatverandering een grote invloed hebben op onze toekomst.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Oriëntatievragen voor het lezen bespreken Maak de link met de vorige lessen. Om welke reden zou jij je land of stad willen? Speel zeker in op leerlingen die hier als vluchteling terechtgekomen zijn. > In welke omstandigheden verliet Toda haar land? (Haar vader werd opgeroepen voor de oorlog en zij gaat samenwonen met haar oma.) > In welke omstandigheden verliet Silvain zijn land? (Hij is gevlucht voor de oorlog in zijn land Rwanda, later is hij onder valse voorwendselen meegenomen als kindsoldaat.) 2 Op het lesdoel focussen We lezen teksten over waarom mensen vluchten. Die informatie vat je samen in een schema. Met het schema schrijf je straks een verslag alsof je zelf naar een ander land gaat of uit een ander land komt.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 3 Sleutelwoorden zoeken Coöperatief leren: denken - delen - doen Laat de tekst bij oefening 1 in stilte lezen en vragen 1a - 1d oplossen per twee. Laat enkele leerlingen hun sleutelwoorden en titel delen met de klas. Noteer enkele goede titels van de leerlingen op bord.
taalschrift
L5 - Thema 3 - les 8 - lesgang
HDL T3.indd 375
375
29/01/18 15:47
4 Sleutelwoorden zoeken en een schema aanvullen Coöperatief leren: denken - delen - doen Laat de tekst bij oefening 2 in stilte lezen. Bespreek oefening 2a klassikaal. In oefening 2b kleuren de leerlingen gedurende vijf minuten individueel de sleutelwoorden in de tekst. Ze overleggen daarna per twee en proberen hun twee meningen samen te krijgen in één antwoord. Bouw vervolgens samen met de leerlingen het schema op van oefening 2b. Breng dit schema aan het bord. Hiermee vullen ze het schema in hun schrift aan. Bespreek oefening 2c klassikaal.
taalschrift Leesstrategie 5: Ik visualiseer de inhoud van de tekst (in mijn hoofd, met een schema of web, door onderstrepen of aantekeningen maken). taalschrift
5 Thema van een tekst zoeken Coöperatief leren: verdeelde informatie Vorm groepen van vier leerlingen. De teksten van oefening 3 worden door de leerlingen binnen de groep verdeeld. Elke leerling leest zijn tekst en zoekt naar de migratieoorzaak. Daarna vullen de leerlingen samen de woordparachute aan van oefening 4. Na tien minuten noteren enkele leerlingen het schema op bord. Laat de leerlingen in consensus tot een vraag komen die ze zouden willen stellen. 6 Een verslag schrijven Je kent nu een heel aantal oorzaken voor migratie. Je beeldt je in dat je een vluchteling bent. Je schrijft waarom je gevlucht bent en wat je verwacht van het land waarin je gaat wonen. De leerlingen lossen eerst de vragen van oefening 5a op. Daarna schrijven ze met de antwoorden een vlot leesbare tekst (oefening 5b).
taalschrift Schrijfstrategie 5: Ik verbeter en verzorg mijn werk.
De leerlingen zitten opnieuw samen met de groep van oefening 3-4. Ze lezen hun verslag aan elkaar voor. Ze reageren kort op de inhoud.
Controleren en reflecteren 7 De bedachte vragen bespreken en op het doel reflecteren Laat de groepen de vragen die ze willen stellen voorlezen. Bespreek elke vraag: > Is dit een goede vraag? Waarom (niet)? > Weet iemand het antwoord al? > Hoe zouden we een antwoord kunnen krijgen? Stel ten slotte nog enkele bijkomende vragen om te reflecteren over de doelen: > Kon je de sleutelwoorden gemakkelijk vinden? Waarom (niet)? > Kon je de sleutelwoorden uit de tekst halen en in het schema noteren? Waarom (niet)? > Wat vind je van het verslag dat je geschreven hebt? Wat vonden de anderen van je verslag? > Hoe verliep de samenwerking in je groep? Wat ging goed en wat kon beter? 8 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
376
TIP! Met behulp van de Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
L5 - Thema 3 - les 8 - lesgang
HDL T3.indd 376
29/01/18 15:47
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > maken ook de uitbreidingsoefeningen. Instructiegevoelige leerlingen > maken geen uitbreidingsoefeningen. > overlopen samen met de leraar de vragen van oefening 5 en formuleren mondeling enkele korte antwoorden. > maken oefening 5 eventueel per twee. > sluiten aan bij de instructieafhankelijke leerlingen als ze vastlopen. Instructieafhankelijke leerlingen > maken de oefeningen 1, 3 en 5 onder begeleiding. > maken geen uitbreidingsoefeningen.
Na de les Vul het portfolio in bij elke leerling. Baseer je daarvoor op de observaties tijdens de les, de zelfevaluatie van de leerling en op de antwoorden van de leerling op de vragen in het taalschrift. Met behulp van Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
L5 - Thema 3 - les 8 - lesgang
HDL T3.indd 377
377
29/01/18 15:47
les 8
Blijven of terugkeren? Ik kan de hoofdgedachte uit een tekst halen. Ik kan de hoofdgedachte uit een tekst in een schema samenvatten. Ik kan een verslag schrijven.
1
Lees de tekst. Beantwoord de vragen.
Titels zijn kort en krachtig, bevatten geen lidwoorden en doorgaans geen werkwoorden.
Bv. Duur van de migratie
Je kunt voor kortere tijd elders gaan wonen: een paar maanden tot een jaar. Zo zijn er mensen die voor een korte tijd komen helpen bij de fruitpluk. Je kunt ook voor een lange tijd vertrekken, zelfs voor de rest van je leven. Zo vertrokken er uit BelgiĂŤ heel wat mensen naar de VS aan het einde van de 19e eeuw. Soms wil je voor een korte tijd vertrekken, maar wordt het een lange tijd. Oorlogsvluchtelingen willen meestal terug naar hun land als de oorlog voorbij is. Maar soms duurt het zo lang voor er vrede is, dat mensen niet meer zo gemakkelijk terugkeren: ze hebben werk, hun kinderen gaan naar school ... Bron: Zonneland
a Kleur in de tekst: twee woorden die aangeven welk twee soorten vertrekkers er zijn. b Schrijf bovenaan het fragment een gepaste titel die de hoofdgedachte verwoordt. c
Zou jij in een ander land willen gaan wonen? Waarom (niet)?
d Naar welk land zou jij dan willen verhuizen? Waarom?
Laat enkele leerlingen vertellen waarom ze in een ander land willen gaan wonen en welk land ze dan verkiezen. Thema 3 - les 8
378
93
L5 - Thema 3 - les 8 - correctiesleutel
HDL T3.indd 378
29/01/18 15:47
2
Lees de tekst. Beantwoord de vragen.
Er beweegt wat in België! België heeft ongeveer elf miljoen inwoners, onder wie Belgen, vreemdelingen vr en vreemdelingen die Belg zijn geworden. Dat aantal verandert onder invloed van migratiebewegingen: mensen die België verlaten of die er komen wonen. Hier vind je meer cijfermateriaal over migratie in België. Als België 100 inwoners zou hebben, dan > zijn 82 van de inwoners Belgen van geboorte > zijn 10 van de niet-Belgen Europees van afkomst > zijn 5 van de niet-Belgen Afrikaans van afkomst > zijn 3 van de niet-Belgen Aziatisch van afkomst. W Bron: Zonneland
a Duid het juiste antwoord aan. De beste manier om de betekenis van het woord migratiebeweging te vinden, is de betekenis: opzoeken in een woordenboek. uit de tekst afleiden. aan de juf of meester vragen. vinden door het woord te splitsen.
de migratie verhuizing van volkeren of bevolkingsgroepen van de ene naar de andere plek
b Kleur in de tekst: de woorden die je nodig hebt om de woordparachutes aan te vullen. Vul de woorden in de woordparachutes aan. 11 miljoen inwoners van België
Belgen
vreemdelingen
100 inwoners van België
10 Europese afkomst
vreemdelingen die Belg geworden zijn
c
Als 10 van de 100 Belgen van Europese afkomst zijn, hoeveel zijn er dat dan op 11 miljoen Belgen? 1 100 000 of een miljoen honderdduizend
94
3 Aziatische afkomst
5 Afrikaanse afkomst 82 Belgen van geboorte
Bij deze oefening zijn er twee goede strategieën: het woord splitsen of de betekenis afleiden uit de tekst. Er staat immers een dubbele punt achter het woord migratiebeweging. Dat wijst erop dat de uitleg volgt. De gevonden sleutelwoorden moeten in het schema passen. Zo kunnen de leerlingen controleren of ze de juiste sleutelwoorden gevonden hebben.
Thema 3 - les 8
L5 - Thema 3 - les 8 - correctiesleutel
HDL T3.indd 379
379
29/01/18 15:47
3
Migratie kent vele oorzaken. Verdeel de vier teksten in je groep. Elk groepslid beantwoordt deze vragen: a Waarom ontvluchten de mensen uit je tekst hun land? Zoek de reden van de migratie. b Welke vraag zou je aan de mensen uit je tekst willen stellen?
Tekst 1 NIEUWS
REGIO
SPORT
WEER
Erkenning voor klimaatvluchtelingen BUITENLAND – Een gezin uit Tuvalu kreeg asiel in Nieuw-Zeeland.
e migratie erhuizing van volkeren of evolkingsgroepen van de ne naar de andere plek
© Torsten Blackwood /AFP
Is dat groot nieuws? Toch wel. Tuvalu wordt bedreigd door de gevolgen van het klimaat dat verandert. Het eiland zal overstromen door de opwarming van de aarde. De leden van het gezin zijn zo de eerste erkende klimaatvluchtelingen. Het gezin woont al sinds 2007 in Nieuw-Zeeland. De kinderen zijn er geboren. Het gezin vroeg asiel aan. Dat werd eerst geweigerd, maar in beroep kreeg het gezin gelijk. Het gezin verbleef een tijdje in een opvangcentrum maar woont nu in een eigen huis. Bron: Wablieft
W
het asiel
vluchtelingen die asiel aanvragen in een land, vragen of ze in dat land mogen blijven
het opvangcentrum
gebouw waar mensen in nood mogen verblijven en hulp krijgen
België a Reden van migratie: klimaat b Vraag aan dit gezin:
3 Aziatische afkomst
lgen van geboorte
11 miljoen Belgen?
Thema 3 - les 8
380
95
L5 - Thema 3 - les 8 - correctiesleutel
HDL T3.indd 380
29/01/18 15:47
Tekst 2 NIEUWS
REGIO
SPORT
WEER
Meer homo’s vragen asiel aan BELGIË Mensen die homo zijn, vragen vaker asiel aan in België. Jaarlijks behandelt het Commissariaat voor de Vluchtelingen meer dan duizend aanvragen. Ongeveer een op vijf van de mensen die asiel aanvragen om die reden, krijgt dat ook. Waarom stijgt het aantal aanvragen? In sommige landen werden de problemen voor homo’s groter: bijvoorbeeld in Oeganda of in Rusland. Mensen zien en horen ook dat ze welkom zijn in ons land. Bron: Wablieft
a Reden van migratie: seksuele geaardheid b Vraag aan het Commissariaat:
Tekst 3 NIEUWS
REGIO
SPORT
WEER
Afrika wil naar de maan BUITENLAND Afrika wil de ruimte in. Wetenschappers van verschillende Afrikaanse universiteiten steunen het project Africa2Moon. Ze willen 150 000 dollar inzamelen via het internet. Met dat geld willen wetenschappers een reis naar de maan voorbereiden. Zo zou een Afrikaanse satelliet beelden van de reis kunnen maken. Dat moet Afrikaanse jongeren aansporen om in hun eigen land te studeren en te werken. Nu vertrekken er veel jongeren voor hogere studies naar het buitenland en vragen daar asiel aan. Africa2Moon wil dat veranderen. Bron: Wablieft
a Reden van migratie: studeren of werken b Vraag aan Afrikaanse jongere die in het buitenland studeert:
96
Thema 3 - les 8
L5 - Thema 3 - les 8 - correctiesleutel
HDL T3.indd 381
381
29/01/18 15:47
Tekst 4 NIEUWS
REGIO
SPORT
WEER
De fruitpluk BELGIĂ‹
Š HOLLANDSEHOOGTE
In het seizoen van de fruitpluk komen heel wat mensen van verschillende nationaliteiten even naar ons land om op de fruitbedrijven te helpen plukken. Appels, peren, maar ook aardbeien zijn rijp op hetzelfde moment. Om al dat fruit op tijd te kunnen plukken, schakelen de boeren fruitplukkers in. Die fruitplukkers verhuizen dan voor even naar ons land. Ze verblijven bij familie of ze krijgen een slaapplaats van de boer.
Bron: Zonneland
a Reden van migratie: fruitpluk of seizoensarbeid b Vraag aan een fruitplukker:
Kies een tweede tekst en noteer de reden van de migratie.
4
Vul de woordparachute aan met de verschillende redenen van migratie die je in oefening 3 met je groep hebt gevonden.
Laat enkele leerlingen de redenen van migratie uitleggen. Bespreek kort waarom die reden al dan niet klopt.
Redenen van migratie
oorlog
fruitpluk of seizoensarbeid studeren/werken
klimaat seksuele geaardheid
Thema 3 - les 8
382
97
L5 - Thema 3 - les 8 - correctiesleutel
HDL T3.indd 382
29/01/18 15:47
5
Stel: je wilt weg uit BelgiĂŤ. In welk land wil je gaan leven? Wat verwacht je van dat land? Schrijf een kort verslag over je ervaringen. De vragen hieronder en de verhalen over Silvain en de andere kinderen helpen je op weg. a Beantwoord deze vragen.
Wie ben je?
In welk land woon je?
Waarom ga je weg uit dat land? Wat is het probleem of wat is de aanleiding?
Ga je alleen of met je gezin?
In welk land wil je gaan wonen?
Wat verwacht je van dat land?
Hoe geraak je in dat land?
Hoe is de reis verlopen?
Waar kom je terecht in dat land?
Hoe voel je je daar?
Wil je ooit terugkeren naar je geboorteland? Waarom (niet)?
98
Thema 3 - les 8
L5 - Thema 3 - les 8 - correctiesleutel
HDL T3.indd 383
383
29/01/18 15:47
Verbeter oefening 5b tegen de volgende les zodat de leerlingen hun verslag vlot kunnen voorlezen aan de geĂŻnterviewde..
b Maak met je antwoorden een vlot leesbare tekst.
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de hoofdgedachte uit een tekst halen. Ik kon de hoofdgedachte uit een tekst in een schema samenvatten. Ik kon een verslag schrijven.
Thema 3 - les 8
384
99
L5 - Thema 3 - les 8 - correctiesleutel
HDL T3.indd 384
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 9
Ik word journalist! Domeinen: Onderwerp: Lesduur:
spreken, luisteren, schrijven interviewvragen opstellen en een volwassene interviewen 75 minuten
Samenhang
Materialen
In het eerste deel van deze les selecteren de leerlingen vragen die ze tijdens de vorige lessen hebben genoteerd. In het tweede deel interviewen de leerlingen een volwassene. Bij het begin van dat interview leest een leerling zijn verslag van de vorige les voor.
Digitaal > bordboek > dvd
Lesdoelen
Folio > taalschrift > bronnenblad 1
Hoofddoel van de les De leerlingen spreken met een onbekende volwassene over oorlog, ruzie, agressie, pesten ... Andere doelen > Spreken met verzorgd en aangepast tempo, aangepast volume. > Gerichte vragen voorbereiden en stellen om de gewenste informatie te bekomen van onbekende volwassenen. Actief luisteren en zelf spreken evenwichtig afwisselen. Een verslag schrijven van een gebeurtenis, een behandeld project, een gelezen boek, eigen belevenissen en ervaringen ... (persoonlijke indruk, eigen mening, passende illustraties). Strategieën Volgende schrijfstrategieën zelfstandig of met behulp van een stappenplan hanteren. > Tijdens het schrijven: hun gedachten onder woorden brengen in de vorm van woorden, zinnen en teksten. > Na het schrijven: in interactie met anderen reflecteren over het schrijfproduct. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Ervaren dat waarden en normen kunnen verschillen naar gelang de context en de levensbeschouwelijke traditie.
Voorbereiding Maak een afspraak met drie tot vijf volwassenen die de leerlingen kunnen interviewen. Vind je minder personen, dan heb je de keuze: > Maak groepen van zeven tot acht leerlingen per geïnterviewde. Dan kunnen alle leerlingen tegelijkertijd aan de slag. Het interview duurt in dat geval langer omdat veel leerlingen hun vraag moeten stellen. > Maak groepen van maximum vijf interviewers. Dan zijn er één of twee groepen die niet dadelijk aan het interview kunnen beginnen. Laat hen in groep de vragen selecteren die ze zeker willen stellen. Of laat hen bespreken wie ze willen interviewen en waarom, wat ze van het interview verwachten ... De groepen die tussendoor moeten wachten, kunnen al aan hun verslag beginnen. Ze kunnen dat verslag daarna aanvullen. > Indien je geen gebruik maakt van de bordles (digitaal schoolbord), bekijk dan het bordschema in de downloadbare bundel. Maak voor de les je bordschema klaar. L5 - Thema 3 - les 9 - lesgang
HDL T3.indd 385
385
29/01/18 15:47
Woordenschat Tekstwoorden > de interviewer > de geïnterviewde
Coöperatieve werkvormen in deze les > interview > consensusmethode
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling Het contact met mensen uit andere landen maken de leerlingen kennis met andere manieren van denken en andere gewoonten.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Een interview bekijken Vandaag interviewen jullie een volwassene. We bekijken een filmpje om te zien hoe een interview kan verlopen: > Van welke organisatie is de geïnterviewde? (Rode Kruis) > Hoe heet de geïnterviewde? (Ann Luyten) > Wat doet de interviewer? (vragen stellen, vragen van kijkers stellen) > Welk gevoel geeft het interview jou? (Het maakt me verdrietig, ik voel medelijden ...) > Wat vind je goed aan het interview? > Wat vind je er moeilijk aan? 2 De geïnterviewden voorstellen Ik stel jullie de mensen voor die jullie straks zullen interviewen. Projecteer het schema en vul het aan met de informatie over de interviewkandidaten. Coöperatief leren: consensusmethode Laat de leerlingen minstens vijf interviewvragen selecteren uit het bordschema en noteren in hun taalschrift (oefening 2). Ze mogen ook extra vragen verzinnen. Ze komen met de groepsleden overeen welke vragen ze willen stellen. Wie klaar is, kiest een persoon om te interviewen. Als de groep vijf tot acht leerlingen groot is (afhankelijk van de grootte van je klasgroep en het aantal geïnterviewden), start het interview.
386
dvd taalschrift
bronnenblad 1: bordschema
TIP! Noteer enkele van de extra vragen in het bordschema dat tijdens de voorbije lessen gegroeid is.
L5 - Thema 3 - les 9 - lesgang
HDL T3.indd 386
29/01/18 15:47
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 4 Het interview afnemen Het interview verloopt volgens het stappenplan in oefening 3. Bespreek de taalweter van oefening 4: ‘Hoe neem ik een goed interview af?’ Laat de leerlingen een tweede interview afnemen. Ze kunnen vragen hergebruiken, maar ze houden rekening met de tips uit de taalweter. 5 Een verslag schrijven De leerlingen schrijven een kort verslag over het interview aan de hand van vragen (oefening 5).
taalschrift
TIP! Laat leerlingen die dezelfde taal spreken als de geïnterviewde een vraag in deze taal stellen. taalschrift
Controleren en reflecteren 6 Over de doelen reflecteren Laat de leerlingen en de geïnterviewde de zelfevaluatie in het taalschrift invullen en kort bespreken. Enkele leerlingen lezen hun verslag voor aan de geïnterviewde. Die kan eventueel nog iets aanvullen, nuanceren of aanpassen. 7 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
taalschrift
TIP! Met behulp van Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
Redicodis/viersporenbeleid Algemeen > maak heterogene groepen. Instructiegevoelige leerlingen > kunnen het verslag samen schrijven met een andere instructiegevoelige leerling of met een instructieonafhankelijke leerling. Instructieafhankelijke leerlingen > maken het verslag (oefening 5) onder begeleiding. > krijgen hulp bij het selecteren van goede vragen.
L5 - Thema 3 - les 9 - lesgang
HDL T3.indd 387
387
29/01/18 15:47
les 9
Ik word journalist! Ik kan een volwassene op een goede manier interviewen. Ik kan een verslag over mijn interview schrijven.
1
Kijk aandachtig naar het interview.
2
Interview zelf iemand. Noteer hier minstens vijf vragen die je in je interview wilt stellen. Kies vragen uit het bordschema. Je mag er ook enkele zelf verzinnen. 1
Bv. Hoe is de vluchtelingencrisis begonnen? (Hoe komt het zo opeens?)
2
Hoe kunnen we helpen?
3
Waar slapen die mensen?
4
Hoe ziet een opvangcentrum er langs binnen uit?
5
Komt het ooit nog allemaal goed?
6
Hoe is het om met vluchtelingen te werken?
7
100
388
Thema 3 - les 9
L5 - Thema 3 - les 9 - correctiesleutel
HDL T3.indd 388
29/01/18 15:47
3
Lees aandachtig hoe het interview zal verlopen.
W
STAP 1: Stel je als interviewer kort voor. STAP 2: Vraag de geïnterviewde om zich kort voor te stellen. STAP 3: Lees dit tekstje voor: “We lazen en schreven allerlei teksten over mensen die ooit van land verhuisden. We lezen er enkele voor. Herkent u zich in een van deze verhalen?”
de interviewer persoon die in een interview de vragen stelt de geïnterviewde persoon die in een interview de vragen beantwoordt
Daarna lezen één of twee groepsleden het verslag voor dat jullie in de vorige les schreven. STAP 4: Stel om de beurt een vraag die je bij oefening 2 genoteerd hebt. STAP 5: Vraag aan de geïnterviewde wat hij/zij zelf nog wil vertellen. STAP 6: Hebben jullie geen vragen meer? Of stopt je juf of meester het interview? Sluit dan het interview op gepaste manier af door de geïnterviewde te bedanken voor zijn/haar tijd.
4
Interview een tweede persoon. Lees eerst de taalweter zodat je het interview nog beter kunt afnemen.
Hoe neem ik een goed interview af? Volgende tips kunnen je helpen! Aan het begin van een interview: > Begroet de persoon die je gaat interviewen. > Stel jezelf voor (Ik ben ...). > Vraag of je enkele vragen mag stellen. Tijdens het interview: > Luister geboeid en ga in op wat de spreker zegt of stel vragen bij als iets niet duidelijk is. Na het interview: > Bedank de geïnterviewde voor het interview.
Thema 3 - les 9
101
L5 - Thema 3 - les 9 - correctiesleutel
HDL T3.indd 389
389
29/01/18 15:47
5
Schrijf een verslag over het interview. Daarin antwoord je op twee vragen: 1 Wat vond je interessant of verrassend aan het interview? 2 Wat onthoud je uit dit interview?
6
Hoe verliep de les voor jou? Ik sprak duidelijk en niet te snel. Ik keek naar de geĂŻnterviewde. Ik werkte goed samen om vragen te vinden voor het interview. Ik bedankte de geĂŻnterviewde op het einde. Ik kon een verslag over mijn interview schrijven.
102
390
Thema 3 - les 9
L5 - Thema 3 - les 9 - correctiesleutel
HDL T3.indd 390
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 10
Woorden net als heerlijk, rustig en cent Domein: Onderwerp: Lesduur:
spelling doffe klinker in achtervoegsel -ig/-ige – doffe klinker in achtervoegsel -(e)lijk/-(e)lijke – woorden uitgesproken met s geschreven als c 1 week – 3 lesblokken van 25 minuten
Samenhang
Materialen
De leerlingen leerden al dat ze de doffe e meestal met een e schrijven. Woorden met het achtervoegsel ig(e ) en (e)lijk(e) wijken daarvan af en kennen ze ook. In deze les worden de achtervoegsels ig(e), (e)lijk(e) verder ingeoefend. De leerlingen kennen de onthoudstrategie. Ze maken kennis met woorden met een c die als s uitgesproken wordt.
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC
Lesdoelen Hoofddoelen van de les > Woorden die eindigen op ig correct schrijven. > Woorden die eindigen op lijk correct schrijven. > Woorden uitgesproken met s geschreven als c (bv. cent) correct schrijven. Andere doelen > Leestekens gebruiken en erover reflecteren: het punt. > Leestekens gebruiken en erover reflecteren: het vraagteken.
Folio > spellingschrift > dicteekaartjes (kopieerblad 1) > map curriculumdifferentiatie voor IAC Diversen > schrijflei
Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Een realistisch zelfbeeld opbouwen. Positief omgaan met eigen mogelijkheden en beperkingen.
Voorbereiding > Kopieer de dicteekaartjes: voorzie voor de helft van de leerlingen dictee 1, voor de andere helft dictee 2. Heel zwakke spellers gebruiken het dicteekaartje als kopieerkaart. Zo kunnen ze de woorden en zinnen eerst bekijken om ze daarna te bedekken en op te schrijven. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
Coöperatieve werkvormen in deze les > uitwisselen en delen > partnerdictee
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling De leerlingen maken elke spellingweek een controleoefening. Ze schatten zichzelf in door aan te duiden of ze twijfelen of niet. Zo leren ze hun mogelijkheden en beperkingen kennen en ontdekken ze waarvoor ze extra oefening kunnen gebruiken.
L5 - Thema 3 - les 10 - lesgang
HDL T3.indd 391
391
29/01/18 15:47
Lesgang Aanbreng (25 minuten) 1 De voorgaande spellingmoeilijkheden herhalen: woorddictee Herhaal enkele woorden uit de vorige les met een woorddictee. Laat de woorden mondeling spellen of op een schrijflei schrijven. Geef onmiddellijk feedback. > restaurant Ik eet graag in een ... . > helikopter Vliegen met een ... is spannend. > Olifanten ... zijn grote dieren. > chauffeur Mijn papa is een goede ... . 2 De moeilijkheid inductief ontdekken Projecteer of teken de toppuzzel. Los de toppuzzel klassikaal op. De leerlingen moeten de klinkers op de juiste plaats invullen om een correct woord te krijgen. De leerling die een woord aanreikt, moet het woord ook mondeling spellen.
schrijflei
spellingschrift
3 Directe instructie Als de puzzel opgelost is, bespreek je de drie inhouden waarop deze les focust. Woorden met (e)lijk/(e)lijke Zet het woord met lijk uit de toppuzzel op het bord (ongelooflijk). Bespreek het woord, zowel naar betekenis als naar spellingmoeilijkheid. Model zelf of laat modellen hoe je de moeilijkheid aanpakt: Woorden als ongelooflijk zijn afleidingen. Ze bestaan uit een grondwoord en een achtervoegsel (ongeloof + lijk). Je gebruikt de hoorstrategie: je hoort een doffe e in het laatste deel, maar schrijft altijd een ij in het achtervoegsel lijk. Deze woorden schrijf je net als heerlijk. Let op bij vormen als koninklijk en aanvankelijk: hier verandert de ng van het grondwoord in nk!
spellingschrift
Bespreek spellingweter 6 ‘Woorden met (e)lijk(e)’. Woorden met -ig/-ige Zet de twee woorden met ig uit de toppuzzel op het bord (vrijwilliger, puntig). Model zelf of laat modellen hoe je de moeilijkheid aanpakt: Woorden als puntig zijn afleidingen. Ze bestaan uit een grondwoord en een achtervoegsel (punt + ig). Je gebruikt de hoorstrategie: je hoort een doffe e in het laatste deel, maar schrijft altijd een i in het achtervoegsel ig. Bespreek vrijwilliger: hier komt na het achtervoegsel ig nog een stukje. De woorden met ig schrijf je net als rustig. Bespreek daarbij spellingweter 5 ‘Woorden met ig(e)’.
spellingschrift
Woorden met een c die je uitspreekt als s Zet de eerste twee woorden met s als c uit de toppuzzel op het bord (cinema, cirkel). Bespreek de woorden, zowel naar betekenis als naar spellingmoeilijkheid. Model zelf of laat modellen hoe je de moeilijkheid aanpakt:
392
L5 - Thema 3 - les 10 - lesgang
HDL T3.indd 392
29/01/18 15:47
Deze woorden moet je onthouden. Je schrijft ze net als cent.
spellingschrift
Bespreek daarbij spellingweter 19 ‘Woorden uitgesproken met s geschreven als c’.. 4 Herhalen van de toegepaste strategieën Coöperatief leren: uitwisselen en delen Sluit de puzzel en geef de leerlingen de opdracht om in duo samen ze aan te vullen in hun spellingschrift. Om de beurt reiken ze een woord aan waarbij ze de schrijfwijze modellen.
spellingschrift
Laat de zelfbedachte woorden noemen. Schrijf de woorden op het bord en laat de strategie modellen. 5 Gedifferentieerde verwerking met visueel dictee Laat oefening 1 oplossen.
spellingschrift
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > verwerken oefening 1 zelfstandig. > zoeken op het einde van de oefening zelf nog twee voorbeeldwoorden bij elke moeilijkheid. > (snelle leerlingen) houden een partnerdictee met schrijflei. Instructiegevoelige leerlingen > verwerken oefening 1 zelfstandig. > zoeken op het einde van de oefening zelf nog twee voorbeeldwoorden bij elke moeilijkheid. Instructieafhankelijke leerlingen > werken in miniklas onder begeleiding. > staan per woord stil bij de moeilijkheid en hoe je die aanpakt. > modellen om de beurt de moeilijkheden. Verlengde instructie > Zeg het woord hardop voor jezelf. > Duid de moeilijkheid aan in fluo. > Verwoord de spellingmoeilijkheid en bespreek de aanpak van de moeilijkheid (modellen). > Bekijk het woord opnieuw en dek het af. > Schrijf het woord op, zonder lidwoord. > Controleer aan de hand van het voorbeeldwoord of het stukje dat je net kleurde juist geschreven is. > Controleer of de rest van het woord juist geschreven is. Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs. Leerlingen met een IAC oefenen in deze les extra op woorden met ig(e) en (e)lijk(e).
map curriculumdifferentiatie
L5 - Thema 3 - les 10 - lesgang
HDL T3.indd 393
393
29/01/18 15:47
Inoefening (25 minuten) 6 De leerstof kort herhalen Dicteer twee woorden als cent (citroen, cijfer, december), twee woorden als heerlijk(e) (koninklijk, gruwelijk) en twee woorden als rustig(e) (vrijwilliger, grondig). De leerlingen spellen mondeling of schrijven op de schrijflei. Laat modellen hoe ze het probleem aanpakken. 7 Schriftelijk inoefenen Laat oefeningen 2-7 oplossen.
schrijflei
spellingschrift
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > verwerken de oefeningen zelfstandig, inclusief de uitbreidingsopdrachten. Extra oefening Maak een woordpiramide met een zelfgekozen topwoord. Bijvoorbeeld: g gr gro gron grond grondi grondig Instructiegevoelige leerlingen > overlopen eerst de oefeningen eerst samen met jou. > maken alleen de basisoefeningen. Instructieafhankelijke leerlingen > werken in miniklas onder begeleiding. > modellen de eerste opdracht van elke oefening. > krijgen hulp waar nodig. Oefening 2 Laat een leerling het woord hardop zeggen en bespreek of het woord goed aangevuld werd. Sta extra stil bij de woorden koning en aanvang waarbij de ng verandert in nk bij het toevoegen van (e)lijk. Oefening 3 Laat beurtelings een woord hardop zeggen en de aanpak voor het schrijven modellen. Oefening 4 Laat de woorden van oefening 1 bekijken om de passende woorden te vinden. Laat het woord wel bedekken wanneer de leerlingen het opschrijven. Oefening 5 Laat de woorden zoeken. Bij het schrijven lezen ze telkens een woord, bedekken het en schrijven het op. Oefening 6 Laat de regels voor hoofdletters nog eens verwoorden.
394
L5 - Thema 3 - les 10 - lesgang
HDL T3.indd 394
29/01/18 15:47
Oefening 6 Laat de regels voor hoofdletters nog eens verwoorden. Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs.
map curriculumdifferentiatie
Signaal en integratie (25 minuten) 8 Signaaloefening Coöperatief leren: partnerdictee De leerlingen dicteren en schrijven om de beurt bij oefening 8. Leerling 1 > De natuur is ongelooflijk mooi. > Dit is een puntige stok. > Het was een gruwelijke moord. > Een vrijwilliger is een grote hulp. > Wanneer begint het kerkelijk jaar? > De figuur is geen cirkel maar een grillige figuur. > Waar ligt de kerncentrale precies?
spellingschrift dicteekaartjes TIP! Focus op de ‘Ik twijfel’kolom. Nadat de leerlingen het woord of de zin schreven, lezen ze na wat ze schreven. Twijfelen ze over de schrijfwijze, dan zetten ze een kruisje.
Overzicht van de gedicteerde woorden: Uit spellingles
Transfer
ongelooflijk, puntige, gruwelijke, vrijwilliger
kerkelijk
Losse woorden Woorden in zin
precies, cirkel
grillig, kerncentrale
Leestekens/ hoofdletters
Totaal /10
Leestekens: een punt bij het einde van de eerste zin en een vraagteken bij het einde van de tweede zin Hoofdletters: De, Waar 6
4 (met telkens 0,5 punten als beide hoofdletters/ punten correct geschreven zijn)
TIP! De puntenverdeling is facultatief.
Leerling 2 > Oefen grondig voor je toets! > De advocaat wil een eerlijk proces. > Het koninklijk paleis is al oud. > Dit zijn merkwaardige raadsels. > Onze kat is echt levendig. > De citroen heeft een geel uiterlijk. > Was de binnencirkel aanvankelijk kleiner?
L5 - Thema 3 - les 10 - lesgang
HDL T3.indd 395
395
29/01/18 15:47
Overzicht van de gedicteerde woorden: Uit spellingles Losse woorden Woorden in zin
grondig, proces, koninklijk, merkwaardige
levendig
aanvankelijk, citroen
uiterlijk, binnencirkel
Leestekens/ hoofdletters
Totaal /10
Transfer
Leestekens: een punt bij het einde van de eerste zin en een vraagteken bij het einde van de tweede zin Hoofdletters: De, Was 6
4 (met telkens 0,5 punten als beide hoofdletters/ punten correct geschreven zijn)
Na het dictee wisselen de leerlingen de dicteekaartjes uit. Iedereen verbetert zijn dictee met een gekleurde balpen. Ze bespreken hun fouten en zoeken samen de juiste schrijfwijze. Daarbij geven ze elkaar uitleg. Bij twijfel roepen ze hulp in. Het correcte woord schrijven ze op de twee correctielijnen. 9 Integratieoefening Laat oefening 9 oplossen.
spellingschrift
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen Integratieoefening > lossen de oefening zelfstandig op. > vergelijken en bespreken de oplossingen in duo. Instructiegevoelige leerlingen Integratieoefening > lossen de oefening als partnerwerk op. > bespreken om welke moeilijkheid het gaat en hoe ze die aanpakken.
396
Instructieafhankelijke leerlingen Partnerdictee > Heel zwakke spellers gebruiken het dicteekaartje als kopieerkaart. Wie twijfelt, kan even spieken, het woord afdekken en opschrijven. > Leerlingen die gebruik maken van het kopieerkaartje zetten een kruisje bij het woord om te duiden dat ze gebruik maakten van een compenserende maatregel. > Leerlingen met een IAC hebben een eigen dictee dat de inhoud(en) uit hun les behandelt.
zorg- en evaluatiemodule map curriculumdifferentiatie
Integratieoefening > lossen de oefening in partnerwerk op. > worden sterk begeleid. > bespreken welke moeilijkheid voorkomt in het woord dat ze schrijven als vervanging van het foute woord. > Leerlingen met een IAC hebben een eigen integratieoefening die inhouden van leerjaar 4 bevat.
zorg- en evaluatiemodule map curriculumdifferentiatie
L5 - Thema 3 - les 10 - lesgang
HDL T3.indd 396
29/01/18 15:47
Pre-instructie voor de volgende spellingweek Volgende week start een reeks van vier lesweken over de werkwoordspelling. Laat daarom al eens kennismaken met zinnen in de t.t. en zinnen in de v.t. Besteed hier extra aandacht aan bij de verschillende vakken. Laat ook enkele zinnen omzetten naar de v.t.
L5 - Thema 3 - les 10 - lesgang
HDL T3.indd 397
397
29/01/18 15:47
les 10
Woorden net als heerlijk, rustig en cent
1
V R IJ W I LL I G E R (e – i – ij)
C I RK E L (e – i)
D E C E MB E R (e)
C IJ F E R (e – ij)
P U NT I G (i – u)
C E L (e)
C I N E M A (a – e - i)
C I T R OE N (i – oe)
O N G E L OOF L IJ K (e – o – ij – oo)
woorden net als heerlijk
spellingweter 6 ongelooflijk
ongelooflijk
Ik behaalde
gruwelijk
Deze moord is
koninklijk
goede punten.
gruwelijk
Aanvankelijk
aanvankelijk
.
dacht ik dat de toets moeilijk zou zijn.
koninklijk
We werden
ontvangen in het hotel.
woorden net als rustig
spellingweter 5 vrijwilliger
de vrijwilliger
De
merkwaardige
Onze buur is een
grondig
Ik studeer altijd
komt mee knutselen op school. merkwaardige
man.
grondig
voor mijn toetsen.
woorden net als cent
spellingweter 19 precies
precies
Ik sta
december
In
het cijfer
Als je het
de citroen
De
de centimeter
Mama maakte mijn broek een
centimeter
de cirkel
Kun jij de oppervlakte van een
cirkel
de centen
Als ik een computer koop, zijn mijn
het proces
De advocaat werkt hard voor het
de cinema
De man gaat elke week naar de
de cel
In de gevangenis zit je in de
het winkelcentrum
Er zijn heel veel winkels in het
december
op de juiste plaats. zijn er veel feestdagen.
cijfer citroen
9 omdraait, wordt het een 6. is heel zuur. korter. berekenen?
centen
op.
proces
.
cinema cel winkelcentrum
. . . Thema 3 - les 10
398
Laat de leerlingen de woorden in de linkerkolom lezen. Ze duiden in elk woord de moeilijkheid aan, spreken het in stilte uit, dekken het af en schrijven het in de zin. Ze gebruiken vervolgens de woorden in de linkerkolom om hun oefening te verbeteren. Kijk hun verbetering nog eens na.
Kijk goed. Bedek het woord en schrijf het in de zin.
31
L5 - Thema 3 - les 10 - correctiesleutel
HDL T3.indd 398
29/01/18 15:47
punt
puntige
oren
gruwel
gruwelijk
ongeluk
grond
grondige
studie
koning
koninklijk
paleis
ongeloof
ongelooflijke
verhalen
aanvang
aanvankelijk
macht
machtig
leger
schrift
schriftelijke
toets
mens
menselijk
lichaam
regelmaat
regelmatige
hartslag
r
ci
ge
ll i
a
na
r i j wi
precies
centen
proces
citroen
aanvankelijk
vrijwilliger
centimeter
cirkel
ongelooflijk
Zoek de woorden.
el
ooflijk
Ik twijfel. Fout? Verbeter.
1 twaalfde maand van het jaar
(d)
december
2 Het ... 3 lijkt wat op een 8.
(c)
cijfer
3 opmerkelijk, raar
(m)
merkwaardig
4 enorm, onvoorstelbaar, niet te geloven (o)
ongelooflijk/ongelofelijk
5 Zo zitten er honderd in een meter.
(c)
centimeter
6 Hier kun je overdekt winkelen.
(w)
7 Hier kun je naar de film gaan.
(c)
cinema
8 eerst, in het begin
(a)
aanvankelijk
Thema 3 - les 10
ng
kel o
eter
m
kv
ij
troe
ti
e rc n
va
el
sci
n
nk
ce
32
ecies
n te p
ro
pr
4
Leerlingen kunnen gebaat zijn bij hardop lezen. Zo horen ze onmiddellijk of het -lijk of -elijk is. Benadruk ook dat ng verandert in nk.
Schrijf de woorden los.
n
3
Schrijf de afleiding met ig(e) of (e)lijk(e) op.
ce
2
winkelcentrum
De leerling kan terugkijken naar de topwoorden bij oefening 1. De moeilijkheid aanduiden helpt om zich nog bewuster te worden van de moeilijkheid. Deze oefening is gericht op controle. Stimuleer de leerlingen om goed na te kijken. Als ze twijfelen, dan zetten ze een kruisje en zoeken ze het woord op of vragen ze hulp aan een klasgenoot of aan jou. Als een woord fout geschreven is, dan verbeteren ze in de verbeterkolom. Eerst verbeteren ze in duo, jij verbetert achteraf.
L5 - Thema 3 - les 10 - correctiesleutel
HDL T3.indd 399
399
29/01/18 15:47
5
Kleur: de woorden als cent. Noteer ze achter elkaar. 1 Wij haalden een flesje citroensap in het winkelcentrum. 2 Er zijn heel wat cellen in de centrale gevangenis. 3 De cinema ligt in het centrum van de stad. 4 Proficiat met jouw knappe cijfers! citroensap – winkelcentrum – cellen – centrale – cinema – centrum – proficiat – cijfers
6
Schrijf de zinnen opnieuw, maar met hoofdletters en leestekens. 1 het koninklijk paleis ligt in het centrum van de stad Het koninklijk paleis ligt in het centrum van de stad.
2 het is ongelooflijk hoeveel vrijwilligers er kwamen helpen in het winkelcentrum Het is ongelooflijk hoeveel vrijwilligers er kwamen helpen in het winkelcentrum.
3 in december zag ik een merkwaardige vogel in de stad In december zag ik een merkwaardige vogel in de stad.
7
Deze oefening kunnen leerlingen per twee oplossen. Laat leerlingen elkaar de zinnen met de gevonden woorden voorlezen. Jij verbetert achteraf.
Vul het verhaal aan met woorden net als cent, rustig en heerlijk. De eerste letter krijg je. Een reiziger vaart met een boot over de (o)
oceaan
De zee is heel (r)
. Er zijn weinig golven. rustig
.
Helaas is de kapitein van het schip ziek. De ziekte is heel (b)
besmettelijk
. De reizigers moe-
ten opletten dat ze ook niet ziek worden. Gelukkig is de ziekte niet (d)
dodelijk
De kapitein ligt in zijn kajuit. Het (c)
.
cijfer
8
staat op zijn deur. Een matroos klopt aan de deur. Hij heeft een (s) (h)
hopelijk
sappige
perzik mee. Die zorgt voor wat extra vitaminen. Zo zal de kapitein
snel genezen. Dan kan de (r)
reiziger
zijn reis verderzetten.
Thema 3 - les 10
400
33
L5 - Thema 3 - les 10 - correctiesleutel
HDL T3.indd 400
29/01/18 15:47
8
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1 2 3 4 5 6 7 Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
9
Wat klopt niet? Pas de zin aan. Let op: je mag telkens maar één woord aanpassen! De laatste maand van het jaar is februari en telt 31 dagen. De laatste maand van het jaar is december en telt 31 dagen. 1 Een blauwe balpen kost in de winkel 40 euro.
Laat leerlingen elkaar de gevonden woorden en zinnen voorlezen. Jij verbetert achteraf.
Bv. Een blauwe balpen kost in de winkel 40 cent.
2 De ober dient het eten op in een café. Bv. De ober dient het eten op in een restaurant.
3 Een vliegtuig kan op één plaats in de lucht blijven hangen. Bv. Een helikopter kan op één plaats in de lucht blijven hangen.
4 Een film bekijk ik in een winkelcentrum. Bv. Een film bekijk ik in een cinema.
5 De bestuurder van een vliegtuig is een machinist. Bv. De bestuurder van een vliegtuig is een piloot.
6 Deze film doet me echt lachen, want hij is gruwelijk. Bv. Deze film doet me echt lachen, want hij is grappig.
34
Thema 3 - les 10
L5 - Thema 3 - les 10 - correctiesleutel
HDL T3.indd 401
401
29/01/18 15:47
Dicteekaartjes - overschrijfkaartjes Leerling 1
Leerling 1 De natuur is ongelooflijk mooi. Dit is een puntige stok. Het was een gruwelijke moord. Een vrijwilliger is een grote hulp. Wanneer begint het kerkelijk jaar?
woorden
1 2 3 4 5
zinnen
6 De figuur is geen cirkel maar een grillige figuur. 7 Waar ligt de kerncentrale precies?
Leerling 2
402
De natuur is ongelooflijk mooi. Dit is een puntige stok. Het was een gruwelijke moord. Een vrijwilliger is een grote hulp. Wanneer begint het kerkelijk jaar?
woorden
1 2 3 4 5
zinnen
6 De figuur is geen cirkel maar een grillige figuur. 7 Waar ligt de kerncentrale precies?
Leerling 2 Oefen grondig voor je toets! De advocaat wil een eerlijk proces. Het koninklijk paleis is al oud. Dit zijn merkwaardige raadsels. Onze kat is echt levendig.
woorden
1 2 3 4 5
zinnen
6 De citroen heeft een geel uiterlijk. 7 Was de binnencirkel aanvankelijk kleiner?
Oefen grondig voor je toets! De advocaat wil een eerlijk proces. Het koninklijk paleis is al oud. Dit zijn merkwaardige raadsels. Onze kat is echt levendig.
woorden
1 2 3 4 5
zinnen
6 De citroen heeft een geel uiterlijk. 7 Was de binnencirkel aanvankelijk kleiner?
L5 - Thema 3 - les 10 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 402
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 11
Waarom heet een bijvoeglijk naamwoord zo? Domein: Onderwerp: Lesduur:
taaldenken bijvoeglijke naamwoorden 50 minuten
Samenhang
Materialen
In dit thema leerden de leerlingen al over het zelfstandige naamwoord. In deze les koppelen ze die kennis aan de kennis van de bijvoeglijke naamwoorden. Die bijvoeglijke naamwoorden kwamen ook aan bod in het derde en vierde leerjaar. Ze merken dat bijvoeglijke naamwoorden vaak voorkomen in een naamwoordgroep met een lidwoord en een zelfstandig naamwoord. Ze ontdekken dat een bijvoeglijk naamwoord zich moet aanpassen aan het zelfstandig naamwoord waar het bijgevoegd is.
Digitaal > bordboek > zorg- en evaluatiemodule voor IAC
Lesdoelen Hoofddoel van de les Reflecteren op de taalverrijkende functie van bijvoeglijke naamwoorden. Andere doelen > Reflecteren op de vorm van bijvoeglijke naamwoorden. > Aangeven dat woorden samen met andere woorden kunnen voorkomen, namelijk een lidwoord, een zelfstandig naamwoord, een bijvoeglijk naamwoord en een werkwoord. > Termen gebruiken: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord.
Folio > taalschrift > kopieerblad 1 > map curriculumdifferentiatie voor IAC Diversen > markeerstift > kladpapier
Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Nieuwsgierig zijn naar en bereidheid tonen het nieuwe te ontdekken en erover te leren.
Voorbereiding > Kopieer kopieerblad 1 over de trappen van vergelijking per twee leerlingen, lamineer en verknip het. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
Coöperatieve werkvorm in deze les > placemat
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling De lessen taaldenken bieden de kans om met de leerlingen na te denken over hoe onze taal opgebouwd is. Ze verwonderen zich erover hoe klanken, woorden, zinnen en teksten de kern vormen van ons taalsysteem. Speel in op de verwondering van de leerlingen en maak hen nieuwsgierig over hoe taal ‘gemaakt’ wordt. L5 - Thema 3 - les 11 - lesgang
HDL T3.indd 403
403
29/01/18 15:47
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Het zelfstandig naamwoord herhalen en het bijvoeglijk naamwoord aanbrengen Maak oefening 1 in je taalschrift. Bespreek na: > Welke woorden zijn zelfstandige naamwoorden? > Wat zijn zelfstandige naamwoorden? > Markeer de woorden die nog iets meer over het zelfstandig naamwoord zeggen groen.
taalschrift
2 Op het lesdoel focussen Je leert dat sommige woorden een zelfstandig naamwoord meer betekenis geven. Ze zeggen hoe iets of iemand is. Die woorden heten ‘bijvoeglijke naamwoorden’.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 3 Het bijvoeglijk naamwoord definiëren Coöperatief leren: placemat Wat weet je nog uit het vierde leerjaar en wat leid je af uit oefening 1 over het bijvoeglijk naamwoord? Bespreek klassikaal na. Laat de groepjes elkaar aanvullen. Lees de taalweter ‘Wat is een bijvoeglijk naamwoord?’. 4 Het bijvoeglijk naamwoord in zinnen en teksten herkennen Goede schrijvers gebruiken soms bijvoeglijke naamwoorden. In het verhaal van Tonke Dragt vind je enkele bijvoeglijke naamwoorden die het verhaal helemaal tot leven brengen. Maak oefening 2. Werk per twee. Markeer de bijvoeglijke naamwoorden. Bespreek na: > Geef voorbeelden van bijvoeglijke naamwoorden uit de tekst. > Wat weet je nu over het bijvoeglijk naamwoord? Wat kun je erover vertellen? Zorg ervoor dat deze elementen aan bod komen: > Het legt uit hoe een zelfstandig naamwoord is. Het vertelt er iets meer over. > Het kan verschillende vormen aannemen. (Geef voorbeelden.) > Het staat tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord: de leuke meester. Soms staat het bij een vorm van het werkwoord zijn of worden: onze meester is leuk.
taalschrift
taalschrift
Vat samen: Het bijvoeglijk naamwoord zegt hoe het zelfstandig naamwoord is. Het is er vaak bijgevoegd. We noemen het daarom ‘bijvoeglijk naamwoord’. 5 Zelf bijvoeglijke naamwoorden aan een tekst toevoegen Maak oefening 3. Bespreek na. Laat enkele leerlingen hun nieuwe tekst voorlezen. De toehoorders benoemen enkele bijvoeglijke naamwoorden uit de voorgelezen tekst.
404
taalschrift
L5 - Thema 3 - les 11 - lesgang
HDL T3.indd 404
29/01/18 15:47
6 Trappen van vergelijking definiëren Sommige bijvoeglijke naamwoorden kun je gebruiken om te vergelijken: . Noteer de volgende zinnen op het bord: > De juf is goed in rekenen. > Anneleen is nog beter in rekenen. > Maar mijn mama is er de beste in.
Werk per twee. Maak vergelijkingen met de kaartjes. Welke woorden horen bij elkaar? Leg ze in volgorde zoals goed – beter – best. Maak drie kolommen. Maak met één reeks een vergelijking zoals op bord. Vul de lege kaartjes aan met eigen reeksen. Lees de taalweter ‘Wat zijn trappen van vergelijking?’
kopieerblad 1
Controleren en reflecteren 7 Reflecteren en samenvatten Maak oefening 4 en 5. Vertel je verhaal zin per zin aan je buur. Die schrijft alle bijvoeglijke naamwoorden die jij gebruikt op een kladpapier. 8 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
taalschrift kladpapier
TIP! Met behulp van Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > maken oefening 1 per twee. Instructiegevoelige leerlingen > maken de eerste tien titels van oefening 1 onder begeleiding. Instructieafhankelijke leerlingen > maken de eerste tien titels van oefening 1 onder begeleiding. > geven bij oefening 3 eerst enkele voorbeelden hardop. > krijgen bij oefening 4 een voorbeeld over jezelf als leraar. Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs. Leerlingen met een IAC oefenen in deze les op een lager beheersingsniveau het herkennen en gebruiken van bijvoeglijke naamwoorden.
zorg- en evaluatiemodule map curriculumdifferentiatie
L5 - Thema 3 - les 11 - lesgang
HDL T3.indd 405
405
29/01/18 15:47
les 11
Waarom heet een bijvoeglijk naamwoord zo? Ik kan bijvoeglijke naamwoorden herkennen en toevoegen in zinnen en teksten. Ik kan met bijvoeglijke naamwoorden ook dingen vergelijken.
1
Kleur in de titels van Suske en Wiske:
Schenk even aandacht aan woorden die de leerlingen aanduidden, maar die geen bijvoeglijk naamwoord zijn. Leg uit dat vergeten een werkwoordsvorm is die gebruikt wordt als bijvoeglijk naamwoord. Wijs op het verschil tussen volgende zinnen: - Ik ben het antwoord vergeten. - Het vergeten antwoord maakt mij zenuwachtig.
alle zelfstandige naamwoorden. alle bijvoeglijke naamwoorden.
185. De botte botaknol
197. Het Delta Duel D
186. De rosse reus
198. Lieve Lilliham
187. De droevige druif
199. De tamme tumi
188. Het vliegende hart
200. Amoris van Amoras
De snoezige Snowijt
201. Het dreigende dinges
189. De Belhamel-bende
202. Angst op de Amsterdam
190. De woelige wadden
203. De ruige regen
191. De vergeten vallei
204. De mooie Millirem
De toffe Tiko
205. De kattige kat
192. Het Bretoense broertje
206. De bonkige baarden
193. Hippus het zeeveulen
207. De glanzende gletsjer
Het verborgen volk
208. De hellegathonden
194. De gouden ganzeveer
209. De kwaaie kwieten
195. De hippe heksen
210. De jolige joffer
196. De natte Navajo
Wat is een bijvoeglijk naamwoord? Een bijvoeglijk naamwoord vertelt hoe iets of iemand is.
Waar vind ik een bijvoeglijk naamwoord?
Dan is 'bijvoeglijk' zelf een bijvoeglijk naamwoord!
Meestal staat een bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord. Het past zich aan dit zelfstandig naamwoord aan. Bv.
een nieuw bankstel een groot geluk
een nieuwe iPad een grote deugniet
Soms staat het bijvoeglijk naamwoord ook los. Dan zegt het hoe het onderwerp is. Bv. Vandaag ben ik zo vrolijk. Thema 3 - les 11
406
103
L5 - Thema 3 - les 11 - correctiesleutel
HDL T3.indd 406
29/01/18 15:47
2
In dit fragment gebruikt de auteur veel bijvoeglijke naamwoorden. Kleur: minstens vijf van de bijvoeglijke naamwoorden.
De ridders van koning Dagonaut
5
10
15
Dit is een verhaal van lang geleden, toen er nog ridders waren. Het speelt zich af in twee koninkrijken: het land van koning Dagonaut ten oosten van het Grote Gebergte en het land van koning Unauwen ten westen van het Grote Gebergte. Zo heten ook de hoofdsteden van de twee rijken: de Stad van Dagonaut en de Stad van Unauwen. Er wordt ook gesproken van een ander land, maar daarover valt nu nog niets te vertellen. Het verhaal begint in het Rijk van Dagonaut. Eerst moet je echter iets weten van hem en van zijn ridders. Ik heb daartoe een paar stukjes overgeschreven uit een oud, oud boek.
W
de minstreel “Onze koning Dagonaut is een machtig koning; zijn regering is verstandig iemand die liedjes en rechtvaardig en zijn rijk is groot en mooi. Er zijn heuvels en velden, en voordraagt en rondreist vruchtbare akkers, brede rivieren en uitgestrekte wouden. In het noorden zijn bergen, en in het westen zijn nog hogere bergen. Aan gene zijde daarvan ligt het land van koning Unauwen, waar onze minstreels mooie liederen van zingen.�
Schenk ook even aandacht aan woorden die de leerlingen aanduidden, maar die geen bijvoeglijk naamwoord zijn. Logischerwijze zal een aantal leerlingen gene en ander als bijvoeglijk naamwoord aanduiden. Zeg dat dat fout is, maar dat dat later aan bod zal komen.
Uit: De brief voor de koning, Tonke Dragt
3
Lees het fragment. Schrijf het opnieuw maar voeg minstens vier bijvoeglijke naamwoorden toe.
Het enige wat ik mee kon nemen was wat er in mijn schoudertas paste. Dat waren vier onderbroeken, twee T-shirts, een broek, een trui, mijn toiletspullen, een rol droge koekjes, een flesje water, een schrift en een pen. De rest moest ik achterlaten. Mijn oma zei dat ze er goed op zou passen.
Bv. Het enige wat ik mee kon nemen was wat er in mijn lederen schoudertas paste. Dat waren vier lange onderbroeken, twee katoenen T-shirts, een korte broek, een wollen trui, mijn toiletspullen, een rol droge koekjes, een flesje water, een dik schrift en een gouden pen. De rest moest ik achterlaten. Mijn oude oma zei dat ze er goed op zou passen.
104
Thema 3 - les 11
L5 - Thema 3 - les 11 - correctiesleutel
HDL T3.indd 407
407
29/01/18 15:47
Wat zijn trappen van vergelijking? Leuk is een bijvoeglijk naamwoord. Maar sommige dingen zijn leuker dan leuk. Om dat uit te drukken, gebruiken we de trappen van vergelijking. Bv.
Dit is een leuke mop. Ik ken een mop die nog leuker is. Dit is echt de leukste mop ooit!
Dat kun jij zelf ook!
kleinst
kleiner
klein
de minstreel iemand die liedjes voordraagt en rondreist Hier zijn nog enkele voorbeelden: Bv.
ooie
mooi duur gek
mooier duurder gekker
mooist duurst gekst
Ken je ook deze speciale gevallen? meer
amwoorden toe.
meest
weinig
en
ten.
paste. Dat wollen trui, mijn
Hier zijn nog enkele voorbeelden:
ouden pen.
Bv.
n.
graag goed
liever beter
liefst best
Thema 3 - les 11
408
105
L5 - Thema 3 - les 11 - correctiesleutel
HDL T3.indd 408
29/01/18 15:47
4
Schep nu maar lekker op. Schrijf een verhaal over jezelf waarin je de beste, de knapste, de liefste, de slimste ... bent. Overdrijf en fantaseer!
Ik ben natuurlijk weer de beste van de klas!
5
Kleur in je tekst: alle bijvoeglijke naamwoorden.
6
Hoe verliep de les voor jou?
Ik kon bijvoeglijke naamwoorden herkennen. Ik kon bijvoeglijke naamwoorden toevoegen of gebruiken. Ik kon met bijvoeglijke naamwoorden dingen vergelijken.
106
Thema 3 - les 11
L5 - Thema 3 - les 11 - correctiesleutel
HDL T3.indd 409
409
29/01/18 15:47
Trappen van vergelijking
410
goed
mooi
veel
lekkerst
graag
zuur
lekkerder
minder
vetst
weinig
meest
liever
zuurder
best
mooier
zuurst
mooist
liefst
vetter
witter
beter
wit
bozer
meer
minst
boos
lekker
vet
witst
boost
L5 - Thema 3 - les 11 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 410
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 12
In Vlaanderens velden Domeinen: Onderwerp: Lesduur:
taalspel, luisteren, lezen, spreken gedichten beluisteren en genieten van poëzie 25 minuten
Samenhang
Materialen
Tijdens de lessen 2, 3, 8 en 9 werd er kennis gemaakt met verschillende onderdelen van oorlog, geweld en migratie. In deze les worden gedichten gebruikt over dezelfde onderwerpen. Aan de hand van poëzie krijgen leerlingen de kans om hun gevoelens bij het thema en bij de info uit de voorbije lessen onder woorden te brengen.
Digitaal > bordboek Folio > taalschrift
Lesdoelen Hoofddoel van de les De leerlingen kunnen geconcentreerd luisteren naar een gedicht (verteld of voorgelezen) en dat beeldend weergeven. Andere doelen Plezier beleven en bereid zijn te luisteren en spreken. Aangeven dat poëzie een geschikt medium is om gevoelens, stemmingen en verlangens weer te geven. Spreken met verzorgd en aangepast tempo, aangepast volume en klankkleur. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Bewust omgaan met gevoelens en deze binnen aanvaardbare grenzen uiten.
Voorbereiding Bereid het gedicht ‘In Vlaanderens velden’ voor zodat je het vlot kunt voordragen.
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling De leerlingen kunnen de gevoelens van de dichter uit een gedicht afleiden. Ze verwoorden ook hun eigen gevoelens bij het gedicht.
L5 - Thema 3 - les 12 - lesgang
HDL T3.indd 411
411
29/01/18 15:47
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Naar de voordracht van een gedicht luisteren Draag het gedicht ‘In Vlaanderens Velden’ van John McCrae voor. Stel na het voordragen enkele vragen: > Vind je het gedicht mooi of niet? Waarom (niet)? > Waar gaat het gedicht over? (oorlog, overleden soldaten, kerkhof, klaprozen) > Hoe voelt de auteur zich? (verdrietig, moe) > Welke bloem benoemt hij in het gedicht? (klaproos) John McCrea merkte tijdens zijn tijd in de loopgraven dat de klaprozen de eerste bloemen zijn die bloeien wanneer het land kapot is gemaakt door bommen, brand ... > Wat wil de auteur? (zet de strijd met onze vijand voort, hij vraagt om hulp) > Waarom schrijven mensen gedichten? > Wat vind je leuk aan gedichten?
taalschrift
2 De kleuren-gevoelenskaart bespreken > Bij oefening 1 staat een schema met kleuren en tekeningen. Wat zie je? (dieren, kleuren, gevoelens ...) > De gevoelens zijn verdeeld in twee grote groepen. Welke? (positieve gevoelens en moeilijke gevoelens) > Welke kleuren staan er bij de positieve gevoelens? (lichtblauw, groen, geel, oranje, lichtrood) > Welke kleuren staan er bij de moeilijke gevoelens? (blauw, paars, donkerrood)
Deze kaart vertelt welke kleuren bij welke gevoelens horen. Zo vinden de meeste mensen dat blauw bij ‘bang zijn’ past. > Welke kleur past er volgens de kaart bij verliefd zijn? (geel) > Vinden jullie dat ook? (Allicht zullen vele kinderen verliefd zijn associëren met rood.) Doe dit ook voor eenzaam (donkerblauw), woedend (donkerrood) en tevreden (groen). 3 Op het lesdoel focussen Jullie luisteren naar een gedicht en lossen er opdrachten bij op. Daarbij kijken we naar de inhoud van het gedicht, maar vooral naar de gevoelens die het gedicht bij je oproept.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 4 Opdrachten bij een gedicht oplossen Ik lees het gedicht ‘In Vlaanderens velden’ nog eens voor. Volg mee in je taalschrift. (oefening 2) De leerlingen lossen oefening 2a op. Wie tijd over heeft, mag zelf een gedicht schrijven. (oefening 2e) Bespreek de antwoorden van de leerlingen. Maak nu oefeningen 2b, 2c en 2d. Laat enkele leerlingen verwoorden wat ze getekend hebben.
412
taalschrift
L5 - Thema 3 - les 12 - lesgang
HDL T3.indd 412
29/01/18 15:47
5 Gedichten in kleuren omzetten De leerlingen vormen groepen van vier. Ze verdelen de gedichten onder elkaar. Daarna lost iedereen individueel de vragen bij oefening 3 op. 6 Naar gedichten luisteren en zeggen welk gevoel het gedicht oproept De leerlingen luisteren naar elkaars voordracht en vertellen telkens welke gevoelens het gedicht bij hen oproept. (oefening 4)
taalschrift TIP! Bij tijdsgebrek hoeven de leerlingen niet alle opdrachten schriftelijk op te lossen.
Controleren en reflecteren 7 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
TIP! Met behulp van Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen: > schrijven zelf een gedicht (oefening 2e) als ze daar tijdens de les de tijd voor hebben. Laat de leerlingen deze gedichten in de loop van de dag als tussendoortje voorlezen. Instructiegevoelige leerlingen: > lossen oefening 3 indien mogelijk zelfstandig op. Wie dat niet kan, sluit aan bij de instructieafhankelijke leerlingen. Instructieafhankelijke leerlingen: > werken best met het gemakkelijkste gedicht ‘Ik kan er niet naar kijken’ van oefening 3. (Je kunt er als leraar voor proberen te zorgen dat zij dit gedicht toebedeeld krijgen.) > worden door de leraar ondersteund wanneer ze oefening 3 oplossen.
L5 - Thema 3 - les 12 - lesgang
HDL T3.indd 413
413
29/01/18 15:47
les 12
In Vlaanderens Velden Ik kan geconcentreerd luisteren naar een gedicht. Ik kan het gevoel van het gedicht omzetten in beeld en kleur.
1
Bekijk de kleurenkaart.
Bron: Poster bij EQ-coachingkaartjes van het Lekker-in-je-vel-spel Š Dubbelzes uitgeverij
Thema 3 - les 12
414
107
L5 - Thema 3 - les 12 - correctiesleutel
HDL T3.indd 414
29/01/18 15:47
2
Luister naar het gedicht. Beantwoord de vragen.
In Vlaanderens velden In Vlaanderens velden bloeien de klaprozen tussen de kruisen, rij aan rij, die onze plaats aanwijzen. En aan de hemel blijven de leeuweriken vliegen en dapper kwelen, tussen ‘t geschut beneden nauwelijks te horen. Wij zijn de Doden. Enkele dagen geleden nog leefden we, voelden de ochtendstond, zagen de gloed van de avondzon, beminden en werden bemind en nu liggen wij, gevelden, In Vlaanderens velden. Zet onze strijd met de vijand verder. Met falende handen reiken wij u over de toorts. Aan u haar hoog te dragen. Doet gij dit niet, dan zullen wij in deze aarde geen rust kennen, ondanks de klaprozen in Vlaanderens velden.
W
kwelen
luid en vals zingen
de gevelden
overleden soldaten, zij die geveld zijn
falend
mislukt, zonder het doel te bereiken
John McCrae (1915), vertaald door Herwig Verleyen
a Welk gevoel roept het gedicht bij jou op?
b Welke kleur hoort daarbij? (Gebruik de kleurenkaart van oefening 1.)
c
Maak met die kleuren een kleine tekening in het kader naast het gedicht.
d Hoeveel sterren krijgt dit gedicht van jou?
e Schrijf een gedicht waarbij je vertrekt vanuit het gevoel dat je omschreef bij vraag 2a. Je gedicht moet vijf lijnen lang zijn.
108
Thema 3 - les 12
L5 - Thema 3 - les 12 - correctiesleutel
HDL T3.indd 415
415
29/01/18 15:47
3
Verdeel de vier gedichten in je groep. Iedereen leest een ander gedicht. Los de vragen individueel op.
Gedicht 1 Snoepgoed Na de inslag telt het kind zijn snoepjes stoffig aan elkaar gekleefd het kind telt en telt Barsten schieten in de muur waartegen de boordevolle boekenkast met al die namen, al die titels die wij kennen Nog een granaat De geknielde vrouw op de binnenplaats kijkt even op en dan weer naar de teil met sokken in het schrale sop Opnieuw een inslag
uid en vals zingen
Het kind telt niet meer de boeken branden, een lege teil weerkaatst de gloed.
verleden soldaten, zij die eveld zijn
mislukt, zonder het doel te ereiken
W
de teil
Uit: Alles is vluchtig, J. Bernlef, Querido, 1998
a Waar gaat het gedicht over? Een buurt die gebombardeerd wordt, daarbij wordt een kind gedood.
b Welk gevoel heb jij wanneer je het leest?
c
vraag 2a.
Welke kleur hoort daarbij?
d Maak in het kader naast het gedicht een tekening met die kleur(en). e Hoeveel sterren krijgt dit gedicht van jou?
Thema 3 - les 12
416
109
L5 - Thema 3 - les 12 - correctiesleutel
HDL T3.indd 416
29/01/18 15:47
Gedicht 2 Het arme beest In Sarajevo stierf de laatste beer. Zijn dierentuin was al een tijd gesloten, Omdat zelfs daar voortdurend werd geschoten En daarom kreeg hij ook geen eten meer. Immers de Joegoslaven van weleer, Door wie in strijd met oude landgenoten Het eigen bloed geestdriftig wordt vergoten, Schoten ook alle dierverzorgers neer. Het is helaas een trieste anekdote Die ik vandaag voor u op rijm citeer, Maar zo’n bericht bewijst ook deze keer Dat mensen zich gedragen als malloten: Het grootste beest ter wereld heeft twee poten En in zijn klauwen draagt het een geweer. Uit: Een loopje met de tijd, Driek van Wissen
W
weleer
deftig woord voor vroeger
geestdriftig
enthousiast
de anekdote
kort en grappig verhaal
citeren
een stukje tekst van iemand anders voorlezen
de malloot
onnozel, gek persoon
a Waar gaat het gedicht over? De dierentuin in Sarajevo (een stad in oorlog) wordt gesloten.
b Welk gevoel heb jij wanneer je het leest?
c
Welke kleur hoort daarbij?
d Maak in het kader naast het gedicht een tekening met die kleur(en). e Hoeveel sterren krijgt dit gedicht van jou?
110
Thema 3 - les 12
L5 - Thema 3 - les 12 - correctiesleutel
HDL T3.indd 417
417
29/01/18 15:47
Gedicht 3
Ik kan er niet naar kijken de beelden op tv SyriĂŤ, Aleppo, mensen reddeloos op zee Ik kan er niet naar kijken de beelden in de krant Te veel oorlog en ellende en verwoesting in het land Ik kan er niet naar kijken tegen beter weten in Nee, ik kan er niet naar kijken de ogen sluiten evenmin.
Bron: Marleen Opschoor, Mijmertijd (gedichtjes over klein geluk en simpeler leven)
a Waar gaat het gedicht over? de oorlog in SyriĂŤ
b Welk gevoel heb jij wanneer je het leest?
c
Welke kleur hoort daarbij?
d Maak in het kader naast het gedicht een tekening met die kleur(en). e Hoeveel sterren krijgt dit gedicht van jou?
Thema 3 - les 12
418
111
L5 - Thema 3 - les 12 - correctiesleutel
HDL T3.indd 418
29/01/18 15:47
Gedicht 4 Mensen met koffers Mensen met koffers gaan over de wereld, van oorlog naar vrede, van honger naar brood. Vaak zijn ze niet welkom, dan moeten ze terug: van voedsel naar honger, van leven naar dood. Mensen met koffers, ze reizen per vliegtuig, ze reizen per ezel, per trein of per vlot. Ze vluchten voor machthebbers en hun soldaten, voor beul of tiran, of een andere God. De geur van het gras dat je grootvader maaide, het wuivende graan dat je vader eens zaaide. Het kleine verdriet dat je moeder steeds suste, haar haar dat zo kriebelde als ze je kuste. Dat alles was thuis, dat alles en meer. Dat alles en alles, dat alles nooit weer. Mensen met koffers gaan over de wereld. Altijd op de vlucht naar de volgende grens. Ze vluchten voor tovenaars, reuzen en heksen, voor duivel en draak, die vermomd gaan als mens. Uit: Alleen mijn gedichten neem ik mee, Sjoerd Kuyper, Leopold
a Waar gaat het gedicht over? Mensen die moeten vluchten omdat hun land onveilig is, maar die zich nergens welkom voelen.
b Welk gevoel heb jij wanneer je het leest?
c
Welke kleur hoort daarbij?
d Maak in het kader naast het gedicht een tekening met die kleur(en). e Hoeveel sterren krijgt dit gedicht van jou?
112
Thema 3 - les 12
L5 - Thema 3 - les 12 - correctiesleutel
HDL T3.indd 419
419
29/01/18 15:47
4
Lees je gedicht om de beurt voor. Let op je intonatie. Bespreek met je groepsleden welk gevoel het gedicht bij hen oproept.
5
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon geconcentreerd luisteren naar gedichten. Ik kon gevoelens omzetten in een kleur. Ik kon een gepaste tekening maken bij een gedicht.
Thema 3 - les 12
420
113
L5 - Thema 3 - les 12 - correctiesleutel
HDL T3.indd 420
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 13
Vrij lezen Domein: Onderwerp: Lesduur:
lezen vrij lezen in een boek naar keuze 25 minuten
Lesdoelen Hoofddoel van de les Plezier beleven aan lezen. Ander doel Bereid zijn spontaan voor hen bestemde boeken en andere informatiebronnen te raadplegen.
Materialen Diversen > boek naar keuze van de leerling
Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Plezier beleven en voldoening ervaren.
Voorbereiding Laat een eigen boek of een bibliotheekboek meebrengen.
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling Begeleid leerlingen die niet graag lezen om een boek op maat te vinden. Bied hun verschillende tekstsoorten aan, bijvoorbeeld: strips, informatieve boeken, fictieboeken in alle soorten genres. Peil naar hun interesses en geef hen extra kansen om te vertellen wat ze gelezen hebben.
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Op het lesdoel focussen Verduidelijk wat je in deze les beoogt: > Je mag lezen in een boek naar keuze, bijvoorbeeld: een verhaal, een informatief boek, een strip, een tijdschrift of nog iets anders. > Wie graag digitaal leest, mag kiezen voor een boek uit de Talentbib of uit de BiB-BoXen. Die boeken zijn heel compact. Je leest ze binnen de voorziene tijd helemaal uit. Sta de leerlingen toe om samen in een informatief boek te lezen. Ze kunnen dan zaken aan elkaar verduidelijken. Geef de samenlezers een aparte plaats in de klas, zodat ze de individuele ‘stillezers’ niet storen. Maak duidelijke leesafspraken. Waar mogen de leerlingen zitten? Wat doen ze als hun boek uit is?
L5 - Thema 3 - les 13 - lesgang
HDL T3.indd 421
421
29/01/18 15:47
Geef de leerlingen vooraf een algemene opdracht die ze moeten uitvoeren tegen het einde van de leestijd: > Lees je een fictieboek? Kies dan een personage en speel een raadspelletje met klasgenoten die hetzelfde boek lezen of gelezen hebben. Geef één aanwijzing, bv. ‘Het is een jongen’, en vraag of ze al weten om wie het gaat. Als niemand het juist geraden heeft, geef je een volgende aanwijzing, bv. ‘Hij draagt een pet’. Ga zo door met aanwijzingen geven tot iemand het juiste antwoord raadt. > Lees je een non-fictieboek? Vertel dan kort waarom je deze tekst gekozen hebt. Wat hoop je te weten te komen? Leerlingen die hun boek uit hebben, geef je een bijzondere opdracht: > Las je in een fictieboek? Beeld een personage uit je verhaal uit, bv. door zijn of haar beroep uit te beelden. Laat klasgenoten die hetzelfde boek gelezen hebben, raden wie je uitbeeldt. > Las je in een non-fictieboek? Kies een illustratie of foto waarover je iets vertelt aan een medeleerling.
TIP! Zet de algemene opdrachten op kaartjes en laat de leerlingen een opdracht trekken.
TIP! Stimuleer om een boek uit te lezen door leuke opdrachten te voorzien die ze alleen dan mogen uitvoeren.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 2 Het boek lezen Laat vrij lezen in een boek naar keuze.
Controleren en reflecteren 3 Over het boek en het leesproces reflecteren Bespreek: > Wat heb je gelezen? > Hoeveel heb je gelezen? > Heb je zin om verder te lezen in het boek? > Wat ben je te weten gekomen?
TIP! Lees zelf in een boek (modelling). Of begeleid een zwakke lezer bij het lezen, bijvoorbeeld door te duolezen met de leerling, samen een informatief boek te lezen of extra duiding te geven.
4 Met een algemene opdracht controleren Kom terug op de algemene opdracht die je meegaf voor het lezen. Kies uit twee opties: > Pik er enkele leerlingen uit die hun algemene opdracht uitvoeren voor de hele klasgroep. > Stel groepjes samen met groepsleden die al dan niet dezelfde opdracht kregen. De groepsleden voeren dan voor elkaar de algemene opdracht uit. Zo krijgt iedereen de kans zijn of haar algemene opdracht uit te voeren.
422
L5 - Thema 3 - les 13 - lesgang
HDL T3.indd 422
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 14
Werkwoorden in de verleden tijd Domein(en): Onderwerp: Lesduur:
spelling werkwoorden in v.t. (1) 1 week – 3 lesblokken van 25 minuten
Samenhang
Materialen
De leerlingen kennen het werkwoordschema voor het schrijven van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. Ze maken kennis met het werkwoordschema voor het schrijven van de persoonsvorm in de verleden tijd.
Digitaal > bordboek > cd (werkwoordenrap) > dvd > zorg- en evaluatiemodule voor IAC
Lesdoelen Hoofddoel van de les Persoonsvormen in de verleden tijd correct vervoegen. Ander doel Termen gebruiken: onderwerp en persoonsvorm. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Nieuwsgierig zijn naar en bereidheid tonen om het nieuwe te ontdekken en erover te leren.
Folio > spellingschrift > dicteekaartjes (kopieerblad 2) > kopieerblad 1 > werkwoordspel (thema 2, les 5) > wandplaat werkwoordschema > bronnenblad 1 > map curriculumdifferentiatie voor IAC Diversen > schrijflei
Voorbereiding > Kopieer de dicteekaartjes: voorzie voor de helft van de leerlingen dictee 1, voor de andere helft dictee 2. Heel zwakke spellers gebruiken het dicteekaartje als kopieerkaart. Zo kunnen ze de woorden en zinnen eerst bekijken om ze daarna te bedekken en op te schrijven. > TIP! Kopieer het werkwoordschema (kopieerblad 1) voor elke leerling en lamineer het. Zo kun je de schema’s verschillende jaren gebruiken. > Indien je geen gebruik maakt van de bordles (digitaal schoolbord), download dan bronnenblad 1 om de bordschema’s op te bouwen tijdens de lesfase ‘Aanbreng’. > Voorzie de nodige materialen voor leerlingen met een IAC.
Coöperatieve werkvormen in deze les > uitwisselen en delen > partnerdictee
L5 - Thema 3 - les 14 - lesgang
HDL T3.indd 423
423
29/01/18 15:47
Leergebiedoverschrijdende/persoonsgebonden ontwikkeling Deze les bevat nieuwe leerstof. Leerlingen zoeken uit hoe het tweede deel van het werkwoordschema werkt. Ze ontdekken hoe werkwoorden in de verleden tijd worden geschreven.
Lesgang Aanbreng (25 minuten) 1 De voorgaande spellingmoeilijkheden herhalen: woorddictee Herhaal enkele woorden uit de vorige les met een woorddictee. Laat de woorden mondeling spellen of op een schrijflei schrijven. Geef onmiddellijk feedback. > koninklijk Het ... paleis werd mooi versierd. > puntig De steel van deze borstel is ... . > December ... is een mooie maand. 2 De moeilijkheid inductief ontdekken Projecteer de toptekst. Bespreek: > Waarover gaat de tekst? (over werkwoorden die van tijd veranderen) > Wat verandert? (de werkwoorden worden omgezet naar de verleden tijd) > Wat is het verschil tussen de tegenwoordige en de verleden tijd? (de tegenwoordige tijd gebeurt nu, de verleden tijd gebeurt vroeger) 3 Directe instructie Projecteer de zinnen op het bord. Zoek het onderwerp en de pv in de zin. Bespreek in welke tijd de zin staat. Bespreek hoe je het verschil ziet tussen tegenwoordige en verleden tijd: Hoe kunnen werkwoorden zich aanpassen aan de verleden tijd? Wat verandert er? (de klank verandert of er komt te(n) of de(n) bij de stam) Rubriceer de werkwoorden aan het bord. Noteer telkens ook de infinitief en wijs op de klankverandering waar nodig. Bouw met de leerlingen het werkwoordschema op. De leerlingen verwoorden welke stappen ze moeten doorlopen om een werkwoord correct te kunnen schrijven in de verleden tijd.
schrijflei
spellingschrift
bordschema 1: zie bronnenblad 1
bordschema 2: zie bronnenblad 1 wandplaat werkwoordcshema
1 Zoek het onderwerp en de persoonsvorm. Laat de leerlingen nog eens verwoorden hoe je het onderwerp en de persoonsvorm zoekt. 2 Is het tegenwoordige of verleden tijd? 3 Is er klankverandering of niet? Laat de leerlingen verwoorden wat het verschil is tussen de twee. Doe dit met een voorbeeld (gaan, wonen, tikken). 4 STAM + te(n) of STAM + de(n). Laat de leerlingen verwoorden hoe die regel in zijn werk gaat. Wat is de stam? Luister goed of je de of te hoort zodat je de juiste uitgang toevoegt. Hoe weet je of het enkelvoud of meervoud is? Daarvoor moet je kijken naar het onderwerp.
424
L5 - Thema 3 - les 14 - lesgang
HDL T3.indd 424
29/01/18 15:47
Doorloop de verschillende stappen met enkele voorbeeldwerkwoorden. Beluister en zing de werkwoordenrap. Focus op de nieuwe strofe over de verleden tijd.
cd of dvd
4 Gedifferentieerd verwerken aan de hand van een visueel dictee Laat oefening 1 oplossen.
spellingschrift
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > verwerken oefening 1 zelfstandig. > maken op het einde van de oefening eventueel een zin met elk gevonden werkwoord. Instructiegevoelige leerlingen > verwerken oefening 1 zelfstandig. Instructieafhankelijke leerlingen > werken in miniklas onder begeleiding. > krijgen verduidelijking bij de dubbele t in wachtten: wacht+ten. > krijgen verduidelijking bij de dubbele d in antwoordden: antwoord+den. > verklaren de dubbele d in vermoedden met het werkwoordschema. Verlengde instructie > Duid de moeilijkheid in een kleur aan, bijvoorbeeld: de klank die verandert, de uitgang bij de stam. Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs. Deze leerlingen oefenen in deze les extra op verdubbelen.
zorg- en evaluatiemodule map curriculumdifferentiatie
Inoefening (25 minuten) 5 De leerstof kort herhalen Projecteer de vijf zinnen of schrijf ze op het bord. Ga met de leerlingen na of het onderstreepte werkwoord een persoonsvorm is en of het een zin in de t.t. of in de v.t. is. Laat modellen hoe ze het probleem aanpakken. > > > > >
We wachtten gisteren ook al lang. De brief was niet ondertekend. Femke viel met haar fiets. Waarom verspreid je het slechte nieuws? Tijdens de les lachten veel klasgenoten.
6 Schriftelijk inoefenen Laat oefening 2- 6 oplossen.
spellingschrift kopieerblad 1 met werkwoordschema
L5 - Thema 3 - les 14 - lesgang
HDL T3.indd 425
425
29/01/18 15:47
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen > verwerken de oefeningen zelfstandig, inclusief uitbreidingsoefeningen. > gebruiken het werkwoordschema indien nodig. Extra oefening Speel nog eens het werkwoordspel uit thema 2, les 5 maar nu in de verleden tijd. Instructiegevoelige leerlingen > overlopen eerst de oefeningen. > maken alleen de basisoefeningen. > gebruiken het werkwoordschema indien nodig. Instructieafhankelijke leerlingen > werken in miniklas onder begeleiding. > gebruiken het werkwoordschema bij de oefeningen. > modellen beurtelings de eerste opdracht van elke oefening. > modellen het gebruik van het werkwoordschema. > krijgen hulp waar nodig. Oefening 2 Laat een ja-neevraag vormen om de persoonsvorm te vinden. Laat het onderwerp zoeken met de vraag: wie of wat doet iets? Oefening 3 Laat een ja-neevraag vormen om de persoonsvorm te vinden. Situeer de werkwoorden op het schema. Oefening 4 Laat elke stam van de aangeboden werkwoorden kleuren. Laat om de beurt de stappen op het schema modellen om het werkwoord te vervoegen. Oefening 5 Laat de stappen op het schema om de beurt modellen: de leerlingen schrijven telkens wat ze horen. Laat de werkwoorden bezocht, zocht, betrad, floot en wist in de wij-vorm plaatsen om te horen of d of t geschreven wordt op het einde. Oefening 6 Laat om de beurt de stappen op het schema modellen. Individueel aangepast curriculum (IAC) Voor leerlingen met een individueel aangepast curriculum vind je in de zorg- en evaluatiemodule in het luik curriculumdifferentiatie een aangepaste les met verwerkingsmaterialen voor leerlingen die voorbereid worden op de B-stroom van het secundair onderwijs.
zorg- en evaluatiemodule map curriculumdifferentiatie
Signaal en integratie (25 minuten) 7 Signaaloefening Coรถperatief leren: partnerdictee De leerlingen dicteren en schrijven om de beurt bij oefening 7. Ze dicteren de hele zin en herhalen nadien de vetgedrukte en blauwe woorden. Die woorden schrijft de leerling op.
426
L5 - Thema 3 - les 14 - lesgang
HDL T3.indd 426
29/01/18 15:47
Leerling 1 (denken) (benoemen) (antwoorden) (bedanken) (nemen)
Dorien dacht aan haar oma. De juf benoemde Kaat tot groepsleider. Sara antwoordde fout op de vraag. De filmster bedankte iedereen. Ik nam alle ballen mee naar huis.
Leerling 2 (blijven) (roeien) (landen) (lachen) (gaan)
Tom bleef bij oma slapen. Het meisje roeide tot aan de overkant. De helikopter landde naast een bos. Tante lachte naar de anderen. Hij ging gisteren zwemmen.
Totaal / 5 (1 punt per correct geschreven werkwoord)
dicteekaartjes (kopieerblad 2) kopieerblad 1 met werkwoordschema
TIP! De puntenverdeling is facultatief.
Na het dictee wisselen de leerlingen de dicteekaartjes uit. Iedereen verbetert zijn dictee met gekleurde balpen. Ze bespreken hun fouten en zoeken samen de juiste schrijfwijze. Daarbij geven ze elkaar uitleg. Bij twijfel roepen ze hulp in. 8 Integratieoefening Laat oefening 8 oplossen.
spellingschrift kopieerblad 1 met werkwoordschema
Redicodis/viersporenbeleid Instructieonafhankelijke leerlingen Integratieoefening > lossen de oefening zelfstandig op. > vergelijken en bespreken de oplossingen in duo. > gebruiken het werkwoordschema indien nodig. Instructiegevoelige leerlingen Integratieoefening > lossen de oefening als partnerwerk op. > bespreken met hun partner hoe ze de moeilijkheid aanpakken. > gebruiken het werkwoordschema indien nodig. > worden gecontroleerd of ze de juiste stappen in het schema volgen. Instructieafhankelijke leerlingen Partnerdictee > Heel zwakke spellers gebruiken het dicteekaartje als kopieerkaart. Wie twijfelt, kan even spieken, het woord afdekken en opschrijven. > Leerlingen die gebruik maken van het kopieerkaartje zetten een kruisje bij het woord om te duiden dat ze gebruik maakten van een compenserende maatregel. > Leerlingen met een IAC hebben een eigen dictee afgestemd op de inhoud van hun lessen.
zorg- en evaluatiemodule map curriculumdifferentiatie
L5 - Thema 3 - les 14 - lesgang
HDL T3.indd 427
427
29/01/18 15:47
Integratieoefening > lossen de oefening op onder begeleiding van de leraar. > noteren de stam van de werkwoorden zonder klankverandering onder het aangeboden woord. > modellen bij elk werkwoord de aanpak met behulp van het werkwoordschema. > Leerlingen met een IAC hebben een eigen integratieoefening die alleen inhouden van leerjaar 4 behandelt.
zorg- en evaluatiemodule map curriculumdifferentiatie
Pre-instructie voor de volgende spellingweek De volgende lessen focussen verder op correct schrijven van werkwoorden in de v.t. Herhaal nog even hoe je de stam van werkwoorden vindt.
428
L5 - Thema 3 - les 14 - lesgang
HDL T3.indd 428
29/01/18 15:47
les 14
Werkwoorden in de verleden tijd (1) De professor tovert de zin Nu loop ik weg tevoorschijn en zegt: “Let op, ik maak er gisteren van.” “Gisteren liep ik weg”, leest Kim. “Loop wordt liep. De klank verandert. Sterk hè?” “Precies!” roept de professor opgetogen. “En nu de zin Nu kook ik pap met gisteren ervoor.” “Gisteren kookte ik pap”, ziet Kim staan. “Er verandert weinig, na de stam volgt de uitgang te.” “Bij een werkwoord als landen, volgt na de stam de uitgang de”, zegt de professor. “Hij landde gisteren.” “Ik ga u testen, professor”, zegt Kim. “Zeg maar of de klank verandert in de verleden tijd, of niet. Spelen, werken, zeggen, landen, vinden ... ” “Neenee, daar begin ik niet aan”, zegt de professor. “Boeh”, zegt Kim heel zacht. “Zwak hoor, professor, heel zwak.”
Spellingweter 34 1
Laat zoeken naar de infinitief. Zo horen ze of er klankverandering is of niet. Deze oefening kunnen de leerlingen per twee verbeteren. Jij verbetert achteraf.
Zo schrijf je werkwoorden in de verleden tijd.
a Kleur in deze zinnen: alle werkwoorden. 1 Hij vond na lang zoeken de schat.
6 Hij lachte, terwijl wij moesten zwijgen.
2 Die auto reed veel te snel door het centrum.
7 Hoeveel bood ze voor dit kunstwerk?
3 Wij wachtten heel lang.
8 We vermoedden iets.
4 Hij antwoordde op de vraag.
9 De boot dobberde rustig op zee.
5 Gisteren brandden de groenten aan.
10 De hond blafte de hele tijd.
b Noteer de werkwoorden in de juiste kolom. Verleden tijd (v.t.) Geen klankverandering STAM + de(n) STAM + te(n)
Geen pv Klankverandering Infinitief
antwoordde
wachtten
vond
zoeken
brandden
lachte
reed
zwijgen
vermoedden
blafte
moesten
dobberde
bood
Thema 3 - les 14
35
L5 - Thema 3 - les 14 - correctiesleutel
HDL T3.indd 429
429
29/01/18 15:47
2
3
Markeer het onderwerp met geel en onderstreep de persoonsvorm. Staat de zin in tegenwoordige tijd of verleden tijd? Omcirkel het juiste antwoord. 1 Twee maanden geleden overstroomde hier alles.
t.t. / v.t.
2 Die vrouw neemt iedereen bij de neus.
t.t. / v.t.
3 Ga je vanavond naar huis?
t.t. / v.t.
4 De agenten achtervolgden de overvaller drie uur lang.
t.t. / v.t.
5 Hoe kon ik dat weten?
t.t. / v.t.
6 Op de tennisclub wordt de overwinning gevierd.
t.t. / v.t.
7 Er liggen kapers op de kust.
t.t. / v.t.
8 Heksen kregen van alles de schuld.
t.t. / v.t.
Onderstreep de persoonsvorm. Noteer de stam van het werkwoord. Schrijf de pv op -de(n) in het blauw en de pv op -te(n) in het groen. Stam
36
430
Persoonsvorm
1 Hij bestelde zelf de taarten.
bestel
bestelde
2 Er gebeurde een vreselijk ongeval.
gebeur
gebeurde
3 Zij wachtten op de bus.
wacht
wachtten
4 Landde jouw vliegtuig op Zaventem?
land
landde
5 Je besliste dat zomaar alleen!
beslis
besliste
6 Ik wenste je het allerbeste.
wens
wenste
7 Besteedde jij veel aandacht aan mooie kleren?
besteed
besteedde
8 De boeren plantten aardappelen.
plant
plantten
9 Betaalde jij mijn rekening?
betaal
betaalde
10 Zij weigerden nog mee te doen.
weiger
weigerden
11 De ouders dansten heel de avond.
dans
dansten
12 Jana bloedde hevig.
bloed
bloedde
Deze oefening kunnen de leerlingen per twee verbeteren. Jij verbetert achteraf.
De leerlingen kunnen het bijgevoegde deel bij de stam de(n) of te(n) markeren. Zo zien ze onmiddellijk in welke kleur ze het werkwoord moeten noteren.
Thema 3 - les 14
L5 - Thema 3 - les 14 - correctiesleutel
HDL T3.indd 430
29/01/18 15:47
4
5
6
Laat het werkwoordschema gebruiken. De leerlingen kunnen de stam in het blauw en de aanvulling in het groen noteren. Zo zien ze duidelijk of ze een dubbele t of d moeten schrijven.
Dit zijn werkwoorden zonder klankverandering in de v.t. Vul de juiste vorm van het werkwoord aan in de zin. Gebruik je werkwoordschema. 1 bouwen
We
bouwden
gisteren een kamp in het bos.
2 planten
We
plantten
een vlag.
haalde
3 halen
Simon
4 passen
Het
een apenpak.
5 slingeren
Hij
slingerde
aan een touw
6 landen
en
landde
in het gras.
7 maken
We
maakten
ook een kampvuur.
8 branden
Het
brandde
tot laat in de nacht.
paste
hem perfect!
Laat het werkwoordschema gebruiken. Laat de verschillende stappen van het werkwoordschema verwoorden.
Dit zijn werkwoorden met klankverandering in de v.t. Vul de juiste vorm van het werkwoord aan in de zin. Gebruik je werkwoordschema. 1 bezoeken
Ik
bezocht
gisteren het voetbalstadion.
2 zijn
Er
was
een belangrijke wedstrijd.
3 zoeken
Ik
zocht
een plekje op de tribune.
4 krijgen
Ik
kreeg
5 betreden
Mijn broer Younes
betrad floot
van papa een flesje limonade.
6 fluiten
De scheidsrechter
7 winnen
Dankzij Younes
8 geven
De supporters
het veld. voor de aftrap.
wonnen
ze de wedstrijd.
gaven
hem een luid applaus.
Vul de zinnen aan met de juiste persoonsvorm in de verleden tijd. Gebruik je werkwoordschema. Ik twijfel. proestte
1 proesten
Luca
2 kiezen
Wij
3 voetballen
Adam
4 doden
De soldaten
5 duiken
Tim en Brahim
Fout? Verbeter.
De leerlingen kunnen deze oefening per twee maken. Zo controleren ze elkaar. Jij verbetert achteraf. Laat het werkwoordschema gebruiken.
het uit.
kozen
een klasburgemeester.
voetbalde doodden doken
heel de dag. vijanden. het water in.
Thema 3 - les 14
37
L5 - Thema 3 - les 14 - correctiesleutel
HDL T3.indd 431
431
29/01/18 15:47
7
Luister goed. Schrijf op wat je hoort.
Ik twijfel.
1 2 3 4 5 Heb je een fout gemaakt? Schrijf het woord opnieuw.
8
38
432
Onderstreep de persoonsvorm in elke zin. Schrijf de tekst in de verleden tijd: vervang de persoonsvorm. 1 Ilka wacht op de bus.
Ilka wachtte op de bus.
2 Ondertussen loopt Jax naar de halte.
Ondertussen liep Jax naar de halte.
3 Hij verstopt zich achter de boom.
Hij verstopte zich achter de boom.
4 De bus komt aan.
De bus kwam aan.
5 Ilka stapt langs de boom.
Ilka stapte langs de boom.
6 Net op dat moment steekt Jax zijn voet uit.
Net op dat moment stak Jax zijn voet uit.
7 Ilka struikelt en mist zo haar bus.
Ilka struikelde en miste zo haar bus.
8 Dat is wel heel gemeen van Jax.
Dat was wel heel gemeen van Jax.
De leerlingen kunnen deze oefening per twee maken. Zo controleren ze elkaar. Jij verbetert achteraf. Laat het werkwoordschema gebruiken.
Thema 3 - les 14
L5 - Thema 3 - les 14 - correctiesleutel
HDL T3.indd 432
29/01/18 15:47
Werkwoordschema Hoe schrijf ik werkwoorden in de tegenwoordige tijd? Tip
Pas het werkwoordschema alleen toe als je het onderwerp en de pv vindt. Volg het werkwoordschema. Is het een pv? ja
nee
Zoek het onderwerp en de pv.
Tegenwoordige tijd (t.t.) 1e persoon enkelvoud ik STAM
2e persoon enkelvoud jij STAM + t
3e persoon enkelvoud hij / zij / het / … STAM + t
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet!
Verleden tijd (v.t.) 1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / … STAM + en
Geen Klankverandering klankverandering STAM + de(n) STAM + te(n)
Schrijf wat je hoort. Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
MAAR … jij/je na pv: STAM Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven. ik speel ik werk
jij speelt speel jij jij werkt werk jij
hij speelt
wij spelen
ik speelde
zij werkt
jullie werken
zij werkten
Bv.
Hoor je d/t achteraan? Verleng. OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de infinitief. trilt trilt niet Bv.
Tip
de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen …
d t
gespeeld, geplaatst
Als de stam al op een t eindigt, schrijf je niet nog eens een t. Dat is gewoon zo. Bv. Hij eet.
Als je de pv vervangt door werken, dan hoor je welke uitgang de pv heeft. Bv.
Ik word ziek. Hij antwoordt niet.
Ik werk (dus: stam). Hij werkt (dus: stam + t).
Luister en zing de werkwoordenrap! spellingweter xx
L5 - Thema 3 - les 14 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 433
433
29/01/18 15:47
Werkwoordschema Hoe schrijf ik werkwoorden in de verleden tijd? Let op! Pas het werkwoordschema alleen toe als je het onderwerp en de pv vindt. Volg het werkwoordschema. Is het een pv? ja
nee
Zoek het onderwerp en de pv.
Tegenwoordige tijd (t.t.) 2e persoon 3e persoon enkelvoud enkelvoud jij hij / zij / het / … STAM + t STAM + t
1e persoon enkelvoud ik STAM
Verleden tijd (v.t.) 1e/2e/3e persoon meervoud wij / jullie / zij / … STAM + en
Geen Klankverandering klankverandering STAM + de(n) STAM + te(n)
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven. ik speel
jij speelt speel jij jij werkt werk jij
ik werk
hij speelt
wij spelen
ik speelde
zij werkt
jullie werken
zij werkten
Bv.
Schrijf wat je hoort. Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
MAAR … jij/je na pv: STAM
Schrijf wat je hoort. Vergeet de spellingweters niet! de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen …
Hoor je d/t achteraan? Verleng. OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de infinitief. trilt trilt niet Bv.
d t
gespeeld, geplaatst
Als je de pv vervangt door werken of spelen, dan hoor je welke uitgang de pv heeft. Bv.
Tip
Papa redde het vogeltje. De auto startte niet.
Papa speelde. (dus: stam + de). De auto werkte. (dus: stam + te).
Sommige werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Bv. geef – gaf, drink – dronk, loop – liep ... Luister en zing de werkwoordenrap! spellingweter xx
434
L5 - Thema 3 - les 14 - kopieerblad 1
HDL T3.indd 434
29/01/18 15:47
Dicteekaartjes - overschrijfkaartjes Leerling 1
Leerling 1
1
denken
Dorien dacht aan haar oma.
1
denken
Dorien dacht aan haar oma.
2
benoemen
De juf benoemde Kaat tot groepsleider.
2
benoemen
De juf benoemde Kaat tot groepsleider.
3
antwoorden
Sara antwoordde fout op de vraag.
3
antwoorden
Sara antwoordde fout op de vraag.
4
bedanken
De filmster bedankte iedereen.
4
bedanken
De filmster bedankte iedereen.
5
nemen
Ik nam alle ballen mee naar huis.
5
nemen
Ik nam alle ballen mee naar huis.
Leerling 2
Leerling 2
1
blijven
Tom bleef bij oma slapen.
1
blijven
Tom bleef bij oma slapen.
2
roeien
Het meisje roeide tot aan de overkant.
2
roeien
Het meisje roeide tot aan de overkant.
3
landen
De helikopter landde naast een bos.
3
landen
De helikopter landde naast een bos.
4
lachen
Tante lachte naar de anderen.
4
lachen
Tante lachte naar de anderen.
5
gaan
Hij ging gisteren zwemmen.
5
gaan
Hij ging gisteren zwemmen.
L5 - Thema 3 - les 14 - kopieerblad 2
HDL T3.indd 435
435
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 15
Enthousiast over woorden Domein: Onderwerp: Lesduur:
taaldenken – betekenissen de betekenis van tekstwoorden en school- en instructietaal uit thema 3 inoefenen 25 minuten
Samenhang
Materialen
In de les taaldenken–betekenissen wordt gewerkt met de themawoorden en school- en instructietaal uit het thema.
Digitaal > bordboek
Lesdoelen
Folio > taalschrift > kopieerblad 1 > bronnenbladen 1-4
Hoofddoel van de les Reflecteren op de betekenis van woorden en inzien dat ze met elkaar in verband staan: hetzelfde betekenen, het tegengestelde betekenen, onder eenzelfde bovenliggend begrip thuishoren.
Diversen > kladpapier > woordenboek
Andere doelen > Reflecteren op betekenis van woordgroepen en zinnen zoals uitdrukkingen en vergelijkingen. > Reflecteren op het gebruik van het alfabet om alfabetisch gerangschikte bronnen op adequate en functionele wijze te hanteren. Leergebiedoverschrijdend/persoonsgebonden doel Groeien in verbondenheid: met zichzelf (IK), met de ander (JIJ), met gemeenschappen (WIJ).
Voorbereiding > Kopieer kopieerblad 1 voor elke leerling. > Gebruik de bronnenbladen uit de downloadbare bundel bij lesfase 1.
Coöperatieve werkvorm in deze les > denken - delen - doen
Persoonsgebonden/leergebiedoverschrijdende ontwikkeling Een brede woordenschatbasis is essentieel om taalvaardig uit de hoek te komen. Hoe breder de woordenschat waaruit de leerling kan putten, hoe gemakkelijker hij zijn boodschappen, ideeën en gevoelens kan overbrengen bij anderen. Woordenschat kun je (zelf ) leren voor jezelf, maar het gaat gemakkelijk door nieuwe woorden actief te gebruiken in een communicatieve situatie.
436
L5 - Thema 3 - les 15 - lesgang
HDL T3.indd 436
29/01/18 15:47
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Zoek en benoem de dieren Laat de afbeeldingen van de dieren een voor een zien. De leerlingen kijken en zoeken welk dier afgebeeld is. Hoe komt het dat deze dieren moeilijk te zien zijn? (Ze zijn gecamoufleerd.)
bronnenbladen 1-4
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 2 Ja-neevragen stellen Coöperatief leren: denken - delen - doen Verdeel de leerlingen in groepjes van ongeveer vier leerlingen. De leerlingen voeren oefening 1 uit. 3 Tegenargumenten bedenken Verdeel de leerlingen in duo’s. De leerlingen maken oefening 2.
kopieerblad 1 taalschrift
taalschrift
4 Oefeningen maken De leerlingen voeren oefening 3-5 zelfstandig uit. Ze maken oefening 6 in duo’s. 5 De oplossingen klassikaal bespreken Bij oefening 2 sommen een of meer leerlingen hun tegenargumenten op. Bij oefening 3 geven de leerlingen een aantal mogelijke oorzaken en gevolgen. Laat enkele duo’s het interview dat ze bij oefening 6 bedacht hebben, voorlezen.
Controleren en reflecteren 6 Controleren of de woorden gekend zijn Laat de leerlingen kopieerblad 1 voor zich nemen en de betekenissen bedekken. Vraag welk woord ze nu nog moeilijk vinden. 7 Reflecteren over woorden opzoeken in het woordenboek Vraag welke leerlingen moeite hadden met opzoeken in het woordenboek. Laat deze leerlingen de taalweter ‘Je leerde een woordenboek gebruiken. Weet je het nog?’ herlezen.
kopieerblad 1
taalschrift
Redicodis/viersporenbeleid Algemeen De leerlingen bekijken alle oefeningen vluchtig. > Wie denkt er meteen te kunnen beginnen? > Wie wil er liever nog wat uitleg bij de oefeningen krijgen? Instructieonafhankelijke leerlingen > gaan meteen aan de slag. > krijgen de tip om eerst de taalweter te lezen voor ze aan oefening 5 beginnen.
L5 - Thema 3 - les 15 - lesgang
HDL T3.indd 437
437
29/01/18 15:47
Redicodis/viersporenbeleid Instructiegevoelige leerlingen > krijgen individueel of in groep uitleg bij oefening 2 tot en met 5. > krijgen de tip om eerst de taalweter te lezen voor ze aan oefening 5 beginnen. Instructieafhankelijke leerlingen > werken oefening per oefening onder jouw begeleiding. > nemen samen met jou de taalweter door voor ze aan oefening 5 beginnen. Daarna demonstreer je hoe jijzelf woorden opzoekt in het woordenboek. Je helpt hen tot slot bij het opzoeken. > maken bij het oplossen van oefening 2-6 gebruik van kopieerblad 1. 8 Het zelfevaluatiekader invullen Laat de leerlingen het zelfevaluatiekader invullen. Bespreek na.
TIP! Met behulp van de Bingel Raket kun je het digitale portfolio automatisch laten invullen op basis van de zelfevaluatie van de leerlingen.
Pre-instructie voor de volgende les Vraag om tegen de volgende les (Vlot en vloeiend lezen: vrij lezen) een boek naar keuze mee te brengen.
438
L5 - Thema 3 - les 15 - lesgang
HDL T3.indd 438
29/01/18 15:47
les 15
Enthousiast over woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken. Ik kan woorden opzoeken in het woordenboek door gebruik te maken van de alfabetische volgorde.
1
Werk in groepen van vier. Eén groepslid kiest een woord van dit thema. Hij/zij verklapt dat woord niet. Speel daarna een raadspelletje volgens dit stappenplan: STAP 1: Elk groepslid stelt om de beurt een ja-neevraag. Die mag geen woord uit het thema bevatten. Bv. “Is het een werkwoord? Is het een persoon?” Speel volgens de wijzers van de klok. STAP 2: Het groepslid met het geheime woord beantwoordt de vraag. STAP 3: Denk je dat je het antwoord weet? Zeg het geheime woord dan hardop, als je aan de beurt bent. STAP 4: Wordt het geheime woord twee keer fout geraden? Dan verklapt het groepslid het woord en is de volgende aan de beurt (volgens de wijzers van de klok). Wordt het geheime woord geraden? Dan mag het groepslid dat het woord raadde zijn/haar geheim woord kiezen en proberen de andere groepsleden dat te raden.
2
Wijs erop dat ze kopieerblad 1 kunnen gebruiken om een woord te kiezen en om geschikte ja-neevragen te bedenken.
Werk met een partner. Lees de stellingen hieronder. Bedenk bij elke stelling een tegenargument. Stelling 1: Computerspelletjes zijn slecht voor kinderen.
Tegenargument:
Stelling 2: Kinderen op de basisschool moeten elke dag minstens een uur turnles krijgen.
Leg uit dat ze het niet met de stelling eens hoeven te zijn, maar dat ze een tegenargument moeten bedenken.
Tegenargument:
Stelling 3: Huiswerk op de basisschool moet worden afgeschaft.
Tegenargument:
114
Thema 3 - les 15
L5 - Thema 3 - les 15 - correctiesleutel
HDL T3.indd 439
439
29/01/18 15:47
3
Leg uit dat er veel verschillende oorzaken en gevolgen te bedenken zijn. Originaliteit mag.
a Bedenk voor elke oorzaak een mogelijk gevolg. 1 Oorzaak: Een auto rijdt door een rood stoplicht. Mogelijk gevolg: Bv. De chauffeur krijgt een boete. 2 Oorzaak: Je hebt niet geleerd voor een toets. Mogelijk gevolg: Bv. Je krijgt een onvoldoende. b Bedenk voor elk gevolg een mogelijke oorzaak. 1 Mogelijke oorzaak: Bv. je verliest je evenwicht. Gevolg: Je valt in het water. 2 Mogelijke oorzaak: Bv. De juf is ziek. Gevolg: De juf is niet op school.
4
Welk woord past het best bij de zin? Kies uit: het asiel – de migratie – het opvangcentrum – de mening staven 1 De minister legde met tegenargumenten uit waarom ze niet akkoord ging met het wetsvoorstel. de mening staven
2 Saïd is van Syrië gevlucht naar België. Hij vraagt of hij hier mag blijven.
© Mohammed Abu Ghosh / XINHUA
het asiel
3 Zara is gevlucht voor de oorlog. Ze slaapt nu tijdelijk in een gebouw, samen met andere vluchtelingen. het opvangcentrum
4 Ongeveer 400 jaar geleden verhuisden er veel mensen van Vlaanderen naar Holland. de migratie
5
Lees eerst de taalweter. Beantwoord de vragen. a Je leest de zin: ‘Gustave is geboren in Congo, maar genaturaliseerd tot Belg.’ Je weet niet wat genaturaliseerd betekent. Je zoekt het woord op in het woordenboek. 1 Kleur: het woord dat je opzoekt. genaturaliseerd
natuur
naturaliseren
2 Schrijf de betekenis van het woord op: een buitenlander als burger van het land opnemen Thema 3 - les 15
440
115
L5 - Thema 3 - les 15 - correctiesleutel
HDL T3.indd 440
29/01/18 15:47
b Je leest de zin: ‘De asielaanvraag van het gezin werd geweigerd.’ Je weet niet wat geweigerd betekent. Je zoekt het woord op in het woordenboek. 1 Kleur: het woord dat je opzoekt. weigering
weigeren
Leg uit dat werkwoorden in hun infinitiefvorm in het woordenboek staan.
geweigerd
2 Schrijf de betekenis van het woord op: zeggen dat je iets niet wilt
Hoe vind ik snel een woord in het woordenboek? Je leerde het woordenboek gebruiken. Weet je nog? 1 In het woordenboek staan
2
3 4 5
116
de woorden in alfabetische volgorde. Het eerste en laatste woord van elke pagina staan bovenaan op die pagina. Dat zijn de trefwoorden. Van werkwoordsvormen zoek je de infinitief. Bij een zelfstandig naamwoord zoek je altijd het enkelvoud op. De betekenis van zegswijzen, uitdrukkingen en spreekwoorden vind je door het belangrijkste woord op te zoeken.
2 1
5
3
4
Thema 3 - les 15
L5 - Thema 3 - les 15 - correctiesleutel
HDL T3.indd 441
441
29/01/18 15:47
6
Lees het begin van het interview. Fantaseer over hoe het verdergaat. Schrijf op wat de interviewer vraagt en wat de ge誰nterviewde antwoordt. Interviewer: Daisy, je hebt meegedaan aan Supertalentenjacht Vlaanderen Junior. En je hebt gewonnen. Hoe ging het er in de finale aan toe? Ge誰nterviewde:
Interviewer:
Ge誰nterviewde:
Interviewer:
Ge誰nterviewde:
7
Hoe verliep de les voor jou? Ik kon woorden uit dit thema verklaren en gebruiken. Ik kon woorden opzoeken in het woordenboek door gebruik te maken van de alfabetische volgorde.
Thema 3 - les 15
442
117
L5 - Thema 3 - les 15 - correctiesleutel
HDL T3.indd 442
29/01/18 15:47
Naam:
Datum:
Nr.
Enthousiast over woorden W
het asiel
de
vluchtelingen die asiel aanvragen in een land, vragen of ze in dat land mogen blijven
camoufleren
ervoor zorgen dat iets of iemand niet opvalt in de omgeving
enthousiast
met groot plezier, opgewonden, zeer blij
geĂŻnterviewde
persoon die in een interview de vragen beantwoordt
het gevolg
resultaat, uitkomst
humanitaire hulp
hulp aan slachtoffers van natuurrampen of mensen in oorlogsgebieden
de
interviewer
persoon die in een interview de vragen stelt
de
migratie
verhuizing van volkeren of bevolkingsgroepen van de ene naar de andere plek
de
oorzaak
aanleiding, reden
het opvangcentrum
gebouw waar mensen in nood mogen verblijven en hulp krijgen
de
regering
de mensen die een land besturen
de
stelling
mening die jij juist vindt en die je verdedigt
het tegenargument
iets waarmee je bewijst waarom je het niet eens bent met een stelling
Zegswijzen iemand onder de duim houden
iemand in je macht hebben
(je mening) staven
(je mening) met argumenten uitleggen, proberen te bewijzen
L5 L5--Thema Thema33-- les 15 - kopieerblad 1x
HDL T3.indd 443
443
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 16
Differentiatieblok Onderwerp: Lesduur:
differentiatieblok 100 minuten
Samenhang
Materialen
Leerlingen die bepaalde leerstof uit het thema onvoldoende beheersen, krijgen verlengde instructie en herhalingsoefeningen. Leerlingen die de leerstof voldoende beheersen, krijgen taken zelfstandig werk of een taaltaak.
Digitaal > zorg- en evaluatiemodule Folio > zorg- en evaluatiemap
Voorbereiding De ingevulde portfolio’s van de leerlingen worden overgedragen in de zorg- en evaluatiemodule in het lerarengedeelte van bingel.be. Op basis daarvan stelt de zorg- en evaluatiemodule je een planning voor het differentiatieblok voor: > Je ontvangt een overzicht van alle leerlingen die een bepaalde inhoud onvoldoende beheersen, samen met een verlengde instructie en verwerkingsmaterialen, zodat je de leerlingen in groep kunt begeleiden bij de herhalingskans. > Je ontvangt voor elke leerling een foliovoorstel over hoe hij of zij het differentiatieblok kan invullen: met een selectie uit de taken zelfstandig werk of met de taaltaak. > Je ontvangt bijkomend een voorstel voor passende bingeloefeningen. Op basis van die voorstellen kun je het differentiatieblok plannen. Je kunt het differentiatieblok ook samenstellen uit de zorg- en evaluatiemap. Vul het papieren portfolio per leerling in en kopieer de nodige herhalingsbladen en taken voor zelfstandig werk/taaltaak voor elke leerling.
Inhoud van het differentiatieblok Herhalingsopdrachten Lezen > Herhaling begrijpend lezen van een fictietekst: Toda en de commandant – 25 minuten > Herhaling begrijpend lezen van een non-fictietekst: Klimaatvluchtelingen – 25 minuten Taaldenken > Herhaling taaldenken: afleidingen – 25 minuten > Herhaling taaldenken: bijvoeglijke naamwoorden – 25 minuten Betekenissen > Herhaling alfabetiseren en de woordenschat uit het thema – 25 minuten Spelling > Herhaling woorden met een vrije klinker oo als au geschreven – 25 minuten > Herhaling woorden met een vrije klinker ie als i (fabrikant) – 25 minuten > Herhaling woorden met een doffe klinker in achtervoegsel -ig/-ige en doffe klinker in achtervoegsels –(e)lijk, e(e)lijke – 25 minuten > Herhaling woorden uitgesproken met s geschreven als c – 25 minuten > Herhaling werkwoorden in de verleden tijd – 25 minuten
444
L5 - Thema 3 - les 16 - lesgang
HDL T3.indd 444
29/01/18 15:47
Taken zelfstandig werk/taaltaak > Taak zelfstandig werken A – 25 minuten – basisniveau: oorlogsrecepten lezen en vergelijken met recepten nu, betekenis van woorden afleiden of opzoeken. > Taak zelfstandig werken B – 25 minuten – plusniveau: kennismaken met de cover en flaptekst van oorlogsboeken: de titel verklaren, het hoofdpersonage en het soort verhaal afleiden. > Taak zelfstandig werken C – 50 minuten – integratieoefeningen spelling > Taaltaak – 50 minuten – Dieren in de oorlog: teksten over beroemde dieren lezen en een schema aanvullen, een herdenkingsmonument tekenen en een spreuk bedenken.
L5 - Thema 3 - les 16 - lesgang
HDL T3.indd 445
445
29/01/18 15:47
Thema 3 - les 17
Evaluatieblok Onderwerp: Lesduur:
evaluatie 100 minuten
Samenhang
Materialen
Je kunt vrij plannen welke toetsen je afneemt binnen de beschikbare tijd. > Toets begrijpend lezen: fictie (25 minuten) > Toets begrijpend lezen: non-fictie (25 minuten) > Toets taaldenken/betekenissen (25 minuten) > Toets spelling korte termijngeheugen (25 minuten)
Digitaal > zorg- en evaluatiemodule Folio > zorg- en evaluatiemap
Voorbereiding De toetsen bij dit thema vind je: > in de zorg- en evaluatiemodule (als pdf en als aanpasbaar Wordbestand) > in het bordboek > in de zorg- en evaluatiemap
446
L5 - Thema 3 - les 17 - lesgang
HDL T3.indd 446
29/01/18 15:47
5
Handleiding 71124_TALENT 5_HANDLEIDING 5A_ 580265-1.indd 1
22/01/18 14:42
TALENT 5 - Handleiding Bij TALENT voor het 5e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: • Taalschrift A • Taalschrift B • Taalschrift C • Spellingschrift • Projectbundel - De Warmste Klas • Projectbundel - Loop naar de maan • Projectbundel - Daar zit muziek in • Werkwoordenblok Voor de leraar: • Handleiding A • Handleiding B • Handleiding C • Correctiesleutel Taalschrift A • Correctiesleutel Taalschrift B • Correctiesleutel Taalschrift C • Correctiesleutel Spellingschrift • Zorg- en evaluatiemap A • Zorg- en evaluatiemap B • Zorg- en evaluatiemap C • Map curriculumdifferentiatie Voor de klas: • Talentbib • Wandplaten • Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal) • Bingel Max • Bingel Plus • Bingel Start
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2018 Art. 580265 / 1
71124_TALENT 5_HANDLEIDING 5A_ 580265-1.indd 2
22/01/18 14:42
71123_TALENT 5_TAALSCHRIFT 5A_ 580257-1.indd 4
22/01/18 14:24
580265 / 1
71124_TALENT 5_HANDLEIDING 5A_ 580265-1.indd 3
vanin.be
22/01/18 14:42