Aan de slag met Hoe begin ik aan een les? Je vindt de uitgebreide inhoudsopgave van dit werkboek op blz. 5-8. De leerstof vertrekt telkens van een prikkelende vraag in het werkboek. De ondertitel geeft duidelijkheid over de inhoud van de les. In totaal zijn er 44 vragen. Bij het begin van elke vraag vind je een overzicht van de verschillende lesonderdelen. Een icoontje leidt je naar de juiste bladzijde in het bronnenboek. Daar vind je de bronnen terug die je bij de opdrachten nodig hebt.
BB
Vraag 25
Waarom heeft de leraar altijd gelijk?
Over objectief en subjectief in het vertelstandpunt
De auteur van een verhaal schrijft het verhaal, maar hij probeert het zo te doen dat je het verhaal bekijkt vanuit het meest interessante standpunt. Dat standpunt noemen we het vertelstandpunt. De schrijver van het verhaal is niet dezelfde als de verteller van het verhaal. Een mannelijke auteur van middelbare leeftijd kan bijvoorbeeld kiezen om je het verhaal te laten vertellen door een jong vrouwelijk hoofdpersonage. Het is niet alleen handig om te weten wie het verhaal vertelt, het is zelfs aangewezen om dat zo snel mogelijk door te hebben.
1 Ontmasker de leugenaar 2 Vier op een rij 3 De andere kant van de medaille 4 Hoe overleef ik dit boek?
p. 80
Waar vind ik wat ik moet kennen en kunnen? Wat je moet leren, vind je in de groene Vastgespijkerd-kaders.
Wat je moet kennen en kunnen, vind je op het einde van elke vraag in een blauw kader.
Een bijwoord zegt iets meer over woorden die geen zelfstandige naamwoorden (zn) zijn: een werkwoord, een bn, een ander bijwoord, of over de hele zin. Je kunt een bijwoord in een zin niet verbuigen. Het woordje ‘er’ is een bijwoord. Het afgescheiden deel van een werkwoord ook: bv. ik liet de informatie weg. De afkorting is bw.
Wat moet ik kennen en kunnen? Je weet wat een auctorieel vertelstandpunt (auctoriële hij-zij-verteller), een personeel vertelstandpunt (personele hij-zij-verteller), een vertellende ik, een belevende ik is. Je kunt het vertelstandpunt van een tekst(fragment) benoemen. Je kunt de eigenschappen van elk vertelstandpunt met een voorbeeld toelichten. Je kunt het vertelstandpunt van een tekst veranderen (en verantwoorden wat dat aan het verhaal verandert).
In de woordverklaring onderaan de bladzijde vind je uitleg bij allerlei moeilijke woorden.
Woordverklaring rom verklaren = uitleggen waa
Waar ga ik naartoe? Volg de verschillende stappen en word een expert op het vlak van lezen, luisteren/kijken, spreken en schrijven! Elke vaardigheid leer je stapsgewijs aan. Houd daarbij de volgende icoontjes goed in het oog. Ze geven aan welke vaardigheid je aanleert en welke stap je zet.
SCHRIJVEN
ZAKELIJK LEZEN
LUISTEREN/KIJKEN
SPREKEN
Hoe pak ik een spreek- en schrijfopdracht aan? Bij elke spreek- en schrijfopdracht hoort een uitneembaar opdrachten evaluatieblad. Aan de hand van de OVUR-strategie ga je gestructureerd te werk. Een checklist zorgt ervoor dat je het noorden niet verliest.
Checklist voor de leerling
Spreekopdracht 2
Opsporingsbericht
Opdracht BB p. xx
In je bronnenboek vind je de robotfoto’s van ontsnapte topgangsters. Kies met z’n tweeën één foto uit en stel twee opsporingsberichten op: het ene opsporingsbericht is objectief en neutraal; in het andere gebruik je zo veel mogelijk subjectieve woorden en dysfemistisch taalgebruik. Elke leerling leest één opsporingsbericht voor zoals ze op radio of televisie gebracht worden. De groep mag raden welke persoon jullie beschreven hebben. Oriënteren Stap 1: Wat is je spreekdoel? Ik wil mijn publiek informeren / overtuigen / ontspannen / raken.
Het opsporingsbericht bevat voldoende informatie om de persoon zo correct mogelijk te beschrijven.
Mijn mimiek en lichaamshouding zijn gepast.
Het ene opsporingsbericht is duidelijk objectief en bevat alleen neutrale woorden.
Het andere opsporingsbericht is duidelijk subjectief en bevat voldoende dysfemismen.
Ik spreek verzorgd Standaardnederlands.
Ik spreek niet te snel.
Ik spreek niet te stil of te luid.
Ik articuleer goed.
Ik heb de opmerkingen bij de vorige spreekopdracht(en) nagelezen en probeer het deze keer beter te doen.
Stap 2: Welke non-verbale communicatie past bij deze spreekopdracht?
3
Objectief opsporingsbericht:
Vraag 20 - Hoe maak ik iemand uit?
Subjectief opsporingsbericht:
Beginner Stap 3: Welk taalgebruik past bij deze situatie?
Stap 1: Afstemmen op doel
Een opsporingsbericht op radio of televisie is een formele / informele situatie. In die situatie verwacht men een neutraal / dysfemistisch woordgebruik. In het objectieve / subjectieve opsporingsbericht zul je dus neutrale woorden / dysfemismen gebruiken.
/10
In het objectieve / subjectieve opsporingsbericht mag je echter iets heel ongepasts doen: je mag – moet zelfs – daarin neutrale woorden / dysfemismen gebruiken.
Stap 2: Non-verbale communicatie
Bij een opsporingsbericht op radio of televisie spreekt de presentator in Standaardnederlands / tussentaal / dialect.
Gevorderde
De leerling geeft weinig informatie. Hij/zij doet bovendien te weinig moeite om mij te overtuigen.
0
1
2
3
4
5
Mimiek De leerling heeft geen oogcontact met mij. Hij/zij straalt te weinig enthousiasme uit. Lichaamshouding De leerling staat soms met zijn rug naar mij. De leerling is heel zenuwachtig en heeft daardoor een tic, wiebelt op zijn benen …
Voorbereiden 1 Vul eerst het profiel van de vermiste crimineel in. Wat je niet op de robotfoto kunt zien, mag je er zelf bij verzinnen. /10
PROFIEL VERMISTE
Spreektechniek
GESLACHT: LEEFTIJD: GEZICHT:
0
1
2
3
4
0
1
6
7
De leerling probeert de zenuwen te verbergen en zich een zelfverzekerde houding aan te meten, maar valt af en toe nog eens door de mand, bijvoorbeeld door een kleine tic. 6
7
9
10
De leerling kijkt me voortdurend aan. Hij/zij straalt veel enthousiasme en zelfvertrouwen uit. De leerling straalt door zijn/haar houding zelfvertrouwen en rust uit.
8
De leerling spreekt verstaanbaar, maar soms te stil/te luid. soms te snel/te traag. articuleert soms niet goed.
2
Expert De leerling geeft veel informatie over het boek en doet moeite me te overtuigen.
8
De leerling kijkt me meestal aan terwijl hij/zij praat. Hij/zij straalt voldoende enthousiasme uit.
5
De leerling is niet zo goed verstaanbaar. Hij/zij spreek te stil. Hij/zij spreekt te snel/te traag. Hij/zij articuleert niet goed.
/5
De leerling geeft voldoende informatie, maar kan me niet echt overtuigen dat het boek zo bijzonder is. Hij/zij kan mij wel overtuigen, maar geeft weinig informatie.
9
10
De leerling is heel goed verstaanbaar en heeft een goede intonatie.
3
4
5
HAARSTIJL: KLEDIJ BIJ VERDWIJNING:
Attitude
Je bent nog een beginner, want TOTAAL
Vraag 20 - Hoe maak ik iemand uit?
Talloze tips helpen je op weg.
tip
3
/25
Je bent goed op weg. Dit heb je erg goed gedaan:
Knappe prestatie: je bent een expert.
Maar misschien kun je de volgende keer
Redenen waarom je vindt dat een uitspraak waar of onwaar is, noem je argumenten. Hoe sterker je argumenten voor of tegen iets zijn, hoe beter je in een discussie anderen al dan niet kunt overtuigen.
Een overzicht van alle stappenplannen vind je in het vademecum achteraan in je bronnenboek.
Hoe speel ik met taal? In de rubriek Taaluitdaging ga je op een speelse en creatieve manier om met taal. Je wordt uitgedaagd door je leerkracht of je neemt het op tegen je medeleerlingen.
Taaluitdaging 1 Je leraar daagt jullie klas uit voor een groot taalspel: Eén tegen allen. Op een lesuur probeer je samen om 7 taaluitdagingen volledig en juist op te lossen. Wie wordt de winnaar: de klas of de leraar? Spreek ‘de inzet’ af.
Taaluitdaging 1 7 is een getal met een bijzondere betekenis. In de wiskunde is het een priemgetal, maar dat is nu niet aan de orde. In de Bijbel staat het voor ‘voltooid of veel’ en in die laatste betekenis komt het in verschillende religies en ook in sprookjes voor. Verder bestaan nogal wat zaken uit 7. Zoek: Minimaal 7 zaken of uitdrukkingen waarbij 7 iets betekent, uit de religieuze sfeer en/of uit de sprookjeswereld.
Woordenbad Je hebt woorden nodig om te kunnen redeneren, argumenteren, begrijpen. Zonder woorden kun je niet denken. Nieuwe woorden leren houdt nooit op. Als middelbare scholier leer je gemiddeld 3000 woorden per jaar bij. In deze les herhaal je de woorden die je pad kruisten tijdens de voorbije lessen Nederlands. Je verrijkt je woordenschat vertrekkend vanuit de woorden die je al hebt geleerd. Je maakt ook opdrachten over het juiste taalgebruik. Hoe doe je dat? - Je maakt en corrigeert de oefeningen zelfstandig. Bij twijfel raadpleeg je de leraar. - Vlugge werkers of leerlingen die de leraar aanduidt, maken extra oefeningen. - Voor je zelfstandig aan de slag gaat, speel je een woordenspel. Wie wint het?
In de rubriek Woordenbad herhaal je de woorden die je pad kruisten tijdens de voorgaande lessen. Je verrijkt je woordenschat vertrekkend vanuit de woorden die je al hebt geleerd. Je maakt ook opdrachten over het juiste taalgebruik. Na elk woordenbad krijg je een overzicht van de schooltaalwoorden en de instructietaal. Ook is er aandacht voor de correcte schrijfwijze van enkele moeilijke woorden.
Vraag 1
(Schooltaal)woorden (Noteer eventueel de betekenis.)
fundamenteel correct taalgebruik discussie argument
Instructietaal
Correct schrijven
rapporteren overtuigen (be) discussiëren
cliché – clichés carrière solliciteren discussiëren – discussie
Hoe test ik mezelf? Zelftoets deel 1
Op het einde van elk deel maak je een zelftoets. Hier test je wat je al kent en kunt. Met een correctiesleutel in de hand verbeter je jezelf.
Wat heb ik geleerd en wat weet ik daar nog van? Algemeen waar
1 Geef aan: waar of niet waar.
niet waar
1 Een gedicht is pas poëzie als er rijmen zijn. 2 De leraar geschiedenis vergastte ons op een onthutsende documentaire over vergaste Joden. Vergastte/vergaste zijn voorbeelden van homoniemen. 3 De pv kan uit verschillende woorden bestaan. 4 Niet-fictionele teksten zijn nooit emotief. 5 In een fictionele tekst kun je ook informatie vinden.
Hoe ga ik zelfstandig aan de slag?
Doel De volgende opdrachten maken van jou een expert in het lezen en onder woorden brengen van lichaamstaal. Opdracht en werkwijze: Hoe ga je aan de slag? Deel 1: Deze opdrachten maak je individueel. Na elke opdracht vraag je een correctiesleutel aan de leraar. Pas als je zelf de oefening verbeterd hebt, mag je doorgaan met de volgende oefening. Deel 2: Voor het tweede deel mag je samenwerken met je buur. Daarna komt er een klassikale verbetering.
In de rubriek doe-het-zelf ga je op een eenvoudige manier zelf op ontdekkingstocht en krijg je een bepaald aspect van spelling of taalbeschouwing onder de knie.
Hulpmiddelen: Waarmee maak je de opdrachten? Voor opdracht 5: een woordenboek Voor opdracht 6: computer met internet Tijdsbesteding: Hoeveel tijd krijg je voor die opdrachten? 1 lesuur Evaluatie: Hoe word je beoordeeld? Je beoordeelt jezelf via een correctiesleutel die je van je leraar krijgt. Tips en valkuilen: Waarvoor moet je oppassen? Je moet de tijd in de gaten houden.
In de loop van het schooljaar krijg je 10 ICT-opdrachten voorgeschoteld. Die opdrachten vervangen bepaalde onderdelen van een vraag of dagen je op een creatieve manier uit. Alle nodige informatie vind je op www.netwerktaalcentraal.be of www.knooppunt.be.
Leerlingen derde jaar Leraar Nederlands Een zakelijke e-mail versturen
Beste leerling De volgende schrijfopdracht kan je leraar vervangen door een ICT-oefening. In die oefening ga je eerst een aantal afspraken opzoeken over het sturen van goede e-mails en daarna stuur je een perfecte zakelijke mail naar je leraar waarin je een eigen bestand met antwoorden als bijlage meestuurt. Zo weet je meteen hoe je in de toekomst je leraren kunt mailen zonder dat je vervelende opmerkingen krijgt over de manier waarop je hebt gemaild. Om de opdracht goed te kunnen maken, moet je in je werkboek eerst delen 6.1, 6.2 en 6.3 hebben bestudeerd. De benodigdheden voor deze opdracht zijn: - een computer met internetverbinding, - toegang tot een mailprogramma (Outlook, Hotmail, Yahoo, Gmail, Smartschool …), - het bestand ‘De wetten van de elektronische post, of normaler, de e-mail’, dat je zult invullen. Met vriendelijke groeten Je ICT-adviseur
Deel 1 (begin schooljaar tot herfst) Vraag
Taalonderdeel
Wat leer je ? / Wat oefen je?
Woordenschat
ICT
1 Waarom heb ik 4 uur Nederlands? Over de taal die je dagelijks gebruikt en het nut ze te oefenen
Inleiding
Taalaspecten in het vak Nederlands
Schrijven
Creatief schrijven
2 Op welk type val jij? Over teksttypes en tekstdoelen
Zakelijk lezen
Stap 1 Zakelijk lezen - Teksttype en tekstdoel bepalen Stap 1 Luisteren en kijken - Teksttype en tekstdoel bepalen
Engelse woorden in de media
Oefening op tekstdoelen
3 Kan ik spreken zonder woorden? Over lichaamstaal
Luisteren/kijken
Stap 2 Luisteren en kijken - Non-verbale communicatie kunnen aflezen Stap 1 en 2 Spreken - Spreekdoel bepalen - Non-verbale communicatie kunnen inzetten Synoniemen Improvisatieoefeningen non-verbale communicatie
Basisemoties
Speelse oefeningen synoniemen (Stoeien met woorden)
Luisteren/kijken
Spreken Taalbeschouwing Spreken
4 Waarom zou ik boeken moeten lezen? Over het nut en het plezier van literair lezen
Literatuur
5 Wat is er mis met sitroen? Over het belang van spelling
Spelling
Methodes om correct te schrijven Wanneer of waarom moet je correct schrijven?
6 Waarom geef ik de koning geen kus? Over formeel en informeel taalgebruik
Taalbeschouwing
Formeel en informeel taalgebruik – taalregister Spreken in formele en informele taalsituaties Stap 1 en 2 Schrijven - Afstemmen op het doel - Afstemmen op de situatie/context Schrijfopdracht 1 (Een zakelijke e-mail)
Literatuur - Fictie en non-fictie - Verhaalgenres Stap 1 en 2 Spreken - Spreekdoel bepalen - Non-verbale communicatie kunnen inzetten Spreekopdracht 1 (Miniboekenbeurs)
Spreken
Spreken Schrijven
Woordenbad 1
- ICT-taak (alternatief voor 6.1 en 6.2) - ICT-taak (alternatief voor Schrijf-opdracht 1)
Speelse oefeningen homoniemen – vreemde eenden – woordassociaties (Stoeien met woorden)
7 Moeten we dit kennen voor het examen? Over het nut of de nutteloosheid van poëzie
Poëzie
Poëzie - Algemene kenmerken
8 Wat is de zin hiervan? Over hoe een zin in elkaar zit
Taalbeschouwing
Herhaling zinsleer – enkelvoudige zin + voorzetselvoorwerp
9 Kun je het einde zien aankomen? Over onverwachte wendingen in een kortverhaal
Literatuur
Literatuur - Kenmerken kortverhaal
10 Moet ik dat nu echt allemaal lezen? Over de manieren waarop je een zakelijke tekst kunt lezen
Zakelijk lezen
Stap 2 Zakelijk lezen - Leesstrategieën
11 Moeten woorden namen hebben? Over woordsoorten
Taalbeschouwing
Herhaling woordsoorten + voornaamwoordelijk bijwoord
Taaluitdaging 1
Zelftoets 1
Kruiswoordraadsel over moeilijke woorden in een zakelijke tekst
- PowerPoint- presentatie leesstrategieën - ICT-taak (leesstrategieën) - Oefening op woordsoorten
Deel 2 (van herfst tot Kerstmis) Vraag 12 Waarom lijken alle blondjes dom? Over types en stereotypes
13 Is er een vampier in de klas? Over de geloofwaardigheid van personages
Taalonderdeel
Wat leer je ? / Wat oefen je?
Luisteren/kijken
Kritisch omgaan met stereotypen en vooroordelen
Zakelijk lezen
Zakelijke tekst doorgronden
Literatuur
Stereotypen in stripverhalen
Taalbeschouwing
Clichématig taalgebruik
Literatuur
Literatuur - Personages
Woordenbad 2 14 Hoe stel je een zin samen? Over samengestelde zinnen
Woordenschat
ICT
Moeilijke woorden uit een zake- lijke tekst verklaren aan de hand van verschillende woordstrategieën
Speelse oefening uitdrukkingen (Stoeien met woorden) Taalbeschouwing
Samengestelde zinnen
Oefeningen zinsstructuren
Poëzie - Beeldspraak (vergelijking, metafoor, personificatie en synesthesie)
Oefeningen beeldspraak - ICT-taak (beeldspraak)
Taalbeschouwing
Inzicht krijgen in de spelling van de werkwoordsvormen
Spelling
Spelling van de werkwoordsvormen
Oefeningen werkwoordsvormen – Engelse werkwoorden
17 Bestaat er een gps voor zakelijke teksten? Onderwerp en hoofdgedachte bepalen in zakelijke teksten
Zakelijk lezen
Stap 3 Zakelijk lezen - Globale structuur van een tekst
18 Hoe word ik een waarzegger? Over luisterstrategieën en voorspellen
Luisteren/kijken
Stap 3 Luisteren en kijken - Luisterstrategieën
19 Hoe schrijf ik een alinea? Over het waarom en hoe van een alinea
Schrijven
Stap 3 Schrijven - Opbouw van een alinea Schrijfopdracht 2 (Een alinea schrijven)
Oefeningen bindwoorden
20 Hoe maak ik iemand uit? Over eufemismen en dysfemismen
Taalbeschouwing
Objectief en subjectief taalgebruik – eufemistisch en dysfemistisch taalgebruik
- Oefeningen gevoelswaarde van woorden
Spreken
Stap 3 Spreken - Afstemmen op situatie en context Spreekopdracht 2 (Opsporingsbericht)
15 Kun je van een doodgewoon ding een stijlvol stuk maken? Over beeldspraak 16 Is een dt-fout erg? Over de spelling van de werkwoordsvormen
Astrologie
Luisteroefeningen ICT-taak (luisterstrategieën)
- ICT-taak (alternatief voor Spreekopdracht 2)
21 Waar was jij wanneer? Over tijd en ruimte in verhalen
Literatuur
Literatuur - Ruimte en tijd
22 Hoe los ik een examenvraag op? Over schrijfkaders en leren leren
Schrijven
Door middel van schrijfkaders gestructureerd antwoorden op examenvragen
Woordenbad 3
Een zootje ongeregeld (correct schrijven moeilijke woorden) + speelse oefeningen samenstellingen, zinspelen
Zelftoets 2
Oefeningen ruimte en tijd + theorie tijd, plaats
Deel 3 (van Kerstmis tot Pasen) Vraag
Taalonderdeel
Wat leer je ? / Wat oefen je?
23 Kan jouw hond blaffen in het Deens? Over woordtekens
Spelling
Woordtekens
24 Bestemming bereikt? Toepassingen: leesstrategieën en gps voor zakelijke teksten
Zakelijk lezen
Herhaling stappen 1-3 Zakelijk lezen - Zakelijke teksten doorgronden
25 Waarom heeft de leraar altijd gelijk? Over objectief en subjectief in het vertelstandpunt
Literatuur
Literatuur - Vertelstandpunten
26 Ben je een snelle jongen als je snel rijdt? Over de woordsoorten bijvoeglijk naamwoord en bijwoord
Taalbeschouwing
Bijvoeglijk naamwoord – bijwoord – bijwoordelijke bepaling
Luisteren/kijken
Stap 4 en 5 Luisteren en kijken - Bepalen van het doelpubliek - Bepalen van onderwerp en hoofdgedachte Stap 4 en 5 Spreken - Afstemmen op doelpubliek - Onderwerp/hoofdgedachte naar voren brengen Spreekopdracht 3 (Het nieuwsbericht)
Woordenschat
ICT Oefeningen apostrof, accentteken, koppelteken, trema
Oefeningen + theorie vertelstandpunten
Afgeleide bn samengestelde bn – passende bn
Taaluitdaging 2 27 Is er nog nieuws? Over het bepalen van het doelpubliek
Spreken
ICT-taak (doelpubliek en formeel - informeel taalgebruik)
28 Hoe doorgrond ik een moeilijk woord? Over woordstrategieën
Taalbeschouwing
Woordstrategieën
29 Hoe breng ik variatie in mijn schrijfleven? Over vlot en gevarieerd schrijven
Taalbeschouwing
Technieken om vlot en gevarieerd te schrijven
30 Hoe zal de wereld er in 2099 uitzien? Over het bepalen van het doelpubliek bij schrijfopdrachten
Schrijven
Stap 4 Schrijven - Schrijven afstemmen op publiek - Herhaling stappen 1-3 Schrijfopdracht 3 (De wereld in 2099)
31 Lijkt het op dit of is het eerder als dat? Over creatief zijn met vergelijkingen en metaforen
Poëzie Creatief schrijven
Poëzie - Zelf een gedicht schrijven
32 Is elk einde een nieuw begin? Over begin en einde van verhalen
Literatuur
Literatuur - Begin en einde van een verhaal
33 Hoe red ik mijn tomatensoep en jouw leven? Over instructies en structuur
Luisteren/kijken
Stap 6 Luisteren en kijken - Structuur door bindwoorden Stap 6 Spreken - Structuur door bindwoorden
ICT-taak (instructies)
34 Wat als ze liever met je swaffelen dan twitteren? Over nieuwe woorden en hoe die te vormen
Taalbeschouwing
Neologismen – woordvorming
Oefening neologismen
Spreken
Woorden in de media
Vraag 35 Hoe breng ik structuur in een schema? Over tekststructuren en schematiseren
Taalonderdeel
Wat leer je ? / Wat oefen je?
Woordenschat
ICT
Woordenschat
ICT
Stap 4 en 5 Zakelijk lezen - Tekststructuur van een zakelijke tekst - Schematiseren Stap 7 en 8 Luisteren en kijken - Tekststructuur van een zakelijke tekst - Schematiseren Stap 5 Schrijven - Informatie ordenen - Luister-/kijkfragment Schrijfopdracht 4 (Het schema)
Lezen
Luisteren
Schrijven
Woordenbad 4 Zelftoets 3
Deel 4 (van Pasen tot einde schooljaar) Vraag
Taalonderdeel
Wat leer je ? / Wat oefen je?
36 Is het boek altijd beter dan de film? Over klassiekers en de verschillen tussen een boek, een film en een toneelvoorstelling
Literatuur en dramatiek
Verschillen en gelijkenissen tussen film, boek en toneel
ICT-taak (spel tussen tekst en beeld)
37 Waarom schaffen we leestekens en hoofdletters niet af? Over het hoe en waarom van leestekens en hoofdletters
Spelling
Leestekens – hoofdletters
Oefeningen hoofdletters
38 Zullen we beginnen met een hand? Een dialoog van voorbijgaande aard
Poëzie
Poëzie - Creatief schrijven
39 Waarover zal ik het vandaag eens hebben? Over het begin en het einde van een spreekoefening
Spreken
Stap 7 Spreken - Begin en einde van een spreekoefening Spreekopdracht 4 (Verrassend begin en passend einde)
40 Is schrijven schrappen? Over te veel woorden, dubbele ontkenningen en (foutieve) samentrekkingen
Taalbeschouwing
Samentrekking en beknopte bijzin
Schrijven
Technieken om vlotter en beter te schrijven
41 Hoe verlies ik mijn rode draad niet? Over samenhang en structuur in wat je zegt en schrijft
Schrijven
Stap 6 Schrijven - Samenhang tussen de alinea’s Schrijfopdracht 5 (Zakelijke tekst volgens tekststructuur) Stap 8 Spreken - Samenhang
- ICT-opdracht (alternatief voor Schrijfopdracht 5)
Oefeningen tussenletters
Spreken
Oefeningen samentrekking
Taaluitdaging 3 42 Wie heeft het los geld? Over van of aan elkaar schrijven van woorden
Spelling
Aaneenschrijven, koppelteken, tussen-n en tussen-s
43 Wat doen objecten in een zin? Over het onderscheid tussen voorwerpen, objecten en bepalingen
Taalbeschouwing: grammatica
Plaats-, richtings-, maatobjecten Onderscheid voorwerp, object, bepaling
44 Wanneer stop jij met lezen? Over spanning in verhalen
Literatuur
Literatuur - Spanning
Woordenbad 5 Zelftoets 4
Theorie spanning
Speelse oefeningen samenstellingen, zinspelen (Stoeien met woorden)