Skip to main content

OH_Praktisch_btw-recht_2026_voorbeeldhoofdstuk

Page 1


Hoofdstuk 15

Controlemiddelen

en bewijsmiddelen

Controlemiddelen

1.1 De verplichting tot bewaren (art. 60 en art. 64, § 4 WBTW)

Voor de boeken en stukken waarvan het houden, het opmaken of het uitreiken door het WBTW of zijn uitvoeringsbesluiten is opgelegd, is er een verplichting tot bewaring voor iedereen.

Voor de andere boeken en stukken m.b.t. de uitgeoefende werkzaamheid is er een verplichting tot bewaring alleen voor de btw-belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen. De bewaringstermijn bedraagt 7 jaar:

– voor boeken: vanaf 1/1 volgend op de sluiting;

– voor stukken: vanaf 1/1 volgend op hun datum;

– voor geïnformatiseerde gegevens (software, hardware, diskettes, listings ...): vanaf 1/1 volgend op het laatste jaar van gebruik;

– voor de tabel van de bedrijfsmiddelen: vanaf het verstrijken van de herzieningstermijn (art.11, § 5 van KB 3);

– voor de stukken bedoeld in art. 58, § 4, 7° WBTW: vanaf 1/1 volgend op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan.

Soms is er een kortere bewaringstermijn (bv. 3 jaar voor tachograafschijven), soms een afwijking op de wijze van bewaren (bv. op microfilm, op microfiche, op cd-rom) (art. 60, § 3 WBTW).

De wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen voorziet een bewaringstermijn van 10 jaar (voor boeken: vanaf 1/1 volgend op de afsluiting, voor de andere verantwoordingsstukken: vanaf hun datum (d.i. dus korter dan voor het WBTW), stukken die niet strekken tot bewijs tegenover derden moeten maar 3 jaar bewaard worden).

We wijzen erop dat art. 64, § 4 WBTW een vermoeden juris tantum instelt dat de eigenaar van een gebouw een bewaringsplicht en een verplichting tot voorlegging ter inzage heeft betreffende de bouw voor:

– de plannen;

– de bestekken;

– de facturen.

Het gaat om een bijzondere bewaringstermijn van 5 jaar vanaf de betekening van het kadastraal inkomen. Bovendien heeft de bouwheer als bijkomende verplichting binnen 3 maanden

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

vanaf de betekening van het kadastraal inkomen een vereenvoudigde aangifte in te dienen met de voor de bouw ontvangen facturen.

Vanaf 1/1/1996 moeten de facturen en de stukken bewaard worden m.b.t. de handelingen die strekken of bijdragen tot:

1 de oprichting van een gebouw dat als bedrijfsmiddel wordt gebruikt;

2 de verkrijging, met betaling van btw, van een gebouw of van zakelijke rechten op een gebouw dat als bedrijfsmiddel wordt gebruikt, gedurende 15 jaar. Deze bewaringstermijn begint te lopen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun datum. Als het uitgangspunt van het herzieningstijdvak de eerste januari is van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik werd genomen, begint de bewaringstermijn op dat tijdstip te lopen, wanneer het valt na de termijn die we hiervoor hebben vermeld.

Btw Boekhoudwetgeving Inkomstenbelastingen

Boeken 7 (of 151) jaar 10 jaar 10 jaar

Vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun afsluiting

Vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de sluiting van het boekjaar

Tot het verstrijken van het tiende jaar of boekjaar volgend op het belastbare tijdperk

Stukken (bv. facturen) 7 (of 151) jaar 10 (of 32) jaar 10 jaar

Vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun datum

Vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de sluiting van het boekjaar

Tot het vestrijken van het tiende jaar of boekjaar volgend op het belastbare tijdperk

Softwaresysteem 7 jaar 10 jaar 10 jaar

Vanaf 1 januari van het jaar volgend op het laatste jaar waarin het systeem werd gebruikt

Geen bijzondere regel Vanaf 1 januari van het jaar volgend op het laatste jaar waarin het systeem werd gebruikt

1 met betrekking tot bepaalde bedrijfsmiddelen onderworpen aan 15-jarige herzieningstermijn (nieuwe ‘gebouwen’ of ‘zakelijke rechten’ daarop)

2 stukken die niet als bewijs tegenover derden moeten dienen

1.2 De verplichting tot voorlegging ter inzage (art. 61 en art. 64, § 4 WBTW)

De in art. 60 te bewaren boeken en stukken moeten op verzoek van de controleambtenaren worden voorgelegd. De voorleggingsplicht geldt zonder verplaatsing voor de gecontroleerde.

Een uitzondering hierop vormt het teruggaafregister of het als dusdanig geldend boek voor uitgaande facturen. De voorleggingsplicht geldt om de juiste heffing van de btw in hoofde van de gecontroleerde of een derde na te gaan.

De voorleggingsplicht (kopieën) geldt ook voor geïnformatiseerde systemen waaruit de verplichting blijkt om ook de hardware te bewaren of er tenminste voor te zorgen dat kopieën gemaakt kunnen worden.

De voorleggingsplicht geldt begrijpelijkerwijze niet voor het Nationaal Instituut voor de Statistiek (N.I.S.) en voor het Economisch en Sociaal Instituut van de Middenstand (E.S.I.M.).

Boeken en stukken die moeten bewaard worden op grond van art. 60 en de kopieën van geïnformatiseerde systemen mogen tegen afgifte van een proces-verbaal van retentie behouden worden om de juiste heffing van de btw in hoofde van de gecontroleerde of een derde na te gaan. Uiteraard geldt dat niet voor een niet-afgesloten boekhouding.

Het bedoelde retentierecht maakt dus het voorwerp uit van een proces-verbaal van retentie dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen. Een afschrift van dit proces-verbaal wordt uitgereikt binnen de vijf werkdagen volgend op de retentie.

We zien duidelijk een interactie tussen de bewaringstermijn van zeven jaar en de verplichting tot voorlegging van zeven jaar enerzijds en de verjaringstermijnen van 3/4, respectievelijk zeven jaar anderzijds. Een langere bewaringstermijn dan de verjaringstermijn kan nuttig zijn voor het bewijzen van feitelijke vermoedens. De nuttig controleerbare periode is echter beperkt door de verjaringstermijn.

We vestigen er de aandacht op dat de btw-belastingplichtige die rekeningen of ontvangstbewijzen moet uitreiken (art. 22, § 1 van KB 1) de dubbels van de uitgereikte stukken moet kunnen voorleggen net als de stukken die hij heeft laten drukken maar nog niet heeft gebruikt. Ten slotte vestigen we de aandacht erop dat de eigenaar van een pas opgericht gebouw de plannen, de bestekken en de facturen betreffende de bouw moet kunnen voorleggen. Bij gebrek aan voorlegging wordt de btw, behoudens tegenbewijs, geacht niet te zijn voldaan voor de dienstverrichtingen waarvoor geen facturen worden voorgelegd. Hier wordt niet gesteld dat de voorlegging zonder verplaatsing moet gebeuren. Een soortgelijk recht vinden we in art. 315 en 315bis WIB 1992.

1.3 De verplichting tot het verschaffen van inlichtingen (art. 62 WBTW)

Eenieder is verplicht mondeling of schriftelijk inlichtingen te verschaffen om de juiste heffing van de btw in hoofde van de gecontroleerde of een derde na te gaan. In dat opzicht verandert de bepaling niet en kan de onderzoeksbevoegdheid worden toegepast zowel ten aanzien van de belastingplichtige, de niet-belastingplichtige als het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2 van het Btw-Wetboek. Aldus blijven tevens particulieren gehouden tot het verstrekken van inlichtingen en het beantwoorden van bijvoorbeeld een aan hen toegezonden schriftelijke vraag om inlichtingen.

De verplichte voorlegging van boeken of stukken is in principe niet mogelijk op kantoor. Een uitnodiging tot het verschaffen van inlichtingen op kantoor is wel mogelijk.

Schriftelijke inlichtingen moeten in principe worden verstrekt binnen een termijn van één maand vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van de vraag om inlichtingen.

De antwoordtermijn wordt op dezelfde manier berekend als de antwoordtermijn van artikel 316 van het WIB 1992. De termijn begint te lopen vanaf de derde werkdag volgend op de verzending, en hij wordt gerekend van de zoveelste tot de dag vóór de zoveelste.

Het antwoord moet uiterlijk de laatste nuttige dag van de termijn bij de verzender van de vraag, een ambtenaar van de FOD Financiën, toekomen. Is die laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de termijn verlengd tot de daaropvolgende werkdag.

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

Een mondeling onderhoud binnen de gestelde termijn van de belastingplichtige met de ambtenaar die de schriftelijk vraag heeft overgezonden, beantwoordt niet aan de wettelijke voorschriften.

Verlenging van de termijn

De termijn van één maand kan wegens gegronde redenen worden verlengd.

De verlenging dient aan de administratie te worden aangevraagd vóór het verstrijken van de wettelijke antwoordtermijn. In de aanvraag wordt/worden de gegronde reden(en) opgenomen. De vraag tot verlenging dient met andere woorden te worden gestaafd.

De ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde beoordelen naar eer en geweten de gegrondheid van de gemotiveerde vraag tot verlenging van de antwoordtermijn, met het nodige begrip en met inachtneming van de voorgelegde documenten of verantwoordingen.

In het algemeen kan worden gesteld dat dezelfde redenen op grond waarvan de antwoordtermijn van artikel 316 WIB 1992 kan worden verlengd, ook van toepassing zijn op het vlak van btw. Het gaat voornamelijk om de noodzaak om over een langere termijn te beschikken om de gevraagde informatie te verstrekken, ernstige ziekte of langdurige afwezigheid, of alle mogelijke omstandigheden van overmacht.

In het geval van weigering om de antwoordtermijn te verlengen, verwijst de beslissing naar artikel 62, eerste lid van het Btw-Wetboek. De beslissing vermeldt de reden waarom de vraag om verlenging wordt geweigerd.

Verkorting van de termijn

Krachtens artikel 62, tweede lid van het Btw-Wetboek kan de in het eerste lid bedoelde antwoordtermijn van één maand voor het schriftelijk verschaffen van inlichtingen worden teruggebracht tot tien dagen wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn of wanneer de vraag deel uitmaakt van de controle van een in artikel 76, § 1 of § 2 van het Btw-Wetboek bedoeld overschot van belasting.

Artikel 62, tweede lid, 1° van het Btw-Wetboek

Krachtens artikel 62, tweede lid, 1° van het Btw-Wetboek kan de antwoordtermijn worden teruggebracht tot tien dagen wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn.

De ambtenaren die gebruikmaken van de verkorte antwoordtermijn, vermelden in de vraag om inlichtingen de reden(en) waarom de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, waardoor slechts een antwoordtermijn van tien dagen kan worden toegestaan.

Artikel 62, tweede lid, 2° van het Btw-Wetboek

Krachtens artikel 62, tweede lid, 2° van het Btw-Wetboek kan de in het eerste lid bedoelde antwoordtermijn van één maand worden teruggebracht tot tien dagen wanneer de schriftelijke gevraagde inlichtingen deel uitmaken van de controle van een in artikel 76, § 1 of § 2 van het Btw-Wetboek bedoeld overschot van belasting.

Het overschot bedoeld in artikel 76, § 1 van het Btw-Wetboek is het overschot dat blijkt uit een periodieke btw-aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek. Het overschot bedoeld in artikel 76, § 2 van het Btw-Wetboek is het overschot dat blijkt uit een bijzondere btw-aangifte bedoeld in artikel 53ter, 1° van het Btw-Wetboek.

De verkorte termijn kan enkel worden toegepast wanneer de gevraagde inlichtingen deel uitmaken van een controle van een overschot in de zin van artikel 76, § 1 of § 2 van het

Btw-Wetboek, en niet op eventuele andere gevraagde inlichtingen. De vraag om inlichtingen bedoeld in artikel 62, tweede lid, 2° van het Btw-Wetboek kan bijgevolg enkel betrekking hebben op de handelingen van de aangifteperiode die aanleiding heeft gegeven tot het belastingoverschot.

Er wordt op gewezen dat voor de toepassing van de verkorte antwoordtermijn bedoeld in artikel 62, tweede lid, 2° van het Btw-Wetboek het niet vereist is dat de belastingplichtige bedoeld in artikel 76, § 1 van het Btw-Wetboek om de teruggaaf van het tegoed heeft verzocht. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde kan de waarachtigheid van het voor teruggaaf vatbare belastingoverschot bedoeld in artikel 76, § 1 van het Btw-Wetboek immers niet enkel controleren wanneer de belastingplichtige uitdrukkelijk de teruggaaf van het overschot heeft gevraagd en, bijgevolg, in het kader van het verzoek tot daadwerkelijke teruggaaf van het overschot, maar ook wanneer de belastingplichtige de teruggaaf van dat overschot niet uitdrukkelijk heeft gevraagd en, bijgevolg, voorafgaand aan de inschrijving van het overschot op de in artikel 83bis van het Btw-Wetboek bedoelde provisierekening. De verkorte termijn van tien dagen begint en eindigt op dezelfde manier als de termijn van één maand bedoeld in artikel 62, eerste lid van het Btw-Wetboek.

1.4 De mogelijkheid tot controle van het vervoer van goederen (art. 63, vierde lid en art. 63bis WBTW, art. 1 van KB 11)

De bevoegde ambtenaren mogen een voertuig (inclusief containers) dat op de openbare weg rijdt verzoeken te stoppen om de vervoerde goederen, boeken en stukken te controleren. Zij hebben ook toegang tot de bestuurderscabine.

1.5 De mogelijkheid tot toegang tot de lokalen (art. 63, eerste, tweede en derde lid WBTW)

De bevoegde ambtenaren hebben het bezoekrecht tot de lokalen voor de activiteit van de btw-belastingplichtige. Dat geldt ook voor de lokalen waar handelingen bedoeld in het WBTW verricht of vermoedelijk verricht worden. In bewoonde lokalen mogen de ambtenaren maar binnen mits ze over een machtiging van de politierechter beschikken (= visitatierecht). Bovendien is de toegang beperkt tussen 5 en 21 uur. Een soortgelijk recht vinden we in art. 319 WIB 1992.

“Voor degenen die nog twijfels hadden, is dus bevestigd dat artikel 63, lid 1, 1° WBTW de bevoegde ambtenaren het recht geeft om boeken en documenten te onderzoeken in gesloten meubelen, vuilbakken of koelkasten die zich bevinden in de lokalen waar de belastingplichtige zijn activiteiten uitoefent, zonder dat zij daarvoor vooraf toestemming moeten vragen aan de belastingplichtige. Alleen als de belastingplichtige bezwaar maakt, mogen de boeken en documenten niet worden geraadpleegd.”

(Bron: Cass., 6 oktober 2023, rolnr. F.22.0082.F en Luik, 8 november 2021, rolnr. 2020/RG/210.)

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

Bewijsmiddelen

De bewijsproblematiek geschiedt in 2 stappen.

1 Wie moet bewijzen?

2 Met welke bewijsmiddelen kan men bewijzen?

Eens geweten is wie moet bewijzen, stelt zich immers de vraag hoe het bewijs moet worden geleverd.

Wat is de bewijslast (art. 8.4 NBW)?

De klassieke regel van artikel 1315 oud BW blijft overeind. Hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. En hij die beweert bevrijdt te zijn moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen.

Voortaan geldt ook een medewerkingsplicht van de procespartijen aan de bewijsvoering

Ingeval van twijfel wordt hij die de door hem beweerde rechtshandelingen of feiten moet bewijzen in het ongelijk gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. Met andere woorden de eiser draagt nog steeds het bewijsrisico van zijn vordering en de verweerder zal de beweringen die hij aanvoert moeten bewijzen.

De nieuwe bewijsregels voorzien in een innovatieve omkering van de bewijslast. Zo kan de rechter, bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, in het licht van uitzonderlijke omstandigheden, bepalen wie de bewijslast draagt wanneer de toepassing van de hierboven vermelde regels kennelijk onredelijk zijn. De rechter kan slechts gebruik maken van deze mogelijkheid wanneer hij alle nuttige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen en er over gewaakt heeft dat de partijen meewerken aan de bewijsvoering, zonder op die manier voldoende bewijs te verkrijgen. Deze bepaling dient voor de rechter te fungeren als veiligheidsklep voor het geval de klassieke bewijsregels tot een onbillijke situatie zouden leiden. In dat geval kan de rechter dus bij een met bijzonder redenen omkleed vonnis de omkering van de bewijslast bevelen. Het is de procespartij die de bewijslast draagt die de omkering van de bewijslast aan de rechtbank zal moeten vragen. Zo zou de omkering van de bewijslast aan de rechter kunnen gevraagd worden wanneer de verwerende partij obstructie zou voeren bij de bewijsvergaring, of wanneer het bewijs bv. verloren is gegaan door tijdsverloop, of wanneer de klassieke bewijslastregeling de eiser voor een zeer kostelijke of zeer zware bewijslast zou plaatsen en alle nuttige onderzoeksmaatregelen door de rechter bevolen gefaald hebben.

Wat is de bewijsstandaard (art. 8.5 NBW)?

Behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt, moet het bewijs geleverd worden met een redelijke mate van zekerheid. 100 % zekerheid wordt dus niet verwacht. Het betreft hier de overtuiging van de rechtbank die elke redelijke twijfel uitsluit.

Is er autonomie inzake bewijs in het fiscaal recht?

Er bestaat geen autonomie van het fiscaal recht inzake bewijs ten aanzien van de regels van het gemeen recht. Dus moeten de bewijsregels van gemeen recht ook in het fiscaal recht worden toegepast, tenzij het fiscaal recht ervan afwijkt.

Het algemeen principe van bewijsvoering is ook in het fiscaal recht van toepassing:

– het is aan de schuldeiser om het bestaan van zijn schuldvordering te bewijzen.

– wanneer een partij rechtsfeiten inroept, moet zij deze ook bewijzen.

Het Btw-Wetboek bevat meerdere bepalingen die de administratie toelaten om de opeisbaarheid van de btw vast te stellen. Die bepalingen hebben betrekking op:

– de bewijsmiddelen van gemeen recht

– de wettelijke vermoedens

– de processen-verbaal

– de deskundige schatting (niet te kennen)

– de ambtelijke aanslag.

Het Btw-Wetboek geeft geen voorrang aan één of ander bewijsmiddel dat ter beschikking staat van de controleambtenaar.

Artikel 59, § 1, van het Btw-Wetboek vermeldt niet alleen de feiten die door de administratie kunnen worden bewezen, maar ook de bewijsmiddelen waarover zij beschikt.

De administratie moet, volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, het bewijs te leveren van:

– iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van het Btw-Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten

– elk feit dat de opeisbaarheid van een belasting of van een boete aantoont

– elk feit dat bijdraagt tot het aantonen van de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete.

De belastingplichtige beschikt eveneens over dezelfde bewijsmiddelen om het bewijs te leveren:

– Wanneer hij zijn recht op aftrek uitoefent

– wanneer hij één of andere reden teruggaaf van btw vordert

– wanneer hij een vrijstelling van belasting of een gunstregeling heeft toegepast bij een uitgaande handeling

De bewijsmiddelen van het gemeen recht (art. 59 van het btw-wetboek)

Het btw-wetboek verwijst naar de bewijsmiddelen van het gemeen recht maar sluit de eed formeel uit.

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

2.1 Welke soorten bewijsmiddelen zijn er in het NBW (art. 8.15 t.e.m. 8.39 NBW)?

De volgende bewijsmiddelen worden in het nieuwe burgerlijke bewijsrecht voorzien:

– De authentieke akte (art. 8.15 t.e.m. 8.17 NBW)

– De onderhandse akte (art. 8.18 t.e.m. 8.22 NBW)

– De advocaten akte (art. 8.23 NBW)

Dit is een onderhandse akte die door de advocaten van alle partijen mede ondertekend wordt, en waarbij elke partij met een onderscheiden belang door een andere advocaat moet worden bijgestaan. De advocatenakte levert een volledig bewijs op van het geschrift en van de handtekening van de bij de akte betrokken partijen, zowel onderling als tegenover hun erfgenamen en rechtverkrijgenden.

– Vermelding van de betaling op de akte of het dubbel ervan (art. 8.24 NBW)

– Afschriften (art. 8.25 en 8.26 NBW)

– Teruggave van de akte door de schuldeiser aan de schuldenaar (art. 8.27 NBW)

– Het getuigenbewijs (art. 8.28 NBW)

– De feitelijke vermoedens (art. 8.29 NBW)

Feitelijke vermoeden zijn enkel toelaatbaar in de gevallen waarin de wet het vrij bewijsregime toelaat. Hun bewijswaarde wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Steunt het vermoeden op meerdere aanwijzingen, dan moeten deze aanwijzingen met elkaar overeenstemmend zijn. De oude terminologie uit artikel 1353 oud BW van ‘gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens’ wordt verlaten in het NBW.

– Bekentenis (art. 8.30 t.e.m. 8.32 NBW)

– De eed (art. 8.33 t.e.m. 8.39 NBW)AT

2.2 Wat wordt er geregeld over de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen (art. 8.8 NBW)?

Behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt, kan het bewijs van feiten en rechtshandelingen principieel met alle bewijsmiddelen geleverd worden. Er geldt dus in principe vrijheid van bewijsmiddelen (art. 8.8 NBW).

Deze principiële regel van het vrij bewijsstelsel kent uitzondering van zodra er sprake is van een gereglementeerd bewijsstelsel als volgt:

– Zo zal in de relatie tot niet-ondernemingen, telkens wanneer het bewijs van een rechtshandeling met een waarde gelijk of hoger dan 3 500,00 EUR aan de orde is bewezen moeten worden met een ondertekend geschrift. Het bedrag van 3 500,00 EUR kan in de toekomst gewijzigd worden bij Koninklijk Besluit in functie van de evolutie van de levenskosten of de sociale noden (art. 8.9 NBW).

–

Het bewijs boven of tegen een ondertekend geschrift kan enkel worden geleverd door een ander geschrift, ook indien de waarde niet boven het bedrag van 3 500,00 EUR gaat (art. 8.9. NBW).

– Voor duurcontracten (bv. huurovereenkomsten) is de waarde die in rekening moet worden genomen, de totale waarde van de vergoedingen van de prestaties voor de maximale duur van één jaar en betreft het een periode van minder dan één jaar dan wordt de effectieve periode in acht genomen ter begroting van de waarde van de betrokken rechtshandeling (art. 8.9. NBW).

Ingeval de rechtshandeling in waarde niet bepaald is of niet bepaalbaar is bij diens ontstaan, mag het bewijs van de rechtshandeling geleverd worden met alle bewijsmiddelen (art. 8.9 NBW)

Het gereglementeerd bewijsstelsel is evenmin van toepassing telkens er zich een materiële of morele onmogelijkheid voordoet om zich een akte te verschaffen of indien het gebruikelijk is geen akte op te stellen. Hetzelfde geldt ook wanneer de akte verloren gaat door overmacht (art. 8.12 NBW)

Artikel 8.13 NBW laat toe het ondertekend geschrift te vervangen door een bekentenis, een beslissende eed of een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met een ander bewijsmiddel.

Het bewijs van eenzijdige rechtshandelingen (bv. de betaling of een aanbod) is vrij ongeacht de waarde van de betrokken rechtshandeling (art. 8.10 NBW). Doch hierop bestaan uitzonderingen met betrekking tot de datum van de eenzijdige rechtshandeling (art. 8.22 NBW). Er wordt ook een zeker formalisme voorzien voor eenzijdige verbintenissen tot betalen of leveren, ongeacht de waarde, en aangegaan door één persoon ten overstaan van een ander persoon (niet-onderneming). Die zullen moeten bewezen worden middels handtekening van de schuldenaar en de vermelding door hemzelf geschreven van de som/hoeveelheid voluit geschreven in letters. De term ‘voor goed’ of ‘goedgekeurd voor’ zoals vroeger gold, komt te vervallen.

Tenslotte wordt in het nieuwe burgerlijke bewijsrecht voorzien dat het bewijs door en tegen derden vrij is, zowel in de relatie derde richting contractant (dit was vroeger ook zo) als in de relatie contractant richting derde (wat een versoepeling is tegenover vroeger).

Alleen de akten of geschriften waarvan de administratie op regelmatige wijze kennis heeft kunnen nemen dienen als bewijsmiddel. Bijgevolg zal de administratie niet als bewijsmiddel kunnen inroepen de akten en geschriften waarvan zij kennis heeft verkregen bij wege van de onregelmatige uitoefening van haar onderzoekrecht.

VOORBEELDEN

– de op geldige wijze ingediende periodieke btw-aangifte

– de op geldige wijze ingediende bijzondere btw-aangifte

– de op geldige wijze ingediende jaarlijkse klantenlisting

– de op geldige wijze ingediende intracommunautaire opgave

– de opgemaakte contracten waarbij de belastingplichtige partij was (onderhandse akten en authentieke akten)

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

– de facturen, kwitanties, brieven, bestelbonnen en leveringsnota’s en meer algemeen de handelsboeken (inkomend en uitgaand factuurboek, inventaris…)

– ieder ander stuk dat gehouden wordt door de belastingplichtige en dat op regelmatige wijze ter kennis is gekomen van de administratie

– de rekeninguittreksels van de financiële instellingen.

De btw-aangifte bindt de belastingplichtige, voor zover hij niet bewijst dat er een fout is ingeslopen. De boekhouding, opgemaakt door de belastingplichtige ter ondersteuning van zijn btw-aangifte, kan steeds door de administratie worden gebruikt om er alle informatie in te vinden die ze nodig heeft en deze aan de belastingplichtige tegen te werpen.

Anderzijds bestaat de taak van de btw-controleur er in de boekhouding te controleren op haar bewijskracht. Indien de boekhouding niet bewijskrachtig is, zal de controleur de boekhouding verwerpen, dit wil zeggen dat hij weigert dat de belastingplichtige de boekhouding zou gebruiken als bewijsmiddel van de aangegeven bedragen in de btw-aangifte.

2.3 Toelaatbaarheid en bewijswaarde van getuigenissen (art. 8.28 NBW)

Getuigenissen zijn enkel toelaatbaar in de gevallen waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat.

Hun bewijswaarde wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter. Het getuigenbewijs wordt weinig gebruikt inzake btw.

2.4 Wettelijke bewijswaarde van de bekentenis (art. 8.32 NBW)

De bekentenis is onherroepelijk, behalve in geval van dwaling omtrent de feiten, of in geval van iedere andere nietigheidsgrond. Zij levert een bewijs op tegen hij die de bekentenis gedaan heeft, tenzij zij niet oprecht is. De samengestelde bekentenis is onsplitsbaar, tenzij een van de onderdelen ervan vals, onwaarschijnlijk of in tegenspraak is met het andere onderdeel.

2.5 Toelaatbaarheid en bewijswaarde van feitelijke vermoedens (art. 8.29 NBW)

Feitelijke vermoedens zijn enkel toelaatbaar in de gevallen waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat. Hun bewijswaarde wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn.

Er bestaan inzake btw 2 soorten vermoedens:

– de wettelijke vermoedens, opgenomen in het Btw-Wetboek

– de feitelijke vermoedens (bewijsmiddelen van gemeen recht) die aan het oordeel van de rechter worden overgelaten.

Het bewijs door vermoedens veronderstelt niet noodzakelijk een veelheid aan vermoedens. Eén enkel vermoeden kan volstaan als het van die aard is om een voldoende sterke overtuiging te doen ontstaan in hoofde van de rechter.

Voorbeelden van wettelijke vermoedens zijn er bij de vleet in het WBTW: bv. art. 64 WBTW. We merken op dat de gegevens van een zusteradministratie geen wettelijk maar een feitelijk vermoeden vormen. Bij deze feitelijke vermoedens is het de controleambtenaar die een redenering maakt op basis van feiten die onbetwistbaar moeten zijn. Zijn redenering moet aannemelijk zijn.

VOORBEELD 1

– Een vergelijking tussen de aankopen en verkopen om aan te tonen dat belastbare handelingen werden gesteld zonder voldoening van de btw.

– Een vergelijking tussen de forfaitaire aanslag bij de Directe Belastingen en die aangegeven bij de btw voor het belasten met btw van het verschil tussen beide.

– Een omzetverhoging bij de Directe Belastingen door een indiciaire taxatie kan aanleiding geven tot een betaling van btw op de omzetverhoging.

Het WBTW vestigt volgende wettelijke vermoedens die de bewijslast omkeren in het voordeel van de staat. Daarbij zijn sommige vermoedens onweerlegbaar (juris et de jure), andere zijn wel weerlegbaar (juris tantum) door de btw-belastingplichtige. We geven een overzicht:

1 M.b.t. de leveringen juris et de jure:

– art. 14, § 2 WBTW;

– art. 16, § 1, tweede lid WBTW;

– art. 12, § 2 WBTW. juris tantum:

– art. 64, § 1 en § 3 WBTW;

– art. 65 WBTW.

2 M.b.t. de diensten juris et de jure:

– art. 20, § 2 WBTW. juris tantum:

– art. 64, § 2 en § 3 WBTW.

Art. 13, § 2 WBTW en art. 20, § 1 WBTW stellen bovendien het onweerlegbaar vermoeden in dat elke tussenpersoon, die in een of andere hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of een ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt, bij inkoop of verkoop als een commissionair moet worden beschouwd.

3 M.b.t. de invoer juris tantum:

– art. 25 WBTW;

– art. 68, § 1 WBTW;

– art. 68, § 2 WBTW.

4 M.b.t. het oprichten van een gebouw juris tantum:

– art. 64, § 4, eerste lid WBTW.

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

VOORBEELD 2

Een toepassing van art. 64, § 1 en art. 64, § 3 WBTW vinden we bij de controle. de aankopen, intracommunautaire verwerving en invoeren van goederen × een winstmarge = de vermoedelijke omzet (gecorrigeerd voor de creditnota’s, de verliezen die normaal zijn voor de sector enz.)

Deze vermoedelijke omzet wordt vergeleken met de belaste omzet. Het verschil moet aangetoond worden door het voorleggen van een inventaris (beginvoorraad > eindvoorraad = voorraadafname, dus meer omzet, beginvoorraad < eindvoorraad = voorraadstijging, dus minder omzet), door de voorlegging van de bewijzen die bepaalde vrijstellingen motiveren enz.

Art. 64, § 1 WBTW wordt trouwens ook toegepast op de forfaitaire btw-belastingplichtige, waarbij opnieuw de inventaris als tegenbewijs mogelijk is.

VOORBEELD 3

Als de uitbater van een restaurant, een café of een dergelijke inrichting een geestrijk of ander drankje aanbiedt aan een klant bij het verstrekken onder bezwarende titel van een maaltijd of consumptie, wordt in principe aangenomen dat de gevraagde prijs voor de maaltijd of de consumpties ook het aangeboden drankje omvat. Dit ‘gratis aanbod’ heeft daarom noch een herziening van de aftrek, noch enige belastbare onttrekking tot gevolg. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat de btw-belastingplichtige moet bewijzen dat het drankje aangeboden werd bij het verstrekken van een maaltijd of een consumptie onder bezwarende titel. Dit om het vermoeden van art. 64, § 1 WBTW te weerleggen, op grond waarvan de administratie het recht heeft om de btw te eisen over de ‘tariefprijs’ van het aangeboden drankje.

2.6 De deskundige schatting

Bij de bepaling van de normale bouwwaarde vergelijkt de administratie haar berekende bouwwaarde met de gefactureerde prijzen aan de bouwheer.

De uitgangspunten van de administratie zijn hierbij de volgende:

1 het opgerichte gebouw is VERRICHT; 2 het werd opgericht door AANNEMERS; 3 de PRIJZEN zijn die van het jaar van INGEBRUIKNEMING; 4 met inachtneming van de AARD van de CONSTRUCTIE en de gebruikte MATERIALEN.

Uiteraard kan de bouwheer het tegenbewijs leveren door te bewijzen dat er in bepaalde mate geen dienstverrichting m.b.t. een werk in onroerende staat is geweest, vermits hij het werk zelf heeft verricht met de kosteloze medewerking van anderen of zelf materialen heeft geleverd. Daardoor wordt het vermoeden dat ingesteld wordt door art. 64, § 4 WBTW ontkracht. Hieruit kan een minnelijk voorstel tot afwikkeling van het bouwdossier volgen. Als men niet tot een akkoord komt, kan de procedure van de deskundige schatting worden ingesteld. Deze procedure bedoeld bij art. 59, § 2 WBTW wordt geregeld door KB 15. Het toepassingsgebied ervan is het volgende:

1 de met voldoening van de btw vervreemde gebouwen;

2 werk in onroerende staat m.b.t. op te richten gebouwen; 3 werk in onroerende staat door een btw-belastingplichtige verricht voor de doeleinden van zijn economische activiteit zoals bedoeld in art. 19, § 2, 1° WBTW.

Dus NIET:

– de onttrekkingen van gebouwen door een ‘beroepsoprichter’ bedoeld in art. 12, § 2 WBTW maatstaf van heffing = de oprichtingsprijs of de aankoopprijs (art. 33, 1° WBTW);

– het werk in onroerende staat door een btw-belastingplichtige bedoeld in art. 19, § 2, 2° WBTW maatstaf van heffing = de gedane uitgaven (art. 33, 2° WBTW).

De deskundige schatting kan gevorderd worden door de beide partijen. Dit zijn:

– de aangewezen ambten d.w.z. de ontvanger van de registratie (geval 1) of het diensthoofd van het btw- controlekantoor (gevallen 2 en 3);

– eenieder aan wie verzocht werd een aanvullende btw te betalen omdat de maatstaf van heffing waarover btw werd voldaan lager is dan de normale waarde (dus ook een particulier, een niet-belastingplichtige rechtspersoon).

2.7 De ambtelijke aanslag

De ambtelijke aanslag betreft een raming van de maatstaf van heffing van de belastbare handelingen, in de door de wet opgesomde gevallen. Hij vormt geen fiscale strafmaatregel, maar is voor de controleambtenaar een ultiem instrument om de belastbare handelingen te ramen bij passiviteit van de schuldenaar van de btw. Een essentieel kenmerk van de ambtelijke aanslag is dat hij de bewijslast omkeert. Het WBTW maakt een onderscheid in artikel 66 WBTW tussen het eerste lid en het tweede lid van dit artikel. Een ambtelijke aanslag kan gevestigd worden t.o.v. alle personen die schuldenaar zijn van de btw op grond van artikel 51, § 1, 2 of 4 WBTW.

A Ambtelijke aanslag op basis van artikel 66, eerste lid WBTW

Hier is de ambtelijke aanslag mogelijk bij het in gebreke blijven van de schuldenaar van de btw om welke reden ook. Het bereik van de aanslag is de maand of de maanden waarop de overtreding betrekking heeft.

Artikel 66, eerste lid van het Btw-Wetboek bepaalt voortaan dat de ambtshalve aanslag opgelegd kan worden, niet langer door of vanwege de minister van Financiën, maar door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

Volgende overtredingen geven aanleiding tot een ambtelijke aanslag:

1 NIET-aangifte;

– van de aangifte bedoeld in art. 53, eerste lid, 3° WBTW;

– van de aangifte bedoeld in art. 53ter, 1° WBTW;

– van de aangifte bedoeld in art. 53nonies, § 1 WBTW;

– een aangifte die niet voldoet aan de wettelijke voorschriften staat gelijk met nietaangifte;

– een te laat ingediende aangifte staat in principe gelijk met niet-aangifte. De btw-administratie kan dus, als er alsnog een aangifte werd ingediend, vrij bepalen hoe het bedrag van de verschuldigde btw berekend moet worden. De administratie kan zich daarbij

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

baseren op de gegevens uit de ingediende btw-aangifte, maar is niet verplicht om dat te doen.

Er kan geen ambtelijke aanslag volgen op de niet-indiening van de volgende aangiften:

– 604 A, B en C;

– 104.

De administratie kan in het geval van niet-indiening van periodieke btw-aangiften nog altijd kiezen voor de ambtshalve aanslag in plaats van de geautomatiseerde procedure van de vervangende aangifte.

De ambtshalve aanslag kan, bij niet-indiening van de periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, worden toegepast zowel in het geval dat door de administratie de procedure van vervangende aangifte bedoeld in artikel 53, § 1ter van het Btw-Wetboek is toegepast – en bijgevolg ook in het geval dat een definitieve vervangende aangifte ter kennis is gebracht van de belastingplichtige niet-indiener –, als in het geval waarin de bedoelde procedure van vervangende aangifte door de administratie niet is toegepast (bijvoorbeeld in gevallen bedoeld in artikel 53, § 1ter, eerste lid, in fine, 1° als 3° van het Btw-Wetboek).

2 gebrek aan HOUDEN van boeken, registers of stukken;

– het boek voor inkomende facturen;

– het boek voor uitgaande facturen;

– het dagboek van ontvangsten;

– de tabel van de bedrijfsmiddelen;

– het register van de teruggaven;

– het register van de niet-overbrenging van goederen;

– het register van de goederen waarmee een materieel werk of expertise wordt verricht;

– het register van de aangegeven en geslachte dieren;

– de registers of de boekhouding voor btw-belastingplichtigen die van een bijzondere regeling genieten (bv. art. 58, § 4 WBTW);

– de door de garagehouders en verkopers van voertuigen te houden registers;

– de registers of de boekhouding voor de intracommunautaire handelingen door btwbelastingplichtigen bedoeld in art. 56, § 2 WBTW en art. 57 WBTW en door de nietbelastingplichtige rechtspersonen.

3 gebrek aan UITREIKEN van documenten of stukken;

– facturen;

– in tweevoud uit te reiken inkoopborderellen aan btw-belastingplichtigen bedoeld in art. 57 WBTW;

– consignatienota’s bij zendingen van goederen op zicht of in consignatie;

– het dubbel van het bij teruggaaf van btw aan de medecontractant uit te reiken verbeterend stuk;

– de slachtaangiften;

– de rekeningen of ontvangstbewijzen die door de exploitanten van hotels, inrichtingen waar regelmatig maaltijden worden verbruikt en carwash moeten worden uitgereikt.

4

NIET bewaren of NIET ter inzage voorleggen van boeken en stukken die door het WBTW moeten gehouden (zie 2), opgemaakt of ontvangen (zie 3) worden;

De volgende stukken moeten opgemaakt worden op basis van het WBTW:

– het dubbel van de uitgereikte facturen;

– het door de btw-belastingplichtigen bedoeld in art. 57 WBTW ondertekende exemplaar van de aan hen uitgereikte inkoopborderellen;

– de invoerdocumenten;

– de documenten ter verantwoording van de uitvoer;

– de stukken die door btw-belastingplichtigen opgemaakt moeten worden bij levering aan zichzelf of door de landbouwondernemers die hun werkzaamheid in twee onderscheiden sectoren uitoefenen;

– een exemplaar van de slachtaangiften, op te maken door de exploitanten van slachthuizen;

– een exemplaar van het door de aansprakelijke vertegenwoordiger op te stellen document, voor zover dit opgesteld werd;

– de dubbels van de uitgereikte rekeningen of ontvangstbewijzen.

5 NIET beantwoorden van vragen om inlichtingen zelfs als het niet beantwoorden slechts een deel van de gevraagde inlichtingen betreft.

B Ambtelijke aanslag op basis van artikel 66, tweede lid WBTW

Hier is de ambtelijke aanslag mogelijk bij het in gebreke blijven van de schuldenaar van de btw, maar niet bij louter toevallige overtredingen. Het bereik van de aanslag is het hele gecontroleerde tijdvak.

Het al dan niet toevallige karakter van de overtredingen is uiteraard een feitenkwestie. Het moet beoordeeld worden op basis van het aantal en het belang van de overtredingen t.o.v. de regelmatige verrichtingen. De periode waarin de overtredingen werden vastgesteld, moet niet de volledige gecontroleerde periode zijn, maar mag in de praktijk niet minder bedragen dan twee maanden.

Volgende overtredingen geven aanleiding tot een ambtelijke aanslag:

1 NIET inschrijven van de belastbare handelingen;

– het niet inschrijven in het boek voor inkomende facturen van: de aankopen, de invoeren en de intracommunautaire verwervingen, de ontvangen diensten en de leveringen en de diensten aan zichzelf;

– het niet inschrijven in het boek voor uitgaande facturen van de belastbare handelingen waarvoor een factuur moet worden uitgereikt;

– het niet inschrijven in het dagontvangstenboek van de ontvangsten voor de handelingen waarvoor geen factuur werd uitgereikt.

2 NIET uitreiken van facturen of facturen met onjuiste vermeldingen.

– het niet uitreiken van facturen wanneer dit verplicht is;

– het uitreiken van facturen met volgende onjuiste vermeldingen:

a. naam of adres van de partijen;

b. aard of hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten;

c. de overeengekomen prijs;

d. de verschuldigde btw.

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

C

De procedure van de ambtelijke aanslag

De procedure van de ambtelijke aanslag gebeurt in de volgende stadia:

1 Per aangetekende brief wordt aan de schuldenaar van de btw een kennisgeving toegestuurd met motivering van:

– de feiten die de ambtelijke aanslag rechtvaardigen;

– het tijdvak waarop hij betrekking heeft;

– het vermoedelijke bedrag van de belastbare handelingen;

– de wijze waarop de btw en de boeten werden berekend.

2 De schuldenaar van de btw beschikt over een termijn van 1 maand om schriftelijk zijn opmerkingen te maken.

3 Na deze termijn kan de ambtelijke aanslag via de Gewestelijke directeur van de btw worden opgelegd.

4 De beslissing van de ambtelijke aanslag wordt aan de schuldenaar van de btw ter kennis gebracht met een aangetekende brief.

2.8 Het proces-verbaal

Het proces-verbaal vormt een akte waarin de ambtenaar zijn onderzoeksdaden en zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Het proces-verbaal moet worden opgesteld als een overtreding werd vastgesteld, maar ook als het onderzoek feiten aan het licht heeft gebracht die verschuldigde btw en/of een geldboete met zich kunnen meebrengen.

Het proces-verbaal is vooral nuttig voor inbreuken met een vluchtig karakter.

VOORBEELDEN 1

– Het laden of lossen van goederen.

– Het verkopen van bepaalde goederen op de openbare weg.

– De weigering boeken of stukken voor te leggen of inlichtingen te verschaffen.

Het proces-verbaal heeft bewijskracht zolang het tegendeel niet bewezen is. De bewijskracht beperkt zich tot de feiten die vastgesteld werden en niet tot de gevolgtrekkingen van de ambtenaren.

Het proces-verbaal moet aan een aantal vormvereisten voldoen. Zo moet het minstens de volgende gegevens bevatten:

– de naam en hoedanigheid van degene die het heeft opgesteld;

– de datum waarop de vaststellingen werden gedaan;

– de gedane vaststellingen moeten nauwkeurige en omstandig weergegeven worden;

– gedagtekend en ondertekend zijn door de verbalisant.

Strikt genomen is er geen tijdstip waarop het proces-verbaal moet worden opgesteld. Het is echter vrij logisch dat een proces-verbaal zo snel mogelijk wordt opgesteld omdat anders de rechten van de verdediging kunnen geschaad worden.

Het pv wordt in de praktijk o.a. in de volgende gevallen opgesteld:

1 bij het niet ondertekenen van de correctieopgave;

2 andere gevallen;

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

a de weigering van voorlegging van de boekhouding; Er zijn 3 mogelijke gevallen:

– de btw-belastingplichtige weigert zelf de voorlegging; – de ambtenaar wordt ontvangen door een onbevoegd persoon die de voorlegging weigert;

– de ambtenaar wordt niet ontvangen.

b de weigering om een deel van de boekhouding of sommige stukken betreffende de beroepswerkzaamheid voor te leggen; Men maakt het volgende onderscheid:

– de btw-belastingplichtige wil ze niet voorleggen;

– de btw-belastingplichtige kan ze niet voorleggen (omdat hij ze niet gehouden of bewaard heeft).

c het niet bijhouden of niet bewaren van heel de boekhouding of een deel ervan; d het niet afleveren van rekeningen of ontvangstbewijzen; e het register der garagehouders; f de weigering inlichtingen te verstrekken;

g vaststellingen aan de hand van geschriften;

VOORBEELDEN 2

contracten

bestelbons

briefwisseling

h vaststellingen geput uit het dossier van de Directe Belastingen; = een feitelijk vermoeden, er moet een verwijzing zijn naar art. 93quaterdecies WBTW; i vaststellingen ter plaatse wat betreft de winstmarges; j bepaling van de vermoedelijke omzet in de gevallen waarin er geen minnelijk akkoord kan bereikt worden en er geen ambtelijke aanslag mogelijk is; k als inleidend pv bij de procedure van de ambtelijke aanslag.

2.9 De feitelijke vermoedens

De feitelijke vermoedens zijn ook terug te vinden in het Wetboek Inkomstenbelasting. Art. 340 WIB 1992 is vergelijkbaar met art. 59, § 1 WBTW. Art. 341 WIB 1992 (aanslag op basis van tekenen en indiciën) en art. 342 WIB 1992 (aanslag op basis van vergelijking) vormen specifieke bewijsmiddelen inzake inkomstenbelasting. Een typisch voorbeeld van een bewijs door feitelijke vermoedens bestaat erin te vertrekken van een aanslag inzake tekenen en indiciën bij de Directe Belastingen om door deductie de omzetstijging ook met btw te gaan belasten. Hoewel hierover discussie bestaat omdat de tekenen en indiciën geen specifiek btw-bewijsmiddel zijn, heeft deze taxatie aanknopingspunten met de realiteit en vormt ze als dusdanig een (weerlegbaar) feitelijk vermoeden inzake btw. De redenering inzake taxatie volgens tekenen en indiciën vertrekt van de financiële toestand van de belastingplichtige (= gekend feit) om te besluiten over zijn inkomsten (= het onbekende feit). De basisveronderstelling hierbij is dat de omzet van personenbelasting of vennootschapsbelasting gelijk moet zijn aan de omzet inzake btw. Als de belastingplichtige zijn supplementaire inkomsten die voortvloeien uit de taxatie volgens tekenen en indiciën, haalt uit een economische activiteit die onderworpen is aan de btw en deze inkomsten nog niet

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

inbegrepen waren in de inzake btw aangegeven omzet, kan de aanslag inzake tekenen en indiciën de basis vormen van een btw-heffing.

Inlichtingen gevonden bij een leverancier (bv. over zwarte leveringen) hebben geen absolute bewijskracht. Als ze door verificatie bij de afnemer niet worden bevestigd, kunnen ze geen sluitend bewijs vormen.

Het hof van cassatie heeft onlangs geoordeeld dat de fiscus niet zonder meer winstmarges kan opdringen en ze in geval van een bewijsvoering bij feitelijk vermoeden als bekende feiten kan beschouwen, zelfs als het om marges gaat die in een beroepssector algemeen worden aanvaard. Een feitelijk vermoeden kan nooit steunen op een persoonlijke opinie of een algemeen bekend feit (bv. de gemiddelde brutowinstmarge die door dergelijke ondernemingen voor dezelfde goederen wordt toegepast). De rechtspraak heeft bij herhaling beslist dat de bekende feiten van waaruit de redenering vertrekt werkelijk bekend moeten zijn, d.w.z. dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of overeenkomstig de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Dat is zo als de controleur de toegepaste winstmarge uit de boekhouding van de btw-belastingplichtige kan halen.

2.10

Het bewijs door getuigen

Het bewijs door getuigen moet geleverd worden voor de rechtbank volgens de procedure van het getuigenverhoor. Afgezien van de geschreven getuigenis wordt het bewijs door getuigen nagenoeg niet gebruikt in fiscale zaken.

2.11 Het bewijs van de vrijgestelde uitvoer

Vermits een uitvoer in de eerste plaats een nationale levering is, bedoeld in art. 2 WBTW en gedefinieerd in art. 10 WBTW moet hij een goed als voorwerp hebben, bedoeld in art. 9 WBTW en verricht worden door een btw-belastingplichtige bedoeld in art. 4 WBTW. Uiteraard moet op grond van art. 14, § 2 WBTW de plaats van de levering zich in België bevinden. Ten slotte moeten de voorwaarden voor vrijstelling bedoeld in artikel 39 WBTW vervuld zijn.

De aangifte ten uitvoer moet altijd worden opgemaakt op naam van de leverancier. Deze aangifte wordt ingediend op het douanekantoor van uitvoer dat kan samenvallen met het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap. Als dat niet het geval is, begeleidt het exemplaar 3 van het ‘Enig document’ de goederen tot aan het douanekantoor van uitgang om daar geviseerd te worden ter bewijs dat de goederen de Gemeenschap hebben verlaten. In België is het toegelaten om de goederen rechtstreeks aan te bieden bij een douanekantoor van uitgang.

A Het bewijs van de uitvoer bedoeld in art. 39, § 1 WBTW 1 de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap (art. 39, § 1, 1° WBTW);

Een kopie van de verkoopfactuur moet op het douanekantoor worden afgegeven waar een aangifte ten uitvoer (exemplaren 1, 2 en 3 van het ‘Enig document’) moet worden ingediend (art. 2, KB 18). Het bewijs van de uitvoer moet altijd door de verkoper van de goederen kunnen worden aangetoond (o.a. bestelbons, vervoerdocumenten, betalingsstukken, de aangifte ten uitvoer) (art. 3, KB 18).

2 de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privégebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen (art. 39, § 1, 2° WBTW);

De onder art. 39, § 1, 1° WBTW gestelde voorwaarden en bewijzen zijn ook hier noodzakelijk. De niet in België gevestigde koper of een derde die voor zijn rekening handelt, moet bij de inbezitneming een ontvangstbewijs afleveren aan zijn in België gevestigde verkoper.

Dit ontvangstbewijs bevat:

– de datum van afgifte;

– de omschrijving van de goederen;

– het land van bestemming;

– eventueel een verklaring door de derde dat hij handelt voor rekening van de niet in België gevestigde koper.

3 de diensten, andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, bestaande uit werkzaamheden m.b.t. roerende goederen die verworven of ingevoerd zijn om die werkzaamheden te ondergaan en die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door de dienstverrichter of de niet in België gevestigde ontvanger van de dienst of voor hun rekening;

Dezelfde formaliteiten en bewijzen als in art. 39, § 1, 1° en 2° WBTW moeten door de dienstverrichter of de niet in België gevestigde ontvanger van de dienst worden nageleefd.

4 de leveringen van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger (art. 9, § 2, KB 18), die de goederen in België in bezit neemt en ze in zijn persoonlijke bagage uitvoert naar een plaats buiten de Gemeenschap.

De volgende voorwaarden moeten vervuld zijn:

– aan de aankoop moet elk handels- of beroepskarakter vreemd zijn (art. 9, § 1, KB 18);

– de globale waarde van de goederen, btw inclusief, moet per factuur hoger zijn dan 125 EUR;

– de goederen moeten worden uitgevoerd uiterlijk aan het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond;

– de verkoper moet de echtheid van de uitvoer aantonen aan de hand van een exemplaar van de factuur bekleed met het visum van het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap.

B Het bewijs van de uitvoer bedoeld in art. 39, § 2 WBTW

1 de leveringen en ook de intracommunautaire verwervingen van goederen die bestemd zijn om te worden geplaatst onder een regeling als bedoeld in art. 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7° WBTW, en ook de leveringen van die goederen, met handhaving van een van die regelingen (art. 39, § 2 WBTW);

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

Het gaat om de volgende regelingen:

1° regeling van tijdelijke opslag;

4° regeling van vrije zones of vrije entrepots;

5° regeling van douane-entrepots;

6° regeling tijdelijke invoer met toepassing van het schorsingssysteem;

7° regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden.

2 de diensten, andere dan die vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, bestaande uit werkzaamheden m.b.t. goederen die het voorwerp uitmaken van leveringen als bedoeld in 1° of die zich bevinden onder een van de regelingen bedoeld in 1.

Dezelfde voorwaarden en bewijzen blijven hier van toepassing. De vrijstelling wordt iedere keer voorlopig verleend en wordt slechts definitief op het tijdstip waarop de goederen worden uitgevoerd. We wijzen erop dat de vrijstellingen alleen gelden voor Uniegoederen. NietUniegoederen en Uniegoederen die niet onder de toepassing van art. 39, § 2 WBTW vallen kunnen eventueel genieten van de vrijstelling bedoeld in art. 40, § 2 WBTW.

2.12 Het bewijs van de vrijgestelde intracommunautaire levering

Vermits een intracommunautaire levering in de eerste plaats een nationale levering is, bedoeld in art. 2 WBTW en gedefinieerd in art. 10 WBTW, moet zij een goed als voorwerp hebben, bedoeld in art. 9 WBTW, en verricht worden door een btw-belastingplichtige bedoeld in art. 4 WBTW. Uiteraard moeten de voorwaarden voor vrijstelling bedoeld in artikel 39bis WBTW vervuld zijn.

A Hoe kan de verkoper het bewijs van het vervoer of de verzending leveren?

Als de verkoper het vervoer doet of voor zijn rekening laat verrichten, moet het bewijs geleverd worden via een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten die het bestaan van een vervoer vaststellen (de bestelbon van de koper, de factuur van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten ...). Hierbij is het dus het best geen contante betalingen te aanvaarden. Elk bewijsmiddel is toegelaten, geen enkel document is echter voldoende noch onmisbaar.

Als de koper daarentegen het vervoer doet of het voor zijn rekening laat verrichten moet het volgende onderscheid worden gemaakt.

1 vervoer verricht voor rekening van de koper

Het bewijs moet alweer aangetoond worden via een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten die het bestaan van een vervoer vaststellen (de bestelbon van de koper, de factuur van de vervoerder, de vervoerdocumenten, betalingsdocumenten ...). Eventueel moet men een ontvangstbewijs vragen waarop naam, adres, btwnummer van de koper, omschrijving van de goederen en hun bestemming staan (kan ook op het dubbel van de factuur die de verkoper behoudt). Opnieuw is elk bewijsmiddel toegelaten, geen enkel document is voldoende noch onmisbaar.

2 vervoer verricht door de koper met eigen middelen

Het bewijs moet geleverd worden via een geheel van overeenstemmende gebruikelijke handelsdocumenten die het bestaan van een vervoer vaststellen (de bestelbon, betalingsdocumenten ...).

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

Eventueel moet een ontvangstbewijs gevraagd worden waarop naam, adres, btw-nummer van de koper, omschrijving van de goederen en hun bestemming staan (kan ook op het dubbel van de factuur die de verkoper behoudt). Elk bewijsmiddel is toegelaten, geen enkel document is voldoende noch onmisbaar. Bij twijfel moet de verkoper btw aanrekenen. De koper heeft er belang bij voldoende bewijskrachtige documenten aan de verkoper te overhandigen.

B Hoe kan het bewijs van de hoedanigheid van de verwerver worden geleverd?

Dat kan alleen via het btw-nummer met landencode.

Daarnaast kan de verkoper de identiteit van de koper nagaan (identiteitskaart, paspoort, kredietkaart ...). Bij twijfel als men de handelsrelatie nog niet (goed) kent, kan de Centrale Eenheid worden geraadpleegd. Deze verificatie bij de Centrale Eenheid is echter niet noodzakelijk noch voldoende.

C Bestemmingsdocument als alternatief bewijsmiddel van intracommunautaire levering

Het bestemmingsdocument attesteert dat de goederen die het voorwerp uitmaken van de intracommunautaire levering in het bezit zijn van de koper op een plaats in een andere lidstaat dan België. Het wordt opgesteld door de leverancier of door de koper en dient een aantal verplichte vermeldingen te bevatten (Beslissing nr. E.T. 129.460 dd. 1/7/2016).

Artikel 39bis van het WBTW stelt vrij van de btw de levering van goederen die door of voor rekening van de leverancier of de koper vanuit België worden verzonden of vervoerd ter bestemming van een andere lidstaat, waar de koper ertoe gehouden is de intracommunautaire verwerving van de goederen aan de belasting te onderwerpen.

De toepassing van de intracommunautaire vrijstelling is bijgevolg onderworpen aan drie grondvoorwaarden:

– een levering van goederen door een belastingplichtige persoon;

– het vervoer van de geleverde goederen vanuit België ter bestemming van een andere lidstaat; – de koper is er in de lidstaat van bestemming toe gehouden de goederen aldaar aan de btw te onderwerpen.

De vrijstelling kan niet worden onderworpen aan andere, bijkomende voorwaarden.

Overeenkomstig artikel 273 van richtlijn 2006/112/EG is het uitgesloten dat een lidstaat voorziet in grensformaliteiten die resulteren in documenten om het grensoverschrijdende vervoer te kunnen vaststellen. Men kan dus niet voorschrijven dat de overschrijding van interne grenzen binnen de Europese Unie kan worden vastgelegd in documenten.

Artikel 131 van richtlijn 2006/112/EG bepaalt dat de lidstaten moeten voorzien dat men de vrijstelling op eenvoudige wijze kan toepassen.

Rekening houdend met genoemd Europees kader, zal de administratie, op grond van artikel 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 52, aanvaarden dat een zogenaamd “bestemmingsdocument” voor btw-doeleinden kan gelden als alternatief bewijs van een intracommunautair vervoer, i.e. zonder het bezit van het in artikel 3, eerste lid, van dat koninklijk besluit genoemde vervoersdocument, voor zover daarbij de volgende voorwaarden worden nageleefd:

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

1) het staat de leverancier vrij om bij elke afzonderlijke intracommunautaire levering die hij verricht, al dan niet te kiezen voor het gebruik van het bestemmingsdocument om het bewijs van het intracommunautaire vervoer te leveren (alternatieve bewijsvoering);

2) het bestemmingsdocument attesteert dat de goederen die het voorwerp uitmaken van de intracommunautaire levering in het bezit zijn van de koper op een plaats buiten België maar binnen de Gemeenschap, ongeacht de overeengekomen leveringsvoorwaarden;

3) het bestemmingsdocument mag alle intracommunautaire leveringen aan eenzelfde klant omvatten voor een periode van maximaal drie opeenvolgende kalendermaanden waarin de goederen door of voor rekening van de koper in ontvangst werden genomen;

4) de leverancier stelt het bestemmingsdocument op. De administratie aanvaardt evenwel dat ook de koper het kan opstellen. Deze personen handelen daarbij te goeder trouw. In het kader van kettingverkopen, waaronder het driehoeksverkeer, verricht de leverancier, of diens medecontractant, die het bestemmingsdocument moet opstellen de op grond van artikel 39bis van het WBTW vrijgestelde levering;

5) het bestemmingsdocument moet ten minste de volgende vermeldingen bevatten:

– de naam, het adres en het BE-nummer van de leverancier;

– de naam, het adres en het btw-identificatienummer (toegekend door een andere lidstaat dan België) van de koper;

– de bevestiging dat het de aankomst van een intracommunautaire levering van goederen in de zin van artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG betreft;

– de periode waarop het document betrekking heeft, i.e. de periode van maximaal drie opeenvolgende kalendermaanden waarin de goederen door of voor rekening van de koper in ontvangst werden genomen;

– met betrekking tot de geleverde goederen:

– een beschrijving van de geleverde goederen, meer bepaald hun gebruikelijke benaming en hoeveelheid;

– een eenduidige verwijzing naar de factuur of facturen: per factuur het factuurnummer en de datum van de factuur of, als nog geen factuur werd uitgereikt, een andere tussen de partijen gebruikte referentie die men ondubbelzinnig aan de factuur kan linken (ordernummer, nummer leveringsbon, nummer pro formafactuur …) op voorwaarde dat zowel de verkoper als de koper in het bezit zijn van een exemplaar van dergelijk document;

– de maand en het jaar van de ontvangst van de geleverde goederen;

– de plaats buiten België, maar binnen de Gemeenschap, van aankomst van het vervoer van de goederen die het voorwerp zijn van de intracommunautaire levering (lidstaat, stad/gemeente);

– de prijs in EUR van de geleverde goederen (excl. btw);

6) een persoon die daartoe door de koper werd aangeduid en die uit hoofde van zijn administratieve functie binnen de onderneming van de koper, mag worden geacht kennis te hebben van de door de onderneming verrichte aankopen (bv. de verantwoordelijke van de boekhoudafdeling), attesteert de correctheid van de op het bestemmingsdocument ingevulde gegevens door de melding “Ontvangen voor [naam van de koper]”. Hij vermeldt zijn naam en dateert en ondertekent dat document. Men moet het bestemmingsdocument

ondertekenen binnen de drie maanden na het verstrijken van de periode waarop het betrekking heeft.

De leverancier moet zich op voorhand de identiteit en de hoedanigheid van deze persoon per e-mail, per brief of op een andere schriftelijke wijze door de koper laten bevestigen.

In geval van een overbrenging van goederen in de zin van artikel 12bis van het WBTW, is de bedoelde persoon, de persoon in de lidstaat van aankomst, aangeduid door de eigenaar van de goederen;

7) bestemmingsdocumenten kan men per e-mail of op een andere elektronische wijze versturen, alsook bevestigen, voor zover de authenticiteit van de ondertekenaar gegarandeerd blijft. In dit geval moeten de uitwisselingsdocumenten als zodanig eveneens worden bewaard;

8) de leverancier moet erop toezien dat hij in het bezit komt van het ondertekende bestemmingsdocument.

Het bestemmingsdocument geldt als alternatief bewijs van het intracommunautaire vervoer en heeft het weerlegbare vermoeden van juist te zijn, als de verkoper voldoet aan de volgende voorwaarden:

a) de verkoper moet de voorlegging kunnen garanderen van: – de verkoopfactuur; – betalingsbewijzen van de verkoopprijs; – als de goederen voor rekening van de verkoper werden vervoerd, de factuur met betrekking tot dat vervoer;

b) de verkoper moet de intracommunautaire listing met betrekking tot de leveringen die voorkomen op het bestemmingsdocument hebben ingediend;

c) de verkoper heeft alles gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt om te zorgen dat hij, voor de intracommunautaire leveringen die hij heeft verricht en die in het bestemmingsdocument zijn opgenomen, niet bij een belastingfraude is betrokken geraakt.

De administratie behoudt de mogelijkheid om andere documenten dan vervoersdocumenten op te vragen om de echtheid van de transactie en de overeenstemming met de verklaringen op het bestemmingsdocument te controleren. Het bezit van genoemd document ontslaat de verkoper dus niet van de verplichting om, overeenkomstig voornoemd artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 52, andere documenten dan de vervoersdocumenten te kunnen voorleggen (contracten, bestelbonnen, betalingsstukken, facturen van transportondernemingen …) om het recht op de toepassing van de btw-vrijstelling wegens een intracommunautaire levering van goederen te verantwoorden.

Vanzelfsprekend gelden bij de beoordeling van de toepassing van de vrijstelling de Europese rechtsbeginselen inzake evenredigheid, waarbij de niet-naleving van een vormvoorwaarde ondergeschikt is wanneer de grondvoorwaarden werden nageleefd (zaak C-492/13, overweging 36, zaak C-146/05, overweging 29 en zaak C-183/14, overweging 58).

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

Voorbeelden van een bestemmingsdocument

A) De Belgische onderneming X (kwartaalaangever) heeft met een Duitse onderneming Y een bestendige handelsrelatie en levert in de maanden april tot juni goederen die ze via in totaal vijf facturen afrekent. De Duitse onderneming Y kan in één enkel bestemmingsdocument de aankomst van de goederen bevestigen, mits verwijzing naar de respectieve facturen.

Bevestiging van de aankomst van intracommunautaire leveringen van goederen, in de zin van artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, in de fabriek in Duitsland

Periode: april-juni 2016

Leverancier:

– Naam: Nv X

– Adres: Industrielaan 1, 9000 Gent – BE-nummer: BE 999.999.999

Koper:

– Naam: GmbH Y – Adres: Straße…, Keulen/Duitsland – Btw-nummer: DE 999.999.999

Ontvangen leveringen:

Factuur nummer Factuurdatum Zink (in ton) Nikkel (in ton) Koper (in ton) Datum van ontvangst van de goederen door of voor rekening van de koper Plaats aankomst Prijs in EUR (excl. btw)

663 6/4/2016 1 april 2016 Aken 1 405,27

687 27/4/2016 3 mei 2016 Aken 12 384,25

715 12/5/2016 1 mei 2016 Aken 7 909,36

734 10/6/2016 1,5 juni 2016 Aken 11 939,72 1,2 juni 2016 Aken 1 738,26

785 21/6/2016 2 juni 2016 Aken 8 792,83

Bevestiging van de correctheid van het bestemmingsdocument:

– Naam en voornaam: Z (bv. boekhouder van Y)

– Ontvangen voor Y

– Datum: 6/7/2016 – Handtekening van Z

B) Een Belgische onderneming A (maandaangever) verkoopt goederen aan een in Duitsland gevestigde onderneming B. De goederen worden voor rekening van verkoper A over de weg vervoerd naar Frankrijk, waar de klant C van koper B is gevestigd.

Bevestiging van de aankomst van een intracommunautaire levering van goederen in de zin van artikel 138, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG

Periode: mei 2016

Leverancier:

– Naam: Nv A

– Adres: Industriepark West, 8000 Brugge

– BE-nummer: BE 999.999.999

Koper:

– Naam: GmbH B

– Adres: Straße…, Stuttgart/Duitsland

– Btw-nummer: DE 999.999.999

Geleverde goederen:

– Factuurnummer: 700

– Datum factuur: 29/5/2016

– Geleverde goederen: 100 tapijten

– Datum van aankomst: mei 2016

– Plaats van aankomst: Nancy/Frankrijk

– Prijs in EUR van de geleverde goederen (excl. btw): 19 959,00 EUR

Bevestiging van de correctheid van het bestemmingsdocument:

– Naam en voornaam: Z (bv. gevolmachtigde financieel directeur van C, voor rekening van B)

– Ontvangen voor B

– Datum: 16/6/2016

– Handtekening van Z

C) De Belgische onderneming K (kwartaalaangever) heeft aan de Italiaanse onderneming L op 10 januari, 20 februari en 30 juni van een jaar goederen geleverd.

De Belgische onderneming K kan de leveringen van 10 januari en 20 februari in één enkel bestemmingsdocument opnemen met betrekking tot de intracommunautaire leveringen van het eerste kwartaal. Voor de levering op 30 juni moet ze een ander bestemmingsdocument opmaken, omdat de goederen niet in het eerste kwartaal in ontvangst werden genomen.

2.13 Het akkoord

A Geldigheidsvoorwaarden

Het akkoord dat de btw-belastingplichtige of zijn gevolmachtigde sluit met de administratie is onderworpen aan de geldigheidsvoorwaarden uit het burgerlijk recht. Er moet in de eerste plaats een geldige toestemming zijn van de beide partijen. Vandaar dat beide partijen er belang bij hebben om in de volmacht te vermelden of de boekhouder of accountant al dan niet volmacht heeft om voor akkoord te ondertekenen. Het is immers mogelijk dat de volmacht zich beperkt tot de ondertekening van de btw-aangifte en/of de bijstand bij controle. Uiteraard is er geen sprake van geldige toestemming als zij aangetast is door een wilsgebrek (dwaling, bedrog en geweld). Dwaling en bedrog kunnen vrij zelden aangevoerd worden

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

door een van de partijen. De dwaling moet immers verschoonbaar zijn. Het bedrog is dikwijls moeilijk te bewijzen. Bij geweld kan men onterecht denken dat het dikwijls aanwezig is, aangezien elke btw-belastingplichtige een akkoord tekent om een verdere controle of een hogere boete te vermijden. De rechtspraak heeft echter geoordeeld dat geweld slechts een wilsgebrek uitmaakt als het onrechtmatig of ongeoorloofd is. Het dreigen met een aangifte bij de bevoegde overheid, met een doorgedreven controle of met wettelijke boetes, is uiteraard niet onwettig, zelfs al wordt de btw-belastingplichtige daardoor onder morele druk geplaatst.

B Gevolgen van het akkoord

De gevolgen van het akkoord worden gekenmerkt door het legaliteitsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Het legaliteitsbeginsel stelt dat belastingen worden gevestigd volgens een wet en dat alle akkoorden over een bepaalde toepassing van de wet nietig zijn. Het akkoord kan alleen slaan op cijfers, zoals op een beroepsmatig aanvaard gedeelte of op een omzetverhoging. Voor die elementen waarop het akkoord slaat, moet de administratie geen verder bewijs leveren wat de cijfers betreft.

Het vertrouwensbeginsel nuanceert het legaliteitsbeginsel doordat de btw-belastingplichtige er moet kunnen op vertrouwen dat de administratie een gewekt vertrouwen niet beschaamt, zelfs als dat vertrouwen tegen de wet ingaat. De administratie kan dus niet plots zonder waarschuwing haar standpunt wijzigen. De regels toegepast bij een vorige grondige controle moeten in principe gelden voor de volgende controle, behoudens tegenbericht dat geldig is voor de toekomst.

Uiteraard kunnen materiële vergissingen van beide partijen altijd worden rechtgezet.

Ten slotte wijzen we erop dat een akkoord geen overeenkomst in burgerrechtelijke betekenis is in tegenstelling tot de dading. De dading is een overeenkomst waarbij aan een geschil een einde wordt gesteld en waarbij wederzijds toegevingen worden gedaan. Dadingen zijn in fiscale zaken mogelijk, maar kunnen geen betrekking hebben op de belasting zelf. Ze worden dikwijls toegepast bij boetes.

3 Oefeningen

Oefening 1

1 De bv FIGARO, gevestigd in Gent, baat een groothandel in meubelen uit en is, gelet op haar omzetcijfer, gehouden maandelijkse btw-aangiften in te dienen. Het grootste deel van haar omzet realiseert ze door export en van btw vrijgestelde intracommunautaire leveringen van meubelen. Hieruit blijkt dat:

❒ de jaaromzet van de bv FIGARO kleiner is dan 25 000,00 EUR, exclusief btw;

❒ de jaaromzet van de bv FIGARO groter is dan 2 500 000,00 EUR, exclusief btw;

❒ de jaaromzet, behaald uit in België verkochte meubelen, minstens 25 000,00 EUR, exclusief btw, bedraagt;

❒ de jaaromzet, behaald uit in België verkochte meubelen, minstens 500 000,00 EUR, exclusief btw, bedraagt.

2

Welke van de volgende door het WBTW voorgeschreven boeken mag nooit op losse bladen worden gehouden?

❒ het boek voor inkomende facturen;

❒ het boek voor uitgaande facturen;

❒ de tabel van bedrijfsmiddelen;

❒ het dagontvangstenboek;

❒ de klantenrekeningen.

Hoelang moet dat boek bewaard worden?

3 Een btw-controleagent gaat op controle bij een vennootschap en stelt vast dat de boekhouding niet bewijskrachtig is. Heeft hij het recht om alle boeken en stukken mee te nemen naar kantoor voor verder onderzoek?

❒ Neen, hij moet het onderzoek voortzetten op de zetel van de vennootschap.

❒ Ja, hij mag alle boeken en stukken meenemen naar kantoor.

❒ Ja, hij mag alle boeken en stukken meenemen, op voorwaarde dat hij een gedetailleerd ontvangstbewijs afgeeft aan de belastingplichtige vennootschap.

❒ Neen, de agent heeft niet het recht om niet-afgesloten boeken mee te nemen.

❒ Neen, maar hij kan de belastingplichtige wel verplichten om de boeken op kantoor te komen voorleggen.

Oefening 2

Om een fiscaal onderzoek betreffende de onderneming C, gevestigd in Aalst en gespecialiseerd in de verkoop in het klein van ingerichte keukens en keukenmeubelen, inzake btw te vervolledigen, melden Marc en Aline, beiden ambtenaar van de opsporingsdiensten van de btw zich op woensdag 15 december 2020 om 14 uur aan bij de heer P., in Dendermonde. Laatstgenoemde, die onderwijzer is in de stad, heeft aldaar een woning laten oprichten in 2018 die hij met zijn gezin bewoont sinds 1 februari 2019.

De heer P. ontvangt Marc en Aline op de deurdrempel. Marc toont zijn aanstellingsbewijs en maakt zijn identiteit en functie kenbaar. Aline stelt zich ook voor, maar kan haar aanstellingsbewijs niet tonen omdat ze dat verloren heeft.

Marc en Aline vragen aan de heer P. te bevestigen of de firma C wel degelijk een ingerichte keuken heeft geleverd en geplaatst in zijn woning. Als dat het geval is, vragen Marc en Aline om aan hen de desbetreffende factuur voor te leggen en het bankrekeninguittreksel dat de betaling van deze aankoop vaststelt.

De heer P. antwoordt dat hij geen ingerichte keuken heeft aangeschaft bij deze firma, maar wel een keukentafel en zes stoelen die bij hem thuis werden geleverd door de verkoper in de loop van maart 2019. Bovendien verduidelijkt hij dat:

– hij aan de verkoper bij de levering van de goederen een gekruiste cheque heeft overhandigd waarvan hij zich het bedrag niet meer herinnert;

– hij geen factuur heeft ontvangen voor de aangekochte goederen;

– hij niet meer beschikt over de rekeninguittreksels voor het jaar 2019. Hoofdstuk

Hoofdstuk 15 Controlemiddelen en bewijsmiddelen

Rekening houdend met de informatie waarvan zij kennis hebben verkregen en die niet overeenstemt met de verklaringen van de heer P., wensen Marc en Aline toch de juistheid van het verstrekte antwoord met eigen ogen na te gaan. Daarvoor beroepen ze zich op hun recht op toegang dat hen wordt toegekend door het WBTW en gelasten de heer P. om hun vrije toegang te verschaffen tot de woning om er de aanwezigheid van een uitgeruste keuken na te gaan en er alle daarop betrekking hebbende documenten op te sporen.

Zeg of:

1 Marc en Aline de gevraagde inlichtingen van de heer P. kunnen inwinnen;

❒ JA

❒ NEEN

2 de heer P. ertoe gehouden is de factuur voor te leggen voor de meubelen die hij beweert te hebben aangekocht en of hij het gevraagde rekeninguittreksel moet voorleggen;

de factuur:

❒ JA

❒ NEEN

het rekeninguittreksel:

❒ JA

❒ NEEN

3 Marc en Aline over de bevoegdheid beschikken die nodig is om het recht op toegang tot de woning van de heer P. te kunnen eisen om zich te vergewissen van de aanwezigheid van de ingerichte keuken en de erop betrekking hebbende documenten.

❒ JA

❒ NEEN

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
OH_Praktisch_btw-recht_2026_voorbeeldhoofdstuk by VAN IN - Issuu