Via www.ididdit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform. Activeer de code die je in je leerboek vindt en krijg toegang tot alle digitale lesmateriaal bij Storia HD Classic 2.
Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode Storia HD van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken.
In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Cartografie: Van Dijk Vormgeving & Kartografie, Van Oort redactie en kartografie, Almere, Rerink kartografie & Vormgeving, Eindhoven Met dank aan Paul De Volder en Guy Jossart
Woord vooraf
Beste leerling
Je hebt op dit moment het werkschrift van Storia HD Classic 2 in handen. Het zal je helpen om de geschiedenis te verkennen. Net zoals het leerboek bevat het werkschrift verschillende onderdelen.
Je krijgt hier een klein overzicht. Ben je er klaar voor?
Wat bedoelt de leraar?
In het leerboek op blz. 8 en 9 vind je nuttige tips terug over hoe je het beste studeert. In les 1 van dit werkschrift vind je daar toepassingen op. Het begrijpen van een opdracht is niet altijd eenvoudig. Wat bedoelt de leraar juist? Om je daar een klein beetje bij te helpen, vind je in diezelfde les een overzicht terug. Daarin staat wat leraars precies bedoelen als ze je een bepaalde opdracht geven.
Schema en opdrachten
3 Duidelijke lestitels
1 Lesnummer
2 Met deze icoontjes kun je zelf aanduiden welke domeinen in de les aan bod gekomen zijn.
Na elke lestekst vind je een aantal vragen die je moet ‘KENNEN’. Toch is het zeker niet altijd makkelijk om die vragen op te lossen. We helpen je even op weg.
De vragen oplossen is jouw belangrijkste werk bij het bestuderen van de geschiedenis. Het is niet altijd fijn, maar het is heel belangrijk dat je zelfstandig leert om de vragen te beantwoorden. Zo leer je nadenken en dat zal je bij je studie nog vaak van pas komen.
1 Lees de vraag grondig en zoek het antwoord in je schema
Het is belangrijk om elke vraag grondig te lezen. Op de meeste vragen vind je zonder problemen het antwoord in het schema. Meestal staan de vragen ook in de volgorde waarin je ze in je schema kunt terugvinden.
2 Soort vraag
Natuurlijk stellen we nooit ja-neenvragen. Dan zou je antwoord snel gegeven zijn. Bovendien staan er geen echte vragen onder ‘ KENNEN ’, want er staan geen vraagtekens achter.
Controleer of een van de onderstaande kernwoorden in de opdracht voorkomt. Los de opdracht dan op. Gebruik daarvoor de juiste oplossingsmethode onder titel 3. Welke oplossingsmethode je moet kiezen, kun je vaak al aan het schema zien.
• Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken.
• De zinnen moeten duidelijk zijn voor iemand die niets van de leerstof afweet.
3 Oplossingsmethodes
Oplossingsmethode 1: Opsommen
Voorbeelden van vragen
• Geef vier kenmerken van het Middellandse Zeeklimaat.
• Noem drie grote samenlevingen uit het oostelijke Middellandse Zeebekken.
• Noem twee manieren waarop de Egyptenaren de Kretenzers hebben beïnvloed.
• Verklaar de begrippen ‘zeevolkeren’, ‘Palestina’, ‘Joden’, ‘Oud Testament’, ‘Feniciërs’ en ‘Etrusken’ (zie voor deze vraag ook oplossingsmethode 5).
Jouw antwoord
• Schrijf één kenmerk per zin.
• Nummer de opsomming.
• Leg elk kenmerk kort uit en geef eventueel een voorbeeld.
• Zorg ervoor dat je over verschillende kenmerken schrijft.
• Je moet niet altijd alleen maar opsommen: soms moet je de gevraagde opsomming uitleggen.
Voorbeelden van antwoorden
• Geef vier kenmerken van het Middellandse Zeeklimaat.
1 De zomers zijn lang, warm en droog.
2 Het is een mild klimaat met voldoende regen en veel zon.
3 De winters zijn kort, zacht en vochtig.
4 Het vriest er bijna nooit.
Schema omzetten in zinnen
Op een toets moet je de informatie van het schema omzetten in zinnen.
Oplossingsmethode 2: Chronologisch ordenen
Bij een chronologie moet je de volgorde van historische feiten geven door de tijd heen. Geef bij elk feit ook wat uitleg.
Voorbeelden van vragen
Voorbeelden van vragen Tips
Situeer de minoïsche samenleving in de tijd. Geef het beginpunt en het eindpunt.
Noem de drie periodes in de minoïsche geschiedenis en geef van elke periode een kenmerk.
Jouw antwoord
• Geef het beginpunt en het eindpunt van elke periode. Het is natuurlijk handig dat de ene periode begint wanneer de vorige eindigt.
• Geef aan elke periode ook een gepaste naam en schrijf bij elke periode uitleg. Controleer hoeveel kenmerken je per periode moet geven.
• Geef een opsomming in zinnen per feit of belangrijke gebeurtenis.
• Als dat gevraagd wordt, kun je bij elke zin ook het jaartal of de datum geven.
• Plaats de gebeurtenissen in volgorde: wat eerder gebeurd is, plaats je eerst.
Oplossingsmethode 3: Vergelijken
Voorbeelden van vragen,
• Geef twee overeenkomsten tussen de mythe van de Minotaurus en de minoïsche samenleving.
Jouw antwoord
A Stop zo’n vraag eerst in een tabel voor je het antwoord in zinnetjes uitschrijft. Vaak vind je de tabel al in je schema.
Minoïsche samenleving
Mythe van de Minotaurus
Koning heet Minos. Minotaurus
Veel afbeeldingen van stieren
Minotaurus: half mens, half stier
Paleizen hebben ingewikkelde gangen. Labyrint in mythe
B Daarna schrijf je de inhoud van elke rij of kolom in zinnetjes uit.
Voorbeelden van antwoorden
• De koning heet Minos. In de mythe heet het monster Minotaurus.
• In de paleizen op Kreta staan veel afbeeldingen van stieren. In de mythe komt een monster voor dat half mens, half stier is.
• De paleizen hebben ingewikkelde gangen. In de mythe komt een labyrint voor.
Oplossingsmethode 4: Oorzaak-gevolg
Een oorzaak vertelt hoe iets komt of waarom iets gebeurt. Een gebeurtenis kan verschillende oorzaken hebben.
Voorbeelden van vragen
Voorbeelden van vragen Jouw antwoord Voorbeelden van antwoorden
Leg de oorzaak van de oorlog met Troje uit.
1 Leg uit wie tegen wie vecht.
2 Leg uit waarom ze tegen elkaar vochten.
Geef en verklaar twee oorzaken van kolonisatie.
Leg drie gevolgen uit van de kolonisatie.
Schrijf twee zinnen waarin je uitlegt waarom de Grieken koloniseren.
Schrijf drie zinnen waarin je het resultaat of de gevolgen van de kolonisatie uitlegt. Let op dat je niet enkel voorbeelden geeft, maar vooral ook zegt welk soort gevolg er was.
• De oorlog werd veroorzaakt door ...
• De Grieken waren het beu dat ze tol moesten betalen aan Troje. Daarom ...
• De Grieken stichten kolonies omdat ...
• De kolonisatie wordt veroorzaakt door ...
De kolonisatie had economische gevolgen ... / had voor de economie tot gevolg dat ...
De kolonisatie heeft geleid tot ...
Voorbeelden van vragen Jouw antwoord Voorbeelden van antwoorden
Verklaar het succes en het gevolg van de Dorische inval.
Deze vraag is een dubbele vraag:
1 Verklaar het succes van de Dorische inval. (Het woord ‘succes’ leert dat de Doriërs ‘gewonnen’ hebben. Leg uit waarom.)
2 Verklaar het gevolg van de Dorische inval.
1 De Doriërs hebb en gewonnen omdat ze over ijzeren wapens beschikken en hun tegenstanders over bronzen wapens.
2 Daardoor vluchten de Achaeërs naar de kusten van Klein-Azië.
Jouw antwoord
• Als je een ‘oorzaak’ moet geven, moet je uitleggen waarom iets gebeurd is.
• Een gevolg moet vertellen wat het resultaat is van een bepaalde ‘oorzaak’.
Voorbeelden van antwoorden
Het slechte weer had tot gevolg dat ...
• Som de oorzaken of gevolgen op (eventueel kort op een kladblad).
• Schrijf per oorzaak of gevolg minstens één zin.
• Wanneer je gevolgen moet geven, moet je starten met een korte herhaling van de ‘vraag’.
Bijvoorbeeld :
Vraag: Geef de gevolgen van de kolonisatie.
Antwoord: De kolonisatie had tot gevolg dat …
Let op:
Een antwoord begin je nooit met ‘omdat’.
Vraag: Geef de oorzaak van de oorlog met Troje.
Niet: Omdat ze tol moesten betalen.
Maar wel: De Grieken vielen Troje aan omdat ze tol moesten betalen.
Oplossingsmethode 5: Beschrijven
Als de leraar vraagt om iets te schetsen, moet je het niet gaan tekenen met potlood en papier. Je moet het verhaal ‘tekenen’ met woorden. Geschiedenis bijvoorbeeld is een verhalend vak. Vertel het verhaal met je eigen woorden.
Zorg dat iemand die de les niet heeft gekregen, jouw antwoord volledig snapt.
Zie ook oplossingsmethode 4.
Bijvoorbeeld:
Voorbeelden van vragen Tips
Leg de begrippen ‘kolonie’, ‘grootgrondbezitter’ ... uit.
Dubbele vraag. Hier moet je één voor één elk woord of begrip uitleggen.
Voorbeelden van vragen
Leg het ontstaan en de werking van de Peloponnesische Bond uit.
Tips
Dubbele vraag. Leg eerst het ontstaan uit. Daarna leg je uit hoe de Peloponnesische Bond werkt.
Schets het machtsmisbruik van Athene. Leg uit hoe Athene misbruik maakt van zijn macht.
Leg uit hoe Philippos II Hellas onderwerpt. Hoe laat Philippos II de Helleense poleis naar zich luisteren?
Oplossingsmethode 6: Bewijzen
‘Bewijzen’ ken je uit het vak wiskunde. Je moet het bewijs leveren van iets. Vergelijk het met een rechtbank: de politie moet het bewijs leveren dat iemand schuldig is. Je moet mensen met je antwoord overtuigen.
Schrijf per bewijs minstens één zin.
Zie ook oplossingsmethode 4.
Bijvoorbeeld:
Voorbeelden van vragen
Toon de beperktheid van de Atheense democratie aan.
Toon het voordeel van het bezit van slaven aan.
4 Controle
• Controleer of je antwoord volledig is.
• Zorg dat je je eigen antwoord zelf begrijpt.
Tips
Bewijs dat de democratie van Athene ook beperkingen heeft.
Bewijs dat het voordelen heeft om slaven te bezitten.
• Gebruik geen woorden waarvan je de betekenis niet kent.
• Let op de spelling: begin een zin met een hoofdletter en eindig met een leesteken.
• Iemand die de leerstof niet gekregen heeft, moet je antwoord begrijpen.
• Bekijk bij een toets of een examen hoeveel punten je leraar aan een vraag toekent. Dan kun je ongeveer raden hoeveel ‘zinnen’ je moet schrijven.
SCHEMA
Inleiding
Hoe studeer ik geschiedenis?
Kaartnr(s).
Zelfde avond
Voorbereiden
Verkennen
Lezen en bestuderen
Memoriseren
Avond voor de volgende les
Controleren
OPDRACHT 1
Toepassing van ‘Leren leren’
Raadpleeg je leerboek op blz. 8. Pas de verschillende stappen van ‘Geschiedenis studeren: in de klas en thuis’ toe op les 3.
Verkennen
Noteer de titels en ondertitels van les 3. Stel jezelf W- en H-vragen over die titels zoals in het leerboek uitgelegd wordt.
TITEL:
Vragen:
ONDERTITELS: 1 Vragen:
• 2 Vragen:
3 Vragen:
OPDRACHT 3
Lezen en bestuderen
a Lees de tekst en ga na welke woorden je niet begrijpt. Noteer drie woorden die je niet begrijpt en zoek de betekenis ervan op.
b Lees de tekst per ondertitel. Zoek een antwoord op de vragen die je zelf stelde bij de vorige opdracht. Misschien vind je nog andere vragen. Dat gaat wat gemakkelijker als je denkt dat je een leraar bent die een toets voor de leerlingen maakt. Om dat wat te oefenen, pas je het toe op de eerste twee ondertitels van les 3. Je noteert de kernwoorden om achteraf je antwoorden te formuleren.
OPDRACHT 4
c Raadpleeg de oefeningen die je maakte in je werkschrift. Ga na welke oefeningen aansluiten bij titel 1 en 2. Nu zal veel je al duidelijker worden.
Memoriseren (en schematiseren)
Raadpleeg je schema en vertel de inhoud van de les aan je buurman, of ga vooraan in de klas staan en leg de les uit met behulp van het schema.
Probeer vervolgens het schema – zonder te kijken – te noteren op een apart blad.
Welke begrippen moet je kennen? Studeer ze uit je hoofd. Maak kaartjes met aan de ene kant het begrip en aan de andere kant de verklaring. Ondervraag je buurman.
Controleren
a Raadpleeg de lijst ‘ KENNEN ’. Studeer wat daar gevraagd wordt. Ondervraag je buurman.
b Raadpleeg de lijst ‘ KUNNEN ’. Oefen in met behulp van je werkschrift. Wedden dat je nu hoog scoort op een toets?
2
Even je geheugen opfrissen De eerste stappen in het tweede jaar
Bepaal of de uitspraak juist of fout is. Zoek eventueel het antwoord in de lestekst.
Elke tijdrekening begint met het jaar 1.
De hedendaagse tijd komt na de vroegmoderne tijd.
De indeling in zeven tijden is eerder een hulpmiddel gebaseerd op afspraken dan een realiteit.
De indeling in zeven tijden is de enige juiste indeling van de geschiedenis.
Naast de christelijke tijdrekening bestaan er nog andere tijdrekeningen, zoals de joodse en de islamitische.
Politiek gaat over besturen, macht en hoe groepen van mensen samenwerken.
Een bron is secundair als de maker zelf leefde in de periode waarover hij het heeft.
Historische bronnen kunnen elkaar tegenspreken.
Op basis van bronnen maak je een beeld van het verleden.
Eens je een beeld van het verleden hebt, staat dat vast en kun je dat niet meer veranderen.
OPDRACHT 2
De jaren waarin we de tijden laten eindigen of beginnen, noemen we de scharnierdata. Naar welke ‘symbolische’ gebeurtenissen verwijzen ze? Verbind.
ca. 3500 v.C.
ca. 800 v.C.
ca. 500
ca. 1450
ca. 1750
ca. 1945
de val van het West-Romeinse Rijk
het begin van de industrialisatie het ontstaan van het eerste schrift
de mythologische stichting van Rome het einde van de Tweede Wereldoorlog de val van het Oost-Romeinse Rijk
Juist Fout
3
Raadpleeg de bronnen op blz. 15-17. Beantwoord de onderstaande vragen door de tabel aan te vullen.
a Geef voor elke bron de juiste tijd uit het referentiekader.
b Geef voor elke bron een of meer maatschappelijke domeinen waarover ze gaat. TIP Dikwijls passen meerdere domeinen.
c Welke bronnen gaan over Europa? Zet een kruisje in de tabel als dat voor een bron het geval is.
d Welke bronnen zijn secundaire bronnen, als je informatie zoekt over het onderwerp van de bron? Zet een kruisje in de tabel als dat voor een bron het geval is.
4
Raadpleeg bron 3 op blz. 15.
a In welk gedeelte van Europa raakt de landbouw het eerst bekend?
b Wanneer schakelt men aan de Vlaamse kust over op landbouw?
Raadpleeg bron 8 op blz. 17.
a In welke tijd spelen de beschreven feiten zich af?
b In welke tijd schrijft Herodotos dit?
c Hoeveel eeuwen na de feiten is dat? Duid het juiste antwoord aan.
d Zoek in de info over de auteur nog een gegeven waaruit je kunt besluiten dat hij misschien niet altijd alles juist weergeeft.
e Voor welke historische vraag is de bron niet bruikbaar?
1 Wie liet de Grote Piramide bouwen?
2 Welke negatieve invloed had de bouw van de piramiden op de Egyptenaren?
3 Hoe werd het materiaal voor de piramiden vervoerd?
SCHEMA
Middellandse Zeegebied
De natuurlijke omstandigheden in het Middellandse Zeegebied
Kaartnr(s).
1 Het Middellandse Zeeklimaat beïnvloedt de klassieke samenlevingen
De gebieden rond de Middellandse Zee hebben een of een Middellandse Zeeklimaat.
Kenmerken Temperatuur Neerslag
Zomer Winter
Invloed van het klimaat op de landbouw:
teelt van
2 Het westelijke en oostelijke bekken van de Middellandse Zee zijn heel verschillend
a Lees de inleiding van les 3 op blz. 20 in je leerboek hieronder opnieuw:
Vorig schooljaar heb je kennisgemaakt met de levenswijze van de eerste mensen en de eerste landbouwsamenlevingen in de prehistorie en het oude nabije oosten. Dit schooljaar maak je kennis met de Grieken en de Romeinen. Die horen bij de klassieke oudheid.
1 Waar ontwikkelen de Griekse en de Romeinse samenlevingen zich?
2 Welke rol spelen het klimaat en het reliëf in het ontstaan van de Griekse en Romeinse samenlevingen?
3 Wat zijn de natuurlijke kenmerken van de Griekse wereld en van het Italische schiereiland?
b Zijn deze vragen historische vragen? Rangschik de nummers in het venndiagram.
JA T WIJFEL NEEN
c Noteer waarom je deze keuze hebt gemaakt.
OPDRACHT 2
Bij bron 1 op blz. 22 in je leerboek vind je typische landbouwproducten uit het Middellandse Zeegebied. Van welke landbouwproducten zijn de volgende producten het eindresultaat?
Vergelijk het klimaat van Italië (Rome), Griekenland (Athene) en België (Ukkel) met behulp van de klimatogrammen. Noteer drie kenmerken van het Middellandse Zeeklimaat.
Ukkel (België) - station 06447
Oudere samenlevingen in het Middellandse Zeegebied
• • • SCHEMA
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 In het oostelijke bekken van de Middellandse Zee ontstaan al vroeg belangrijke samenlevingen
Langs grote stromen eerste grote rijken
Bv. in Egypte, maar ook in Mesopotamië, bv.
handelscontacten met Egypte + andere gebieden uit het oostelijke bekken van de Middellandse Zee (bv. Kreta) + samenlevingen aan de Indus
In de loop van de 22e eeuw v.C. einde Rijk van Akkad Oorzaken?
• • • • Daarna: nieuwe rijken
Tussen ruwweg 1200 en 1000 v.C. worden alle rijken in het gebied getroffen door een reeks rampen begin van een ‘donkere tijd’.
• Vestigen zich ten noorden van de Sinaïwoestijn
Een ander volk dringt dat gebied ook binnen:
Zijn deels de voorlopers van
• Aanvankelijk:
• Later:
Het Oude Testament is geen echte geschiedenis, maar vooral
worden later onderworpen door: Assyriërs, Babyloniërs en Perzen.
van Libië tot de Indus (in 6e eeuw v.C. grootste rijk ooit)
Dat samengaan van al die rijken en samenlevingen
2 In het westelijke bekken vestigen zich vanaf de 9e eeuw v.C. nieuwe volkeren
Rond 1000 v.C.: huidige ontwikkeling Fenicische samenleving
Kenmerken:
• • • basis van ons huidige alfabet
• • stichten op de kusten van Noord-Afrika, Zuid-Italië, Frankrijk en Spanje talrijke kolonies.
OPDRACHT 1
Belangrijkste kolonie = wordt centrum van de Fenicische cultuur. In de 3e eeuw v.C. conflict met Rome Etrusken noorden van het huidige Italië •
• onderwerpt de Etrusken in de 4e eeuw v.C.
Bekijk de bron op blz. 25 in je leerboek.
Duid de volgende zaken aan op de kaart: Middellandse Zee, Fenicië, Palestina, Carthago, Etrusken.
Lees volgende bronnen en beantwoord de vragen..
BRON 1 Salomo
Aan zijn paleis heeft Salomo dertien jaar gebouwd voordat het helemaal voltooid was. Zo liet hij het huis ‘Woud van Libanon’ bouwen. Dat was 100 el [1 el = 69 cm] lang, 50 el breed, met vier rijen van cederhout, waarop cederhouten balken rustten. (…) Ook bouwde hij een zuilenhal; die was 50 el lang en 30 el breed, met daarvoor een portiek, bestaande uit zuilen en een dak. Verder bouwde hij een troonzaal waar hij rechtsprak, de rechtszaal; die was van de vloer tot het plafond met cederhout betimmerd. (…) Al die gebouwen, van het fundament tot de kroonlijst en van de straat tot het grote binnenhof, waren opgetrokken uit kostbare, op maat gehouwen stenen, die zowel aan de voor- als aan de achterzijde gezaagd waren. De gebouwen stonden op een fundering van kostbare, grote stenen van 10 el en 8 el. Daarop stonden muren van kostbare, op maat gehouwen stenen en cederhout. De muur rondom het grote binnenhof bestond uit drie lagen gehouwen steen en een laag van balken van cederhout, juist zoals die van het binnenhof van de tempel en die van de zaal van het paleis.
Uit: De Bijbel (het Oude Testament, het Eerste Boek der Koningen, hoofdstuk 7)
De Hebreeuwse koning Salomo zou rond het midden van de 10e eeuw v.C. geregeerd hebben over een Verenigd Koninkrijk Israël met Jeruzalem als centrum. Volgens de Bijbelse teksten was hij een machtig en wijs vorst, maar hij zou ook minstens 700 vrouwen en 300 minnaressen hebben gehad. Hij liet ook een tempel bouwen ter ere van God (de eerste Joodse tempel). Die tempel zou in de 6e eeuw v.C. verwoest zijn door de Babyloniërs, die de Joden daarna als gevangenen meenamen naar hun land.
De Bijbel is het heilige boek van de christenen. De oudste teksten, het zogenaamde Oude Testament, dateren van voor de christelijke jaartelling en gaan deels over de ‘geschiedenis’ van de Israëlieten (‘Joden’). In hoeverre die verhalen ook op ware feiten zijn gebaseerd, blijft een belangrijk punt van discussie.
De tekst hierboven uit het Eerste Boek der Koningen dateert vermoedelijk uit de 7e of 6e eeuw v.C.
a Welk beeld krijg je van het paleis van Salomo op basis van deze Bijbelse tekst?
b Lees de contextinformatie.
Geef een argument waarom deze tekst misschien niet (helemaal) betrouwbaar is.
BRON 2 Oude muur mogelijk bewijs voor koninkrijk David
Recent opgegraven fortificaties in Jeruzalem zijn mogelijk drieduizend jaar oud en stammen wellicht uit de tijd van de Bijbelse koning Salomo. Dat heeft een Israëlische archeologe vandaag gezegd.
Potscherven wijzen er volgens archeologe Eilat Mazar op dat de muren uit de tiende eeuw voor Christus stammen. Als ze gelijk heeft, dan is de vondst een teken dat er sterk centraal bestuur in Jeruzalem was, omdat het bouwen van stadsmuren veel geld en organisatievermogen kost. Een stroming archeologen, onder wie Mazar, gelooft dat de Hebreeuwse koningen David en Salomo in de tiende eeuw voor Christus aan de macht waren. Een andere stroming meent echter dat de monarchie van David slechts een mythe is.
Volgens Mazar ondersteunt haar vondst de Bijbelse stelling dat David en Salomo de leiding hadden over Jeruzalem. Op basis van de ouderdom van de muur en de locatie ervan denkt Mazar dat het goed mogelijk is dat deze is gebouwd in opdracht van Salomo.
Uit: De Standaard, 22 februari 2010
Tot op het einde van de 20e eeuw was er, buiten de Bijbelverhalen, geen enkel archeologisch bewijs voor de Hebreeuwse koningen David en Salomo. Sommige historici twijfelden daarom aan hun bestaan. Zij kregen ongelijk, maar hoe uitgebreid het ‘rijk’ was, blijft onderwerp van wetenschappelijk debat.
a Waarom dachten sommige historici tot op het einde van de 20e eeuw dat de monarchie van David slechts een mythe is?
b Is de vondst van de oude muur een bewijs voor het bestaan van het koninkrijk van David en Salomo, zoals beschreven in de Bijbel?
c Waarom is het voor sommige Joden heel belangrijk dat er archeologische bewijzen gevonden worden voor het bestaan van dit oude Israëlitische rijk?
OPDRACHT 1
Onderzoek 1: de ‘minoïsche paleizen’ op Kreta
Kaartnr(s).
Neem de les over de ‘minoïsche paleizen’ op Kreta in je leerboek op blz. 26.
Hieronder krijg je ruimte om de opdrachten op te lossen.
Historische vragen
Door het ontbreken van ontcijferde, geschreven bronnen blijven er nog heel wat vragen over de geschiedenis van het Oude Kreta onbeantwoord. Zijn dit historische vragen? Duid aan.
Historische vraag Ja Neen Twijfel
a Betekenen de veelvuldige afbeeldingen van vrouwen ook dat vrouwen een belangrijke rol speelden?
b Ca. 1600 v.C. kreeg Kreta te maken met de vulkaanuitbarsting op Thera. Wat gebeurt er als een vulkaankegel ontploft?
c Is er een verband tussen zware aardbevingen en vulkanische activiteit 20 tot 30 maanden later?
d Hoe beïnvloedt de mythe over koning Minos de geschiedenis van Kreta?
e Wat denken hedendaagse onderzoekers over de grote gebouwen die we de minoïsche ‘paleizen’ noemen?
We onderzoeken de laatste twee vragen in dit onderzoek.
OPDRACHT 2
Arthur Evans en de mythe van koning Minos
a Lees de mythe over koning Minos (bron 1). Wat is een mythe?
b Geef een argument waarom je dit verhaal niet als geloofwaardig kunt beschouwen.
c Wie is Arthur Evans? Welk boek publiceert hij in 1935?
d Welke soort bron is het boek ‘Het paleis van Minos te Knossos’ (zie bron 2)?
1 Als je informatie wilt over de minoïsche samenleving op Kreta.
2 Als je informatie wilt over de opgravingen van Arthur Evans in Knossos.
e Arthur Evans denkt dat hij het paleis van de mythische koning Minos heeft gevonden. Welke drie archeologische vondsten lijken dat vermoeden te bevestigen? Bestudeer bron 2 tot en met 8.
Elementen uit de mythe Archeologische vondsten
f Tussen 19 00 en 1935 leidt Arthur Evans de grootschalige opgravingen in Knossos en reconstrueert hij grote delen van het gebouw. Hij wordt daarom zowel bewonderd als bekritiseerd. Geef drie redenen van kritiek.
Hedendaags onderzoek. Bestudeer de kaarten (bron 9 en 10).
a Waarom bevindt Kreta zich in een gunstige positie om handel te drijven? OPDRACHT 3
b Met welke gebieden drijft Kreta handel?
c Waarom kan de vulkaanuitbarsting op Thera het leven op Kreta verstoord hebben?
d Beschrijf het reliëf van het eiland.
e Kijk naar de ligging van de ‘paleizen’. Probeer een verklaring te geven voor die ligging.
f Lees bron 11. Waarom zetten we aanhalingstekens rond ‘paleizen’?
g Is K. Vansteenhuyse betrouwbaar als je wilt weten ‘Wat archeologen vandaag denken over het paleis in Knossos’? Bestudeer bron 11 aandachtig aan de hand van de volgende vragen.
Een van de problemen die we hebben met het huidige Knossos is dat Evans het [paleis] gereconstrueerd heeft in overeenstemming met zijn eigen theorieën over de ‘betekenis’ ervan. Hij stelde vast dat er in Knossos geen defensieve muren waren, zag de vele afbeeldingen van godinnen en stierenaanbidding, legde verbanden met de mythe van de Minotaurus en kwam tot de conclusie dat er een zekere waarheid moest zitten in het verhaal van Theseus en Ariadne. Overeenkomstig met de mode van de dag, besloot hij dat Knossos een pacifistisch [vredelievend], matriarchaal [geleid door vrouwen] koninkrijk was, vol met godinnenaanbidders. De [afbeeldingen van] vrouwen met ontbloot bovenlijf suggereerden aan anderen dan weer een hippiesamenleving die genoot van ‘een vrij en goed gebalanceerd seksleven’, waarin naar alle waarschijnlijkheid ‘soms drugs werden gebruikt om een gevoel van verheffing, bezetenheid en trance te bekomen’. Dit allemaal in scherp contrast met die verschrikkelijke, onevenwichtige, ongedrogeerde Mykeners. Het eerste fresco dat Evans blootlegde werd onmiddellijk uitgeroepen tot [een afbeelding van] Ariadne (in feite was het mannelijk); zodra de ruimte werd opgegraven waarin zich een gipsen zetel bevond, werd het een ‘troonzaal’; (…)
Een van de gerestaureerde fresco’s van een vrouwengezicht werd (gedurfd) getiteld ‘La Parisienne’ – het hoogtepunt van Franse verfijning. Evans was eropuit aan te tonen dat de minoïsche beschaving ‘in één klap het beginpunt en het vroegste stadium was in de ontwikkeling van de Europese beschaving’ en dat koning Minos ‘een welwillende heerser was, een beschermer van de kunsten, stichter van paleizen, oprichter van een geciviliseerde heerschappij’. Maar hoe vallen dan de Minotaurus en het labyrint te verklaren? Evans stelde dat die [verhalen] het resultaat waren van Atheense propaganda (…).
Evans nam de Zwitserse kunstenaar en restaurateur Émile Gilliéreron in dienst, en later ook diens zoon, om de [gevonden] frescofragmenten en voorwerpen te herstellen. Zij vormden die zaken perfect tot wat Evans wilde zien. In 1929 bracht [de Britse schrijver] Evelyn Waugh een bezoek aan Knossos en verkondigde dat het niet gemakkelijk was om de minoïsche schilderkunst naar verdienste te schatten omdat ‘alleen maar een paar vierkante centimeter’ van de enorme ruimte die ons werd getoond ouder zijn dan de laatste twintig jaar, (…)
Uit: P. Jones, Eureka! Everything you ever wanted to know about the Ancient Greeks, but were afraid to ask, 2014
Peter Jones (°1942) is een Brits classicus en auteur van talrijke boeken over de klassieke oudheid.
BESLUIT
b Duid de juiste stelling(en) aan.
1 De ruïnes van Knossos, zoals je ze vandaag kunt bezoeken, zijn min of meer in de huidige staat opgegraven.
2 Evans reconstrueerde Knossos zoals hij dacht of hoopte dat het er moet hebben uitgezien.
3 De archeologische site van Knossos is een wetenschappelijk onderbouwde reconstructie van het minoïsche origineel.
4 Het beeld dat we hebben van het verleden leert ons soms meer over diegene die dat beeld mee bepaald heeft dan over het eigenlijke verleden zelf.
Arthur Evans ging op zoek naar het mythische paleis en vond wat hij zocht: het paleis van koning Minos. Nieuwe inzichten hebben zijn interpretaties bijgeschaafd, maar tot vandaag beïnvloeden ze de manier waarop wij de geschiedenis van Kreta vertellen.
De bloei van de Griekse wereld
Mykeners, de eerste Grieken
Kaartnr(s).
SCHEMA
1 De komst van de Grieken
• Ca. 2000 v.C.: Griekssprekenden Grieks vasteland
• Belangrijkste vindplaats naam Mykeners
• Bronstijd
zware muren + bronzen wapenrustingen
Mykeense huursoldaten
• Bloei ca. 1600-ca. 1200
• Aantal vorstendommen?
oorlog?
2 Het Lineair B getuigt van Griekse aanwezigheid op Kreta
• Midden 14e eeuw v.C.: Mykene leider van de Griekse wereld
• Op Lineair B-tabletten vooral aantekeningen paleiseconomie?
• Veel goud/rijkd om Griekenland is arm?
! Plunderto chten? Handel?
3 Mykene heeft handelscontacten met Kreta, Egypte en het Nabije Oosten
Egypte
Kusten Nabije Oosten
Cyprus
Zuid-Italië (kolonies)
Mykene/Griekenland netwerk
Invloed cultuur van Kreta/Egypte Mykeense cultuur
4 Mykene gaat ten onder in oorlogen en migraties
Ca. 1250-1000 v.C. netwerk verzwakt door:
• politiek verval in en Mesopotamië
• Mykeense paleiseconomie
Waarom?
• Natuurlijke rijkdom uitgeput?
• Overbevolking?
• Oorlog tussen Mykeense vorsten?
• Vreemde invallers?
Zeker :
• Mykeense centra
• Ronddolende groepen op zee
• Grieken verhuizen naar kusten Turkije.
Gevolgen: luxueuze cultuur verdwijnt, Lineair B in onbruik
De goden blijven.
5 Zeker of onzeker?
Bestudeer aandachtig het kaartje en de legende in bron 1 op blz. 35 in je leerboek.
a Over welke hedendaagse gebieden strekte de macht van de Mykeners zich uit?
b Geef drie hedendaagse steden die al bestonden in de Mykeense periode.
OPDRACHT 2
Bestudeer aandachtig bron 2 en 3 op blz. 36 in je leerboek.
a Waarom ligt Mykene op een hoogte?
OPDRACHT 3
b Waaraan kun je zien dat de Mykeners zich willen beschermen?
Lees aandachtig het volgende verhaal over Klytaemnestra. Onderstreep daarna bij elke uitspraak de juiste naam.
Zij blijft tot de verbeelding spreken, Klytaemnestra, vrouw van Agamemnon, heerser van Mykene. Agamemnon was de leider van de Mykeense vorsten die Troje belegerden (zie ook les 6). Volgens vele Griekse auteurs was de oorlog tussen de Grieken (of Mykeners) en de Trojanen een oorlog voor een andere vrouw: de mooie Helena, de vrouw van Menelaos (broer van Agamemnon) en de zus van Klytaemnestra. Helena werd geschaakt door Paris en naar zijn vaderstad Troje meegevoerd.
De Grieken maakten zich klaar om naar Troje uit te zeilen, maar er was geen wind, tot Agamemnon zijn dochter Iphigenia offerde aan Artemis. De wind stak op, de Grieken voeren uit.
Klytaemnestra bleef achter, verscheurd door woede en verdriet om de dood van haar dochter. Tien jaar duurde de oorlog. Intussen begon Klytaemnestra een affaire met Aegisthus. Die haatte Agamemnon en zijn hele familie omdat Agamemnons vader Aegisthus’ vader had vermoord. Wanneer Agamemnon terugkeert uit de Trojaanse Oorlog, wordt hij door Aegisthus en Klytaemnestra in zijn bad vermoord.
Natuurlijk blijft die moord niet ongewroken, maar dat is alweer een ander verhaal.
OPDRACHT 4
• Agamemnon was de heerser van Athene / Mykene / Sparta.
• Klytaemnestra was de vrouw van Menelaos / Paris / Agamemnon
• Helena was de vrouw van Menelaos / Paris / Agamemnon.
• Paris ontvoerde Klytaemnestra / Helena / Iphigenia.
• Om de wind te doen opsteken, werd Klytaemnestra / Helena / Iphigenia geofferd.
• Klytaemnestra heeft een minnaar: Menelaos / Aegisthus / Paris.
• Klytaemnestra vermoordt Menelaos / Paris / Agamemnon
Los deze opdracht op met behulp van bron 7A en 7B op blz. 38 in je leerboek. Onderstreep telkens het juiste antwoord.
a Wie gaf de Grieken de naam Grieken? de Grieken zelf / de Romeinen / de historici
b Waarvoor werd het Lineair B vooral gebruikt? om te bewaren / om lijsten van voorraden bij te houden / om te bakken
c Leg uit: ‘Het is een geluk bij een ongeluk dat we uit de Mykeense tijd nog kleitabletten hebben.’ Welke van deze verklaringen is juist?
1 Omdat het zo ongelukkig lang geleden is dat ze gemaakt zijn, is het een geluk dat archeologen ze ontdekt hebben.
2 Per ongeluk werd de bovenste laag van die tabletten gewist. Door het bakken bij de brand zijn de inkervingen opnieuw leesbaar geworden.
3 Dat die paleizen of burchten door een brand werden verwoest, is een ongeluk. Maar door dat ongeluk werden de tabletten gebakken. Een geluk, want daardoor kunnen we ze nu nog lezen.
OPDRACHT 5
Bestudeer bron 8A en 8B op blz. 38 in je leerboek.
a Zoek op wat een ‘hiërarchie’ is.
b Zoek op wat een ‘klassensysteem’ is.
c Waarover zijn beide bronnen het eens?
d Wat zou je uit beide teksten kunnen besluiten?
SCHEMA
De Grieken: politiek verdeeld, cultureel één
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 Hellas bestaat uit afzonderlijke, zelfstandige poleis
Hellas = Reliëf:
geen grote gemeenschappen
ontstaan van kleine boerennederzettingen
burcht op hoge rots of helling
Polis
Bestaat uit
Kenmerken
• Openbare gebouwen:
• Produceert zijn eigen voedsel en gebruiksvoorwerpen
• Elke polis: eigen bestuur, wetgeving, leger en rechtspraak
2 Hellas vormt een eenheid op cultureel gebied
Homeros
• Dichter uit 800 v.C.
• Schrijver van heldendichten:
• Belangrijke rol van Homeros in Griekse cultuur:
• Teksten tonen de juiste deugden:
•
• Beschrijving Griekse goden
OPDRACHT 1
Culturele eenheid
• Gemeenschappelijke godsdienst:
• Eén taal:
• Overal ongeveer dezelfde kunststijl
Politiek verscheiden
Cultureel één
OPDRACHT 2
Raadpleeg bron 2 op blz. 41 in je leerboek. Welke vijf zaken moet je volgens Pausanias zeker in een polis aantreffen?
Vergelijk de oppervlakten van Athena (Attika) en Korinthe met die van Vlaanderen, jouw provincie en jouw gemeente. Zoek zelf de juiste gegevens.
Athene (Attika)
Korinthe Vlaanderen Jouw provincie Jouw gemeente
2550 km² 880 km²
Besluit: De Griekse stadstaten hebben in vergelijking met onze huidige regio een grote oppervlakte.
Juist / fout (Schrap wat niet past.)
3
Bekijk de afbeelding en lees de tekst bij bron 6 in je leerboek op blz. 42.
a Op welke manier slagen de Grieken volgens Homeros erin om Troje te verwoesten?
OPDRACHT 4
b Zoek op wat een ‘Trojaans paard’ is in de computerwereld. Waarom zou het die benaming gekregen hebben?
Los de oefening op met behulp van bron 7 op blz. 42 in je leerboek. Maak ook gebruik van de lestekst. Is de uitspraak juist of fout? Kruis aan.
De Grieken vereren dezelfde goden.
Alle Grieken beseffen dat zij in één grote staat (Hellas) wonen.
Taal vormt geen bindmiddel tussen de bewoners van de verschillende poleis.
Alle poleis hebben hetzelfde politieke bestuur.
Alle bewoners van Hellas vertonen dezelfde culturele gewoontes.
Boksen, wagenwedrennen, paardenkoersen, hardloopwedstrijd in wapenrusting
Pankration:
OPDRACHT 1
Lees bron 1 op blz. 44 in je leerboek.
a Wat bedoelt de schrijver met ‘deze wedstrijd’?
b Onder welke naam is Herakles het best bekend?
OPDRACHT 2
Lees bron 3 op blz. 45 in je leerboek.
a Welke straf kregen vrouwen als ze ontdekt werden?
b Waarom kreeg Kallipateira geen straf?
OPDRACHT 3
Bestudeer bron 4 op blz. 45 in je leerboek.
a Identificeer de verschillende afgebeelde sporten.
b Wat is ‘pankration’? Raadpleeg eventueel het internet.
SCHEMA
De Griekse kolonisatie (750-550 v.C.)
Kaartnr(s).
1 De Grieken lossen een aantal samenlevingsproblemen op door te koloniseren
Oorzaken kolonisatie
• Tekort aan vruchtbare grond
• Bevolkingstoename
• De meeste grond is van grootgrondbezitters.
Gevolg
Oplossing
Op zoek naar nieuwe landbouwgronden stichten van
Kolonie
• Griekse moederpolis sticht overzee een nieuwe polis =
• Politiek onafhankelijk
Griekse kolonie Kolonies in latere tijden
Bestuurt zichzelf
2 De Griekse kolonies zorgen voor nieuwe handelsrelaties
Kolonisatie tussen 750 v.C. en 550 v.C.
Exploitatiekolonies
Handelskolonies
Mijnbouw, landbouw of veeteelt
Steun- en verbindingspunten voor handel
OPDRACHT 1
Invloed van de kolonisatie op de economie
• Handelscontacten tussen moederpolis en dochterpolis
• Nijverheid in moederpolis
• Nieuwe groep rijken = eisen deelname aan bestuur
Dochterpolis / kolonie Moederpolis
Grondstoffen: Afgewerkte producten:
Exporteren (= uitvoeren)
Grondstoffen verwerken tot
Nijverheid /
Importeren (= invoeren)
3 De kolonisatie verspreidt en verandert de Griekse cultuur
Gevolgen van de kolonisatie
• Verspreiding van de Griekse cultuur:
• Grieken nemen dingen over van andere volkeren:
• Voldoende voedsel geen nieuwe kolonies nodig
Bestudeer bron 1 op blz. 47 in je leerboek.
Zet een kruisje achter de uitspraken die juist zijn.
Er ontstaat een conflict tussen slaven en boeren.
Er ontstaat een conflict tussen de grondadel en het gewone volk.
De boeren moeten pacht betalen aan de grondadel.
De boeren bezitten het overgrote deel van de landbouwgronden.
Schuldslavernij betekent: slaaf worden omdat je je verplichtingen tegenover een rijke edelman niet nakomt.
De grondadel is de kleinste groep, maar bezit de meeste landbouwgronden.
OPDRACHT 2
Raadpleeg bron 2 op blz. 47 in je leerboek. Onderstreep wat juist is.
• De kolonisatie door de Theraeërs heeft een economische / politieke / sociale / culturele reden.
• De kolonisten zijn vrijwilligers / Libiërs / gedwongen Theraeërs / terdoodveroordeelden / piraten.
OPDRACHT 3
Bekijk bron 3 op blz. 48 in je leerboek.
Hieronder staan vijf namen van steden die je op de kaart terugvindt. Drie ervan werden gesticht door de Grieken.
Onderstreep ze en geef hun actuele naam.
Byzantion Gades Carthago Massilia Nikaea
OPDRACHT 4
Bestudeer bron 4 op blz. 48 in je leerboek. Vul de tabel aan.
Handelswaar
OPDRACHT 5
ijzer
slaven
koper
Streek van herkomst
Sicilië (Italië), Oekraïne, Egypte, Libië
Juist of fout? Kruis aan. Leg mondeling uit waarom.
Door de Griekse kolonisatie verspreidt de Griekse cultuur zich over de Middellandse Zee.
De kolonisten onderhouden geen contact met het moederland.
Door de Griekse kolonisatie ontstaan er nieuwe handelsrelaties.
De Grieken nemen niets van anderen over.
De kolonisatie zorgt voor nieuwe sociale problemen.
Juist Fout
9
De Griekse economie
SCHEMA
Kaartnr(s).
1 Handel en transport zorgen voor een bloeiende nijverheid
Oorspronkelijk Boeren en veetelers
Probleem Gebrek aan vruchtbare grond en grootgrondbezit
Oplossing
Invoer van grondstoffen en uitvoer van gebruiks- en luxevoorwerpen
Amforen en kruiken voor transport van olie en wijn
Scheepsbouw en havenaanleg
Bouwsector en marmerwinning Gevolg Bloeiende nijverheid en arbeidsspecialisatie
2 De handel schept een geldeconomie
Oorspronkelijk Ruilhandel
Door kolonisatie
Probleem Moeilijk om ruilwaarde te bepalen
Oplossing
Probleem Elke polis heeft een eigen munt.
Oplossing
3 De rijken controleren de economie
Rijken
• bezitten grond, kapitaal, schepen, bedrijven
• kopen grondstoffen
• verkopen afgewerkte producten
• hun huis is de draaischijf van de meeste economische activiteiten
Ambachtslieden, boeren en slaven
• werken voor rijken
OPDRACHT 1
Bestudeer bron 1 op blz. 50 in je leerboek.
a Welke bron is bruikbaar om iets te leren over:
de oogst van olijven de productie van wapens het weven van stoffen het atelier van een pottenbakker
b Welke activiteit wordt door vrouwen uitgeoefend?
c Zijn deze bronnen primair of secundair? Onderstreep.
d Situeer de bronnen in de tijd en de ruimte.
OPDRACHT 2
Bekijk bron 3 op blz. 51 in je leerboek.
a Waarvoor zou het aardewerk gediend hebben, denk je?
b Geef de naam van zes hedendaagse landen waarnaar Griekse producten werden uitgevoerd. Twee ervan moeten buiten Europa liggen.
c Waarom werd er zoveel Grieks aardewerk langs rivieren teruggevonden, denk je?
d Welke rivieren hebben de Grieken zeker bevaren? Geef drie voorbeelden.
OPDRACHT 3
Lees bron 2 op blz. 50 in je leerboek.
a Elke letter in de tekst komt overeen met een cijfer op de tekening. Zoek uit wat bij elkaar hoort.
1 = 2 = 3 = 4 = 5 = 6 = 7 = 8 =
b Waarom werden de lange muren gebouwd?
OPDRACHT 4
Bekijk bron 4 op blz. 51 in je leerboek.
a Welk betaalmiddel gebruiken de Grieken voor de invoering van geld?
b Gebruiken alle Griekse stadstaten dezelfde munt? ja / neen
c Hoe wordt de waarde van de Griekse munten bepaald, denk je?
d Waarom denk je dat Griekenland voor de ‘Atheense uil’ gekozen heeft op het muntstuk van 1 euro?
De overgang van een ruileconomie naar een geldeconomie ging niet overal even snel. In meerdere talen vinden we nog sporen van de ruileconomie. Daaruit kun je afleiden welke producten als belangrijke ruilmiddelen werden gebruikt. Vul in.
Ruilmiddel
Pecunia is het Latijnse woord voor geld. Het is afgeleid van pecus, dat vee betekent.
In het Nederlandse salaris herken je het Latijnse woord sal, dat zout betekent.
Het Engelse ‘fee’ (fooi, vergoeding) is verwant met het woord vee.
Waarom is betalen met geld makkelijker dan betalen met vee of zout?
Juist of fout? Duid aan.
Het gebruik van geld vergemakkelijkt de handel tussen alle poleis.
De Grieken nemen ook zaken van andere volkeren over.
De Grieken hebben een handelsvloot, maar geen oorlogsvloot.
De kolonisatie schept geen nieuwe economische mogelijkheden.
Transport is een onbelangrijk onderdeel van de Griekse economie.
Griekse pottenbakkers zouden vandaag producenten van verpakkingsmiddelen kunnen zijn.
Adel, handelaars en ondernemers beschikken over alle productiemiddelen.
Geldwisselaars vervullen een onbelangrijke functie in de Griekse handelsbetrekkingen.
De kleine boer koopt meestal de grondstoffen om een product te maken.
Oplossing: Solon = adellijke bestuurder in 594 v.C.
• Bevrijdt schuldslaven vervangen door
• Verdeling in vier klassen naargelang van rijkdom
Hoe rijker, hoe meer macht:
• Rijken (eerste twee klassen) mogen polis besturen.
• Alle mannelijke burgers zitten in volksvergadering.
Tirannie
grijpt de macht titel: ‘tyrannis’ (546 v.C.)
• zorgt voor werk in nijverheid en bouwsector = goede tiran.
• helpt kleine boeren.
SCHEMA
OPDRACHT 1
2 De democratie in de stadstaat Athene
Democratie vanaf 508 v.C., ingevoerd door Kleisthenes
Verklaring: democratie is een bestuursvorm.
• betekent ‘volksheerschappij’
• het volk
Raad van Vijfhonderd (‘boulè’)
• via loting aangeduid
• bereidt volksvergadering voor
Volksvergadering (‘ecclesia’)
• elke mannelijke burger ouder dan twintig
• veertig vergaderingen per jaar
• beslist over nieuwe wetten
• beslist over oorlog of vrede
Democratie is beperkt
• enkel mannelijke burgers
• geen vrouwen, slaven, vreemdelingen
! In het begin worden leden niet betaald.
a Lees bron 1 op blz. 53 in je leerboek.
Op wie heeft Aristophanes kritiek?
b Lees bron 2 op blz. 53 in je leerboek.
Hoeveel burgers nemen aan de volksvergadering deel in de 5e eeuw v.C.? Onderstreep het juiste antwoord.
iedereen – de helft – een kwart – een vijfde – een tiende – niemand
2
a Bekijk bron 3 op blz. 54 in je leerboek. Geef een aantal begrippen die het woord ‘tiran’ bij jou oproepen. Vergelijk jouw visie met wat de lestekst je leert over de Griekse ‘tiran’.
Jouw visie
De Griekse ‘tiran’
b Het begrip ‘tiran’ heeft tegenwoordig een negatieve (slechte) bijklank (vergelijk met jouw antwoord hierboven).
Zou je Pisistratos (zie lestekst) als ‘slecht’ beoordelen?
c Onderstreep het juiste woord.
De voorstanders / tegenstanders van de tirannie hebben de stèle opgericht.
OPDRACHT 3
Lees bron 4 op blz. 54 in je leerboek.
a Wat is een lijkrede?
b Voor wie, bij welke begrafenis werd deze lijkrede gehouden?
c Waarom heet de staatsvorm in Athene, volgens Thucydides, een democratie?
d Onderstreep het juiste woord. Armen mogen niet / wel aan de democratie deelnemen.
SCHEMA
De Atheners zijn niet gelijk
Bevolkingsgroep
Kenmerken
Kaartnr(s).
Burgers
• Inwoners die altijd in Athene hebben gewoond
• Beide ouders moeten van Athene zijn.
• Mannelijke burgers:
• Vrouwelijke burgers:
• Man baas over de vrouw
• Een van de ouders niet van Athene
• Mensen van buiten de polis
• Nietburgers
• Toestemming om langere tijd in polis te wonen
• Mogen geen grond bezitten werken in
•
Plichten
• Staan onder toezicht van burger
Bevolkingsgroep Kenmerken
Soorten slaven
• Schuldslaven:
• Oorlogsslaven:
• Gekochte slaven:
• Mijnslaven en staatsslaven:
Nietburgers
• Huisslaven: Kenmerken
• Mag geen kinderen hebben
• Soms seksueel misbruikt
• Soms vrijgelaten
Voordeel van het bezit van slaven
• Rijke burgers moeten niet meer werken.
• Tijd voor andere dingen zoals
Slavernij vandaag slavernij maar wereldwijd miljoen
b Mag men volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens een onderscheid maken tussen mensen?
c Zijn alle mensen vandaag gelijk? Worden alle mensen gelijk behandeld? Motiveer je antwoord.
OPDRACHT 3
Bestudeer bron 3 t.e.m. 6 op blz. 57-58 in je leerboek.
a Leg met je eigen woorden uit hoe mensen in schuldslavernij geraken.
b Schrijf een verhaaltje dat aantoont hoe mensen in schuldslavernij geraken. Gebruik daarbij de volgende woorden: India – arme familie – vader – ongeval – één week ziekenhuis – rijke buurman –eigenaar van een tapijtweverij – lening
12 De Spartaanse militaire oligarchie
Kaartnr(s).
SCHEMA
1 In vele poleis neemt de adel de macht van de koning over
In de meeste poleis ligt de politieke macht bij adel of grootgrondbezitters
Er blijven wel vaak koningen bestaan, maar die hebben meestal weinig macht.
Gewone vrije burgers = volksvergadering (kiest uit adel bestuurders van polis voor bepaalde tijd)
2 De Spartanen heersen over perioiken en heloten
• Wie?
• Opgeleid tot militairen
• Wie? Mensen die op Spartaans grondgebied wonen
• Ze zijn vrij, mogen grond bezitten.
• Maa r: geen politieke rechten
• Werken als
• Wie?
• Grootste bevolkingsgroep
• = geen rechten, werken voor Spartanen
Militarisme =
3 In Sparta regeert een kleine groep vooraanstaanden
De Spartaanse wetgeving wordt toegeschreven aan
Bestuursorganen
Bestuursorgaan Aantal en leeftijd Bevoegdheid (taak)
Standbeeld van Lykourgos in het Justitiepaleis van Brussel
Leg uit waarom men dit standbeeld in een gerechtsgebouw plaatst.
b Lee s bron 2 en de contextinformatie bij bron 3. Beantwoord de volgende vragen.
1 Ho eveel eeuwen verlopen er tussen de gebeurtenissen en de periode dat Ploutarchos leeft?
Meer dan
OPDRACHT 3
2 Beantwoord de vragen en argumenteer of deze tekst van Ploutarchos betrouwbaar is.
Ja Neen Is de bron daardoor meer of minder betrouwbaar?
Beschikt Ploutarchos over voldoende bronnen? meer / minder
Vermeldt Ploutarchos zijn bronnen? meer / minder
Zijn de bronnen van Ploutarchos duidelijk? meer / minder
Op welke wijze gebruikt Ploutarchos zijn bronnen? Onderzoekt hij ze op een kritische manier? meer / minder
Heeft Ploutarchos een bijbedoeling bij het schrijven van dit verhaal? meer / minder
c Besluit: Is deze tekst van Ploutarchos betrouwbaar of niet? Welke van de drie volgende antwoorden is volgens jou juist?
Juist Fout
Alhoewel Ploutarchos zijn best doet om een geloofwaardig verhaal te schrijven, moet je toch heel erg oppassen. Hij geeft zelf toe dat het heel moeilijk is om te achterhalen wat er precies is gebeurd.
Alhoewel Ploutarchos Lykourgos heeft gekend, moet je toch oppassen.
Hij heeft namelijk een bijbedoeling bij het schrijven van het verhaal.
Alhoewel Ploutarchos over voldoende duidelijke bronnen beschikt, moet je toch heel erg oppassen. Hij leeft immers in Delphi en niet in Sparta.
Bestudeer bron 4 op blz. 62 in je leerboek.
Zet een kruisje in het juiste vakje.
Taak
Wetten uitvoeren
Leger aanvoeren
Wetten maken
Controle uitoefenen
Wetten goedkeuren / afkeuren
Hoogste rechtbank
Koningen Raad van Ouden Eforen Volksvergadering
In de linkerkolom vind je vier vragen en in de rechterkolom twee antwoorden. Verbind de antwoorden met de juiste vraag (er staan dus twee vragen te veel).
1 Waarom is de macht van de koningen beperkt?
2 Waarom is Sparta een oligarchie?
3 Waarom koloniseren de Spartanen niet?
4 Waarom zijn de heloten slaven?
a Omdat de verovering van Lakonië en Messenië de Spartanen voldoende grond en arbeidskrachten levert voor hun levensonderhoud.
b Omdat het land b estuurd wordt door een heel kleine groep mensen uit de bevoorrechte stand.
13 De Perzische oorlogen (500-449 v.C.)
Kaartnr(s).
SCHEMA
1 Het Perzische Rijk bedreigt Hellas
Tegenstanders
Omvang
Politiek
Perzische Rijk Hellas
Cultuur
Oorzaken van de oorlog
• Perzische koning wil Hella s veroveren.
• Hij wil controle over
546 v.C.
500 v.C.
492 v.C. Eerste aanval mislukt:
2 De Perzische oorlogen geven Athene aanzien en macht
Veldslag
490 v.C.
480 v.C.
479 v.C.
449 v.C.
Verdeeldheid van de Grieken =
Zeeslag Overwinnaar
3 Door de Delisch-Attische Zeebond wordt Athene de leidende stadstaat
Tweehonderd Griekse stadstaten zijn ‘lid’ van het bondgenootschap.
Doel:
Athene leiding Waarom?
Delos:
Attika:
Bondgenoten:
Machtsmisbruik van Athene
• Gebruiken geld om
• Dulden niet dat
‘De anderen spreken er schande van’, riepen ze, ‘dat we de gemeenschappelijke kas van Delos naar Athene hebben overgebracht. Tot nu toe konden we ons tenminste verdedigen met het argument dat de angst voor de Perzen onze drijfveer is geweest en dat we het geld nu in volledige bewaring hebben, maar dat schitterende excuus heeft Perikles ons uit handen genomen. Griekenland voelt het als een ontzettende belediging, als een openlijke vorm van tirannie, om te moeten zien hoe wij van de verplichte oorlogsbijdragen onze stad verfraaien. (...)’
Antwoord van Perikles:
‘We voeren toch oorlog voor hen? We houden de Perzen toch op een afstand voor hen? Nog geen paard, geen schip, geen soldaat dragen ze bij. Het enige wat zij moeten leveren, is geld. En geld is nu eenmaal niet van wie het betaalt, maar van wie het krijgt, zolang de laatste maar zijn verplichtingen nakomt. Onze stad voldoet op dit moment ruimschoots aan alle eisen die de oorlog stelt.’
Bewerking van: Thucydides, Geschiedenis van de Peloponnesische oorlogen
a Wat verwijt men Perikles?
b Bewijs dat de aanklagers niet zozeer de andere Grieken verdedigen.
c Het oorspronkelijke doel van de Zeebond is verdwenen. Juist of fout ? Motiveer je antwoord.
d Geef de nieuwe taakverdeling binnen de Zeebond.
e Hoe zou het komen dat Perikles het geld op die manier durft aan te wenden?
f Gedraagt Perikles zich als leider van de Delisch-Attische Zeebond democratisch? Motiveer je antwoord.
g Zijn de volgende uitspraken juist of fout?
De Perzische koning wil Hellas veroveren, omdat de Grieken de Perzische kusten onveilig maken.
Op de Perzische kuststreek bevinden zich Griekse poleis.
Athene is de sterkste landmacht van Hellas.
De Delisch-Attische Zeebond werd opgericht, omdat men Athene wilde verfraaien.
Delos is een stadstaat op Kreta.
De leden van de Delisch-Attische Zeebond zijn niet langer bondgenoten, maar onderdanen van Athene.
Athene heeft geen imperialistische neigingen.
Als leider van de Delisch-Attische Zeebond gedraagt Athene zich heel democratisch.
Sparta heeft in Hellas evenveel invloed als Athene.
Athene streeft naar meer macht en rijkdom.
Juist Fout
14 De Peloponnesische oorlogen
SCHEMA
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 Een groeiende spanning tussen Sparta en Athene leidt tot oorlog
Oorzaken
• Groeiende spanning tussen Sparta en Athene: Athene behaalt in zijn eentje de overwinning van de eerste Perzische oorlogen.
• Tussen Athene en Sparta bestaan er een hele reeks tegenstellingen.
Tegenstellingen Athene Sparta
Bondgenootschap
Politiek
Verspreidt democratie onder bondgenoten.
Sterkte Reden groeiende spanning
Aanleiding (= start van de oorlog)
Korinthe
• bondgenoot van Sparta
Vreest aan invloed te moeten inboeten.
• een van de belangrijkste concurrenten van Athene in de handel
• heeft een kolonie: Corcyra.
Corcyra
• vindt dat het slecht behandeld wordt door zijn moederpolis
• zoekt hulp bij Athene.
OPDRACHT 1
Athene
• helpt Corcyra.
• Waarom? Sparta
• komt zijn bondgenoot Korinthe te hulp.
Gevolg
2 De Peloponnesische oorlogen maken een einde aan het Atheense overwicht
• Sparta verwoest Attika.
• Athene krijgt voedsel via haven en ommuurde weg.
• Atheense vloot teistert Peloponnesos.
• Sparta sluit voedseltoevoer van Athene af rust vloot uit met Perzisch geld.
• Athene wil graantoevoer van Peloponnesos in Sicilië veroveren loopt fout af.
• Athene geeft zich uitgehongerd over.
De verzwakking van de Griekse poleis in de 4e eeuw v.C.
• Poleis bestrijden Sparta en elkaar.
• Poleis sluiten afwisselend bondgenootschappen met elkaar.
• Perzen moedigen verdeeldheid aan.
Lees bron 1 op blz. 66 in je leerboek.
a Geef twee zaken die men Athene verwijt.
b Wat verlangen de klagende poleis van Sparta, denk je?
OPDRACHT 2
Lees bron 3 op blz. 67 in je leerboek.
a Gaat het om een primaire of een secundaire bron?
b Waarom zou je de auteur als betrouwbaar kunnen beschouwen?
c Waarom willen de Meliërs zich niet overgeven?
d Op de steun van wie rekenen de Meliërs?
e Welk voorstel doen de Meliërs? Wat is hun lot?
f Wat doet Athene nadien met de stad? Waarom?
OPDRACHT 3
Onderstreep de juiste uitspraak.
De militaire macht van Athene ligt vooral op zee land
De militaire macht van Sparta ligt vooral op zee land
De economische kracht van Athene ligt vooral in handel landbouw
De economische kracht van Sparta steunt vooral op kolonies onderdrukking
Als twee honden vechten om een been, loopt een derde ermee heen.
De straf die Sparta Athene oplegt in 404 v.C. raakt Athene vooral
klopt klopt niet
economisch politiek sociaal cultureel
De overwinnaar in de strijd tussen Athene en Sparta is Athene Sparta geen van beide
De inzet van de strijd is het overwicht in DelischAttische Zeebond Hellas Peloponnesos
Na de oorlog vertonen de Griekse stadstaten eenheid verdeeldheid
Na de strijd zijn de Helleense poleis versterkt verzwakt
15 De hellenistische rijken
1 Philippos II verenigt de Grieken
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
Philippos II (koning van Makedonië, bewonderaar van Griekse cultuur)
Beweegredenen:
Onderwerping van Griekenland:
Sticht Korinthische Bond:
• Griekse poleis
• Aanvaarden Makedonische leiding.
• Sparta
2 Alexander de Grote verovert een wereldrijk
• Verovert in vier jaar tijd Perzische Rijk + verwoest
• Een Perzische legeraanvoerder vermoordt de Perzische koning.
Alexander wordt opvolger.
• Droomt van wereldheerschappij
• Alexander sterft in 323 v.C.
SCHEMA
Bestuur Alexander Democratische polis
Burgers hebben politieke macht.
Hellenistische politiek
Wat?
Hoe?
• Gemengde huwelijken
• Zelf huwt hij oosterse prinsessen.
• Sticht nieuwe steden: Alexandrië met gemengde bevolking.
• Grieks wordt voertaal van
• Eenheidsmunt (Attische munt)
Uiteenvallen van rijk Alexander
• Generaals bestrijden elkaar
• Vermenging mislukt.
• Enkel rijken profiteren van hellenistische bloei.
• Onderlinge strijd
• Romeinen en oosterse volkeren
Bestudeer de kaart (zie ook bron 4 op blz. 70 in je leerboek).
a De oppervlakte van het rijk van Alexander de Grote is ca. 6,2 miljoen km². Zoek op wat de oppervlakte van het huidige België is en bereken dan hoeveel keer het rijk van Alexander groter is dan ons land.
b Geef acht hedendaagse landen die geheel of gedeeltelijk in het rijk van Alexander liggen. Zoek op in een atlas.
c Alexander begint in 334 v.C. aan zijn veroveringstocht. Hoelang doet hij over de verovering van zijn wereldrijk?
Lees deze bron en los de opdrachten op.
Als middel om de verbroedering tussen de volkeren van zijn rijk te bevorderen, heeft koning Alexander opdracht gegeven dat 30 000 Perzische jongelieden zullen worden onderwezen in het Grieks. De instructeurs (…) zullen niet alleen de Perzische jongelui Grieks moeten leren, maar ook moeten onderwijzen in lezen en schrijven van onze taal. Daarnaast zullen instructeurs worden aangesteld, die deze groep zullen moeten onderrichten in het gebruik van onze wapens en in onze gevechtstechnieken, zoals de falanx. (…) De koning gaat uit van het idee, dat het beter is het rijk door vriendschapsbanden en onderling begrip samen te binden, dan met wapengeweld.
Uit: Histokrant. De geschiedenis als aktualiteit, jaargang 1, nr. 15, 1973
a Waarom moeten Perzische jongeren Grieks kunnen lezen, schrijven en spreken?
b Hoe probeert Alexander dat doel nog te bereiken?
c Zoek op wat het begrip ‘hellenisme’ betekent.
d Is de bron een historische bron?
OPDRACHT 1
Onderzoek 2: Atlantis
Kaartnr(s).
Neem het onderzoek over Atlantis in je leerboek op blz. 72. Hieronder krijg je ruimte om de opdrachten op te lossen.
Bronnen indelen en beoordelen
a Welke bronnen stammen niet uit de hedendaagse tijd?
b Lees de drie historische vragen in de inleiding van dit onderzoek. Geef voor elke vraag de bronnen die bruikbaar zijn om ze te beantwoorden.
Vraag 1:
Vraag 2:
Vraag 3:
c Formuleer zelf een vierde historische vraag (ze mag op een van de andere lijken).
d Wie is de auteur van de oudste bekende bron over Atlantis?
e Verwijst die auteur naar oudere bronnen? Leg uit.
f Zijn er sporen gevonden van die oudere bronnen? Leg kort uit.
OPDRACHT 3
Wat is Atlantis volgens Plato?
a Wat is Atlantis?
b Hoe was het leven op Atlantis eerst? Geef drie voorbeelden.
c Waarom ging Atlantis ten onder volgens Plato?
d Waar zou het eiland gelegen hebben?
e Is de Atlantische Oceaan naar Atlantis vernoemd?
f Waarom is het heel aannemelijk dat Plato het verhaal over Atlantis heeft verzonnen?
Heeft Atlantis ooit echt bestaan?
a Welk eiland werd door de ontploffing van een vulkaan voor een groot deel weggeblazen? In welk jaar was dat?
b Welke samenleving zou toen ten onder gegaan zijn?
c Zou Plato zijn verhaal op die gebeurtenis gebaseerd hebben?
d Welk bedrijf dacht in 2018 dat het de ruïnes van Atlantis gevonden had?
e Waarom dacht het dat?
TIP Kijk nog eens terug naar bron 1.
f Wat waren de cirkels in werkelijkheid?
Waarom blijft het verhaal zo populair?
a Lees de bovenstaande historische vraag. Welke soort bron is bron 4 voor deze vraag?
b Waarom werd Atlantis in het tijdperk van de ontdekkingsreizen opnieuw populair?
c Wat vonden veel Europeanen in de vroegmoderne tijd moeilijk om te erkennen?
d Welke complottheorie over Atlantis wordt opnieuw verteld in de serie ‘Ancient Apocalypse’?
e Is ‘Ancient Apocalypse’ een betrouwbare bron over Atlantis? Geef één argument.
f Waarom is het misleidend dat Netflix ‘Ancient Apocalypse’ een docuserie noemt?
BESLUIT
Plato verzon het verhaal over Atlantis om zijn tijdgenoten te waarschuwen voor hebzucht en hoogmoed. In de loop van de geschiedenis bleef de legende populair en waren er vermoedens dat het eiland ooit echt heeft bestaan. Sommigen dachten zelfs de resten van Atlantis te hebben gevonden.
16
De Griekse bouwkunst
SCHEMA
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 De Griekse bouwkunst is een openbare, monumentale kunst
Openbare gebouwen
In opdracht van polis: tempels, theaters
Eerst: lukraak in centrum
Later: stadsplanning of urbanisatie
Monumentale bouwkunst
Wat?
Doe l?
2 De Griekse tempel volgt meetkundige regels
Griekse tempel
• Woning van god
• Priesters voeren in de tempels godsdienstige rituelen uit.
Bekijk bron 3 op blz. 78 in je leerboek. Welke ‘soort’ zuilen (Dorisch, Ionisch en/of Korinthisch) heeft men in deze gebouwen gebruikt?
Philippeion
Parthenon
Tempel van de Olympische (Olympia, 4e eeuw v.C.) (Athene, 5e eeuw v.C.)
Zeus (Athene, voltooid 2e eeuw n.C.)
Bekijk de afbeeldingen. (Zie ook bron 3, 4 en 5 op blz. 78 in je leerboek.)
Hieronder vind je drie afbeeldingen van de tempel van de godin Afaia op het Griekse eiland Egina. Je krijgt ook een lijst van begrippen en kenmerken. Plaats telkens één begrip of kenmerk in elk vakje. Hou er rekening mee dat sommige mogelijkheden fout zijn.
Trojaanse boogschutter, tempel van Afaia, Reconstructie van hoe hij eruitgezien moet hebben 5e eeuw v.C.
Trojaanse boogschutter en reconstructie op de tempel van Afaia. Opvallend aan de reconstructie is dat de boogschutter is.
De boogschutter was geplaatst in een driehoekige bekroning van de tempel. Zo’n driehoekige bekroning is een
Reconstructie van het westelijk fronton. Scènes uit de Tweede Trojaanse Oorlog, met in het midden Athena
a Onder Perikles werden grote bouwwerken op de Akropolis opgericht. Zoek op het internet de nodige informatie over de Akropolis en verbind de volgende namen met de juiste afbeelding. Erechtheion
Parthenon
Toegangspoort of propyleeën
Niketempeltje
b Het Niketempeltje is gebouwd ter ere van de godin Athena Nike. Wat behaalt de godin Athena als je de omschrijving Nike vertaalt? Onderstreep het juiste antwoord.
de liefde – de heldhaftigheid – het huwelijk – de nederlaag – de overwinning – de trouw
b Geef twee verschillen tussen de kouros en de korè.
Bekijk bron 4 op blz. 82 aandachtig. Geef twee verschillen met een kourosbeeld.
OPDRACHT 3
Bekijk bron 6 en 7 op blz. 83 aandachtig.
a Vergelijk de anatomie en de houding van de personages van bron 6 en 7. Wat stel je vast?
b Vergelijk de gelaatsuitdrukking bij beide beelden.
OPDRACHT 4
Bekijk bron 8 op blz. 83 in je leerboek.
Vergelijk met de onderwerpen van de andere beelden. Wat is hier opmerkelijk?
OPDRACHT 5
Bekijk bron 9A en 9B op blz. 84 in je leerboek aandachtig.
Vergelijk de kleur van de figuren en de achtergrond op beide afbeeldingen.
DHet Romeinse Rijk
OPDRACHT
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
Het Romeinse Rijk is zo groot geweest dat je vandaag in zowel Europa, Afrika als Klein-Azië restanten van Romeinse bouwwerken terugvindt. Op blz. 86-87 in je leerboek en hieronder zie je enkele voorbeelden. In welk hedendaags land ligt elk bouwwerk? Zoek het juiste antwoord op.
Hedendaags land
De ‘Porta Nigra’ in Trier
Romeinse villa in Volubilis
Leptis Magna
Sagalassos
SCHEMA
Rome begint als een bescheiden koninkrijk
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 Het ontstaan van Rome: mythe en feiten
Mythe: afstamming van Romulus en Remus
Wetenschap: Romeinen: Indo-Europeanen 1000 v.C. eerste nederzettingen in Latium
Levenswijze: eenvoudige boeren en herders, zoutwinning aan kust
Rome heeft gunstige ligging:
• Rome ligt midd en op
• Heuvels en moerassen vormen
• Afstand tussen Rome en zee groot genoeg om
• Tiber ideaal om
• Tiber makkelijk om
2 Etrusken, Italiërs en Grieken bevolken het Italische schiereiland
Pater familias
• • Gens (geslacht)
Romeinse bevolking
Bevolkingsgroep Wie? Kenmerken
Stammen af van stichters van Rome.
Plebejers
Slaven
• • Kiezen koning en geven hem raad.
• Persoonlijke vrijheden
•
• Boeren, ambachtslieden en handelaars
• Werken op gronden van rijken.
• Zwaar bestaan
• • Worden als zaak beschouwd.
4 De koning bezit de grootste macht in het Romeinse bestuur
• Romein en komen via Etrusken in contact met Grieken.
OPDRACHT 1
Bestudeer bron 1 op blz. 89 in je leerboek.
a Wat is een mythe? Zoek eventueel op in de woordenlijst.
b Haal minstens twee onwaarschijnlijkheden uit het verhaal van de stichting van Rome.
c Hoeveel jaren verstrijken er ongeveer tussen de stichting van Rome en het opschrijven van de eerste mythes? Wat betekent dat voor de betrouwbaarheid van de verhalen?
OPDRACHT 2
Bestudeer bron 6 op blz. 90 in je leerboek.
a Het gaat om een beeld uit een Etruskisch graf. Beschrijf het kunstvoorwerp met je eigen woorden.
b Zoek een ander woord voor zo’n doodskist.
TIP Het woord komt uit het Grieks en betekent ‘vleesetend’.
19 De Romeinse republiek
SCHEMA
1 Rome wordt een republiek
Einde koninkrijk:
Koningen
• krijgen te veel macht.
Laatste koning wordt verjaagd.
Republiek
Het koninkrijk
Koning (levenslang) = opperpriester = opperrechter = opperbevelhebber
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
• houden geen rekening met senaat en volksvergadering.
De republiek (vanaf 509 v.C.)
Twee consuls (één jaar) = dagelijks bestuur = Pontifex maximus =
geeft raad aan de koning
Senaat = de familiehoofden
Senaat •
Vetorecht: kan beslissingen volksvergadering ongedaan maken.
kiest de koning
Volksvergadering = alle mannelijke patriciërs
Volksvergadering
• stemt over wetsvoorstellen, maar kan er zelf geen indienen.
• beslist over oorlog en vrede.
OPDRACHT 1
2 Plebejers vechten om gelijke politieke rechten
Vanaf 500 v.C. start Rome met de verovering van het Italische schiereiland.
Probleem
Oplossing
Plebejers moeten naar het leger en moeten belastingen betalen.
Eis plebejers Politieke macht
Toegeving patriciërs
Maar door de voortdurende oorlogen geraken de plebejers opnieuw in problemen.
Probleem
Eis plebejers
Patriciërs
Gevolg
Toegeving patriciërs
Niemand om hun velden te bewerken
Luisteren niet naar plebejers.
Verdedigt de rechten van de plebejers in de volksvergadering en kan beslissingen van andere instellingen tegenhouden.
In 287 v.C. zijn plebejers en patriciërs politiek gelijk. Er ontstaan nieuwe problemen tussen de nobiles (patriciërs en rijke plebejers) en de proletariërs (het gewone volk). Uiteindelijk veroorzaken die burgeroorlogen.
Raadpleeg bron 2 op blz. 92 in je leerboek.
a Welke bestuursinstellingen bestonden er tijdens de republiek?
b Onderstreep in het vorige antwoord wie volgens jou de meeste macht heeft.
c Hoe kun je dat op het schema zien?
d De senaat maakt de nieuwe wetten. Juist of fout?
OPDRACHT 2
e Met welke Griekse polis stemt de Romeinse republiek het meest overeen? Athene of Sparta?
Bestudeer bron 3 op blz. 93 in je leerboek. a Wie is niet tevreden? Waarom niet?
b Wie bedoelen ze met ‘onze medeburgers’?
c Wat zullen de plebejers vragen, denk je?
OPDRACHT 3
Lees bron 5 op blz. 93 in je leerboek.
a Wat betekent ‘de ambten waren niet bezoldigd’?
b Om verkozen te worden, moet men elke keer opnieuw een verkiezingscampagne voeren. Wie slaagt er dan in om de sociale ladder te beklimmen? Hoe verklaar je dat?
c Wie wordt er in feite uitgesloten?
d De opeenvolging van ambten die een Romein moet doorlopen om consul te kunnen worden, heeft wel één groot voordeel. Welk?
20 Rome wordt machtig
Kaartnr(s).
SCHEMA
1 Rome wordt meester in Italië
• Rome voert oorlog tegen Latijnse en Etruskische steden.
• Galliërs veroveren op korte tijd Rome.
• Rome onderwerpt Latijnse steden.
• Romeins burgerrecht
• Romeinen veroveren Griekse kolonies in het zuiden van Italië.
2 De Middellandse Zee wordt een Romeinse zee
Punische oorlogen (tussen 264 en 146 v.C.)
Wat?
Oorlog tegen Carthago
Waarom?
Punische oorlogen Verloop en afloop
1 Rome verwerft eerste gebieden buiten Italië (Sicilië).
2 Carthaagse generaal Hannibal maakt het Rome moeilijk.
3 Carthago wordt verwoest, wordt in 146 v.C. provincie Africa.
OPDRACHT 1
Provincia =
OPDRACHT 2
Veroverde steden en stammen krijgen verschillende behandeling = meer of minder rechten :
• meer of minder belastingen
• meer vrijheid
• Waarom?
1 Belonen of bestraffen Wat? Gebieden proberen bevorderd te worden.
2 Goed geoefend leger Doel?
3 Heerbanen Doel?
Raadpleeg bron 1 op blz. 95 in je leerboek. ‘Rome verliest weleens een veldslag, maar nooit een oorlog.’ Verklaar waarom dat Romeinse gezegde zeker van toepassing is op de Punische oorlogen.
Lees bron 3 op blz. 96 in je leerboek. a ‘Cato is erg tevreden over de landbouw in Carthago.’ Juist of fout? Leg uit met behulp van een tekstfragment.
OPDRACHT 3
b Welke tactiek gebruikt Cato om de senatoren aan het bestaan van Carthago te herinneren?
OPDRACHT 4
c Bewijs dat Cato zich door eigenbelang laat leiden.
Ontleed bron 4 op blz. 96 in je leerboek.
Rome probeert opstanden in de veroverde gebieden te voorkomen. Dat lukt aardig. Het geheim zit hem onder andere in de behandeling van die gebieden. Het schema in je leerboek vat die behandeling samen.
a Waaruit bestaan de politieke rechten?
1 2
b Onderstreep de steden die volledige Romeinse rechten hadden. bevoorrechte steden – onderworpen steden – kolonies – Latijnse steden – verbonden steden
c Haal uit de tekst twee feiten die aantonen dat Rome het ‘verdeel-en-heersprincipe’ toepaste in de veroverde gebieden.
Het gaat hier om een primaire / secundaire bron.
Lees bron 5 op blz. 96 in je leerboek en vervolledig de identiteitskaart van de bron.
De veroveringen veranderen de Romeinse samenleving
Kaartnr(s).
1 De kleine boer in Italië gaat ten onder
Kleine boer raakt in problemen Waarom?
• Vecht in leger
• Oorlog betalen
• Goedkope landbouwproducten uit veroverde gebieden
Gevolgen
• Kleine boeren verkopen boerderij aan rijken + trekken naar stad
• Rijken kopen boerderijen op en maken er grote landbouwbedrijven van: Slaven telen er de producten.
2 In Rome neemt de tegenstelling tussen arm en rijk toe
Equites (ridders) speciale groep: bezig met handel en bankzaken
Zijn met veel
Arme plebejers hebben
Om opstanden te voorkomen geven zij aan de armen.
brood = spelen =
OPDRACHT 1
3 De Gracchen proberen de boerenstand te herstellen
Tiberius Gracchus (volkstribuun + rijke plebejer) wil een landwet.
Gevolgen: populair bij het volk en tegenstand laten Tiberius vermoorden
Gaius Gracchus (jongere broer) wil tien jaar later wraak nemen op senaat.
• Drie wetten:
• Gracchus verliest aan populariteit omdat hij in ruil voor grond voordelen wil geven aan buurvolkeren wordt vermoord.
4 Een nieuwe politieke strijd: optimates tegen populares
Populares of Optimates
Alle macht voor Macht blijft bij
Zo veel mogelijk macht voor zichzelf Zo veel mogelijk macht voor zichzelf
Gevolg: burgeroorlogen, vooral in 1e eeuw v.C.
Neem je leerboek op blz. 98 en 99. Vergelijk bron 3 met bron 2 en 1. Spreken de bronnen elkaar tegen of niet? Motiveer je antwoord.
Raadpleeg bron 4 op blz. 99 van je leerboek en los de vragen op. a Het gaat om een primaire / secundaire bron.
b Omcirkel in de lijst die begrippen die van toepassing zijn op de auteur: tijdgenoot van Gaius Gracchus – rijk – Romein – Griek – bekleedt belangrijke functies – favoriet van Romeinse keizers – proletariër – schrijver
c Welk doe l heeft de auteur met zijn werk?
d Waarvo or moe t je oppassen als je Ploutarchos als bron wilt gebruiken?
e Wa aro m zouden geschiedkundigen het werk van Ploutarchos toch als bron gebruiken?
a Omdat hij een Griek is en Grieken zijn slim.
b Omdat er niet zoveel bronnen uit die periode zijn.
c Omdat Ploutarchos een ooggetuige is.
f Welk beeld van G aius Gracchus krijg je als je de bron leest?
g Waaru it blijkt da t Gaius volgens de schrijver ook aan zichzelf dacht?
OPDRACHT 3
Raadpleeg bron 6 op blz. 100 van je leerboek en los onderstaande vragen op.
a Het gaat om een primaire / secundaire bron.
b Omcirkel in de lijst die begrippen die van toepassing zijn op de auteur: tijdgenoot van Gaius Gracchus – advocaat – Romein – Griek – bekleedt belangrijke functies –proletariër – schrijver
c Waarom zo u men zijn werk belangrijk vinden?
OPDRACHT 4
Bekijk ook opnieuw bron 4 van opdracht 2.
d Is Appianus kritischer dan Ploutarchos over Gaius Gracchus? ja / neen Leg uit.
e Waarin stemmen beide bronnen overeen?
a Gaius wil populair zijn.
b Gaius zorgt voor het leger.
c Gaius geeft gratis graan weg.
f Wat lijkt het belangrijkste doel van Gaius Gracchus geweest te zijn?
a Het gewone volk verder helpen
b De senaat bestrijden
c De ridders help en
g Formuleer een historische vraag over Gaius Gracchus die je met deze bronnen zou kunnen beantwoorden.
Je zou de gebroeders Gracchus populisten kunnen noemen. Je vindt hier twee definities voor een populist terug.
1 Iemand die opkomt voor het volk en strijdt tegen een elite die veel macht heeft. Met de steun van het volk wil hij veranderingen doorvoeren.
2 Iemand die zich p opulair wil maken bij het volk door het te vleien en in alles gelijk te geven. Zo verwerft hij macht en invloed. De steun van het volk is belangrijker dan de inhoud van de boodschap.
a Onderstreep de definitie die min of meer geldt voor de gebroeders Gracchus.
b Ge ef een voorbeeld van een hedendaags populist. Dat mag zowel iemand zijn die overeenkomt met definitie 1 als 2. Leg ook uit waarom je hem een populist vindt.
22 De burgeroorlogen
SCHEMA
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 De burgeroorlog tussen Marius en Sulla brengt de republiek aan het wankelen
Buitenlandse bedreigingen leiden tot oorlog.
• Koning van Numidië (in Algerije)
• Consul Marius (populares) legeraanvoerder
Marius maakt beroepsleger
Vroeger: burgerleger Marius: beroepsleger
Wie?
Motivatie
soldaten
Soldaten uit bezittende klassen Proletariërs
Willen via leger aan bezittingen geraken
luisteren vooral naar generaal die hen bezittingen belooft.
Willen niet te lang vechten
generaals meer macht.
senaat verliest macht.
Beloftes Marius
Reactie senaat + gevolgen
Soldaten Geen landverdeling
Bondgenoten
Geen burgerrecht
b ondgenoten komen in opstand.
BONDGENOTENOORLOG
senaat geeft toe.
Eerste burgeroorlog
Nieuwe buitenlandse bedreiging: Mithridates (koning rijk in Klein-Azië)
Consul Sulla (optimates) Romeins legeraanvoerder
Marius en medestanders ontevreden
Dood Marius Sulla keert terug
2 Pompeius en Caesar geven de republiek de doodsteek
Nieuwe bedreigingen:
Krachtig optreden nodig
Driemanschap of triumviraat
= Tweede burgeroorlog
• Caesar verovert heel Gallië
• Pompeius vreest Caesar
• Caesar verslaat Pompeius.
• Caesar regeert als alleenheerser
OPDRACHT 1
3 Met Octavianus begint het keizerrijk
Nieuw (of tweede) triumviraat = , en
Derde burgeroorlog
• Marcus Antonius
• regeert oosten van rijk
• sluit verbond met Egypte
• huwt Cleopatra (Egyptische koningin) Rome ziet dat als een bedreiging.
• Octavianus verslaat Marcus Antonius.
Oorzaak burgeroorlogen
Oorspronkelijk Uiteindelijk
Tegenstelling rijk en arm
Bekijk bron 1 op blz. 103 in je leerboek.
a Noem vier gebieden die tussen ca. 100 en 31 v.C. aan het Romeinse Rijk worden toegevoegd.
b Welke veldheer heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld?
OPDRACHT 2
Lees bron 2 op blz. 104 in je leerboek.
a Wat gebeurt er met de mensen die op de lijst komen?
b Wie stelt die lijst samen?
c Wat is een vogelvrijverklaarde?
d Waarom worden de meesten vermoord?
e Waarom noemen we de strijd tussen Marius en Sulla een burgeroorlog?
f Geef een recent voorbeeld van een burgeroorlog.
OPDRACHT 3
Lees bron 3 op blz. 104 in je leerboek.
a Is Suetonius een voor- of tegenstander van Caesar? Motiveer je antwoord.
b Is er veel tijd tussen het gebeuren en het schrijven van de bron? Motiveer je antwoord.
1 Octavianus wordt Augustus
Octavianus
• Geeft macht terug aan senaat.
Senaat
• Vreest voor nieuwe burgeroorlog.
Titels van Octavianus
• Princeps = eerste man
• Augustus = verhevene
Functies Octavianus en senaat
Macht van de senaat
Kaartnr(s).
23 Augustus, de eerste keizer
Kaartnr(s).
• Vraagt Octavianus om rijk te blijven besturen in zijn eentje.
Belangrijkste functies:
Macht van Octavianus Instellingen en ambten van republiek en senaat blijven bestaan.
Macht over rustige provincies
• • Bestuurt belangrijke provincies zoals
Waarom? Grote opbrengsten uit Egypte
OPDRACHT 1
2 Augustus versterkt zijn macht
• Populaire maatregelen
• Propaganda
• Uitschakelen tegenstanders
• Rust, vrede en welvaart
• Pater patriae =
3 Augustus kiest voor natuurlijke grenzen
Waarom natuurlijke grenzen?
Octavianus bestuurt grensprovincies en rebelse provincies.
Bestudeer bron 1 op blz. 106 in je leerboek. Beoordeel de betrouwbaarheid van de bron aan de hand van de volgende vragen.
A De identiteitskaart van de bron
1 Welke soort bron is het? een geschreven bron / een ongeschreven bron (1) Gaat het om een ongeschreven bron? Is het dan een mondelinge / materiële bron? (1)
2 Wie heeft de bron gemaakt? Zoek inlichtingen over de maker: zijn naam, nationaliteit, geboortedatum, sterfdatum, beroep, functie, afkomst …
3 Wanneer werd de bron gemaakt?
• Op welke datum?
• Er is een / geen (1) groot tijdverschil tussen het maken en de feiten die verhaald worden. (Een groot tijdverschil werkt verdraaiing in de hand.)
4 Waar is de bron gemaakt?
• Waar bevindt de bron zich vandaag?
• De maker was een / geen (1) ooggetuige.
• De maker heeft andere bronnen gebruikt. ja / neen (1)
Voorlopig besluit: vind je in de bovenstaande gegevens zaken terug die de maker beïnvloed kunnen hebben? ja / neen (1) Zo ja, motiveer je antwoord.
B De inhoud van de bron
Waarover gaat de bron?
• Wat vertelt de bron?
• Staan er meningen in de bron? Zo ja, geef dan een voorbeeld.
3
C De beoordeling van de bron
• Voor welke historische vraag is de bron betrouwbaar?
c Welk beeld stelt Octavianus voor als ‘imperator’ en welk als ‘pontifex maximus’? Motiveer je antwoord.
1 Als ‘imp erator’:
Motivatie:
2 Als ‘p ontifex maximus’:
Motivatie:
OPDRACHT
SCHEMA
De bloei van het Romeinse Rijk
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 De eerste keizers versterken de macht van Rome, maar zijn geen goede heersers
Eerste keizers: Tiberius, Caligula, Nero
• Ge en goede heersers
• Macht van Rome stijgt: Mare Nostrum =
• Nero voert schrikbewind
2 De Flaviërs breiden het rijk nog verder uit (69-96)
Nieuwe familie aan de macht: Flaviërs
• Vespasianus: rekent af met opstand van de Joden
• Belangrijke monumenten:
• Verovering van Brittannië voltooid
• Domitianus voert schrikbewind
OPDRACHT 1
3 Onder de adoptiekeizers (96-180) bereikt de macht van Rome haar hoogtepunt
Adoptiekeizers
=
• Trajanus: rijk bereikt grootste omvang
• : zet veroveringen stop = einde van het Romeins
• Grootse werken:
• Pax Romana =
• Marcus Aurelius
• invallen van buurvolkeren
• oorlogen om grenzen te herstellen
• epidemie
Bestudeer de kaart in bron 1 op blz. 110 in je leerboek.
a Noem één Europees, één Aziatisch en één Afrikaans land dat aan het begin van de 1e eeuw n.C. tot het Romeinse Rijk behoort.
b Onder het bewind van welke keizer wordt Britannia (deels) veroverd?
c Welke gebieden verovert Trajanus?
d Welke gebieden worden na de dood van Trajanus opnieuw prijsgegeven?
2
Lees bron 2 en 3 op blz. 110-111 in je leerboek. Beantwoord de vragen.
a Caligula en Nero worden vaak als waanzinnige heersers voorgesteld. Vind je daarvan in de fragmenten een mogelijk bewijs terug? Motiveer je antwoord.
b Hoe blijkt dat Suetonius waarschijnlijk verschillende bronnen heeft gebruikt bij het schrijven van de tekst over (de moord op) Caligula?
c Noem twee mogelijke redenen waaruit blijkt dat het werk van Suetonius toch niet helemaal betrouwbaar te noemen is.
d Naast het feit dat je dus voorzichtig moet zijn met de informatie die klassieke schrijvers ons bieden, welk ander probleem stelt zich ook bij de hedendaagse studie van die antieke teksten?
25 De economie in het Romeinse Rijk
SCHEMA
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 Alle wegen leiden naar Rome ... en de grenzen
Veroverde gebieden: slechte economische toestand
Verove ring =
Redenen:
• Goederen en mensenlevens vernietigd
• Schatting aan Rome betalen
• Plaatselijke bestuurders
Handel naar Rome
Bevolking Rome stijgt (1e eeuw v.C.):
Grootste deel bevolking leeft van (proletariërs)
Bouwmateriaal + voedsel nodig
Handelaars leveren
ROME EN ANDERE STEDEN = PARASIET weinig veel
Rome = handelscentrum
• Leger aan grenzen bevoorraden
• Langs zee, rivieren, heerbanen
2 Een bloeiende handel
Hoogtepunt handel:
Waar?
• In en rond Middelland se Zee
• Handel in luxeproducten met Indië:
• Rivieren en heerbanen = alle wegen leiden naar Rome.
3 Landbouw blijft de belangrijkste economische activiteit
95 % bevolking leeft van landbouw.
Latifundia (latifundium of villa) =
• Grootgrondbezitters
• Nemen grond armen in (3e en 2e eeuw v.C.)
• Produceren
• Pachter
Kleine boer pacht grond van grootgrondbezitter.
Pacht = Technische vernieuwingen
• Persen voor
• Watermolens
• Mijnbouw:
OPDRACHT 1
Vandaag, sporen van looduitstoot
• Waar?
• Geleerden besluiten uit die sporen:
• Vanaf tot midden 2e eeuw
Bestudeer bron 3 op blz. 114 in je leerboek.
a Duid aan met kruisjes: Rome en Ostia. Duid de volgende steden aan met de eerste drie letters van hun naam: Cadiz, Marseille, Carthago.
b Omcirkel onze gewesten (het huidige België, het zuiden van Nederland en Luxemburg).
c Welke producten worden in onze gewesten voortgebracht?
d Welke twee soorten transport geeft de kaart weer?
e Hoeveel tijd had men nodig om van Ostia naar Marseille te varen? En naar Cadiz?
f Geef telkens één product dat wordt geproduceerd in: Gallië / de omgeving van Marseille / Carthago.
g Waar komt volgens de kaart zijde vandaan?
h Geef twee andere producten die van buiten het Romeinse Rijk komen.
i Uit welk land komt papyrus? Duid het aan op de blinde kaart. Waarvoor gebruikt men papyrus?
j Uit welk hedendaags land komt purper? Duid het land aan op de blinde kaart.
OPDRACHT 2
Lees deze tekst aandachtig.
Waarom was purper zo duur? EXTRA
Purper was de waardevolste en duurste kleurstof uit de oudheid. De kleur was bij Romeinse wet voorbehouden voor de goden en de Romeinse keizers. Purper wordt gemaakt van purperslakken. De schelpdieren worden ingezouten en daarna gekookt. Daardoor komt de kleurstof vrij. Voor 1 kg verfstof zouden miljoenen slakken nodig geweest zijn.
3
Lees aandachtig bron 6A in je leerboek op blz. 115 en beantwoord de vragen.
a Waarvoor gebruikten de Romeinen zilver? Hoe kun je aan de toename of afname van de productie van zilver de vooruitgang of neergang van de economie meten?
b Hoe kun je aan de toename van de looduitstoot de vooruitgang van de economie meten?
c Beschrijf hoe men vandaag de looduitstoot in het Romeinse keizerrijk in het pakijs van Groenland meet.
Bekijk bron 6B.
d Vanaf welke datum stijgt de looduitstoot en blijft die hoog? Wanneer begint die uitstoot te dalen?
e Welk verband leggen de wetenschappers met de Romeinse geschiedenis?
Een schuit met tonnen wordt over de Tiber getrokken.
SCHEMA
De Romeinse bouwkunst
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 De Romeinse bouwkunst is praktisch en monumentaal
Bouwkunst is monumentaal
Wa t?
Doel?
Invloed van de Etrusken:
Invloed van h et hellenisme:
Nieuwe technieken
• Kr uisgewelf
• Gebruik van beton
• Voordeel:
• Betonnen muur bekleed met:
• • Gebruik van zuilen
Functioneel Grieken gebruiken zuilen om gebouw te ondersteunen.
Esthetisch
Romeinen gebruiken zuilen vaak om het gebouw mooier (esthetischer) te maken.
OPDRACHT 1
2 Openbare gebouwen met praktische functies
Openbare gebouwen
Wat?
Voorbeelden:
Forum
Wat? Godsdienstig en maatschappelijk centrum van de stad
Basilica
Wat? Overdekt gebouw
• Functi e:
• Basis voor
Openbaar gebouw
Colosseum
Circus
Functie
Tempel voor verschillende goden
Badplaatsen
Water naar water- en rioleringsnetwerk en thermen
Triomfbogen en triomfzuilen
Bekijk bron 3 op blz. 118 in je leerboek.
a Voor welk ander beroemd gebouw heeft dit theater als voorbeeld gediend? Kijk naar de andere bronnen.
b Bestudeer de zuilen. Welke stijl en welke functie hebben de zuilen hier: functioneel of esthetisch (ter versiering)?
Triomfboog - Jubelpark (Brussel)
Het gebouwencomplex in het Jubelpark werd opgericht in opdracht van Leopold II, om de 50e verjaardag van de onafhankelijkheid te vieren. De triomfboog dateert echter van 1905. Een indrukwekkend bronzen beeld verheerlijkt de Belgische onafhankelijkheid: Brabant, zwaaiend met de nationale vlag, op een strijdwagen getrokken door vier paarden.
a Waarom kun je bij deze triomfboog van een Romeinse stijl spreken?
b Waarom bouwde men triomfbogen?
c Waarom bouwde men de triomfboog in het Jubelpark?
d In welke stad staat de Arc de Triomphe?
e De Romeinse bouwkunst wordt later wel / niet nagebootst. Onderstreep het juiste antwoord.
27 De beeldende kunsten bij de Romeinen
Kaartnr(s).
SCHEMA
1 Vooral realistische beeldhouwkunst en schilderkunst
Invloed Griekse beeldhouwkunst:
Invloed Etrusken:
Eigen Romeinse kunst
Kunsten Waar?
Borstbeelden
Historische reliëfs Huizen versierd met bas-reliëfs
2 Steensnijkunst en edelsmeedkunst bewijzen het Romeinse vakmanschap
Steensnijkunst
Cameeën:
• Wa t?
• Do el? Gebruikt als juwelen
Edelsmeedkunst
Zilveren bekers met historisch reliëf
Bekijk deze foto (zie ook bron 3 op blz. 123 in je leerboek).
De zuil van Trajanus is 30 meter hoog en bestaat uit grote marmerblokken. Oorspronkelijk stond het beeld van keizer Trajanus op de zuil. In de 16e eeuw is het vervangen door een beeld van de heilige Petrus. Op het spiraalreliëf zijn ongeveer 2 500 mensen afgebeeld. Onder aan de zuil bevindt zich een grafkamer met daarin een gouden urne met de as van keizer Trajanus.
Leg uit wat een spiraalreliëf is.
OPDRACHT 2
Bekijk bron 4 op blz. 123 in je leerboek. Hoe denk je dat men zo’n mozaïek maakt? Raadpleeg eventueel een naslagwerk.
OPDRACHT 3
Waarom noemt men deze kunst ‘realistische’ kunst?
OPDRACHT 4
Juist of fout? Als het antwoord fout is, schrijf dan het juiste eronder. Raadpleeg eventueel de lestekst.
Juist Fout
a Een camee wordt als zegel of als juweel gebruikt.
b Idealisme wil zeggen dat men iets waarheidsgetrouw afbeeldt.
c De Griekse kunst is sterk beïnvloed door de Romeinse.
d De Romeinen maken heel veel kopieën van Griekse beelden.
28
Theater en literatuur in de klassieke oudheid
Kaartnr(s).
SCHEMA
1 In Griekenland liggen religieuze en mondelinge tradities aan de basis van theater en literatuur (= continuïteit)
Grieks toneel
Ontstaan: uit de wijnfeesten voor de god Dionysos (6e eeuw v.C.?)
Genres:
• of treursp el menselijke gevoelens en problemen
• of blijspel kritiek op maatschappij
Vorm: mengeling van p oëzie, muziek en dans
Acteurs: enkel mannen, gemaskerd en verkleed
Theatergebouw
Locatie:
• bijna in elke stad
• openlucht
• meestal prachtig uitzicht
Literatuur
genres epische gedichten geschiedschrijving filosofische werken vorm poëzie/gedichten proza
continuïteit gebaseerd op mondelinge traditie, nl. gebaseerd op mondeling overgeleverde filosofie
verandering eerst mondeling, later opgeschreven
– oudste b ekende proza
– ontwikkelt de eerst mondeling, later opgeschreven
2 In de Romeinse literatuur gaan continuïteit en verandering hand in hand
Continuïteit
• overname Griekse literatuur
vertalen in Latijn
Verandering
• ook originele Romeinse werken:
Belangrijke auteurs
•
•
Onderwerp van hun werken:
• redevoeringen over rechtspraak en politiek
• Gallische oorlogen
Hoogtepunt Romeinse literatuur
Wanneer? 27 v.C.-14 n.C.
Wie? f inanciert auteurs, bv. • de dichter
• de historicus
Waarom? Politiek doel, nl. verheerlijking van:
• keizer = en de grootsheid van Rome
• de oude Romeinse , bv. deugdzaamheid, dapperheid, waardigheid
Bekijk bron 2 op blz. 126 in je leerboek.
a Beschrijf de ligging van dit theater in verhouding tot de natuurlijke omgeving.
b Welk voordeel biedt dat aan de toeschouwers?
c Welke onderdelen vind je ook in hedendaagse theaters en operagebouwen terug?
Bekijk bron 3, 4 en 5, en lees de informatie aandachtig.
Wat leren deze bronnen over het Griekse toneel?
a Welke soort verhalen worden er verteld?
b Wat doen de acteurs om hun personages en het verhaal goed over te brengen?
c Welke van de drie bronnen toont aan dat er op het vlak van het toneel continuïteit is in de klassieke oudheid? Leg concreet uit.
Lees bron 6 op blz. 127 aandachtig.
a Is dit verhaal een komedie of een tragedie? Argumenteer met een fragment uit de tekst.
b Met wie spot de auteur: met de vrouwen of met de mannen?
c Een blijspel noemen de Grieken ook een saterspel. Ons woord ‘satire’ is daarvan afgeleid. Zoek de betekenis van dat Nederlandse woord op.
Lees de informatie over de Griekse auteurs bij bron 9, 10 en 11 op blz. 128 in je leerboek.
a Welke literaire genres beoefenen zij?
b Wat willen deze auteurs met hun werk bereiken?
c Toon aan dat er continuïteit is tussen hun werk en dat van vroegere generaties.
d Herodotos wordt de vader van de geschiedschrijving genoemd. Geef drie redenen waarom.
e Waarom moeten we ook kritisch zijn over wat hij schrijft in zijn Historiën?
f Geef nog één reden (die niet expliciet vermeld is) waarom we zijn werk als historische bron kunnen gebruiken voor de geschiedenis van de Griekse oudheid.
g Kunnen we van de buste van Homeros afleiden hoe hij eruitzag? Beargumenteer je antwoord.
h Geef uit de historische achtergrond nog een bewijs dat we kritisch moeten zijn met informatie.
OPDRACHT 5
Lees bron 7 op blz. 127 aandachtig.
a Welke twee levenswijzen vergelijkt Vergilius?
b Welke levenswijze verkiest Vergilius? Beargumenteer je antwoord met een tekstfragment.
OPDRACHT 6
Lees bron 8 op blz. 127 aandachtig.
a Livius vindt de bronnen van de tijd van voor de stichting van Rome niet erg betrouwbaar. Juist of fout? Beargumenteer met een fragment uit de tekst.
b Hoe motiveert hij dat het Romeinse volk Mars de vader van zijn stichter en zijn eigen vader kan noemen? Leg uit in je eigen woorden.
SCHEMA
Het verval van het Romeinse Rijk
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 De soldatenkeizers en de crisis van de 3e eeuw betekenen een verzwakking voor het rijk
Volkeren buiten grenzen willen grenzen over.
Redenen:
Legioenen beschermen grenzen.
Aanvoerders beseffen dat Rome niet zonder hen kan
Generaals willen keizer worden
Soldatenkeizers = steun van legioenen nodig Legioenen verlaten plaats.
Buurvolkeren houden plundertochten.
Economie gaat eronder lijden. Bevolkingsdaling
Rijkere delen van het rijk proberen zich los te scheuren.
2 Een heropleving onder Diocletianus en Constantijn
Diocletianus: probeert het rijk een stabieler bestuur te geven (3e eeuw).
Hoe?
• Ontneemt senaat haar laatste macht.
• Laat zich vereren als een god.
• Nieuw bestuur
Splitst Romeinse Rijk
Keizer (Augustus)
Medekeizer (Caesar)
Medekeizer:
• Helpt bij bestuur.
Keizer (Augustus)
Medekeizer (Caesar)
• Na doo d keizer en Constantijn (4e eeuw)
• Trekt alle macht naar zich toe.
• Byzantium nieuwe hoofdstad =
3 Nieuwe invallen van barbaarse volkeren
Volksverhuizingen Germanen
Oorzaken:
• Op zoek naar betere levensomstandigheden
• Slecht verdedigde grenzen
• Op vlucht voor Hunnen
OPDRACHT 1
Germanen vestigen zich in West-Romeinse Rijk.
Romeinen hopen
Germanen beginnen zich te bemoeien met Romeinse politiek.
Theodosius: 395
Romeinse Rijk
West-Romeinse Rijk Oost-Romeinse Rijk
Einde: (laatste keizer afgezet) (verovering van Constantinopel)
Bekijk bron 1 en 2 op blz. 131 in je leerboek.
a Wat was de gemiddelde regeringsduur van een Romeinse keizer tussen 180 en 284?
b Waarom was die zo kort?
c Welk gevolg voor de sterkte van het rijk heeft dat volgens jou gehad? Waarom?
d Hoe heeft Didius Julianus de keizerstitel verworven? Heeft zijn bewind lang geduurd?
Bestudeer de bronnen en beantwoord de vragen.
BRON 1 Streckfuss
Hadden de Romeinen nog dezelfde dapperheid bezeten, waardoor zij zich in vroegere tijden onderscheidden, dan zou die geduchte stad [Rome] in zich zelve de kracht gehad hebben, om elken aanval van buiten af te slaan. Hadden Rome’s inwoners zelfs nog maar de kunst verstaan om te strijden! Doch hiertoe waren zij niet meer in staat; het geheele volk, van den hoogsten tot den laagsten stand, was ontaard, ontzenuwd en verwijfd door weelde en zingenot. (…) Even als met de aanzienlijksten, zoo was het ook, met het volk gesteld. Het onttrok zich zooveel mogelijk aan den arbeid. Het leefde op de kosten van den staat, want nog altijd werd het door de gewoonte om kosteloos levensmiddelen uit te deelen, tot luiheid en werkeloosheid verleid.
Zoo werd het geheel ontzenuwd door een wellustig, droomend leven. Een deel van den dag sleet het in de prachtige badhuizen (…); den overigen tijd bracht het in ledigheid op de straten door. Slechts in de openbare spelen betoonde het volk nog belangstelling, waarbij het met eene ware hartstochtelijkheid partij koos voor de eene of de andere partij onder de wagenmenners; van den afloop van een wedstrijd scheen in het oog der toeschouwers het heil van den staat af te hangen. De naam eene vermaarde danseres was toen te Rome meer gevierd, dan de naam van een held.
Zulk een volk was geheel ongeschikt zich te verdedigen tegen de dappere Barbaren, die Alarik [ de leider van de Visigoten ] voor de poorten van Rome gevoerd had. (…)
Uit: A. Streckfuss, De geschiedenis der wereld aan het volk verhaald, deel III, 1868 Adolf Streckfuss (1823-1895) was een Duits schrijver. In deze passage schetst hij de situatie in Rome aan de vooravond van de plundering van de stad door de Visigoten (in 410).
BRON 2 Les Romains de la décadence
Thomas Couture, ‘Les Romains de la décadence’ (‘De Romeinen tijdens de decadentie’), 1847, olie op doek, 472 x 772 cm, Musée d’Orsay
Thomas Couture (1815-1879) is een Frans schilder. Hij is gespecialiseerd in historieschilderijen, een populair genre in die tijd. Het doel van dit soort schilderijen is het weergeven van het menselijke gedrag (met alle tekortkomingen) samen met een morele boodschap over dat gedrag. Voor het maken van dit werk laat Couture zich inspireren door een citaat van de Romeinse dichter Juvenalis (ca. 55-140): ‘wreder dan oorlog, overviel de ondeugd Rome en wreekt de veroverde wereld’. Op het moment dat hij het werk maakt, is Frankrijk een koninkrijk, maar het regime is heel onpopulair. Er is bijvoorbeeld veel kritiek op de extreme rijkdom van sommigen binnen de regering en de wijdverbreide corruptie. Een jaar nadat Couture zijn werk heeft voltooid, breekt er in Parijs een opstand uit die leidt tot de val van de monarchie.
a In welke periode van het referentiekader leven Streckfuss en Couture?
b Welk beeld schetst Streckfuss van de Romeinse samenleving? Een positief of een negatief beeld? Motiveer je antwoord.
c Wat was de mening van Streckfuss over de plundering van Rome, denk je?
d Toont Couture hetzelfde beeld van de Romeinen als Streckfuss? Argumenteer.
e Wat was de boodschap die Streckfuss en Couture hun tijdgenoten wilden meegeven?
f Op welke historische vragen geven deze bronnen een betrouwbaar antwoord?
• Hoe is Rome ten onder gegaan?
• Wat denken Streckfuss en Couture over hun tijd?
• Wat denken Streckfuss en Couture over de ondergang van Rome?
SCHEMA
Het Romeinse leger in de keizertijd
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 Het Romeinse leger is getraind en gedisciplineerd
Leger:
Legioenen
• Aant al soldaten/legioen:
• Ruiterij, voetvolk, marine
• Hoofd van het leger:
• Officieren:
• Militairen:
• Bouwen
Pretorianen
• Ver blijven in
• Taak : Hulptroepen
• Wi e:
• 1e eeuw: meer hulptroepen dan legioenen
Sterkte van het leger
Oorzaken:
• Training en discipline
• Straffen: doodstraf, zweep- en stokslagen, ontslag
• Beloning: promotie, geld
2 De Romeinse soldaten krijgen veel voordelen
Militaire loopbaan is aantrekkelijk:
Legioenen Hulptroepen
Duur
Voordelen Goed betaald Promotie:
Minder loon
Na dienst Stuk landbouwgrond of som geld, kunnen in leger blijven:
3 Het leger heeft veel invloed
Economische invloed Legerkampen goed voor
Culturele invloed
Politieke invloed Generaals willen keizer worden (zie les 24)
OPDRACHT 1
OPDRACHT 2
Bekijk bron 1 op blz. 134 in je leerboek. a Uit welke delen bestaat een legioen? Noteer in dit schema bij elk onderdeel de juiste benaming.
b Hoeveel manschappen telt een cohort als een legioen uit 6 000 soldaten bestaat? Onderstreep het juiste antwoord: 500 à 1 000 – 600 à 1 000 – 838 à 1 000 – 144 à 555.
Bestudeer deze tekening (bron 2 op blz. 135 in je leerboek). Zet in de tekening de volgende onderdelen op de juiste plaats: wachttoren, muur, heerbaan, klein fort en gracht.
EDe godsdienst in de klassieke oudheid
Kaartnr(s).
Voor heel wat mensen vandaag en in het verleden is godsdienst belangrijk. Godsdienst geeft een antwoord op tal van vragen: Wat ben ik? Waarom besta ik? Waarom leef ik? Bestaat er een hogere macht? Is er leven na de dood? Het antwoord op die vragen verschilt soms van geloof tot geloof. Verschillende godsdiensten hebben toch ook vaak dezelfde kenmerken. Vorig schooljaar heb je kennisgemaakt met de prehistorische godsdiensten en de Egyptische godsdienst. Welke overeenkomsten met het christelijke geloof vind je terug in de volgende bronnen in je leerboek?
Bestudeer deze beeldjes (zie ook bron 1 en 2 op blz. 138 in je leerboek).
Met welke heilige figuur uit het christendom stemt de Egyptische godin min of meer overeen?
Bekijk bron 3 op blz. 139 in je leerboek, over het dodengericht bij de Egyptenaren.
a Met welke gebeurtenis uit het christendom stemt dit ongeveer overeen?
b Is de Egyptische godsdienst monotheïstisch of polytheïstisch?
De Griekse en de Romeinse godsdienst
Kaartnr(s).
• • • SCHEMA
1 De Griekse en de Romeinse godsdienst: een zaak van geven en nemen
Kenmerken Griekse en Romeinse godsdienst:
• Polytheïs me =
• Godsdienst =
• Goden verantwoordelijk voor
• Offers bre ngen om goden gunstig te stemmen
Orakel
Wanneer?
Doel?
Hoe?
•
• Antwoord via ziener of zieneres antwoorden
2 De goden: een bont gezelschap
Mythes =
Verschillen tussen Griekse en Romeinse godsdienst
Griekse godsdienst Romeinse godsdienst
Mythes
Voorstelling goden
Verhalen over goden: twaalf voornaamste goden, één familie op berg Olympos
Voorstellen van goden als mensen
(= )
• mooi in hun mensengedaante
• gedragen zich zoals mensen
Verschillen met mensen
• • • gode n zijn overal aanwezig en kunnen tussen mensen komen
Elke stad
Bijna geen mythes: goden staan naast elkaar zonder familieverband
Oorspronkelijk:
• • handelen niet zoals mensen
Oppergod Zeus Jupiter, Mars en Quirinus
Gelijkenissen Griekse en Romeinse godsdienst
• Geen heilig b oek
• Geen aparte groep priesters
• Priesters =
• Regelen
• Vaste feestdagen voor goden burgerplicht
• Goden krij gen offers verbrand in offervuur voor tempel
OPDRACHT 1
3 Goden komen en gaan
Godsdienstig verdraagzaam
• Vanaf 3e eeuw v.C. stellen Romeinen hun goden gelijk met die van de Grieken.
Op de sarcofaag staan bepaalde christelijke verhalen of figuren afgebeeld. Schrijf het cijfer van de volgende Bijbelse passages bij de juiste afbeelding:
1 Jezus tussen Petrus en Paulus – 2 De intocht in Jeruzalem – 3 Adam en Eva
Kaartnr(s).
Deze les is een kleine oefening in het omgaan met bronnen. De primaire bronnen zijn uit het Latijn vertaald. Het is belangrijk dat je de informatie bij de bronnen en de bronnen zelf aandachtig leest en/of bekijkt. Wij zoeken aan de hand van bronnen een antwoord op de historische vragen Wat is het visioen van Constantijn? Wat kunnen wij daarvan geloven?
b Welke bronnen zijn ongeschreven, primaire bronnen over Constantijn?
c Welke drie bronnen vermelden dat keizer Constantijn een visioen had?
Analyseer die drie bronnen (uit je antwoord bij vraag 1c) aan de hand van de volgende vragen.
Bron
a Wie maakte de bron?
b Waar en wanneer is de bron gemaakt?
c Wat was de bedoeling van de schrijver?
d Wat is het visioen van Constantijn?
e Is het een betrouwbare bron over het visioen van Constantijn? Leg uit met één argument.
Bron
a Wie maakte de bron? TIP Lees hiervoor ook de contextinformatie bij bron 6.
b Wanneer is de bron gemaakt?
c Wat was de bedoeling van de schrijver?
d Wat is het visioen van Constantijn?
e Is het een betrouwbare bron over het visioen van Constantijn? Leg uit met één argument.
Bron
a Wie maakte de bron?
b Wanneer is de bron gemaakt?
c Wat was de bedoeling van de schrijver?
d Wat is het visioen van Constantijn?
e Is het een betrouwbare bron over het visioen van Constantijn? Leg uit met één argument.
OPDRACHT 3
Bronnen vergelijken
a Vergelijk bron 6 en 7. Wat valt je op?
b Vergelijk bron 9 en 10. Over welk teken heeft Lactantius het? Wat stelt het voor?
c Welke tegenstrijdigheid merk je op tussen bron 5 en 9?
d Bestudeer bron 3. Is het mogelijk dat Constantijn toch ‘iets’ heeft gezien en wat zou dat geweest kunnen zijn?
OPDRACHT 4
De context
a Waarom is de Slag bij de Milvische Brug politiek heel belangrijk geweest?
b Waarom is het ook op religieus vlak een belangrijke periode?
c Welke godsdienst wordt door Constantijn bevoordeeld?
d Keert Constantijn de Romeinse goden helemaal de rug toe? Bewijs met een voorbeeld.
OPDRACHT 5
Synthese
a Zijn deze uitspraken juist of fout?
1 We zijn heel zeker wat het visioen van Constantijn precies was.
2 Al in de 4e eeuw is er een evolutie over wat het visioen was.
3 Het b eeld dat we van het verleden hebben, kan veranderen als we nieuwe bronnen vinden.
b Geef een beknopt antwoord op de drie historische vragen van dit onderzoek.
BESLUIT
Constantijn wordt na de Slag bij de Milvische Brug de enige keizer in het West-Romeinse Rijk en een jaar later maakt hij met het Edict van Milaan een einde aan de vervolging van de christenen. De verhalen over een goddelijk visioen versterken zijn macht en ondersteunen de verschuiving in zijn beleid ten voordele van het christendom.
FWetenschap en techniek in de klassieke oudheid
OPDRACHT 1
OPDRACHT 2
OPDRACHT 3
Bestudeer bron 1 op blz. 154 in je leerboek.
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
In dit onderdeel bestudeer je de technische en wetenschappelijke kennis uit de klassieke oudheid. Hieronder vind je oefeningen over soortgelijke leerstof uit het eerste jaar.
a In welke materiaaltijd horen de Perzische oorlogen thuis?
b De stichters van Rome gebruikten brons. Welk materiaal gebruikte men toen in het Nabije Oosten?
Bekijk bron 2 op blz. 155 in je leerboek.
Leg met je eigen woorden uit hoe men de steenblokken verplaatst.
Bestudeer bron 3 op blz. 155 in je leerboek.
a Raadpleeg bron 1. In welke materiaaltijd heeft die uitvinding plaats?
b Uit hoeveel stukken bestaat het eerste wiel?
SCHEMA
Wetenschap en filosofie
1 Een kalender opstellen
Doel?
Nut en belang?
Hoe?
probleem:
Oplossing van Caesar:
Visies op het heelal
oplossing:
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
Romeinse kalender 12 maanden van 29 of 30 dagen
Meeste Griekse wetenschappers
Zon draait rond de aarde.
Aristarchos van Samos
2 Wiskunde is meetkunde
Doel?
Wat? Opstellen van regels, wetten en formules
Toepassingen
Pythagoras
Archimedes
Eratosthenes
3 Filosofie en wetenschap zoeken verklaringen
Verklaring voor natuurverschijnselen
Mythes
Wetenschap en filosofie
Filosofie
Wat?
Wie?
Wetenschap
Wat?
Wie?
OPDRACHT 1
4 Geneeskunde, meer dan bijgeloof Grieken maken ziektes en genezing los van bijgeloof.
Hoe?
1 2 3
Geneeskundige kennis
• Dokters moet en eed afleggen (o.a. tegen abortus en euthanasie).
• Kennis van organen door opensnijden van lijken
• Keizersnede (als vrouw tijdens bevalling sterft)
• Menselijk lichaam bestaat uit vier lichaamsvochten:
• Vier vochte n moeten in evenwicht zijn.
Bekijk bron 1 en 2 op blz. 158 in je leerboek. a Hoe ziet Aristarchos het heelal?
b Hoe zien Archimedes en de meeste Griekse wetenschappers het heelal?
c Wie van beiden heeft gelijk?
OPDRACHT 2
Lees bron 3 op blz. 158 in je leerboek.
a Waarom wil Sokrates de mensen voortdurend aan het nadenken zetten?
b Lees de commentaar bij de bron. Wat is er met Sokrates gebeurd?
OPDRACHT 3
Lees bron 4 op blz. 158 in je leerboek.
a Van welk onderdeel van de wiskunde maakt Eratosthenes gebruik?
b Zoek zelf de juiste omtrek van de aarde bij de evenaar. Volgens de berekeningen van Eratosthenes was het 39 960 km. Hoeveel zit de geleerde ernaast?
OPDRACHT 4
Bestudeer bron 5 op blz. 159 in je leerboek.
Welke kalender is de meest nauwkeurige? Onderstreep het juiste antwoord.
de Egyptische / de juliaanse / de gregoriaanse
34 Techniek
SCHEMA
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 Spierkracht en watermolens in de landbouw
Werk in de landbouw = door gevolg:
Graan malen = zwaar werk door oplossing:
2 Technieken in de bouwkunst
Houten kraan
Doel:
Energie:
Dubbele katrol
Doel:
Gebruik van beton
Belang voor de bouwkunst:
Rondbogen
Aanleg van heerbanen
Aanleg honderden kilometers heerbanen naar alle delen van het rijk
Kenmerken
• Tot 8 meter breed
• Langs beide zijden greppels
• Fundamenten met grote stenen
• Bovenaan dikke kiezellagen
• Straatstenen aan toegang van de steden
OPDRACHT 1
3 Het meten van de tijd
Manieren van tijdmeting
Werking
Schaduw van stok geeft tijd aan.
Weggelopen water geeft verstreken tijd aan.
Tijdkaars
Mechanische uurwerken
4 Slimme machines
Heron van Alexandrië (10-70 n.C.), ingenieur > ontwerpt stoommachine (de ‘aelopile’), ‘omenmachine’, automatische tempeldeuren, automatische theaters
Bestudeer bron 1 op blz. 162 in je leerboek. a Van welk materiaal is dit toestel gemaakt?
b Waarvoor dient het?
c Met welke energie werkt het?
d Waarom kan er meer last gehesen worden dan er kracht wordt gebruikt?
OPDRACHT 2
Bestudeer bron 4 op blz. 162 in je leerboek.
Hoe lees je de tijd af op een zonnewijzer?
OPDRACHT 3
Lees bron 2 op blz. 162 in je leerboek en bekijk de tekening.
a Waarvoor dient de schroef van Archimedes?
OPDRACHT 4
b Waarom is de benaming ‘schroef van Archimedes’ niet helemaal correct? Onderstreep het juiste antwoord.
1 Het gaat helemaal niet om een schroef.
2 Archimedes beschrijft enkel een Egyptische uitvinding.
3 Archimedes gebruikt de benaming ‘pomp’ in plaats van ‘schroef’.
Bestudeer bron 1 op blz. 162 in je leerboek.
a Wat is het doel van een graanmolen?
b De molens leveren gemiddeld 4,5 ton bloem per dag. In 1 brood zit afgerond 900 gram bloem. Van 1 brood kunnen ongeveer 2,5 mensen eten. Bereken hoeveel mensen dagelijks kunnen leven van 4 500 kg.
GDe Romeinen in onze gewesten
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
Vorig schooljaar heb je de Keltische samenleving bestudeerd. Raadpleeg de bronnen op blz. 164-165 in je leerboek.
Bestudeer bron 1 op blz. 164 in je leerboek. ‘Onze gewesten behoren al vanaf 300 v.C. tot het Keltische gebied.’ Juist of fout? Onderstreep.
Bekijk bron 2 op blz. 165 in je leerboek.
a Geef de drie belangrijkste groepen na het stamhoofd.
b In welke drie beroepsgroepen kun je de gewone bevolking indelen?
Bekijk bron 3 op blz. 165 in je leerboek. Waarom offert men mensen aan de goden, denk je?
SCHEMA
Romeinen en Galliërs
1 De Romeinen veroveren Gallië
Gallië
• Geen grote staat
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
• Verschillende (vaak rondtrekkende) stammen of groepen
• Geen onbekenden voor Romeinen
Verovering door Romeinen
• 2e e euw v.C.:
• 1e eeuw v.C.:
• Caesar maakt gebruik van onderlinge conflicten bij de Galliërs.
• Belgae bieden veel weerstand.
• Opstand en van Galliërs Caesar straft hen:
2 De Romeinen in Gallië
Controle veroverde gebieden + vestiging Romeinen
• Legerkam p en op strategische plaatsen handelaars en ambachtslieden komen er wonen ontstaan steden in onze streken
• Aanleg heerbanen voor leger
• Romeinse kolonisten
• Sommige stammen worden bondgenoten.
Probleem: van af 3e eeuw
OPDRACHT 1
Bestudeer de kaart (bron 1) op blz. 167 van je leerboek.
Geef de namen van de hedendaagse landen waarin het stamgebied van de Belgae ligt. Raadpleeg eventueel de kaart van Europa vooraan in je leerboek.
OPDRACHT 2
Lees bron 2 op blz. 167 in je leerboek.
a Heeft de auteur Caesar zelf gekend? ja / neen
b Waarom moet je oppassen met wat hij over Caesar schrijft?
OPDRACHT 3
c Welke historische vraag kun je het best beantwoorden met deze bron?
1 Hoeveel Galliërs werden er door Caesar gedood?
2 Hoe gewelddadig verliep de Romeinse verovering van Gallië?
3 Welke gebieden veroverde Caesar?
Lees bron 3 op blz. 168 in je leerboek.
a Het gaat om een primaire / secundaire bron.
b Waarom bericht de auteur over de feiten?
c Welk beeld schetst Caesar van de Belgae? Waarom zou hij dat doen?
d Welke historische vraag kan min of meer betrouwbaar beantwoord worden met de bron?
1 Wie leefde er ten tijde van Caesar in onze gewesten?
2 Hoe dapper waren de inwoners van onze gewesten ten tijde van Caesar?
3 In welke luxe leefden de i nwoners van onze gewesten?
e Waarom gebruiken historici Caesar als bron voor onze gewesten, denk je?
f Welke andere bronnen zouden kunnen helpen om de zaken die Caesar beschrijft te bevestigen of te weerleggen?
g Welk feit uit bron 3 lijkt te bevestigen wat Ploutarchos in bron 2 beschrijft?
OPDRACHT 4
Bestudeer de tekening (bron 4) op blz. 168 van je leerboek.
a Beschrijf twee materialen die gebruikt zijn voor het castellum.
b Welk begrip is afgeleid van het Romeinse castellum, denk je?
OPDRACHT 5
Zoek zelf nog voorbeelden waar de uitspraak van Caesar over de Belgae gebruikt wordt.
36 De Gallo-Romeinse samenleving
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 De Romeinen verdelen Gallië in provincies
• Galli ë = onderdeel Romeinse Rijk
• Veroverde gebieden verdeeld in provincies verder onderverdeeld in civitates
• Elke civitas:
• Typisch Romeinse gebouwen: SCHEMA
• Langs heerbanen en rivieren
handel tussen Romeinse handelaars en uitwisseling i deeën en technieken
2 De Gallo-Romeinse cultuur
Invloed van Romeinen op de Galliërs
Invloed Kenmerken
Romeinse steden in Gallië: Romeins karakter
•
Invloed
Kenmerken
Huizen Tussen lemen boerderijen bouwen Romeinen
Romanisering
• Bv. Latijn
• Doel =
• Hoe meer een woonplaats zich aanpast aan de Romeinse cultuur
• Meestal slaven met opleiding om beter te leren vechten
• Vechten niet tot verliezer dood achterblijft
• Gladiatoren kunnen vrijheid terugkrijgen.
Doelen van de spelen
• • •
Bestudeer bron 1 op blz. 177 in je leerboek.
Wat betekent vandaag het woord ‘thermisch’? Zoek het antwoord eventueel op het internet. Naar welk gedeelte van de badhuizen verwijst het woord eigenlijk?
OPDRACHT 2
Lees bron 2 op blz. 178 in je leerboek.
a Waarom bezocht Seneca de spelen? Wat leid je daaruit af in verband met het doel van de spelen?
b Wat vindt Seneca van het schouwspel? Motiveer je antwoord.
OPDRACHT 3
Lees bron 3 op blz. 178 in je leerboek.
a Wie is de opdrachtgever van de spelen?
b Wat is de bedoeling van de spelen?
c Bewijs dat Augustus via de spelen zijn opvolging door een familielid wil veiligstellen.
OPDRACHT 4
Bestudeer deze afbeelding (zie ook bron 4 op blz. 178 in je leerboek).
a Welke dieren worden hier getoond?
b Waar komen ze vandaan?
c Hoe benoemen we vandaag de manier waarop men deze dieren behandelt?
SCHEMA
Gezin en opvoeding bij de Romeinen
1 ‘De man is de baas’
Man
• Bezit alles:
• Beslist over leven en dood:
Grote kindersterfte
Oorzaken:
• • • Meisjes
• Worden beschouwd als last.
• Worden vanaf 12 jaar uitgehuwelijkt.
ouders moeten bruidsschat betalen.
Vrouwen
• Krijgen nooit gelijke rechten.
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
• Vanaf 1e eeuw v.C. meer rechten ( )
OPDRACHT 1
2 Enkel de rijke jongens gaan naar school
Schoolgeld betalen kinderen niet naar school
Kinderen van arme ouders
• Leren niet lezen of schrijven
• Meisjes
• Jongens
• Somm ige ouders sparen voor opleiding
Kinderen van rijke ouders
• Scholen
• Leraren zijn streng.
• Van 7 tot 18 jaar
Lees bron 1 op blz. 181 in je leerboek.
a Waaruit blijkt de macht van de vader?
b Op welke wijze bewijst deze tekst dat het Romeinse gezin groter is dan het hedendaagse gezin?
OPDRACHT 2
Lees bron 2 op blz. 181 in je leerboek.
‘Cato botst met de hedendaagse visie op de vrouw.’ Juist of fout? Motiveer je antwoord.
3
Bestudeer deze illustratie (zie ook bron 3 op blz. 181 in je leerboek).
4
Lees bron 4 op blz. 182 in je leerboek.
a Welke veranderingen schetst Tacitus?
Welke twee soorten mensen worden door deze godinnen beschermd?
TIP Kijk naar de middelste figuur.
b Wat vindt Tacitus van die veranderingen? Motiveer je antwoord.
OPDRACHT 5
Bestudeer bron 5 en lees bron 6 op blz. 182 in je leerboek.
Hoe zet men leerlingen aan tot studeren?
SCHEMA
Rome, een stad vol tegenstellingen
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
1 Wonen in Rome: luxueus of armoedig
Rijke Romein:
• Voorhal met winkels die verhuurd worden
• Verschillende kamers gegroepeerd rond binnenplaats
• Eigen watervoorziening + aansluiting op riolering + vloerverwarming
Arme Romein:
• Onderaan winkelruimtes
• Boven flats
• Weinig luxe:
• Gevaren:
• Hoge huurprijzen
2 Leven of overleven
Rijke Romein
Arme Romein
Lekker en gevarieerd voedsel: Graanbrij, warme maaltijd in snackbars
3
Rome leeft dag en nacht
Rome is een overbevolkte stad met verschillende nadelen:
• Wagens mog en overdag de stad niet in.
• ’s Avonds poorten opengezet
• Geen ophaaldiensten
• Dieven, bedela ars, dronkaards
Rome ook veel dieven, bedelaars, dronkaards, vechtersbazen … Het is dan ook niet veilig om ‘s avonds alleen door de straten te lopen.
Bestudeer bron 1 op blz. 184 in je leerboek. a Bekijk de plattegrond van de Romeinse villa en noteer het juiste cijfer tussen de haakjes in de onderstaande tekst.
DOC 1 Het huis van een rijke Romein
• Dit is het huis van een je aan de hand van deze te vormen van het huis. gens met huizen uit jouw len merk je op?
DOC 2 Openbare toiletten
We duwen de deur open. De drempel is versierd met een mozaïek. Aan weerszijden van de voorhal of de vestibule (nr. ) zien we aan handelaars verhuurde winkels (nr. ), die op de straat uitkomen. Dan staan we in het atrium, een hal (nr. ) en de belangrijkste plaats in het huis. Een opening midden in het dak laat het regenwater in een vijvertje (nr. ) terechtkomen. Verscheidene deuren en gangen geven toegang tot de woon- en slaapkamers (nr. , en ). Door een kleine gang kom je in een tuintje omgeven door zuiltjes (nr. ). Bij deze tuin liggen de keuken (nr. ) en de eetkamer (nr. ).
b Probeer aan de hand van de afbeelding een idee van het huis te vormen. Vergelijk het vervolgens met onze hedendaagse huizen. Welke verschillen merk je op? Geef zes voorbeelden.
In de vele openbare toiletten die Rome gemakkelijk een praatje maken of de laatste selen. Men zat er immers open en ‘bloot’, scheidingswanden waren. In plaats van men een spons, die men achteraf spoelde stromend water.
• Bewijs dat de Romeinen andere ideeën privacy.
LES 40 ROME: EEN STAD VOL TEGENSTELLINGEN
OPDRACHT 2
Raadpleeg bron 2 op blz. 184 in je leerboek.
Bewijs dat de Romeinen andere ideeën hebben rond privacy.
OPDRACHT 3
Bestudeer de afbeelding van een oversteekplaats in Pompeï.
a Waarom zouden de Romeinen de straat oversteken op een rij stenen?
b Aan welk gedeelte van de straat in een moderne stad doet deze oversteekplaats je denken?
België, een parlementaire democratie De democratie vandaag I
Kaartnr(s).
Rol van de koning = staatshoofd MAAR SCHEMA
1 België is een grondwettelijk parlementair koninkrijk
Democratie =
Belgische Grondwet
• Voornaams te wet =
• • Hoe het la nd bestuurd moet worden
Federaal bestuur
Macht Instelling Functie
Wetgevende macht
Uitvoerende macht
Rechterlijke macht
Federaal Parlement
Federale regering (ministers)
Rechtbanken
• Belgen kiezen
• Maakt wetten
• Indirecte democratie =
Wetten uitvoeren
Mensen vervolgen die wetten niet volgen
OPDRACHT 1
2 De lange weg naar democratie in België
Jaartal Beperkt stemrecht?
1831 Bij voldoende belasting:
1893 • Enkel mannen
• Rijke en belangrijke mannen krijgen
1919 Enkelvoudig kiesrecht: één man, één stem, opkomstplicht
1948
1981
2024 mogen stemmen voor het Europees Parlement.
3 De moderne Belgische en de Atheense democratie
Athene België
Directe democratie:
Alle burgers kiezen het bestuur. Alle burgers kiezen , die vertegenwoordigers kiezen het bestuur.
Geen partijen
Burgers kiezen uit partijlijsten.
Burgers kiezen. Burgers hebben opkomstplicht.
Burgers kunnen ook geloot worden, deelname.
Burger = man en kind van burger
Geen verplichte deelname aan bestuur
Burger = man of vrouw vanaf jaar
Lees aandachtig de lestekst op blz. 188 en 189 in je leerboek.
a Leg uit: België is een indirecte democratie.
b Waar was er in de oudheid een directe democratie?
2
c Vul de juiste datum en de ontbrekende woorden in. Je mag zeggen dat België niet echt democratisch was …
voor omdat alleen mochten stemmen.
voor om dat rijke en meer stemmen kregen.
voor omdat mochten stemmen.
voor omdat je jaar moest zijn om te stemmen.
Hieronder zie je afbeeldingen van de opeenvolgende Belgische koningen, in willekeurige volgorde. Zet de juiste naam bij elke koning.
TIP Raadpleeg eventueel het internet.
Bestudeer bron 7 op blz. 191 in je leerboek. ‘De koning mag zelf beslissingen nemen.’ Juist of fout? Motiveer je antwoord.
OPDRACHT
OPDRACHT 4
Lees aandachtig bron 8, 9, 10 en 11 op blz. 191-192 en beoordeel volgende uitspraken.
• In Athene waren er geen politieke partijen. juist / fout
• Op de volksvergadering in Athene waren er veel aanwezigen als er gestemd moest worden over een oorlogsverklaring. juist / fout
• Een representatiedemocratie is een directe democratie. juist / fout
• Al deze auteurs zijn het eens: een directe democratie is vandaag onmogelijk. juist / f out
• Volgens Anton van Hooff is een algemene volksvergadering in de 21e eeuw niet mogelijk. juist / f out
• Ook jongeren kunnen verantwoordelijkheid opnemen binnen de Belgische democratie. juist / fout
OPDRACHT 5
a Wie is deze jongedame?
b Waarom is zij belangrijk voor de emancipatie van de vrouw in België?
SCHEMA
Het federale België
1 België discrimineerde de Vlamingen
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
19e eeuw Rijke burgers hebben de politieke macht vooral Franstalig
Gevolg: Frans = Reactie: Vlaamse beweging
Toegeving einde 19e eeuw:
20e eeuw Discriminatie verdwijnt langzaam.
Hedendaagse tijd
Groeiende tegenstellingen tussen Walen en Vlamingen: andere mening
Oplossing: België wordt een federale staat
Vlaanderen, Wallonië en België krijgen afzonderlijke taken.
2 België is een federale staat
Federale staat
Macht verdeeld tussen
Deelstaten = instellingen voor delen van het land
Deelstaten =
• drie gemeenschappen =
Federale overheid = instellingen voor het hele land
Bevoegdhe den =
• drie gewesten =
OPDRACHT 1
Lees bron 1 op blz. 194 van je leerboek.
a Is de bron primair of secundair, als je informatie zoekt over de oprichting van België?
Onderstreep.
b Hoelang na de Belgische onafhankelijkheid is de brief geschreven?
c Is de bron bruikbaar om iets over de positie van de Vlamingen in het België van de 19e eeuw te weten te komen? Motiveer je antwoord.
d Op welke manier zullen de Vlamingen gediscrimineerd worden volgens deze bron?
2
Raadpleeg bron 7 en 8 op blz. 196 van je leerboek.
• België heeft drie gemeenschappen en drie gewesten. juist / fout
• Brussel is een gemeenschap. juist / fout
• De Duitstalige Gemeenschap ligt in het Waalse Gewest. juist / fout
• De Vlaamse en de Franse Gemeenschap hebben bevoegdheden in Brussel. juist / fout
• Schrijf in de juiste kaart: Vlaams Gewest, Franse Gemeenschap, Duitstalige Gemeenschap. 0
GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG
OPDRACHT 3
Vul de tabel aan met het bestuursniveau en de naam van de wetgevende macht. Raadpleeg daarvoor de les in je leerboek.
Bestuursniveau
Naam Uitvoerende macht Wetgevende macht
Europese Unie (EU) Europese Commissie
België regering
Vlaanderen Vlaamse Regering
Provincie provinciebestuur
Gemeente gemeentebestuur (burgemeester + schepenen)
FRANKRIJK
Noordzee
FRANKRIJK
Noordzee
Zet het juiste begrip bij de juiste verklaring.
Kies uit: Europese Unie – federale staat – gemeenschap – gewest – regionaal – lokaal.
Een deelstaat van België die beslist over materiële zaken, zoals het wegennetwerk, milieu en de economie
Organisatie van Europese landen, waaronder België, die grotendeels beslist over economische zaken, energie, milieu, vervoer …
Behorend tot een regio of streek. Een regio is groter dan een gemeente en dikwijls groter dan een provincie.
Een deelstaat van België die beslist over onderwijs, cultuur, kinderbijslag, welzijn (o.a. hulp aan andersvaliden) …
Een land waar de macht verdeeld is tussen instellingen voor het hele land (federaal) en instellingen voor delen van het land (deelstaten)
Een bestuursniveau dat zich beperkt tot de onmiddellijke omgeving van de burger en dat dus over een kleiner gebied gaat.
42
Herhalingsoefeningen
Kaartnr(s).
Bekijk de bronnen op blz. 200-201 in je leerboek, los de opdrachten op en vul de tabel in.
1 Geef voor elke bron de juiste tijd uit het referentiekader.
2 Welke bronnen gaan over mensen uit Europa?
3 Over welk domein gaat elk document? Motiveer je antwoorden mondeling.
Los aan de hand van dezelfde bronnen de volgende opdrachten op en vul de tabel aan.
1 Geef voor elke bron aan of het gaat om een geschreven, mondelinge of materiële bron.
2 Welke bronnen dienen om de macht van iets of iemand aan te tonen?
Raadpleeg bron 8 op blz. 201.
a Is de bron primair of secundair?
b Zoek zelf de nodige informatie op het internet. Waardoor had Gibbon de tijd om te schrijven?
c Hoe bewijst dit citaat van Gibbon dat geschiedenis niet hetzelfde is als het verleden?
43 Herhalingsles
Kaartnr(s).
Kaartnr(s).
Aan de hand van een reeks opdrachten en vragen herhaal je zelf de leerstof die je dit jaar gezien hebt. Als je het antwoord niet weet, kun je het opzoeken in de andere lessen.
1 PREHISTORIE
1 Duid het juiste antwoord aan. Men spreekt van prehistorie als a de mensen zich hullen in beestenvellen en leven van de jacht; b men geen geschreven bronnen gebruikt ; c men nog geen landbouw beoefent en rondzwerft; d men materiële bronnen maakt.
2 Ongeveer 1,5 / 2,5 / 3,5 / 4,5 miljoen (1) jaar geleden ontstaan de eerste echte mensen in Afrika / Amerika / Antarctica / Azië / Oceanië / Europa (1).
3 Onze rechtstreekse voorouder heet: homo habilis / homo sapiens sapiens / homo sapiens neanderthalensis / chimpansee / homo erectus (1).
4 Onze voorouders zijn jager-voedselverzamelaars. Wat bedoelt men daarmee?
5 De laatste ijstijd eindigt ca. 20 000 / 15 000 / 10 000 / 5000 v.C. (1).
6 In China / Zuid-Amerika / het Nabije Oosten / de Balkan (1) schakelt de mens omstreeks 20 000 / 15 000 / 10 000 / 5000 v.C. (1) voor het eerst over op landbouw en veeteelt.
7 ‘De mens wordt sedentair.’ Leg die uitspraak uit.
8 De overschakeling op landbouw en veeteelt verandert de prehistorische samenleving grondig. Het gaat dus om een revolutie. Men noemt deze gebeurtenis: de industriële revolutie / de neolithische revolutie / de digitale revolutie (1).
NOORDWEST-EUROPA EN ONZE GEWESTEN
9 De eerste mensen in onze gewesten leven van landbouw / veeteelt / jacht en voedselpluk (1).
10 De Kelten leven in de steentijd / kopertijd / bronstijd / ijzertijd (1).
11 De Kelten vormen een / geen (1) groot rijk.
(1) Onderstreep het juiste antwoord.
2 OUDE NABIJE OOSTEN (3500-800 v.C.)
1 Onderstreep de rivieren waarlangs een stroomcultuur is ontstaan: Schelde / Gele Rivier / Amazone / Wolga / Eufraat en Tigris / Nijl / Mekong / Indus / Rijn (1).
2 De volkeren van het oude nabije oosten doen aan irrigatielandbouw. Verklaar wat men daarmee bedoelt.
HET OUDE EGYPTE
3 De Eg yptische stroomcultuur ontstond in Afrika / Azië / Amerika / Europa / Oceanië (1).
4 De macht van de farao is het best te vergelijken met die van een verkozen president / dictator / de Belgische koning (1).
5 De Oude Eg yptenaren zijn tijdens het grootste gedeelte van hun geschiedenis monotheïstisch / polytheïstisch (1).
6 De piramiden zijn paleizen / voorraadschuren / begraafplaatsen / energiecentrales (1).
7 Ho e heet de Egyptische techniek waarbij men lijken zodanig behandelt dat ze voor lange tijd bewaard kunnen worden?
25 Een latifundium is een groot / klein / middelgroot (1) landbouwbedrijf.
CULTUREEL
26 Welke drie soorten zuilen kent de klassieke bouwkunst?
27 Geef twee volkeren van wie de Romeinen veel overnemen.
28 Teken een rondboog.
29 Bij een idealistische af beelding a geeft men de mensen weer zoals ze in werkelijkheid zijn; b geeft men zijn idealen weer; c beeldt men mensen mooier en beter af dan ze zijn; d volgt men de methode van Homeros Idealos; e geeft men geen mensen weer.
30 Over welke oorlog dicht Homeros?
31 De Grieken en de Romeinen zijn tijdens een groot deel van hun geschiedenis monotheïstisch / polytheïstisch (1).
32 In welke eeuw wordt het christendom de staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk?
33 Waarover proberen de Griekse filosofen en wetenschappers verklaringen te formuleren?
(1) Onderstreep het juiste antwoord.
ONZE GEWESTEN IN DE KLASSIEKE OUDHEID
1 Welk volk leeft er in onze gewesten bij de komst van de Romeinen?
2 Welke Romeinse veldheer verovert onze gewesten?
3 Wat gebeurt er met de opstandelingen?
4 Geef twee steden uit onze gewesten die in de Romeinse tijd gesticht zijn.
5 Ho e heet de cultuur die ontstaat uit de vermenging van Keltische en Romeinse gebruiken?