Taal Recht NIEUW
ullie maken veel lawaai.
mondeling
ken Jullie ma ai. veel lawa
Aa
ng
gen
gen
aam
!
en
aam Aa! n
gen
Aan
Aan
1.2
aam
!
aam
!
n Ik be n. ude o k r ve
en Ik b en. ud o k ver
tijd e D vo t g d tij rbijv. lie e o D vo t eg vli Ik ben . den u o k r ve Ik verk
© N
VA IN
THEMA
1
De Nederlandse les
Dit leer ik. • Ik begrijp de instructies in de klas. • Ik geef instructies aan mijn klasgenoten. • Ik spreek over mijn familie en vrienden. • Ik vraag en noteer informatie over de school.
1 Hassan gaat naar de Nederlandse les. VIDEO
IN
1 Hassan in de les Een klasgenoot is te laat. Een andere klasgenoot slaapt in de klas. De lerares is niet blij.
N
2 Schrijf het nummer van de foto.
2
©
VA
1
3
4
Kom binnen. Zet uw gsm af, alstublieft. Sst! Stilte, alstublieft. Tot morgen!
Thema 1 – De Nederlandse les
één
1
2 In module 1.2 1 In welk gesprek hoor je het? In 1 of 2? Schrijf een kruisje X.
AUDIO
a b c d e f
Neem uw boek op pagina 30. Kom binnen. Schrijf een kruisje bij het antwoord. Stilte, alstublieft. Zet uw gsm af. Ga zitten.
1 1 1 1 1 1
X 2 2 2 2 2 2
2 Welke foto past bij de zinnen uit 1?
VA
X
Een jas. Een trui. Een broek.
N
IN
Schrijf de letter van die zin bij de foto.
©
3 Maak een tekening.
Luister.
Spreek.
Lees.
Schrijf.
Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1. thema 4: de instructie.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
2
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4 Studeer. De instructie
5
De instructie
afzetten
zet ... af
luisteren
luister
binnenkomen
kom ... binnen
nemen
neem
gaan
ga zitten
schrijven
schrijf
lezen
lees
spreken
spreek
Taaltaak De instructie
Rol: cursist
Werk samen met drie klasgenoten. Geef elke klasgenoot een instructie. voorbeeld: Kom op tijd.
IN
Vergelijk jullie instructies.
3 Hoe gaat het met jullie?
1 Hoe gaat het met hen? Schrijf een kruisje X. X goed
niet goed niet goed niet goed niet goed niet goed
N
de cursisten de leerkracht de kinderen van de leerkracht de vrouw van het secretariaat de directeur
goed goed goed goed
VA
AUDIO
2 Luister nog een keer. Welk woord hoor je? Schrijf het woord. Deze woorden zijn pronomina. Kies uit: mij / jou / u / haar / hem / ons / jullie / hen. – Goedemorgen, cursisten!
©
Hoe gaat het met
?
– Met
gaat het goed.
– En met
, leerkracht?
Hoe gaat het met jou?
– Wablieft? – Hoe gaat het met – Met
? gaat het ook goed.
Met mij gaat het goed!
Ik ben blij terug in de school te zijn. – En met uw kinderen? – Met mijn kinderen gaat het ook goed. Het gaat heel goed met
.
Zij zijn nu in de school. – En hoe gaat het met die mooie vrouw van het secretariaat? – Met
gaat het ook goed. Zij is in de vakantie getrouwd.
– Dat is jammer! Thema 1 – De Nederlandse les
3
– Maar met de directeur van de school gaat het niet goed. Met
gaat het niet goed.
Hij is ziek. – Dat is jammer.
3 Zeg de pronomina.
Zeg de pronomina in de zin, zoals in het voorbeeld. Met mij
gaat het goed.
jij
Met
gaat het goed.
u
Met
gaat het goed.
hij
Met
gaat het goed.
zij (vrouw)
Met
gaat het goed.
wij
Met
gaat het goed.
jullie
Met
zij (groep)
Met
Let op:
mij = me jou = je hen = ze
gaat het goed. gaat het goed.
Het gaat goed met mij. Het gaat goed met me. Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met je? Het gaat goed met hen. Het gaat goed met ze.
VA
G
mij
IN
ik
N
G
Weet je nog?
Nieuw Taalrecht 1.1. thema 8: het possessief pronomen
©
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
4
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4 Hassan, Yurek en Pei Le
1 Luister en onderstreep de juiste antwoorden. Wanneer gaat Pei Le naar haar moeder?
op zondag / elke dag
Wie komt op zondag naar Hassan? Voor wie kookt Sofie? Van wie houdt Hassan?
zijn buurvrouw / Sofie voor Hassan / voor haar buurvrouw van Sofie / van zijn buurvrouw
IN
AUDIO
Wanneer telefoneert Yurek met zijn ouders? op zondag / elke dag zijn ouders / zijn vrienden Wie mist Yurek? een voetballer / zijn buurman Voor wie heeft Yurek veel respect?
2 Schrijf de prepositie. Op zondag ga ik
N
W
de cinema.
Ik hou
mijn vrienden.
de leerkracht.
VA
De cursisten hebben respect Mijn vriendin komt Ik kook graag
mijn huis.
mijn familie.
Telefoneer jij op zondag
jouw kinderen?
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
©
3 Lees en vul in. Nederlands
Engels
Frans
houden van
to love
aimer
respect hebben voor
to respect
respecter
missen
to miss
manquer
Jouw taal
4 Schrijf elke dag van de week. 1 maandag 2 3 4 5 6 7 Thema 1 – De Nederlandse les
5
5 Studeer. Het werkwoord ‘houden van’ is speciaal. informeel ik hou van hou jij van
formeel ik houd van houd jij van
infinitief
ik
houden van
hou / houd van
jij
... jij
houdt van
hij – zij (1 vrouw)
hou / houd jij van
houdt van
wij – jullie – zij (de mensen) houden van
6 Kijk naar de video. • Wie heeft een heel leuke zondag? • Wat doe jij op zondag?
5 Mag ik iets vragen? 1 Maak een zin.
IN
VIDEO
N
Gebruik de pronomina van oefening 3 op pagina xx. Mag ik … iets vragen? Uit welk land kom jij?
jou / je
• (hij)
Mijn vader woont in Irak. Ik telefoneer met ... op Skype.
• (ik)
Mijn moeder telefoneert niet graag met ...
• (zij)
Ik stuur ... elke dag een sms.
• (wij)
Mijn zus woont ook in België. Mijn moeder mist ...
VA
• (jij)
2 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot. Lees het gele vak. Kijk naar de tip. Controleer je klasgenoot. Ben je klaar? Wissel dan van rol. Kijk dan niet naar de tip.
©
VIDEO
Klasgenoot A
6
TIP
Klasgenoot B
Hoe gaat het met ...?
jij
Hoe gaat het met jou?
Goed! Met mij gaat het goed.
ik
Goed! Met ... gaat het goed.
En jouw zoon? Hoe gaat het met ...?
hij
En jouw zoon? Hoe gaat het met hem?
Ook goed. En hoe gaat het met jou? En met jouw dochter? Hoe gaat het met haar?
jij zij
Ook goed. En hoe gaat het met ...? En met jouw dochter? Hoe gaat het met ...?
Ook goed. Het gaat goed met ...
wij
Ook goed. Het gaat goed met ons.
Super! Dan gaat het goed met jullie.
jullie
Super! Dan gaat het goed met ...
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Klasgenoot A
TIP
Is dit jouw dochter? Woont zij nog bij jou?
Klasgenoot B
jij
Is dit jouw dochter? Woont zij nog bij ...?
zij
Nee. Ik ben gescheiden van mijn vrouw. Mijn dochter woont bij haar.
hij
Ik heb een zoon. Ik zie ... elke dag.
jij
Is dit jouw dochter? Woont zij nog bij ...?
Nee. Ik ben gescheiden van mijn vrouw. Mijn dochter woont bij ...
zij
Nee. Ik ben gescheiden van mijn vrouw. Mijn dochter woont bij haar.
Ik heb een zoon. Ik zie hem elke dag.
hij
Ik heb een zoon. Ik zie ... elke dag.
Nee. Ik ben gescheiden van mijn vrouw. Mijn dochter woont bij ... Ik heb een zoon. Ik zie hem elke dag. Is dit jouw dochter? Woont zij nog bij jou?
zij
Jouw ouders wonen in Brussel. Ga jij op zondag naar hen?
Nee, zij komen naar mij.
ik
Nee, zij komen naar ...
Zij komen naar ...! Dat is vriendelijk van ...
jij zij
Zij komen naar jou! Dat is vriendelijk van hen.
jij
Telefoneert jouw broer met ...?
hij
Ja, natuurlijk. En ik telefoneer met hem.
Mijn broer telefoneert elke dag met mij.
ik
Mijn broer telefoneert elke dag met ...
Jullie zijn met tien kinderen. Kookt jullie moeder voor ...?
jullie
Jullie zijn met tien kinderen. Kookt jullie moeder voor jullie?
Nee, zij kookt niet voor ons. Mijn vader kookt voor ons.
wij wij
Nee, zij kookt niet voor ... Mijn vader kookt voor ...
hij
Dat is veel werk voor hem.
©
VA
Ja, natuurlijk. En ik telefoneer met ...
N
Telefoneert jouw broer met jou?
IN
Jouw ouders wonen in Brussel. Ga jij op zondag naar ...?
Dat is veel werk voor ...
3
Herhaal
VIDEO
Hoe gaat het met ... u ? je / jou? jullie? Hoe gaat het met ... uw vrouw / man kinderen?
Goed! / Niet goed!
Thema 1 – De Nederlandse les
7
Op zondag / elke dag ... ga ik naar ... mijn moeder/vader. Op zondag / elke dag ... komt zij / hij naar ... mij, ons.
Tring !
Tring!
Ik telefoneer met ... mijn vader.
Tring!
Ik mis ... mijn familie.
IN
Ik hou van ... mijn vriendin.
4
VA
N
Ik heb respect voor ... mijn buurman.
Taaltaak Op zondag
Rol: communicator
Spreek met je klasgenoten. Spreek over jouw vrienden of familie. Toon foto’s. Vertel: wat doe jij op zondag?
©
Gebruik de spreekkaart op pagina x.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
8
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
6 Elke dag Nederlands 1 Luister. Wanneer is het? AUDIO
Hoe laat begint de Nederlandse les?
Om
uur.
Hoe laat is de Nederlandse les gedaan?
Om
uur.
Op welke dagen is de Nederlandse les? Schrijf een kruisje X.
vrijdag
zaterdag
woensdag
donderdag
IN
dinsdag
zondag
VA
N
week 1
maandag
Wanneer is het secretariaat open? van
uur tot
uur
in de namiddag
van
uur tot
uur
©
W
in de voormiddag
2 Wat zet jij samen? Trek een lijn. in de voormiddag • in de namiddag • in de avond •
3
Taaltaak De Nederlandse les
• ‘s avonds • ‘s middags • ‘s morgens Rol: cursist
a Wanneer kom jij naar de Nederlandse les? Schrijf de dagen. Schrijf het uur. Mijn Nederlandse les:
Thema 1 – De Nederlandse les
9
b Wanneer is het secretariaat open?
Openingsuren van het secretariaat
• Vraag het aan de leerkracht. • Vraag het op het secretariaat. • Schrijf de uren.
maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag zaterdag
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
+
7 Werk samen met drie klasgenoten.
Spreek over de kinderen in jouw land. Hoe laat gaan ze naar school?
Klasgenoot 2
Klasgenoot 3
VA
Hoe laat gaan ze naar huis?
Klasgenoot 1
N
In mijn land
IN
Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
©
Wanneer is de vakantie?
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? Luister. Spreek. Lees. Schrijf een kruisje. Neem uw boek.
Kom binnen! Ga zitten.
Hoe gaat het met jou / je / u? Hoe gaat het met jullie? Hoe gaat het met hem / haar?
Zet uw gsm af, alstublieft. Stilte, alstublieft.
Nieuwe woorden Lees de tekst. Ik mis haar. Neem uw boek. Schrijf een kruisje. Ik stuur hem een sms. Ik zie hen elke dag. Ga zitten op een stoel.
afzetten binnenkomen
Zet je gsm af. Kom maar binnen.
N
De Nederlandse les De les begint om 8.45 uur. De les is gedaan om 11.45 uur. De les is op maandag / dinsdag / woensdag / donderdag / vrijdag. Het weekend is op zaterdag en zondag.
lezen missen nemen schrijven sturen zien zitten
IN
Op school de cursist – de cursisten de leerkracht het secretariaat de directeur
Werkwoorden met een prepositie gaan / komen naar Ik ga naar hen. houden van Ik hou van mijn broer. iets vragen aan Vraag het aan de leerkracht. koken voor Zij kookt voor mij. Luister naar de leerkracht. luisteren naar respect hebben voor Heb respect voor de leerkracht! spreken met Spreek met je klasgenoot. telefoneren met Ik telefoneer met haar. wonen bij Ik woon bij mijn vriend.
VA
De openingsuren Het secretariaat is open van ... uur tot ... uur. in de voormiddag / ‘s morgens. in de namiddag / ‘s middags. in de avond / ‘s avonds.
©
VIDEO
Werkwoorden beginnen komen
Wanneer begint de les? Zij komen naar mij.
Het object pronomen ik
mij
Het gaat goed met mij / me.
wij
ons
Hij woont bij ons.
jij
jou
Hoe gaat het met jou / je?
jullie
jullie
Hoe gaat het met jullie?
u
u
Mag ik u iets vragen?
zij
hen / ze
Ik zie hen / ze elke dag.
hij
hem
Zij kookt voor hem.
zij
haar
Zij kookt voor haar.
Thema 1 – De Nederlandse les
Let op: mij = me / jou = je / hen = ze
11
Uitspraakoefeningen 1 IJ / UI – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. AUDIO
1 =
2
3
4
5
6
7
8
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
1 2 3 4
kruisje alstublieft stilte leerkracht
5 6 7 8
secretariaat directeur woensdag voormiddag
9 wanneer 10 telefoneer
AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje.
IN
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
w...-nen m...r-gen d...n-derdag k...-ken ...-pen v...r
AUDIO
sp...eek
VA
z...n-dag
O / OO (lang) X
N
O (kort)
L
R
Z
S
©
de sti...-te
de ...eerkracht Neder...ands v...agen ...uister
AUDIO
het ...ecretariaat ...ij ...ien mi... ...etten
12
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Z
S
...aterdag ‘... avonds
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de zinnen met een kruisje. OoOo
oooO
Neem uw boek.
oOo
OoO
Kom binnen.
ooO
OOo
Ga zitten.
oOo
ooO
Zet uw gsm af.
oOoOoO
OoooOo
Stilte, alstublieft.
OoooO
oOooO
Hoe gaat het met jullie?
oOooOo
ooOooO
Tot morgen.
OOo
IN
Schrijf een kruisje.
©
VA
N
ooO
Thema 1 – De Nederlandse les
13
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 In module 1.2 1 Geef de instructie. • binnenkomen
Kom binnen!
• gaan zitten • spreken • lezen • schrijven • luisteren
• betalen
IN
2 Ken je deze werkwoorden van Nieuw TaalRecht 1.1 nog? Geef de instructie. • nemen
betaal
• doen
• opstaan
• geven
• sturen
• kiezen
• telefoneren • wachten
N
• lopen
• zeggen
VA
• maken
3 Hoe gaat het met jullie?
Welke zinnen zet je samen? Trek een lijn, zoals in het voorbeeld. Hoe gaat het met jou? Hoe gaat het met jouw man? Hoe gaat het met jouw vriendin? Hoe gaat het met jullie? Hoe gaat het met jouw kinderen?
©
1 2 3 4 5
• • • • •
• Met haar gaat het goed. • Met hem gaat het goed. • Met hen gaat het goed. • Met mij gaat het goed. • Met ons gaat het goed.
4 Hassan, Yurek en Pei Le Lees het verhaal. Vertel het verhaal. Gebruik de tips. Let op de pronomina. Op vrijdag gaat Emir naar zijn oude vriend Ahmed. Hij gaat samen met hem naar de moskee. Hij telefoneert eerst en vraagt: “Hoe gaat het met jou? Ga je mee naar de moskee?” “Met mij gaat het goed.” zegt Ahmed. “Kom maar, ik heb mijn jas aan.” Tips: vrijdag / Emir + Ahmed / moskee / telefoneert / goed / jas
14
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Op zondag gaat Emir naar het huis van zijn dochter. Hij houdt van koken. Op zondag kookt hij voor haar, haar man en zijn kleinkinderen. Hij telefoneert eerst en vraagt: “Wat kan ik voor jullie koken vandaag?” “Wij vinden alles lekker,” zegt zijn dochter. “Alles wat jij voor ons kookt is lekker.” Tips: zondag / Emir + dochter / koken / telefoneert / vandaag / lekker
5 Mag ik iets vragen? Zeg wat je leest. Zeg het pronomen. 1 Mijn vader kan alles. Ik hou van hem
.
2 Maar ik hou ook van mijn moeder. Ik hou van
.
3 Ik kan lekker koken. Mijn man houdt van . 4 Ik hou ook van mijn kinderen. Zij zijn lief. Ik hou van 5 Maar jij bent ook lief. Ik hou ook van
.
IN
.
6 Wij zijn jouw moeder en vader. Jij moet respect hebben voor 7 Ik heb veel respect voor
.
N
6 Elke dag Nederlands
• om tien over twee • om half vier • om vijf over twaalf • om negen uur • om vijf over vijf • om kwart over één
VA
Trek een lijn, zoals in het voorbeeld. 01.15 u. • 00.05 u. • 03.30 u. • 05.05 u. • 09.00 u. • 02.10 u. •
.
©
08.10 u. • 11.45 u. • 10.05 u. • 06.00 u. • 07.15 u. • 04.45 u. •
Thema 1 – De Nederlandse les
• om kwart over zeven • om tien over acht • om kwart voor vijf • om vijf over tien • om zes uur • om kwart voor twaalf
15
IN N VA © 16
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
2
Een uitstap
Dit leer ik. • Ik telefoneer en vraag wanneer iets begint en gedaan is. • Ik zeg wat ik ga doen. • Ik zeg waarom ik niet meega. • Ik begroet een vriend.
1 Naar het park
IN
• Ik stel iemand voor.
1 Hassan, Sofie en Eefje maken samen een uitstap. VIDEO
Zij gaan naar het park. Zij picknicken in het park.
N
2 Schrijf het nummer van de foto.
2
©
VA
1
3
De zon schijnt. Ga je mee naar het park? Dat is een goed idee. Ik ga mee! Dit is Eefje, mijn dochter. Dag Eefje. Dag meneer. Zeg maar Hassan!
Thema 2 – Een uitstap
één
1
2 Op stap 1 Luister naar de telefoongesprekken. AUDIO
Wie zegt het? Onderstreep. Ik wil vanavond naar de film. Ik wil vanmiddag gaan fitnessen.
Hassan / Pei Le Hassan / Pei Le
Wat is correct? Onderstreep. Het fitnesscenter is open om ... Het fitnesscenter is gesloten om ... De film begint om ... De film is gedaan om ...
13.30 u. / 14.00 u. / 15.00 u. 8.15 u. / 19.45 u. / 20.15 u. 8.00 u. / 20.00 u. / 19.45 u. 9.45 u. / 22.15 u. / 21.45 u.
2 Zet de woorden op de juiste plaats. Wat komt eerst? Schrijf: 1 / 2 / 3 / 4 / 5 / 6. morgenavond
IN
vanmiddag vanavond morgenmiddag vanmorgen
N
morgenvroeg
VA
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Weet je nog?
Nieuw TaalRecht 1.1. thema 5: het werkwoord ‘willen’.
3 Lees en vul in.
©
Nederlands
Engels
Frans
Jouw taal
Dank u.
Thank you.
Merci beaucoup.
Graag gedaan.
You’re welcome.
De rien. / Je vous en prie.
4 Werk samen met een klasgenoot. Lees de telefoongesprekken. Ga van 1 naar 9. Vul in: ... Wissel dan van rol. Jij antwoordt
Tring !
Tring!
Tring!
Jij vraagt
1 Fitopia, goedemorgen! 2 Goedemorgen, met Hassan Sadiq. Ik heb een vraag. 3 Ja, wat is uw vraag? 4 Ik wil vanmiddag gaan fitnessen. Hoe laat is het fitnesscenter open? 2
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Jij antwoordt
Jij vraagt
5 Het gaat open om half twee. 6 Hoe laat is het fitnesscenter gesloten? 7 Het fitnesscenter is gesloten om kwart over acht.
8 Dank u voor de informatie.
9 Graag gedaan. Jij antwoordt
Jij vraagt
1 Fitopia, ...! 2 Goedemorgen, ... Hassan Sadiq. Ik heb ... 3 Ja, wat is uw vraag? 4 Ik wil vanmiddag gaan fitnessen. ... is het fitnesscenter ...?
IN
5 Het gaat ... 13.30 u.
6 ... is het fitnesscenter ...?
7 Het fitnesscenter is ... 20.15 u.
8 Dank u voor ...
Jij vraagt
N
9 Graag ...
Jij antwoordt
1 Met Cinema Rubens. Kan ik u helpen?
VA
2 Goedemorgen. U spreekt met Pei Le. Ik heb een vraag.
3 Ja, wat is uw vraag?
4 Ik wil vanavond naar de film. Hoe laat begint de film?
5 De film begint om acht uur.
©
6 En hoe laat is de film gedaan?
7 De film is gedaan om kwart voor tien.
8 Dank u voor de informatie.
9 Graag gedaan.
Jij vraagt
Jij antwoordt 1 Met Cinema Rubens. Kan ik ...?
2 Goedemorgen. U ... met Pei Le. Ik heb een vraag. 3 Ja, wat is uw vraag? 4 Ik wil vanavond naar de film. Hoe laat ... de film? 5 De film ... om 20.00 uur. 6 En hoe laat is de film ...? 7 De film is ... om 21.45 u. 8 ... voor de informatie. 9 ... gedaan.
Thema 2 – Een uitstap
3
5
Herhaal
VIDEO
Met ... Goedemorgen. Kan ik u helpen?
Met ... Hassan Sadiq. U spreekt met ... Hassan Sadiq. Ik heb een vraag.
IN
Wat is uw vraag?
N
Ik wil ... vanmorgen, vanmiddag, vanavond, morgenvroeg, morgenmiddag, morgenavond ... ... gaan fitnessen.
VA
Hoe laat is ... het fitnesscenter ... open? Hoe laat is ... het fitnesscenter ... gesloten?
©
Ik wil ... naar de film. Hoe laat begint ... de film? Hoe laat is ... de film ... gedaan?
6
Dank u voor de informatie. Graag gedaan.
Taaltaak Een uitstap plannen
Rol: vrijetijdsbesteder
Spreek met een klasgenoot. Gebruik de spreekkaart op pagina xx. Wissel dan van rol. Jij vraagt Jij wil morgen naar de zoo gaan. Telefoneer naar de zoo. Vraag informatie over de openingsuren.
4
Jij antwoordt Je werkt voor de zoo. De zoo is open om 10 uur. De zoo is gesloten om 19 uur.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Jij antwoordt
Jij vraagt
Je werkt voor de opera. Het concert begint om 21.45 u. Het concert is gedaan om 22.30 u.
Jij wil vanavond naar een concert. Telefoneer naar de opera. Vraag informatie over het concert.
7 Kijk naar de video. VIDEO
Leertip
Met wie wil jij op stap? Wat wil jij vanavond doen? Wat wil jij dit weekend doen?
Goed articuleren kan je leren! Spreek traag en beweeg jouw mond. Oefen één woord tot je het helemaal goed zegt. Oefen dan een hele zin.
3 Waarom niet? 1 Onderstreep het correcte antwoord. Wie gaat naar het fitnesscenter? Wie gaat naar de cinema? Wie heeft geen zin? Wie heeft geen tijd?
Ik heb geen zin. Ik heb geen tijd.
Engels
Frans
I don’t feel like it.
Je n’ai pas envie.
I don’t have time.
Je n’ai pas le temps.
jouw taal
Een gewone zin en een zin met OMDAT
©
G
VA
2 Lees en vul in. Nederlands
Hassan / Pei Le / Yurek Hassan / Pei Le / Yurek Hassan / Pei Le / Yurek Hassan / Pei Le / Yurek
N
AUDIO
IN
Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
Gewone zin – het werkwoord staat in het begin van de zin.
Zin met OMDAT: een bijzin – het werkwoord staat op het einde van de zin.
Ik heb geen zin.
Ik ga niet mee omdat ik geen zin heb.
Ik heb geen tijd!
Ik ga niet mee omdat ik geen tijd heb.
Let op: het woord ‘zin’ heeft 2 betekenissen. geen zin hebben = niet graag doen een zin = veel woorden samen, van een hoofdletter tot een punt
Thema 2 – Een uitstap
5
4 Hassan, Pei Le en Yurek 1 Onderstreep het werkwoord in zin twee.
Maak een zin met OMDAT. Zet het werkwoord op het einde van de zin. voorbeeld: H assan gaat vanmiddag naar het fitnesscenter. Hij sport graag. Hassan gaat vanmiddag naar het fitnesscenter omdat hij graag sport. • Pei Le gaat niet mee. Zij heeft geen zin. • Pei Le gaat vanavond naar de cinema. Zij kijkt graag naar films.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
IN
• Hassan gaat niet mee. Hij heeft geen tijd.
2 Maak de A/B oefening met een klasgenoot.
Maak een zin met OMDAT. Controleer je klasgenoot. Wissel dan van rol. Vind je dit moeilijk? Lees dan eerst de witte vakken.
VA
Klasgenoot A
N
VIDEO
Pei Le gaat morgenavond naar het restaurant. Zij eet graag.
Pei Le gaat morgen naar het restaurant omdat zij graag eet.
Haar broer gaat mee omdat hij ook graag eet.
Haar broer gaat mee. Hij eet ook graag.
Yurek gaat morgenvroeg naar de bibliotheek. Hij leest graag.
Yurek gaat morgenvroeg naar de bibliotheek omdat hij graag leest.
Hassan gaat niet mee omdat hij niet graag leest.
Hassan gaat niet mee. Hij leest niet graag.
Hassan gaat morgenmiddag naar het voetbal. Hij voetbalt graag.
Hassan gaat morgenmiddag naar het voetbal omdat hij graag voetbalt.
Pei Le gaat niet mee omdat zij geen zin heeft.
Pei Le gaat niet mee. Zij heeft geen zin.
Pei Le gaat vanmiddag naar Gent. Haar moeder woont in Gent.
Pei Le gaat vanmiddag naar Gent omdat haar moeder in Gent woont.
Cheng Gong gaat niet mee omdat hij geen tijd heeft.
Cheng Gong gaat niet mee. Hij heeft geen tijd.
Yurek gaat morgenvroeg naar de school. Hij leert Nederlands.
Yurek gaat morgenvroeg naar de school omdat hij Nederlands leert.
Hassan gaat mee omdat hij ook Nederlands leert.
Hassan gaat mee. Hij leert ook Nederlands .
©
6
Klasgenoot B
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3
Taaltaak Ik ga niet mee
Rol: vrijetijdsbesteder
Maak een zin. Ik ga ... vanmiddag / vanavond / morgenvroeg / morgenmiddag / morgenavond naar ... Spreek met je klasgenoten. Zoek twee klasgenoten die NIET meegaan. Zoek één klasgenoot die meegaat. Schrijf waarom je klasgenoten NIET meegaan. Ik ga ... naar ... Ga jij mee?
Ik ga mee!
Schrijf waarom.
IN
Naam van de klasgenoot
Ik ga niet mee omdat ...
gaat niet mee omdat ...
N
gaat niet mee omdat ...
VA
gaat mee!
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
©
Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
Thema 2 – Een uitstap
7
5 Pei Le in de cinema 1 Lees de conversatie. Wat is het? Kies: AUDIO
je begroet iemand / je stelt iemand voor. Alles goed? Ja, met mij alles goed. En met jou? Ook alles goed!
Lees de conversatie. Wat is het? Kies: je begroet iemand / je stelt iemand voor.
IN
Dit is mijn broer Cheng Gong.
Dag meneer. Aangenaam.
2 Studeer. ik
jij
VA
infinitief
N
Aangenaam! Zeg maar Cheng.
... jij
hij – zij (1 vrouw)
wij – jullie – zij (de mensen)
begroeten
begroet
begroet
begroet
begroet
begroeten
voorstellen
stel ... voor
stelt ... voor
stel ... voor
stelt ... voor
stellen ... voor
©
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
3 Werk samen met twee klasgenoten. Jij bent klasgenoot 1, 2 of 3. Noteer op een blad de voornaam en familienaam van je klasgenoten. Lees samen het gesprek. Vul in: ... Wissel dan van rol.
8
Klasgenoot 1
Dag ... (Zeg de naam van klasgenoot 2.) Alles goed?
Klasgenoot 2
Dag ... (Zeg de naam van klasgenoot 1.) Ja, alles goed! En met jou?
Klasgenoot 1
Ook alles goed. Dit is mijn klasgenoot ... (Zeg de voornaam en familienaam van klasgenoot 3.)
Klasgenoot 2
Dag meneer. / Dag mevrouw. Aangenaam.
Klasgenoot 3
Aangenaam. Zeg maar ... (Zeg jouw voornaam.)
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4
Herhaal
VIDEO
Alles goed? Ja, met mij alles goed. En met jou? Ook alles goed.
Dit is ... mijn broer, mijn zus, mijn vriend, mijn vriendin.
IN
Dag ... meneer, mevrouw. Aangenaam.
5
Taaltaak Alles goed?
N
Aangenaam! Zeg maar ... Cheng.
Rol: communicator
VA
Spreek met je klasgenoten en / of cursisten van een andere klas. • Begroet iemand. • Stel iemand voor. Gebruik de spreekkaart op pagina xx.
©
6 Elke dag Nederlands Taaltaak Een telefoontje
Rol: vrijetijdsbesteder
1 Maak een plan. Wat wil je vandaag / morgen / in het weekend doen? Schrijf een plaats waar je naartoe wil gaan: een fitnesscenter, een restaurant, een film enz. Zoek het telefoonnummer op. mijn plaats:
het telefoonnummer:
2 Telefoneer en vraag: Wanneer is ... open / gesloten? Wanneer begint / is ... gedaan?
3 Spreek met je klasgenoten over het telefoongesprek.
Thema 2 – Een uitstap
9
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? VIDEO
Iemand begroeten Alles goed? Ja, met mij alles goed. En met jou? Ook alles goed.
Het telefoongesprek Met ... / U spreekt met ... Ik heb een vraag. Hoe laat is ... open? Hoe laat is ... gesloten? Hoe laat begint ...? Hoe laat is ... gedaan?
Iemand voorstellen Dit is ... Aangenaam! Zeg maar ...
IN
Dank u voor de informatie. Graag gedaan.
Nieuwe woorden
meegaan voorstellen
Ga jij mee? Stel jij mij aan je vriend voor?
N
Wanneer? vandaag vanmorgen vanmiddag vanavond morgen morgenvroeg morgenmiddag morgenavond
VA
De uitstap de bibliotheek de cinema de film het fitnesscenter (geen) tijd hebben (geen) zin hebben het voetbal
©
Werkwoorden antwoorden Kan jij antwoorden? Hij begroet zijn klasgenoot. begroeten kunnen Kan ik u helpen? Kan ik iets vragen? vragen willen Ik wil naar het fitnesscenter.
Omdat Een zin met OMDAT is een bijzin. Een bijzin staat altijd bij een hoofdzin. In een hoofdzin staat het werkwoord in het begin, bij het subject. Ik heb geen zin. Hassan heeft geen tijd. In een bijzin staat het werkwoord op het einde. Ik ga niet mee OMDAT ... ik geen zin heb. Hassan gaat niet mee OMDAT ... hij geen tijd heeft.
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Uitspraakoefeningen 1 SCH / SCHR – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. AUDIO
1 =
2
3
4
5
6
7
8
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
1 2 3 4
aangenaam informatie meegaan antwoorden
5 6 7 8
vanmorgen morgenvroeg vanmiddag morgenavond
9 iemand begroeten 10 iemand voorstellen
AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje.
IN
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
...n-genaam de n...-middag Nederl...nds de leerkr...cht ...l-les
AUDIO
j...l-lie v...t-bal
VA
vr...-gen
A / AA (lang)
N
A (kort)
OE
U / UU (lang of kort)
M
N
©
g...d
k...n-nen st...-ren
de c...r-sist
AUDIO
...issen maa...-dag de infor...a-tie morgen...-avond morgen-...iddag de gs...
Thema 2 – Een uitstap
11
+T AUDIO
–T
ga... telefoneer... woon... begin... zie... lees... kook... stuur... kom...
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de zinnen met een kruisje. OoO
Ja, met mij alles goed.
oOooOO
OoOOoO
En met jou?
ooO
oOo
Ook alles goed.
ooOo
Dit is Hassan.
oOoO
OoOo
oooO
OoOo
OoO
oOo
Ik heb een vraag.
oOOo
oooO
Hoe laat is ... open?
O O o ... O o
o O O ... o O
Hoe laat is ... gesloten?
o O o ... O o O
O O o ... o O o
Hoe laat begint ...?
O O o O ...
o O O o ...
Hoe laat is ... gedaan?
O O o ... o O
o O o ... O o
Dank u voor de informatie.
oOoOoOOO
OOooOoOo
Zeg maar Hassan.
©
VA
Aangenaam.
12
oOo
IN
Alles goed?
N
AUDIO
OOoO
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 Op stap donderdag
woensdag
8.45 uur: Nederlandse les
met 9.15 uur: naar het park ad nn Moha
12.15 uur: Naar de broodjeszaak met Yurek.
13.30 uur: fitnesscenter
20.00 uur: Koffie met de buurvrouw.
IN
televisie. 20.45 uur: Voetbal op de televisie. de n! op ke al Kij Voetb n! Kijke
N
Kijk naar de agenda van Hassan. Het is vandaag woensdag. Zeg wanneer Hassan het doet, zoals in het voorbeeld.
naar het park met Mohannad.
2 Hassan gaat
naar het fitnesscenter.
VA
1 Hassan gaat vanmorgen om kwart over negen 3 Hassan kijkt
naar het voetbal.
4 Hassan gaat
naar de Nederlandse les.
5 Hassan gaat
naar de broodjeszaak met Yurek.
6 Hassan drinkt
koffie met de buurvrouw.
©
4 Hassan, Pei Le en Yurek 1 Kijk naar het werkwoord.
OMDAT: het werkwoord staat achteraan. WANT: het werkwoord staat op de tweede plaats. Onderstreep OMDAT of WANT. 1 Ik ga naar het park omdat / want ik van de natuur houd. Ga jij mee? Nee, omdat / want ik heb geen tijd. 2 Mijn broer gaat naar het fitnesscenter omdat / want hij houdt van sport. Zijn vriend gaat mee omdat / want hij graag bij mijn broer is. 3 Mijn vader gaat naar mijn zus omdat / want mijn zus kookt lekker. Mijn moeder gaat niet mee omdat / want zij een beetje ziek is. 4 Mijn klasgenoot komt graag naar de les omdat / want hij veel nieuwe woorden leert. Ik kom ook graag omdat / want ik spreek graag met mijn klasgenoten.
Thema 2 – Een uitstap
13
2 Maak nu zelf de zin met WANT of OMDAT. 1 Ik ga naar het park. Ik houd van de natuur. (omdat) Ga jij mee? Nee. Ik heb geen tijd. (want) 2 Mijn broer gaat naar het fitnesscenter. Hij houdt van sport. (want) Zijn vriend gaat mee. Hij is graag bij mijn broer. (omdat) 3 Mijn vader gaat naar mijn zus. Mijn zus kookt lekker. (want) Mijn moeder gaat niet mee. Zij is een beetje ziek. (omdat) 4 Mijn klasgenoot komt graag naar de les. Hij leert veel nieuwe woorden. (omdat) Ik kom ook graag. Ik spreek graag met mijn klasgenoten. (want)
5 Pei Le in de cinema – Alles goed? – Ja, met
IN
Vul de juiste woorden in. alles goed. En met
–
alles goed.
– Dit is
?
broer Cheng Gong.
– Dag meneer ... – Zeg
©
VA
N
Cheng.
14
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
3
Een klacht
Dit leer ik. • Ik ken woorden over klachten / problemen. • Ik begrijp een gesprek over een probleem. • Ik formuleer een klacht. • Ik reageer op een klacht.
1 Kunnen jullie een beetje stiller zijn? VIDEO
IN
1 Hassan en Hilde kijken naar het voetbal op de televisie. De buurvrouw komt klagen over het lawaai. De buurvrouw belt de politie.
N
2 Schrijf het nummer van de foto.
2
VA
1
©
3
4
Wablieft? Ik versta u niet. Kunnen jullie een beetje stiller zijn? De tv staat te luid. Jullie maken veel lawaai. Het spijt me! Ik zal de tv stiller zetten. We moeten een beetje stiller zijn! Wat? Het is een wedstrijd van de Rode Duivels! Er is een klacht van de buren. Thema 3 – Een klacht
één
1
2 De klachten van Pei Le, Hassan en Yurek 1 Pei Le, Hassan en Yurek hebben problemen met hun buren. AUDIO
Zij spreken met hun buren. Wie heeft het probleem? Schrijf de naam bij het probleem.
Het probleem van:
Het probleem van:
Het probleem van:
IN
2 Luister nog een keer. Wat hoor je? Onderstreep. • Zullen / Kunnen jullie de tv stiller zetten? • Het spijt me, wij zullen / kunnen de tv stiller zetten.
Weet je nog?
Kan / Zal u uw vuilniszak buitenzetten? • Dat is goed. Ik kan / zal mijn vuilniszak buitenzetten.
N
Nieuw TaalRecht 1.1. thema 5: het werkwoord ‘kunnen’
G
VA
• Zal / Kan je het licht in de gang uitdoen? • Oké! Ik zal / kan het licht in de gang uitdoen. De werkwoorden ‘kunnen’ en ‘zullen’ infinitief
ik, jij, u, hij, zij
wij, jullie, zij
kunnen
kan
kunnen
zullen
zal
zullen
©
Zet ‘kunnen’ of ‘zullen’ in het begin van de zin. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin. • Wij zullen de tv stiller zetten. • Kan je het licht in de gang uitdoen?
3 Onderstreep de werkwoorden, zoals in het voorbeeld. Gewone zin
2
Zin met kunnen / zullen
Zet jij de tv stiller? Wij zetten de tv stiller.
Kan jij de tv stiller zetten? Wij zullen de tv stiller zetten.
Zet u uw vuilniszak buiten? Ik zet mijn vuilniszak buiten.
Kan u uw vuilniszak buitenzetten? Ik zal mijn vuilniszak buitenzetten.
Doe het licht in de gang uit. Ik doe het licht in de gang uit.
Kan je het licht in de gang uitdoen? Ik zal het licht in de gang uitdoen.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4 Vul in: kan – kunnen / zal – zullen. jullie de radio stiller zetten? Ja, wij
de radio stiller zetten. jouw zoon zijn fiets buitenzetten?
Oké, mijn zoon
zijn fiets buitenzetten. u mij helpen?
Ja, dat is goed. Ik
u helpen. de kinderen stiller zijn?
Nee, zij
niet stiller zijn. Het zijn kinderen. jij de televisie luider zetten?
Ja, ik
stiller = het comparatief van ‘stil’ stiller = meer stil
IN
Let op:
de televisie luider zetten.
luider = het comparatief van ‘luid’ luider = meer luid
In thema 5 leer je meer over het comparatief.
VA
N
te stil = het moet luider te luid = het moet stiller
Tip
©
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
Thema 3 – Een klacht
3
3 Nog een klacht 1 De buren hebben nog een klacht. Schrijf het nummer bij de tekening. (1) (2) (3)
De buren maken lawaai. (4) Het licht in de garage is nog aan. (5) De gang is vuil. (6)
VA
N
IN
De voordeur staat open. De radio staat te luid. De fiets staat binnen.
2 Lees de zinnen van oefening 1 nog een keer.
©
W
Gebruik een ander woord, zoals in het voorbeeld. Kies uit: de gang, de kinderen, de kinderwagen, de lift, de televisie, het raam.
Ken je de woorden niet? Zoek ze op!
1 Het raam staat open. staat te luid. 2 staat binnen. 3
4 5 Het licht in 6
maken lawaai. is nog aan. is vuil.
De gang is een plaats in huis. Ken je nog plaatsen in huis? Je kan koken in de
.
Je kan slapen in de
.
Je naar de tv kijken in de Je kan je wassen in de
. .
Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online. 4
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4 Dat kan niet 1 Luister naar de gesprekken. AUDIO
W
Kijk naar de tekeningen van opdracht 1 op p. xx. Welk gesprek hoort bij welke tekening?
2 Welk woord kies jij? Omcirkel. de deur / de fiets / de radio / het licht de deur / de fiets / de radio / het licht de deur / de fiets / de radio / het licht de deur / de fiets / de radio / het licht
opendoen – toedoen aandoen – uitdoen binnenzetten – buitenzetten stiller zetten – luider zetten
3 Studeer. jij
... jij
hij – zij (1 vrouw)
IN
ik
wij – jullie – zij (de mensen)
doe
doet
doe
doet
doen
maak
maakt
maak
maakt
maken
zet
zet
zet
zet
zetten
N
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
4 Lees en vul in. in het vervolg
Engels
Frans
VA
Nederlands
in the future / from now on
à l’avenir / désormais
Can I ask you something?
Puis-je vous poser une question?
©
Mag ik u iets vragen?
Jouw taal
Let op
‘Mag’ komt van ‘mogen’. Dat studeer je in thema 4.
5 Luister nog een keer naar de gesprekken. Wat is het? AUDIO
Kies: een vraag (?), een positieve reactie (+) of een negatieve reactie (-). Schrijf een kruisje X. Zin
?
+
-
Kan je ... ? Oké, dat doe ik. Kan ik je even spreken? Ja zeker. Dat is moeilijk. Kunnen jullie ...?
Thema 3 – Een klacht
5
Zin
?
+
-
Nee, het spijt me. Dat kan niet. Kan u in het vervolg ... ? Pfff ... Kan jij in het vervolg ... ? Ja, natuurlijk. Mag ik u iets vragen? Ja, maar ...
G
Ik ben aan het koken = ik kook nu. Wij zijn aan het feesten = wij feesten nu. ‘zijn’ + aan het = je doet het nu
IN
En jullie? Jullie zitten in de klas. Jullie zijn Nederlands aan het leren. Jullie zijn een oefening aan het maken.
N
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Leertip
+
©
VA
Kies vijf nieuwe woorden. Kijk naar de woorden. Zeg de woorden hardop. Doe dan je boek toe. Schrijf de nieuwe woorden op. Denk na: hoe leer jij de woorden gemakkelijk? Door ze te lezen of door naar de woorden te luisteren? Zie je de woorden of hoor je de woorden? Zo weet jij hoe jouw hoofd werkt.
6 Raad wat ik doe.
Doe iets. Zeg niet wat je aan het doen bent. Je klasgenoten raden wat je aan het doen bent.
6
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
5 Wij wonen samen 1 Lees het gesprek samen met een klasgenoot. Ga van 1 naar 4. Lees het gesprek. Vul in: ... Wissel dan van rol. de vraag
de reactie
1 Kan ik je even spreken? 2 Ja zeker. 3 De voordeur staat nog open. Kan je in het vervolg de voordeur toedoen?
4 Ja natuurlijk. Dat doe ik. Ik doe in het vervolg de voordeur toe. de reactie
1 Kan ik ... ?
IN
de vraag 2 Ja ...
de vraag
VA
1 Mag ik u iets vragen?
4 Ja natuurlijk. ... Ik doe ... de voordeur toe.
N
3 De voordeur staat nog open. ... in het vervolg de voordeur toedoen?
de reactie
2 Ja?
3 Kan u mij helpen?
4 Het spijt me. Dat is moeilijk. Ik ben aan het koken.
de vraag
de reactie
©
1 ... vragen?
2 Ja?
3 ... mij helpen?
2
4 Het ... me. Dat is ... Ik ... koken.
Herhaal
VIDEO
Kan ik je even spreken? Mag ik iets vragen?
Kan je / kunnen jullie ... de voordeur toedoen? Kan je / kunnen jullie in het vervolg ... de voordeur toedoen?
Thema 3 – Een klacht
7
Oké. Dat doe ik. Dat doen we. Ja natuurlijk. Ik zal in het vervolg ... de voordeur toedoen. Wij zullen in het vervolg ... de voordeur toedoen. Ja, maar ... Dat is moeilijk. Nee, het spijt me. Dat kan niet.
3
Taaltaak Mag ik iets vragen? Spreek met een klasgenoot. Welke klacht heb je nog? Gebruik de spreekkaart op pagina xx.
N
... staat te luid.
VA
... is vuil.
IN
Ik ben aan het ... koken. Wij zijn aan het ... feesten.
... staat binnen / buiten.
... staat nog open.
...
©
... maken lawaai.
Rol: communicator
Zeg jouw klacht. Reageer op de klacht van jouw klasgenoot.
4 Kijk naar de video. VIDEO
8
Wie heeft veel problemen met de buren? Welk probleem heb jij?
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
6 Elke dag Nederlands 1 Wat zet je samen? Trek een lijn, zoals in het voorbeeld. Oei! • Bah! • Oké. • Hallo! • Wablieft? • Waw! •
• Ik versta u niet. • Met Hassan. • Dat is een probleem. • Ik zal het doen. • Dat is vies. • Dat is mooi!
2 Werk samen met jouw klasgenoten.
Spreek erover. Zeggen jullie de korte woorden? Hoe zijn die korte woorden in jouw taal?
Oei! =
IN
Bah! = Oké. = Hallo! = Wablieft? =
N
Waw! =
Welke woorden zijn internationale woorden?
VA
3 Luister deze week naar mensen die Nederlands spreken. Hoor jij deze korte woorden? Noteer: Waar? Wie? Woord Waar?
©
Wie?
Spreek erover met je klasgenoten.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
Thema 3 – Een klacht
9
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? VIDEO
Kan ik je even spreken? Mag ik iets vragen?
Ja natuurlijk.
Kan je / kunnen jullie in het vervolg ...
Ja, maar ... Dat is moeilijk. Ik ben aan het / Wij zijn aan het ...
Oké. Dat doe ik / Dat doen we.
Nieuwe woorden Werkwoorden maken Zij maken veel lawaai. schoonmaken Ik zal de gang schoonmaken. Hij sluit de voordeur. sluiten staan De televisie staat te luid. verstaan Ik versta u niet. Kan u wat luider spreken?
IN
De klacht de buur – de buren
N
het lawaai stil / stiller / te stil luid / luider / te luid de vuilniszak staat ... binnen / buiten het licht is ... aan / uit de gang is ... vuil / vies
VA
Werkwoorden met een prepositie doen Ik doe de deur open. Ik doe de deur toe. Ik doe het licht aan. Ik doe het licht uit. staan De deur staat nog open. zetten Ik zet de fiets buiten. Ik zet de fiets binnen.
©
Plaatsen in huis de gang – de gangen de kamer – de kamers de woonkamer de slaapkamer de badkamer de keuken – de keukens
KUNNEN en ZULLEN infinitief
ik, jij, u, hij, zij
wij, jullie, zij
kunnen
kan
kunnen
zullen
zal
zullen
Zet ‘kunnen’ of ‘zullen’ in het begin van de zin. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin. Kan jij de gang schoonmaken? Kunnen jullie stiller zijn? 10
Ik zal de gang schoonmaken. Wij zullen stiller zijn. NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
ZIJN + AAN HET + infinitief Je zegt wat je NU doet. • Ik ben (het werkwoord zijn) + aan het + koken (infinitief) Ik ben aan het koken = ik kook nu. • Wij zijn (het werkwoord zijn) + aan het + feesten (infinitief) Wij zijn aan het feesten = wij feesten nu.
Uitspraakoefeningen
AUDIO
1 ≠
2
3
4
5
6
7
8
IN
1 S / SCH – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠.
lawaai televisie probleem kinderwagen
5 6 7 8
vuilniszak schoonmaken buitenzetten stiller
VA
1 2 3 4
N
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
9 de voordeur 10 vervolg
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X. AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje.
U (kort)
U / UU (lang)
UI
EE
©
dank ...
de c...r-sist het ...r
st...-ren k...n-nen alst...-blieft j...l-lie de b...-ren
AUDIO
l...d b...t-je het kr...s-je
Thema 3 – Een klacht
11
UI
EE
+R
-R
de biblioth...k m...-gaan het v...l-nis l...st b...-ten l...s-ter ...t-doen
AUDIO
het sec...e-tariaat de cu...-sist
IN
ge...-sloten telefo...-neren voo...-middag na...-middag Nede...-lands
N
spo...-ten
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
VA
Oefen de zinnen met een kruisje. Kan ik je even spreken?
OooooOo
ooOoOoo
Mag ik iets vragen?
OooOo
oOOoO
Kan je in het vervolg stiller zijn?
ooOOOooOo
OooooOOoo
Dat doe ik.
ooO
OOo
Ja natuurlijk.
oOoO
OoOo
Het spijt me, dat kan niet.
oOooOo
OoOOoo
©
AUDIO
12
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 De klachten van Pei Le, Hassan en Yurek Maak een zin. Begin met het onderstreepte woord. Woorden
Zin
jullie / een beetje stiller / Kunnen / zijn / ? een beetje stiller / Wij / zullen / zijn / . buitenzetten / uw vuilnisbakken / u / Kan / ? zal / mijn vuilnisbakken / Ik / buitenzetten / .
IN
jullie / het licht / uitdoen / Kunnen / ? het licht / Wij / zullen / uitdoen /.
N
4 Dat kan niet
1 Vul een juiste vorm van het werkwoord in.
Kies uit de werkwoorden: staan / doen / zetten / maken. De voordeur
2
Hij
3
nog open.
VA
1
het licht aan.
jouw fiets buiten.
4
Buiten
5
Kan je de radio stiller
6
de fietsen niet veilig. ?
jij de deur toe?
De kinderen
©
7
8 9
de gang vuil. jullie in het vervolg het licht uit?
Buurman, u
10 Ik
te veel lawaai! bij de voordeur.
2 Maak een antwoord met ‘aan het’, zoals in het voorbeeld. voorbeeld: W at doe je? (ik / Nederlands leren) Ik ben Nederlands aan het leren. 1 Wat doet je dochter nu? (zij / slapen)
2 Kan jouw man mij helpen? (nee / hij / werken)
3 Zijn de kinderen naar school? (nee / zij / spelen)
Thema 3 – Een klacht
13
4 Wat doen jullie? (wij / een boek lezen) 5 Drinkt jouw moeder ook een kopje koffie met ons? (nee / zij / koken) 6 Kom je? (of / jij / studeren)? 7 Zijn jullie klaar? (of / jullie / nog schoonmaken)
6 Elke dag Nederlands Vul een kort woord in, zoals in het voorbeeld. Kies uit: Oei! / Bah! / Oké. / Hallo! / Wablieft? / Waw! Wat een mooi hemd!
Waw!
2 3
IN
1
Zeg het nog eens. Ga je mee?
Ik ga graag mee.
Het regent en ik heb geen paraplu.
5
Deze vis is niet lekker.
6
Spreek ik met Hassan?
7
Kan jij helpen?
8 10 11
De melk is vies.
Jij spreekt al goed Nederlands. De tram rijdt niet.
U spreekt met de school. Ik hoor u niet goed.
©
12
Ik kom morgen langs.
VA
9
N
4
14
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
4
Ik ben ziek
Dit leer ik. • Ik zeg aan de apotheker wat mijn probleem is. • Ik vraag een medicijn aan de apotheker. • Ik begrijp wanneer ik een medicijn moet nemen. • Ik zeg wat ik denk over een advies aan een zieke. • Ik geef advies aan een zieke.
IN
1 Hassan is ziek 1 Hassan is ziek.
Hij wil naar de spoed in het ziekenhuis gaan. Hij telefoneert met Sofie. Hij gaat naar de apotheker.
N
VIDEO
2 Schrijf het nummer van de foto.
4
VA
2
©
1
5
3
6
Kan ik u helpen? Ik heb hoofdpijn.
U mag 4 keer per dag een pijnstiller nemen.
Ik moet hoesten en niezen.
Dit is hoestsiroop. U neemt 1 lepel voor elke maaltijd.
U mag de keelspray 5 keer per dag gebruiken.
Thema 4 – Ik ben ziek
Dat is samen 28,55 euro.
één
1
2 In de apotheek 1 Luister. Schrijf een kruisje X. Hassan is verkouden. Welke problemen heeft Hassan?
Hij is moe.
Hij heeft keelpijn.
Hij moet hoesten.
Hij moet niezen.
Hij heeft oorpijn.
Hij heeft koorts.
N
IN
AUDIO
Hij heeft hoofdpijn.
VA
Hij heeft buikpijn.
©
Wat koopt Hassan?
2
de keelspray
de zalf
de pijnstillers
de neusdruppels
de hoestsiroop
de zonnecrème
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Wanneer gebruikt Hassan de keelspray?
4 keer per dag
5 keer per dag
Wanneer neemt Hassan een pijnstiller?
4 keer per dag
5 keer per dag
Wanneer neemt Hassan 1 lepel hoestsiroop?
voor de maaltijd
2 Welke werkwoorden hoor jij? Trek een lijn.
3 Studeer. ik
jij
... jij
VA
infinitief
• gebruiken. • helpen? • hoesten. • nemen. • niezen.
IN
Kan ik u ... • U mag de spray 5 keer per dag ... • U mag 4 keer per dag een pijnstiller ... • U moet ook ... • Ja, ik moet hoesten en ... •
N
W
na de maaltijd
de maaltijd
hij – zij (1 vrouw)
wij – jullie – zij (de mensen)
gebruik
gebruikt
gebruik
gebruikt
gebruiken
helpen
help
helpt
help
helpt
helpen
hoesten
hoest
hoest
hoest
hoest
hoesten
nemen
neem
neemt
neem
neemt
nemen
niezen
nies
niest
nies
niest
niezen
©
gebruiken
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
Thema 4 – Ik ben ziek
3
3 Kan ik u helpen? 1 Werk samen met een klasgenoot. Lees het gesprek. Ga van 1 naar 4. Lees het gesprek. Vul in: ... Wissel dan van rol. Apotheker
Zieke
1 Kan ik u helpen? 2 Ik heb hoofdpijn. Hebt u iets tegen hoofdpijn? 3 Ik geef u een pijnstiller. U mag 4 keer per dag een pijnstiller nemen. 1 Kan ik u ...?
IN
4 Oké. Ik neem 4 keer per dag een pijnstiller. 2 Ik heb ... Hebt u iets ...?
3 Ik ... u een pijnstiller. U mag 4 keer per dag een pijnstiller nemen.
1 Kan ik u helpen?
Zieke
VA
Apotheker
N
4 Oké. Ik neem 4 ... een pijnstiller.
2 Ik heb keelpijn. Hebt u iets tegen keelpijn?
3 Hier is een keelspray. U mag 5 keer per dag de keelspray gebruiken.
©
4 Oké. Ik gebruik 5 keer per dag de keelspray. Dank u.
1 ... ik u helpen?
2 Ik heb ... Hebt u iets ...?
3 ... een keelspray. U mag 5 keer per dag de keelspray gebruiken. 4 Oké. Ik ... 5 keer per dag de keelspray. Dank u. Apotheker
Zieke
1 Kan ik u helpen? 2 Ik ben verkouden. Ik moet hoesten en niezen. 3 Dit is hoestsiroop. U moet 1 lepel voor de maaltijd nemen. 4 Oké. Ik neem 1 lepel voor de maaltijd.
4
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Apotheker
Zieke
1 Kan ... helpen? 2 Ik ben ... Ik moet hoesten en niezen. 3 ... hoestsiroop. U moet 1 lepel voor de maaltijd nemen. 4 Oké. Ik neem 1 ... voor ... maaltijd.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
2
Herhaal
IN
VIDEO
Kan ik u helpen?
VA
N
Ik heb ... hoofdpijn, buikpijn.
©
Ik ben verkouden. Ik moet ... hoesten, niezen.
Hebt u iets tegen ... keelpijn, hoofdpijn?
U mag ... 4 keer per dag een pijnstiller ... nemen.
U moet ... 2 keer per dag een keelspray ... gebruiken.
U moet ... 1 lepel hoestsiroop ... nemen
Thema 4 – Ik ben ziek
5
3
Taaltaak Een medicijn voor de zieke
Rol: consument
Welk probleem heb jij soms? Welk probleem heeft jouw partner / jouw familielid / een vriend soms? Welk probleem heeft jouw kind soms? Schrijf een kruisje X. ik
mijn partner mijn familielid
een vriend
mijn kind
hoofdpijn keelpijn oorpijn rugpijn
IN
buikpijn
4 Raak het aan!
VA
+
N
Werk samen met een klasgenoot. Jullie zijn apotheker en klant. Ga naar de apotheker. Koop een medicijn voor de zieke (voor jou, je partner, je familielid, je vriend). Wissel ook van rol. Gebruik de spreekkaart op pagina xx.
aanraken = jouw hand op iets leggen
©
• Sta in een kring. Kijk naar elkaar. • De leerkracht geeft een instructie. voorbeeld: Raak je voet aan! • Doe wat de leerkracht zegt. • Draai dan om en sta met je rug naar elkaar. • Kan je nu ook doen wat de leerkracht zegt?
4 Zieke mensen 1 Wat hoor je? AUDIO
Onderstreep. • Hassan ... moet / moet niet / mag / mag niet ... rusten. moet / moet niet / mag / mag niet ... thuisblijven. moet / moet niet / mag / mag niet ... naar school gaan.
Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1 thema 10: NIET en GEEN.
• Zieke mensen ... moeten / moeten niet / mogen / mogen niet ... tv-kijken. moeten / moeten geen / mogen / mogen geen ... thee drinken.
6
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Schrijf het antwoord op. Wat mag Sofie doen?
G
De werkwoorden ‘mogen’ en ‘moeten’ infinitief
ik, jij, u, hij, zij
wij, jullie, zij
mogen
mag
mogen
moeten
moet
moeten
Let op: J e mag niet naar school gaan. Je mag geen televisie kijken.
IN
Zet ‘mogen’ of ‘moeten’ in het begin van de zin. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin. • Hassan mag de hele dag thuisblijven. • Hassan moet veel rusten.
2 Onderstreep de werkwoorden zoals in het voorbeeld. De zieke komt naar buiten.
Zin met mogen / moeten + infinitief
De zieke mag naar buiten komen.
N
Gewone zin De cursisten blijven morgen thuis.
De cursisten mogen morgen thuisblijven.
Ik drink veel thee.
Ik moet veel thee drinken.
VA
Wij gaan morgen naar school.
We moeten morgen naar school gaan.
3 Maak een zin met mogen / moeten.
Zet de werkwoorden op de juiste plaats.
Denk aan wat je al kan. Denk niet aan wat je nog niet kan. Zo blijf je gemotiveerd.
©
voorbeeld: H assan is ziek. Hij blijft thuis. (moeten) Hij moet thuisblijven.
Leertip
Hassan leest een boek. (mogen) Hassan gaat niet naar de Nederlandse les. (mogen) Hassan neemt een medicijn. (moeten) Hassan drinkt geen alcohol. (mogen)
Thema 4 – Ik ben ziek
7
4 Maak de A/B oefening met een klasgenoot. Lees het gele vak. Vind je dit gemakkelijk? Kijk dan niet naar de tip. Controleer je klasgenoot. Wissel dan van rol. Klasgenoot A
Klasgenoot B Hassan moet veel rusten.
Hij mag zijn vrienden niet bezoeken.
Hij bezoekt zijn vrienden niet. (mogen)
Zieke mensen komen niet buiten. (mogen)
Zieke mensen mogen niet buitenkomen.
Zieke mensen moeten binnenblijven.
Zieke mensen blijven binnen. (moeten)
De dokter bezoekt de zieke. (moeten)
De dokter moet de zieke bezoeken.
Hassan mag niet veel eten.
Hassan eet niet veel. (mogen)
Hassan drinkt veel thee. (moeten)
Hassan moet veel thee drinken.
Zieke mensen mogen veel slapen.
Zieke mensen slapen veel. (mogen)
Zieke mensen werken niet. (moeten)
IN
Hassan rust veel. (moeten)
Zieke mensen moeten niet werken.
Zieke mensen mogen met een verkoudheid niet naar de spoed gaan.
Zieke mensen gaan met een verkoudheid niet naar de spoed. (mogen)
N
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
VA
5 Kijk naar de video.
Welk advies vind jij goed? Welk advies vind jij niet goed? Welk advies geef jij?
VIDEO
6
Taaltaak Wat doe je?
Rol: opvoeder / werknemer / consument
©
Kies een rol. Spreek met je klasgenoten met dezelfde rol.
8
Rol: opvoeder
Wat doe je met een ziek kind? Wat mag het kind (niet) doen? Wat moet het kind doen?
Rol: werknemer
Je voelt je niet goed op het werk. Wat mag je (niet) doen? Wat moet je doen?
Rol: consument
Jouw vriend is ziek. Wat mag jouw vriend (niet) eten of drinken? Wat moet hij doen?
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
5 Ziek of zieke? 1 Lees de zinnen. Hassan is ziek. Zieke mensen moeten thuisblijven.
G
‘Ziek’ is een adjectief. Adjectieven krijgen bijna altijd een E. • DE-woorden: de mens, de thee de zieke mens de warme thee
een zieke mens een warme thee
de mens is ziek de thee is warm
• HET-woorden: het kind, het medicijn een ziek kind een goed medicijn
het kind is ziek het medicijn is goed
IN
het zieke kind het goede medicijn
Je leert nog meer over het adjectief in thema 10. Dit is een introductie: zo kan je al op de adjectieven letten.
2 Studeer.
N
Het adjectief: DE- en HET-woorden de zieke man, een zieke man, de man is ziek
VA
het zieke kind, een ziek kind, het kind is ziek
3 Zeg het adjectief juist: met E of zonder E. vriendelijk de sterk
dokter
De dokter is
een
pijnstiller
De pijnstiller is
groot
een
lepel
de
lepel
warm
de
melk
De melk is
diep
een
Zij slaapt
©
. .
. slaap .
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
Thema 4 – Ik ben ziek
9
6 Elke dag Nederlands Taaltaak Op de verpakking
Rol: consument
1 Spreek met klasgenoten over de verpakking van medicijnen. Zoek thuis een verpakking van een medicijn. Breng die mee naar de klas. Werk samen met drie klasgenoten. Lees de verpakking van de medicijnen. Spreek samen over de vragen. • Welk medicijn is het? tabletten / bruistabletten / siroop / zalf / druppels / spray • Bij welke problemen neem je dit medicijn? • Is het medicijn voor kinderen of voor volwassenen?
IN
2 Is het een goed medicijn of niet? Bespreek.
©
VA
N
Kies een van de medicijnen. Vertel aan jouw klasgenoten. Is dit een goed medicijn? Waarom? Waarom niet? Noteer de naam van één medicijn van jouw klasgenoten. Noteer de naam van een goed medicijn.
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? Kan ik u helpen? Ik heb hoofdpijn. Hebt u iets tegen hoofdpijn? Ik ben verkouden. Ik moet hoesten en niezen.
Ik geef u een pijnstiller. U mag 4 keer per dag een pijnstiller nemen. U mag 5 keer per dag de keelspray gebruiken. U moet 1 lepel voor de maaltijd nemen.
Nieuwe woorden Werkwoorden bezoeken Mijn vriend bezoekt mij op zondag. Gebruik een zakdoek. gebruiken Ik geef je een medicijn. geven hoesten Ik ben verkouden en moet hoesten. Je mag naar de televisie kijken. kijken Je moet veel rusten. moeten niezen Moet jij ook niezen? Ik slaap in mijn bed. slapen Kan je mij helpen?
helpen
VA
Het medicijn de keelspray de pijnstiller de neusdruppels de hoestsiroop de zalf
N
IN
De pijn hoofdpijn oorpijn keelpijn buikpijn rugpijn
binnenblijven Wij blijven de hele dag binnen. Blijf morgen thuis. thuisblijven
4 keer per dag voor / na de maaltijd
©
VIDEO
Mogen en moeten
Het adjectief
infinitief
ik, jij, u, hij, zij
wij, jullie, zij
mogen
mag
mogen
moeten
moet
moeten
voorbeeld: de mens / het kind – adjectief: ziek + E:
de zieke mens, een zieke mens, het zieke kind
- E:
een ziek kind, de mens is ziek, het kind is ziek
Zet ‘mogen’ of ‘moeten’ in het begin van de zin. Zet het andere werkwoord op het einde van de zin. • Jij mag niet naar buiten komen. • Jullie moeten veel drinken.
Adjectieven krijgen bijna altijd een E.
Thema 4 – Ik ben ziek
11
Uitspraakoefeningen 1 F / V – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. AUDIO
1 =
2
3
4
5
6
7
8
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
1 2 3 4
hoofdpijn keelspray pijnstiller hoestsiroop
5 6 7 8
de maaltijd rusten thuisblijven gebruiken
9 het medicijn 10 verkouden
AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje.
IN
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
m...r-gen maand...g k...-men de z...k-doek de sir...p
VA
sl...-pen
O / OO
N
A / AA
de ...r-pijn
de m...l-tijd m...-gen
AUDIO
©
m...g
E / EE (lang)
EI / IJ
de p...n-stiller thuisbl...-ven het medic...n de th... de k...l-spray n...-men k...-ken l...-zen m... m...
12
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
V AUDIO
F
de hoo...dpijn blij...en ...oetbal de in...ormatie morgena...ond het ...itnesscenter tele...oneren alstublie...t
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de zinnen met een kruisje. OooOo
OoOoO
Ik heb hoofdpijn.
ooOo
oOoO
Hebt u iets tegen hoofdpijn?
OooOoOo
oOooOoO
Ik ben verkouden.
oOOoO
oooOo
Ik moet hoesten en niezen.
ooOooOo
OooOooO
Ik geef u een pijnstiller.
oooOooO
oOooOOo
OOOOoO
oOoOOo
oOooOo
OooOoO
... een keelspray gebruiken.
oOooOo
OooOoO
... 1 lepel voor de maaltijd nemen.
ooOoOoOoO
OOoOoOoOo
U mag 4 keer per dag ...
©
VA
... een pijnstiller nemen.
IN
Kan ik u helpen?
N
AUDIO
Thema 4 – Ik ben ziek
13
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 In de apotheek Schrijf het werkwoord juist. Kies uit: hebben / zijn / gebruiken / nemen / hoesten / niezen. – Mijn vriendin
ziek.
– Wat
zij?
– Zij
verkouden. Zij moet
–
en
.
zij keelspray?
– Nee, zij
neusdruppels.
– – Ja, zij
een pijnstiller.
–
zij hoestsiroop?
– Nee, zij
IN
zij een pijnstiller?
geen hoestsiroop.
N
3 Kan ik u helpen? Het lichaam 1 2 3
het hoofd het oog, de ogen het oor, de oren de neus de mond de keel de nek de schouder, de schouders de arm, de armen de hand, de handen de buik de rug het been, de benen de voet, de voeten
©
4 5 6 7 8
VA
Schrijf de nummers en de woorden op de juiste plaats.
9 10 11 12 13 14
14
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4 Zieke mensen 1 Wie zegt het?
Onderstreep: de zieke / de dokter.
1 U mag niet gaan werken.
de zieke / de dokter
2 Ik moet u een medicijn geven.
de zieke / de dokter
3 U moet veel rusten.
de zieke / de dokter
4 Mag ik gaan werken?
de zieke / de dokter
5 U mag geen alcohol drinken.
de zieke / de dokter
6 Moet ik thuisblijven?
de zieke / de dokter
2 Lees en vertel na. Hassan
Yurek
Pei Le is verkouden.
Hassan luistert naar muziek.
Yurek is ziek.
Zij moet veel hoesten en niezen.
Hij gebruikt een koptelefoon.
Hij heeft veel pijn.
Nu heeft hij hoofdpijn.
Zij heeft hoestsiroop.
Hij moet pijnstillers nemen.
De apotheker kan Yurek niet helpen.
Zij neemt de hoestsiroop na de maaltijd.
Hij mag niet meer naar muziek luisteren.
Hij mag Yurek geen medicijnen geven. Want Yurek moet naar de dokter gaan.
©
VA
Zij gebruikt de neusdruppels ook na de maaltijd.
N
Zij heeft ook neusdruppels.
IN
Pei Le
5 Ziek of zieke Vul in: de / een / het. 1
dure hoestsiroop
5
hoestsiroop is duur. 2
vriendelijk kind kleine land
6
nieuwe radio radio is nieuw.
mooi weekend mooie weekend
7
klein land 4
9
kapotte licht
leuke kinderen 3
kapot licht
groot oor grote oor
10
oog is rood. rode oog
dikke boek dik boek
8
komische film komische film
Lukt het niet? Geen probleem, je herhaalt dit nog vaak in Nieuw TaalRecht. Thema 4 – Ik ben ziek
15
Liedje 1 Maak jij soms pannenkoeken? Waarom wel / niet? AUDIO
Kook jij graag? Wat kook jij graag?
PANNENKOEKEN Het is even zoeken voor ik dan nog een pakje boter pak. Ja, het duurt een hele tijd voor ik die pannenkoeken bak.
Ik sta in de supermarkt. Waar vind ik suiker en bloem? Eerste gang links en tweede gang rechts en ik heb wat ik zoek.
Pannenkoeken bakken is makkelijk als je alle ingrediënten vindt. Maar ze zoeken is niet niks ... De volgende keer, de volgende keer, koop ik gewoon een pakje pannenkoekenmix.
N
Nu nog eieren en melk, ik zie ze nergens staan. Staan ze rechts vanboven hier, of daar links onderaan?
IN
Hoe kom ik bij de supermarkt? Weet u misschien de weg? Eerste straat links en dan rechtdoor en aan de rotonde naar rechts.
VA
2 Juist of fout? Schrijf een kruisje X. juist
fout
Hij koopt eieren en melk. Hij koopt geen boter.
©
Hij koopt een pakje pannenkoekenmix.
Hij vindt alle ingrediënten direct. De ingrediënten zoeken is makkelijk. Hij vindt pannenkoeken bakken makkelijk. Hij vindt pannenkoeken bakken moeilijk.
16
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
5
Naar de winkel
Dit leer ik. • Ik spreek over wat ik liever eet of drink. • Ik vraag wat iemand graag eet of drinkt. • Ik vergelijk dingen die ik eet en drink. • Ik vraag waar iets ligt in de winkel. • Ik zeg waar iets ligt.
IN
• Ik zeg welke producten in mijn ijskast liggen.
1 Hassan bakt pannenkoeken 1 Hassan wil pannenkoeken bakken.
Hij gaat naar de supermarkt. Hij vraagt informatie aan de verkoper. Dan bakt hij een pannenkoek.
N
VIDEO
4
©
1
VA
2 Schrijf het nummer van de foto. 2
3
5
6
Je hebt een doos eieren nodig, melk, een pak bloem, boter en suiker. Hier is het recept.
Dat is dan 10 euro 22, alstublieft. Alstublieft. En 78 cent terug. Alstublieft. Tot ziens.
Excuseer, mag ik iets vragen?
Mijn kom is te klein! Deze kom is groter.
Hoeveel eieren moet ik kopen? Veel of weinig? Thema 5 – Naar de winkel
Deze pannenkoek is te dun. Die pannenkoek is dikker. één
1
2 Ik eet liever / ik drink liever 1 Luister naar Pei Le. Onderstreep. AUDIO
• Waar is Pei Le?
thuis
• Wat wil Pei Le liever drinken?
/
in de frituur
een glas wijn
/
een glas water
spaghetti
/
pizza
IN
• Wat wil Pei Le liever eten?
N
2 Luister naar Yurek. Onderstreep.
• Wat wil Yurek liever eten?
VA
• Waar is Yurek?
thuis
/
in de frituur
/
mayonaise
/
een pintje
• Wat drinkt Yurek?
©
• Wat eet Yurek?
ketchup
2
een hamburger
een pizza
een pita
frieten
niets
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3 Wat eet jij graag? Wat drink jij graag? Wat eet jij graag? Schrijf een kruisje X. Wat eet jij nog graag? Zoek het op. Schrijf of teken het erbij.
rijst
couscous
IN
brood
aardappelen
VA
N
Wat drink jij graag? Schrijf een kruisje X. Wat drink jij nog graag? Zoek het op. Schrijf of teken het erbij.
©
water
fruitsap
cola
bier
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
W
4 Lees en vul in. Nederlands
Engels
Frans
Ik heb honger.
I am hungry.
J’ai faim.
Ik heb geen honger.
I am not hungry.
Je n’ai pas faim.
Ik heb dorst.
I am thirsty.
J’ai soif.
Ik heb geen dorst.
I am not thirsty.
Je n’ai pas soif.
Thema 5 – Naar de winkel
Jouw taal
3
5 Vul in: iets / niets. – Wil je
eten?
– Ja, ik wil graag – Wil je
eten. drinken?
– Nee, ik heb geen dorst. Ik wil – En Hassan? Wil hij
drinken. eten of is hij nog ziek?
– Nee, hij is niet ziek maar hij wil Hij heeft geen honger.
eten.
6 Werk samen met je klasgenoot.
1
Heb je dorst? Wil je iets drinken?
IN
Lees het gesprek. Ga van 1 naar 6. Zeg iets om te eten of om te drinken. Wissel dan van rol.
Ja, ik heb dorst. Ik wil graag iets drinken.
N
2
3
5
VA
Wil je graag ... cola ... drinken?
4
Ik wil liever ... water ... drinken.
©
En heb je honger? Wil je iets eten? Wil je graag ... chips ... eten?
6
Nee, dank je. Ik heb geen honger. Ik wil niets eten.
7 Doe nu je boek toe! Voer het gesprek nog een keer.
4
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3 Op bezoek
thee chocomelk nootjes chips citroen banaan
1 Wat zie je op de foto’s? Schrijf het nummer. AUDIO
Hassan bezoekt een vriend. Luister naar het gesprek. Schrijf het nummer.
(1) (2) (3) (4) (5) (6)
Wat drinkt Hassan graag? • Hij drinkt liever
dan
.
• Hij vindt
gezonder dan
.
• Hij vindt
lekkerder dan
.
Wat eet Hassan graag? • Hij eet liever
dan
.
lekkerder dan
.
• Hij vindt
gezonder dan
.
IN
• Hij vindt
Wat eet Hassan graag? • Hij eet liever een
N
• Hij vindt een
• Is een
.
lekkerder dan een wel gezonder dan een
. ?
VA
2 Luister nog een keer.
dan een
Wat zegt Hassan? Onderstreep.
G
te zuur / te zoet / te zout / te vet te zuur / te zoet / te zout / te vet te zuur / te zoet / te zout / te vet
©
Ik vind ... • de chocomelk • de chips • de citroen graag gezond lekker
liever gezonder lekkerder
Hassan eet graag nootjes. Hij eet liever nootjes dan chips. Een banaan is gezonder dan chips. Chocomelk is lekkerder dan thee.
Hassan vindt de chips te vet en te zout. Hassan vindt de chocomelk te zoet. Hij vindt de citroen te zuur.
Thema 5 – Naar de winkel
5
3 Spreek met je klasgenoten.
Loop rond in de klas. Wat eten / drinken jouw klasgenoten liever?
Wat kiest jouw klasgenoot? Schrijf 2 kruisjes X voor elke klasgenoot: één bij ‘drinken’ en één bij ‘eten’. Kijk dan met de hele klas. Wat drinken jullie graag? Wat eten jullie graag?
thee
chocomelk
cola
fruitsap
sportdrank
melk
soep
water
bier
koekjes
chocolade
vijgen
appels
sinaasappels
mango’s
VA
N
IN
koffie
chips
©
nootjes
bananen
citroenen
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
4 Studeer. infinitief
6
ik
jij
... jij
hij – zij (1 vrouw)
wij – jullie – zij (de mensen)
eten
eet
eet
eet
eet
eten
drinken
drink
drinkt
drink
drinkt
drinken
vinden
vind
vindt
vind
vindt
vinden
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
5
Herhaal
VIDEO
Heb je honger? Wil je iets eten? Ja, graag.
Wil je graag ... koekjes of chips ... eten?
IN
Ik eet liever ... koekjes ... dan ... chips.
N
Ik vind ... koekjes ... lekkerder dan ... chips.
VA
Ik vind ... chips ... te zout / zuur / zoet / vet.
©
Heb je dorst? Wil je iets drinken? Ja, graag.
Wil je graag ... koffie of thee ... drinken?
Ik drink liever ... thee ... dan ... koffie.
Ik vind ... thee ... lekkerder / gezonder dan koffie.
Nee, dank je. Ik wil niets eten / drinken.
Thema 5 – Naar de winkel
7
6
Taaltaak Op bezoek
Rol: communicator
Spreek met een klasgenoot. Je klasgenoot komt op bezoek. Wat wil hij / zij eten en drinken? Gebruik de spreekkaart op pagina xx. Wissel dan van rol.
+
7 Noteer twee dingen om te drinken en twee dingen om te eten. voorbeeld: bruiswater + plat water + voorbeeld: kip + schapenvlees +
IN
Zoek op jouw smartphone de foto’s van deze dingen. Vraag aan al jouw klasgenoten wat ze lekkerder vinden. Vind jij ... lekkerder dan ...? Toon de foto’s op jouw smartphone.
1 Schrijf een kruisje.
N
4 Hassan in de supermarkt
VA
Wat heeft Hassan nodig om pannenkoeken te bakken? Wat denk jij?
de eieren
de bloem
het brood
de suiker
het zout
de boter
de yoghurt
©
de melk
2 Wat is correct? Onderstreep. AUDIO
• De melk staat naast de eieren. / De melk staat boven de eieren. • De bloem staat rechts van het brood. / De bloem staat links van het brood. • De suiker ligt onder het zout. / De suiker ligt boven het zout. • De boter ligt links van de yoghurt. / De boter ligt rechts van de yoghurt.
8
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3 Waar staat het kruisje X?
Schrijf: naast / links / rechts / onder / boven. Kijk naar het voorbeeld. X
X
X
X
X
X van het ijsje
naast het ijsje
het ijsje
het ijsje
van het ijsje
4 Spreek met je klasgenoot.
water
koekjes
N
chips
VA
Lees samen het gesprek. Ga van 1 naar 6. Kijk naar de tekening. Vul in: ... Wissel dan van rol.
IN
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
chocolade nootjes
©
cola
De klant
De winkelier
1 Excuseer, mag ik iets vragen? 2 Jazeker.
3 Waar vind ik de koekjes, alstublieft? 4 De koekjes liggen boven de nootjes. 5 Dank u. Ik heb ook nog melk nodig. 6 Ga hier naar rechts. Ga daar naar links. Daar vindt u de melk. 1 Excuseer, mag ik ... 2 ... 3 Waar ... ik de koekjes, alstublieft? 4 De koekjes liggen ... de nootjes. 5 Dank u. Ik heb ook nog … 6 Ga …
Thema 5 – Naar de winkel
9
Kies nu jouw product. De klant
De winkelier
1 Excuseer, mag ik iets vragen? 2 Jazeker. 3 Waar vind ik ... (zeg een product), alstublieft? 4 ... (zeg het product) staat / ligt naast / links van / rechts van / boven / onder ... (zeg een product) 5 Dank u. Ik heb ook nog … nodig. 6 Ga … Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
IN
Leertip
VA
5 Mijn ijskast
N
Om een taal te leren, moet je ze ook gebruiken. Spreek met de mensen in de winkel. Vraag hen om jou te helpen. Begrijp je hen niet? Zeg het dan!
1 Wat is correct? Schrijf een kruisje X.
©
e sinaasappel ligt D rechts van de appel. De sinaasappel ligt links van de appel. e eieren liggen D boven de vis. De eieren liggen onder de vis.
De yoghurt staat rechts van de boter. De yoghurt staat links van de boter. e flesjes bier staan D boven de melk. De flesjes bier staan onder de melk.
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
2 Wat zie je nog in de ijskast? Lees.
Het blikje cola staat naast het bier. De flesjes bier staan naast de cola. De kaas ligt onder de boter. De eieren liggen boven de vis.
3 Studeer. infinitief
ik
jij
... jij
hij – zij (1 vrouw)
wij – jullie – zij (de mensen)
liggen
lig
ligt
lig
ligt
liggen
staan
sta
staat
sta
staat
staan
4 Kijk naar de video. VIDEO
Bij wie wil jij graag gaan eten? Bij wie wil jij niet graag gaan eten? • • • •
Wat staat er in jouw ijskast? Waar staat het in jouw ijskast? Wat ligt er in jouw ijskast? Waar ligt het in jouw ijskast?
IN
5 Spreek met een klasgenoot.
©
VA
N
Wat staat of ligt er in de ijskast van jouw klasgenoot? Teken het. Controleer. Is de tekening goed?
Thema 5 – Naar de winkel
11
6
Herhaal
VIDEO
Excuseer, mag ik iets vragen?
Waar vind ik ... de melk?
IN
U vindt ... de melk ... naast / boven / onder / links van / rechts van ... de eieren.
Ik heb ook nog ... bloem ... nodig.
VA
N
En waar ... staat / staan / ligt / liggen ... de bloem, de eieren, de boter?
Ga hier naar ... rechts / links, ga daar naar ... rechts / links.
Taaltaak In de supermarkt
©
7
Rol: werknemer / ondernemer / consument
Maak een plan van jouw supermarkt. Je klasgenoot is een klant. Hij / zij vraagt waar iets ligt in jouw supermarkt. Gebruik de spreekkaart op pagina xx. Wissel dan van rol.
12
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
6 Elke dag Nederlands Taaltaak In de supermarkt
Rol: consument
de batterijen
de suikervrije snoepjes
het glutenvrije brood
de zoete aardappelen
de pindanoten
IN
de oorstokjes
1 Kies een product dat je moeilijk vindt in de supermarkt of denk zelf aan een
N
product. Schrijf of teken het erbij.
2 Ga naar jouw supermarkt en vraag aan een werknemer:
VA
‘Waar vind ik ...’ ‘Waar staat / ligt / staan / liggen ...’
3 Zoek het product en neem een foto.
4 Toon de foto van jouw product en vertel aan je klasgenoten:
©
Waar ligt / staat / staan / liggen ... (jouw product of producten) in de supermarkt?
Thema 5 – Naar de winkel
13
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? VIDEO
Ik heb honger. Ik wil graag iets eten. Wat eet je graag? Eet je liever ... of ...?
Wil je ... eten / drinken? Ja graag. Nee dank je. Ik wil niets eten / drinken. Ik vind ... lekkerder. Ik vind ... gezonder. Ik vind ... te ...
Ik heb dorst. Ik wil graag iets drinken. Wat drink je graag? Drink je liever ... of ...?
IN
In de supermarkt Excuseer, mag ik iets vragen? Waar vind ik ...? Ik heb nog ... nodig.
Ik vind het ... te zoet te zuur te zout te vet
VA
Werkwoorden drinken Wat drink jij graag? eten Ik eet graag frietjes. liggen De eieren liggen daar. staan De melk staat hier. vinden Ik vind thee lekker. Waar vind ik de koffie?
N
Nieuwe woorden
©
Producten Studeer alleen de producten die jij koopt. iets / niets Ik vind ... gezond lekker
Waar ligt het? / Waar staat het? naast links van rechts van boven onder hier / daar
De comparatief: je vergelijkt. Je maakt een zin met DAN. Gewone adjectieven + ER of DER • gezond – gezondER Een banaan is gezonder dan een koekje. • lekker – lekkerDER Een banaan is lekkerder dan een koekje. Speciale adjectieven • graag – liever
Ik eet liever een banaan dan een koekje.
Tip: In Nieuw TaalRecht richtgraad 2 leer je nog veel meer comparatieven.
14
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Uitspraakoefeningen 1 G / H – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. AUDIO
1 =
2
3
4
5
6
7
8
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
1 2 3 4
honger liever lekkerder gezonder
5 6 7 8
nodig excuseer eieren koffie
9 boven 10 onder
AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje.
IN
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
het beg...n de m...lk dr...n-ken v...t m...t z...t-ten de l...s w...l-len
VA
v...n-den
I
N
E
het c...n-ter
©
h...l-pen de f...lm st...l-ler
het b...d OU AUDIO
O / OO (lang)
z...t w...-nen het h...fd j... verk...-den b...-ven
Thema 5 – Naar de winkel
15
G AUDIO
H
...raag ...aar vra-...en ...eb-ben ...e-zond ...el-pen kla-...gen de ...e-le dag
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de zinnen met een kruisje. ooOoOo
ooOoOO
Wat eet je graag?
oOoO
Oooo
Eet jij liever ...?
O o O o ...
Ik wil graag iets drinken.
OooooO
ooOoOo
Wat drink jij graag?
oooo
oOoO
Drink jij liever ...?
O o O o ...
o O o O ...
O O ... O o o
o o ... o O O
o o ... O o O
O O ... o O o
Excuseer, mag ik iets vragen?
OoOoOoOO
ooOOooOo
Waar vind ik ...?
O O o ...
o o O ...
Ik vind ... lekkerder.
o o o O ...
©
VA
Ik vind ... gezonder.
IN
Ik wil graag iets eten.
N
AUDIO
16
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 Ik eet liever / ik drink liever Welk woord vul jij in? Kies uit: frituur / fruitsap / glas / hamburger / ketchup / mayonaise / pintje / pita / pizza / spaghetti / thuis / water. 1
Appelsap en appelsiensap zijn soorten
.
Ik koop frieten in de
, maar ik eet ze liever
In een glas
op.
zit geen alcohol, in een
Is een
zit alcohol.
een Turkse specialiteit?
Je kan frieten eten met
of
is Amerikaans.
Veel mensen drinken bij
een
Kies uit: brood / rijst / couscous / aardappelen. 2
IN
is Italiaans, een
.
is heel snel klaar. Is bruine
wijn.
Zijn
N
gezonder dan witte rijst?
groenten of niet?
met choco.
VA
‘s Morgens eet ik
3 Op bezoek
1 Zeg de zin met het juiste woord. Hassan drinkt
2
3
thee dan chocomelk.
Hij
thee lekkerder.
Hij
thee lekkerder
©
1
chocomelk.
liever nootjes
chips.
Hij
nootjes lekkerder
chips.
Hij
nootjes ook
Hassan
Hassan eet Hij Maar een citroen is wel
Thema 5 – Naar de winkel
een banaan een banaan
dan chips. een citroen. een citroen. . In een citroen zit vitamine C.
17
2 Zeg de zin met het juiste woord.
Kijk dan alleen naar de foto’s en zeg de zinnen.
de koffielepel
het mes
de vork
IN
de eetlepel
is groter dan de koffielepel.
De
is kleiner dan de eetlepel.
Het
is groter dan de vork.
De
is kleiner dan het mes.
N
De
VA
4 Hassan in de supermarkt 1 Vul in: ligt – liggen / staat – staan. de bloem?
9
de eieren?
10 Waar
de boter?
de appels?
11 Waar
de yoghurt?
Waar
de melk?
12 Waar
het bier?
5
Waar
de spaghetti?
13 Waar
het bruiswater?
6
Waar
de chocolade?
14 Waar
het fruit?
7
Waar
het brood?
15 Waar
de citroenen?
8
Waar
de cola?
16 Waar
de chips?
Waar
2
Waar
3
Waar
4
©
1
18
Waar
de vis?
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
2 Waar staat het kruisje X?
naast / links van / rechts van / boven / onder 1
2
3
X
4
X
X 5
6
X X
X 10
X 13
X
X
11
X
X
12
X
X 14
X
8
X
IN
9
7
X
15
X
©
VA
N
X
Thema 5 – Naar de winkel
19
Liedje
AUDIO
Maak jij soms pannenkoeken? Waarom wel / niet? Kook jij graag? Wat kook jij graag? PANNENKOEKEN Het is even zoeken voor ik dan nog een pakje boter pak. Ja, het duurt een hele tijd voor ik die pannenkoeken bak.
Ik sta in de supermarkt. Waar vind ik suiker en bloem? Eerste gang links en tweede gang rechts en ik heb wat ik zoek.
Pannenkoeken bakken is makkelijk als je alle ingrediënten vindt. Maar ze zoeken is niet niks ... De volgende keer, de volgende keer, koop ik gewoon een pakje pannenkoekenmix.
VA
N
Nu nog eieren en melk, ik zie ze nergens staan. Staan ze rechts vanboven hier, of daar links onderaan?
IN
Hoe kom ik bij de supermarkt? Weet u misschien de weg? Eerste straat links en dan rechtdoor en aan de rotonde naar rechts.
2 Juist of fout? Schrijf een kruisje X. juist
fout
Hij koopt eieren en melk. Hij koopt geen boter.
©
Hij koopt een pakje pannenkoekenmix.
Hij vindt alle ingrediënten direct. De ingrediënten zoeken is makkelijk. Hij vindt pannenkoeken bakken makkelijk. Hij vindt pannenkoeken bakken moeilijk.
20
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
6
Ik wil werken
Dit leer ik. • Ik zeg wat ik doe, wat ik gedaan heb en wat ik wil doen. • Ik beoordeel wat je moet doen om een sollicitatiegesprek voor te bereiden. • Ik vat samen: wat moet je doen om een sollicitatiegesprek voor te bereiden. • Ik voer een sollicitatiegesprek: ik stel mezelf voor, spreek over mijn sterke punten en maak een afspraak.
IN
1 De sollicitatie van Hassan 1 Hassan wil graag werken. VIDEO
Hij solliciteert voor een job als fietsenmaker. Hij heeft een sollicitatiegesprek.
N
2 Schrijf het nummer van de foto.
2
©
VA
1
3
MA. – VR.
9.00-12.30 – 13.30-19.00 UUR
ZA.
10.00-12.30 – 13.30-17.00 UUR
ZO.
GESLOTEN
Veel succes! Goedemiddag. Ik ben Johan Verbrugge. Aangenaam. Ik ben Hassan Sadiq. Aangenaam. Vertel eens iets over uzelf. Thema 6 – Ik wil werken
4
Onze winkel opent om 9 uur en sluit om 19 uur. U moet ook één zaterdag op de twee werken. Is dat een probleem voor u? Nee, dat is geen probleem! Ik ben heel flexibel.
één
1
2 Ik wil werken 1 Wie spreekt over deze jobs? Onderstreep. AUDIO
verkoper
Hassan / Yurek / Pei Le
Hassan / Yurek / Pei Le
bakker
N
IN
leerkracht
©
VA
Hassan / Yurek / Pei Le
2
magazijnier Hassan / Yurek / Pei Le
kassamedewerker
hulpkok
Hassan / Yurek / Pei Le
Hassan / Yurek / Pei Le
elektricien
fietsenmaker
Hassan / Yurek / Pei Le
Hassan / Yurek / Pei Le
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
2 Luister nog een keer. Werk samen met je klasgenoot. Lees om de beurt één zin. Vul het juiste woord in. gewerkt / werkloos Hassan is ... Hij heeft als elektricien ... werken / volgen Hassan wil als fietsenmaker ... Hij wil een opleiding voor fietsenmaker ... werkt / gevolgd Yurek ... als hulpkok. Hij heeft een opleiding voor kok ... gewerkt / volgen Yurek heeft in Polen als magazijnier ... werkt / gevolgd Pei Le ... in België als kassamedewerker.
IN
Yurek wil graag een opleiding voor bakker ...
gewerkt / volgen
N
Zij heeft in China een opleiding voor leerkracht ...
VA
Zij heeft in België niet als leerkracht ...
Zij wil graag in België een opleiding voor leerkracht ... Het perfectum
©
nu: het presens
vroeger: het perfectum
later: wil + infinitief
Ik werk.
Ik heb gewerkt.
Ik wil werken.
Hij werkt als verkoper.
Hij heeft als verkoper gewerkt.
Hij wil als verkoper werken.
Ik volg een opleiding.
Ik heb een opleiding gevolgd.
Ik wil een opleiding volgen.
Hij volgt een opleiding voor fietsenmaker.
Hij heeft een opleiding voor fietsenmaker gevolgd.
Hij wil een opleiding voor fietsenmaker volgen.
Het perfectum maak je zo: • Zet ‘hebben’ in het begin van de zin. • Zet het andere werkwoord (gevolgd / gewerkt) op het einde van de zin. Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1. thema 5: willen + infinitief. Thema 6 – Ik wil werken
3
3 Studeer. infinitief
presens (nu)
perfectum (vroeger) heb, hebt, heeft, hebben ...
solliciteren
solliciteer, solliciteert, solliciteren
gesolliciteerd
volgen
volg, volgt, volgen
gevolgd
werken
werk, werkt, werken
gewerkt
4 Kijk naar de video.
Let op
Wie is gelukkig in zijn / haar job? Wie wil graag een andere job? Wat wil jij?
VIDEO
• werken ALS • een opleiding volgen VOOR
5 Maak een goede zin met ‘werken’, ‘gewerkt’, ‘volgen’, ‘gevolgd’. Pei Le
IN
Yurek Hassan
6
Taaltaak De enquête
Rol: werkzoekende / werknemer
VA
N
We doen een enquête in de klas. Vul eerst jouw eigen vragen in. Vul dan het formulier op de volgende pagina voor jouw klasgenoten in. Zoek de woorden op.
• Welke job doe jij nu?
Ik werk als
Ik ben werkloos, maar ik zoek een job!
.
Ik ben werkloos.
©
• Welke job heb jij gedaan? Ik heb als
gewerkt.
• Welke job wil jij graag doen? Ik wil graag als
werken.
• Welke opleiding volg jij nu? Ik volg een opleiding voor
.
• Welke opleiding heb jij gevolgd? Ik heb een opleiding voor
gevolgd.
• Welke opleiding wil jij graag volgen? Ik wil graag een opleiding voor
4
volgen.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
De grote werkenquête KLAS:
Naam klasgenoot:
Naam klasgenoot:
Welke job doe je nu?
N
VA
Welke job wil jij graag doen?
IN
Welke job heb je gedaan?
©
Welke opleiding volg je nu?
Welke opleiding heb je gevolgd?
Welke opleiding wil je graag volgen?
Thema 6 – Ik wil werken
5
+
7 Ik spreek over mijn droom Spreek over jouw droom of de droom van iemand anders. De droom moet niet over werk gaan. voorbeeld: I k kan mooi tekenen. Ik wil graag mijn tekeningen verkopen. Mijn dochter wil graag een opleiding voor piloot volgen.
3 Veel succes! 1 Wat is het? Schrijf het nummer van de foto.
1
2
3
5
6
IN
W
4
8
N
7
solliciteren
VA
strijken iets opzoeken
slapen
wassen
eten
kapot zijn drinken
2 Luister naar het gesprek.
Wat is correct? Onderstreep. Wie gaat solliciteren?
Hassan / Sofie
Wat is kapot?
de bus / de fiets
Welk nummer heeft Hassan NIET opgezocht?
van de bus / van de trein
Hoe heeft Hassan geslapen?
goed / niet goed
Wat heeft Hassan gewassen en gestreken?
een T-shirt / een hemd
Wat heeft Hassan gegeten?
een broodje / een koek
Wat heeft Hassan gedronken?
koffie / thee
©
AUDIO
6
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3 Studeer. infinitief
presens (nu)
perfectum (vroeger) heb, hebt, heeft, hebben ...
drinken
drink, drinkt, drinken
gedronken
eten
eet, eet, eten
gegeten
opzoeken
zoek op, zoekt op, zoeken op
opgezocht
slapen
slaap, slaapt, slapen
geslapen
strijken
strijk, strijkt, strijken
gestreken
wassen
was, wast, wassen
gewassen
Let op
IN
Het werkwoord ‘opzoeken’ is speciaal! Het is een ‘separabel’ werkwoord. In Nieuw TaalRecht richtgraad 2 leer je over deze werkwoorden. Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
4
Taaltaak Ik ga solliciteren
Rol: werkzoekende
N
Spreek met drie klasgenoten. Jij gaat solliciteren.
Wat is niet oké?
VA
Wat is oké?
©
Schrijf zinnen. Spreek erover met de hele klas.
oké
niet oké
Je hebt het nummer van de bus opgezocht. Je vertrekt op tijd.
bus
bed
Thema 6 – Ik wil werken
7
oké
niet oké
IN
kleren
N
eten / drank
4 Het sollicitatiegesprek AUDIO
VA
1 Luister naar het gesprek.
Wat is het antwoord van Hassan? Schrijf een kruisje X. Baas Hassan
Vertel eens iets over uzelf. Mijn naam is Hassan Sadiq. Ik kom voor het sollicitatiegesprek. Ik ben Hassan. Ik kom uit Irak. Ik spreek Arabisch, Engels en Nederlands.
©
Baas Hassan
Goedemiddag. Goedemiddag. Hallo.
8
Baas Hassan
Hebt u ervaring? Ja, ik heb als elektricien gewerkt. Nee. Maar ik heb als elektricien gewerkt!
Baas Hassan
U moet ook één zaterdag op de twee werken. Is dat een probleem voor u? Ja, dat is moeilijk voor mij. Nee, dat is geen probleem!
Baas Hassan
Kan u volgende week starten? Jazeker! Dat is moeilijk!
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
2 Luister nog een keer.
Wat zijn de sterke punten van Hassan? Onderstreep. Zoek de andere woorden op. Studeer alleen de woorden die jij in een sollicitatiegesprek wil gebruiken. Hij is handig. – Hij werkt snel. – Hij is geduldig. – Hij is flexibel. – Hij is sociaal. – Hij is vriendelijk. – Hij is gemotiveerd. – Hij werkt hard.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
3 Lees en vul in. Nederlands
Engels
Frans
Ik heb (geen) ervaring als...
I have (no) experience as / in ...
J’ai (je n’ai pas) de l’expérience comme ...
Dat is moeilijk.
That is difficult.
C’est difficile.
Geen probleem!
No problem!
Aucun problème.
Jazeker!
Certainly!
IN
W
Jouw taal
Certainement !
1
N
5 Mijn sollicitatiegesprek Herhaal
Vertel eens iets over uzelf. Ik ben ... Hassan Sadiq. Ik kom uit ... Irak. Ik spreek ... Arabisch en een beetje Nederlands.
VA
VIDEO
©
يبرع
Wat zijn uw sterke punten? Ik ben ... handig / geduldig / flexibel / sociaal / vriendelijk / gemotiveerd ... Ik werk ... snel / hard. Hebt u ervaring? Ja, ik heb ervaring als ... elektricien. Ik heb geen ervaring, maar ... U moet ... in het weekend werken. Is dat een probleem? Nee, dat is geen probleem. Dat is moeilijk. Kan u ... volgende week ... starten? Jazeker! Dat is moelijk.
Thema 6 – Ik wil werken
9
Taaltaak Mijn sollicitatiegesprek
2
Rol: werkgever / werkzoekende
Oefen het sollicitatiegesprek met een klasgenoot. Gebruik de spreekkaart op pagina xx. Oefen het gesprek twee keer: met je boek open en met je boek toe. Ben je de werkgever? Dan moet je je boek niet sluiten. Tip: Heb je binnenkort een echt sollicitatiegesprek? Oefen dan je gesprek voor de hele klas met de leerkracht. Zo leer je ook in een moeilijke situatie Nederlands te spreken. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online. Leertip
Taaltaak Goede vragen
N
6 Elke dag Nederlands
IN
Een belangrijk gesprek oefen je het best meer dan één keer. Oefen voor de spiegel, of nog beter: met een andere persoon. Oefen het gesprek tot je de zinnen vlot kan zeggen.
Rol: werkzoekende
VA
1 Op het einde van een sollicitatiegesprek kan je zelf ook iets vragen. voorbeeld: • Mag ik ook van thuis werken? • Moet ik dikwijls naar klanten? Spreek met enkele klasgenoten. Welke vragen kan je nog stellen? Noteer drie vragen.
©
1
2
3
2 Bespreek de vragen met de hele klas. Ga je echt solliciteren? Noteer één vraag die jij belangrijk vindt.
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het?
Wat zijn uw sterke punten? Ik ben ... Ik werk ... Nieuwe woorden
Sterke punten Ik ben ... handig geduldig flexibel sociaal vriendelijk gemotiveerd
Veel succes!
Werkwoorden vertellen Vertel eens iets over jezelf.
strijken volgen wassen werken
Hij heeft koffie gedronken. Hij heeft een boterham gegeten. Hij heeft goed geslapen. Ik heb vandaag voor een job gesolliciteerd. Hij heeft zijn hemd gestreken. Ik heb een opleiding gevolgd. Hij heeft zijn hemd gewassen. Ik heb als elektricien gewerkt.
opzoeken
Hij heeft het nummer opgezocht.
Preposities voor als over
een opleiding voor verkoper werken als elektricien iets vertellen over
drinken eten slapen solliciteren
VA
werkloos zijn een job doen werken als ... een opleiding voor ... volgen één zaterdag op de twee
Kan u ... starten? Jazeker! Dat is moeilijk!
IN
Hebt u ervaring? Ik heb als ... gewerkt.
Is dat een probleem voor u? Ja, dat is moeilijk voor mij. Nee, dat is geen probleem!
N
Het sollicitatiegesprek Vertel eens iets over uzelf. Ik ben ... Ik kom uit ... Ik spreek ...
©
VIDEO
Ik werk ... snel hard
Het perfectum nu: het presens
vroeger: het perfectum
Hij werkt als verkoper. Hij volgt een opleiding.
Hij heeft als verkoper gewerkt. Hij heeft een opleiding gevolgd.
Het perfectum maak je zo: • Zet ‘hebben’ in het begin van de zin. • Zet het andere werkwoord (gewerkt / gevolgd) op het einde van de zin. Tip: studeer de werkwoorden in de lijst achteraan in het boek. Thema 6 – Ik wil werken
11
Uitspraakoefeningen 1 B / P – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. AUDIO
1 =
2
3
4
5
6
7
8
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
1 2 3 4
ervaring jazeker werkloos opleiding
5 6 7 8
handig geduldig flexibel sociaal
9 vriendelijk 10 gemotiveerd
AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje.
IN
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
het probl...m de ...-lektricien vr...n-delijk gemotiv...rd
VA
de koff...
IE (lang)
N
E / EE (lang)
gestr...-ken
de sollicitat... z...-ker l...-ver
AUDIO
©
de televis...
UI
EI / IJ
de opl...-ding b...-ten str...-ken th...s-blijven gebr...-ken bl...-ven l...d de sp...t het kr...s-je de t...d
12
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Zeg de woorden met een doffe E. AUDIO
te de / het / een me / je / we / ze sturen, lezen, hebben, leren, kunnen, zullen binnen, buiten, open, tegen stiller, liever, lekkerder, gezonder handig, geduldig, flexibel, vriendelijk alles, Nederlands, eieren, morgen gedaan, gesloten, gebruiken verkouden
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de zinnen met een kruisje. OoOooOOo
oOoooooO
Hebt u ervaring?
OOoOo
oOOoO
Ik heb als ... gewerkt.
O o o ... o O
o O o ... O o
Wat zijn uw sterke punten?
OooOoOo
oOooOoO
Is dat een probleem voor u?
ooOoOOo
oOooOoO
Ja, dat is moeilijk voor mij.
ooOoOoo
OooOooO
oOooOo
OooOoO
o o ... o O
O o ... O o
Nee, dat is geen probleem.
OOo
ooO
Dat is moeilijk.
ooOo
oooO
Veel succes.
oOo
OoO
©
Jazeker!
VA
Kan u ... starten?
IN
Vertel eens iets over jezelf.
N
AUDIO
Thema 6 – Ik wil werken
13
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 Ik wil werken Vul in: werkt – werken – gewerkt / volgt – volgen – gevolgd. 1
Ik heb als verkoper
.
2
Zij wil een opleiding voor verkoopster
3
Hij
4
Zij wil als schoonmaakster
5
Hij wil graag als dokter
6
Zij heeft een opleiding voor buschauffeur
7
Zij
8
Hij wil graag als advocaat
9
Hij heeft een opleiding voor elektricien
.
als schoonmaker. . . .
een opleiding voor fietsenmaker.
IN
10 Hij
.
.
een opleiding Nederlands.
N
3 Veel succes!
1 Vul in: heb, hebt, heeft, hebben.
jij deze nacht lekker geslapen?
VA
1
Hassan
3
Jij
4
Sofie
5
Wij
6
Zij
©
2
7
8
Ben je niet moe? Jij
9
Mijn kinderen
zijn hemd gewassen.
geen groenten gegeten vandaag. het nummer van de bus opgezocht.
samen een kopje koffie gedronken.
haar nieuwe jurk gestreken. jij voor die job gesolliciteerd? hard gewerkt. geen opleiding gevolgd.
2 Je krijgt de zinnen nog een keer. Vul nu het werkwoord in. Kijk niet naar de zinnen hierboven.
14
1
Heb jij deze nacht lekker
?
2
Hassan heeft zijn hemd
.
3
Jij hebt geen groenten
vandaag.
4
Sofie heeft het nummer van de bus
.
5
Wij hebben samen een kopje koffie
.
6
Zij heeft haar nieuwe jurk
7
Heb jij voor die job
8
Ben je niet moe? Jij hebt hard
9
Mijn kinderen hebben geen opleiding
. ? . . NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4 Het sollicitatiegesprek Vul het woord in. Kies uit: snel / flexibel / vriendelijk / handig / geduldig / gemotiveerd / sociaal / hard. Hij is graag samen met andere mensen.
Hij is
.
2
Hij wil ook ‘s avonds en in het weekend werken.
Hij is
.
3
Hij kan goed met zijn handen werken.
Hij is
.
4
Hij kan niet goed wachten, alles moet snel gaan.
Hij is niet
.
5
Hij doet veel werk op een korte tijd.
Hij werkt
.
6
Hij rust niet.
Hij werkt
.
7
Hij lacht naar mensen.
Hij is
.
8
Hij wil heel graag werken.
Hij is
.
©
VA
N
IN
1
Thema 6 – Ik wil werken
15
Liedje 1 Luister naar het liedje. AUDIO
IK WIL WERKEN Want Ik wil werken, ja, ik wil werken! Ik wil werk, laat me werken vandaag! Ik wil werken, ja, ik wil werken! Zonder werk gaat de tijd veel te traag!
Ik wil werken, ja, ik wil werken! Ik wil werk, laat me werken vandaag! Ik wil werken, ja, ik wil werken! Zonder werk gaat de tijd veel te traag! Ik ga vandaag solliciteren. Ik ga vandaag voor een job. De taal heb ik goed kunnen leren, dus nu kan ik aan het werk, dat is top!
IN
Ik wil werken, ja, ik wil werken! Ik wil werk, laat me werken vandaag! Ik wil werken, ja, ik wil werken! Zonder werk gaat de tijd veel te traag!
Ik heb al heel veel ervaring. Ik heb al heel veel gewerkt. Ik heb nu lang genoeg niets gedaan. Geef me werk, want werk maakt mij sterk! Wij willen werken, ja, wij willen werken! Geef ons werk, laat ons werken vandaag! Wij willen werken, ja, wij willen werken! Zonder werk gaat de tijd veel te traag! (3x)
VA
N
Ik ken mijn goede kwaliteiten: ik ben handig, slim en bovendien leer ik graag nieuwe dingen bij, geef mij een kans en u zal het zien!
2 Juist of fout? Schrijf een kruisje X. juist
fout
©
Hij heeft gisteren gesolliciteerd. Hij heeft een job. Hij is werkloos.
Hij kan goed met zijn handen werken. Hij heeft geen ervaring. Hij wil werken.
16
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
7
Een nieuwe job
Dit leer ik. • Ik stel vragen op mijn eerste werkdag. • Ik begrijp vragen van een collega en geef een goed antwoord. • Ik vraag en zeg waar iets staat of ligt op het werk. • Ik spreek over de eerste dag op het werk.
1 De eerste werkdag 1 Het is de eerste werkdag van Hassan.
Hij tekent zijn contract. Hij krijgt een rondleiding van zijn collega Ingrid. Hij rijdt met een elektrische fiets.
N
VIDEO
IN
• Ik begrijp en neem deel aan een gesprek over werken in België.
4
©
1
VA
2 Schrijf het nummer van de foto. 2
3
5
6
Stoor ik? Nee, kom binnen. Hier is uw contract. Kan u het eerst tekenen? Ik heb een vraag. Mag ik op het werk roken? Nee, je mag niet roken.
Thema 7 – Een nieuwe job
Ik heb nog een vraag. Moet ik een uniform aandoen? Nee, je moet geen uniform aandoen. Heb je nog vragen? Nee, ik heb geen vragen meer. Is deze fiets niet kapot?
één
1
2 Ik heb een vraag 1 Luister. Wat is correct? Onderstreep. Pei Le en Yurek hebben een nieuwe collega.
AUDIO
Waar werkt Pei Le? in een restaurant / in een winkel Waar werkt Yurek? in een restaurant / in een winkel
2 Welke vraag en welk antwoord passen samen? Trek een lijn, zoals in het voorbeeld. 0
De vragen
• Geen mooie kleren. • Op de eerste verdieping. • Mevrouw Rachida. • Afwassen. • Nee, dat mag niet. • In september. • Van half vijf tot vijf.
IN
Mag ik in de winkel roken? • Waar is het toilet? • Wie is de baas? • Welke kleren moet ik aandoen? • Wat moet ik doen? • Hoe laat is de pauze? • Wanneer is de vakantie? •
De antwoorden
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
N
3 Welk woord is het? Zet de letters juist. Je kan even rusten: je heb een uzpae
Hij zegt wat je moet doen: de basa
Zij zegt wat je moet doen: de zinba
Je werkt samen met hem of haar: de elgacol
Je moet enkele weken niet werken: de aveitnak
VA
W
4 Schrijf de correcte prepositie. ’s Morgens doe jij je kleren
.
©
In het restaurant wast hij de borden
.
5 Studeer. infinitief
presens (nu)
perfectum (vroeger)
aandoen
doe, doet, doen ... aan
hebben aangedaan
afwassen
was, wast, wassen ... af
hebben afgewassen
6
Herhaal
VIDEO
Mag ik ... roken?
2
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Waar is / zijn ... het toilet / de toiletten?
Wie is ... de baas / bazin?
Welke ... kleren moet ik aandoen?
IN
Wat ... moet ik doen?
N
Hoe laat ... is de pauze?
7
VA
Wanneer ... is de vakantie?
Taaltaak De nieuwe collega
Rol: werknemer
©
Werk samen met je klasgenoten. Een van jullie heeft een job. Jij bent de werknemer. Je klasgenoten zijn nieuwe collega’s. • Werknemer: V ertel kort over jouw werk. Waar werk je? Wat doe je? • Nieuwe collega’s: J ullie zijn nieuwe collega’s op het werk van jullie klasgenoot. Het is de eerste dag op het werk. Jullie hebben veel vragen. Gebruik de spreekkaart op pagina xx. • Werknemer: Geef een antwoord op de vragen van de nieuwe collega’s. Leertip
Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
Thema 7 – Een nieuwe job
Gebruiken jouw collega’s altijd dezelfde woorden? Noteer die woorden. Het zijn woorden die speciaal zijn voor jouw job. Gebruik die woorden ook. 3
3 Waar ligt het? Waar staat het? 1 Welke plaatsen zie je op het werk? Schrijf het nummer bij de foto. (1) (2) (3) (4) (5)
2 Luister naar het gesprek.
Waar vind je het? Onderstreep.
in het atelier / in het magazijn / in de winkel in het atelier / in het magazijn / in de winkel in het atelier / in het magazijn / in de winkel
VA
de kapotte fietsen de fietshelmen de batterijen
N
AUDIO
IN
de winkel de eetzaal het secretariaat het magazijn het atelier
3 Wat is correct? Schrijf een kruisje.
©
r staan kapotte fietsen in de winkel. E Er staan geen kapotte fietsen in de winkel. e kapotte fietsen staan in het atelier. D De kapotte fietsen staan niet in het atelier.
r liggen fietshelmen in het magazijn. E Er liggen geen fietshelmen in het magazijn. e fietshelmen liggen in de winkel. D De fietshelmen liggen niet in de winkel.
r liggen batterijen in het atelier. E Er liggen geen batterijen in het atelier. e batterijen liggen in het magazijn. D De batterijen liggen niet in het magazijn.
4
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
4 Studeer. infinitief
presens (nu)
perfectum (vroeger)
liggen
lig, ligt, liggen
hebben gelegen
staan
sta, staat, staan
hebben gestaan
G
Er staan / liggen – De ... staan / liggen • Niet specifiek Er staan / er liggen ... Er staan / er liggen geen ... De ... staan / liggen ... De ... staan / liggen niet ...
Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1. thema 10: niet / geen.
IN
• Specifiek
5 Geef het correcte antwoord: niet speciek of specifiek.
VA
N
voorbeeld: S taan er planten in de winkel? Ja, er staan planten in de winkel. of: Nee, er staan geen planten in de winkel.
Staan de planten in de eetzaal? Ja, de planten staan in de eetzaal of: Nee, de planten staan niet in de eetzaal.
Staat jouw fiets in het magazijn? Ja,
©
Liggen er papieren in de eetzaal? Nee,
Staan de tafels in het secretariaat? Nee,
6 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot. Lees de vraag. Jouw klasgenoot antwoordt. Controleer je klasgenoot. Wissel ook van rol. Klasgenoot A
Klasgenoot B
Staat het bureau in de winkel? (Ja, …)
Ja, het bureau staat in de winkel.
Nee, er staat geen computer in de eetzaal.
Staat er een computer in de eetzaal? (Nee, ...)
Staat de koffiezet in de kast? (Nee, ...)
Nee, de koffiezet staat niet in de kast.
Thema 7 – Een nieuwe job
5
Klasgenoot A
Klasgenoot B
Nee, de krant ligt niet op de tafel.
Ligt de krant op de tafel? (Nee, ...)
Ligt er een agenda op de tafel? (Nee, ...)
Nee, er ligt geen agenda op de tafel.
Ja, de groenten liggen in de ijskast.
Liggen de groenten in de ijskast? (Ja, ...)
Staat de kassa in de eetzaal? (Nee, ...)
Nee, de kassa staat niet in de eetzaal.
Nee, er staat geen ijskast in het secretariaat.
Staat er een ijskast in het secretariaat? (Nee, ...)
Staat de nieuwe tafel in de winkel? (Ja, ...)
Ja, de nieuwe tafel staat in de winkel.
Ja, er ligt een fotoboek in de winkel.
Ligt er een fotoboek in de winkel? (Ja, ...)
+
7 Wat willen jullie voor de klas?
4 Hoe was jouw dag?
IN
Spreek met je klasgenoten. Welke dingen staan NIET in de klas of de school, maar wil jij wel graag hebben? Maak een lijst met de hele klas. Misschien stuurt de leerkracht jullie lijst naar de directeur?
N
1 ’s Avonds is Hassan thuis.
Sofie:
VA
Sofie telefoneert. Luister. Welke werkwoorden hoor jij? Schrijf de werkwoorden.
AUDIO
jouw dag, Hassan?
Hoe
je een leuke dag
Hassan: Sofie:
Ja, het
?
een leuke dag.
je collega’s vriendelijk?
Hassan:
Ja, de collega’s
Sofie:
En
Hassan:
Ja, we
En jij Sofie,
Sofie:
Ja. Ik
met een vriendin naar de winkel
Het
gezellig.
©
heel vriendelijk. je ook een pauze? samen een pauze. jij een leuke dag
? .
2 Lees en vul in. Nederlands
6
Engels
Frans
leuk
nice, fun
chouette, agréable
gezellig
cosy, pleasant
agréable, convivial
Jouw taal
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
NU: het presens VROEGER: het perfectum of het imperfectum.
G
• hebben:
Ik heb een leuke dag gehad. (vroeger: perfectum) Wij hadden samen een pauze. (vroeger: imperfectum)
• zijn:
Ik ben naar de winkel geweest. (vroeger: perfectum) Het was gezellig. (vroeger: imperfectum)
Het perfectum heb je in thema 6 geleerd. Het imperfectum is moeilijk. Je leert veel imperfectum werkwoorden in Nieuw TaalRecht 2.1. Maar het imperfectum van ‘ZIJN’ en ‘HEBBEN’ krijg je nu al.
ZIJN
perfectum
hebben ... gehad
imperfectum
had / hadden
perfectum
zijn ... geweest
imperfectum
was / waren
IN
HEBBEN
Let op: was – waren / had – hadden geweest – gehad
gebruik je veel gebruik je niet zo veel
N
3 Lees de conversatie van Sofie en Hassan nog een keer. Noteer enkele sleutelwoorden.
VA
voorbeeld: H assan: leuke dag / collega’s / vriendelijk / pauze Sofie: leuke dag / winkel / gezellig Werk dan samen met een klasgenoot: jullie zijn Sofie en Hassan. Kijk niet in je boek en herhaal de conversatie.
©
5 Het was een leuke dag 1 Vul het correcte werkwoord in. Kies uit: was – waren / had – hadden. Gisteren Ik
mijn eerste werkdag. buikpijn en ik
’s Morgens Ik
er wat problemen. mijn paraplu bij.
Maar mijn paraplu En de bus
kapot. te laat.
Maar mijn collega’s
heel vriendelijk.
In de pauze Ik Dat Thema 7 – Een nieuwe job
een beetje nerveus.
we veel plezier. een broodje bij. lekker! 7
2 Vul het correcte werkwoord in. Kies uit: gehad / geweest. Sofie is vandaag in de stad
.
Zij heeft ook een leuke dag
.
Zij is in drie schoenwinkels
.
Ze heeft rode schoenen gekocht. Ze heeft nog nooit zo’n mooie schoenen
.
’s Avonds is Sofie moe. Het is een lange dag
.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
3
Taaltaak Een mooi ding, een mooie plaats
Rol: communicator
Welk mooi ding heb jij wel al gehad? Welk mooi ding heb jij nog nooit gehad?
IN
Spreek met je klasgenoten over de vragen. Gebruik ‘had – hadden – gehad / was – waren – geweest’.
4 Kijk naar de video. Wie is nu gelukkig? Wie was vroeger gelukkig?
VA
VIDEO
N
Op welke mooie plaats ben jij geweest? Op welke mooie plaats ben jij niet geweest?
©
En jij? Vertel! Vroeger was ik ... maar nu ... Vroeger had ik ... maar nu ...
8
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
6 Elke dag Nederlands Taaltaak Dat is niet gemakkelijk AUDIO
Rol: werknemer / communicator
a Luister. • Wat staat samen? Trek een lijn. de chauffeur • de verkoper •
• in de winkel werken • • met de bus rijden •
• snel spreken • • de verkeersregel •
• de baas • het loon
• Vul het woord in. wie zegt wat je moet doen:
de
je krijgt geld omdat je werkt: je krijgt een b Spreek met een werknemer in België: een klasgenoot, een vriend, een familielid. • Schrijf sleutelwoorden.
Wat was gemakkelijk?
VA
N
Wat is gemakkelijk?
Werken in jouw land.
IN
Werken in België.
Wat was moeilijk?
©
Wat is moeilijk?
• Vertel het aan de hele klas.
Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
Thema 7 – Een nieuwe job
9
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? VIDEO
Vragen op het werk Ik heb een vraag. Ik heb nog een vraag. Heb jij nog vragen? Ik heb geen vragen meer.
Mag ik in de winkel roken? Waar is het toilet? Wie is de baas? Welke kleren moet ik aandoen? Wat moet ik doen? Hoe laat is de pauze? Wanneer is de vakantie?
Preposities in met
©
de baas de bazin – de bazen de collega – de collega’s het loon – de lonen de pauze de vakantie
in de winkel werken met de bus rijden
Werkwoorden Hij rijdt met de bus. rijden Op het werk mag je niet roken. roken Hassan tekent het contract. tekenen
VA
de batterij – de batterijen de fietshelm – de fietshelmen
Adjectieven kapot gezellig
N
Op het werk het atelier de eetzaal het magazijn het secretariaat de winkel – de winkels
IN
Nieuwe woorden
aandoen afwassen
Doe je kleren aan. Hij wast de borden af.
Er staan / liggen – De ... staan / liggen • Niet specifiek Er staan stoelen in de winkel. Er liggen boeken in de winkel. Er staan geen stoelen in de winkel. Er liggen geen boeken in de winkel. • Specifiek De stoelen staan in de winkel. De boeken liggen in de winkel. De stoelen staan niet in de winkel. De boeken liggen niet in de winkel.
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Hebben – zijn: perfectum en imperfectum • had / hadden hebben gehad
Hij had een leuke dag. Wij hadden een leuke dag Ik heb een leuke dag gehad.
• was / waren zijn geweest
De dag was gezellig. De dagen waren gezellig. Het is een gezellige dag geweest.
Uitspraakoefeningen
AUDIO
1 ≠
2
3
4
5
6
7
8
IN
1 S / Z – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠.
2 Onderstreep het woordaccent. 1 2 3 4
eetzaal secretariaat magazijn atelier
5 6 7 8
batterij collega vakantie pauze
9 kapot 10 gezellig
N
AUDIO
AUDIO
VA
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de woorden met een kruisje.
E (kort)
E / EE (lang)
IJ / EI
de ...s-kast
het koffiez...t-apparaat
©
de kl...-ren het toil...t
de ...t-zaal wan-n...r vr...-dag ...l-ke
ik telefo-n...r m...-gaan de t...d de sp...t het dial...ct de t...-levisie de p...n-stiller Thema 7 – Een nieuwe job
11
AUDIO
OU / AU
OE
N
NG
de p...-ze de st...-len m...-ten m...i-lijk z...t verk...-den j...
AUDIO
de opleidi... de pu...-ten
IN
de ervari... vrie...-delijk ...iezen de ga...
N
schoo...-maken
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
VA
Oefen de zinnen met een kruisje. Ik heb een vraag.
OOoO
OoOo
Ik heb nog een vraag.
ooOoO
OooOo
Heb jij nog vragen?
oOooO
oOoOo
Ik heb geen vragen meer.
ooOOoO
oooOOo
Mag ik in de winkel roken?
OoooOoOo
oOoOoOoO
Waar is het toilet?
OoooO
OooOO
Wie is de baas?
OoOo
OooO
Welke kleren moet ik aandoen?
OoOoooOO
oOoOoooO
Wat moet ik doen?
OOoO
oooo
Hoe laat is de pauze?
oOoOoO
OOooOo
Wanneer is de vakantie?
oOoOOOo
oOoooOO
©
AUDIO
12
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 Ik heb een vraag Vul het vraagwoord in. 1
is de eetzaal?
2
zijn mijn collega’s?
3
kleren moet ik aandoen?
4
kan ik nu doen?
5
laat gaat de winkel open?
6
start de opleiding?
Onderstreep: GEEN of NIET.
IN
3 Waar ligt het? Waar staat het? Er staan GEEN / NIET planten in de winkel.
2
Er staat GEEN / NIET kopieerapparaat in de eetzaal.
3
De papieren liggen GEEN / NIET in het secretariaat.
4
Er staan GEEN / NIET tafels in het secretariaat.
5
Nee, de kassa staat GEEN / NIET in de eetzaal.
6
Er staat GEEN / NIET bureau in de winkel.
7
Nee, de groenten liggen GEEN / NIET in het secretariaat.
8
Nee, het koffiezetapparaat staat GEEN / NIET in de winkel.
9
Nee, er staat GEEN / NIET ijskast in het secretariaat.
VA
N
1
©
10 Nee, de diepvriezer staat GEEN / NIET in het secretariaat.
5 Het was een leuke dag 1 Welk werkwoord? Onderstreep. 1
Gisteren had / was ik tandpijn.
2
Maar het had / was mijn eerste werkdag.
3
Mijn kinderen hadden / waren thuis.
4
Zij hadden / waren geen school.
5
Mijn vrouw had / was naar de supermarkt.
6
Zij had / was een probleem.
7
Haar geld had / was op.
8
Gisteren had / was geen leuke dag.
Thema 7 – Een nieuwe job
13
2 Welk werkwoord? Onderstreep. Gisteren heeft / is mijn dochter naar de cinema gehad / geweest.
2
Ze heeft / is een leuke tijd gehad / geweest.
3
Mijn zoon is heeft / is op school een examen gehad / geweest.
4
Hij zegt: “Het heeft / is niet gemakkelijk gehad / geweest.
5
Maar ik heb / ben goede punten gehad / geweest.”
©
VA
N
IN
1
14
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
8
Wil jij met mij trouwen?
Dit leer ik. • Ik begrijp de volgorde van de acties in een verhaal. • Ik spreek over activiteiten van de dag. • Ik spreek over wat ik vroeger heb gedaan. • Ik nodig iemand uit via de telefoon. • Ik zeg via de telefoon dat ik naar een feest kom.
IN
1 Hassan en Sofie gaan trouwen 1 Hassan maakt een afspraak met Sofie. VIDEO
Hij heeft een belangrijke vraag: ‘Wil jij met mij trouwen?’
N
2 Schrijf het nummer van de foto.
2
©
VA
1
5
3
4
Kan je vanavond naar het MAS komen?
We hebben samen gelachen.
We zijn naar het park geweest.
Wil jij met mij trouwen?
Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
één
1
2 Samen gedaan 1 Luister naar Hassan. Wat hebben Sofie en Hassan samen gedaan? Schrijf een kruisje X.
Ze hebben samen gepraat.
Ze hebben gedanst.
Ze hebben veel samen gekookt.
Ze hebben een reis gemaakt.
Ze hebben samen gelachen.
N
IN
AUDIO
Zij hebben gewinkeld.
©
VA
2 Luister nog een keer. Waar zijn Sofie en Hassan geweest? Schrijf een kruisje X.
Ze zijn naar de zee geweest.
Ze zijn naar de zoo geweest.
Ze zijn naar de supermarkt geweest.
2
Ze zijn naar het park geweest.
Ze zijn naar het museum geweest.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3 In welke steden zijn Sofie en Hassan geweest? Schrijf een kruisje X.
Ze zijn naar Parijs geweest.
Ze zijn naar Tokio geweest.
Ze zijn naar Gent geweest.
Vroeger (perfectum) • met ‘hebben’ werkwoord
gelachen.
gisteren
gelachen.
heeft
gisteren
gelachen.
hebben
gisteren
gelachen.
Jij / U
hebt
VA
heb
Wij / Jullie / Zij
2e werkwoord participium
gisteren
Ik Hij / Zij
...
N
subject
IN
G
Ze zijn naar Brussel geweest.
• met ‘zijn’
werkwoord
...
2e werkwoord participium
©
subject Ik
ben
gisteren naar het park
geweest.
Jij / U
bent
gisteren naar het park
geweest.
Hij / Zij
is
gisteren naar het park
geweest.
Wij / Jullie / Zij
zijn
gisteren naar het park
geweest.
Weet je nog? Het perfectum – thema 6. Het perfectum van ‘hebben’ en ‘zijn’ – thema 7.
4 Wat vind jij? Schrijf een kruisje. Sofie en Hassan hebben samen niet veel dingen gedaan. Sofie en Hassan hebben samen veel leuke dingen gedaan. Wat heb jij samen met iemand gedaan? Vertel het aan je klasgenoten. Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
3
3 Een leuke dag 1 Luister naar Yurek en Pei Le. AUDIO
Yurek en Pei Le zitten in de Nederlandse les. Het is pauze. Wat zegt Yurek eerst? Wat zegt hij dan? Schrijf 1 / 2 / 3 / 4 / 5.
Hij heeft een ijsje gegeten.
Hij heeft de trein genomen.
Hij heeft gelachen.
N
IN
Hij heeft aan zee gewandeld.
Hij heeft gepraat.
Wanneer heeft Pei Le het gedaan? Schrijf het nummer.
©
VA
’s morgens ’s middags ’s avonds
Zij heeft naar de tv gekeken.
(1) (2) (3)
Zij heeft Nederlands gestudeerd.
Zij heeft gekookt.
2 Kijk naar de infinitief.
Zoek het presens en het perfectum. Schrijf de juiste letters onderaan in het kader. Onderstreep de werkwoorden zoals in het voorbeeld. de infinitief
4
het presens (nu)
het perfectum (vroeger)
A
drinken
1
Yurek neemt de trein.
a
Pei Le heeft lekker gekookt.
B
wandelen
2
Zij praten samen.
b
Zij hebben aan zee gewandeld.
C
nemen
3
Pei Le kookt.
c
Zij zijn naar de zee geweest.
D
praten
4
Hij drinkt thee.
d
Zij hebben samen gelachen.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
de infinitief
het presens (nu)
het perfectum (vroeger)
E
lachen
5
Zij eten een ijsje.
e
Yurek heeft de trein genomen.
F
koken
6
Zij kijkt naar de tv.
f
Zij heeft Nederlands gestudeerd.
G
studeren
7
Zij studeert Nederlands.
g
Hij heeft thee gedronken.
H
zijn
8
Zij wandelen aan zee.
h
Zij hebben samen gepraat.
I
eten
9
Zij zijn naar de zee.
i
Zij heeft naar de tv gekeken.
J
kijken
10
Zij lachen samen.
j
Zij hebben een ijsje gegeten.
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
4
3 Studeer. hebben gedronken
dansen
hebben gedanst
eten
hebben gegeten
doen
hebben gedaan
opzoeken
hebben opgezocht
hebben
hebben gehad
slapen
hebben geslapen
kijken
hebben gekeken
solliciteren
hebben gesolliciteerd
koken
hebben gekookt
hebben gestreken
lachen
hebben gelachen
hebben gevolgd
maken
hebben gemaakt
hebben gewassen
nemen
hebben genomen
hebben gewerkt
praten
hebben gepraat
spelen
hebben gespeeld
studeren
hebben gestudeerd
wandelen
hebben gewandeld
winkelen
hebben gewinkeld
strijken volgen wassen
©
werken
N
drinken
Perfectum met HEBBEN: thema 7 en 8
VA
Perfectum met HEBBEN: thema 6
IN
g
Perfectum met ZIJN: thema 7 en 8 zijn
zijn geweest
gaan
zijn gegaan
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
5
4 Wat heb jij gisteren gedaan? 1 Lees en vul in. Nederlands
Engels
Frans
Jouw taal
een leuke dag
a fun / nice day
une journée amusante / agréable
geen leuke dag
not a fun / nice day
pas une journée amusante / agréable
2 Kijk naar de video. VIDEO
Wie heeft een héél leuke dag gehad? Met wie wil jij samen een leuke dag hebben?
Taaltaak Een leuke dag / geen leuke dag Spreek met drie klasgenoten. Wat was een leuke dag?
Wat was geen leuke dag?
Ik heb …
N
Ik heb een leuke dag gehad.
Ik heb …
VA
Ik heb geen leuke dag gehad.
Rol: communicator
IN
3
Ik ben …
Ik ben …
Maak samen een woordenwolk. Schrijf de belangrijke woorden van jullie gesprek op.
©
een leuke dag
ijsje
6
geen leuke dag
gsm
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
+
4 Speel bingo met je klasgenoten! Kijk naar de vragen. Loop rond in de klas. Stel de vragen aan jouw klasgenoten. Zegt jouw klasgenoot JA? Schrijf dan zijn naam onder de vraag. Heb jij een rij vol namen? Roep dan: ‘Bingo!’ B
C
D
E
Heb jij gisteren gedanst?
Heb jij gisteren gelachen?
Heb jij gisteren met een klasgenoot gepraat?
Heb jij gisteren gekookt?
Heb jij gisteren met jouw kinderen gespeeld?
Ben jij gisteren naar de winkel geweest?
Heb jij gisteren een ijsje gegeten?
Ben jij gisteren naar de supermarkt gegaan?
Heb jij gisteren gewerkt?
Heb jij gisteren Nederlands gestudeerd?
Heb jij gisteren een opleiding gevolgd?
Heb jij gisteren gewandeld?
Heb jij gisteren gewinkeld?
Heb jij gisteren water gedronken?
Heb jij gisteren een leuke dag gehad?
Heb jij gisteren naar de tv gekeken?
Heb jij gisteren frietjes gegeten?
Heb jij gisteren leuke dingen gedaan?
Heb jij gisteren kleren gestreken?
Heb jij gisteren een les gevolgd?
Heb jij gisteren iets op internet opgezocht?
3
Heb jij gisteren de tram of de bus genomen?
Heb jij gisteren goed geslapen?
©
4
VA
2
N
1
5
IN
A
Heb jij gisteren een afspraak gemaakt?
Heb jij gisteren kleren gewassen?
Leertip Wil je beter studeren? Studeer soms op een andere plaats, dat helpt.
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
7
5 Een uitnodiging
Tring !
1 Wat hoor je? Ga van 1 naar 7. Schrijf een kruisje X.
Tring!
Tring!
Hassan telefoneert met Pei Le.
AUDIO
1
Hallo, met Pei Le. 2
Hallo, met Hassan. Ik heb een vraag. Wij geven een feest. Mijn dochter is jarig. Sofie en ik gaan trouwen.
3
Dat is leuk. 4
IN
Ja, natuurlijk! Wanneer? Waar?
N
5
Kom jij graag naar ons feest? Kom jij graag naar het verjaardagsfeest? Kom jij graag naar ons trouwfeest?
7
Op 21 juni om 12 uur in Het Werkhuys in Borgerhout.
VA
6
©
Dat is goed. Ik zal er zijn. Ik kom. Bedankt voor de uitnodiging.
2 Studeer. infinitief
8
presens (nu)
perfectum (vroeger)
bedanken
bedank, bedankt, bedanken
hebben bedankt
geven
geef, geeft, geven
hebben gegeven
komen
kom, komt, komen
zijn gekomen
trouwen
trouw, trouwt, trouwen
zijn getrouwd
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3
Herhaal
VIDEO
Ik geef een feest. / Wij geven een feest.
... is jarig. Wij gaan trouwen.
IN
Dat is leuk.
N
Kom jij graag naar mijn / ons feest?
VA
Ja natuurlijk! Wanneer? Waar?
©
Op ... 21 juni ... om ... 12 uur ... in ... het Werkhuys in Borgerhout.
4
Dat is goed. Ik zal er zijn. Ik kom. Bedankt voor de uitnodiging.
Taaltaak Ik geef een feest
Rol: communicator
Jij geeft een feest. Vul in. Welk feest geef jij? Wanneer geef jij een feest? Waar geef jij een feest? Nodig een klasgenoot uit voor jouw feest. Gebruik de spreekkaart op pagina xx.
Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
9
6 Elke dag Nederlands Taaltaak Hip hip hip, hoera!
Rol: communicator
Ken je het lied ‘Lang zal hij / zij leven’ of ‘Lang zullen ze leven’? Mensen zingen het op een feest. Leer het lied en zing het samen. Je vindt het gemakkelijk op YouTube. Dit is de tekst: Lang zal hij leven (2x) Lang zal hij leven in de gloria In de gloria (2x) Hip hip hip, hoera!
©
VA
N
IN
En misschien wil jij ook een feestlied in jouw taal zingen?
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? Wij geven een feest. ... is jarig. ... gaan trouwen.
Kom jij graag naar ons feest? Ja, natuurlijk! Wanneer? Waar? Dat is goed. Ik zal er zijn. Ik kom.
Dat is leuk.
Bedankt voor de uitnodiging.
Werkwoorden Wij hebben samen gedanst. dansen doen Wij hebben leuke dingen gedaan. Heb jij gisteren ijs gegeten? eten geven Hassan en Sofie hebben een feest gegeven. Wij hebben ‘s avonds naar de tv kijken gekeken. Zij heeft spaghetti gekookt. koken Mijn vrouw en ik hebben veel gelachen. lachen Zij heeft haar huiswerk gemaakt. maken nemen Hebben jullie de bus genomen? praten Hij heeft met de leerkracht gepraat. spelen Ik heb piano gespeeld. studeren Heb jij goed gestudeerd? wandelen Jij hebt in het park gewandeld. winkelen Zij hebben in Brussel gewinkeld.
N
De uitnodiging het feest – de feesten iemand uitnodigen jarig zijn het verjaardagsfeest trouwen het trouwfeest
IN
Nieuwe woorden
VA
Preposities aan wandelen aan zee naar zee gaan naar naar de tv kijken naar een feest komen / gaan trouwen met iemand met voor bedanken voor iets
©
VIDEO
gaan zijn
Ik ben gisteren niet naar school gegaan. Zij zijn naar de zee geweest.
Het perfectum met HEBBEN of ZIJN • Zet ‘hebben’ of ‘zijn’ in het begin van de zin. • Zet het andere werkwoord (gelachen / geweest) op het einde van de zin. Wij hebben veel gelachen. Ik ben naar de zee geweest.
Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
11
Uitspraakoefeningen 1 T / D – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. AUDIO
1 =
2
3
4
5
6
7
8
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
1 2 3 4
gestudeerd gekeken genomen gemaakt
5 6 7 8
uitnodigen jarig verjaardagsfeest trouwfeest
9 natuurlijk 10 bedankt
AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje.
IN
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
A / AA
bed...nkt j...-rig
N
het f...st
E / EE
sp...-len
VA
s...-men het w...rk pl...n-ten
het koffiez...t-apparaat
U / UU
EI / IJ
het b...-reau
©
AUDIO
UI
nat...r-lijk de tr...n
de ...t-nodiging het h...s-werk het v...l-nis st...-deren het ...s het magaz...n de ...s-kast ged...l-dig de opl...-ding th...s
12
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
P AUDIO
B
...edankt ...raten het ...ark s...elen de die...vriezer het ...ureau de ...aas de ...oterham het pro...leem ...oven de keels...ray
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de zinnen met een kruisje. Wij geven een feest.
ooOOo
... is jarig.
... o o O
... o O o
... o o O
... o O o
OoO
oOo
Kom jij graag naar ons feest?
oooOOo
OoOooO
Ja, natuurlijk!
OoOo
oooO
Dat is goed.
oOo
OoO
Ik zal er zijn.
oOOo
oooO
Ik kom.
OO
oo
oOooOooo
OooOoooO
... gaan trouwen.
©
VA
Dat is leuk.
N
AUDIO
IN
het ...ezoek
Bedankt voor de uitnodiging.
Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
OOooO
13
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
3 Een leuke dag 1 Zeg het juiste werkwoord: HEBBEN of ZIJN. 1
2
Ik
naar Parijs geweest.
Ik
de metro genomen.
Ik
een mooi weekend gehad.
Jij
gisteren lekker gekookt voor mijn man.
Mijn man 3
lekker gegeten. mijn dochter naar haar vriendin gegaan.
Dit weekend Zij En wat
IN
samen veel gelachen.
zij nog gedaan bij haar vriendin?
Zij en haar vriendin 4
naar de tv gekeken.
Wij
naar Brussel geweest.
Wij
met de politie gepraat.
N
jullie ook naar een advocaat gegaan? Nee, dat
wij niet gedaan.
VA
2 Schrijf het werkwoord correct. Infinitief
Schrijf het werkwoord in het perfectum
bedanken
Wij hebben hem voor de uitnodiging
dansen
Heb jij de chachacha
doen
? .
Zij hebben leuke dingen
drinken
Wij hebben thee
eten
Wat heb jij deze morgen
gaan
Ben jij naar het feest
geven
Ik heb dit jaar geen feest
hebben
Mijn kinderen hebben een leuke tijd
kijken
Mijn zoon heeft de hele nacht tv
koken
Sofie heeft lekker
komen
Wij zijn in 2024 naar België
lachen
In de les hebben we veel
maken
Zij hebben veel plezier
nemen
Heeft Marieke al een douche
opzoeken
Heb je het op de computer
praten
Heb je met de leerkracht
© 14
.
. ? ? . . . . . . . ? ? ? NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Infinitief
Schrijf het werkwoord in het perfectum ?
slapen
Heb je goed
solliciteren
Hassan heeft voor de job
spelen
Zij hebben in de speeltuin
strijken
Hassan heeft zijn hemd
studeren
Hassan heeft al 50 werkwoorden
trouwen
Ben jij
volgen
Ik heb een cursus Nederlands
wandelen
Wij hebben deze namiddag
wassen
Hassan heeft zijn fiets
werken
Zij heeft de hele dag hard
winkelen
Sofie heeft vandaag
zijn
Ben je naar de winkel
. . . .
? . . . . .
IN
?
4 Wat heb jij gisteren gedaan?
Gisteren
VA
N
Maak een kleine tekst. Gebruik het perfectum zoals in het voorbeeld. Maak een tekening bij jouw tekst. Toon jouw tekening aan de klas. Jouw klasgenoten raden: wat heb jij gedaan?
Ik heb gefeest. Ik ben ziek geweest. Ik heb te veel taart gegeten!
©
Gisteren Ik ...
Thema 8 – Wil jij met mij trouwen?
15
Liedje 1 Luister naar het liedje. Lees de tekst. Vul de woorden in. AUDIO
WIL JIJ? Dag schat, ik moet je iets vragen. Wil je met mij leven, alle dagen van mijn leven?
En oh, oh, schat. Ik wil blijven lachen. Ik wil blijven dansen. Dat gaat zo goed met jou.
Oh, oh, schat, ik moet het je Ik kan niet meer wachten. Ik moet het weten!
(man:) (vrouw:) (samen:)
IN
.
(vrouw:)
Dus wil jij met mij trouwen? Ik wil met jou trouwen! Oh, oh, zij zegt ja, ik ben zo blij, ze trouwt straks met mij! . Trouw met
VA
Dag schat! We hebben veel gelachen. We hebben veel gedanst en we hebben veel
(man:) (vrouw:) (man:)
N
Wil jij met mij trouwen? Ik wil met jou Want ik hou van jou. Jij houdt van mij!
.
Dus wil jij met mij trouwen? . Ik wil met jou Want ik hou van jou. . Jij houdt van
.
2 Waarover gaat het liedje? Schrijf een kruisje X. Er is maar één correct antwoord!
©
Het liedje gaat over het weer. Het liedje gaat over kinderen. Het liedje gaat over België. Het liedje gaat over familie. Het liedje gaat over politiek. Het liedje gaat over liefde.
16
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
9
Aan de schoolpoort
Dit leer ik. • Ik begrijp informatie over kinderen en scholen. • Ik spreek over de school van mijn kind. • Ik vertel over wat ik doe met mijn kind. • Ik telefoneer naar de school van mijn kind en zeg dat hij / zij ziek is.
1 Kan jij Eefje ophalen? Zij kan Eefje niet ophalen van school. Zij vraagt Hassan om Eefje op te halen. Hassan gaat naar de school van Eefje. Hij vraagt informatie over de school. Hij haalt Eefje op.
N
VIDEO
IN
1 Sofie moet werken.
©
1
VA
2 Schrijf het nummer van de foto.
3
2
4
Hoe gaat het? Goed, dank u. En hoe gaat het met u?
Soms ga ik met mama naar de speeltuin.
In België gaan alle kinderen naar de kleuterschool als ze 2,5 jaar zijn.
Dikwijls krijg ik van mijn mama een ijsje.
Thema 9 – Aan de schoolpoort
één
1
2 De basisschool 1 Luister naar het gesprek.
Maria Gonzalez gaat haar zoon en dochter inschrijven in de basisschool. Vul aan.
AUDIO
Hoe oud is de zoon van Maria?
jaar
Hoe oud is de dochter van Maria?
jaar
2 Wat is correct? Onderstreep. De zoon van Maria gaat naar de ...
kleuterschool / lagere school.
De dochter van Maria gaat naar de ... kleuterschool / lagere school.
3 Luister nog een keer. Wat is correct? Schrijf een kruisje X.
4 Vul de informatie in. de kleuterklas
voor kinderen van
tot
de lagere school
voor kinderen van
jaar tot
VA
W
N
IN
Kinderen leren in de kleuterklas lezen en schrijven. Kinderen leren in de kleuterklas met andere kinderen spelen. Kinderen leren in de kleuterklas Nederlands. Kinderen leren in de kleuterklas Frans. Kleuters moeten elke dag naar school gaan. Het is belangrijk dat kleuters elke dag naar school gaan. Kinderen van 6 tot 18 moeten naar school gaan.
jaar jaar
5 Vul de prepositie in.
Kleuters moeten niet elke dag naar De dochter
school gaan.
Maria is zeven jaar. andere kinderen.
Kinderen moeten van 6
18 jaar naar school gaan.
©
Kinderen spelen graag
Taaltaak De basisschool in België
6
Rol: opvoeder / communicator
Spreek met jouw klasgenoten. Zoek de woorden op. • • • •
Wat doen de kinderen in de kleuterklas in België? Wat doen de kinderen in de kleuterklas in jouw land? Wat doen de kinderen in de lagere school in België? Wat doen de kinderen in de lagere school in jouw land?
Schrijf sleutelwoorden in de woordenwolk.
2
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
IN
N
Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
VA
Leertip
©
Begrijpen de mensen jou niet goed? Misschien zeg jij de klanken niet goed. Vraag aan de leerkracht welke klanken jij moet oefenen. Oefen de klanken op iDiddit.be.
Thema 9 – Aan de schoolpoort
3
3 De eerste, de tweede, de derde 1 Combineer de cijfers en de letters, zoals in het voorbeeld. de kleuter
A
een school voor de kinderen van 2,5 tot 6 jaar
2
de kleuterschool
B
de derde kleuterklas
3
de 1e kleuterklas
C
de tweede kleuterklas
4
de 2e kleuterklas
D
het vierde leerjaar
5
de 3e kleuterklas
E
het zesde leerjaar
6
de lagere school
F
een kind van 2,5 tot 6 jaar
7
het 1e leerjaar
G
het vijfde leerjaar
8
het 2e leerjaar
H
een school voor de kinderen van 6 tot 12 jaar
9
het 3e leerjaar
I
het derde leerjaar
10
het 4e leerjaar
J
de eerste kleuterklas
11
het 5e leerjaar
K
12
het 6e leerjaar
L
1
2
2 Studeer.
1 – één – de eerste
©
DE: van 2 tot 19 2 – twee – de tweede 3 – drie – de derde 4 – vier – de vierde 5 – vijf – de vijfde 6 – zes – de zesde 7 – zeven – de zevende 8 – acht – de achtste 9 – negen – de negende 10 – tien – de tiende 11 – elf – de elfde 12 – twaalf – de twaalfde 13 – dertien – de dertiende 14 – veertien – de veertiende 15 – vijftien – de vijftiende 16 – zestien – de zestiende 17 – zeventien – de zeventiende 18 – achttien – de achttiende 19 – negentien – de negentiende
4
5
het eerste leerjaar
6
VA
F
4
het tweede leerjaar
7
N
3
IN
1
8
9
10
11
12
STE: van 20 tot 100 20 – de twintigste 21 – de éénentwintigste 22 – de tweeëntwintigste … 30 – de dertigste 40 – de veertigste 50 – de vijftigste 60 – de zestigste 70 – de zeventigste 80 – de tachtigste 90 – de negentigste 100 – de honderdste
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
3 Werk samen met een klasgenoot. Zeg de rangtelwoorden in de rij. Je klasgenoot controleert met het studeerkader. De volgende rij is voor jouw klasgenoot. 1 / 3 / 5 / 7 / 9 / 11 / 13 / 14 / 15 / 17 / 19 / 21 / 23 / 35 / 47 / 59 / 61 / 73 / 85 / 97 2 / 4 / 6 / 8 / 10 / 12 / 14 / 16 / 18 / 20 / 22 / 24 / 36 / 48 / 50 / 62 / 74 / 86 / 98 / 100 Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
4 Een zondag met de kinderen in de speeltuin spelen (1) (2) koekjes bakken (3) televisie kijken
IN
1 Luister naar de conversaties.
Wat is het? Schrijf het nummer bij de foto.
2 Studeer. infinitief bakken kijken
W
presens (nu)
perfectum (vroeger)
bak, bakt, bakken
hebben gebakken
kijk, kijkt, kijken
hebben gekeken
speel, speelt, spelen
hebben gespeeld
©
spelen
VA
N
AUDIO
3 Luister nog een keer naar de conversaties van oefening 1. Vul in: altijd / soms / nooit / vaak.
Op zondag ga ik
soms met mijn kinderen naar de speeltuin.
Op zondag bak ik
koekjes met mijn kinderen.
Wij kijken op zondag
samen naar de televisie. In het weekend hebben zij
huiswerk. Waar zet jij het op de tijdlijn? soms / altijd / vaak / nooit
Thema 9 – Aan de schoolpoort
5
4 Lees en vul in. Nederlands
Engels
Frans
nooit
never
jamais
soms
sometimes
parfois
vaak
often
souvent
altijd
always
toujours
Jouw taal
5 Kijk naar de video. VIDEO
Welke leuke dingen doen zij met de kinderen? Noteer enkele sleutelwoorden.
6 Luister nog een keer naar de conversaties van oefening 1. a Vul in: een goed idee / fijn / leuk. dat jij op zondag met jouw kinderen naar de speeltuin gaat.
Het is
dat jij op zondag met jouw kinderen koekjes bakt.
Het is
dat jij samen met de kinderen naar de televisie kijkt.
IN
Het is
b Wat is het negatief? Schrijf: niet of geen. Het is
fijn.
Het is
goed idee.
Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1. thema 10: niet en geen.
N
leuk.
VA
G
Het is
Plaats van subject en werkwoord in de zinnen De hoofdzin
• het subject: plaats 1 • het werkwoord: plaats 2
Weet je nog? Nieuw TaalRecht 1.1. thema 4: inversie.
• het subject: plaats 3 • het werkwoord: plaats 2
De bijzin met DAT
• het subject: plaats 1 • het werkwoord: achteraan
©
De inversiezin
1
2
3
achteraan
hoofdzin
Ik
ga
op zondag
...
inversiezin
Op zondag
ga
ik
...
bijzin met DAT
... dat jij
op zondag
...
gaat.
Weet je nog? Thema 2: omdat met een bijzin Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
6
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
7 Zeg de bijzin: het subject vooraan / het werkwoord achteraan.
Zeg het pronomen en het werkwoord correct, zoals in het voorbeeld. Op maandag ga ik vaak naar de supermarkt. Het is een goed idee dat jij op maandag vaak naar de supermarkt gaat. Elke dag drinkt mijn man een glas wijn. Het is geen goed idee dat ... Wij bezoeken vaak onze familie in Duitsland. Het is leuk dat ... Op zaterdag maakt mijn vriendin altijd spaghetti. Het is fijn dat ... De leerkracht leest op woensdag de teksten van de cursisten. Het is een goed idee dat ...
IN
8 Maak de A/B-oefening met een klasgenoot.
Klasgenoot A
N
Lees de zin. Reageer op de zin van jouw klasgenoot. Controleer je klasgenoot met de schuingedrukte zin. Ben je klaar? Wissel dan van rol.
Klasgenoot B
VA
1 Op zondag kijk ik vaak met mijn vrienden naar een film.
2 Het is leuk dat ...
3 ... jij op zondag vaak met jouw vrienden naar een film kijkt.
1 Wij eten op woensdag soms frietjes.
2 Het is leuk dat ...
©
3 ... jullie op woensdag soms frietjes eten. 1 Op vrijdag ga ik met mijn buurman naar de moskee.
2 Het is fijn dat ...
3 ... jij op vrijdag met jouw buurman naar de moskee gaat. 1 Op zaterdag is onze winkel nooit open. 2 Het is niet fijn dat ... 3 ... jullie winkel op zondag nooit open is. 1 Wij fietsen elke dag naar het werk. 2 Het is een goed idee dat ... 3 ... jullie elke dag naar het werk fietsen. 1 De cursisten hebben op zondag geen les. 2 Het is een goed idee dat ... 3 ... de cursisten op zondag geen les hebben.
Thema 9 – Aan de schoolpoort
7
Klasgenoot A
Klasgenoot B 1 De bus rijdt op zondag niet.
2 Het is geen goed idee dat ... 3 ... de bus op zondag niet rijdt. 1 Ik luister op de tram altijd naar Nederlands. 2 Het is fijn dat ... 3 ... jij op de tram altijd naar Nederlands luistert. 1 In het weekend komt mijn dochter niet uit haar bed. 2 Het is niet leuk dat ... 3 ... jouw dochter in het weekend niet uit haar bed komt. 1 Wij studeren graag. 2 Het is fijn dat ...
9
IN
3 ... jullie graag studeren.
Taaltaak Wat doe jij?
Rol: communicator
VA
N
a Kies een dag: zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag of zondag. Wat doe jij op die dag? Vertel het aan je klasgenoten. Maak een mooie hoofdzin of inversiezin. Gebruik nooit / soms / vaak / altijd. b Reageer op jouw klasgenoot. ‘Het is leuk / niet leuk, fijn / niet fijn, een goed idee / geen goed idee DAT ...’ Maak een mooie bijzin.
©
5 Mijn kind is ziek
1 Luister naar het telefoongesprek. Schrijf een kruisje X. AUDIO
8
Wat is de familienaam van Sofie?
Kubus Peeters Verbrugge
Wat is de familienaam van Eefje?
Kubus Peeters Verbrugge
In welk leerjaar zit Eefje?
in het eerste leerjaar in het derde leerjaar in het vijfde leerjaar
Hoeveel dagen moet Eefje thuisblijven?
1 dag 2 dagen 5 dagen
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
2 Werk samen met een klasgenoot. Ga van 1 naar 10. Lees het gesprek. Vul in: ... Wissel dan van rol. De school
De ouders
1 Hallo, met basisschool De Kubus. 2 Goedemorgen, met Sofie Peeters. Mijn dochter is ziek. Zij kan niet naar school komen. 3 Wat is haar naam? 4 Haar naam is Eefje Verbrugge. 5 En in welk leerjaar zit uw dochter? 6 Zij zit in het derde leerjaar. 7 Hoelang moet zij thuisblijven? 8 Zij moet 2 dagen thuisblijven.
IN
9 Oké. Bedankt voor het bellen. Dag.
10 Dag.
1 Hallo, met ... De Kubus.
3 Wat is haar naam?
N
2 Goedemorgen, met Sofie Peeters. Mijn dochter is ... Zij kan niet ... 4 ... Eefje Verbrugge.
5 En in welk ... zit uw dochter?
VA
6 Zij ... in het derde leerjaar.
7 Hoelang moet zij ...?
8 Zij ... 2 ... thuisblijven.
9 Oké. ... voor het bellen. Dag.
10 Dag.
3 Jij bent ziek. Jij belt naar de school. Welke zinnen zeg jij?
©
Kijk naar het voorbeeld.
– Met het CVO.
– Goedemorgen. Ik ben ziek. Ik kan niet naar school komen. – Wat is uw naam? – – En in welke module zit u? – – En wie is uw leerkracht? – – En hoelang moet u thuisblijven? – – Bedankt voor het bellen!
Thema 9 – Aan de schoolpoort
9
4 Studeer. infinitief
presens (nu)
perfectum (vroeger)
thuisblijven
blijf, blijft, blijven ... thuis
zijn thuisgebleven
zitten
zit, zit, zitten
hebben gezeten
5
Herhaal
VIDEO
Hallo, met ... de basisschool, het CVO. Goedemorgen, met ...
IN
Ik ben ziek. Mijn ... zoon, dochter, man, vrouw ... is ziek. Ik / hij / zij kan niet naar school komen.
N
– Wat is uw / zijn / haar naam? – Mijn / zijn / haar naam is ...
VA
– In ... welk leerjaar / welke module ... zit u / hij / zij? – Ik / hij / zij zit in ... het derde leerjaar, module 1.2.
©
– Hoelang moet u / hij / zij thuisblijven? – Ik / hij / zij moet ... 3 dagen ... thuisblijven.
6
Bedankt voor het bellen.
Taaltaak Ik moet thuisblijven
Rol: opvoeder / cursist
Werk samen met een klasgenoot. Je werkt voor een school of je belt naar de school. Kies een rol. Jouw kind is ziek. Bel naar de school. • opvoeder • cursist Jij bent ziek. Bel naar de school. Gebruik de spreekkaart op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online.
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
6 Elke dag Nederlands Taaltaak Mag ik iets vragen?
Rol: opvoeder / cursist
Kies a, b of c. Stel de vraag en maak zelf ook nog een vraag. Noteer het antwoord met sleutelwoorden. Spreek er dan over met je klasgenoten. a Spreek met ouders van een andere school dan de school van jouw kind. • Is deze school een goede school? Waarom? Waarom niet? • Mijn vraag: Antwoord:
b Spreek met een kind.
IN
• Ga jij graag naar school? Waarom? Waarom niet? • Mijn vraag: Antwoord:
N
c Spreek met een cursist van een andere klas.
• Is jouw leerkracht een goede leerkracht? Waarom? Waarom niet?
VA
• Mijn vraag: Antwoord:
©
Thema 9 – Aan de schoolpoort
11
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? VIDEO
Met de basisschool. Met het CVO. Goedemorgen. Ik ben ziek. / Mijn zoon, dochter is ziek. Ik / hij / zij kan niet naar de school komen. Wat is uw / zijn / haar ... naam? Mijn / zijn / haar naam is ...
In welk leerjaar zit hij / zij? Hij / zij / zit in het ... leerjaar. In welke module zit u? Ik zit in module 1.2. Hoelang moet u / hij / zij thuisblijven? Ik / hij / zij moet ... dagen thuisblijven. Bedankt voor het bellen.
Nieuwe woorden De basisschool de kleuter de kleuterklas de kleuterschool de lagere school het leerjaar
IN
Adjectieven en adverba een goed idee ↔ geen goed idee fijn ↔ niet fijn leuk ↔ niet leuk
N
soms nooit vaak altijd
VA
Preposities naar school gaan naar met met andere kinderen spelen van van 6 tot 18 jaar
©
Werkwoorden bakken Op zondag bak ik koekjes. kijken Heb je veel televisie gekeken? De kinderen hebben in de spelen speeltuin gespeeld. zitten In welke module zit jij?
Haal jij de kinderen vandaag op? ophalen thuisblijven Ik blijf 3 dagen thuis.
12
Tellen 1 – de eerste 2 – de tweede 3 – de derde 4 – de vierde 5 – de vijfde 6 – de zesde 7 – de zevende 8 – de achtste 9 – de negende 10 – de tiende 11 – de elfde 12 – de twaalfde 13 – de dertiende 14 – de veertiende
15 – de vijftiende 16 – de zestiende 17 – de zeventiende 18 – de achttiende 19 – de negentiende 20 – de twintigste 30 – de dertigste 40 – de veertigste 50 – de vijftigste 60 – de zestigste 70 – de zeventigste 80 – de tachtigste 90 – de negentigste 100 – de honderdste
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
De hoofdzin, de inversiezin, de bijzin • hoofdzin • inversiezin • bijzin
subject op plaats 1, werkwoord op plaats 2 subject op plaats 3, werkwoord op plaats 2 subject op plaats 1, werkwoord achteraan 1
2
3
achteraan
hoofdzin
Ik
kijk
op zondag
naar de televisie.
inversiezin
Op zondag
kijk
ik
naar de televisie.
bijzin (Ik wil u laten weten) DAT
ik
op zondag
naar de televisie
kijk.
IN
Uitspraakoefeningen
1 V / W – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. 1 =
2
3
5
6
7
4
N
AUDIO
8
1 2 3 4
VA
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
kleuter leerjaar speeltuin ophalen
5 6 7 8
thuisblijven idee altijd dertiende
9 twintigste 10 honderdste
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de woorden met een kruisje.
©
AUDIO
EU
UI
de direct...r
de speel-t...n de ...-ro ...t-nodigen l...k l...d de kl...-ter
Thema 9 – Aan de schoolpoort
13
AUDIO
+S
-S
V
W
thuis...-blijven twintig...te der...-de het leer...-jaar de tele...-visie ...tu-deren acht...te ge...peeld de ...paghetti
t...in-tig
IN
AUDIO
blij-...en dik-...ijls het huis-...erk de ...akantie de diep-...riezer
VA
...erkouden
N
de ...erjaardag
het la-...aai ‘s a-...onds ...elke
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
14
Oefen de zinnen met een kruisje.
©
AUDIO
Met basisschool ...
O O o O ...
o o o O ...
Goedemorgen, met ...
O o O o O ...
o O o O o ...
Mijn dochter is ziek.
oOooo
OOooO
Zij kan niet naar school komen.
OoOoOOo
oOooooO
Wat is haar naam?
ooOo
OooO
Haar naam is ...
O o o ...
O O o ...
In welk leerjaar zit ...?
o O O o o ...
o o o o O ...
Zij zit in het ... leerjaar.
O O o o ... O O
o o O O ... o o
Hoelang moet zij thuisblijven?
oooOoOO
OOooOOo
Zij moet ... dagen thuisblijven.
O O ... O o O O o
o O ... o O o o O
Bedankt voor het bellen.
oOooOo
OooOoO
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
3 De eerste, de tweede, de derde Leg een blad op de rechterkolom en op de blauwe kolom. Lees de zin en schrijf de cijfers. Controleer. Leg dan een blad op de linkerkolom. Zeg de zin. Controleer. Correct 18 1
Op mijn 18e verjaardag gaf mijn vader mij mijn 1e auto.
Mijn honderdste verjaardag is op de negenentwintigste oktober tweeduizend vijfennegentig.
100 29 2095
Mijn 100e verjaardag is op de 29e oktober 2095.
De derde van de maand betaalt mijn baas mij. Op de dertigste december geeft hij mij nog een dertiende maandloon extra.
3 30 13
De 3e van de maand betaalt mijn baas mij. Op de 30e december geeft hij mij nog een 13e maandloon extra.
75
Op de 75e verjaardag van mijn grootmoeder was het feest. Zij heeft 17 kleinkinderen. Ik ben het 14e kleinkind.
IN
Op mijn achttiende verjaardag gaf mijn vader mij mijn eerste auto.
N
Op de vijfenzeventigste verjaardag van mijn grootmoeder was het groot feest. Zij heeft zeventien kleinkinderen. Ik ben het veertiende kleinkind.
VA
17 14
Mijn vader is geboren in de twintigste eeuw, op de eerste dag van het jaar.
20 1
Mijn vader is geboren in de 20e eeuw, op de 1e dag van het jaar.
4 Een zondag met de kinderen
©
1 Onderstreep het subject en het werkwoord.
Noteer: is het een hoofdzin (H) of een inversiezin (Inv.)? Kijk naar het voorbeeld. 1
Wij eten op vrijdag vaak vis.
(H)
2
Op zondag kijken mijn ouders altijd naar de tv.
3
De kinderen fietsen op woensdagmiddag naar hun oma.
4
Op woensdagavond kook ik vaak pasta.
5
Mijn vrouw werkt op maandag nooit.
6
Op dinsdag komt de vriendin van mijn vader op bezoek.
7
De dochter van mijn vriendin studeert elke dag Nederlands.
8
Mijn zoon voetbalt op zaterdag in Antwerpen.
9
Op mijn verjaardag eet ik altijd taart.
10 Op donderdag gaan mijn vriend en ik soms naar de fitness.
Thema 9 – Aan de schoolpoort
15
2 Maak van de inversiezinnen een hoofdzin. Maak van de hoofdzinnen een inversiezin. Kijk naar het voorbeeld.
1
Op vrijdag eten wij vaak vis.
2
3
4
5
6
7
8
9
10
Het is (niet) fijn dat ...
Het is (geen) een goed idee dat ...
©
VA
N
Het is (niet) leuk dat ...
IN
3 Kies drie zinnen uit en maak een bijzin.
16
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Liedje 1 Luister naar het liedje. Lees de tekst. Vul de woorden in. AUDIO
FAMILIE De broer van mijn vrouw dat is mijn . Ja, schoonfamilie krijg je er gratis bij. Zo heb ik in totaal heel veel broers, want mijn vrienden lijken ook broers van mij.
Familie kan je niet zo snel vergeten. Familie blijft familie voor altijd. Soms wil je even niets meer van hen weten, maar later wil je toch weer bij hen zijn.
Familie kan je niet zo snel Familie blijft familie voor altijd. Soms wil je even niets meer van hen weten, maar later wil je toch weer bij hen zijn. Soms wil je even niets meer van hen weten, maar later wil ik toch weer bij hen zijn.
.
IN
De vader van mijn vader is mijn . De dochter van mijn moeder is mijn zus. De nonkel van mijn zoontje is mijn broer en de kleinzoon van mijn oma ben ik dus!
N
2 Waarover gaat het liedje? Schrijf een kruisje X. Er is maar één correct antwoord!
VA
Het liedje gaat over het weer. Het liedje gaat over kinderen. Het liedje gaat over België. Het liedje gaat over familie. Het liedje gaat over politiek. Het liedje gaat over liefde.
4 Heb jij een grote of
©
een kleine familie? Spreek over jouw familie.
Thema 9 – Aan de schoolpoort
17
©
VA
N
IN
Hier kan je notities maken.
18
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
THEMA
10
Naar de meubelwinkel
Dit leer ik. • Ik zeg wat ik mooi vind. • Ik zeg welke kleur iets is. • Ik spel mijn naam en mijn adres. • Ik noteer een naam en een adres. • Ik begrijp en gebruik enkele zinnen van elke dag.
IN
1 Naar de meubelwinkel 1 Sofie en Hassan gaan naar de meubelwinkel. Zij kopen een nieuw bed. Hassan spreekt met de verkoper. De winkel zal het bed leveren.
N
VIDEO
2 Schrijf het nummer van de foto.
4
VA
2
©
1
5
3
6
Wat ben je aan het doen? Ik ben aan het schilderen.
Is dit geen dure winkel? Nee. Er zijn ook goedkope dingen!
Hoe laat spreken we af? Om twee uur? Waar spreken we af? Bij jou thuis? Tot straks!
Mag ik iets vragen? Natuurlijk.
Thema 10 – Naar de meubelwinkel
Zo’n mooie zetel! Zo mooi en zo zacht! Dit bed is mooi, niet te groot, niet te klein, het is niet hoog, het is laag, en ... het is ook niet te duur. Het is goedkoop. 1
2 Dat vind ik mooi 1 Luister naar het gesprek. Wat kopen Sofie en Hassan? Onderstreep. AUDIO
het zwarte bed het grijze bed het bruine bed
gele kussens paarse kussens oranje kussens
2 Welke kleur is het?
Schrijf het nummer bij de kleur. grijs (3) bruin (4)
rood (5) blauw (6)
geel (7) groen (8)
paars (9) oranje (10)
VA
N
wit (1) zwart (2)
IN
W
een rood dekbed een blauw dekbed een groen dekbed
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
©
3 Luister nog een keer naar het gesprek van oefening 1. Wie kiest het? Onderstreep.
het bed Sofie / Hassan het dekbed Sofie / Hassan de kussens Sofie / Hassan
3 Ik zie graag ... 1 Luister nog een keer naar de conversatie. Vul de kleuren in. AUDIO
2
Hassan
Ik vind het
Sofie
Ja, dat is een heel mooi bed.
Maar ik vind het
Hassan
Oké, dan kopen wij het
bed mooi. Wat vind jij? bed mooier. bed.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Sofie
Ik zie graag een
dekbed. En jij?
Hassan
Ik zie liever een
of een
Sofie
Oké, dan kopen wij een
Hassan
Wat zie jij graag?
Zie jij graag
Sofie
Dat zijn mooie kussens, die
Zullen wij de
Hassan
Oké!
dekbed. dekbed.
kussens of
kussens? kussens.
kussens kopen?
2 Studeer. infinitief
presens (nu)
perfectum (vroeger)
koop, koopt, kopen
hebben gekocht
vinden
vind, vindt, vinden
hebben gevonden
G
De kleuren zijn adjectieven. Een adjectief zeg je vaak met een E.
IN
kopen
Ik zie graag een groene zetel. Ik zie graag die groene zetel. De zetel is groen.
N
DE-woorden: DE zetel • niet specifiek: een groene zetel • specifiek: de / deze / die groene zetel
Ik zie graag een zwart bed. Ik zie graag dat zwarte bed. Het bed is zwart.
VA
HET-woorden: HET bed • niet specifiek: een zwart bed • specifiek: het / dit / dat zwarte bed
Weet je nog?
Flexie van het adjectief heb je gezien in thema 4. De comparatief heb je gezien in thema 5.
©
3 Schrijf de kleur juist.
de stoel Vind jij de
stoel mooi?
Ja, ik vind de stoel heel mooi.
de zetel Wij kopen de Oké.
de tafel Is het een
tafel?
Ja, de tafel is
.
Thema 10 – Naar de meubelwinkel
zetel.
de lamp Zie jij die
lamp graag?
Ja, heel graag. 3
de kast Een
het tapijt
kast is niet praktisch.
Nee, dat vind ik ook niet.
Kopen wij een
tapijt?
Oké, maar dit
tapijt vind ik
niet mooi.
het kussen
het gordijn
kussen mooi?
Dit zijn
gordijnen.
Ja, ik vind de
kleur heel mooi.
O, mooi! Mijn gordijnen zijn ook
IN
Vind jij een
.
4
Herhaal
VIDEO
N
Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx.
VA
Wat zie jij graag? Wat vind jij mooi? Vind jij ... het zwarte bed ... mooi?
©
Ik vind ... het zwarte bed ... (heel) mooi. Ik zie ... het zwarte bed ... (heel) graag.
Ik vind ... het bruine bed ... mooier. Ik zie liever ... het bruine bed. Ik zie ... het bruine bed ... liever.
Zullen wij ... kopen? Oké, dan kopen wij ...
4
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
5
Taaltaak Wij wonen samen
Rol: consument
Spreek met enkele klasgenoten. Jullie gaan samenwonen. Maar jullie hebben geen meubelen. Kies één kamer: de woonkamer, de slaapkamer, de kinderkamer, de badkamer, de keuken. Jullie willen die kamer inrichten. • Welke meubelen kopen jullie? Welke kleur? • Welke voorwerpen kopen jullie? Welke kleur?
6 Kijk naar de video.
4 Wij leveren uw bed
IN
Wie heeft hetzelfde favoriete meubel? Vertel over jouw favoriete meubel.
VIDEO
1 Ken je het alfabet nog? Luister en zeg na. aa
B
bee
C
see
D
dee
E
ee
F
ef
G
gee
H
haa
I
ie
J
jee
K
kaa
L
el
M
em
N
en
O
oo
P
pee
Q
kuu
R
er
S
es
T
tee
U
uu
V
vee
W wee
X
iks
Y
ipsilon
Z
zet
N
A
VA
AUDIO
2 Luister en noteer de naam en het adres van Hassan.
AUDIO
Voornaam:
©
Naam:
W
Adres:
3 Wat is het? Trek een lijn. het huisnummer • het busnummer • het postnummer •
• 2000 • 12 •4
4 Studeer. infinitief
presens (nu)
perfectum (vroeger)
leveren
lever, levert, leveren
hebben geleverd
noteren
noteer, noteert, noteren
hebben genoteerd
Thema 10 – Naar de meubelwinkel
5
5 Luister naar de tekst. Schrijf de naam van de stad. Schrijf het postnummer bij de stad. Dit zijn belangrijke steden in Vlaanderen.
AUDIO
A
B
G
H
B
L
Taaltaak Mijn naam en adres
IN
6
Rol: administrator / consument
VA
N
Werk samen met twee klasgenoten. Spel jouw naam en adres. Noteer de naam en het adres van jouw klasgenoten. Kijk en corrigeer. Heb jij de naam en het adres van jouw klasgenoten correct geschreven? KLASGENOOT 1
Voornaam:
Naam:
©
Adres:
KLASGENOOT 2
Voornaam: Naam: Adres:
Leertip Denk jij soms in het Nederlands? Als je een taal leert, is het ook belangrijk dat je niet blijft vertalen. Probeer daarom soms in het Nederlands te denken. Begin met kleine dingen. Veel succes! Vind je dit moeilijk? Maak dan een blauwe oefening op pagina xx. Vind je dit gemakkelijk? Maak dan een gele oefening online. 6
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
5 Slaap Lekker! 1 Waar hoor jij dit? Onderstreep. Slaap lekker! Ga zitten! Eet smakelijk! Goed gewerkt!
in een kantoor / in de keuken / in de slaapkamer / in de woonkamer in een kantoor / in de keuken / in de slaapkamer / in de woonkamer in een kantoor / in de keuken / in de slaapkamer / in de woonkamer in een kantoor / in de keuken / in de slaapkamer / in de woonkamer
2 Spreek met jouw klasgenoten. Wanneer zeg jij dit? Tegen wie zeg jij dit? Zeg jij dit in jouw taal? Zeg jij dit in het Nederlands? Hoe zeg jij dit in jouw taal? Schrijf het erbij.
IN
• • • • •
Goed gewerkt!
VA
Ga zitten!
Eet smakelijk!
N
Slaap lekker!
3 Wat zeg jij tegen jouw klasgenoten
©
op het einde van de cursus 1.2?
Thema 10 – Naar de meubelwinkel
7
6 Elke dag Nederlands Taaltaak Taal voor elke dag
Rol: communicator
Dit zijn twintig uitdrukkingen die je in 1.2. geleerd hebt. • Gebruik de uitdrukkingen ook buiten de les. • Schrijf een kruisje bij de uitdrukkingen die je gebruikt. Heb je twintig kruisjes? Proficiat! Wablieft? Ik versta u niet.
Ga zitten.
Kan ik u helpen?
Hoe gaat het?
Waar vind ik ...?
Tot morgen.
IN
Kom binnen!
Excuseer, mag ik iets vragen?
VA
Aangenaam!
Wat eet je graag?
N
Alles goed?
Ik heb een vraag.
Waar is het toilet?
Dank u voor de informatie.
Wat moet ik doen?
© 8
Wat drink je graag?
Het spijt me.
Ja, natuurlijk!
Dat is goed.
Bedankt.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
Dit kan ik
Wil je de video van de uitspraak bekijken? Wil je een vertaling opzoeken? Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
Hoe zeg je het? Slaap lekker! Ga zitten! Eet smakelijk! Goed gewerkt!
Wat zie jij graag? ... of ...? Ik zie graag ... Ik zie liever ...
Nieuwe woorden
De kleuren wit zwart grijs bruin rood blauw geel groen paars oranje
VA
N
Het alfabet A (aa) – B (bee) – C (see) – D (dee) – E (ee) – F (ef) – G (gee) – H (haa) – I (ie) – J (jee) – K (kaa) – L (el) – M (em) – N (en) – O (oo) – P (pee) – Q (kuu) – R (er) – S (es) – T (tee) – U (uu) – V (vee) – W (wee) – X (iks) – Y (ipsilon) – Z (zet)
IN
Wat vind jij mooi? ... of ...? Ik vind ... mooi. Ja, dat is mooi. Dat is een mooi ... / mooie ... Ik vind ... mooier.
De meubelen het dekbed – de dekbedden het gordijn – de gordijnen de kast – de kasten het kussen – de kussens de lamp – de lampen de stoel – de stoelen de tafel – de tafels het tapijt – de tapijten de zetel – de zetels
©
VIDEO
Werkwoorden leveren Wij leveren uw bed. noteren Ik heb uw adres genoteerd.
Adjectieven: flexie DE-woorden: DE zetel • niet specifiek: een groene zetel • specifiek: de / deze, die groene zetel
Ik zie graag een groene zetel. Ik zie graag die groene zetel. De zetel is groen.
HET-woorden: HET bed • niet specifiek: een zwart bed • specifiek: het / dit, dat zwarte bed
Ik zie graag een zwart bed. Ik zie graag dat zwarte bed. Het bed is zwart.
Thema 10 – Naar de meubelwinkel
9
Uitspraakoefeningen 1 UI / EU – Hoor je dezelfde klank? Schrijf = of ≠. AUDIO
1 ≠
2
3
4
5
6
7
8
2 Onderstreep het woordaccent. AUDIO
1 2 3 4
ipsilon zetel tafel tapijt
5 6 7 8
kussen gordijn dekbed oranje
9 leveren 10 noteren
AUDIO
Oefen de woorden met een kruisje. het b...d k...s-ten de w...n-kel d...n-sen
I
O
U
VA
v...l-gen
E
N
A
IN
3 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
het ged...ld de j...b
dr...n-ken gez...nd l...k-ker
©
r...s-ten l...cht
het voetb...l
+ doffe E AUDIO
- doffe E
kasten zes oranje smakelijk het tapijt het dekbed gewerkt
10
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
+ doffe E
- doffe E
TS
ST
het kussen mooie
AUDIO
de ka... de ...oel rech... gewee... ko... ach...te ru...en
Slaap lekker!
OOo
IN
Ga zitten!
OoO
OOo
OOoo
ooOO
oOo
OoO
Wat zie jij graag?
ooOO
oooo
Ik zie graag ...
o o o ...
O o o ...
Ik zie liever ...
o o O o ...
o o o O ...
Wat vind jij mooi?
ooOO
oooo
Ik vind ... mooi.
o o ... o
O O ... O
©
de fie...
Ja, dat is mooi.
OooO
oOOo
Dat is een mooie ...
O o o O o ...
o O O o O ...
Ik vind ... mooier.
o o ... o O
O O ... O o
4 Wat hoor je? Zet een kruisje X.
Oefen de zinnen met een kruisje.
Eet smakelijk!
VA
Goed gewerkt!
N
AUDIO
Thema 10 – Naar de meubelwinkel
ooO
11
Ik oefen extra
Wil je verder oefenen? Ga naar iDiddit.
2 Dat vind ik mooi Welke kleur hoort erbij? Lees en zoek de moeilijke woorden op. Zeg de kleur. 1
De zon schijnt. De lucht is
.
2
Het regent. De lucht is
3
De kleur van de liefde is
4
Er is geen maan. De nacht is
5
Het gras is
6
De stam van de boom is
7
Een citroen is
8
Een sinaasappel is
9
Een pruim is
.
10 Tandpasta is
.
. . . . .
N
.
IN
.
VA
3 Ik zie graag ... Zeg het adjectief correct. HET bed / zwart een het
bed
een
stoel
bed
de
stoel
bedden
de
stoelen
©
de
DE stoel / groen
Het bed is
De stoel is
.
HET kussen / geel
DE tafel / bruin
een
kussen
een
tafel
het
kussen
de
tafel
de
kussens
de
tafels
Het kussen is
.
HET tapijt / rood
De tafel is
.
HET gordijn / blauw
een
tapijt
een
gordijn
het
tapijt
het
gordijn
de
tapijten
de
gordijnen
Het tapijt is
12
.
.
Het gordijn is
.
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING
4 Wij leveren uw bed 1 Kies een letter en maak een woord. Werk samen met enkele klasgenoten. Elke klasgenoot kiest een andere letter van het alfabet. Zoek een woord met die letter. Het woord moet over ‘wonen’ gaan. Kijk goed na: heb je het woord correct gespeld? voorbeeld: Mijn letter Mijn woord Mijn letter
Mijn woord
T de tafel
2 Spel jouw woord voor jouw klasgenoten.
IN
Noteer de woorden van jouw klasgenoten. Controleer: hebben jullie de woorden goed genoteerd? woord 1: woord 2:
N
woord 3: woord 4:
©
VA
woord 5:
Thema 10 – Naar de meubelwinkel
13
Liedje 1 Luister naar het liedje. Lees de tekst. Vul de woorden in AUDIO
FEEST! Nee, wij zijn niet lang samen. Ik ken jou nog maar een jaar. Sommigen vinden dat te weinig, maar ik vind het niet raar.
Nee, soms blijft het niet duren. En nee, dat is niet plezant. Toch geloof ik in de liefde. Ik geloof dat het kan.
Dat ik al met jou ga trouwen, want ik weet het al lang. Van jou zal ik altijd Trouwen maakt mij niet bang.
Niemand kan nu al weten hoe het later zal gaan, maar dat houdt ons niet tegen om te houden van elkaar. Het is feest, iedereen mag het weten! ! Het is feest, want ik zie je zo Het is feest, kom, we vieren het leven, we vieren de liefde, we vieren vandaag! (2x)
VA
N
Het is feest, iedereen mag het weten! Het is feest, want ik zie je zo graag! Het is feest, kom, we vieren het leven, , we vieren de we vieren vandaag! (2x)
IN
.
We vieren de liefde, we vieren We vieren de liefde, ik zie je zo graag!
!
2 Juist of fout? Schrijf een kruisje X.
juist
fout
De zanger is blij.
©
De zanger is verdrietig. De zanger is bang.
Het is gisteren feest geweest. Het is morgen feest.
De zanger is positief over de liefde. De zanger is negatief over de liefde.
14
NIEUW TAALRECHT 1.2 MONDELING