Wer kschr i f tbl ok 2
BLOK 2
BLOK 2 1
INSTAPLES
Hoeveel ogen tel je? Vul in. Het dubbel van 2 is
.
Het dubbel van 3 is +
Het dubbel van 5 is
.
Het dubbel van 1 is
.
3
.
=
Wat staat er onder de vlekken? Vul in. 5+
= 10
1+
= 10
0+
= 10
8+
= 10
3+
= 10
9+
= 10
6+
= 10
4+
= 10
2+
= 10
7+
= 10
Verdeel in de helft. Kleur en vul aan.
44
.
=
Het dubbel van 4 is +
2
=
Het dubbel van 0 is +
.
De helft van 8 is 8
.
De helft van 6 is 6
De helft van 0 is 0
.
De helft van 10 is 10
De helft van 2 is 2
.
De helft van 4 is 4
.
.
.
4
Vul de splitsingen aan. 3
7 2
5
4
2
5
6
2
6 5
10
0 5
4 5 3
4
8 1
6
7 3 6
6
Noteer de som of het verschil. 18 − 8 =
6 + 14 =
15 + 3 =
9−7=
10 + 6 =
15 − 2 =
12 − 10 =
10 − 6 =
4 + 10 =
1 + 10 =
20 − 2 =
13 + 0 =
6
Welke lijnen werden met een lat getekend? Kleur ze groen.
7
Wat staat er onder de vlekken? Vul in. 16 −
= 10
12 −
= 10
11 −
= 10
18 −
= 10
19 −
= 10
15 −
= 10
13 −
= 10
17 −
= 10
10 −
= 10
14 −
= 10 45
LES 13 1
2
3
Aftrekken tot 20 zonder brug
Noteer het verschil. 15 − 10 =
13 − 10 =
17 − 10 =
18 − 10 =
11 − 10 =
12 − 10 =
20 − 10 =
19 − 10 =
16 − 10 =
14 − 10 =
Dit kun je ook. Los op. 16 − 13 =
19 − 15 =
17 − 14 =
18 − 12 =
14 − 13 =
15 − 11 =
Los op. a Eerst het kleintje, dan de grote.
46
8−1=
9−5=
18 − 1 =
19 − 5 =
18 − 11 =
19 − 15 =
6−4=
4−3=
16 − 4 =
14 − 3 =
16 − 14 =
14 − 13 =
5−2=
7−6=
15 − 2 =
17 − 6 =
15 − 12 =
17 − 16 =
Eerst het kleintje!
BLOK 2
b Nu de grote meteen uit het hoofd!
4
19 − 11 =
18 − 16 =
11 − 11 =
17 − 13 =
15 − 11 =
14 − 12 =
13 − 12 =
16 − 12 =
17 − 14 =
15 − 13 =
19 − 15 =
19 − 17 =
Los op. Breng de vis weer naar de zee. De vis zwemt van 0 tot 10.
10 – 4 =
10 – 3 =
10 – 6 =
10 – 7 =
10 – 5 =
10 – 9 =
10 – 8 =
10 – 2 =
10 – 10 =
10 – 6 =
10 – 9 =
10 – 2 = 10 – 3 =
10 – 1 = 10 – 0 =
5
Noteer het verschil. a
20 − 17 =
20 − 15 =
b Uit het hoofd? 20 − 13 = 20 − 19 =
20 − 11 =
20 − 18 =
20 − 14 = 20 − 12 = 20 − 16 = 47
6
Alles door elkaar. Reken uit. Je mag stapjes schrijven.
7
20 − 10 =
20 − 11 =
20 − 3 =
17 − 11 =
19 − 5 =
14 − 14 =
18 − 12 =
13 − 2 =
7−6=
17 − 10 =
15 − 5 =
18 − 15 =
20 − 13 =
16 − 1 =
10 − 4 =
20 − 8 =
Lees en los op. a In de koelkast staan 20 eitjes. Papa bakt er 12. Hoeveel eitjes blijven over? Bewerking: Er blijven
eitjes over.
b Er zitten 15 mensen op de bus. Aan de eerste halte stappen er 13 uit. Hoeveel mensen zitten er dan nog op de bus? Bewerking: Er zitten nog
48
mensen op de bus.
BLOK 2
LES 14 1
Een lengte meten met lichaamsmaten
Kies een lichaamsmaat voor elke meetopdracht van oefening 2. Noteer het nummer in het grote rondje bij elke meetopdracht. Meet je verder met een kleinere lichaamsmaat? Noteer dat nummer in het kleine rondje.
de voet
de arm
de breedte van je vinger
de handspan
de stap
de vuist
de hand 49
2
Schat eerst, meet en vergelijk je schatting met het meetresultaat. a
b
Ik schat:
Ik schat:
Ik meet:
Ik meet:
Mijn schatting was:
Mijn schatting was:
goed.
goed.
bijna goed.
bijna goed.
niet goed.
niet goed. d Waar (W) of niet waar (NW)? Kruis aan.
c
W NW Een giraf en een muis meten de klas met stapjes. De giraf moet meer stapjes zetten.
Ik schat: Ik meet:
Mijn schatting was: goed. bijna goed. niet goed. 50
Met je hand kun je nauwkeuriger meten dan met je arm. Een voet is een goede maateenheid, want alle voeten zijn even groot.
BLOK 2
LES 15 1
Optellen tot 20 met brug
Even opfrissen. Vul aan tot 10. 4+ 8+
3+
2+
9+ 7+ 6+
5+ 1+
2
Vul de splitsingen aan. 8 2
7 6
2 1
9
4
6 3
3 1
8 4
3
4
3
5
6 5
7 2
9 1 51
3
Reken uit. Noteer de som. a
b
9+7=
7+8=
c Uit het hoofd? 7+6= 5+8=
6+9=
3+9=
6+5= 2+9= 7+5= 9+9=
5+6=
4+8=
6+7= 8+9= 4+9=
8+3=
4
9+3=
Alles door elkaar. Los op. Je mag stapjes noteren als je dat nodig vindt. Schrijf hier enkel de som.
52
6+2=
4+7=
10 + 10 =
2 + 16 =
15 + 3 =
17 + 0 =
9 + 10 =
5 + 10 =
8 + 11 =
6+6=
10 + 4 =
11 + 9 =
8+5=
10 + 1 =
0 + 17 =
9+5=
13 + 7 =
1 + 10 =
3 + 17 =
5+5=
5+9=
8+8=
14 + 1 =
4 + 13 =
8+6=
BLOK 2
5
Lees en los op. a Om 7 uur werd ik wakker. Vier uur later vertrok ik naar oma. Hoe laat was het toen? Bewerking: Toen was het
uur. b Op het dak zitten 4 duiven en 8 mussen. Hoeveel vogels zijn dat samen? Bewerking: Dat zijn samen
vogels.
c Kaat en haar broer hebben elk 7 strips. Hoeveel strips zijn dat samen? Bewerking: Dat zijn samen
strips.
d Van mama kreeg ik 7 euro. Van moeke kreeg ik 4 euro meer. Hoeveel euro is dat samen? Bewerking: Dat is samen
6
euro.
Welk getal staat onder de vlek? Vul het aan. 5+
= 11 + 7 = 15
+ 4 = 13 3+
= 20
10 +
= 19
+ 16 = 16
+ 7 = 13 6+
= 18
53
LES 16 1
Aftrekken tot 20 met brug
Even opfrissen. Trek af tot 10.
= 16 −
= 17 −
= 11 − = 13 − = 19 − = 15 −
= 14 −
= 18 −
= 12 −
2
Reken uit. Noteer het verschil. a
14 − 7 =
12 − 9 =
54
b
13 − 8 =
18 − 9 =
15 − 6 =
12 − 4 =
11 − 5 =
16 − 8 =
14 − 6 =
11 − 9 =
BLOK 2
c Uit het hoofd?
3
17 − 9 =
17 − 8 =
13 − 4 =
12 − 7 =
14 − 8 =
13 − 9 =
15 − 9 =
11 − 6 =
16 − 7 =
15 − 8 =
11 − 3 =
11 − 9 =
Alles door elkaar. Los op. Je mag stapjes noteren als je dat nodig vindt. Schrijf hier enkel het verschil. 8−5=
17 − 13 =
16 − 4 =
20 − 11 =
14 − 6 =
18 − 10 =
20 − 10 =
13 − 6 =
10 − 7 =
9−9=
16 − 10 =
18 − 3 =
20 − 6 =
10 − 2 =
13 − 5 =
15 − 7 =
20 − 3 =
10 − 10 =
11 − 8 =
6−1=
15 − 11 =
12 − 5 =
20 − 18 =
20 − 4 =
55
4
Lees en los op. a Er zitten 12 mensen op de tram. Bij de halte stappen 7 mensen uit. Hoeveel mensen blijven zitten? Bewerking: Er blijven
mensen zitten.
b Cas is 11 jaar. Sinds zijn 7 jaar speelt hij trompet. Hoeveel jaar speelt Cas al trompet? Bewerking: Cas speelt al
c Papa betaalt 10 euro voor 20 wafels. Hij eet er 7 op. Hoeveel wafels blijven er over? Bewerking: Er blijven
5
Bewerking: wafels over.
=7 −3=8
16 −
Nouri houdt
− 4 = 10 20 −
= 12
− 10 = 1
56
d Nouri heeft 20 euro. Hij koopt een strip voor 4 euro en een boek voor 7 euro. Hoeveel euro houdt hij over?
Welke getallen staan onder de vlekken? Vul ze aan. 12 −
jaar trompet.
= 13 −5=6
17 −
= 11
euro over.
BLOK 2
LES 17
Inhouden vergelijken, ordenen en meten
Dit zijn onze afspraken. Iedereen akkoord?
✓ We werken fijn samen. ✓ Iedereen mag a an de beurt. ✓ We werken netj es, zonder morse n. ✓ We verspillen g een water. Handtekening gro
1
epsleden:
Hoeveel kan erin? a Met welke maateenheid meet je? Kies slim! Noteer het cijfer in het rondje bij elke meetopdracht.
de fles
het glas
de lepel
57
b Schat, meet en vergelijk. a
2
58
b
Ik schat:
Ik schat:
Ik meet:
Ik meet:
Mijn schatting was:
Mijn schatting was:
goed.
goed.
bijna goed.
bijna goed.
niet goed.
niet goed.
Probeer uit en omkring met de juiste kleur. Doe vooraf een gokje. •
Kan er meer dan één glas in? Omkring dan met groen.
•
Kan er precies één glas in? Omkring dan met geel.
•
Kan er minder dan één glas in? Omkring dan met blauw.
BLOK 2
3
Rangschik van veel naar weinig. •
Vraag de flessen bij je juf of meester.
•
Bedenk een manier om de inhoud te vergelijken.
•
Schrijf de nummers op de juiste plek.
fles nummer
4
> fles nummer
> fles nummer
> fles nummer
Maak zelf een maatbeker. Vraag een lege fles en een glas aan je juf of meester.
1
2
3
Vul het glas en giet de inhoud in de fles.
Duid met een streepje aan tot waar het water komt.
Vul het glas nog een keer. Giet de inhoud bij in de fles.
4
5
Zet opnieuw een streepje.
Ga zo voort tot de fles vol is. 59
LES 18 1
2
60
Punten, lijnen en hoeken herkennen en benoemen
Welk spoor maakten deze skiërs? Kruis aan.
recht
recht
recht
recht
recht
gebogen
gebogen
gebogen
gebogen
gebogen
gebroken
gebroken
gebroken
gebroken
gebroken
Vul in. Kies uit: punt, rechte of lijnstuk. Benoem ook met letters. Dit is een
.
Dit is een
.
Dit is een
Een punt krijgt een ‘grote’ letter als naam.
.
BLOK 2
3
Doe wat gevraagd wordt. Je bent een beroemde schilder! Zet je naam in een hoek van dit doek.
Dit is bladzijde 13. Schrijf dat in de hoek onderaan rechts van dit boek.
Teken rozijntjes in elke hoek van deze koek.
4
Om te onthouden! Vul de juiste namen in.
61
5
62
Maak zelf een kunstwerk. •
Teken gebogen of kromme lijnen met blauw.
•
Teken rechte lijnen met groen.
•
Teken gebroken lijnen met rood.
Rechte en gebroken lijnen teken ik met een lat.
BLOK 2
LES 19 1
Evenwijdige, snijdende en loodrecht snijdende lijnen herkennen
Om te onthouden! Overtrek de sporen in een kleurtje. evenwijdig
2
snijdend
loodrecht (snijdend)
Bekijk de lijnen goed en kruis juist aan.
evenwijdig
evenwijdig
snijdend
snijdend
loodrecht snijdend
loodrecht snijdend
evenwijdig
evenwijdig
snijdend
snijdend
loodrecht snijdend
loodrecht snijdend 63
64
evenwijdig
evenwijdig
snijdend
snijdend
loodrecht snijdend
loodrecht snijdend
evenwijdig
evenwijdig
snijdend
snijdend
loodrecht snijdend
loodrecht snijdend
evenwijdig
evenwijdig
snijdend
snijdend
loodrecht snijdend
loodrecht snijdend
BLOK 2
LES 20 1
Optellen en aftrekken tot 20 met brug
Even opwarmen. Los op. Noteer de stapjes als je dat nodig vindt.
2
16 − 10 =
16 + 4 =
12 + 6 =
0 + 10 =
9−9=
10 − 8 =
20 − 5 =
10 + 10 =
4+5=
8+2=
20 − 12 =
10 − 10 =
12 − 11 =
2 + 15 =
1 + 14 =
4 + 13 =
6 + 10 =
20 − 17 =
20 − 10 =
10 + 8 =
20 − 1 =
Tel op. Noteer de som. a
6+5=
b
7+6=
c Uit het hoofd? 9+2= 5+8= 7+9=
4+8=
3+9=
8+7= 9+5= 6+8=
9+7=
8+4=
2+9=
65
3
Trek af. Noteer het verschil. a
c
b
13 − 6 =
14 − 7 =
15 − 8 =
12 − 3 =
11 − 7 =
18 − 9 =
Uit het hoofd?
Lukt het al?
16 − 7 = 12 − 8 = 14 − 5 = 13 − 7 = 11 − 2 = 16 − 9 = 17 − 8 =
4
Door elkaar. Los op. a 13 − 4 =
5+7=
b
7+5=
c
7+
= 14
11 −
= 9
11 − 8 = + 9 = 13
14 − 6 =
3+8=
17 − 9 =
12 − 5 =
−8= 8 9+
= 18
14 −
=6
9+4=
15 − 7 =
+ 6 = 11 −4=9
66
BLOK 2
5
Lees en los op. Je mag stapjes noteren als je dat nodig vindt. a In mijn kom soep zaten 15 balletjes. Ik heb er al 6 op. Hoeveel balletjes heb ik dan nog? Bewerking: Ik heb nog
balletjes.
b In onze ploeg spelen 14 voetballers. 9 daarvan zijn meisjes. Hoeveel jongens voetballen mee? Bewerking: Er voetballen
jongens mee.
c In de vakantie ging Bo 7 dagen met haar papa op reis en 8 dagen met haar mama. Hoeveel dagen ging Bo op reis? Bewerking: Bo ging
dagen op reis.
d Mijn boek telt 20 bladzijden. Eerst lees ik 7 blaadjes, dan nog 5. Hoeveel blaadjes moet ik nog lezen? Bewerking: Ik moet nog
e Boer Jasper heeft 11 kippen. 3 kippen zijn ontsnapt! Hoeveel moet hij er vangen? Bewerking:
blaadjes lezen.
Hij moet
kippen vangen. 67
LES 21 1
Het dubbel en de helft nemen Eerlijk verdelen
Teken het dubbel ernaast. Vul in.
Het dubbel van 5 is
.
Het dubbel van 6 is
.
.
Het dubbel van 4 is
.
Het dubbel van 8 is
2
Kleur de helft blauw.
De helft van 8 is
De helft van 20 is 68
.
.
De helft van 12 is
.
De helft van 10 is
.
BLOK 2
3
Neem het dubbel. Vul in. Het dubbel van 3 is
.
Het dubbel van 2 is +
3+3=
Het dubbel van 9 is +
4
+
.
+
+
.
.
+
Het dubbel van 5 is
=
+
.
=
Het dubbel van 1 is
=
.
=
Het dubbel van 8 is
=
Het dubbel van 10 is
=
Het dubbel van 0 is +
+
.
Het dubbel van 6 is
=
Het dubbel van 4 is
=
Het dubbel van 7 is +
.
.
.
=
.
=
Schrijf het dubbel onder elke pijl.
0
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
69
5
Vul in. Kijk bij de vorige oefening als je dat nodig vindt. a 12 is het dubbel van
b
.
De helft van 12 is
is de helft van 2.
.
is het dubbel van 10. is de helft van 10. .
16 is het dubbel van De helft van 16 is
.
is de helft van 14.
. .
18 is het dubbel van De helft van 18 is
6
is het dubbel van 3.
.
8 is het dubbel van De helft van 8 is
is het dubbel van 0.
.
Kleur en vul in. Kan de juf of meester de kindjes in de klas in 2 gelijke groepen verdelen? •
Ja? Kleur dan het bordje groen. Dit zijn
•
of
getallen.
Nee? Kleur dan het bordje rood. Dit zijn
of
3
getallen.
20
1
9
13
17
14
12
15
4
70
18
5
11
10
6
8
16
2
0
7
19
LES 22 − HERHALING
Wat heb ik geleerd in blok 2?
Getallenkennis les nr.
herhaling nr.
de helft en het dubbel nemen tot 20.
21
1, 2
even en oneven getallen tot 20 herkennen.
21
3
les nr.
herhaling nr.
13, 15, 16, 20
4, 5
15, 16
6
13, 15, 16, 20
7
les nr.
herhaling nr.
14
8
14, 17
9
les nr.
herhaling nr.
rechte, gebogen en gebroken lijnen herkennen en benoemen.
18
10
een punt, een lijnstuk en een rechte herkennen en benoemen.
18
11
hoeken aanduiden en de delen ervan benoemen.
18
12
hoeken aanduiden en de delen ervan benoemen.
19
13
Ik kan:
Bewerkingen Ik kan: optellen en aftrekken tot 20. stipoefeningen tot 10 oplossen. eenvoudige vraagstukken oplossen.
Meten en metend rekenen Ik kan: een lengte schatten en meten met een lichaamsmaat. van eenvoudige uitspraken over inhoud of lengte aangeven of ze waar of niet waar zijn.
Meetkunde Ik kan:
Ik doe mee mijn best om boef Pikkolor te verslaan. Ik houd me aan de afspraken bij het meten van een inhoud. Ik durf vragen stellen wanneer ik iets niet zo goed begrijp
71
1
Teken het dubbel ernaast of kleur de helft. Vul dan in. a
Het dubbel van 8 is
.
Het dubbel van 4 is
.
b
De helft van 20 is
2
De helft van 12 is
Neem het dubbel of de helft. Vul in. .
Het dubbel van 10 is Het dubbel van 0 is
3
.
De helft van 6 is
.
De helft van 10 is
.
.
Verdubbel 7. Je krijgt
.
Halveer 14. Je krijgt
.
Verdubbel 6. Je krijgt
.
Halveer 12. Je krijgt
.
Kleur de even getallen groen, de oneven getallen rood.
18 7
16
19
11
72
6
15
10
3
14
.
4
Noteer de som of het verschil. a 10 + 8 =
13 + 6 =
2 + 11 =
16 + 4 =
5 + 10 =
10 + 10 =
b 20 − 3 =
20 − 13 =
18 − 12 =
16 − 15 =
20 − 17 =
18 − 7 = 20 − 5 = 16 − 6 = 19 − 4 =
5
6
Los op. Je mag tussenstapjes noteren. a 6+7=
9+3=
4+8=
8+5=
7+9=
8+8=
b 12 − 3 =
15 − 8 =
14 − 7 =
16 − 9 =
11 − 6 =
13 − 5 =
Vul het getal in dat ontbreekt. a 5+
= 10
+2=6 3+
=8
+4=7 1+
= 10
b
9−
=9
−3=4 8−
=7
−2=3 10 −
=2
73
7
Lees en los op. a In mijn spaarpot zit 20 euro. Jordan heeft 12 euro minder. Hoeveel euro heeft Jordan? Bewerking: Jordan heeft
euro.
b Lore is 7 jaar. Haar broer is 6 jaar ouder. Hoe oud is de broer van Lore? Bewerking: De broer van Lore is
jaar.
c Op de taart staan 11 kaarsjes. Ik blaas er 4 uit. Hoeveel kaarsjes blijven er branden? Bewerking: Er blijven
kaarsjes branden.
d Er zitten nog 5 ijsjes in de vriezer. Papa zet er een pak van 6 ijsjes bij. Hoeveel ijsjes zitten er nu in? Bewerking: Er zitten nu
74
ijsjes in de vriezer.
8
Schat, meet en vergelijk je schatting met het meetresultaat. Kies een gepaste maateenheid. Schrijf het nummer in het grote rondje.
de voet
de hand
de hoogte van je boekentas
de handspan
de lengte van je vinger
de breedte van je duim
Ik schat: Ik meet:
Mijn schatting was: goed. bijna goed. niet goed.
de breedte van je bank
Ik schat: Ik meet:
Mijn schatting was: goed. bijna goed. niet goed.
Meet verder met een kleinere maateenheid, als dat kan. Schrijf dat nummer in het kleine rondje.
75
9
Waar of niet waar? Kleur het bolletje groen of rood. Met een lepel kun je nauwkeuriger meten dan met een emmer.
10
11
Ik schep een emmer leeg. Daarvoor heb ik meer bekers nodig dan lepels.
Welke lijnen zie je hier? Kruis aan.
rechte lijn
rechte lijn
gebogen lijn
gebogen lijn
gebroken lijn
gebroken lijn
rechte lijn
rechte lijn
gebogen lijn
gebogen lijn
gebroken lijn
gebroken lijn
Vul in. Kies uit: punt, rechte, lijnstuk. Geef ze ook een naam. Dit is een
76
Een duim is een goede maateenheid, want alle duimen zijn even groot.
.
Dit is een
.
Dit is een
.
12
Vul het juiste nummer in en teken wat gevraagd wordt. a
2
3
1 een hoek het hoekpunt de benen
b Teken een kussen op een hoek van het bed.
13
Welke lijnen herken je? Kruis aan wat het beste past.
evenwijdige lijnen
evenwijdige lijnen
evenwijdige lijnen
snijdende lijnen
snijdende lijnen
snijdende lijnen
loodrecht snijdende lijnen
loodrecht snijdende lijnen
loodrecht snijdende lijnen
77
1
Vul in.
+
2
7
5
−
7
−
4
16
11
13
20
18
2 15
Hoe oud is elke superheld? Anna
Eno
jaar
jaar
Anna is half zo oud als Isa. Ulke is dubbel zo oud als Otto. Eno is half zo oud als Isa en Ulke samen. Otto is twee jaar jonger dan Isa. Volgend jaar wordt Isa negen jaar.
78
12
Isa
jaar
Otto
jaar
Ulke
jaar
3
Vul de lege hokjes van het toverrooster in met +, − of = zodat alles klopt.
5
9
14
6
18
12
11
9
2
Probeer rechts zelf een toverrooster te maken.
4
Vul het rekenverhaal bij deze prentjes aan. Los dan op. a
Er zijn
diamanten.
Boef Pikkolor steelt er
.
Hoeveel diamanten blijven er over? Bewerking: Er blijven
diamanten over.
b Siham speelt een spel. Ze gooit
en
met de dobbelstenen.
Hoeveel stapjes mag ze vooruit? Bewerking: Siham mag
stapjes vooruit.
79
c Bedenk bij deze illustratie nu zelf een rekenverhaal. Los dan ook de bewerking op en schrijf er zelf een antwoordzin bij.
Bewerking: Antwoord:
5
Zoveel foutjes! Verbeter de rekentoets van boef Pikkolor. Streep de foutjes door en schrijf er het juiste antwoord naast. Bereken dan hoeveel punten Pikkolor haalt. OPTELLEN EN AFTREKKEN TOT 20 Toets van: Pikkolor 5 + 6 = 11
20 − 8 = 18
12 − 8 = 5
6 + 10 = 16
7 + 13 = 10
11 − 4 = 19
17 − 11 = 6 8 + 9 = 18
7 + 7 = 14 20 − 11 = 11
/ 10 Knap zo! Oefenen hoor!
80