Skip to main content

Nieuw TaalRecht 1.2 - Schriftelijk

Page 1

at kunnen wij doen?

Taal Recht NIEUW

1.2

B

schriftelijk

s een i t a D dee. i d e go

oor v Wat kuenn t k en n a B d wij dow woord. t en ? n a Bedankt uvoor uw antwoord.

at kunnen Wat kunnW en oen? wij doen?wij d

Bedankt voor uw antwoord.

Ga je mee winkelen?

Ga je m winke


© N

VA IN


THEMA

1

De Nederlandse les

Dit leer ik. • Ik lees een infoblad van de school en noteer de belangrijke informatie. • Ik lees een formele en een informele sms. • Ik schrijf een formele en een informele sms.

IN

1 In het CVO CVO Studiebazaar: ons schooljaar

Centrum voor Volwassenen

Studiebazaar

N

De module 1.2 De module 1.2 begint op 4 september en eindigt op 26 januari. De herfstvakantie is van 30 oktober tot 5 november. 11 november is een feestdag. De school is gesloten. De kerstvakantie begint op 25 december en eindigt op 7 januari.

VA

Inschrijven voor de module 2.1 kan op 1, 2 en 3 februari van 9 tot 12 uur.

©

De module 2.1 De eerste lesdag van module 2.1 is op 5 februari en de laatste lesdag is op 22 juni. De krokusvakantie is van 12 februari tot 18 februari. De paasvakantie is van 2 april tot 15 april. 1 mei is een feestdag. De school is gesloten. Op 30 juni krijgen alle cursisten hun diploma. Hebt u nog vragen? Spreek met uw leerkracht of kom naar mijn bureau. Ik ben aanwezig op maandag / dinsdag / donderdag / vrijdag van 10 tot 15 uur. Ik ben afwezig op woensdag. Joris Duytschaever Directeur

1 Lees de informatie van de directeur.

Wat staat samen? Trek een lijn, zoals in het voorbeeld. beginnen • aanwezig • gesloten • de lesdag • eerste • de cursist •

Thema 1 – De Nederlandse les

• laatste • de leerkracht • afwezig • de feestdag • eindigen • open één

1


2

Taaltaak In het CVO

Rol: cursist

Maak een kalender voor CVO Studiebazaar. Schrijf de maanden op de kalender van CVO Studiebazaar. Schrijf de belangrijke datums op de kalender.

september 4: module 1.2

N

IN

begint

©

VA

juni

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Een sms Taaltaak Een sms over de les

Rol: cursist

1 Lees de sms’jes. Hallo Hassan, Yurek en ik staan bij de tramhalte. Ga je mee met ons naar de school? Wij wachten op jou!

Dag Pei Le, sorry, je moet niet op mij wachten. Ik blijf thuis vandaag. Groetjes. Van:

Van:

Beste leerkracht. Het spijt me. Ik kom vandaag niet. Mijn buurvrouw is ziek. Ik blijf bij haar. Ik ga met haar naar de dokter. Wat is het huiswerk? Ik geef het morgen aan u. Bedankt. Van:

IN

• Hassan, Yurek en Pei Le zijn klasgenoten. Wie schrijft de sms? Schrijf één naam onder de sms: Hassan – Yurek – Pei Le. Wanneer is de Nederlandse les? Schrijf een kruisje X. vandaag morgen met iemand samen gaan:

N

• Zoek het juiste woord. Schrijf op.

gaan

staan / zitten tot iemand komt: bl

w

VA

niet weggaan:

overmorgen

2 Lees de sms’jes.

©

Goedemorgen cursisten 1.2. Het spijt me, morgen is de school gesloten. Morgen is een studiedag voor de leerkrachten. De secretaresse stuurt het huiswerk naar jullie. Met vriendelijke groet, jouw leerkracht

Beste collega. De directeur is ziek. Sturen wij samen een kaartje naar hem? R. Ramael, secretaresse

Beste mevrouw Ramael, ik ben ziek. Vandaag en morgen blijf ik thuis. Overmorgen kom ik terug. Spreekt u met de leerkrachten? In de keuken staat voor hen een nieuw koffiezetapparaat. Els Verhoeven, directeur

• Wie is ziek? Schrijf een kruisje X. de leerkracht de secretaresse de directeur • Het is maandag. Wanneer komt de directeur terug naar de school? Schrijf een kruisje X. dinsdag woensdag donderdag

Thema 1 – De Nederlandse les

3


• Wat past erbij? Onderstreep. huiswerk: thuis poetsen / thuis voor de school werken thuisblijven: buitenkomen / niet buitenkomen terugkomen: weer naar school komen / niet komen Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

3 Studeer. infinitief

ik

jij

... jij

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie – zij (de mensen)

blijf ... thuis

blijft ... thuis

blijf jij ... thuis

blijft ... thuis

blijven ... thuis

terugkomen

kom ... terug

komt ... terug

kom jij ... terug

komt ... terug

komen ... terug

meegaan

ga ... mee

gaat ... mee

ga jij ... mee

gaat ... mee

gaan ... mee

wachten

wacht

wacht

wacht

wacht

wachten

beginnen

begin

begint

begin

begint

beginnen

eindigen

eindig

eindigt

eindig

eindigt

eindigen

IN

thuisblijven

Leertip

VA

N

Kijk naar de nieuwe woorden. Zeg de woorden. Doe dan je boek toe. Zeg de woorden nog een keer.

3 In de klas

1 Ken je de preposities nog? Vul aan.

©

OP, MET, NAAR, VOOR ... zijn preposities. Ken je nog preposities? Schrijf op.

2 Kijk naar de gemarkeerde woorden in de sms’jes op pagina XX. Je ziet: een prepositie + een pronomen. Schrijf de pronomina in het schema.

G

ik /

jij /

u/

wij /

jullie /

hij /

zij /

zij /

Let op: zij / haar = 1 vrouw zij / hen = veel mensen Let op: me = mij jou = je hen = ze

4

Je moet niet op mij / me wachten. Wij wachten op jou / je. In de keuken staat een koffieapparaat voor hen / ze.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1 thema 8: het possessief pronomen

3 In de klas

Schrijf de juiste pronomina. Kijk naar de tip.

Yurek, Hassan en Pei Le Yurek:

Ga je met

Ga je met mij naar het secretariaat?

Hassan:

Ja, dat is goed. Ik ga mee met

Yurek:

En Pei Le? Gaat zij ook mee met

Hassan:

Nee, zij blijft bij de klasgenoten. Zij blijft bij

naar het secretariaat? (ik) . (jij) ? (wij) . (zij)

De leerkracht Van wie is dat boek? Is dat boek van

, Nematullah? (jij)

IN

Leerkracht:

Nematullah: Nee, dat boek is van Pei Le. Dat boek is van Leerkracht:

Waarom schrijf je dan in dat boek?

Schrijf alleen in het boek dat van

is! (jij)

. (u)

N

Nematullah: Dat doe ik. Ik luister naar De cursisten

. (zij)

Leerkracht, stuurt u het huiswerk naar

Leerkracht:

Ja, dat is goed. Ik stuur het huiswerk naar

Maak het huiswerk en geef het aan de mensen van het secretariaat.

VA

Cursisten:

Geef het aan

? (wij) . (jullie)

. (zij)

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

©

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

Thema 1 – De Nederlandse les

5


4 Formeel / informeel 1 Lees de sms’jes nog een keer. Wat hoort bij elkaar? Trek een lijn.

Informeel

Formeel

Groetjes • Dag • Sorry •

• Beste • Met vriendelijke groet • Het spijt me.

Informeel of formeel? Onderstreep. Hoe schrijf je naar een vriend? informeel / formeel Hoe schrijf je naar de leerkracht? informeel / formeel

IN

Naar wie schrijf jij nog formeel?

2 Ook deze sms’jes staan op de gsm van Hassan. Wat kies jij? Onderstreep.

N

Mevrouw, mijn huiswerk is niet klaar. Sorry / Het spijt me, Hassan.

VA

Dag / Beste Hassan, kan jij mij morgen helpen? Ik heb veel werk. Yurek.

Dag / Beste cursist, volgende week hebben wij een test. Groetjes / Met vriendelijke groet, uw leerkracht Nederlands.

©

Dag Yurek. Ik kan jou niet helpen. Ik heb geen tijd. Sorry / Het spijt me. Groetjes / Met vriendelijke groet, Hassan.

3

Herhaal

VIDEO

informeel: Hallo, Hé, Dag ... Yurek formeel: Goedemorgen, Beste ... cursist

informeel: Sorry ... formeel: Het spijt me ...

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


informeel: Groetjes ... formeel: Met vriendelijke groet ...

Bedankt!

Taaltaak Een informele en een formele sms

4

Rol: cursist

Werk samen met een klasgenoot. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx.

IN

a Schrijf één sms’je naar een klasgenoot. Kies: • Je vraagt iets (bijvoorbeeld: je vraagt hulp.) • Je zegt iets (bijvoorbeeld: je brengt koekjes mee naar de les.) Antwoord:

N

VA

b Lees de sms van jouw klasgenoot. Schrijf een antwoord.

©

c Schrijf twee sms’jes naar de leerkracht. • Je komt niet naar de les. • Je vraagt iets (bijvoorbeeld: informatie, hulp ...)

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

Thema 1 – De Nederlandse les

7


5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

posts contact

Ik zit nu in 1.2! Ik ben blij, want ik heb sympathieke klasgenoten. In 1.2 wil ik nog veel Nederlands leren. We werken veel samen in de klas.

2 Schrijf jouw bericht.

bio posts

©

contact

VA

N

• Hoe gaat het in 1.2? • Wat doe jij in 1.2?

IN

bio

Mijn leven in België

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


6 Elke dag Nederlands 1

Taaltaak De schoolkalender

Rol: cursist

Werk samen met je klasgenoten. Maak een kalender voor jouw schooljaar. Kies 1, 2 of 3. 1 Vraag het aan de leerkracht. 2 Ga naar de website van jouw school. 3 Ga naar www.wettelijke-feestdagen.be. Klik op ‘schoolvakanties’.

2 Welke feestdagen zijn er in jouw land?

©

VA

N

IN

Kies een feestdag. Vertel jouw klasgenoten over de feestdag. Toon een foto.

Thema 1 – De Nederlandse les

9


Dit kan ik

Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? VIDEO

Een formele sms Goedemorgen / Beste ... Het spijt me. Met vriendelijke groet, Bedankt!

Een informele sms Hé / Hallo / Dag ... Sorry. Groetjes. Bedankt!

Nieuwe woorden Het schooljaar de cursist – de cursisten de les – de lessen de leerkracht – de leerkrachten de module – de modules het secretariaat

IN wachten

inschrijven

N

meegaan terugkomen thuisblijven

Wie schrijft in voor de module 1.2? Ga je mee naar school? Ik kom overmorgen terug. Hij blijft 2 dagen thuis.

De maand, de maanden januari mei februari juni maart juli april augustus

VA

Adjectieven open / gesloten eerste / laatste aanwezig / afwezig

Ik geef u morgen het huiswerk. Wij sturen een kaartje naar de leerkracht. Wij wachten bij de tramhalte.

geven sturen

De vakantie de feestdag, de feestdagen de vakantie, de vakanties de herfstvakantie de krokusvakantie de kerstvakantie de paasvakantie

©

Preposities bij met naar

Werkwoorden De les begint om 8.45 u. beginnen blijven Ik blijf bij de buurvrouw. eindigen De les eindigt om 12.15 u.

september oktober november december

bij iemand blijven met iemand meegaan naar de les komen iets sturen naar iemand met iemand meegaan naar op iemand wachten

op

Het object pronomen

10

ik

mij

Wachten jullie op mij / me?

wij

ons

Ga je mee met ons?

jij

jou

Wij wachten op jou / je.

jullie

jullie

u

u

Ik geef het huiswerk aan u.

De secretaresse stuurt jullie het huiswerk.

hij

hem

Stuur hem een kaartje.

zij

hen / ze

zij

haar Ik blijf bij haar.

In de keuken staat een nieuw koffiezetapparaat voor hen / ze.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

1 IN HET CVO De dagen

Zet de dagen juist. Schrijf 1 tot 7. Zet de maanden juist. Schrijf 1 tot 12. Doe je boek toe. Schrijf de dagen en de maanden.

Van 1 tot 7

maandag

1

De maanden januari

woensdag

november

donderdag

maart

dinsdag

april

zaterdag

augustus

vrijdag

juni

zondag

7

Van 1 tot 12 1

februari

IN

september juli

oktober mei

2 EEN SMS

N

december

▼

1

▶

VA

1

▼

▼

2

3

▶

▼

▶

6

8

▼

7

©

4

12

Horizontaal 1 2 mei is een gewone … 4 1 mei is een … 6 Van maandag tot vrijdag is de school … 8 De … geeft u een nieuw boek. 9 De … lesdag is op een maandag. 10 De vakantie … op 7 januari. 11 De vakantie … op 25 december.

5

▶

▶

9

▶

10

▶

11

Thema 1 – De Nederlandse les

Verticaal 1 De … lesdag is op een vrijdag. 2 Op zondag is de school … 3 Ik volg les, ik ben dus een ... 5 De directeur is op woensdag … 7 De directeur is op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag …

11


3 In de klas Schrijf het pronomen: mij / jou / u / hem / haar / ons / jullie / hen. Zin

Het pronomen

1 Hassan gaat met Pei Le naar school. Hij gaat met ... naar school.

haar

Pei Le neemt samen met Hassan de tram. Zij neemt samen met ... de tram. En jij? Wie gaat met ... naar school? 2 Ik ga graag naar mijn buren. Ik ga graag naar ... Zij zijn heel vriendelijk voor ... Dat vind ik leuk. Ga jij met ... mee naar mijn buren? Mijn buurvrouw maakt koffie voor ...

IN

Wij kunnen Nederlands spreken met ... 3 Gaat u naar de klas? De leerkracht wacht op ...

Ja, maar mijn klasgenoten zijn er niet. Ik wacht op ... Maar let op: de leerkracht wacht niet lang op ...

N

Hij gaat om tien uur naar huis. Zijn kinderen wachten op ... 4 In de bibliotheek staan boeken voor de cursisten Nederlands.

VA

Het zijn interessante boeken voor ...

De vrouw van de bibliotheek geeft alle informatie aan ...

©

De cursisten zeggen ‘Dank u.’ tegen ...

12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

2

Een uitstap

Dit leer ik. • Ik lees informatie over een uitstap. • Ik stuur een uitnodiging per sms. • Ik reageer op een uitnodiging per sms. • Ik schrijf waarom ik niet kom.

1 Op stap

IN

1 Lees de informatie.

Schrijf het nummer van de foto bij de informatie. 2

4

©

3

VA

N

1

n. zoo van Antwerpe Vriendendag in de ijgt 1 ticket gratis. Koop 1 ticket en je kr e. Breng een vriend me

Jongens en meisjes van 3 tot 12 jaar zijn welkom in onze speeltuin. De toegang is gratis!

Thema 2 – Een uitstap

Cinema Rubens

Hou je van komische films? Verheyen. Om 20 uur spelen wij de nieuwe film van Jan Ben je met twee? Dan krijg je gratis popcorn! lielid mee. Breng jouw partner, een vriend of een fami

één

1


2 Waar gaan ze naartoe? Onderstreep de plaatsen in de informatie, zoals in het voorbeeld van de zoo.

3 Schrijf het woord. je moet niets betalen:

Het is g

.

de zoo geeft het:

Jij k

het van de zoo.

jouw vriend gaat mee:

Jij b

jouw vriend mee.

het naar binnen gaan:

de t

het betaalbriefje:

het

samen eten, dansen:

f

heel graag hebben:

h

jouw man of vrouw:

jouw p

iemand van jouw familie:

een familie

van

IN

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Leertip

VA

N

Vind je onze letters moeilijk om te schrijven? Koop een schrift om te leren schrijven. Je vindt het in een papierwinkel. Schrijf binnen de lijntjes. Vraag aan de leerkracht hoe het moet.

2 De uitnodiging 1 Lees de berichtjes.

Zoek de moeilijke woorden op.

Dag Hassan. Bedankt voor de uitnodiging. Ik ga mee! Ik kom naar jouw huis om half tien, oké? Yurek.

Lieve mama. Eefje en ik gaan morgen naar de speeltuin. Ga jij mee? Wij vertrekken om 12 u. Groetjes, Sofie

Natuurlijk! Ik ga graag mee naar de speeltuin! Ik kom naar jullie om 12 uur. Tot morgen, oma.

Dag broer! Gaan we morgenavond naar de cinema? Ze spelen de nieuwe film van Jan Verheyen. De film begint om 20 u. Pei Le.

Hallo zus, dat is een goed idee! Ik hou van komische films. Afspraak om 19.45 uur aan de ingang van de cinema? Cheng Gong

©

Dag Yurek. Ik ga morgen om 10 uur naar de Vriendendag in de zoo. Ga je mee? Hassan

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Hallo Maria. De zon schijnt. Ik ga vanmiddag naar Muziek in het park. Ga je mee? Groetjes, Hilde

Bedankt voor de uitnodiging, ik ga mee. Ik zie je aan de ingang van het park om twee uur, is dat goed? Maria.

2 Welke relatie hebben zij? Onderstreep. Hassan + Yurek zijn ... Sofie + oma zijn ... Pei Le + Cheng Gong zijn ... Hilde + Maria zijn ...

vrienden / familie vrienden / familie vrienden / familie vrienden / familie

3 Waar en wanneer spreken ze af? Schrijf op. Waar?

Wanneer?

Hassan + Yurek

IN

Sofie + oma Pei Le + Cheng Gong Hilde + Maria

4 Welke woorden zet jij samen? Schrijf het nummer. (1) (2) (3) (4) (5) (6)

de afpraak

(

de ingang

(

)

de speeltuin

(

)

de uitnodiging

(

)

het vertrek

(

)

(

)

VA

binnengaan iemand uitnodigen spelen met iemand afspreken houden van vertrekken

N

W

4

)

©

5 Schrijf bij de tekening: hoe is het weer?

6 Studeer. infinitief

ik

jij

... jij

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie – zij (de mensen)

afspreken

spreek ... af

spreekt ... af

spreek ... af

spreekt ... af

spreken ... af

houden van

hou van

houdt van

hou van

houdt van

houden van

meegaan

ga ... mee

gaat ... mee

ga ... mee

gaat ... mee

gaan ... mee

spelen

speel

speelt

speel

speelt

spelen

uitnodigen

nodig ... uit

nodigt ... uit

nodig ... uit

nodigt ... uit

nodigen ... uit

vertrekken

vertrek

vertrekt

vertrek

vertrekt

vertrekken

Thema 2 – Een uitstap

3


7 Lees en vul in. Nederlands

Engels

Frans

Natuurlijk!

Of course!

Bien sûr !

Goed idee!

Good idea!

Bonne idée !

Jouw taal

8 Welke woorden gebruik je voor een uitnodiging?

Onderstreep zoals in het voorbeeld. Kijk naar het bericht van van Hassan bij oefening 1 op pagina xx.

9 Welke woorden gebruik je voor een reactie?

Omcirkel zoals in het voorbeeld. Kijk naar het bericht van Yurek bij oefening 1 op pagina xx.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

IN

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

10 Herhaal VIDEO

VA

N

De zon schijnt.

©

Het regent.

Ik ga, wij gaan ... vanmiddag / vanavond / morgen / morgenmiddag / morgenavond ... naar de cinema, het park, de speeltuin, de zoo.

– Ga je mee? – Natuurlijk! Ik ga (graag) mee. Dat is een goed idee.

Ik hou van ... films / het park.

Bedankt voor de uitnodiging.

4

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


11 Taaltaak Ga je mee?

Rol: vrijetijdsbesteder

Werk samen met een klasgenoot. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx. Stuur jouw klasgenoot een sms. Schrijf de sms in zijn boek of stuur de sms. Nodig hem uit voor een uitstap. • Wat ga je doen? • Waar spreek je af? • Wanneer spreek je af? Antwoord op de sms van jouw klasgenoot.

VA

N

IN

Dag

3 Het spijt me

1 Lees de sms-berichtjes.

©

Zoek de moeilijke woorden op.

Dag Hassan. Ik ben te laat. De tram komt niet. Sorry! Yurek

Hallo zus. Het spijt me, ik ben moe. Ik kom niet naar de cinema. Groetjes, Cheng Gong

Thema 2 – Een uitstap

Lieve Sofie. Het regent en het regent en het regent ... Gaan jullie zeker naar de speeltuin? Oma

Dag mam. Nee, wij blijven thuis. Misschien morgen? Sofie

Dag Hilde. Mijn kleinkind is op bezoek. Ik ga niet mee wandelen in het park. Ik heb geen tijd. Maria

5


2 Welke woorden zet jij samen? Trek een lijn.

W

te laat • het regent • sorry •

• de zon schijnt • het spijt me • te vroeg

3 Lees en vul in. Nederlands

Engels

Frans

Jouw taal

misschien

maybe

peut-être

zeker

certain, sure

certainement, sûr

4 Schrijf de naam. naam:

Zij gaat niet mee omdat zij geen tijd heeft.

naam:

Hij komt niet omdat hij moe is.

naam:

Hij is te laat omdat de tram niet komt.

naam:

5 Studeer. infinitief

ik

jij

IN

Zij blijft thuis omdat het regent.

... jij?

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie zij (de mensen)

kom

komt

kom jij?

komt

komen

blijven

blijf

blijft

blijf jij?

blijft

blijven

gaan

ga

gaat

ga jij?

gaat

gaan

hebben

heb

hebt

heb jij?

heeft

hebben

zijn

ben

bent

ben jij?

is

zijn

VA

G

N

komen

6 Onderstreep de werkwoorden.

©

Na ‘omdat’ schrijf je een bijzin. In een bijzin staat het werkwoord op het einde. Gewone zin Het werkwoord staat op (2).

Zin met ‘omdat’ Het werkwoord staat op het einde.

Het regent.

... omdat het regent.

Zij heeft geen tijd. Hij is moe. De tram komt niet.

... omdat zij geen tijd heeft. ... omdat hij moe is. ... omdat de tram niet komt.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 Ik kom niet 1

Herhaal

VIDEO

Ik blijf thuis .... omdat het regent.

Ik ga niet mee ... omdat ik geen tijd heb.

IN

Ik kom niet ... omdat ik moe ben.

N

Ik ben te laat ... omdat de tram niet komt.

VA

2 Waarom nog? Maak een mooie zin. Gebruik je fantasie! Vergelijk dan met je klasgenoten. Ik blijf thuis omdat

Ik ga niet mee omdat

©

Ik kom niet omdat Ik ben te laat omdat

3

Taaltaak Ik kom niet

Rol: vrijetijdsbesteder

Schrijf een sms. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx. Je hebt een afspraak. Schrijf dat je niet komt. Schrijf waarom je niet komt.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Thema 2 – Een uitstap

7


5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

Mijn leven in België

Mijn vriend Yurek

bio posts

Yurek is mijn klasgenoot en mijn vriend. Hij komt uit Polen. Hij is niet getrouwd en heeft geen partner. Hij is mijn vriend omdat hij graag lacht en omdat hij mij helpt. Soms maken we samen een uitstap. We gaan naar de cinema en naar het park. Dat is leuk!

2 Schrijf jouw bericht.

N

IN

contact

VA

Schrijf over een uitstap met een vriend of met een familielid.

©

bio

posts

contact

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


6 Elke dag Nederlands Taaltaak In mijn stad

Rol: vrijetijdsbesteder

Werk samen met enkele klasgenoten. Kies: 1 of 2

1 Kies een plaats in de stad, bijvoorbeeld een park bij jouw huis. Neem een foto van die plaats. Toon de foto aan jouw klasgenoten. Schrijf een sms: nodig jouw klasgenoten uit om samen naar die plaats te gaan. Antwoord op de uitnodiging van jouw klasgenoten.

2 Ga naar de toeristische dienst van jouw stad.

©

VA

N

IN

Vraag enkele brochures. Kies één plaats uit de brochure. Schrijf een sms: nodig jouw klasgenoten uit om samen naar die plaats te gaan. Antwoord op de uitnodiging van jouw klasgenoten.

Leopoldpark in Brussel

Citadelpark in Gent

Stadspark in Antwerpen

Thema 2 – Een uitstap

9


Dit kan ik

Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? De uitnodiging De zon schijnt. Het regent.

De afspraak Ik kom naar ... We vertrekken om ... Aan de ingang van ...

Ga je mee? Natuurlijk! Ik ga graag mee. Dat is een goed idee. Ik hou van ... Zeker. Misschien. Bedankt voor de uitnodiging.

Werkwoorden We feesten in het park. feesten gaan Ik ga naar het park. houden van Ik hou van komische films. Kom je naar school? komen kopen Koop een ticket. Jij krijgt een ticket gratis. krijgen spelen Ze spelen een mooie film. vertrekken We vertrekken om 3 uur.

VA

De uitstap We gaan naar ... de speeltuin het park de zoo de cinema

N

Nieuwe woorden

Het spijt me. / Sorry. Ik ben moe. Ik ben te laat. Ik heb (geen) tijd.

IN

VIDEO

©

de toegang – de toegangsprijs het ticket – de tickets gratis

de partner – de partners het familielid – de familieleden oma – opa

afspreken meebrengen uitnodigen

Waar spreken wij af? Breng jouw vrienden mee. De zoo nodigt jullie uit.

Een zin met OMDAT Gewone zin Het werkwoord staat op (2). Ik heb geen geld. Hassan is moe.

10

Zin met OMDAT Het werkwoord staat op het einde. Ik kom niet OMDAT ik geen geld heb. Hij blijft thuis OMDAT hij moe is.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

1 Op stap Wat is het? Een persoon, een plaats of een ding? Zet een kruisje. een persoon

een plaats

een ding

de cinema de film de jongen de partner

IN

de popcorn de speeltuin de toegang de vriend de zoo

N

het familielid het park het ticket

VA

het meisje

2 De uitnodiging

©

Schrijf de preposities. 1 – Ik ga morgen – Bedankt

Ik ga graag

tien uur naar de school. Ga je mee? de uitnodiging. .

Ik kom

jouw appartement.

2 Ga je mee

de cinema?

Ze spelen de nieuwe film Ik hou Spreken wij af 3 Wij gaan morgen Wij vertrekken

Thema 2 – Een uitstap

Jan Verheyen.

mooie muziek. de ingang van de school? het park. 3 uur.

11


3 Het spijt me Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Vul in elke zin drie andere werkwoorden in. Kies uit: zijn / komen / gaan. 1 Hassan

ziek. Hij

Hij

naar de dokter.

niet naar het feest.

2 Ik

naar het park.

jij mee? Of

3 Wij

blij want wij

naar Brussel en

onze vrienden

ook.

4 Mijn vriend

in België. Hij

Morgen

hij naar Nederland.

op bezoek.

5 Jij helpt mij met mijn huiswerk. Jij Jij

jij moe?

op bezoek.

6

wij samen een huis kopen?

4 Ik kom niet

IN

een goede vriend.

Zin met OMDAT

VA

Gewone zin

N

Maak van twee zinnen één zin met OMDAT. Zet het onderstreepte werkwoord op het einde van de zin.

Ik blijf thuis. Ik ben moe.

Ik blijf thuis omdat ik moe ben.

Hij blijft thuis. Het regent hard.

Zij gaat niet naar school. Zij is ziek.

©

Wij gaan niet naar school. Wij hebben vakantie.

Zij gaat niet naar huis. Zij heeft geen tijd.

Ik ga naar het werk. Ik heb geen vakantie.

Hij blijft op school. Hij wil een diploma.

Wij hebben vakantie. Het is 1 mei.

Zij blijft in België. Zij werkt in België.

Wij gaan naar huis. Het is feest.

12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

3

Een klacht

Dit leer ik. • Ik stuur een berichtje met een klacht. • Ik lees een reactie van de huisbaas. • Ik zeg op welke verdieping ik woon. • Ik spreek met klasgenoten over mijn klacht.

1 Lees de klachten van Yurek en Pei Le.

Dag mevrouw De lamp in de gang is kapot. Wij kunnen niets zien. Kan u iemand laten komen? Bedankt, Pei Le – appartement 12

VA

N

HEEL DRINGEND Beste huisbaas, mijn toilet is kapot. De hele gang stinkt. Kan u iets doen? Kan u het toilet laten maken? Yurek, studio nummer 51

IN

1 Een klacht voor de huisbaas

2 Welk werkwoord is correct? Trek een lijn.

W

©

iets laten • kapot • iemand laten •

• zijn • komen • maken

3 Schrijf het woord juist. het werkt niet

= het is topak

de wc

= het teloti

snel alstublieft!

= het is dirdeng

niet lekker ruiken

= nektsin

4 Lees en vul in. Nederlands

Engels

Frans

iets

something

quelque chose

niets

nothing

rien

iemand

someone

quelqu’un, quelqu’ne

niemand

nobody

personne

Thema 3 – Een klacht

Jouw taal

één

1


5 Vul in: iets – niets / iemand – niemand. Het licht is kapot. Kan u

laten komen?

Nee, ik ken

. doen?

De wasmachine is kapot. Kan u Nee, ik kan

doen.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

IN

6 Teken en schrijf nog een woord.

De / het

is kapot.

N

Schrijf ook een woord van jouw klasgenoten.

7 Studeer.

2

ik

jij

... jij

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie – zij (de mensen)

doen

doe

doet

doe

doet

doen

komen

kom

komt

kom

komt

komen

laten

laat

laat

laat

laat

laten

©

infinitief

VA

Wat is kapot?

maken

maak

maakt

maak

maakt

maken

stinken

stink

stinkt

stink

stinkt

stinken

werken

werk

werkt

werk

werkt

werken

zien

zie

ziet

zie

ziet

zien

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Het antwoord van de huisbaas 1 Lees de antwoorden van de huisbazen.

Dag Pei Le Ik zal een elektricien sturen. Is morgen oké? De huisbazin.

Morgen is oké. Wij zullen heel de dag thuis zijn. Pei Le.

heel + een adjectief: de / het + hele + een substantief: heel + de / het + een substantief:

IN

Nee, ik ken niemand in België. Yurek.

heel dringend de hele gang heel de dag

N

G

Beste Yurek Ik kan niets doen. Het toilet is niet mijn probleem. Het toilet is uw probleem. Kent u geen loodgieter? De huisbaas

VA

2 Vul in: heel / hele. De huisbaas van Pei Le is

vriendelijk.

Maar de huisbaas van Yurek is niet Yurek heeft een

groot probleem.

Zijn toilet is kapot. De En ook

vriendelijk.

studio stinkt.

de gang stinkt.

©

Yurek wacht de

dag op de loodgieter.

De klacht van Yurek is

dringend.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

W

3 Is het voor de elektricien of de loodgieter? Zet een kruisje. De elektricien

De loodgieter

de kraan

de lamp

Thema 3 – Een klacht

3


De elektricien

De loodgieter

de radiator

de schakelaar

IN

het stopcontact

het toilet

N

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

4 Lees en vul in. kunnen kennen zullen

5 Studeer.

Engels

Frans

Jouw taal

VA

Nederlands

pouvoir

to know

savoir

will, shall

aller

ik

©

infinitief

to be able to, can

jij

... jij

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie – zij (de mensen)

kennen

ken

kent

ken

kent

kennen

sturen

stuur

stuurt

stuur

stuurt

sturen

Over de werkwoorden ‘kunnen’ en ‘zullen’ leer je op pagina xx.

6

Herhaal

VIDEO

Het toilet, het licht ... is kapot.

4

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Het is dringend.

Kan u ... het toilet, het licht ... laten maken?

Kan u ... iemand, de loodgieter, de elektricien ... laten komen? Ik zal ... iemand, de loodgieter, de elektricien ... sturen.

IN

Wanneer bent u thuis? Ik ben de hele dag thuis.

N

Ik kan niets doen. Het is niet mijn probleem.

Taaltaak Ik heb een klacht

VA

7

Rol: administrator

Schrijf twee berichten. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx.

©

Jij hebt een probleem. Schrijf een bericht voor de huisbaas.

Jij bent de huisbaas. Lees het bericht van een klasgenoot. Schrijf een antwoord.

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

+

8 Heb jij op jouw telefoon een Nederlands berichtje? Toon het aan jouw klasgenoten. Spreek erover.

Van wie is het berichtje? Wat staat in het berichtje? Thema 3 – Een klacht

5


3 Dat zal ik doen G

De werkwoorden ‘kunnen’ en ‘zullen’ inifinitief

ik, jij / u, hij / zij

wij, jullie, zij

kunnen

kan

zal

zullen

zal

zullen

Zet ‘kunnen’ of ‘zullen’ in het begin van de zin. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin. • Ik kan niets doen. • We zullen de hele dag thuis zijn. Weet je nog?

IN

Nieuw TaalRecht 1.1. thema 5: het werkwoord ‘kunnen’.

1 Onderstreep de infinitief van het andere werkwoord, zoals in het voorbeeld. Kan u iets doen? Ik zal een elektricien sturen.

N

Wij kunnen niets zien. Wij zullen heel de dag thuis zijn.

VA

2 Studeer.

Kunnen en zullen

Kan u het toilet laten maken? Ja, ik zal het toilet laten maken.

©

Kunnen jullie iemand laten komen? Wij zullen iemand laten komen.

3 Maak een zin met ‘kunnen’ of ‘zullen’, zoals in het voorbeeld. voorbeeld: V raag het aan de buren. (kunnen) Kan u / Kan jij het aan de buren vragen? • Wij gaan niet naar het toilet. (kunnen)

• Ik betaal de rekening. (zullen)

• Stuurt u een loodgieter? (kunnen)

• De buurman neemt de post mee. (kunnen)

• De buren doen alles voor mij. (zullen)

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot. VIDEO

Klasgenoot A

Klasgenoot B Wij zullen naar de politie telefoneren.

Ik kan de elektriciteit niet betalen.

Ik betaal de elektriciteit niet. (kunnen)

Mijn man spreekt met de buren. (zullen)

Mijn man zal met de buren spreken.

De buren zullen met de huisbaas telefoneren.

De buren telefoneren met de huisbaas. (zullen)

De huisbaas komt morgen. (kunnen)

De huisbaas kan morgen komen.

De bank zal de rekening sturen.

De bank stuurt de rekening. (zullen)

Spreken jullie niet met de buren? (kunnen)

Kunnen jullie niet met de buren spreken?

Wij kunnen de buren niet helpen.

Wij helpen de buren niet. (kunnen)

De huisbazin stuurt een loodgieter. (zullen)

De huisbazin zal een loodgieter sturen.

De elektricien kan de lamp maken.

De elektricien maakt de lamp. (kunnen)

IN

Wij telefoneren naar de politie. (zullen)

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

4

Taaltaak Wat zullen we doen?

Rol: administrator

VA

N

Kijk naar jouw klacht op pagina xx. Spreek met je klasgenoten. De huisbaas reageert niet. Wat kunnen jullie doen? Wat zullen jullie doen? ONZE KLACHT Wij kunnen

©

Wij zullen

Thema 3 – Een klacht

7


4 Welke verdieping? 1 Lees de sms’jes van oefening 1 op pagina xx nog een keer. Kijk naar het nummer van het appartement of de studio. Wat denk je? Vul in: vijfde / eerste. Yurek woont op de

verdieping.

Pei Le woont op de

verdieping.

2 Studeer. Tellen

Tellen

één

de eerste verdieping

14

veertien

de veertiende verdieping

2

twee

de tweede verdieping

15

vijftien

de vijftiende verdieping

3

drie

de derde verdieping

...

4

vier

de vierde verdieping

5

vijf

de vijfde verdieping

6

zes

de zesde verdieping

7

zeven

de zevende verdieping

8

acht

9

IN

1

twintig

de twintigste verdieping

30

dertig

de dertigste verdieping

40

veertig

de veertigste verdieping

50

vijftig

de vijftigste verdieping

de achtste verdieping

60

zestig

de zestigste verdieping

negen

de negende verdieping

70

zeventig

de zeventigste verdieping

10

tien

de tiende verdieping

80

tachtig

de tachtigste verdieping

11

elf

de elfde verdieping

90

negentig

de negentigste verdieping

12

twaalf

de twaalfde verdieping

100

honderd

de honderdste verdieping

13

dertien

de dertiende verdieping

VA

N

20

3 Maak de A/B oefening met een klasgenoot. Lees het blauwe vak. Controleer je klasgenoot. Wissel dan van rol.

©

VIDEO

Klasgenoot A

8

Klasgenoot B

5 – de 5e verdieping

vijf – de vijfde verdieping

twee – de tweede verdieping

2 – de 2e verdieping

10 – de 10e verdieping

tien – de tiende verdieping

zeven – de zevende verdieping

7 – de 7e verdieping

3 – de 3e verdieping

drie – de derde verdieping

één – de eerste verdieping

1 – de 1e verdieping

9 – de 9e verdieping

negen – de negende verdieping

vier – de vierde verdieping

4 – de 4e verdieping

6 – de 6e verdieping

zes – de zesde verdieping

acht – de achtste verdieping

8 – de 8e verdieping NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 Op welke verdieping woon jij?

Leertip

Vertel het aan je klasgenoten. Wie woont op de hoogste verdieping?

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

Kies een vast moment om thuis Nederlands te studeren. Vertel aan jouw vrienden en familie wanneer jij Nederlands studeert. Vraag jouw vrienden en familie om je op die momenten niet te storen.

5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

Mijn huisbazen

posts

Mijn huisbazen zijn een man en een vrouw. Zij zijn heel vriendelijk. Maar ze helpen mij niet. Het slot van de voordeur is kapot. Ik ben bang omdat iedereen naar binnen kan.

VA

contact

N

bio

Mijn leven in België

IN

DOOR HASSAN

2 Schrijf jouw bericht.

©

Schrijf over jouw huisbaas of over jouw buren.

bio posts contact

Thema 3 – Een klacht

9


6 Elke dag Nederlands Taaltaak Het huurdersplatform

Rol: administrator

Het huurdersplatform is een organisatie van huurders. Ga naar de website: huurdersplatform.be Zoek de informatie van het huurdersplatform in jouw stad. adres:

mailadres:

telefoon:

©

VA

N

IN

openingsuren:

10

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Dit kan ik

Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? Een bericht aan de huisbaas Beste huisbaas Dag meneer / dag mevrouw De/het ... is kapot. De/het ... stinkt.

Kan u ... laten maken? Kan u ... laten komen? Kan u ... sturen? Ik ben ... thuis. Het is dringend.

Het antwoord van de huisbaas Ik zal ... sturen. Wanneer bent u thuis? Ik kan niets doen. Het is niet mijn probleem.

Nieuwe woorden De klacht, de klachten het appartement – de appartementen de studio – de studio’s

Tellen 1 – de eerste 2 – de tweede 3 – de derde 4 – de vierde 5 – de vijfde 6 – de zesde 7 – de zevende 8 – de achtste 9 – de negende 10 – de tiende 11 – de elfde 12 – de twaalfde 13 – de dertiende 14 – de veertiende 15 – de vijftiende ... 20 – de twintigste 30 – de dertigste verdieping 50 – de vijftigste verdieping 100 – de honderdste verdieping

VA

iets / niets iemand / niemand

laten iets laten maken iemand laten komen kennen iets kennen iemand kennen

N

de huisbaas, de huisbazin – de huisbazen de elektricien – de elektriciens de loodgieter – de loodgieters

IN

Bedankt!

In huis de kraan – de kranen de lamp – de lampen de radiator – de radiators de schakelaar – de schakelaars het stopcontact – de stopcontacten het toilet – de toiletten

©

VIDEO

Werkwoorden doen Wat kan ik doen? stinken Het toilet stinkt. sturen Ik stuur een loodgieter. werken De lamp werkt niet. zien Wij kunnen niets zien.

Thema 3 – Een klacht

11


HEEL / HELE • HEEL + een adjectief voorbeeld: heel dringend • HEEL + de / het + een substantief voorbeeld: heel de dag, heel de gang • de / het + HELE + een substantief voorbeeld: de hele dag, de hele gang

KUNNEN en ZULLEN infinitief

ik, jij, u, hij / zij

wij, jullie, zij

kunnen

kan

kunnen

zullen

zal

zullen

©

VA

N

• Wij kunnen de rekening niet betalen. • Ik zal de elektricien sturen.

IN

Zet ‘kunnen’ of ‘zullen’ in het begin van de zin, bij het subject. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin.

12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

1 Een klacht voor de huisbaas Vul in: iets – niets / iemand – niemand. – Hallo! – Is er

? Heb je een probleem?

– Ja, ik heb een probleem. Kan

mij helpen?

– Ja, ik zal je helpen. Wat kan ik doen? – Mijn sleutels! Waar zijn mijn sleutels? – Kan je niet binnen? – Nee,

is thuis.

En jij kan mij helpen schoonmaken. – Wat ???? – Ja,

IN

– Kom mee naar mijn huis. Ik zal je koffie en koekjes geven.

is gratis. Ook koffie en koekjes niet.

N

2 Het antwoord van de huisbaas

VA

1 Lees en maak een woord met ‘heel’ of ‘hele’, zoals in het voorbeeld. Woorden klein de klas

Met ‘heel’ of ‘hele’

heel klein

heel de klas, de hele klas

de familie

©

het feest formeel goed

de vakantie graag groot het park de school vriendelijk ziek de zondag

Thema 3 – Een klacht

13


2 In de woordzoeker staan twaalf woorden. Hoeveel woorden vind jij? N

K

B

I

T

O

I

L

E

T

B

E

A

R

G

A

N

G

S

R

G

C

K

L

P

A

X

E

R

T

T

O

S

L

E

E

P

A

U

B

A

H

O

Y

C

O

L

K

A

N

K

Z

D

U

P

Y

H

O

F

T

R

K

M

H

I

I

C

I

A

D

X

R

T

S

V

R

A

S

O

V

K

G

U

I

loodgieter

E

T

F

F

T

B

N

L

E

I

Q

C

radiator

M

U W

F

O

A

T

A

L

E

B

I

schakelaar

E

D

P

E

R

A

A

M

A

T

G

E

stopcontact

N

I

W

T

I

S

C

P

A

E

C

N

studio

T

O

Q

I

G

X

T

S

R

R

U

U

elektricien gang huisbaas kraan

IN

lamp

toilet

N

3 Dat zal ik doen

appartement

VA

Lees de berichten. Vul in: kan – kunnen / zal – zullen. – Beste buren, – Oké. Wij – Geachte,

©

– Geen probleem. Ik – Mevrouw,

– Dat is goed. Ik

de tv stiller zetten. u de rekening sturen? de rekening sturen.

u het formulier invullen? het formulier invullen.

– Dag buurvrouw,

jij de huisbaas contacteren?

Mijn man en ik

niets zien. Het licht is kapot.

– Geen probleem! Ik

14

jullie de tv een beetje stiller zetten?

de huisbaas contacteren.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

4

Ik ben ziek

Dit leer ik. • Ik schrijf over gezondheid. • Ik lees en interpreteer een tekst over de huisapotheek. • Ik maak samen met mijn klasgenoten een poster over gezondheid. • Ik lees en schrijf een sms omdat ik niet kan komen.

1 Gezond of ongezond

Rook nooit sigaretten. Rook soms sigaretten.

N

Was jouw handen altijd voor het eten. Was jouw handen altijd na het eten.

IN

1 Lees de zinnen en zet een kruisje: wat is gezond?

VA

Leg medicijnen altijd in de koelkast. Leg medicijnen altijd in de oven. Drink veel alcohol. Drink geen alcohol.

Slaap zes uur per dag. Slaap acht uur per dag.

©

Eet veel groenten of fruit. Eet weinig groenten of fruit.

Poets altijd je tanden voor je gaat slapen. Poets soms je tanden voor je gaat slapen.

W

2 Geef een voorbeeld. de groente: het fruit: het medicijn:

3 Wat is het? Toon het met een beweging! • je tanden poetsen • je handen wassen • water drinken

Thema 4 – Ik ben ziek

• een sigaret roken • slapen • een appel eten

1


4 Lees en vul in. Nederlands

Engels

Frans

Jouw taal

altijd

always

toujours

nooit

never

jamais

soms

sometimes

parfois

veel

a lot / often

beaucoup / souvent

weinig

a few / rarely

peu / pas souvent

5 Wat is correct? Onderstreep.

IN

Ik eet soms / nooit een appel. Ik eet gezond. Mijn dochter eet weinig / veel suiker. Zij eet ongezond. Mijn vriend wast altijd / nooit zijn handen na een toiletbezoek. Dat is gezond. Mijn zoon gaat veel / weinig sporten. Hij leeft ongezond. Mijn ouders eten nooit / altijd groenten. Zij eten ongezond. Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

6 Studeer. jij

... jij

N

ik

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie – zij (de mensen)

drink

drinkt

drink

drinkt

drinken

eten

eet

eet

eet

eet

eten

leven

leef

leeft

leef

leeft

leven

leggen

leg

legt

leg

legt

leggen

poetsen

poets

poetst

poets

poetst

poetsen

roken

rook

rookt

rook

rookt

roken

slapen

slaap

slaapt

slaap

slaapt

slapen

wast

was

wast

wassen

VA

drinken

©

infinitief

wassen

was

7 Werk samen met je klasgenoten. Wat is nog gezond? Schrijf nog instructies.

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online. Leertip Wanneer je een nieuwe taal leert, dan krijg je veel nieuwe woorden. Je kan niet AL de nieuwe woorden leren. Leer de woorden die jij belangrijk vindt en de woorden die je nodig hebt.

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 De huisapotheek 1 Heb je een huisapotheek? Dan moet je voorzichtig zijn. t in 2 De huisapotheek mag nie de badkamer staan.

1 Lees de tekst over de huisapotheek. Zoek één woord in elke zin. Onderstreep het woord zoals in het voorbeeld.

1 2 3 4 5

3 Kinderen mogen niet bij de medicijnen komen.

je kijkt goed uit: je bent ... de kamer waar jij je wast: ... zij zijn nog klein: ... niet jij, maar iemand ... hoelang jouw medicijn nog goed is: de ...

t 4 Jij mag jouw medicijnen nie aan iemand anders geven. datum 5 Je moet de houdbaarheids en. van de medicijnen controler

2 Lees de tekst nog een keer.

• moet ...

IN

Welk werkwoord staat bij moet / moeten en mag / mogen? Schrijf het werkwoord zoals in het voorbeeld. zijn

• mag niet … • mogen niet … • mag niet …

N

• moet ...

infinitief mogen moeten

VA

De werkwoorden ‘mogen’ en ‘moeten’

G

ik, jij / u, hij / zij

wij, jullie, zij

mag

mogen

moet

moeten

Weet je nog?

©

Zet ‘mogen’ of ‘moeten’ in het begin van de zin. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin. • Je mag jouw medicijnen niet aan iemand anders geven. • Je moet voorzichtig zijn.

Nieuw TaalRecht 1.1 thema 10: NIET en GEEN.

Let op: K inderen mogen niet bij de medicijnen komen. Kinderen mogen geen medicijnen krijgen.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

3 Studeer. infinitief

ik

controleren

controleer

geven staan

... jij

hij – zij (1 vrouw)

controleert

controleer

controleert

controleren

geef

geeft

geef

geeft

geven

sta

staat

sta

staat

staan

Thema 4 – Ik ben ziek

jij

wij – jullie – zij (de mensen)

3


4

Herhaal

VIDEO

Eet veel ... fruit en groeten. Je moet veel ... fruit en groenten ... eten.

Drink weinig ... frisdrank. Je mag weinig ... frisdrank ... drinken.

IN

Was soms ... je handen. Je moet soms .... je handen ... wassen.

N

Poets altijd ... je tanden. Je moet altijd ... je tanden ... poetsen.

5

VA

Rook ... nooit. Je mag nooit ... roken.

Taaltaak Gezond of ongezond?

Rol: consument

©

Maak samen met jouw klasgenoten een poster. Kijk naar jouw instructies van oefening 1. Maak met de instructies zinnen met ‘mogen’ en ‘moeten’. Zet er nog nieuwe zinnen bij. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx.

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

4

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


3 Een sms 1 Lees de sms’jes.

Voor wie zijn de sms’jes? Schrijf de persoon bij het juiste sms’je. Kies uit: collega / leerkracht / vriend / directeur. Beste . Ik kom vandaag niet naar het werk omdat ik ziek ben. Moet ik aan de dokter een briefje vragen? Weet jij dat? Pei Le

Geachte . Mijn moeder is op bezoek uit Japan. Mogen mijn kinderen morgen thuisblijven? Of moeten ze naar school gaan? Bedankt voor uw antwoord. Etsu Saito

Dag . Ik kom vanavond niet naar de cinema. Ik heb geen tijd. Ik moet gaan werken. Sorry! Yurek

N

IN

Beste . Ik kom morgen niet naar de les omdat ik ziek ben. Mag ik de test morgen doen? Moet ik huiswerk maken? Mag ik het huiswerk naar u mailen? Hassan

VA

Schrijf de juiste persoon bij deze vragen. Wie krijgt bezoek?

Wie moet gaan werken? Wie zijn ziek?

en

2 Spreek met een klasgenoot.

©

Wat is het antwoord? Wat denken jullie? Onderstreep. Vergelijk dan met de hele klas. Voor Hassan Jij mag de test morgen doen. / Jij mag de test morgen niet doen. Jij moet huiswerk maken. / Jij moet geen huiswerk maken. Jij mag het huiswerk naar mij mailen. / Jij mag het huiswerk niet naar mij mailen. Voor Pei Le Jij moet een briefje aan de dokter vragen. / Jij moet geen briefje aan de dokter vragen. Voor Etsu Saito Jouw kinderen mogen thuisblijven. / Jouw kinderen mogen niet thuisblijven. Jouw kinderen moeten naar school gaan. / Jouw kinderen moeten niet naar school gaan.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

Thema 4 – Ik ben ziek

5


3

Herhaal

VIDEO

Beste ... collega, leerkracht Geachte ... directeur Dag ... vriend

Ik kom niet omdat ... ik ziek ben / ik geen tijd heb / mijn familie op bezoek komt.

IN

Mag ik ... de test morgen doen? thuisblijven?

N

Moet ik ... huiswerk maken? een briefje vragen?

4

VA

Bedankt voor uw antwoord.

Taaltaak Mijn sms

Rol: communicator / cursist / werknemer / opvoeder

Kies een rol. Schrijf een sms. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx.

©

Rol: communicator Jij bent ziek. Je hebt een afspraak met een vriend. Je kan niet naar de afspraak komen. Schrijf een sms naar jouw vriend. Rol: cursist Jij bent ziek. Je kan niet naar school gaan. Schrijf een sms naar jouw leerkracht. Rol: werknemer Jij bent ziek. Je kan niet gaan werken. Schrijf een sms naar jouw baas. Rol: opvoeder Jouw kind is ziek. Jouw kind kan niet naar de school gaan. Schrijf een sms naar de directeur.

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 Gezonde voeding 1 Lees de zinnen. Een appel is gezond. Gezonde voeding is belangrijk.

G

‘Gezond’ is een adjectief. Adjectieven krijgen bijna altijd een E. • DE-woorden: de voeding, de vrouw de gezonde voeding een gezonde voeding de gezonde vrouw een gezonde vrouw

de voeding is gezond de vrouw is gezond

• HET-woorden: het product, het kind het gezonde product een gezond product het gezonde kind een gezond kind

het product is gezond het kind is gezond

IN

Je leert nog meer over het adjectief in thema 10. Dit is een introductie: zo kan je al op de adjectieven letten.

2 Studeer.

N

Het adjectief: DE- en HET-woorden de gezonde vrouw, een gezonde vrouw, de vrouw is gezond

VA

het gezonde kind, een gezond kind, het kind is gezond

3 Schrijf het adjectief juist: met E of zonder E. lekker

het

fruit

Het fruit is

voorzichtig

een

dokter

©

De dokter is

goed ziek

.

een

medicijn

het

medicijn

de

collega

De collega is moeilijk

.

het Het huiswerk is

. huiswerk .

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

Thema 4 – Ik ben ziek

7


5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

Mijn leven in België

Ziek

bio posts

IN

contact

Ik ben ziek. Ik mag niet naar school gaan. Ik moet thuisblijven. Ik moet in bed blijven.

2 Schrijf jouw bericht.

©

VA

Jij bent ziek. • Wat doe jij? • Wat moet jij doen? • Wat mag jij doen? • Wat mag je niet doen?

N

Ik kijk de hele dag naar de televisie. Ik maak een kruiswoordpuzzel. Ik verveel me!

bio posts contact

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


6 Elke dag Nederlands Taaltaak De Nutri-Score

Rol: consument

1 Spreek met je klasgenoten. Wat is de Nutri-Score van een product?

2 Zoek thuis of in de winkel naar een product met een Nutri-Score. Je vindt een Nutri-Score op eten of op drinken. Zoek voor elke score een product. Neem een foto van het product, maar niet van de score.

IN

3 Werk samen met je klasgenoten.

©

VA

N

Toon de foto van één product. Kunnen je klasgenoten raden: wat is de Nutri-Score van het product?

Thema 4 – Ik ben ziek

9


Dit kan ik

Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? VIDEO

Beste / Geachte / Dag ...

Mag ik de test morgen doen? Moet ik huiswerk maken? Mag ik het huiswerk naar u mailen? Moet ik aan de dokter een briefje vragen? Mag ik thuisblijven?

Ik kom ... niet omdat ... ik ziek ben. ik geen tijd heb. mijn familie op bezoek komt.

Bedankt voor uw antwoord. Nieuwe woorden

N

Werkwoorden controleren Controleer jij altijd de datum? drinken Drink meer water. eten Wat eet jij graag? Geef jouw medicijnen niet aan iemand geven anders. leggen Leg medicijnen niet op de kast. leven Hij leeft heel gezond. poetsen Poets jij altijd jouw tanden? roken Mijn vader rookt na het eten. slapen Kinderen moeten op tijd gaan slapen. De medicijnen staan in de kast. staan wassen Ik was mijn handen voor het eten.

VA

het fruit de groente – de groenten het medicijn – de medicijnen

Preposities aan Geef geen medicijnen aan kinderen. bij Laat kinderen niet bij de medicijnen komen. per Eet 5 keer groenten of fruit per dag. in Medicijnen zet je in een medicijnenkast.

IN

Gezond / ongezond altijd Zij poetst altijd haar tanden. Ik rook nooit. nooit Hij drinkt soms alcohol. soms veel Eet veel groenten en fruit. weinig Eet weinig suiker.

©

De huisapotheek het briefje – de briefjes de houdbaarheidsdatum iemand anders het kind – de kinderen voorzichtig zijn

Mogen en moeten

Het adjectief

infinitief

ik, jij, u, hij, zij

wij, jullie, zij

mogen

mag

mogen

moeten

moet

moeten

voorbeeld: de voeding / het product – adjectief: gezond + E:

Zet ‘mogen’ of ‘moeten’ in het begin van de zin. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin. • De huisapotheek mag niet in de badkamer staan. • Kinderen mogen niet bij de medicijnen komen. • Je moet naar de dokter gaan. • Wij moeten voorzichtig zijn. 10

- E:

de gezonde voeding, een gezonde voeding, het gezonde product een gezond product, de voeding is gezond, het product is gezond

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

1 Gezond of ongezond Lees de zin. Kijk dan niet in je boek en herhaal. Gebruik de tips. Olivia drinkt ‘s morgens altijd een groene drank. In de groene drank zitten veel groenten. Maar zij eet nooit fruit. Olivia: altijd / groene thee / vitaminen / fruit Mohanad sport nooit, maar soms gaat hij te voet naar school. Heeft Mohanad weinig tijd? Dan neemt hij de bus. Mohanad: nooit / soms / te voet / tijd / bus

IN

Alan drinkt weinig frisdrank. Hij drinkt 1 glas frisdrank per week. Dat is niet veel. En op 1 januari drinkt hij altijd een glas wijn. Alan: frisdrank / niet veel / 1 januari

N

2 De huisapotheek

Vul in: mag – mogen / moet – moeten. Heb je hoofdpijn? Dan

2

Kinderen

3

Jij

4

Heb je oorpijn? Dan

5

De dokter

6

Jij

jij een aspirine nemen.

VA

1

geen aspirine nemen.

geen aspirine aan jouw kinderen geven. je naar de dokter gaan.

jouw oren controleren.

©

jouw medicijnen niet aan iemand anders geven.

7

Sommige medicijnen

8

Medicijnen

niet in de ijskast staan. in de huisapotheek staan.

3 Een sms Je krijgt zinnen uit de oefening. Vul de woorden in. Beste leerkracht Ik kom morgen niet naar

.

Mag ik

morgen doen?

Moet ik

maken?

Thema 4 – Ik ben ziek

11


Beste collega Ik kom vandaag niet naar

.

Moet ik aan de dokter

vragen?

Geachte directeur ?

Mogen mijn kinderen morgen Of moeten ze

gaan?

Bedankt voor uw antwoord. Dag vriend Ik kom vanavond niet naar Ik heb

. . Sorry!

1 Kies een substantief en een adjectief. Maak zinnen, zoals in het voorbeeld.

voorbeeld: De appel is lekker.

De les is

lekker gezond vriendelijk moeilijk gemakkelijk

VA

de appel de les het woord het brood de buurvrouw

adjectieven

N

substantieven

IN

4 Gezonde voeding

.

Het woord is

.

Het brood is

.

©

De buurvrouw is

.

2 Maak nu een combinatie adjectief / substantief, zoals in het voorbeeld. voorbeeld: de lekkere appel / een lekkere appel

Lukt het niet? Geen probleem, je herhaalt dit nog dikwijls in Nieuw TaalRecht.

12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

5

Naar de winkel

Dit leer ik. • Ik zoek woorden over winkels en producten op. • Ik lees en begrijp openingsuren. • Ik chat over winkelen. • Ik vergelijk producten en prijzen.

1 Naar de winkel

IN

1 Schrijf het nummer van de winkel bij de foto.

VA

N

de elektrowinkel (1) (2) de supermarkt de kledingwinkel (3)

2 Waar koop je deze producten?

Schrijf het nummer van de winkel bij de foto.

©

de elektrowinkel (1) de supermarkt (2) de kledingwinkel (3)

de tv

Thema 5 – Naar de winkel

de broek

de bananen

1


3 Werk samen met enkele klasgenoten. Wat koop je nog in deze winkels? Schrijf vijf dingen voor elke winkel.

• de elektrowinkel:

• de supermarkt:

• de kledingwinkel:

4 Maak met jouw klasgenoten op het bord een woordenweb voor elke winkel.

N

2 De openingsuren

IN

Schrijf de naam van jouw product op het woordenweb.

1 Lees de openingsuren van de supermarkt.

VA

Wat is correct? Schrijf een kruisje X.

©

e supermarkt is op D maandagvoormiddag open. De supermarkt is op woensdagnamiddag gesloten. De supermarkt is op zaterdag open tot 8 uur ’s avonds. De supermarkt is op zondagnamiddag gesloten. De supermarkt is op zondag open tot 3 uur in de namiddag.

Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1. thema 3: de dagen, de uren.

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Lees de openingsuren van de buurtwinkel. Wat is correct? Schrijf een kruisje X.

De buurtwinkel

MAANDAG

van 14.00 tot 18.00 uur

DINSDAG

van 10.00 tot 12.00 uur van 14.00 tot 18.00 uur

WOENSDAG

van 10.00 tot 12.00 uur van 14.00 tot 18.00 uur

DONDERDAG

van 14.00 tot 18.00 uur

VRIJDAG

van 10.00 tot 12.00 uur van 14.00 tot 18.00 uur

ZATERDAG

van 10.00 tot 18.00 uur

ZONDAG

van 10.00 tot 13.00 uur

IN

e buurtwinkel is op maandag D in de voormidag open. De buurtwinkel is elke dag open. Op woensdag sluit de buurtwinkel om 8 uur ’s avonds. Op donderdagnamiddag is de buurtwinkel open. Op zaterdag is de buurtwinkel van 10 uur ’s morgens tot 6 uur ’s avonds open. De buurtwinkel is op zaterdagmiddag open. De buurtwinkel is op zondag de hele dag open.

3 Naar welke winkel moet je gaan? Schrijf een kruisje X.

4 Wat komt eerst? Schrijf 1 / 2 / 3 / 4 / 5.

VA

W

N

Je wil naar de winkel gaan om zeven uur op woensdagavond. Naar de supermarkt. Naar de buurtwinkel. Ik kan kiezen: ze zijn alle twee open. Ik blijf thuis: ze zijn alle twee gesloten.

‘s middags

in de namiddag ‘s morgens ‘s avonds

in de voormiddag

©

5 Wat zet jij samen? Trek een lijn. open • gesloten • de hele dag • elke dag •

• maandag tot en met zondag • openen • van 9 uur ’s morgens tot 18 uur ’s avonds • sluiten

6 Studeer. infinitief

ik

jij

... jij

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie – zij (de mensen)

openen

open

opent

open

opent

openen

sluiten

sluit

sluit

sluit

sluit

sluiten

Thema 5 – Naar de winkel

3


7 Vul de prepositie in. Wij zijn open

de voormiddag.

Onze winkel sluit De winkel sluit

donderdagnamiddag. 7 uur ’s avonds.

Op zondag is onze winkel open Wij zijn zes dagen

13

19 uur.

week open.

8 Hoe laat is het? Schrijf de cijfers, zoals in het voorbeeld. om acht uur ’s morgens

08:00

om acht uur ’s avonds

20:00

om half tien in de voormiddag om half tien ’s avonds

om kwart voor drie ’s morgens om kwart over vijf in de namiddag

om twaalf uur ’s middags om twaalf uur ’s nachts

N

om kwart over vijf ’s morgens

IN

om kwart voor drie ’s middags

9

VA

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

Taaltaak De winkel is open

Rol: werkgever / consument

©

Jij hebt een winkel. Schrijf: welke winkel? Jouw winkel is zes dagen open. Schrijf de openingsuren van jouw winkel. Mijn winkel is een

4

.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Jouw klasgenoot heeft een winkel. Jij vraagt wat de openingsuren zijn. Kijk NIET naar zijn / haar boek.

IN

Hoe laat is de winkel op … open? Hoe laat is de winkel op … gesloten? Zeg wanneer de winkel open en gesloten is. Zeg de dagen en de uren. Schrijf de openingsuren van de winkel van jouw klasgenoot. Kijk dan WEL naar zijn / haar boek en controleer.

N

3 Ga jij mee winkelen?

VA

1 Sofie chat met haar vriendin Ellen. Lees de berichten.

@ellen Ga jij vanmiddag mee winkelen? Ik wil een nieuwe broek kopen.

©

@sofie Ja! Goed idee. Ik wil een nieuwe jurk kopen. Spreken we af aan de Zara?

@ellen De Zara? Maar is de Zara niet te duur? Ik heb maar 60 euro. Die broek mag niet meer kosten dan 60 euro. Een broek kost in de Zara meer dan 60 euro. De C&A is goedkoper. In de C&A kost een broek minder dan 60 euro. @sofie Maar ik vind de kleren in de Zara mooier en beter dan de kleren in de C&A! @ellen Heb jij tijd? We kunnen naar de Zara EN de C&A gaan. @sofie Oké! Dan spreken we af om 2 uur aan de ingang van de Zara. @ellen Oké!

Thema 5 – Naar de winkel

5


2 Wat is correct? Onderstreep. Sofie wil een broek / een jurk kopen. Ellen wil een broek / een jurk kopen. Sofie vindt de C&A / de Zara te duur. De Zara is duurder / goedkoper dan de C&A. De C&A is duurder / goedkoper dan de Zara. Een broek kost in de C&A meer / minder dan 60 euro. Een broek kost in de Zara meer / minder dan 60 euro. De kleren in de C&A kosten meer / minder dan de kleren in de Zara. De kleren in de Zara kosten meer / minder dan de kleren in de C&A. Ellen vindt de kleren in de C&A / in de Zara mooier. Ellen vindt de kleren in de C&A / in de Zara beter.

IN

COMPARATIEF: je vergelijkt. duur goedkoop

duurder goedkoper

De Zara is duurder dan de C&A. De C&A is goedkoper dan de Zara.

veel weinig

meer minder

Een broek in de Zara kost meer dan in de C&A. Een broek in de C&A kost minder dan in de Zara.

mooi goed

mooier beter

Deze jurk is mooier dan die. Deze kleren zijn beter dan die.

N

G

VA

Het is te duur.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

3 Studeer.

ik

©

infinitief

jij

... jij

hij – zij (1 vrouw)

wij – jullie – zij (de mensen)

afspreken

spreek ... af

spreekt ... af

spreek ... af

spreekt ... af

afspreken

kosten

kost

kost

kost

kost

kosten

meegaan

ga ... mee

gaat ... mee

ga ... mee

gaat ... mee

meegaan

vinden

vind

vindt

vind

vindt

vinden

willen

wil

wil

wil

wil

willen

winkelen

winkel

winkelt

winkel

winkelt

winkelen

Tip Over het werkwoord ‘willen’ leer je meer in thema 6.

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 In promotie 1 Lees de twee advertenties voor bananen. 1

2

Chiquita-bananen

Lidl-bananen

2,49 per kilo

VA

N

€

IN

Bananen Chiquita

Vul in: duurder / goedkoper / meer / minder. De Chiquita-bananen zijn

dan de bananen van Lidl.

De bananen van Lidl zijn

dan de Chiquita-bananen. dan de Chiquita-bananen.

De Chiquita-bananen kosten

dan de bananen van Lidl.

©

De bananen van Lidl kosten

Leertip

Ook als je niet alles begrijpt, kan je informatie halen uit een tekst. Concentreer je op de woorden die je nodig hebt.

2 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot. Lees het blauwe vak. Lees hoeveel de producten kosten. Controleer je klasgenoot. Wissel dan van rol. Vind je dit moeilijk? Lees dan eerst de witte vakken.

Thema 5 – Naar de winkel

7


Klasgenoot A

Klasgenoot B De bananen van de Lidl kosten 1 euro negenennegentig cent per kilo.

De Bonita-bananen kosten twee euro negenentwintig (cent) per kilo.

Bonita-bananen: € 2,29 per kilo.

De Bonita-bananen zijn ... dan ...

De Bonita-bananen zijn duurder dan de bananen van de Lidl.

De bananen van de Lidl zijn goedkoper dan de Bonita-bananen.

De bananen van de Lidl zijn ... dan ...

Carrefour tomaten: € 2,46 per kilo.

De tomaten van de Carrefour kosten twee euro zesenveertig (cent) per kilo.

De tomaten van de Albert Heijn kosten twee euro vijfenvijftig (cent) per kilo.

Albert Heijn tomaten: € 2,55 per kilo.

De tomaten van de Carrefour kosten ... dan ...

De tomaten van de Carrefour kosten minder dan de tomaten van de Albert Heijn. De tomaten van de Albert Heijn kosten ... dan ...

N

De tomaten van de Albert Heijn kosten meer dan de tomaten van de Carrefour.

IN

Bananen Lidl: € 1,99 per kilo

Brood Aldi: € 2,19

Het brood van de Aldi kost twee euro negentien (cent). Brood Delhaize: € 2,69

Het brood van de Aldi is ... dan ...

Het brood van de Aldi is goedkoper dan het brood van de Delhaize.

Het brood van de Delhaize is duurder dan het brood van de Aldi.

Het brood van de Delhaize is ... dan ...

Het brood van de Aldi kost ... dan ...

Het brood van de Aldi kost minder dan het brood van de Delhaize.

Het brood van de Delhaize kost meer dan het brood van de Aldi.

Het brood van de Delhaize kost ... dan ...

©

VA

Het brood van de Delhaize kost twee euro negenenzestig (cent).

3

Herhaal

VIDEO

Ga je mee ... winkelen? naar de winkel?

Ik wil (een) nieuwe ... broek / televisie / bananen ... kopen.

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Goed idee!

Ik vind ... de C&A ... mooier / beter / goedkoper / duurder dan ... de Zara.

We spreken af aan ... de ingang. We spreken af om ... twee uur.

Taaltaak Wij gaan winkelen

IN

4

Jij gaat winkelen. Vul aan. Welk product wil je kopen? Kies uit: kleren / eten / een toestel.

Rol: consument

Ik ga naar de

, (Schrijf de naam van de winkel.)

(Schrijf de naam van het product.)

VA

omdat een

N

In welke winkel koop je dat? Schrijf de naam van een kledingwinkel / een supermarkt / een elektrowinkel.

daar mooier / goedkoper / beter is/zijn.

Werk samen met een klasgenoot. Schrijf een chat.

©

Zoek een klasgenoot die ook naar een kledingwinkel / supermarkt / elektrowinkel wil. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx. Schrijf samen met jouw klasgenoot een chat. Schrijf in de gele of de groene vakjes. Naar welke winkel gaan jullie samen? @

(Schrijf de naam van jouw klasgenoot.)

@

@

@

@

Thema 5 – Naar de winkel

9


@

@

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

DOOR HASSAN

IN

Zoek de moeilijke woorden op.

Mijn leven in België

posts

Er zijn veel supermarkten in België. De Aldi, de Colruyt, de Jumbo ... ik weet niet welke supermarkt beter is. Eén supermarkt is goedkoper voor groenten, de andere supermarkt is goedkoper voor vlees. Ik ga graag naar de buurtwinkel. De buurtwinkel is niet duurder.

VA

contact

N

Winkelen in België

bio

©

2 Schrijf jouw bericht. • Naar welke winkel ga je graag? • Wat wil jij nog kopen?

bio posts contact

10

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


6 Elke dag Nederlands Taaltaak In promotie

Rol: consument

Elke supermarkt heeft producten in promotie. Die producten zijn goedkoper. Op de website van de winkel vind je producten in promotie. Ga naar de website van een supermarkt of neem een folder mee in jouw supermarkt. Kijk naar de promoties. Noteer: • Welke promotie vind jij interessant? • Hoeveel goedkoper is het product? • Tot welke dag is de promotie?

©

VA

N

IN

Spreek erover met je klasgenoten.

Thema 5 – Naar de winkel

11


Dit kan ik

Wil je de video van de woordenschat bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? VIDEO

Een vraag Ga jij mee naar ... / winkelen? Ik wil een nieuwe ... kopen.

Een afspraak We spreken af om ... uur. We spreken af aan ...

Goed idee. Ik vind ...

Nieuwe woorden Werkwoorden kosten Deze bananen kosten minder. De winkelier opent de winkel. openen Wij sluiten om 12 uur. sluiten vinden Ik vind dat een goed idee. willen Ik wil een nieuwe televisie kopen. winkelen Ik winkel graag!

IN

De openingsuren open / gesloten zes dagen per week elke dag de hele dag de voormiddag de namiddag ’s morgens, ’s middags, ’s avonds

afspreken meegaan

N

In de winkel de buurtwinkel de elektrowinkel de folder de kledingwinkel de promotie de supermarkt de winkel – de winkels

VA

Preposities in op om van ... tot per

Waar spreken wij af? Ga je mee?

in de namiddag op donderdagnamiddag om 15 uur in de namiddag van maandag tot vrijdag zes dagen per week

©

het product, de producten het eten de kleren het toestel

De comparatief: je vergelijkt. Je maakt een zin met DAN. Gewone adjectieven + ER of DER • mooi – mooiER Deze broek is mooier dan die broek. • goedkoop – goedkopER Deze broek is goedkoper dan die broek. • duur – duurDER Deze broek is duurder dan die broek. Speciale adjectieven • goed – beter • veel – meer • weinig – minder

Deze broek is beter dan die broek. Deze broek kost meer dan die broek. Deze broek kost minder dan die broek.

Tip: In Nieuw TaalRecht richtgraad 2 leer je nog veel meer comparatieven. 12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

2 De openingsuren 1 Hoe zeg je het? 00:00

twaalf uur – ’s nachts

01:45 02:20 03:30 04:55 05:05 zes uur dertien / dertien over zes – ’s morgens

IN

06:13 07:28 08:09 09:34

N

10:12 11:14 13:30 14:11 15:45 16:30 17:50

VA

12:07

©

18:21

19:00 20:15

21:03 22:43 23:56

Thema 5 – Naar de winkel

13


2 Lees de openingsuren van de bakker. Vul de woorden in.

Bakker Tom OPENINGSUREN Dinsdag tot zaterdag open van 6 uur tot 18 uur. Zondag open van 6 uur tot 12 uur. Gesloten op maandag.

De bakker is open

dinsdag

De bakker is

op maandag.

De bakker is niet de

zondag.

De bakker is op dinsdag open tot 6 uur ’s De bakker is niet

IN

week open.

.

op zondag.

De bakker is zes dagen per

open.

De bakker is niet

dag open: de bakker is op maandag gesloten. open.

Op andere dagen is de bakker de

dag open.

N

Op zondag is de bakker alleen in de

VA

3 Ga jij mee winkelen?

Schrijf de comparatief. Kijk naar het adjectief tussen de haakjes. Het eten in de buurtwinkel is (duur)

©

De groenten kosten (veel)

dan het eten in de supermarkt.

, maar het fruit kost (weinig)

Maar in de buurtwinkel zijn de mensen (vriendelijk)

.

De groenten en het fruit zijn in de buurtwinkel (goedkoop) Ik vind de buurtwinkel (goed)

14

. .

dan de supermarkt.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

6

Ik wil werken

Dit leer ik. • Ik lees en begrijp een vacature / jobadvertentie. • Ik maak mijn cv. • Ik stuur een mail met mijn cv.

1 Een vacature voor Hassan Gezocht: fietsenmaker

IN

1 Lees de advertentie.

N

Voltijds, ook zaterdagwerk Taken: fietsen maken, verkopen, de klanten helpen. Je krijgt een opleiding in de winkel.

VA

Heb je interesse? Stuur je cv naar info@fietsenwinkel.be.

2 Noteer hoeveel uur per week je werkt. voltijds deeltijds halftijds

©

3 Wat is het substantief? helpen – de

opleiden – de

verkopen – de

4 Zoek het juist woord. Zet de letters juist. de advertentie voor een job: de recatuva

de mensen die in de winkel komen: de tennlak

wat je moet doen: jouw katen

je wil meer weten: je hebt seseretin

5 Vul in. Gezocht komt van het werkwoord

Thema 6 – Ik wil werken

.

1


2 Het cv van Hassan

CV

Hassan Sadiq Hassan Sadiq Stationstraat 12, bus 4 Antwerpen ° 12/02/2000 in Bagdad, Irak

ERVARING • Elektricien Siemens group, Bagdad, Irak

IN

PERSOONLIJKE GEGEVENS

• Verkoper Al-Nahrain Market, Bagdad, Irak

• Diploma Elektriciteit Bagdad Technical Collega, Bagdad, Irak • NT2 Nederlands CVO Studiebazaar, Antwerpen

VA

0487/12.93.65 hassan.inbelgie@gmail.com

N

OPLEIDING

©

TALENKENNIS taal

mondeling

schriftelijk

Arabisch

moedertaal

moedertaal

Engels

goed

goed

Nederlands

basis

basis

VARIA Ik wil graag voltijds werken. Ik ben flexibel: avond- en weekendwerk zijn geen probleem. Hobby’s: gamen, tekenen

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


1

Taaltaak Het cv

Rol: werkzoekende

a Lees het cv van Hassan. • Wat staat bij PERSOONLIJKE GEGEVENS? Onderstreep. voornaam / naam / adres in Irak / adres in België / geboortedatum / geboorteplaats / nationaliteit / Facebookadres / e-mailadres / gsm-nummer / hobby’s • Welke ERVARING heeft hij? Vul in. en als

Hij heeft als

gewerkt.

• Wat staat bij OPLEIDING? Schrijf een kruisje X. Hassan heeft een opleiding elektriciteit gevolgd. Hassan heeft een opleiding fietsenmaker gevolgd. Hij heeft een opleiding Nederlands gevolgd. Hassan volgt een opleiding Nederlands.

IN

• Wat staat bij TALENKENNIS? Schrijf een kruisje X. Hassan spreekt en schrijft geen Arabisch. Hassan spreekt en schrijft goed Engels. Hassan spreekt en schrijft een beetje Nederlands. • Wat staat bij VARIA? Schrijf een kruisje X.

N

Hassan wil graag 20 uur per week werken. Hassan wil graag 38 uur per week werken.

VA

Hassan kan op zaterdag en zondag werken. Hassan kan niet op zaterdag en zondag werken. b Maak jouw cv op een apart blad. Schrijf ...

Persoonlijke gegevens Ervaring / Welke jobs? Opleiding? Talenkennis? – Mondeling / Schriftelijk – Moedertaal / Goed / Basis • Varia

©

• • • •

+

2 Maak jouw cv op de computer.

Geef jouw cv een mooie lay-out. Vraag de leerkracht om je cv te controleren. Zet jouw cv op de website van de VDAB. Heb je hulp nodig? Ga naar de VDAB of kijk op hun website.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

Thema 6 – Ik wil werken

3


3 Hassan en Yurek solliciteren 1 Lees de mail van Hassan.

hassan.inbelgie@gmail.com info@fietsenwinkel.be uw vacature voor een fietsenmaker

CV Hassan Sadiq Beste,

IN

Ik heb uw vacature voor een fietsenmaker op de site van de VDAB gevonden. Ik heb een opleiding voor elektricien gevolgd en ik ben heel handig. In mijn land heb ik als verkoper en als elektricien gewerkt.

2 Vul in.

VA

Met vriendelijke groet, Hassan Sadiq

N

Hierbij vindt u mijn cv. Ik hoop dat u mij uitnodigt voor een gesprek.

gevonden – komt van het werkwoord gevolgd – komt van het werkwoord

gewerkt – komt van het werkwoord

©

3 Hoe ben jij? Zoek op en vul in. Hassan zegt: ‘Ik ben handig’. Jij zegt: ‘Ik ben

4

‘.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 Lees nu de mail van Yurek.

Kijk niet naar de mail van Hassan. Vul de woorden in. Controleer dan met de mail van Hassan. Kies uit: opleiding / gesprek / Beste / cv / vacature.

konwicki.yurek@cvostudiebazaar.be info@hetfornuis.be uw vacature voor een kok

CV Yurek Konwicki

IN

,

Ik heb uw op de site van de VDAB gevonden. voor kok gevolgd en ik kook heel graag. Ik heb in Brussel een Ik heb drie jaar als hulpkok gewerkt.

5

Herhaal

©

VIDEO

.

VA

Met vriendelijke groet, Yurek Konwicki

.

N

Hierbij vindt u mijn Ik hoop dat u mij uitnodigt voor een

Beste ... Ik heb uw vacature voor een ... fietsenmaker ... gevonden.

Ik heb een opleiding voor ... elektricien ... gevolgd.

Ik ben ... handig.

Ik heb als ... verkoper ... gewerkt. In mijn land heb ik als ... elektricien … gewerkt.

Thema 6 – Ik wil werken

5


Hierbij vindt u mijn cv.

PERSOONLIJKE GEGEVENS Hassan Sadiq Stationstraat 12, bus 4 Antwerpen ° 12/02/2000 in Bagdad, Irak 0487/12.93.65 hassan567@yahoo.be

Ik hoop dat u mij uitnodigt voor een gesprek.

6

Taaltaak Ik solliciteer

IN

Met vriendelijke groet.

Rol: werkzoekende

N

Reageer nu zelf op een vacature. Zoek op de site www.vdab.be een vacature. Zoek de moeilijke woorden op. Schrijf een mail en stuur jouw cv op. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx.

VA

4 Nu en vroeger 1 Lees en vul in. Nederlands nu

G

Frans

now

maintenant

before, in the past

avant, dans le passé

©

vroeger

Engels

Jouw taal

Het perfectum

NU – het presens

Hij vindt een vacature. Hij volgt een opleiding. Hij werkt als elektricien.

VROEGER – het perfectum Hij heeft een vacature gevonden. Hij heeft een opleiding gevolgd. Hij heeft als elektricien gewerkt.

Het perfectum maak je zo: • Zet het werkwoord ‘hebben’ in het begin van de zin. • Zet het andere werkwoord (gevonden / gevolgd / gewerkt) op het einde van de zin.

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Maak zinnen over Hassan. voorbeeld: g edaan / in Irak / heeft / Hassan / twee jobs / . Hassan heeft in Irak twee jobs gedaan. Hij / heeft / gevolgd / een opleiding voor elektricien / .

gevonden / op de site van de VDAB / Hij / heeft / een vacature / .

voor de vacature / Hij / gesolliciteerd / heeft / .

een cv / geschreven / heeft / Hij / .

zijn cv / heeft / samen met zijn mail / gestuurd / Hij / .

IN

3 Maak de A/B-oefening over Yurek met een klasgenoot. Klasgenoot A

Klasgenoot B

Hij heeft 3 jaar als hulpkok gewerkt.

Yurek heeft een opleiding voor kok gevolgd.

N

een opleiding voor kok / gevolgd / Yurek / heeft / .

gewerkt / Hij / 3 jaar / heeft / als hulpkok / . Hij heeft lang naar een job gezocht.

Hij heeft een goede vacature gevonden.

een goede vacature / gevonden / Hij / heeft / .

gevraagd / heeft / aan de VDAB / hulp / Hij / .

Hij heeft hulp aan de VDAB gevraagd.

Hij heeft hulp van de VDAB gekregen.

van de VDAB / heeft / Hij / gekregen / hulp / .

4 Studeer.

VA

heeft / Hij / naar een job / lang / gezocht / .

doen

©

infinitief

presens (nu)

perfectum (vroeger): heb, hebt, heeft, hebben ...

doe, doet, doen

gedaan

krijgen

krijg, krijgt, krijgen

gekregen

schrijven

schrijf, schrijft, schrijven

geschreven

solliciteren

solliciteer, solliciteert, solliciteren

gesolliciteerd

sturen

stuur, stuurt, sturen

gestuurd

vinden

vind, vindt, vinden

gevonden

volgen

volg, volgt, volgen

gevolgd

vragen

vraag, vraagt, vragen

gevraagd

werken

werk, werkt, werken

gewerkt

zoeken

zoek, zoekt, zoeken

gezocht

Thema 6 – Ik wil werken

7


4 Maak een perfectum zin. Gebruik de werkwoorden tussen de haakjes. voorbeeld: H assan / in Irak / twee jobs (doen). Hassan heeft in Irak twee jobs gedaan. Hij / een opleiding voor elektricien (volgen).

Hij / op de site van de VDAB een vacature (vinden).

Hij / voor de vacature (solliciteren).

6 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot. Klasgenoot A

Klasgenoot B Hij heeft een cv geschreven.

Hij heeft zijn cv samen met zijn mail gestuurd.

Hij / zijn cv samen met zijn mail (sturen).

Hij / lang naar een job (zoeken).

IN

Hij / een cv (schrijven).

Hij heeft een goede vacature gevonden.

Hij / een goede vacature (vinden).

Hij / hulp aan de VDAB (vragen).

Hij heeft hulp aan de VDAB gevraagd.

Yurek / een opleiding voor kok (volgen). Hij heeft 3 jaar als hulpkok gewerkt.

Hij / 3 jaar als hulpkok (werken).

N

Hij heeft lang naar een job gezocht.

Hij / hulp van de VDAB (krijgen).

VA

Hij heeft hulp van de VDAB gekregen.

Yurek heeft een opleiding voor kok gevolgd.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

©

Leertip

Heb je thuis geen plaats om te studeren? Of vind je het moeilijk om alleen te studeren? Ga dan naar de bibliotheek. Veel mensen studeren er samen, zeker wanneer er examens zijn in de scholen.

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

Mijn leven in België

Werk vinden in België is moeilijk!

contact

Ik heb veel gesolliciteerd. Ik heb mijn cv naar veel bedrijven gestuurd. Ik heb veel mails geschreven. De VDAB heeft mij geholpen. Vandaag heb ik voor een job als fietsenmaker gesolliciteerd.

2 Schrijf jouw bericht.

bio posts

©

contact

VA

Schrijf over werk.

IN

posts

N

bio

Thema 6 – Ik wil werken

9


6 Elke dag Nederlands Taaltaak Het knelpuntberoep

1

Rol: werkzoekende

Welke job zoek jij? Schrijf een kruisje X of zoek een andere job.

receptionist

informaticus

bouwvakker

politieagent

IN

buschauffeur

verpleger

leerkracht

verkoper

elektricien

VA

kok

N

2 Wat is een knelpuntberoep?

Spreek met je klasgenoten en je leerkracht. Schrijf enkele sleutelwoorden.

©

3 Waarom kiezen mensen een knelpuntberoep?

10

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 Ga naar de site van de VDAB. Tik bij het zoekvenster in: ‘Knelpuntberoepen’. Je moet zeker niet alles lezen, want het is een lange lijst. Zoek uit: staat jouw job bij de knelpuntberoepen?

De 10 meest hardnekkige knelpuntberoepen Bekijk de vacatures van de knelpuntberoepen waar het meeste vraag naar is in 2025: • Boekhouder • Calculator bouw • Machinebouwer • Medewerker in de fruitteelt • Onderhoudsmecanicien

• Technicus industriële installaties

IN

• Schoonmaker bij mensen thuis

Het beeld was het hires-beeld (2400 dpi), maar de pdf wordt gemaakt op 150 dpi dus kleine tekst is altijd een beetje onscherp als het een beeld is. De enige manier om het scherp te houden is inderdaad opnieuw zetten.

• Verpleegkundige • Werfleider Bron: www.vdab.be

N

• Technieker werf-, landbouw- en hefmachines

©

VA

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

Thema 6 – Ik wil werken

11


Dit kan ik

Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? VIDEO

Beste Ik heb uw vacature ... gevonden. Ik heb de opleiding voor ... gevolgd. Ik heb als ... gewerkt. Ik ben ... handig / flexibel.

Hierbij vindt u mijn cv. Ik hoop dat u mij uitnodigt voor een gesprek. Met vriendelijke groet

Nieuwe woorden

De VDAB de site van de VDAB: www.vdab.be de hulp van de VDAB

©

VA

Het cv de persoonlijke gegevens de ervaring de opleiding het diploma – de diploma’s de talenkennis mondeling / schriftelijk de moedertaal de varia de hobby’s

uitnodigen De VDAB nodigt mij voor een gesprek uit.

N

Jobs Studeer alleen de jobs die jij interessant vindt.

vinden Waar heb jij de vacature gevonden? volgen Ik heb een opleiding voor kok gevolgd. Ik heb aan de VDAB hulp gevraagd. vragen werken als Ik heb als kok gewerkt. zoeken Heb jij lang naar een job gezocht?

IN

De vacature gezocht voltijds / deeltijds interesse hebben

Werkwoorden Ik heb twee jobs gedaan. doen Ik hoop dat ik snel een job vind. hopen Hij heeft hulp van de VDAB gekregen. krijgen schrijven Hassan heeft een brief geschreven. solliciteren Ik heb voor deze job gesolliciteerd. Ik heb mijn cv gestuurd. sturen

12

Preposities / kleine woordjes hulp vragen aan iemand aan werken als als hierbij hierbij vindt u met vriendelijke groet met samen met iets naar naar iets zoeken een cv sturen naar op de site van van hulp krijgen van voor een opleiding voor een vacature voor iemand uitnodigen voor

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Het perfectum nu: het presens

vroeger: het perfectum

Hij vindt een vacature. Hij volgt een opleiding. Hij werkt als elektricien.

Hij heeft een vacature gevonden. Hij heeft een opleiding gevolgd. Hij heeft als elektricien gewerkt.

Het perfectum maak je zo: • Zet het werkwoord ‘hebben’ in het begin van de zin. • Zet het andere werkwoord (gevonden / gevolgd / gewerkt) op het einde van de zin.

©

VA

N

IN

Tip: studeer de werkwoorden in de lijst achteraan in het boek.

Thema 6 – Ik wil werken

13


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

2 Het cv van Hassan Welke woorden uit het cv van Hassan staan bij elkaar? Schrijf de letters (a / b / c ...) bij de woorden links, zoals in het voorbeeld. de ervaring

a

gamen, tekenen

2

de persoonlijke gegevens

b

Hassan Sadiq

3

de geboorteplaats

c

het diploma

4

het e-mailadres

d

hassan.inbelgie@gmail.com

5

de opleiding

e

mondeling / schriftelijk

6

Arabisch

f

het weekendwerk

7

de talenkennis

g

de elektricien, de verkoper

8

de hobby’s

h

de moedertaal

9

flexibel

i

Nederlands als tweede taal

10

NT2

j

Bagdad

g

IN

1

N

4 Nu en vroeger

VA

Lees de tekst. Welke werkwoorden staan in het perfectum? Onderstreep die werkwoorden.

©

Zoekt u een job? Maak een lijst van de opleidingen die u hebt gevolgd en de jobs die u hebt gedaan. Schrijf een mooi cv en geef uw cv een mooie lay-out. Lees de vacatures op de site van de VDAB. Hebt u een interessante vacature gezien? Telefoneer of stuur een mail. Hebt u een job gevonden? Verwittig dan de VDAB.

2 Schrijf de vocalen, zoals in het voorbeeld.

14

doen

gedaa n

vinden

gev

nden

krijgen

gekr

volgen

gev

lgd

schrijven

geschr

ven

vragen

gevr

gd

solliciteren

gesollicit

rd

werken

gew

rkt

sturen

gest

zoeken

gez

cht

gen

rd

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

7

Een nieuwe job

Dit leer ik. • Ik beschrijf een persoon. • Ik lees en schrijf een commentaar op een website. • Ik lees en begrijp een mail over werken in België. • Ik stuur een mail met een vraag over werken in België.

N

IN

1 Wie is het?

de kok

de buschauffeur

de basketbalspeler

VA

de piloot

de rechter

de arbeider

de schoonmaker

de receptionist

1 Lees de beschrijvingen.

©

Schrijf de job bij de beschrijving, zoals in het voorbeeld. Zij draagt een lange zwarte jurk en zij heeft lange haren. Zij lacht niet veel. de rechter Zij draagt sportkleren en sportschoenen. Zij is heel groot en heel sportief. Hij draagt een witte muts en hij heeft een zwarte baard en snor. Hij kookt veel. Zij draagt een fluovest, zij heeft krullen en een bril. Zij rijdt heel graag.

Thema 7 – Een nieuwe job

1


Zij draagt een T-shirt, een schort en plastic handschoenen. Zij gebruikt veel schoonmaakproducten. Zij draagt een mooie blouse en een jas met lange mouwen. Zij telefoneert veel. Zij werkt in het hotel. Hij draagt een witte helm, witte handschoenen en een gele overall. Hij heeft veel collega’s. Hij werkt in een fabriek.

Weet je nog? Thema 4: flexie van het adjectief.

2 Studeer. presens (nu)

dragen

draag, draagt, dragen

lachen

lach, lacht, lachen

3 Wat staat samen? Trek een lijn.

gedragen gelachen

VA

W

perfectum (vroeger)

N

infinitief

IN

Hij draagt een wit hemd, een grijze broek, een zwarte das en een pet. Hij ziet veel wolken.

groot • lang • veel •

• kort • weinig • klein

4 Zoek nog twee voorbeelden in de tekst van oefening 1.

©

heel = met een adjectief of adverbum Zij is heel groot.

Weet je nog? Thema 3: heel / hele.

veel = met een werkwoord Zij telefoneert veel.

veel = met een substantief Hij ziet veel wolken.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. 2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


5 Noteer de woorden uit de tekst in de woordenspin, zoals in het voorbeeld. Ken je nog andere woorden? Schrijf ze erbij.

het hemd

VA

N

IN

de kleren

lang haar

©

het lichaam

6 Zoek het op en schrijf de kleuren.

7 Spreek met je klasgenoten. Wie noem je een man of een vrouw ‘van kleur’?

Thema 7 – Een nieuwe job

3


2 De klasgenoten 1 Schrijf het bericht. Hassan werkt nu in de fietsenwinkel. Rianna is een klant. Zij stuurt een bericht naar haar vriendin. Vul het bericht van Rianna verder aan.

Rianna

Rianna

Hij …

IN

N

VA

16:55

©

Er is een nieuwe verkoper in de winkel. Hij is heel knap. Hij …

2

Taaltaak Mijn klasgenoot

Rol: communicator

Beschrijf een klasgenoot. Lees jouw beschrijving voor. Je klasgenoten raden: wie is het?

4

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


3 De klanten 1 Rianna schrijft op de website van de fietsenwinkel van Hassan. Lees de zinnen. Bij welke foto staat de zin? Schrijf het nummer. Ik ben naar jullie winkel geweest. Ik had een korte boodschappenlijst: één fietsbroek en één helm. De rij bij de kassa was lang. De paskamers waren toe. De verkopers hadden mijn maat voor een fietsbroek niet. Maar ik heb voor de helm een goede korting gehad. 2

4

5

3

IN

1

2 Welk woord is het?

lijst van wat je wil kopen:

de b

waar je betaalt:

de k

©

W

VA

N

6

waar je kleren in de winkel aandoet:

de p

niet kort:

l

niet open:

t

small, medium, large:

de m

je moet minder betalen:

de k

Weet je nog? Het perfectum van gewone werkwoorden heb je geleerd in thema 6.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

Thema 7 – Een nieuwe job

5


NU: het presens VROEGER: het perfectum of het imperfectum.

G

Het imperfectum is moeilijk. Je leert veel imperfectum werkwoorden in Nieuw TaalRecht 2.1. Maar de werkwoorden ‘ZIJN’ en ‘HEBBEN’ krijg je nu al. Het imperfectum • zijn was / waren • hebben had / hadden Het perfectum • zijn ben, bent, is, zijn ... geweest • hebben heb, hebt, heeft, hebben ... gehad Let op: was – waren / had – hadden geweest – gehad

IN

3 Vul het correcte werkwoord in.

gebruik je veel gebruik je niet zo veel

Kies uit: was – waren – geweest / had – hadden – gehad. heel luid.

De muziek in de winkel Mijn dochter heeft geen korting

.

Wij zijn in jullie nieuwe winkel

N

De verkopers

.

niet vriendelijk.

een klacht.

Er

veel mensen in de paskamers.

Het Mijn man

VA

Ik

koud in de paskamers. een gesprek met de manager.

Wij hebben het pakje nog niet Wij

.

niet genoeg geld bij.

©

4 Schrijf nog een zin voor de website van een winkel. Gebruik ‘had – hadden / was – waren’. Vergelijk dan met je klasgenoten. Jouw winkel: Jouw zin:

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 De mail van Hassan hassan.inbelgie@gmail.com inburgering@vlaanderen.be Werken in België

Beste

Heb ik een verblijfskaart nodig? Moet ik lid zijn van de vakbond? Hoeveel belastingen moet ik betalen? Bedankt voor uw antwoord,

N

Hassan Sadiq

IN

Ik heb in België een job gevonden. Maar ik heb nog enkele vragen.

VA

inburgering@vlaanderen.be

hassan.inbelgie@gmail.com Werken in België

Beste heer Sadiq

©

U vindt een antwoord op uw vragen op deze websites. www.financien.belgium.be www.werk.be U moet geen lid zijn van de vakbond. Maar hebt u problemen? Dan kan de vakbond u helpen. Met vriendelijke groet J. Pieterman

1 Lees de mails. Zoek de woorden. met deze kaart mag jij werken in België je moet dit betalen aan de Belgische staat deze organisatie helpt je je betaalt elk jaar lidgeld Thema 7 – Een nieuwe job

7


W

2 Lees en vul in. Nederlands

Engels

Frans

Jouw taal

iets nodig hebben

to need something

avoir besoin de quelque chose

problemen hebben

to have problems

avoir des problèmes

iemand bedanken

to thank someone

remercier quelqu’un

3 Studeer. infinitief

presens (nu)

perfectum (vroeger)

bedank, bedankt, bedanken

hebben bedankt

betalen

betaal, betaalt, betalen

hebben betaald

helpen

help, helpt, helpen

hebben geholpen

vinden

vind, vindt, vinden

IN

bedanken

hebben gevonden

4

Herhaal

VA

VIDEO

N

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

©

Ik heb nog een vraag. Ik heb nog enkele vragen.

Heb ik ... een verblijfskaart ... nodig?

Moet ik lid zijn van ... de vakbond?

Hoeveel ... belastingen ... moet ik betalen?

Bedankt voor uw antwoord.

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


5

Taaltaak Ik heb een vraag

Rol: werknemer

Heb jij nog enkele vragen over werken? Stuur een mail naar: inburgering@vlaanderen.be. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx.

inburgering@vlaanderen.be

Beste,

IN

N

VA

©

Leertip Begrijp jij sommige woorden in een tekst niet? Vind je die woorden niet met jouw vertaal-app of in jouw woordenboek? Dan zijn het misschien woorden in een andere taal. Zijn het woorden met een hoofdletter? Dan zijn het misschien namen. Vraag jouw collega om je te helpen.

Thema 7 – Een nieuwe job

9


5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

Mijn leven in België

Mijn eerste dag in de fietsenwinkel

bio posts

Op mijn nieuwe job zijn veel regels. Ik mag niet roken in de winkel. Dat is geen probleem voor mij, want ik rook niet. Ik mag elke middag een half uur pauze nemen. Dat vind ik goed. Ik moet vriendelijk zijn voor de klanten. Dat is geen probleem, want ik ben altijd vriendelijk!

2 Schrijf jouw bericht.

N

IN

contact

bio

©

posts

VA

Schrijf over de regels op jouw werk, school of de school van jouw kind.

contact

10

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


6 Elke dag Nederlands Taaltaak Mijn foto

Rol: communicator

a Breng een foto mee van een persoon (een vriend, een bekende persoon ...). Kies een foto waar die persoon helemaal opstaat: ook haar / zijn armen en benen. Beschrijf de persoon voor enkele klasgenoten. Toon de foto niet! Zeg ook iets over de kleren en de kleuren. b Jouw klasgenoten tekenen die persoon. Gebruik kleurpotloden om te kleuren. c Vergelijk de foto met de tekeningen. Welke tekening is goed gelukt?

©

VA

N

IN

d Vertel aan je klasgenoten over jouw persoon. Wie is het? Hoe is hij / zij? Wat doet hij / zij?

Thema 7 – Een nieuwe job

11


Dit kan ik

Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? VIDEO

Beste Ik heb nog enkele vragen. Bedankt voor uw antwoord.

Heb ik een ... nodig? Moet ik lid zijn van ...? Hoeveel ... moet ik betalen?

Nieuwe woorden

Iemand beschrijven

In de winkel de boodschappenlijst de kassa – de kassa’s de korting – de kortingen de maat – de maten de paskamer – de paskamers

©

VA

de kleren de blouse – de blousen de broek – de broeken de das – de dassen de helm – de helmen het hemd – de hemden de jas – de jassen de jurk – de jurken de mouw – de mouwen de overall – de overalls de pet – de petten de schort – de schorten het t-shirt – de t-shirts het vest – de vesten het fluovest

IN

iets nodig hebben problemen hebben

Adjectieven groot ↔ klein lang ↔ kort open ↔ toe knap mooi sportief

N

inburgering de verblijfskaart de vakbond de Belgische staat de belasting – de belastingen het vakbondslid

het lichaam de baard – de snor het haar – de haren lange haren korte haren

12

Werkwoorden bedanken Bedankt voor uw antwoord. U moet belastingen betalen. betalen Ik draag graag een lange broek. dragen helpen De vakbond kan u helpen. De receptionist lacht graag. lachen vinden U vindt de informatie op onze website. Preposities naar naar de winkel gaan op het antwoord op van lid zijn van ... voor de korting voor ... mijn maat voor ... iemand bedanken voor ...

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Hebben – zijn: perfectum en imperfectum • had / hadden hebben gehad

Hij had een broek nodig. Zij hadden een broek nodig. Hij heeft een korting gehad.

• was / waren zijn geweest

De paskamer was toe. De paskamers waren toe. Ik ben naar de winkel geweest.

Heel – veel

©

VA

N

IN

• met een adjectief of een adverbum: heel mooi, heel graag • met een werkwoord: veel lachen, veel vliegen • met een substantief: veel collega’s, veel vrienden

Thema 7 – Een nieuwe job

13


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

1 Wie is het? Schrijf: heel / veel. Hassan heeft

collega’s.

De collega’s zijn

vriendelijk.

Maar hij moet

hard werken.

Hij werkt

: hij werkt zes dagen per week.

Hassan wil

geld verdienen.

Want hij wil met Sofie trouwen. Hij vindt Sofie een

IN

lieve vrouw.

3 De klanten

1 Vul de woorden in. De eerste letter krijg je. Ik wil een broek in m

N

1 Ik ga naar de kledingwinkel.

44 passen.

VA

Zij hebben mijn maat niet. En de p

zijn niet open.

De paskamers zijn t

.

2 Daar zie ik: de broek is niet lang. De broek is te k

.

En de broek is kapot.

©

Maar ik heb geen k

.

3 Ik wil de broek niet kopen. Ik ga niet naar de k Ik gooi mjn l

14

. met boodschappen in de vuilnisbak.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Schrijf het verhaal.

Gebruik de woorden: maat / paskamers / toe / te kort / korting / kassa / lijst.

IN

3 Schrijf de zin in het imperfectum. De paskamers zijn niet open. De broek is te kort.

VA

Ik heb geen korting.

N

Zij hebben mijn maat niet.

4 De mail van Hassan 1 Welke vraag staat in de mails?

een verblijfskaart nodig

lid van de vakbond

problemen hebben

©

belastingen betalen

2 Maak zelf een vraag. Meer vragen zijn oké. vakbond kunnen helpen

btw betalen

een Belgische identiteitskaart / nodig

mijn contract tekenen

vragen hebben

Thema 7 – Een nieuwe job

15


©

VA

N

IN

Hier kan je notities maken.

16

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

8

Wil jij met mij trouwen?

Dit leer ik. • Ik begrijp een uitnodiging. • Ik schrijf een uitnodiging. • Ik reageer positief of negatief op een uitnodiging. • Ik lees een datum. • Ik noteer belangrijke datums.

1 Lees de twee uitnodigingen.

IN

1 Hassan en Sofie gaan trouwen

VA

N

Hassan en Sofie gaan trouwen. Hassan en Sofie hebben een uitnodiging gemaakt voor het trouwfeest. Lees de uitnodigingen. Zoek de moeilijke woorden op.

©

Hallo iedereen! Wij gaan trouwen!

Het feest is op 21 juni.

Adres: Het Werkhuys Borgerhout In een zijstraat van de Turnhoutsebaan, voorbij de Carrefour. Iedereen moet komen! Groetjes, Hassan en Sofie

Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?

Sofie & Hassan trouwen Wij nodigen jullie uit op ons trouwfeest. Het feest is op 21 juni.

De receptie start om 11 uur. De feestmaaltijd start om 13 uur. Het dansfeest start om 18 uur. Adres: Het Werkhuys, Zegelstraat 13, 2140 Borgerhout Graag een antwoord voor 1 juni. via sms: 0487/12 93 65 via mail: hassanensofietrouwen@hotmail.com

1


2 Noteer. • Wanneer is het trouwfeest? • Waar is het trouwfeest? • Krijg je eten op het trouwfeest? ja / nee • Wat moet je doen voor 1 juni? • Hoe kan je dat doen?

3 Spreek met een klasgenoot.

Welke uitnodiging vinden jullie goed / niet goed? Waarom?

Wij vinden de gele / groene uitnodiging van Hassan / Sofie goed omdat ...

Wij vinden de gele / groene uitnodiging van Hassan / Sofie niet goed omdat ...

IN

4 Spreek met je klasgenoten. Hoe is een feest in jouw land?

N

Is er ook een receptie? Is er ook een feestmaaltijd? Is er ook een dansfeest?

2 Ik kan niet komen

VA

1 Lees de mails. Antwoord op de vragen. Wie komt naar het feest?

Yurek / Pei Le

Wie wil een cadeau kopen?

Yurek / Pei Le

Wie kan niet naar het feest komen?

Yurek / Pei Le

Waarom niet?

©

PeiLe-33@hotmail.com hassanensofietrouwen@hotmail.com uitnodiging trouwfeest

Dag Sofie en Hassan Ik wens jullie veel geluk! Ik kom graag naar jullie feest. Hebben jullie al aan de cadeaus gedacht? Wat zal ik voor jullie kopen? Pei Le

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


konwicki.yurek@skynet.be hassanensofietrouwen@hotmail.com Proficiat!

Dag Sofie en Hassan Ik heb jullie uitnodiging gisteren gekregen. Jullie gaan trouwen! Proficiat! Het spijt me: ik kan niet komen omdat ik die dag moet werken.

W

2 Lees en vul in. Nederlands

Engels

Veel geluk

Good luck

Proficiat

Congratulations

Het spijt me ...

I’m sorry

denken

Félicitations

Je suis désolé(e)

presens (nu)

perfectum (vroeger)

denk, denkt, denken

hebben gedacht

kom, komt, komen

zijn gekomen

koop, koopt, kopen

hebben gekocht

krijg, krijgt, krijgen

hebben gekregen

wensen

wens, wenst, wensen

hebben gewenst

werken

werk, werkt, werken

hebben gewerkt

komen kopen

©

krijgen

4

Jouw taal

Bonne chance

VA

infinitief

Frans

N

3 Studeer.

IN

Yurek

Herhaal

VIDEO

Ik nodig / wij nodigen jullie uit op ... mijn feest / ons feest.

Het feest is op ... 21 juni ... om ... 11 uur. De receptie / de feestmaaltijd / het dansfeest start om ... 14 uur.

Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?

3


Adres: Zegelstraat 13, Borgerhout

Graag een antwoord voor ... 1 juni. Via sms: … Via mail: …

Proficiat. Ik wens jullie veel geluk.

IN

Ik kom graag naar jouw / jullie feest.

Taaltaak De uitnodiging

Rol: vrijetijdsbesteder

VA

5

N

Het spijt me: ik kan niet komen ... omdat ik die dag moet werken.

Schrijf een uitnodiging voor een feest. Waarom is het feest? Waar is het feest? Wanneer is het feest? Geef jouw uitnodiging aan een klasgenoot. Antwoord op de uitnodiging van een klasgenoot.

©

Gebruik de schrijfkaart op pagina xx.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

3

Een belangrijke datum 1 Welke maand is het nu? Onderstreep. januari – februari – maart – april – mei – juni – juli – augustus – september – oktober – november – december Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

4

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Welke datum is dit? Trek een lijn, zoals in het voorbeeld. 4/7/1953 • 12/4/2016 • 23/3/1830 • 31/10/1789 • 15/12/2004 •

• vijftien december tweeduizend en vier • drieëntwintig maart achttienhonderddertig • vier juli negentienhonderddrieënvijftig • twaalf april tweeduizend zestien • eenendertig oktober zeventienhonderdnegenentachtig

3 Studeer. Hoe zeg je een jaartal? Een jaartal zeg je in twee stukken: 1953 = 19 / honderd / 53 = negentienhonderddrieënvijftig 2004 = 2 / duizend / en / 4 = tweeduizend en vier Let op: 1912 = negentienhonderd EN twaalf 1913 = negentienhonderddertien

2012 = tweeduizend EN twaalf 2013 = tweeduizend dertien

Weet je nog?

N

Nieuw TaalRecht 1.1. thema 6: tellen.

IN

+ 1 / 2 / 3 / 4 / 5 / 6 / 7 / 8 / 9 / 10 / 11 / 12 = EN + 13 / 14 / 15 / 16 ... = EN

4 Schrijf de datum in woorden.

VA

voorbeeld: 3/5/1987 drie april negentienhonderdzevenentachtig

• 30/6/1766

• 9/8/2015

• 25/5/1843

• 31/12/2026

• 12/7/1312

©

• 11/1/2002

5 Schrijf de datum in cijfers. • dertien oktober negentienhonderd éénenzeventig

• zevenentwintig november tweeduizend vijfenveertig

• achttien januari zestienhonderd zevenentwintig

• vijf september tweeduizend dertien

• veertien februari negentienhonderd en twaalf

• zestien maart tweeduizend achtentachtig

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?

5


+

6 Raad het jaartal. Werk samen met enkele klasgenoten. Schrijf drie belangrijke gebeurtenissen. Schrijf het jaartal erbij. Zeg de gebeurtenis aan je klasgenoten. Je klasgenoten raden het jaartal. voorbeeld: Olympische Spelen in Parijs: 2024 1

2 3

IN

4 Een brief van de advocaat Geachte mevrouw Safi

Gezin Wanneer bent u geboren? Wanneer bent u getrouwd?

VA

advocaat

N

David De Hert

In uw dossier ontbreken belangrijke datums.

©

Wonen Wanneer bent u naar België verhuisd? Kan u de datums op dit formulier invullen? Dank u. Meester David De Hert Advocaat

1 Lees de brief van de advocaat. Zoek de woorden in de brief. alle belangrijke papieren bij elkaar:

het d

er niet zijn:

ont

op een andere plaats wonen:

ver

Hoe spreek je een advocaat aan?

M

zijn

Leertip Laat de moed niet zakken. Veel moeilijke woorden moet je alleen begrijpen, niet gebruiken.

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Schrijf de datums in de brief op de juiste plaats.

12 januari 2023

3

30 september 2024

Taaltaak Belangrijke datums

17 februari 1996 Rol: administrator / werknemer

Werk samen met een klasgenoot. Zeg de belangrijke datums en noteer. Spreek dan over jullie belangrijke datums.

Zeg jouw belangrijke datums.

Noteer de belangrijke datums van jouw klasgenoot.

Mijn naam is ...

Naam:

Ik ben op ... geboren.

Geboortedatum:

Ik ben op ... getrouwd.

Trouwdatum:

Ik ben op ... naar België verhuisd.

Naar België verhuisd op:

N

IN

jouw klasgenoot

Het perfectum met HEBBEN en ZIJN

VA

G

jij

Zet het werkwoord 1 HEBBEN of ZIJN in het begin van de zin. Zet het werkwoord 2 (gekregen / geboren / getrouwd / verhuisd) op het einde van de zin. Ik heb jullie uitnodiging gisteren gekregen. Hij is op 17 februari 1996 geboren.

©

Weet je nog?

Het perfectum: thema 6. Het perfectum van ‘hebben’ en ‘zijn’: thema 7.

Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?

7


4 Maak een zin. Gebruik HEBBEN of ZIJN. voorbeeld: M ijn zus ... in Antwerpen getrouwd. (zijn) Mijn zus is in Antwerpen getrouwd. Zij ... een job bij een interimkantoor gevonden. (hebben)

Zij ... tot mei 2024 in dat kantoor gewerkt. (hebben)

Zij ... in juni 2024 naar Brussel verhuisd. (zijn)

5 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot.

Klasgenoot A

Klasgenoot B

Ik heb asiel gevraagd.

Op zeven maart tweeduizend drieëntwintig heb ik asiel gekregen.

Op 7/3/2023 ... ik asiel gekregen. (hebben)

Mijn man en ik ... op 13/9/2023 getrouwd. (zijn)

Mijn man en ik zijn op dertien september tweeduizend drieëntwintig getrouwd.

Wij hebben een groot feest gegeven.

Wij ... een groot feest gegeven. (hebben)

Op het feest ... we champagne gedronken. (hebben)

Op het feest hebben we champagne gedronken.

En we hebben taart gegeten.

En we ... taart gegeten. (hebben)

Wij ... naar Oostende op reis geweest. (zijn)

Wij zijn naar Oostende op reis geweest.

Mijn broer is op vijf april tweeduizend vierentwintig naar België gekomen.

Mijn broer ... op 5/4/2024 naar België gekomen. (zijn)

Hij ... voor een job bij De Lijn gesolliciteerd. (hebben)

Hij heeft voor een job bij De Lijn gesolliciteerd.

Hij heeft een sollicitatiegesprek gehad. En nu werkt hij als buschauffeur.

Hij ... een sollicitatiegesprek gehad. (hebben) En nu werkt hij als buschauffeur.

©

8

Ik ... met een advocaat gesproken. (hebben)

VA

Ik ... asiel gevraagd. (hebben)

Ik ben op elf juni tweeduizend twintig naar België gekomen.

N

Ik ... op 11/6/2020 naar België gekomen. (zijn) Ik heb met een advocaat gesproken.

IN

Lees het blauwe vak. Maak een zin. Gebruik HEBBEN of ZIJN. Controleer je klasgenoot. Ben je klaar? Wissel dan van rol. Vind je dit moeilijk? Lees dan eerst de witte vakken.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


6 Studeer. Perfectum met HEBBEN

Perfectum met ZIJN

hebben gedacht

komen

zijn gekomen

drinken

hebben gedronken

trouwen

zijn getrouwd

eten

hebben gegeten

zijn

zijn geweest

geven

hebben gegeven

verhuizen

zijn verhuisd

hebben

hebben gehad

zijn geboren

kopen

hebben gekocht

= alleen in het perfectum (geen infinitief)

krijgen

hebben gekregen

spreken

hebben gesproken

vinden

hebben gevonden

vragen

hebben gevraagd

werken

hebben gewerkt

wensen

hebben gewenst

7 Maak een perfectum-zin.

IN

denken

Gebruik het werkwoord tussen de haakjes.

N

voorbeeld: M ijn zus ... in Antwerpen ... (trouwen) Mijn zus is in Antwerpen getrouwd.

VA

Zij / een job bij een interimkantoor (vinden) Zij / tot mei 2024 in dat kantoor (werken)

Zij / in juni 2024 naar Brussel (verhuizen)

©

8 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot. Lees het blauwe vak. Maak een perfectum-zin. Gebruik HEBBEN of ZIJN. Controleer je klasgenoot. Ben je klaar? Wissel dan van rol. Vind je dit moeilijk? Lees dan eerst de witte vakken. Klasgenoot A

Klasgenoot B

Ik ben op elf juni tweeduizend twintig naar België gekomen.

Ik ... op 11/6/2020 naar België ... (komen)

Ik ... met een advocaat ... (spreken)

Ik heb met een advocaat gesproken.

Ik heb asiel gevraagd.

Ik ... asiel ... (vragen)

Op 7/3/2023 ... ik asiel ... (krijgen)

Op zeven maart tweeduizend drieëntwintig heb ik asiel gekregen.

Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?

9


Klasgenoot A

Klasgenoot B

Mijn man en ik zijn op dertien september tweeduizend drieëntwintig getrouwd.

Mijn man en ik ... op 13/9/2023 ... (trouwen)

Wij ... een groot feest ... (geven)

Wij hebben een groot feest gegeven.

Op het feest hebben we champagne gedronken.

Op het feest ... we champagne ... (drinken)

En we ... taart ... (eten)

En we hebben taart gegeten.

Wij zijn naar Oostende op reis geweest.

Wij ... naar Oostende op reis ... (zijn)

Mijn broer ... op 5/4/2024 naar België ... (komen)

Mijn broer is op vijf april tweeduizend vierentwintig naar België gekomen.

Hij heeft voor een job bij De Lijn gesolliciteerd.

Hij ... voor een job bij De Lijn ... (solliciteren)

Hij ... een sollicitatiegesprek ... (hebben) En nu werkt hij als buschauffeur.

Hij heeft een sollicitatiegesprek gehad. En nu werkt hij als buschauffeur.

IN

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Leertip

N

Lees een moeilijke zin meer dan één keer. Zeg dan de zin zonder te kijken. Zo breng jij de structuur van de zin in jouw hoofd.

VA

5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

©

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

bio posts contact

10

Mijn leven in België

Het leven is mooi Ik ben in 2024 naar België gekomen. Ik heb Nederlands geleerd. Ik heb een job gevonden. En nu ga ik trouwen! Ik ben blij dat ik Sofie heb ontmoet. Mijn leven is mooi.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Schrijf jouw bericht. Wanneer ben jij naar België gekomen? Wat heb jij gedaan? Is jouw leven mooi of niet mooi?

bio posts contact

IN

VA

N

6 Elke dag Nederlands

©

Taaltaak Mijn wens

Rol: communicator

Maak een mooi gedicht voor een kaart. Waarom schrijf jij de kaart (een verjaardag, een trouw, vriendschap ...)? Kies een woord: feest, vriend, lief, zon, hart, thuis, droom, kus ... Zoek mooie nieuwe woorden bij elke letter. Schrijf jouw gedicht op een kaart en stuur de kaart op. voorbeeld: F EEST - F / E / E / S / T Fijn Eerste kus Eerste kaart Ster aan de hemel Thuis voelen

Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?

11


Dit kan ik

Wil je de video van de woordenschat bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? VIDEO

Wij nodigen jullie uit op ons trouwfeest. Het feest is op 21 juni. De ... start om ... uur. Graag een antwoord voor ...

Ik wens jullie veel geluk. Ik kom graag naar jullie feest. Proficiat! Het spijt me: ik kan niet komen.

Nieuwe woorden

N

VA

Jaartallen honderd duizend 1900 – negentienhonderd 1912 – negentienhonderdentwaalf 1913 – negentienhonderddertien 2012 – tweeduizend en twaalf 2013 – tweeduizend dertien

Werkwoorden dansen Wij dansen op ons feest. Heb jij aan een cadeau gedacht? denken Hij heeft niets gedronken. drinken Wij hebben taart gegeten. eten Wij hebben gefeest. feesten Mijn moeder heeft mij geld gegeven. geven Zij is in 2024 naar België gekomen. komen Pei Le heeft een mooi cadeau gekocht. kopen Wij hebben een uitnodiging gekregen. krijgen ontbreken Er ontbreken nog datums. Ik heb met de advocaat gesproken. spreken Het feest start om 14 uur. starten Wij trouwen op 21 juni. trouwen verhuizen Ik ben in 2016 naar Brussel verhuisd. Pei Le heeft een mooi cadeau vinden gevonden. Hassan heeft Sofie gevraagd om vragen te trouwen. Ik wens je een gelukkige verjaardag. wensen

IN

De uitnodiging het dansfeest het feest de gast – de gasten de maaltijd de receptie

©

Ik ben geboren op ... Ik ben getrouwd op ... Ik ben naar België gekomen op ... De advocaat de Meester het dossier – de dossiers mijn geboortedatum mijn trouwdatum

hebben zijn

Ik heb een brief gehad. Wij zijn naar Oostende geweest.

Het perfectum met HEBBEN of ZIJN Zet het werkwoord 1 HEBBEN of ZIJN in het begin van de zin bij het subject. Zet het werkwoord 2 op het einde van de zin. • Ik ben in 2025 getrouwd. • Wij hebben taart gegeten.

12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

2 Ik kan niet komen 1 Lees de zinnen. Proficiat. Ik kom graag! Mag ik de muziek kiezen? Veel geluk. Ik denk dat jullie samen nog veel zullen feesten. Het spijt me, ik kom niet want ik hou niet van feesten. Proficiat. Ik kom alleen als er chocoladetaart is. Het spijt me, ik kan niet komen want mijn sokken zitten nog in de wasmachine.

2 Welke zin vind jij leuk?

IN

Schrijf die zin nog een keer, maar kijk niet naar het voorbeeld. Controleer. Heb je alle woorden correct geschreven? Correct schrijven is ook belangrijk!

N

3 Een belangrijke datum

1 Welke maand is het? Schrijf de maand, zoals in het voorbeeld. januari

de tiende maand:

de achtste maand:

de tweede maand:

de derde maand:

de vierde maand:

de elfde maand:

de vijfde maand:

de negende maand:

de twaalfde maand:

de zevende maand:

de zesde maand:

VA

de eerste maand:

©

Weet je nog?

De rangtelwoorden heb je geleerd in thema 3.

2 Leg een blad op de rechterkolom.

Lees het getal. Leg dan een blad op het getal. Lees het woord en schrijf het getal. 12

twaalf

26

zesentwintig

25

vijfentwintig

43

drieënveertig

36

zesendertig

98

achtennegentig

48

achtenveertig

32

tweeëndertig

54

vierenvijftig

64

vierenzestig

66

zesenzestig

89

negenentachtig

Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?

13


79

negenenzeventig

17

zeventien

81

eenentachtig

51

eenenvijftig

96

zesennegentig

75

vijfenzeventig

4 Een brief van de advocaat 1 Lees het verhaal. Onderstreep het perfectum werkwoord. Schrijf de infinitief. Hassan en Sofie zijn vorige week getrouwd.

trouwen

Zij hebben een groot feest gegeven. Veel gasten zijn naar het feest gekomen. Zij heeft veel over zijn leven gevraagd. De gasten hebben lekkere taart gegeten. Zij hebben champagne gedronken.

IN

De moeder van Sofie heeft met Hassan gesproken.

Pei Le heeft hen een mooi cadeau gegeven.

N

Hassan en Sofie hebben nog meer cadeaus gekregen. Iedereen heeft een leuke tijd gehad.

VA

Wat weet jij nog over het feest van Hassan en Sofie? Vertel!

2 Schrijf de werkwoorden in het perfectum met HEBBEN. denken drinken eten

Vandaag

wij aan jou

Ik

een cola

Mijn man

Mijn ouders

hebben

Ik

kopen

De buren

spreken

De buurvrouw

vinden

.

frieten

.

mij geld

©

geven

.

.

nooit een auto

.

een hond

.

met de politie

.

jouw zoon een job

vragen

Wat

werken

Jij

wensen

Mijn vrienden

?

jij aan jouw vriend

?

hard

. mij veel geluk

.

3 Schrijf de werkwoorden in het perfectum met ZIJN. komen

Jij

trouwen

14

op 10 maart naar België jij

verhuizen

Hij

zijn

Mijn kinderen

.

? naar Brussel

.

naar hun grootouders

.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

9

Aan de schoolpoort

Dit leer ik. • Ik lees een tekst over scholen in België. • Ik vat samen wat in de tekst staat. • Ik begrijp notities in de agenda van mijn kind. • Ik schrijf iets in de agenda van mijn kind.

1 Naar school

Weet je nog?

IN

1 Lees één van de vier teksten.

De rangtelwoorden (eerste, tweede, derde ...) heb je geleerd in thema 3.

Zoek moeilijke woorden op. Lees heel goed! Je moet straks met jouw klasgenoten spreken over jouw tekst.

©

VA

Een kind van 2,5 jaar mag naar de kleuterschool. Ook een kind dat geen Nederlands spreekt, mag naar de kleuterschool. Jouw kind leert Nederlands in de kleuterklas. De kleuterschool is goed voor jouw kind. Jouw kind doet veel nieuwe dingen. Veel scholen hebben vier kleuterklassen: de instapklas, de eerste kleuterklas, de tweede kleuterklas en de derde kleuterklas. Kinderen van 6 jaar gaan naar het eerste leerjaar.

Tekst 3: Mijn kind is ziek Is jouw kind ziek? Telefoneer naar de school. Kleuterschool Je moet geen briefje van de dokter aan de school geven. Lagere school Jouw kind is 1, 2 of 3 dagen ziek: jij mag zelf een briefje voor de school schrijven. Jouw kind is 4 of 5 dagen of een week ziek: jij moet naar de dokter gaan. De dokter schrijft een briefje voor de school. Thema 9 – Aan de schoolpoort

Tekst 2: Naar de lagere school

N

Tekst 1: Naar de kleuterschool

Het is belangrijk dat jouw kind goed Nederlands kan. Een kind dat 220 halve dagen naar de kleuterschool gaat en een beetje Nederlands spreekt, mag naar de lagere school. Kinderen moeten van 6 jaar tot 12 jaar naar de lagere school gaan. Er zijn 6 leerjaren: het eerste leerjaar, het tweede leerjaar, het derde leerjaar, het vierde leerjaar, het vijfde leerjaar en het zesde leerjaar.

Tekst 4: Hoeveel kost de school? De basisschool is gratis. De school kan extra geld vragen voor activiteiten of materialen. Dat mag niet te veel geld zijn. Je vindt op het internet hoeveel geld de school elk jaar mag vragen. Bron: onderwijs.vlaanderen.be/nl/ouders

1


Taaltaak De basisschool

2

Rol: opvoeder

Spreek met klasgenoten die een andere tekst gelezen hebben. Kijk niet naar de tekst. Spreek over deze vragen. Wanneer gaat een kind naar de kleuterschool? Wanneer gaat een kind naar de lagere school? Hoeveel kost de inschrijving in de kleuterschool? Hoeveel kost de inschrijving in de lagere school? Mag het kind naar de kleuterschool als het geen Nederlands spreekt? Mag het kind naar de lagere school als het geen Nederlands spreekt?

Waarom is de kleuterschool belangrijk? Waarom is de lagere school belangrijk?

IN

Moet een kind naar de kleuterschool? Moet een kind naar de lagere school?

Jouw kleuter is ziek: wat moet jij doen? Jouw kind in de lagere school is één dag ziek: wat moet jij doen? Jouw kind in de lagere school is een week ziek: wat moet jij doen? Moet jij nog extra betalen in de lagere school? Hoeveel?

N

Hoeveel kleuterklassen zijn er? Hoeveel leerjaren zijn er?

VA

3 Zoek één voorbeeld. Vergelijk met je klasgenoten. activiteiten in de kleuterschool:

activiteiten in de lagere school:

4 Uit elke tekst van oefening 1 krijg je één zin. Vul het woord in.

©

W

In de kleuterschool doet jouw kind veel

Het is

dingen.

dat jouw kind goed Nederlands kan.

Is jouw kind 1, 2, 3 dagen ziek: je mag De basisschool is

een briefje schrijven. .

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


5 Lees en vul in. Nederlands

Engels

Je mag het zelf doen.

You can do it yourself.

W

Frans

Jouw taal

Vous pouvez le faire vous-même.

ZELF = zonder hulp of zonder iemand anders Mijn kind fietst zelf naar school. (zonder hulp) Ik kook elke avond zelf. (zonder iemand anders)

6 Waar staat ZELF? Zet een kruisje. Gebruik je taalgevoel. Soms zijn er twee goede plaatsen. kind

heeft

Hij

doet

zijn

Zij

wil

haar

Mijn

zoon

Mijn

dochter

de

taart

jas

aan.

huiswerk

maken.

het

gezegd.

op

het

heeft gaat

gebakken.

IN

Mijn

potje.

N

Schrijf nog één zin. Wat doet jouw kind zelf? Wat doe jij zelf? Lees de zin voor aan je klasgenoten.

Leertip

VA

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

©

Moet jij een moeilijke tekst lezen? Lees dan eerst de tekst helemaal. Je zal al veel woorden begrijpen. Zoek dan de andere woorden op.

Thema 9 – Aan de schoolpoort

3


2 Een opmerking van de juf of de meester 1 De juf en de meester schrijven in de agenda van de kinderen.

Combineer de opmerking van de juf en de meester met het antwoord van de ouder. Opmerking

Antwoord

Eefje maakt vaak lawaai in de klas. Eefje moet goed luisteren.

A

U hebt gelijk. Ik zal haar elke dag brood meegeven.

2

Hajar eet ’s middags bijna altijd koekjes. Geeft u brood mee voor het middageten? Kinderen moeten gezond eten.

B

Dat is goed. Dank u. Hoe laat is de les?

3

Soms pest Oscar zijn klasgenoten. Pesten mag niet!

C

Dat is goed. Zij helpt thuis ook goed.

4

Bohdan heeft problemen met Nederlands. Hij kan op woensdagnamiddag Nederlandse les volgen.

D

U hebt gelijk. Ik zal met haar praten.

5

Tatiana werkt altijd goed mee in de klas.

E

Het spijt me. Ik zal met hem praten.

6

Amal komt bijna nooit op tijd.

F

Het spijt me. Ik breng haar morgen op tijd naar school.

N

D

2

3

4

5

VA

1

IN

1

6

2 Bij welke foto hoort het? Schrijf het nummer van de foto. 2

©

1

5

3

6

4

7

lawaai maken

goed meewerken

gezond eten

luisteren

op tijd komen

thuis helpen

pesten Welke opmerking is positief? De opmerking voor de mama en papa van

4

.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


3 In de opmerkingen lees je deze woorden: soms / altijd / vaak / nooit. Zet de woorden op de tijdlijn.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

4 Studeer. infinitief

presens (nu)

perfectum (vroeger)

breng, brengt, brengen

hebben gebracht

eten

eet, eet, eten

hebben gegeten

helpen

help, helpt, helpen

hebben geholpen

komen

kom, komt, komen

zijn gekomen

luisteren

luister, luistert, luisteren

hebben geluisterd

maken

maak, maakt, maken

hebben gemaakt

meegeven

geef, geeft, geven ... mee

meewerken

werk, werkt, werken ... mee

pesten

pest, pest, pesten

praten

praat, praat, praten

hebben gepraat

volgen

volg, volgt, volgen

hebben gevolgd

hebben meegegeven

hebben meegewerkt

N

hebben gepest

VA

5 VIDEO

IN

brengen

Herhaal

©

U hebt gelijk.

Dat is goed.

Het spijt me.

Ik zal ... met hem / haar praten.

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

Thema 9 – Aan de schoolpoort

5


3 Mijn antwoord Taaltaak Een opmerking van de leerkracht

Rol: opvoeder / cursist

Antwoord op een opmerking van de leerkracht. Gebruik de schrijfkaart op pagina xx. Kijk in de agenda van jouw kind. Kijk op het rapport van jouw kind. Schrijf in kolom 1 een opmerking van de juf of de meester. Schrijf in kolom 2 jouw antwoord. Spreek later met de leerkracht over de opmerking en over jouw antwoord. Vergelijk met jouw klasgenoten / opvoeders.

Cursist:

Vraag een opmerking aan de leerkracht. Schrijf de opmerking in kolom 1. Schrijf in kolom 2 jouw antwoord. Spreek later met de leerkracht over de opmerking en over jouw antwoord. Vergelijk met jouw klasgenoten / cursisten.

• • • • •

Opmerking

VA

© 6

Antwoord

N

IN

Opvoeder: • • • • • •

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


4 Een opmerking van mama of papa 1 Lees de briefjes.

Ik wil u verwittigen dat Linne vandaag ziek is.

Mali heeft dit weekend geen tijd.

Voor Aleksy is het huiswerk bijna altijd te moeilijk.

Ik wil u laten weten dat Yusuf de rekenlessen nooit leuk vindt.

Mieke heeft geen vrienden in de klas.

N

IN

Hovan moet morgen naar de dokter.

2 Lees en vul in. Ik wil u laten weten dat ...

G

Frans

Jouw taal

I want to inform you that ...

Je veux vous faire savoir que ...

I want to warn you that ...

Je veux vous prévenir que ...

©

Ik wil u verwittigen dat ...

Engels

VA

Nederlands

Plaats van subject en werkwoord in de zinnen De hoofdzin

• het subject: plaats 1 • het werkwoord: plaats 2

De inversiezin

• het subject: plaats 3 • het werkwoord: plaats 2

De bijzin met DAT

• het subject: plaats 1 • het werkwoord: achteraan 1

Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1. thema 4: inversie.

2

3

achteraan

hoofdzin

Hovan

gaat

morgen

naar de dokter.

inversiezin

Morgen

gaat

Hovan

naar de dokter.

bijzin (Ik wil u laten weten) DAT

Hovan

morgen

naar de dokter

gaat.

Thema 9 – Aan de schoolpoort

7


Weet je nog? Thema 2: OMDAT met een bijzin.

3 Maak een inversiezin.

Begin met het onderstreepte stuk van de zin.

Linne is ziek vandaag.

Mali heeft dit weekend geen tijd.

Het huiswerk is voor Aleksy bijna altijd te moeilijk.

Mieke heeft geen vrienden in haar klas.

4 Maak een bijzin.

IN

Yusuf vindt de rekenlessen nooit leuk.

Linne is ziek vandaag.

.

VA

Ik wil u laten weten dat

N

Schrijf eerst het subject en achteraan het werkwoord.

Mali heeft dit weekend geen tijd. Ik wil u verwittigen dat

.

Het huiswerk is voor Aleksy bijna altijd te moeilijk. Ik wil u verwittigen dat

.

©

Yusuf vindt de rekenlessen nooit leuk. Ik wil u laten weten dat

.

Mieke heeft geen vrienden in haar klas. Ik wil u laten weten dat

.

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

5

Taaltaak Mijn briefje

Rol: opvoeder

Schrijf een briefje voor de juf of de meester van jouw kind. Geef het briefje aan de juf of de meester. Kies een andere rol.

Rol: cursist

Schrijf een briefje voor jouw leerkracht Nederlands. Geef het briefje aan jouw leerkracht.

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

Mijn leven in België

Naar school in België

bio posts

Sofie is mijn vriendin. Eefje is de dochter van Sofie. Eefje is 8 jaar. Zij zit in de lagere school. Zij zit in het derde leerjaar. Zij leert schrijven, rekenen, biologie ... Zij leert al veel! ’s Middags eet zij op school. Ze neemt brood mee naar de school. In België gaan de kinderen al op 2,5 of 3 jaar naar school. Zij gaan elke dag naar school, maar niet in het weekend. In mijn land is dat helemaal anders.

2 Schrijf jouw bericht.

N

IN

contact

©

VA

Schrijf over de school van jouw kind of over de scholen in jouw land.

bio

posts

contact

Thema 9 – Aan de schoolpoort

9


6 Elke dag Nederlands Taaltaak Mijn school / de school van mijn kind

Rol: opvoeder / cursist

Veel scholen hebben een pagina op de sociale media, bijvoorbeeld een Facebookpagina of een Instagrampagina. Je vindt er foto’s maar ook berichten. Zoek jouw school of de school van jouw kind op de sociale media. Kijk naar de foto’s en lees de recente berichten. Schrijf een reactie. Spreek erover met je klasgenoten.

Berichten

VA

N

IN

basisschooldekubus

8

1

©

S svitlana96 en anderen vinden dit leuk

10

basisschooldekubus Carnaval in de klas! svitlana96 Tatiana, jij bent een leuke

krokodil!

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Dit kan ik

Wil je de video van de woordenschat bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? U hebt gelijk. Dat is goed. Het spijt me.

Ik zal met haar / hem praten. Ik zal ...

Nieuwe woorden De agenda de opmerking – de opmerkingen de juf de meester het rapport

IN

de basisschool de kleuterschool de kleuterklas de lagere school het leerjaar het eerste, tweede, derde vierde, vijfde, zesde leerjaar de activiteit – de activiteiten

Wanneer? nooit bijna nooit soms vaak bijna altijd altijd

VA

N

Werkwoorden Hij eet gezond. eten Hij helpt altijd zijn moeder. helpen Zij komt nooit op tijd. komen Naar de juf luistert Naima niet. luisteren Hij maakt veel lawaai. maken Tatiana pest haar klasgenoten. pesten Ik praat met haar. praten Hij volgt Nederlandse les. volgen Zij zit in het derde leerjaar. zitten

©

VIDEO

meegeven meewerken

Morgen geef ik brood mee. Jan werkt goed mee.

brengen

Brengt u haar op tijd naar school?

Thema 9 – Aan de schoolpoort

Adjectieven / adverba belangrijk gratis nieuw zelf Preposities een briefje aan de juf geven aan problemen met Nederlands met praten met je kind op tijd komen op

11


De hoofdzin, de inversiezin, de bijzin • hoofdzin • inversiezin • bijzin

subject op plaats 1, werkwoord op plaats 2 subject op plaats 3, werkwoord op plaats 2 subject op plaats 1, werkwoord achteraan 2

3

achteraan

hoofdzin

Hovan

gaat

morgen

naar de dokter.

inversiezin

Morgen

gaat

Hovan

naar de dokter.

bijzin (Ik wil u laten weten) DAT

Hovan

morgen

naar de dokter

gaat.

©

VA

N

IN

1

12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

1 Naar school 1 Kijk naar de woordzoeker. Zoek de 12 woorden van deze oefening:

kleuterschool, lagere, basisschool, leerjaar, vierde, gratis, activiteit, materiaal, briefje, telefoneer, belangrijk. X

Y

Z

V

R

H

U

Q

C

O

F

E

M

A

T

E

R

I

A

A

L

J

K

L

V

L

A

G

E

R

E

H

V

J

P

A

Q

V

I

E

R

D

E

Q

T

R

L

N

X

K

L

E

E

R

J

A

A

R

N

G

X

C

C

I

Z

E

L

F

Q

D

X

R

B

A

S

I

S

S

C

H

O

O

L

I

P

H

C

W

B

R

I

E

F

J

E

J

I

T

E

L

E

F

O

N

E

E

R

K

E

F

H

G

R

A

T

I

S

F

F

C

B

B

O

H

F

X

C

M

V

B

L

Y

A

C

T

I

V

I

T

E

I

T

Q

VA

N

IN

B

2 Lees de zinnen.

Welke zin past bij jou? Schrijf een kruisje. Vergelijk met je klasgenoten.

©

Ik kan zelf fietsen. Ik doe zelf de was. Ik kan zelf een IKEA-kast monteren. Ik heb gisteren zelf gekookt. Ik heb zelf de VanIn-Plus App op mijn gsm gezet. Mijn kleuter eet zelf met een lepeltje. Mijn kleuter doet zelf zijn / haar schoenen aan. Mijn kinderen zijn gisteren zelf naar bed gegaan. Mijn kinderen maken zelf hun boterhammen. Mijn kinderen moeten zelf hun kamer opruimen.

Thema 9 – Aan de schoolpoort

13


2 Een opmerking van de juf of de meester 1 Vul elk woord één keer in: nooit / soms / vaak / altijd. Pei Le eet heel gezond. Zij eet

groenten en fruit.

Zij is bijna

ziek.

Yurek gaat graag naar school. Hij staat vroeg op en hij is bijna Maar

op tijd.

rijdt de bus niet. Dan is hij te laat.

2 Kan je vertellen over Pei Le en Yurek?

Kijk niet naar de zinnen van oefening 1. Kijk naar de tips. Pei Le: Yurek:

gezond / groenten en fruit / ziek graag / vroeg / bus

IN

Tips:

4 Een opmerking van mama of papa Maak een andere zin, zoals in het voorbeeld.

VA

N

Zet de onderstreepte woorden op 1. Zet het werkwoord op 2. Zet de naam van het kind op 3. 1 Aleksy eet in de klas een koek.

In de klas eet Aleksy een koek.

2 Mieke komt ’s morgens op tijd.

3 Tatiana pest haar zus op de speelplaats.

4 Naima luistert niet altijd naar de meester. 5 Linne maakt nooit haar huiswerk.

©

6 Kyona heeft altijd problemen. 7 Hovan speelt soms samen met zijn vriend. 8 Laima maakt vaak lawaai in de klas. 9 Mali volgt de islamles op dinsdag. 10 Aleksy gaat graag naar school.

14

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


THEMA

10

Naar de meubelwinkel

Dit leer ik. • Ik lees en begrijp de productinformatie in een meubelwinkel. • Ik schrijf een advertentie om een meubel te verkopen. • Ik begrijp belangrijke informatie op een bestelbon. • Ik schrijf een mail over een levering.

1 In de meubelwinkel

IN

1 Onderstreep onder elke foto de naam van het voorwerp.

de woonkamer (1) de slaapkamer (2) de kinderkamer (3) de badkamer (4) de keuken (5) het kantoor (6)

VA

N

Voor welke kamers zijn deze voorwerpen? Zet het nummer van de kamer bij de foto.

oven met 9 nieuwe kookfuncties • breedte: 59,4 cm • diepte: 56,7 cm • hoogte: 58,9 cm

extra groot bed • met harde of zachte matras naar keuze • afmetingen: 200 x 200 cm

zacht tapijt met een leuke tekening • lengte: 1,40 m • breedte: 80 cm

mooie bureaustoel • verkrijgbaar in groen, blauw en rood • breedte: 41 cm • diepte: 50 cm

comfortabele zitbank • breedte: 160 cm • diepte: 80 cm • zithoogte: 43 cm • 2 mooie kussens gratis!

©

witte dubbele wastafel met 2 kranen • afmetingen: 140 x 49 cm • verkrijgbaar in wit en blauw.

Thema 10 – Naar de meubelwinkel

1


2 Wat is het? Trek een lijn, zoals in het voorbeeld. de afmetingen • naar keuze • het is verkrijgbaar • extra • comfortabel •

• je kan het krijgen of kopen • een beetje meer • hoe groot het is • je kan kiezen • je zit gemakkelijk

3 Schrijf DE of HET bij het singularis en schrijf het pluralis. Weet je het niet? Zoek het op. singularis

pluralis

het meubel

de meubels / de meubelen

bed

de

bureaustoel /

stoel

de de

kussen

de

IN

kraan matras

de

oven

de

tapijt

de

tafel

zitbank

de

N

wastafel /

de

VA

4 Wat is het NIET? Trek een lijn. zacht • groot • oud •

• nieuw • klein • hard

5 Hoe zeg je het? Trek een lijn, zoals in het voorbeeld.

©

Hoe lang is het? • Hoe hoog is het? • Hoe diep is het? • Hoe breed is het? •

• de breedte • de lengte • de hoogte • de diepte

6 Vul aan. De afmetingen van de doos. is 32 cm.

De

is 61 cm.

De

of lengte is 115 cm. 32 cm

De

cm =

m

5c

11

m=

61 cm

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

2

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


2 Op Airbnb 1 Lees de advertentie. Onderstreep de adjectieven.

IN

Boeken

Weet je nog?

Herhaling: flexie van het adjectief

VA

G

N

Nieuw TaalRecht 1.1 thema 10: ER + staan / hangen / liggen.

DE tafel + klein

HET bed + groot het grote bed een groot bed de grote bedden

De tafel is klein. De tafels zijn klein.

Het bed is groot. De bedden zijn groot.

©

de kleine tafel een kleine tafel de kleine tafels

klein – kleine / groot – grote: adjectieven de tafel, het bed: substantieven

2 Schrijf het adjectief correct, zoals in het voorbeeld. voorbeeld: E r staat een bed met een (nieuw) matras. Er staat een bed met een nieuwe matras. Er staat een (groot)

wastafel met één kraan.

De kraan is nog (nieuw)

.

Op de zitbank liggen twee (zacht) De kussen zijn (groen)

kussens. .

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

Thema 10 – Naar de meubelwinkel

3


3 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot. Schrijf het adjectief correct. Vind je dit moeilijk? Lees dan de tip. Wissel daarna van rol. Klasgenoot A

Tip

Klasgenoot B

Er staat een (klein) bureau in de woonkamer.

het bureau

klein bureau

oude tapijten

het tapijt

Er liggen (oud) tapijten in de woonkamer.

Aan het raam hangt een (nieuw) gordijn.

het gordijn

nieuw gordijn

comfortabele zitbank

de zitbank

Er staat een heel (comfortabel) zitbank in de woonkamer. een nieuw tapijt

In de keuken ligt een (nieuw) tapijt. de stoel

Er staan twee (zwart) stoelen in de keuken.

Er hangt een (groot) klok in de keuken.

de klok

een grote klok

heel zacht

het bed

Het bed in de slaapkamer is heel (zacht).

De (zwart) gordijnen in de slaapkamer zijn heel donker.

het gordijn

zwarte gordijnen

drie kleine bedden

het bed

In de kinderkamer staan drie (klein) bedden.

N

IN

twee zwarte stoelen

4

VA

Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.

Taaltaak Te huur

Rol: administrator

©

Jij wil één kamer van jouw appartement of huis verhuren op Airbnb. Hoe is die kamer? Schrijf een advertentie.

Boeken

Leertip Studeer de substantieven altijd in combinatie met ‘de’ of ‘het’. Zo kan je ze beter onthouden.

4

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


3 De bestelbon 1 Lees de bestelbon. 2/6/2025 340/ZBR voor 16/6/2025 Hassan Sadiq Stationstraat 12/bus 4, 2000 Antwerpen 0487 12 93 65 hassan.inbelgie@gmail.com 1

2

N

IN

2-persoonsbed – type: Droomland 1 Afmetingen: 160 x 200 cm Kleur: zwart

Taaltaak Mijn bestelling

699 euro

699 euro

Rol: administrator

VA

Lees de mail van Hassan. Zoek de moeilijke woorden op. Vul de informatie in. Kijk naar de bestelbon.

©

hassan.in belgie@gmail.com info@meubelwinkel.com levering van onze bestelling

Referentie: Beste Wij hebben op De leveringstermijn is Het bed is nog niet aangekomen. Wanneer komt het bed aan?

bij u een bed besteld. weken.

Bedankt voor uw antwoord. Hassan Sadiq

Thema 10 – Naar de meubelwinkel

5


3 Lees de bestelbon en de mail nog een keer. Schrijf de woorden. cijfers + letters op de bestelbon: de r iets kopen maar nog niet meenemen: iets be naar huis brengen: l de tijd van de bestelling tot de levering: de leveringst bij jouw huis komen:

komen

4 Wat zet jij samen? Trek een lijn. leveren • bestellen • meten • aankomen •

• de aankomst • de afmeting • de bestelling • de levering

5 Studeer. presens (nu)

perfectum (vroeger)

IN

infinitief aankomen

kom aan, komt aan, komen aan

zijn aangekomen

bestellen

bestel, bestelt, bestellen

hebben besteld

leveren

lever, levert, leveren

meten

meet, meet, meten

hebben geleverd

N

hebben gemeten

VA

Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.

4 Een mail naar de winkel 1

Herhaal

©

VIDEO

Onderwerp: ... de levering van onze bestelling

Referentie: ... bestelbon 340/ZBR

Wij hebben op ... 2 juni ... bij u ... een bed ... besteld.

6

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


De leveringstermijn is ... 2 weken.

Het bed ... is nog niet aangekomen. Wanneer komt ... het bed ... aan?

Bedankt voor uw antwoord.

Taaltaak Mijn zitbank

Rol: administrator

IN

2

VA

N

15/11/20.. 25/pmk/KI voor 15/12/20...

©

groene ZITBANK – type: Bruxella Breedte: 266 cm / Diepte: 113 cm / Zitdiepte: 80 cm

1

499 euro

499 euro

Breng van thuis een bestelbon mee of gebruik deze bestelbon. Schrijf een mail naar de winkel. Vraag wanneer de winkel de zetel levert. Gebruik de schrijfkaart van pagina xx.

Thema 10 – Naar de meubelwinkel

7


5 Het bericht van Hassan 1 Lees het bericht van Hassan.

Zoek de moeilijke woorden op.

DOOR HASSAN

Mijn leven in België

Meubelen

bio posts

2 Schrijf jouw bericht.

N

IN

contact

Ik ben met Sofie naar een meubelwinkel geweest. De meubelen hier zijn heel modern. In mijn land zijn de meubelen klassiek. Mijn ouders hebben een rode zetel met goud. Ze hebben mooie kussens. Op de grond ligt een dik tapijt. Ik vind de woonkamer van mijn ouders heel mooi.

bio

©

posts

VA

Schrijf over jouw meubelen of over de meubelen van jouw ouders.

contact

8

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


6 Elke dag Nederlands Taaltaak Mijn papieren

Rol: administrator

Heb je thuis nog papieren van een winkel? Het kan een bestelbon, een factuur of een garantiebewijs zijn. Breng de papieren mee. Welke woorden vind je moeilijk? Onderstreep één woord dat vaak in de papieren staat. Schrijf met je klasgenoten al deze woorden op het bord. Spreek over de woorden met de leerkracht.

©

VA

N

IN

• • • • •

Thema 10 – Naar de meubelwinkel

9


Dit kan ik

Wil je de video van de woordenschat bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

Hoe schrijf je het? VIDEO

Beste

Bedankt voor uw antwoord.

Wij hebben op ... bij u een ... besteld. De leveringstermijn is ... De / Het ... is nog niet aangekomen. Wanneer komt de / het ... aan?

de bestelbon de referentie de datum

Nieuwe woorden Adjectieven zacht ↔ hard groot ↔ klein oud ↔ nieuw comfortabel

IN

De afmetingen lang – de lengte breed – de breedte hoog – de hoogte diep – de diepte cm = centimeter m = meter

N

In de meubelwinkel het meubel – de meubels / de meubelen het bed – de bedden de bureaustoel / de stoel – de stoelen het kussen – de kussens de matras – de matrassen de oven – de ovens het tapijt – de tapijten de wastafel / de tafel – de tafels de zitbank – de zitbanken

naar keuze het is verkrijgbaar

©

VA

De kamers de woonkamer de slaapkamer de kinderkamer de badkamer de keuken het kantoor

Preposities in verkrijgbaar in 3 kleuren met een bed met een matras naar naar keuze de levering van mijn bed van

Werkwoorden bestellen Wij hebben een bed besteld. leveren Levert u het bed voor 1 juli? meten Wil jij het bed nog een keer meten? aankomen Het bed is nog niet aangekomen.

Adjectieven: flexie Adjectieven schrijf je met een E:

10

• voor een DE-woord • voor een HET-woord – maar niet na EEN

DE tafel + groot

HET bed + groot

een grote tafel de grote tafel

een groot bed het grote bed

De tafel is groot.

Het bed is groot.

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Ik oefen extra

Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.

1 In de meubelwinkel Lees de zin. Vul in: lang – lengte / hoog – hoogte / breed – breedte / diep – diepte. • De Eiffeltoren in Parijs is 300 meter

.

De

van de Eiffeltoren is 300 meter.

• De

van mijn woonkamer is 3 meter.

Mijn woonkamer is 3 meter

. .

• De Schelde is meer dan 15 meter

van de Schelde is meer dan 15 meter.

• De

van de Amazone is 6 992 kilometer.

IN

De

De Amazone is 6 992 kilometer

.

N

2 Op Airbnb 1 Schrijf het adjectief correct. DE / HET DE wastafel (groot)

EEN

HET bureau (klein) HET bed (hard)

DE matras (zacht) HET tapijt (oud) DE stoel (zwart)

DE

DE … IS …

een grote wastafel

de grote wastafel

de wastafel is groot

een

de

de

is

een

het

het

is

een

het

het

is

een

de

de

is

een

het

het

is

een

de

de

is

©

DE oven (nieuw)

VA

Kijk naar het voorbeeld.

Thema 10 – Naar de meubelwinkel

11


2 Lees de tekst. Schrijf overal een kleur. Hallo, Ik woon in een appartement met veel kleur. In de woonkamer staat een tafel. Er liggen ook twee

tapijten. De

zitbank en

de

stoelen zijn comfortabel. Ik koop nog 2 kussens voor de zitbank:

een

kussen en een

kussen. Of koop ik twee

kussens? Wat denk jij? In de badkamer hangt een

plastic gordijn. Het

gordijn ziet er een beetje vies uit. Er staat ook een In mijn slaapkamer staat een

wastafel.

bed met een

matras.

©

VA

N

IN

Het bed is groot genoeg voor twee. Wanneer kom je op bezoek?

12

NIEUW TAALRECHT 1.2 SCHRIFTELIJK


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Nieuw TaalRecht 1.2 - Schriftelijk by VAN IN - Issuu