IN
micro scoop
©
VA
N
natuur 2 UUR
© VA N IN
micro scoop
©
VA N
IN
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER
1 Bouwstenen van voorwerpEN 2 Zuivere stoffen en mengsels 3 Fysische verschijnselen 4 Chemische OMZETTINGEN
Naam:
Klas:
© VA N IN
1 BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN Ontdek hoe je van steen papier kunt maken Bekijk het filmpje.
Wat vind je van deze werkwijze?
IN
VA N
OPDRACHT 1: Ontdek waaruit voorwerpen zijn opgebouwd 1 Herbekijk het filmpje. Uit welk materiaal is het papier opgebouwd?
©
2 Zoek 5 verschillende voorwerpen in je leslokaal. a Noteer in kolom 1 de naam van de 5 voorwerpen. b Noteer in kolom 2 de stoffen of materie waaruit de voorwerpen gemaakt zijn. Voorbeelden hiervan zijn plastic, metaal, hout, glas, hoorn, water … voorwerp
stof of materie
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 Bouwstenen van voorwerpen
1
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. hout – metaal – schoolbord – stoffen – voorwerpen Je bent omringd door zoals het . Deze voorwerpen bestaan uit één of meerdere Bijvoorbeeld
of
of materie.
´ Maak oefening 1 en 2.
OPDRACHT 2: Ontdek waaruit materie is opgebouwd
a Neem deze voorwerpen: krantenpapier
stofdoek
IN
Bekijk wat er gebeurt als je krantenpapier scheurt of een stofdoek en keukenhanddoek uitschudt boven een zwart blad.
keukenhanddoek
zwart blad
VA N
b Scheur het krantenpapier boven een zwart blad. Noteer wat je ziet.
c Schud de stofdoek uit boven een zwart blad. Noteer wat je ziet.
©
d Schud de keukenhanddoek uit boven een zwart blad. Noteer wat je ziet.
e Wat besluit je uit de bovenstaande opdrachten? Vul de zin aan. Zowel papier als doeken bestaan uit
stukjes.
f Onderzoek wat er gebeurt als je suiker aan water toevoegt.
ONDERZOEK 1 Onderzoeksvraag Wat gebeurt er als je suiker aan water toevoegt? 2 Hypothese: wat denk je dat het juiste antwoord is? Plaats een kruisje. Je blijft de suiker zien. Je ziet de suiker niet meer. Je proeft de suiker. Je proeft de suiker niet. 2
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 Bouwstenen van voorwerpen
.
Tip - De blauwe figuurtjes stellen hier de waterdeeltjes voor. - De rode figuurtjes zijn de suikerdeeltjes. 3 Benodigdheden: Wat heb je nodig? koffielepel fijne witte kristalsuiker 1 beker
drinkbaar water
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Je proeft bij een onderzoek enkel van een stof als dit gevraagd wordt in de werkwijze.
VA N
IN
4 Werkwijze: Hoe ga je aan de slag? 1 Vul de beker voor de helft met water. 2 Neem een slokje uit de beker met water. Noteer wat je proeft bij waarneming 1. 3 Neem met de koffielepel een klein beetje suiker. 4 Steek de koffielepel in je mond. Noteer wat je proeft bij waarneming 2. 5 Voeg een halve koffielepel suiker toe aan de beker met water. 6 Roer zachtjes met de lepel. 7 Neem een slokje uit de beker met suiker en water. Noteer wat je proeft bij waarneming 3. 8 Bekijk de vloeistof in de beker. Noteer wat je ziet bij waarneming 4. 9 Markeer het juiste antwoord in het besluit. 5 Waarneming waarneming 1
©
beker met water
waarneming 2
koffielepel met suiker
waarneming 3
waarneming 4
beker met suikerwater
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 Bouwstenen van voorwerpen
3
6 Besluit: Wat kun je besluiten uit deze waarnemingen? Als je suiker aan water toevoegt - proef je de suiker wel / niet. - kun je de suiker wel / niet zien. 7 Reflectie a Kijk goed naar de afbeeldingen van het deeltjesmodel bij de waarneming. b Hoe kun je verklaren wat er tijdens de proef gebeurde? Plaats een kruisje voor het juiste antwoord. De waterdeeltjes hebben de suikerdeeltjes opgegeten. De suikerdeeltjes zijn verloren gegaan. De suikerdeeltjes hebben zich verspreid tussen de waterdeeltjes. De suikerdeeltjes hangen vast aan de waterdeeltjes. De waterdeeltjes zijn verloren gegaan. c Herlees je hypothese op p. 2.
VA N
IN
d Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee.
Ik had bijna hetzelfde idee.
Ik had een ander idee.
©
Je gebruikt figuurtjes om de deeltjes van materie voor te stellen. Al deze figuurtjes samen vormen een deeltjesmodel. Voor elk soort deeltje gebruik je een ander figuurtje. Je kunt om het even welk figuurtje kiezen.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. deeltjes – deeltjesmodel – figuurtje Materie is opgebouwd uit
.
Je gebruikt een model om materie voor te stellen. Voor elk soort deeltje gebruik je een ander
.
Alle figuurtjes samen vormen een
.
´ Maak oefening 3.
4
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 Bouwstenen van voorwerpen
SYNTHESE Een VOORWERP
©
VA N
De deeltjes waaruit materie bestaat, kunnen voorgesteld worden met een DEELTJESMODEL
IN
is opgebouwd uit STOF OF MATERIE.
waarbij ieder figuurtje één DEELTJE voorstelt.
Wat heb je geleerd? Je kunt een ander woord geven voor materie. bij voorwerpen voorbeelden geven van stoffen of materie. woorden of afbeeldingen sorteren volgens voorwerp of materie. gebruikmaken van een deeltjesmodel.
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 Bouwstenen van voorwerpen
5
© VA N IN
micro scoop
©
VA N
IN
ENERGIE en krachten RONDOM ONS
1 ENERGIEOMZETTINGEN 2 ENERGIEOMZETTING IN ORGANISMEN 3 VOEDSELRELATIES 4 KRACHTEN
Naam:
Klas:
© VA N IN
1 ENERGIEOMZETTINGEN Hoe kneedt Urbanus deeg? Bekijk het filmpje bij het onlinelesmateriaal.
a Wat gebeurt er?
IN
VA N
b Markeer in de woordenwolk wat ervoor zorgt dat de machines werken.
OPDRACHT 1: Ontdek welke energiebronnen er zijn Tip
©
Je leerde in de lagere school dat er energie nodig is om grondstoffen en materialen te vervormen, te veranderen, te bewegen, te verbinden. Energiebronnen kunnen gebruikt worden om deze energie te leveren. 1 Bekijk de afbeeldingen van verschillende energiebronnen. a Benoem de verschillende energiebronnen. Kies uit: aardgas – aardolie – aardwarmte – steenkool – voedsel – water – wind – zon
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
1
b De energiebronnen zijn in 2 groepen ingedeeld. Markeer de eigenschappen van elke groep. duurzame energiebronnen
niet-duurzame energiebronnen - Deze kunnen telkens opnieuw worden gebruikt. - Deze zijn ontstaan uit afgestorven organismen.
- Ze komen in beperkte hoeveelheid voor. - Ze komen in onbeperkte hoeveelheid voor.
- Ze komen in beperkte hoeveelheid voor. - Ze komen in onbeperkte hoeveelheid voor. - Ze geraken ooit uitgeput. - Ze geraken nooit uitgeput.
VA N
- Ze geraken ooit uitgeput. - Ze geraken nooit uitgeput.
IN
- Deze kunnen telkens opnieuw worden gebruikt. - Deze zijn ontstaan uit afgestorven organismen.
c Noteer de energiebronnen in de juiste kolom. duurzame energiebronnen
©
niet-duurzame energiebronnen
Weetje
Energie komt tot stand door het gebruik van energiebronnen. - Duurzame energiebronnen worden ook hernieuwbare energiebronnen genoemd. - Niet-duurzame energiebronnen zijn niet hernieuwbaar. 2 Bekijk het filmpje bij het onlinelesmateriaal. a Beschrijf wat je gezien hebt.
b Wat zorgt ervoor dat de bloem beweegt?
c Welke energiebron wordt er gebruikt?
2
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
d Wat denk je dat er zal gebeuren als het zonnepaneel niet belicht wordt?
e Vul de zin verder aan. Gebruik hiervoor de volgende woorden: bewegen – energie – energiebron – geleverde
De bloem kan
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. duurzame – niet-duurzame – nooit – ooit Een energiebron bevat energie. Zon, water, wind, aardwarmte en voedsel zijn
energiebronnen.
Deze raken uitgeput.
IN
Steenkool, aardolie en aardgas zijn
energiebronnen.
Ze raken dus uitgeput.
VA N
´ Maak oefening 1 en 2.
OPDRACHT 2: Ontdek verschillende energievormen in je leefomgeving 1 Bekijk de 6 energievormen.
a Lees de omschrijvingen van de energievormen.
©
b Kun je de verschillende energievormen koppelen aan de bijbehorende omschrijving? Noteer in het rooster de juiste letter-cijfercombinatie. energievorm
omschrijving
A kinetische energie
1 energie ontstaan door snel bewegende geladen deeltjes
B chemische energie
2 energie die opgeslagen zit in voeding en andere energierijke stoffen
C stralingsenergie
3 energie die de deeltjes van een stof bezitten als gevolg van een temperatuurwijziging
D elektrische energie
4 energie die een bewegend lichaam of voorwerp heeft
E potentiële energie
5 energie in de vorm van licht en andere stralingsbronnen
F thermische energie
6 opgeslagen energie die mogelijk kan overgaan in een andere energievorm
A
B
C
D
E
F
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
3
Weetje - Kinetische energie is hetzelfde als bewegingsenergie. - Thermische energie is warmte. 2 Neem het knipblad op p. 47. a Knip de afbeeldingen uit. b Kleef de afbeelding bij de juiste energievorm.
stralingsenergie
potentiële energie
VA N
IN
kinetische energie
chemische energie
©
thermische energie
elektrische energie
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. chemische energie – elektrische energie – kinetische energie – potentiële energie – stralingsenergie – thermische energie - een appel aan een boom:
- een appel die van de tak valt:
- water koken:
- een batterij:
- het aanzetten van een koffieapparaat: - zonnestralen:
´ Maak oefening 3 en 4.
4
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
OPDRACHT 3: Ontdek verschillende energieomzettingen in je leefomgeving Weetje - Energie kan niet gemaakt worden en niet vernietigd worden. - Energie kan enkel omgezet worden van de ene vorm naar de andere. 1 Bekijk de afbeeldingen van de energieomzettingen. a Lees de energieomzettingen in kolom 3. b Vul de acties in kolom 2 aan. voorbeeld
acties
energieomzettingen
Je houdt een
van potentiële energie van de bowlingbal
klaar om te
IN
.
È
VA N
naar kinetische energie van de bowlingbal
Je wrijft je
©
enkele keren over elkaar.
Je steekt de stekker van de in het stopcontact en .
Je wrijft de
naar thermische energie afgegeven door de handen
È
naar stralingsenergie + thermische energie afgegeven door de gsm van kinetische energie van de hand en chemische energie van de lucifer
over de zijkant van het
È
È
van elektrische energie afgegeven door de gsm
zet het toestel
van kinetische energie van de handen
.
naar thermische energie + stralingsenergie afgegeven door de lucifer
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
5
2 Bekijk de afbeeldingen van de energieomzettingen. a Lees de omschrijvingen boven de afbeeldingen. b Noteer de ontbrekende energievormen op de juiste plaats. Kies uit:
chemische energie – kinetische energie – thermische energie - Flynn rijdt met de fiets naar de pingpongclub. 1
van het lichaam
1
È
2 2
van de fiets
3
3
IN
- Voor hij zijn training start, drinkt hij. uit drank
VA N
È
5
van het lichaam
4
van het lichaam
©
4
4
5
È van het pingpongballetje
- Flynn wil krachtig opslaan waardoor het pingpongballetje energie krijgt en over het net vliegt. van het pingpongballetje
6
È
6
8
8
van het pingpongballetje
7
van het lichaam
È
7 8
6
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
van het pingpongballetje
Weetje - Je stelt vast dat voorwerpen en lichamen energie verbruiken. Voorwerpen en lichamen bewegen en krijgen energie. - Je merkt dat energie steeds wordt omgezet en steeds behouden blijft.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. energie – energieomzetting – vorm Bij een
wordt
van
de ene vorm naar een andere
omgezet.
´ Maak oefening 5 en 6.
IN
OPDRACHT 4: Onderzoek hoe je duurzaam kunt omgaan met energie
VA N
1 Ga jij zuinig om met energie? a Lees de stellingen in kolom 1.
©
b Zijn de stellingen juist of fout? Zet een kruisje in de juiste kolom.
stelling
juist
fout
Je mag na het opladen van je smartphone de lader in het stopcontact laten steken. Je gebruikt beter het snelle programma van de vaatwasser dan het ecoprogramma. Als je water verwarmt om een kop thee te zetten, verbruik je met een waterkoker minder energie dan met een microgolfoven.
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
7
2 Denk na over je energieverbruik. a Hoe kun jij zelf energie besparen? Noteer 3 voorbeelden.
b Vertel aan je klasgenoten hoe je energie kunt besparen. c Noteer welke tips van je klasgenoten jij meeneemt om zuiniger om te gaan met energie.
tip:
IN
tip:
©
tip:
VA N
tip:
3 De overheid voert campagne om meer energie te besparen. Hiervoor werden energielabels ontwikkeld. a Zoek op internet naar een afbeelding van een energielabel van een wasmachine. Een energielabel van een elektrisch toestel geeft je informatie over het energieverbruik van dat toestel.
8
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
b Kleef het label in de tabel.
VA N
IN
©
energielabel wasmachine
c Dit toestel behoort tot energieklasse
d Dit betekent dat dit toestel wel / niet energiezuinig is.
e Is jouw toestel energiezuiniger dan dat van één van je klasgenoten? Leg uit.
4 Bekijk de afbeelding van een voorbeeld van een energieprestatiecertificaat op de volgende bladzijde. - Het energielabel van een woning toont aan hoe energiezuinig een woning is. - De oude versie van een energielabel van een woning is het energieprestatiecertificaat (EPC). Het getal op het certificaat is de energiescore, de EPC-waarde van het gebouw.
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
9
IN
a Ergens in je school hangt een EPC voor de schoolgebouwen op. Ga op zoek naar het document en maak een foto. b Kleef de foto naast het voorbeeld hierboven.
VA N
c Bekijk hierboven het energieprestatiecertificaat van de schoolgebouwen en hiernaast de afbeelding van een blanco energielabel.
©
d Omcirkel het juiste antwoord. - Hoe lager / hoger de energiescore, hoe energiezuiniger een gebouw is. - De energiescore van de schoolgebouwen komt overeen met label A+ / A / B / C / D / E / F. - De schoolgebouwen zijn wel / geen energiezuinige gebouwen. Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. A – energielabels – energieverbruik – energieverbruik – energiezuinige Je kunt duurzaam omgaan met energie door - na te denken over je - bij aankoop van een elektrisch toestel de Deze geven je informatie over het Toestellen met een zuinig energieverbruik vind je in klasse - bewust te kiezen voor een ´ Maak oefening 7.
10
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
. te vergelijken. van een toestel. . woning.
SYNTHESE ENERGIE ENERGIEBRONNEN
AARDOLIE AARDGAS
ENERGIEVORMEN
KINETISCHE ENERGIE NIETDUURZAAM
CHEMISCHE ENERGIE
STEENKOOL
IN
STRALINGSENERGIE
ZON
ELEKTRISCHE ENERGIE
WATER AARDWARMTE
DUURZAAM
©
VOEDSEL
VA N
WIND
POTENTIËLE ENERGIE
THERMISCHE ENERGIE Energie wordt van de ene energievorm omgezet naar een andere energievorm = ENERGIEOMZETTING
Wat heb je geleerd? Je kunt voorbeelden van energiebronnen geven. de verschillende energiebronnen op een afbeelding aanduiden. uitleggen wat duurzame en niet-duurzame energiebronnen zijn. in voorbeelden uit het dagelijkse leven verschillende energievormen aanduiden. op afbeeldingen de voorgestelde energievorm aanduiden. in voorbeelden uit het dagelijkse leven toelichten dat de ene energievorm in de andere kan worden omgezet. voorbeelden geven van hoe je duurzaam met energie kunt omgaan. een energielabel toelichten. voorbeelden van duurzame energietips geven.
ENERGIE en krachten RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZETTINGEN
11
© VA N IN
micro scoop
Š
VA N
IN
Het metroplan van je lichaam
1 Bouw van het lichaam 2 Ademhalingsstelsel 3 Spijsverteringsstelsel 4 Transportstelsel 5 Uitscheidingsstelsel
Naam:
Klas:
© VA N IN
1 BOUW VAN HET LICHAAM Ontdek hoe je organen kunt namaken Bekijk het filmpje bij het onlinelesmateriaal. a Waarom zal dit volgens jou belangrijk worden in de toekomst?
VA N
IN
b Noteer waarom jij een / geen orgaan in je lichaam zou laten inplanten.
OPDRACHT 1: Ontdek de twee grote delen van het lichaam Bekijk de afbeelding van de jongen.
©
Noteer bij elke pijl het juiste begrip. Kies uit: kop – romp met ledematen
1 2
Het metroplan van je lichaam — 1 BOUW VAN HET LICHAAM
1
Vul de woorden uit opdracht 1 hier in. Het lichaam van een mens bestaat uit 2 grote delen: - -
OPDRACHT 2: Ontdek de inwendige bouw van een lichaam 1 Bekijk de afbeeldingen van de zoogdieren. a Noteer welke zoogdieren je afgebeeld ziet. b Met welk zoogdier kun je de verschillende organen bij de mens vergelijken? Markeer. 1
IN
2
3
VA N
©
2 Bekijk de afbeelding van het rompmodel van de mens.
a Plaats in de cirkels - R voor rechterzijde van het lichaam. - L voor linkerzijde van het lichaam. b Noteer de woorden borstholte en buikholte in de juiste kaders. c Kleur het middenrif blauw.
2
Het metroplan van je lichaam — 1 BOUW VAN HET LICHAAM
Vul de woorden uit vraag 2 hier in. De romp wordt door het middenrif in 2 grote delen verdeeld: - - 3 Bekijk de afbeeldingen van de inwendige organen. a Noteer de naam van elk aangeduid orgaan. Kies uit: BORSTHOLTE: bloedvaten – hart – longen – luchtpijp – slokdarm BUIKHOLTE: bloedvaten – dikke darm – dunne darm – lever – maag – nieren – slokdarm – urineblaas – urinebuis – urineleiders Organen in de BORSTHOLTE 1
IN
3
5
2
VA N
3
2
©
1
4
4 5 6 7 8 9 10
Organen in de BUIKHOLTE 6 7
8
9
10
Het metroplan van je lichaam — 1 BOUW VAN HET LICHAAM
3
Organen in de BUIKHOLTE (vervolg) 11 15
12 13 11
14 15
IN
12
VA N
13
14
©
b Omcirkel bij vraag a de inwendige organen - die tot het ademhalingsstelsel behoren in het blauw. - die tot het transportstelsel behoren in het rood. - die tot het spijsverteringsstelsel behoren in het groen. - die tot het uitscheidingsstelsel behoren in het geel. Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. bloedvaten – bloedvaten – dikke darm – dunne darm – hart – lever – longen – luchtpijp – maag – nieren – slokdarm – slokdarm – urineblaas – urinebuis – urineleider De inwendige organen van de mens kun je opsplitsen in twee holten: - BORSTHOLTE: - BUIKHOLTE: ´ Maak oefening 1, 2, 3 en 4. 4
Het metroplan van je lichaam — 1 BOUW VAN HET LICHAAM
SYNTHESE DE 2 GROTE DELEN VAN HET LICHAAM - kop - romp met ledematen INWENDIGE ORGANEN
STELSELS
IN
1 BORSTHOLTE luchtpijp ademhalingsstelsel longen hart transportstelsel bloedvaten slokdarm spijsverteringsstelsel
©
VA N
MIDDENRIF: verdeelt de romp in 2 grote delen of holtes 2 BUIKHOLTE slokdarm maag lever spijsverteringsstelsel dunne darm dikke darm nieren urineleiders urineblaas uitscheidingsstelsel urinebuis bloedvaten transportstelsel
Wat heb je geleerd? Je kunt de 2 grote delen van het lichaam benoemen. de 2 grote delen van het lichaam herkennen op een afbeelding. benoemen in welke 2 holtes de romp verdeeld is. de borstholte herkennen op een afbeelding. de buikholte herkennen op een afbeelding. de inwendige organen van de borstholte herkennen op een afbeelding. de inwendige organen van de borstholte benoemen op een afbeelding. de inwendige organen van de buikholte herkennen op een afbeelding. de inwendige organen van de buikholte benoemen.
Het metroplan van je lichaam — 1 BOUW VAN HET LICHAAM
5
© VA N IN
micro scoop
A
Š
VA N
IN
OPZOEKBOEKJE
Fiche 1: Hoe bepaal je de massa van materie?
5
Fiche 2: Hoe bepaal je het 7 volume van materie? Fiche 3: Hoe noteer 10 je meetresultaten?
Naam:
Klas:
Fiche 4: Hoe benoem je de aggregatie toestanden van stoffen en faseovergangen?
12
STARTEN MET MICROSCOOP Welkom bij MicroScoop. We leggen graag even uit hoe je met dit leerpakket aan de slag gaat.
1 Op weg met MICROSCOOP
p micro scoo
Dit leerpakket bestaat uit 3 themabundels en een opzoekboekje. Elke themabundel is op dezelfde manier opgebouwd.
Vooraan staat de thematekening. In elk pakket is er één thematekening die je zelf mag inkleuren.
Hier vind je ook een handig overzicht van de hoofdstukken. Onderaan de pagina kun je je naam en klas invullen.
OR MATERIE VO HAPPER SC EN EEN WET
micro scoo p
ENERGIE en kr RONDOM ON achten S van 1 Bouwstenen voorwerpEN fen en 2 Zuivere stof mengsels
3 Fysische en verschijnsel N OMZETTINGE 4 Chemische
IN
Klas:
Naam:
1 BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN Ontdek hoe je van steen papier kunt maken Bekijk het filmpje.
VA N
Wat vind je van deze werkwijze?
1 ENERGIEO MZEttINGEN 2 ENERGIEO MZE ORGaNISMEN ttING IN 3 vOEDSElREla tIES 4 kRachtEN Naam: Klas:
OPDRACHT 1: Ontdek waaruit voorwerpen zijn opgebouwd 1
Herbekijk het filmpje. Uit welk materiaal is het papier opgebouwd?
2 Zoek 5 verschillende voorwerpen in je leslokaal. a Noteer in kolom 1 de naam van de 5 voorwerpen.
b Noteer in kolom 2 de stoffen of materie waaruit de voorwerpen gemaakt zijn. Voorbeelden hiervan zijn plastic, metaal, hout, glas, hoorn, water … stof of materie
©
voorwerp
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN
1
We starten elk hoofdstuk met een WOW. Je maakt hier kennis met het onderwerp van het hoofdstuk. Na deze WOW start je met de opdrachten.
OPDRACHT 2: Onderzoek de faseovergangen van water ONDERZOEK 1 Onderzoeksvraag Waardoor verandert water van aggregatietoestand?
Tijdens de opdrachten gaan jij of je leerkracht zelf onderzoeken uitvoeren. Je volgt telkens 7 stappen die worden aangeduid met de volgende iconen:
2 Hypothese: wat denk je?
3 Benodigdheden: wat heeft je leerkracht nodig? 2 ijsblokjes 1 maatbeker 250 ml kookplaat spiegeltje
ovenwant
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT De kookplaat en de beker worden heet. Gebruik de ovenhandschoen om je niet te verbranden.
Onderzoeksvraag
Waarneming
Hypothese
Besluit
Benodigdheden
Reflectie
4 Werkwijze: Hoe GAAT JE LEERKRACHT aan de slag? 1 Je ziet ijsblokjes in een maatbeker verwarmd worden. 2 Noteer wat er gebeurt met de ijsblokjes bij waarneming 1. 3 De maatbeker wordt verder verwarmd. Noteer je waarneming bij 2. 4 Er wordt een spiegeltje boven de maatbeker met heet water gehouden. Noteer wat je ziet bij waarneming 3. 5 Vervolledig de afbeelding van de proefopstelling door te tekenen wat je zag in waarneming 2 en 3. 6 Noteer het ontbrekende woord in het besluit. 5 Waarneming: Wat zie je? waarneming 1 waarneming 2 waarneming 3
Werkwijze
6 Besluit Een stof verandert van aggregatietoestand als de 12
wijzigt.
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 3 FYSISCHE VERSCHIJNSELEN
OPZOEKBOEKJE A — STARTEN MET MICROSCOOP
1
SYNTHESE
Voor je verder gaat oefenen, bekijk je eerst de synthese van het hoofdstuk. In een themabundel zie je verschillende manieren om een synthese te maken: mindmap, schema en samenvatting.
Een VOORWERP
is opgebouwd uit STOF OF MATERIE.
Na elke synthese stellen we de vraag Wat heb je geleerd? Dit is een opsomming van de doelen waaraan je in het hoofdstuk gewerkt hebt.
De deeltjes waaruit materie bestaat, kunnen voorgesteld worden met een DEELTJESMODEL
waarbij ieder figuurtje één DEELTJE voorstelt.
NU IS HET JOUW BEURT
Wat heb je geleerd? Je kunt een ander woord geven voor materie. bij voorwerpen voorbeelden geven van stoffen of materie. woorden of afbeeldingen sorteren volgens voorwerp of materie. gebruikmaken van een deeltjesmodel.
1
Waaruit zijn deze voorwerpen opgebouwd? a Bekijk de afbeeldingen in kolom 1. b Benoem de voorwerpen in kolom 2.
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN
c Noteer de namen van de stoffen waaruit de voorwerpen zijn opgebouwd in kolom 3.
5
afbeelding
voorwerp
stoffen
IN
a
b
©
VA N
Je kunt in het onderdeel Nu is het jouw beurt verder oefenen. Je leerkracht beslist of je de oefeningen op het einde van het thema maakt of doorheen de lessen. Op diddit vind je bovendien nog meer oefeningen.
micro scoop
OPZOEKBOEKJE
5
Fiche 2: Hoe bepaal je het 7 volume van materie? Fiche 3: Hoe noteer 10 je meetresultaten?
Naam:
2
Klas:
Fiche 4: Hoe benoem je de aggregatietoestanden van stoffen en faseovergangen?
OPZOEKBOEKJE A — STARTEN MET MICROSCOOP
a Omcirkel de stoffen die bij de rode biet horen met rood. b Omcirkel de stoffen die bij de pmd-vuilnisbak horen met blauw.
A
plastic
suikers
b
calcium metaal
water
rode kleurstof rode biet
vitamine C
pmd-vuilnisbak
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — NU IS HET JOUW BEURT
In de opdrachten en onderzoeken moet je soms fiches met extra informatie gebruiken. Deze fiches vind je in het Opzoekboekje.
A
Fiche 1: Hoe bepaal je de massa van materie?
2 Verbind de voorwerpen met de stoffen waaruit ze zijn opgebouwd.
12
27
6 Besluit: Wat kun je besluiten uit deze waarnemingen? Als je suiker aan water toevoegt - proef je de suiker wel / niet. - kun je de suiker wel / niet zien. 7 Reflectie
2 Handig voor onderweg a Kijk goed naar de afbeeldingen van het deeltjesmodel bij de waarneming.
b Hoe kun je verklaren wat er tijdens de proef gebeurde?
In de loop van thema je ondersteund door een aantal hulpmiddelen. Plaats eenelk kruisje voor hetword juiste antwoord. De waterdeeltjes hebben de suikerdeeltjes opgegeten. De suikerdeeltjes zijn verloren gegaan. We zetten doorheen hethebben thema De suikerdeeltjes zich verspreid tussen de waterdeeltjes. Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. De suikerdeeltjes hangen vast aan de waterdeeltjes. de belangrijkste zaken op een rijtje De waterdeeltjes zijn verloren gegaan.
hout – metaal – schoolbord – stoffen – voorwerpen
in dezec rode Herleeskenniskaders. je hypothese op p. 2.
d Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat van Jevoor bentjou omringd
toepassing is.
door
zoals het
.
Deze voorwerpen bestaan uit één of meerdere Bijvoorbeeld
of materie. of
.
´ Maak oefening 1 en 2.
Ik had hetzelfde idee.
Ik had bijna hetzelfde idee.
Ik had een ander idee.
OPDRACHT 2: Ontdek waaruit materie is opgebouwd Je gebruikt figuurtjes om de deeltjes van materie voor te Bekijk stellen.wat er gebeurt als je krantenpapier scheurt of Al deze figuurtjes samen vormen een deeltjesmodel. Voor elk soort deeltje gebruik een stofdoek en keukenhanddoek uitschudtWOORDENLIJST boven een zwart blad. je een ander figuurtje. hoofdwoord Je kunt om het even welk figuurtje kiezen. stuk
a Neem deze voorwerpen: krantenpapier
stofdoek
1 ENERGIEOMZEttINGEN Moeilijke woorden worden uitgelegd
3
verklaring
aggregatietoestand
Vorm waarin materie zich kan bevinden: vast, vloeibaar of gasvormig
keukenhanddoek 4 chemische
zwart blad
omzetting
Situatie waarbij de materie verandert, er wordt een nieuwe stof gevormd
3
condenseren
Faseovergang van gasvormig naar vloeibaar
1
deeltjesmodel
Een model om materie voor te stellen. Elk soort deeltje wordt met een ander figuurtje voorgesteld.
3
desublimeren
Faseovergang van gasvormig naar vast
1 deeltje Noteer Een bouwsteen van materie b Scheur het krantenpapier boven een zwart blad. wat je ziet.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
IN
– deeltjesmodel – figuurtje in deeltjes een begrippenkader.
Die woorden vallen Materie is opgebouwd uit extra op door de stippellijn. . een zwart blad. Noteer wat je ziet. c Schud de stofdoek uit boven hoe kneedt Urbanus deeg? gebruiktze eenook model om materie voor te stellen. JeJevindt achteraan terug Voor elk soort deeltje bij gebruik een ander . Bekijk het filmpje het jeonlinelesmateriaal. in de woordenlijst. 3
faseovergang
Overgang tussen verschillende aggregatietoestanden
3
fysisch verschijnsel
Situatie waarbij de materie niet verandert, de deeltjes blijven hetzelfde
gasvormig
Aggregatietoestand waarbij de deeltjes geen vaste plaats hebben en door elkaar vliegen
inkrimpen
Door temperatuurdaling verkleint de afstand tussen de deeltjes, het volume verkleint.
3 3
d Schud de keukenhanddoek. uit boven een zwart blad. Voorwerpen Noteerzijnwat je ziet. materie opgebouwd uit stoffen of materie.
Alle figuurtjes samen vormen een
2
VA N
´ Maak oefening 3.
1
1
Materie bestaat uit deeltjes.
mengsel
Materie die bestaat uit verschillende soorten deeltjes
proef
Onderzoek waarbij via een experiment een antwoord wordt gezocht op een onderzoeksvraag
3 smeltenVul de Faseovergang van vast naar vloeibaar e Wat besluit je uit de bovenstaande opdrachten? zin aan.
4
a Wat gebeurt er?
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN
Tip
Zowel papier als doeken bestaan uit
stofomzetting
Situatie waarbij de materie verandert, er wordt een nieuwe stof gevormd
3
stollen
Faseovergang van vloeibaar naar vast
3
sublimeren
Faseovergang van vast naar gasvormig
4
stukjes.
f Onderzoek wat er gebeurt als je suiker aan water uitzetten toevoegt. Door temperatuurstijging vergroot de afstand tussen de deeltjes, 3 het volume vergroot. - De blauwe figuurtjes stellen hier de waterdeeltjes voor.
- De rode figuurtjesga zijnjedezelf suikerdeeltjes. Met MicroScoop experimenteren en onderzoeken. ONDERZOEK Hierbij moet je natuurlijk een aantal veiligheidsvoorschriften 1 Onderzoeksvraag 3 respecteren. Benodigdheden: Wat heb je nodig? Die vind je terug in deze kader. Wat gebeurt er als je suiker aan water toevoegt? koffielepel
fijne witte kristalsuiker
1 beker
3 3
vast
Aggregatietoestand waarbij de deeltjes een vaste plaats hebben en trillen
verdampen
Faseovergang van vloeibaar naar gasvormig
MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — WOORDENLIJST
33
drinkbaar water
©
2 Hypothese: wat denk je dat het juiste antwoord is? VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Plaats een kruisje. Je proeft bij een onderzoek enkel van een stof als dit gevraagd Je wordt desuiker zien. blijftinde werkwijze. Je ziet de suiker niet meer. b Markeer in de woordenwolk wat ervoor zorgt dat de Je machines werken. proeft de suiker. Je proeft de suiker niet. 4 Werkwijze: Hoe ga je aan de slag? 1 Vul de beker voor de helft met water. 2 Neem een slokje uit de beker met water. Noteer wat jeVOOR proeft waarneming MATERIE EENbij WETENSCHAPPER — 1 1. BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN 2 In de tipkaders staan handige tips voor het uitvoeren van de onderzoeken of opdrachten. 3 Neem met de koffielepel een klein beetje suiker. OPDRacht 1: Ontdek welke energiebronnen er zijn 4 Steek de koffielepel in je mond. Noteer wat je proeft bij waarneming 2.
5 Voeg een halve koffielepel suiker toe aan de beker met water. Tip 6 Roer zachtjes met de lepel.
Je7 leerde in de lagere datsuiker er energie nodig is om en materialen te Neem een slokje uit deschool beker met en water. Noteer wat grondstoffen je proeft bij vervormen, te veranderen, te bewegen, te verbinden. waarneming 3. 8 Bekijk de vloeistof in de beker. Noteer wat je ziet waarneming Energiebronnen kunnen gebruikt worden om bij deze energie 4.te leveren. 9 Markeer het juiste antwoord in het besluit.
5 1Waarneming Bekijk de afbeeldingen van verschillende energiebronnen.
Deze kader 1bevat een weetje voor nieuwsgierige leerlingen. waarneming a Benoem de verschillende energiebronnen. Kies uit:
OPDRacht 3: verder Ontdek verschillende energieomzettingen Het kan je op weg helpen om de opdrachten goed te begrijpen. aardgas – aardolie – aardwarmte – steenkool – voedsel – water – wind – zon in je leefomgeving Weetje
beker met water
- Energie kan niet gemaakt worden en niet vernietigd worden. - Energie kan enkel omgezet worden van de ene vorm naar de andere.
waarneming 2
1
Bekijk de afbeeldingen van de energieomzettingen. koffielepel met suiker
a Lees de energieomzettingen in kolom 3. waarneming 3
b Vul de acties in kolom 2 aan.
OPZOEKBOEKJE A — STARTEN MET MICROSCOOP
ENERGIE EN kRachtEN RONDOM ONS — 1 ENERGIEOMZEttINGEN
1
3
FICHE 1 – HOE BEPAAL JE DE MASSA VAN MATERIE? 1.1 Hoe bepaal je de massa van stoffen met een eigen vorm? Wat heb je nodig? digitale balans voorwerp met een eigen vorm (bv. pennenzak) Hoe ga je aan de slag? 1 Zet de digitale balans aan door op de ON-knop te duwen. 2 Controleer of de digitale balans in de eenheid gram is afgesteld. 3 Plaats het voorwerp op de digitale balans. 4 Lees de massa af. 5 Noteer de massa op je antwoordblad als m = g.
IN
ON/OFF
TARE
SET
VA N
1.2 Hoe bepaal je de massa van stoffen zonder een eigen vorm?
©
Wat heb je nodig? digitale balans stoffen zonder eigen vorm (bv. suiker, water …) beker
Hoe ga je aan de slag? 1 Zet de digitale balans aan door op de ON-knop te duwen. 2 Controleer of de digitale balans in de eenheid gram is afgesteld. 3 Plaats de beker op de digitale balans. 4 Druk op de knop tarra of zero om het toestel weer op 0.00 te plaatsen. 5 Neem de beker van de digitale balans. 6 Doe de stof in de beker. 7 Plaats de beker met de stof op de digitale balans. 8 Lees de massa af. 9 Noteer als m = g.
ON/OFF
TARE
SET
ON/OFF
TARE
SET
OPZOEKBOEKJE A — Fiche 1 – Hoe bepaal je de massa van materie?
5