Skip to main content

STORIA HD classic 1 - Werkschrift - Intro

Page 1

Woord vooraf

Beste leerling Je hebt op dit moment het werkschrift van Storia HD Classic 1 in handen. Het zal jou helpen om de geschiedenis te verkennen. Net zoals het leerboek bevat het werkschrift verschillende onderdelen. Je krijgt hier een klein overzicht. Ben je er klaar voor?

Welkom in het secundair onderwijs! Ben je een goede quizzer? Je weet misschien al meer van de geschiedenis dan je zelf denkt. Op de eerste bladzijden van dit werkschrift vind je de antwoordbladzijden van een heuse quiz. Je leraar beschikt over de vragen. Bij dit werkschrift hoort ook een opvouwbare tijdlijn. Wat tijdlijnen zijn en waarvoor ze dienen, wordt uitgelegd in les 2. De tijdlijn die je vorig jaar gebruikt hebt, wordt er vergeleken met degene die je in het secundair onderwijs gaat gebruiken. Je zult zien dat er niet al te veel verschillen zijn.

Wat bedoelt de leraar? In het leerboek op blz. 7 vind je nuttige tips terug over hoe je het beste studeert. In het eerste deel van dit werkschrift vind je daar toepassingen op. Een opdracht begrijpen is niet altijd eenvoudig. Wat bedoelt de leraar juist? Om je te helpen, vind je in diezelfde les een overzicht terug. Daarin staat wat leraars precies bedoelen als ze je een bepaalde opdracht geven.

Schema en opdrachten 3 Duidelijke lestitels 5 Reeks opdrachten

1 Lesnummer

10

Geloof in één god = monotheïsme

De Kelten, een volk uit de Europese ijzertijd

Na de regering van Achnaton: opnieuw polytheïsme OPDRACHT 1

Kaartnr(s).

Bestudeer bron 4 op blz. 85 in je leerboek. Wat is een scarabee en wat symboliseert hij? Een mestkever, symboliseert de opkomende zon

SCHEMA

1 De Kelten verspreiden zich in twee periodes over Europa OPDRACHT 2

Periode

Begin- en eindjaar

EXTRA

Feiten Ontstaan van de Kelten 1 Indo-Europeanen uit

Hallstatt

2 Met deze icoontjes kun je zelf aanduiden welke domeinen in de les aan bod gekomen zijn.

ca. 700-450 v.C.

Bestudeer de afbeeldingen van Egyptische goden en lees de lestekst onder titel 2 in je leerboek op blz. 82, 83, 84 en 85. Hieronder staan tekeningen met wat uitleg. Zet de juiste naam van de god bij de juiste tekening. Kies uit de volgende namen: Anoebis, Aton, Bastet, Khepri, Thot, Horus, Isis, Osiris en Seth.

Zuid-Rusland

2 Vestigen zich in Midden-Europa 3 Plaatselijke bevolking wordt

onderworpen.

4 Vermenging van beide volkeren: Kelten Verspreiding van Kelten over Europa Khepri

Oorzaak 1: 1 Grotere bevolking

Bastet

Aton

Thot

Opkomende zon en

Godin van het leven

Zonneschijf, de

god van de weder­ geboorte

en de warmte

schepper van het heelal

God van het schrift

2 Meer voedsel nodig 3 Meer landbouwgrond nodig 4 Oorlog om grond te veroveren La Tène

ca. 450-50 v.C.

•

tegen

andere stammen

•

tegen

buurvolkeren

Isis

Oorzaak 2: 1 Kelten leren beter

smeden.

2 Betere wapens

Naam:

mummificeren

Kelten houden van vechten.

Klas:

nummer:

Osiris

God van het licht

God van de doden

Seth

Het gaat om de god van de woestijn en de onvruchtbaarheid. Hij staat voor alles wat slecht is. Hij is de broer van Osiris en Isis. Seth slaagt erin Osiris te doden en in stukken te hakken. Isis kan Osiris echter terug heel maken. Ze krijgt een zoon van hem: Horus. Die verslaat uiteindelijk de slechte god Seth. Horus maakt zijn vader Osiris god van de onderwereld. Seth wordt voorgesteld als een varken. Dat heeft er misschien toe geleid dat het varken tot op vandaag in het Midden­ Oosten als een onrein dier wordt beschouwd.

Oorzaak 3:

naam:

Horus

Begeleider van de doden en god van het

van Osiris

Welke god heb je niet teruggevonden?

3 Kunnen buurvolkeren makkelijk verslaan

4 Zelf aan te vullen schema

Anoebis

Moedergodin, moeder van Horus en vrouw

Naam:

60 LES 10 De Kelten, een volK uit De europese ijzertijD

Klas:

Nummer:

D HET OUDE NABIJE OOSTEN

Klas:

97

Nummer: WOORD VOORAF

3


Onlinelesmateriaal Bij het onlinelesmateriaal vind je interessante oefeningen en boeiende ontdekplaten. Je moet je slechts eenmaal registreren met de code die je vooraan in dit werkschrift vindt. Gedurende een volledig schooljaar mag je dan gebruikmaken van het onlinelesmateriaal.

Geef jezelf punten! Op het einde van elke les vind je de rubriek ‘kennen en kunnen’ uit je leerboek terug. Als je denkt dat je een onderdeeltje van ‘kennen of kunnen’ onder de knie hebt, kun je het vakje ervoor inkleuren. De oefeningen bij het onlinelesmateriaal helpen je misschien bij deze zelfevaluatie. Bovendien kun je zelf aanduiden wat je van een bepaalde les vond. Je mening is belangrijk.

HEB IK HET BEGREPEN? KAN IK HET? Heb je de les goed begrepen? Lees de lestekst. Probeer het schema met je eigen woorden uit te leggen. Surf naar het onlinelesmateriaal en los de oefeningen bij deze les op. Telkens als je denkt dat je een onderdeeltje van ‘kennen en kunnen’ beheerst, zet je er een kruisje bij.

KUNNEN

KENNEN 1 vier voordelen van vuur voor de mens opnoemen 2 twee vormen van vuurproductie beschrijven 3 de evolutie van de steenbewerking in vier stappen beschrijven 4 de volgorde van de door de mens gebruikte metalen opnoemen

1 verschillende werktuigen onderscheiden 2 werktuigen chronologisch sorteren 3 bronnen sorteren volgens soort 4 een bron situeren in de tijd

5 een voor- en een nadeel van de gebruikte metalen opnoemen

Geef je mening over de les. Was ze gemakkelijk of moeilijk? Interessant of saai? Zet telkens een kruisje. Gemakkelijk / moeilijk Gemakkelijk

Tussenin

Interessant / saai Moeilijk

Interessant

Tussenin

Saai

De opdrachten De lestekst De oefeningen bij het onlinelesmateriaal De les in haar geheel Opmerkingen:

naam:

46

Naam:

4

WOORD VOORAF

klas:

nummer:

LES 6 De werktuigen van De prehistorische mens

Klas:

Nummer:


De grote Storiaquiz De vragen zijn onderverdeeld in acht speelrondes: • • • • • • • •

Piramides en ingewikkelde mensen Familie van Asterix Grote stenen Voor of na Christus? Aap, mens of na-aper? Hoe oud is het? Ra ra ra, waar ligt het? Geschiedenis voor mensen van het vak

Je leraar beschikt over de vragenlijsten. Spelregels • De leraar kleeft vier letters (A, B, C, D) op het bord, op de ramen of op de grond. • De leraar verdeelt de klas in groepen van vier of acht leerlingen. • Elke groep overlegt intern wie de ‘spreekbuis’ wordt voor welke ronde. Opgelet! Wanneer de groepen uit vier leerlingen bestaan, moet elk groepslid twee rondes uitkiezen. Wanneer de klas uit een oneven aantal leerlingen bestaat, kun je een of twee rondes laten vallen of de vragen bij een andere ronde invoegen. • De leraar kiest een ronde. De leerlingen kruisen hun antwoorden (A, B, C, D) aan op de invulbladen op blz. 6 en 7 in het werkschrift. • Alle groepsleden beantwoorden de vraag eerst individueel. Die antwoorden worden in de groep besproken. Zo blijft iedereen voortdurend betrokken en wordt de verantwoordelijkheid bij het antwoorden verdeeld over alle groepsleden. • Het is de ‘spreekbuis’ die uiteindelijk een beslissing zal nemen en bij A, B, C of D plaatsneemt. • De leraar geeft telkens de oplossing nadat alle spreekbuizen hun plaats hebben ingenomen. De leraar noteert welke groepen het juiste antwoord hebben gekozen. • De leerlingen kijken op hun eigen blad naar hun oplossing en duiden aan of het juist was (groen omcirkelen) of fout (rood omcirkelen). Einde: alle rondes zijn aan bod gekomen en alle spreekbuizen zijn dus aan de beurt geweest. Het is nu duidelijk welk team gewonnen heeft. De leraar haalt de ingevulde individuele lijsten op om een zicht te krijgen op de kennis van de individuele leerlingen. Hij kan er ook voor kiezen om een individuele winnaar kenbaar te maken ...

Naam:

Klas:

Nummer: WOORD VOORAF

5


Antwoordblad voor de leerlingen

Ronde 1

Antwoord

WOORD VOORAF

B

C

D

Antwoord Vraag 1

Vraag 2

Vraag 2

Vraag 3

Vraag 3

Vraag 4

Vraag 4

Vraag 5

Vraag 5

Vraag 6

Vraag 6

Vraag 7

Vraag 7

Vraag 8

Vraag 8

Vraag 9

Vraag 9

Vraag 10

Vraag 10

Antwoord

6

A

Familie van Asterix

Vraag 1

Ronde 3

Naam:

Ronde 2

Piramides en ingewikkelde mensen

Ronde 4

Grote stenen A

B

C

D

A

B

C

D

Voor of na Christus?

Antwoord

Vraag 1

Vraag 1

Vraag 2

Vraag 2

Vraag 3

Vraag 3

Vraag 4

Vraag 4

Vraag 5

Vraag 5

Vraag 6

Vraag 6

Vraag 7

Vraag 7

Vraag 8

Vraag 8

Vraag 9

Vraag 9

Vraag 10

Vraag 10

Klas:

A

B

C

Nummer:

D


Ronde 5

Aap, mens of na-aper?

Antwoord

A

B

C

D

Hoe oud is het?

Antwoord

Vraag 1

Vraag 1

Vraag 2

Vraag 2

Vraag 3

Vraag 3

Vraag 4

Vraag 4

Vraag 5

Vraag 5

Vraag 6

Vraag 6

Vraag 7

Vraag 7

Vraag 8

Vraag 8

Vraag 9

Vraag 9

Vraag 10

Vraag 10

Ronde 7

Ronde 8

Ra ra ra, waar ligt het?

Antwoord

Naam:

Ronde 6

A

B

C

D

A

B

C

D

Geschiedenis voor mensen van het vak

Antwoord

Vraag 1

Vraag 1

Vraag 2

Vraag 2

Vraag 3

Vraag 3

Vraag 4

Vraag 4

Vraag 5

Vraag 5

Vraag 6

Vraag 6

Vraag 7

Vraag 7

Vraag 8

Vraag 8

Vraag 9

Vraag 9

Vraag 10

Vraag 10

A

Klas:

B

C

D

Nummer: WOORD VOORAF

7


1 SCHEMA

Inleiding

Kaartnr(s).

Hoe studeer ik geschiedenis?

Voorbereiden

Verkennen

Diezelfde avond

Lezen en bestuderen

Naam:

8

LES 1 Inleiding

Klas:

Nummer:


Memoriseren

Avond voor de volgende les

Controleren

Toepassing van ‘Leren leren’ Raadpleeg je leerboek op blz. 7. Pas de verschillende stappen van ‘Geschiedenis studeren: in de klas en thuis’ toe op les 2.

OPDRACHT 1

Verkennen Noteer de titel en de ondertitels van les 2. Stel jezelf vragen over die titels, zoals in het leerboek uitgelegd wordt. Het gaat hier vooral om ‘Wat- en Hoe-vragen’. TITEL: Vragen: ONDERTITELS: 1 Vragen: • • •

Naam:

Klas:

Nummer:

LES 1 Inleiding

9


2 Vragen: • • • 3 Vragen: • • • 4 Vragen: • • •

OPDRACHT 2

Lezen en bestuderen • Lees de tekst en ga na welke woorden je niet begrijpt. Noteer de woorden die je niet begrijpt op een apart blad papier. Zoek vervolgens de betekenis van die woorden in een naslagwerk op. • Lees de tekst per ondertitel. Zoek een antwoord op de vragen die je op de vorige pagina zelf stelde. Misschien vind je nog andere vragen? Dat gaat wat gemakkelijker als je denkt dat je een leraar bent die een toets voor de leerlingen maakt. Om dat wat te oefenen, pas je het toe op de eerste twee ondertitels van les 2. Je noteert de kernwoorden om achteraf je antwoorden te formuleren.

Naam:

10

LES 1 Inleiding

Klas:

Nummer:


• Raadpleeg de oefeningen die je maakte in je werkschrift. Ga na welke oefeningen aansluiten bij titel 1 en 2. Nu zal veel je al duidelijker worden.

OPDRACHT 3

Memoriseren (en schematiseren) • Raadpleeg je schema en vertel de inhoud van de les aan je buur. Of ga vooraan in de klas staan en leg de les uit met behulp van het schema. • Probeer vervolgens het schema – zonder te kijken – te noteren op een apart blad. • Welke begrippen moet je kennen? Studeer ze uit je hoofd. Maak kaartjes met aan de ene kant het begrip en aan de andere kant de verklaring. Ondervraag je buur. • Memoriseren betekent onthouden en kunnen meedelen aan anderen. Dat is niet altijd even gemakkelijk. Bij titel 3 is het duidelijk dat je de zeven tijden in de juiste volgorde moet kunnen opsommen. Je kunt daarvoor een hulpmiddeltje gebruiken. Neem van elke tijd de eerste letter. Zet ze in de juiste chronologische volgorde en vorm met die eerste letters zeven woorden die samen een zin vormen. Als je die zin onthoudt, weet je dat elke beginletter van een woord de beginletter van een tijd is. Dat is toch al wat eenvoudiger. Wat vind je van dit voorbeeld? Pot Stroop Kan Mama Nog Niet Eten. Misschien kun je er zelf nog leukere bedenken?

OPDRACHT 4

Controleren Raadpleeg de lijst ‘kennen en kunnen’ Bekijk wat daar gevraagd wordt. Voor sommige puntjes zul je de lestekst moeten studeren. Voor andere bekijk je het best opnieuw de opdrachten in je werkschrift. Ga naar het onlinelesmateriaal en probeer de oefeningen bij de les op te lossen. Je kunt ook je buur ondervragen. EXTRA. ‘Kennen oplossen’: wat bedoelt de leraar? Na elke lestekst vind je een aantal items die je moet kennen. Toch is het zeker niet altijd makkelijk om die vragen op te lossen. Op de volgende bladzijde helpen we je op weg.

Naam:

Klas:

Nummer:

LES 1 Inleiding

11


1 De vraag grondig lezen Lees de vraag grondig. Wat moet je precies doen? De antwoorden kun je vinden in de lestekst of in het schema dat je bij elke les vindt in je werkschrift. Los de opdrachten één voor één op.

2 Soort vraag Natuurlijk stellen we nooit ja-neevragen. Dan zou je antwoord snel gegeven zijn. Bovendien staan er geen echte vragen onder ‘kennen’, want er staan geen vraagtekens achter. Controleer of een van de onderstaande kernwoorden in de opdracht voorkomt. Los de opdracht dan op. Gebruik daarvoor de juiste oplossingsmethode onder titel 3. Nr.

Type opdracht/vraag

Kernwoorden

1

Opsommen

opnoemen, opsommen, eigenschappen, kenmerken ...

2

Chronologisch

feiten, volgorde, situeren ...

3

Vergelijken

verschillen, overeenkomsten, gelijkenissen ...

4

Oorzaak-gevolg

oorzaken, aanleiding, redenen, gevolgen, uitleggen, verklaren ...

5

Beschrijven

uitleggen, schetsen …

6

Bewijzen

bewijzen, aantonen ...

3 Oplossingsmethoden Oplossingsmethode 1: Opsommen Voorbeelden van vragen • Noem drie kenmerken van de smurfen. • Geef twee voorbeelden van smurfen. • Geef drie eigenschappen van smurfen. • Leg de taak uit van: Grote Smurf, Brilsmurf, Koksmurf ... Jouw antwoord • Schrijf één zin per kenmerk. • Nummer de opsomming. • Leg elk kenmerk kort uit en geef eventueel een voorbeeld. • Zorg ervoor dat je over verschillende kenmerken schrijft. Voorbeelden van antwoorden • Noem drie kenmerken van de smurfen. 1 Smurfen hebben een blauwe huid. 2 Smurfen dragen een witte muts. 3 Ze vervangen heel wat woorden door ‘smurf’. • Geef twee voorbeelden van smurfen. 1 Grote Smurf 2 Brilsmurf

Naam:

12

LES 1 Inleiding

Klas:

Nummer:


Oplossingsmethode 2: Chronologisch ordenen Voorbeelden van vragen • Schets bondig het verloop van de smurfenoorlogen. • Zet de belangrijkste feiten uit de smurfeneeuwen in chronologische volgorde. Jouw antwoord • Geef een opsomming in zinnen per feit of belangrijke gebeurtenis. • Als dat gevraagd wordt, kun je bij elke zin ook het jaartal of de datum geven. • Plaats de gebeurtenissen in volgorde: wat eerder gebeurd is, plaats je eerst ... Oplossingsmethode 3: Vergelijken Voorbeelden van vragen • Noem drie verschillen tussen smurfen en kabouters (a). • Geef twee overeenkomsten tussen smurfen en kabouters (b). • Noem één belangrijk verschil tussen Gargamel en de smurfen (c). Jouw antwoord A Stop zo’n vraag eerst in een tabel vooraleer je je antwoord in zinnen uitschrijft. Vraag (a): Verschillen

Smurfen

Kabouters

huid

blauw

gewone huidskleur

levenswijze

zijn overdag actief

zijn ’s nachts actief

kledij

witte broek, witte muts

rode muts, jas en broek

B Daarna schrijf je de inhoud van elke rij of kolom in zinnen uit.

Bijvoorbeeld Smurfen hebben een blauwe huidskleur, kabouters zien eruit zoals mensen. Kabouters leven vooral ’s nachts, terwijl de smurfen overdag leven. Smurfen dragen enkel een witte broek en een witte muts. Kabouters dragen kleren zoals mensen en vaak een rode puntmuts. Oplossingsmethode 4: Oorzaak-gevolg Voorbeelden van vragen • Geef twee oorzaken van de ruzie tussen Gargamel en de smurfen. • Verklaar de ruzie tussen Gargamel en de smurfen. • Geef twee gevolgen van de ruzie tussen Gargamel en de smurfen. • Leg uit waarom de smurfen het altijd winnen van Gargamel. Jouw antwoord • Als je een oorzaak moet geven, moet je uitleggen waarom iets gebeurd is. • Een gevolg moet vertellen wat het resultaat is van een bepaalde oorzaak. Bijvoorbeeld Het slechte weer had tot gevolg dat ... • Som de oorzaken of gevolgen op (eventueel kort op een kladblad). • Schrijf per oorzaak of gevolg minstens één zin.

Naam:

Klas:

Nummer:

LES 1 Inleiding

13


• Wanneer je gevolgen moet geven, moet je starten met een korte herhaling van de ‘vraag’. Bijvoorbeeld De ruzie tussen Gargamel en de smurfen heeft als gevolg ..., heeft geleid tot ... • Let op: een antwoord begin je nooit met ‘omdat’ ... Niet: Omdat Gargamel ... Maar wel: Gargamel en de smurfen hebben ruzie omdat ... Oplossingsmethode 5: Beschrijven Uitleggen, schetsen Als de leraar vraagt om iets te schetsen, moet je het niet met potlood op papier tekenen. Je moet het verhaal ‘tekenen’ met woorden. Geschiedenis is een verhalend vak. Vertel het verhaal in je eigen woorden. Zorg ervoor dat iemand die de les niet heeft gekregen jouw antwoord volledig snapt. Zie ook oplossingsmethode 4. Oplossingsmethode 6: Bewijzen Aantonen, bewijzen ‘Bewijzen’ ken je uit het vak wiskunde. Je moet het bewijs leveren van iets. Vergelijk het met een rechtbank: de politie moet het bewijs leveren dat iemand schuldig is. • Schrijf per bewijs minstens één zin. Zie ook oplossingsmethode 4.

4 Controle • • • • •

Naam:

14

LES 1 Inleiding

Controleer of je antwoord volledig is. Zorg dat je je eigen antwoord zelf begrijpt. Gebruik geen woorden waarvan je de betekenis niet kent. Let op de spelling: begin een zin met een hoofdletter en eindig met een leesteken. Iemand die de leerstof niet gekregen heeft, moet je antwoord begrijpen.

Klas:

Nummer:


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook