Het komt door de mieren!
1 Luister aandachtig naar het verhaal. Lees regel per regel mee.
Ik zat in de klas.
Op een stoel.
Al best lang. De meester was iets aan het uitleggen.
Het ging over getallen. Over groepjes van tien.
Ik weet dat nog goed, want toen zag ik ze.
Ze liepen in een rijtje.
Een keurig rijtje van twintig mieren.
Ik sprong op van mijn stoel.
Twee groepjes van tien!
‘Ga zitten, Pam,’ zei de meester.
De meester vertelde over de groepjes.
Over getallen die ERBIJ kwamen en getallen die ERAF gingen.
2 Luister verder en lees mee. Let goed op wat je over Pam ontdekt.
Ik wilde echt gaan zitten, maar de mieren liepen nu onder mijn tafel.
Vlug telde ik ze. Het waren er achttien.
Twee mieren ERAF!
Waren ze kwijt!?
Ik dook op de vloer en keek onder de tafel van Mo. ‘Pam! Ga op je stoel zitten!’ zei de meester.
Dat kon natuurlijk niet.
Stel je voor dat ik mijn stoel of mijn voet op een mier zou zetten?
Dan waren het er nog maar zeventien.
Voorzichtig kroop ik naar de tafel van Mo. ‘Ik moet twee mieren redden,’ fluisterde ik.
3 Luister en lees het volgende stukje. Wat denk je dat er daarna gebeurt?
Ze zijn hun groepje kwijt.’
Ik wees onder mijn tafel.
Mo houdt ook van dieren.
Hij liet zich zachtjes van zijn stoel glijden.
‘Zo hé. Zestien mieren,’ zei Mo.
Ik schrok. ‘Zestien?
Net waren het er nog achttien!’
‘Nee!’ riep de meester.
‘Niet zestien, ook niet achttien.
Het antwoord is VIJF.’

Hij stond boos voor onze tafels.

‘Waarom zit jij niet op je stoel?’
‘Eh…’ zei ik.
‘Het komt door de mieren.’
De meester zuchtte.


‘Lopen er soms mieren op jouw stoel?’ Snel




toen de onderkant, maar ik zag niks.
Ik schudde mijn hoofd.



‘Ga zitten, Pam,’ zei de meester.
‘Je leidt Mo af.’
Ik gluurde onder mijn tafel.
Alle mieren waren weg.

Voorzichtig ging ik op mijn stoel zitten.

Wat heb ik geleerd?


• Ik kan vragen over de tekst beantwoorden en voorspellen wat er gebeurt.
• Ik kan tijdens een gesprek luisteren naar wat mijn partner vertelt.
Regels en afspraken in de klas
1 Vul de woordspin aan. Wie? Wat?

Hoe? Wanneer? Waar? Waarom?
• Ik kan vertellen wat hetzelfde is en wat anders is bij mij en mijn partner. Wat heb ik geleerd? door de mieren in de klas, op school ... de rekenles samen, stil ... de mieren, de school ... Sam, Mo, de meester ...
2 Wat hebben jullie gemeen? Wat is anders? Vul het venndiagram in dat je van je leerkracht krijgt.
• Ik kan informatie uit de tekst halen om opdrachten goed uit te voeren.
ik wel luisteren?
1 Lees de tekst en denk na: wat wil de schrijver ons vertellen?
‘Ga zitten, Pam,’ zei de meester.
De meester vertelde over de groepjes. Over getallen die ERBIJ kwamen en getallen die ERAF gingen.
Ik wilde echt gaan zitten, maar de mieren liepen nu onder mijn tafel.
Vlug telde ik ze. Het waren er achttien.
Twee mieren ERAF!
Waren ze kwijt?
Ik dook op de vloer en keek onder de tafel van Mo. ‘Pam! Ga op je stoel zitten!’ zei de meester.
Dat kon natuurlijk niet.
Stel je voor dat ik mijn stoel of mijn voet op een mier zou zetten?
Dan waren er nog maar zeventien.
Voorzichtig kroop ik naar de tafel van Mo. ‘Ik moet twee mieren redden,’ fluisterde ik.
Meer lezen?
Het komt door de mieren!, Tineke Honingh, Taaltoer 2 themabib
2 Lees de tekst opnieuw. Zoek in de tekst wat je leerkracht vraagt.
Wat heb ik geleerd?
• Ik kan uitleggen wat de schrijver wil vertellen en hoe hij of zij dat doet.
• Ik kan informatie in de tekst terugvinden.
Wist je dit al over mieren?
Wist je dit al over mieren?
Een lange rij mieren
In de zomer zie je soms heel veel mieren die in een lange rij druk heen en weer lopen. De rij begint bijvoorbeeld bij een stuk koek op de grond en eindigt in een gaatje in de grond. Elke mier sleept een kruimeltje van de koek naar het nest onder de grond. Daarna komt de mier terug voor een volgende lading.
Mieren werken heel hard. Na een tijdje is de koek helemaal opgeruimd. De mieren zijn dan ook weer weg. Mieren zijn dol op zoetigheid. Dat zoeken ze soms ook in huizen. Dat vinden mensen niet leuk.
Bijna overal op aarde leven mieren. Ze wonen net zo makkelijk in een woestijn als in een stad, hoog op een berg of in het bos.
Er zijn maar een paar plekken waar je mieren niet kunt vinden.
Op de Noordpool en de Zuidpool is het bijvoorbeeld te koud. Mieren leven altijd in een kolonie, in een groep bij elkaar.
Samenwonen in één nest
Een kolonie mieren die samen in één nest woont, heet een mierenvolk. Een kolonie kan uit tientallen, honderden of zelfs duizenden mieren bestaan. In een mierennest leven een koningin, vrouwtjes en mannetjes. De meeste mieren zijn vrouwtjes. Die noemen we werksters.
Het werk van vrouwtjesmieren
Al het werk in een mierenkolonie wordt door werksters gedaan. Ze hebben veel taken: het nest bouwen en schoonhouden, voedsel zoeken en eitjes en larven verzorgen. Larven zijn piepkleine wormpjes die uit de eitjes komen. Werksters likken de koningin schoon. Zo krijgen ze speciale geurstoffen binnen. In één nest hebben alle mieren, eitjes en larven dezelfde geur.
Naar: Mieren, Junior informatie, Noordhoff.
1 Waar vind je het antwoord op deze vragen?
a Bij welke titel zoek je het antwoord? Noteer het nummer bij de juiste titel.
1 Leven mieren alleen?
2 Houden mieren van sneeuw?
3 Hebben mieren regels en afspraken?
b Kleur:
GEEL het woord voor een groep mieren die samenleeft.
c Luister goed. Zoek in de tekst wat je leerkracht vraagt.
2 Waar of niet waar? waar niet waar
Mieren kunnen in de woestijn leven.
Mieren hebben een koning en koningin.
Larven verzorgen de werksters.
Er zijn meer vrouwtjes dan mannetjes in een nest.
Alle kolonies zijn heel groot.
3 Mieren, eitjes en larven in één nest hebben dezelfde geur.
a Teken een mier bij de zin waar je dat leest.
b Vul aan:
Wat heb ik geleerd? koningin schoonlikken
Het is de geur van de . De werksters krijgen die geur omdat ze de koningin
• Ik kan informatie in de tekst terugvinden.
• Ik kan informatie uit de tekst gebruiken om opdrachten uit te voeren.
De mieren gaan op pad
1 Waarom lopen de mieren de klas binnen?
Noteer twee kernwoorden.
1 2
2 Wat teken je bij prent 3? Maak hier snel een schets.
3 Gebruik de kernwoorden. Schrijf je tekst eerst in het klad. Vul daarna de tekstballonnen van de strip in.
4 Heb je …?
• de kernwoorden gebruikt in je tekening? ja nee
• de kernwoorden gebruikt in je zinnen? ja nee
Ik gebruik wat ik las over de mieren om een strip af te werken. Wat heb ik geleerd?