


2u Natuurwetenschappen voor de B-stroom

![]()



2u Natuurwetenschappen voor de B-stroom


1 Bouwstenen van voorwerpEN p. 1
2 Zuivere stoffen en mengsels p. 8
3 Fysische verschijnselen p. 14
4 Chemische VERSCHIJNSELEN p. 29
Via www.ididdit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij MicroScoop.
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be.
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit.
Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
ACTIVEER DEZE LICENTIE
PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START
VANAF ACTIVATIE
EN IS 365 DAGEN GELDIG.
!Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode MicroScoop van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en veel mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4363-7
D/2026/0078/61
Art. 611632/01
NUR 120
Instructietaal
De volgende instructies heb je nodig in je themabundel: Vink aan

Ontwerp: B.AD
Opmaak: Ontvlambaar
Covertekening: Jan Heylen Tekeningen binnenwerk: Geert Verlinde
Ontdek hoe je van steen papier kunt maken
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Wat vind je van deze werkwijze?

2 Wat weet je al over voorwerpen en stoffen?
3 Wat wil je nog leren?
Je leert nu: dat voorwerpen bestaan uit stoffen. wat materie is. dat materie bestaat uit deeltjes. wat een deeltjesmodel is.
OPDRACHT 1: Ontdek waaruit voorwerpen zijn opgebouwd
1 Herbekijk het filmpje uit de WOW. Uit welk materiaal is het papier opgebouwd?
2 Zoek vijf verschillende voorwerpen in je leslokaal.
a Noteer in kolom 1 de naam van de vijf voorwerpen.
b Noteer in kolom 2 de stoffen of materie waaruit de voorwerpen gemaakt zijn.
Voorbeelden daarvan zijn plastic, metaal, hout, glas, hoorn, water …
voorwerp
stof of materie
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. hout – metaal – schoolbord – stoffen – voorwerpen
Je bent omringd door zoals het Deze voorwerpen bestaan uit één of meerdere of materie.
Bijvoorbeeld of
OPDRACHT 2: Ontdek waaruit materie is opgebouwd
1 Bekijk wat er gebeurt in een van deze situaties: - Je scheurt krantenpapier boven een zwart blad.
- Je schudt een stofdoek en een keukenhanddoek uit boven een zwart blad.
a Neem deze voorwerpen: krantenpapier stofdoek keukenhanddoek zwart blad
b Scheur het krantenpapier boven een zwart blad. Noteer wat je ziet.


c Schud de stofdoek uit boven een zwart blad. Noteer wat je ziet.
d Schud de keukenhanddoek uit boven een zwart blad. Noteer wat je ziet.
e Wat besluit je uit opdrachten 1b t.e.m 1d? Vul de zin aan.
Zowel papier als doeken bestaan uit stukjes.
2 Onderzoek wat er gebeurt als je suiker aan water toevoegt.
1 Onderzoeksvraag
Wat kun je waarnemen als je suiker aan water toevoegt?

2 Hyp othese: wat denk je dat het juiste antwoord is?
Plaats een kruisje.
Je blijft de suiker zien.
Je ziet de suiker niet meer.
Je proeft de suiker.
Je proeft de suiker niet.
3 Benodigdheden: Wat heb je nodig?
koffielepel fijne witte kristalsuiker 1 maatbeker drinkbaar water
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Je proeft bij een onderzoek enkel van een stof als dat gevraagd wordt in de werkwijze.
4 Werk wijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Vul de maatbeker voor de helft met water.
2 Neem een slokje uit de maatbeker met water. Noteer wat je proeft bij waarneming 1
3 Neem met de koffielepel een klein beetje suiker.
4 Steek de koffielepel in je mond. Noteer wat je proeft bij waarneming 2
5 Voeg een halve koffielepel suiker toe aan de maatbeker met water.
6 Roer zachtjes met de lepel.
7 Neem een slokje uit de maatbeker met suiker en water. Noteer wat je proeft bij waarneming 3
8 Bekijk de vloeistof in de maatbeker. Noteer wat je ziet bij waarneming 4
9 Markeer het juiste antwoord in het besluit.
5 Waarneming: WAT ZIE JE?
Tip
- De blauwe figuurtjes stellen hier de waterdeeltjes voor.
- De rode figuurtjes zijn de suikerdeeltjes.
waarneming 1

maatbeker met water
waarneming 2
waarneming 3

koffielepel met suiker
waarneming 4

maatbeker met suikerwater
6 Besluit: Wat BESLUIT JE?
Markeer het juiste antwoord. Als je suiker aan water toevoegt
- proef je de suiker wel / niet.
- kun je de suiker wel / niet zien.
a Kijk goed naar de afbeeldingen van het deeltjesmodel bij de waarneming.
b Hoe kun je verklaren wat er tijdens de proef gebeurde?
Plaats een kruisje voor het juiste antwoord.
De waterdeeltjes hebben de suikerdeeltjes opgegeten.
De suikerdeeltjes zijn verloren gegaan.
De suikerdeeltjes hebben zich verspreid tussen de waterdeeltjes.
De suikerdeeltjes hangen vast aan de waterdeeltjes.
De waterdeeltjes zijn verloren gegaan.
c Herlees je hypothese op p. 3.
d Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Je gebruikt figuurtjes om de deeltjes van materie voor te stellen.
Al die figuurtjes samen vormen een deeltjesmodel. Voor elk soort deeltje gebruik je een ander figuurtje.
Je kunt om het even welk figuurtje kiezen.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
deeltjes – deeltjesmodel – figuurtje
Materie is opgebouwd uit
Je gebruikt een model om materie voor te stellen.
Voor elk soort deeltje gebruik je een ander .
Alle figuurtjes samen vormen een
Een VOORWERP

De deeltjes waaruit materie bestaat, kunnen voorgesteld worden met een DEELTJESMODEL
is opgebouwd uit STOF OF MATERIE .

waarbij ieder figuurtje één DEELTJE voorstelt.
Ik kan … Ik vind dit op: een ander woord geven voor materie.
p. 2 en 6 bij voorwerpen voorbeelden geven van stoffen of materie.
p. 2, 6 en 7 woorden of afbeeldingen sorteren volgens voorwerp of materie.
p. 2, 3 en 7 gebruikmaken van een deeltjesmodel.
p. 4-6 en 7
1 Waaruit zijn deze voorwerpen opgebouwd?
a Bekijk de afbeeldingen in kolom 1.
b Benoem de voorwerpen in kolom 2.
c Noteer de namen van de stoffen waaruit de voorwerpen zijn opgebouwd in kolom 3. afbeelding voorwerp stoffen


2 Verbind de voorwerpen met de stoffen waaruit ze zijn opgebouwd.
a Markeer de stoffen die bij de rode biet horen met rood.

b Markeer de stoffen die bij de pmd-vuilnisbak horen met blauw. rode biet pmd-vuilnisbak
rode kleurstof suikers vitamine C

oorden onder de afbeeldingen. Kies uit: deeltjesmodel – materie – voorwerp


Is kraantjeswater lekker?
1 Drink je thuis leidingwater of flessenwater?
2 Proef van een beker leidingwater. Vind je dit lekker? ja nee
3 Welke voordelen heeft leidingwater in vergelijking met mineraalwater?


4 Wat weet je al over zuivere stoffen en mengsels?
5 Wat wil je nog leren?
LEERDOELEN
Je leert nu: wat het verschil is tussen een zuivere stof en een mengsel. het verschil tussen een mengsel en een zuivere stof uitleggen aan de hand van het deeltjesmodel.
OPDRACHT 1: Vergelijk de s amenstelling van verschillende s oorten water
1 Onderzoeksvraag
Waarin verschilt de samenstelling van leidingwater, mineraalwater en gedestilleerd water?
2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
3 Benodigdheden: Wat heb je nodig?
leidingwater mineraalwater gedestilleerd water 3 theelicht lucifers alcoholstift
3 draadkorven met schild 3 meetspuiten van 5 ml
3 onderzetters
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Het schild op de draadkorf wordt heet. Neem veiligheidsmaatregelen zodat de kaars geen brand veroorzaakt.
4 Werk wijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Maak de metalen schilden los van de draadkorven.
2 Plaats de theelichtjes in het midden van de onderzetters.
3 Schrijf op de onderzetters met alcoholstift de letters L, M en G.
4 Plaats de draadkorven over de theelichtjes.
5 Plaats op iedere onderzetter een schild en een meetspuit.
6 Vul het schild bij onderzetter L met 1 ml leidingwater. Gebruik hiervoor de meetspuit.

7 Vul het schild bij onderzetter M met 1 ml mineraalwater. Gebruik hiervoor de meetspuit.
8 Vul het schild bij onderzetter G met 1 ml gedestilleerd water. Gebruik hiervoor de meetspuit.
9 Gebruik de lucifers om de theelichtjes aan te steken.


10 Plaats voorzichtig de schildjes met water op de draadkorven.
11 Verwarm het water. Noteer wat je ziet bij waarneming 1
12 Laat het water uitdampen. Noteer wat je ziet bij waarneming 2
13 Markeer de juiste antwoorden in het besluit.
5 Waarneming: Wat zie je?
leidingwater mineraalwater gedestilleerd water waarneming 1
waarneming 2
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
- Leidingwater bestaat uit verschillende stoffen / één soort stof.
- Mineraalwater bestaat uit verschillende stoffen / één soort stof.
- Gedestilleerd water bestaat uit verschillende stoffen / één soort stof.
7 Reflectie
Uit welke stoffen bestaan gedestilleerd water, leidingwater en mineraalwater?
a Zoek op het internet de samenstelling van het leidingwater in je gemeente op.
Noteer de belangrijkste stoffen.
b Kijk op de verpakking van de fles mineraalwater om de samenstelling te vinden.
Noteer de belangrijkste stoffen.
c Welk deeltjesmodel past bij de drie onderzochte soorten water?
- Bekijk de deeltjesmodellen.
- Noteer onder de deeltjesmodellen de overeenkomstige soorten water.



d Herlees je hypothese op p. 9.
e Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Leidingwater en mineraalwater bestaan uit verschillende soorten deeltjes.
Het zijn mengsels.
Gedestilleerd water is zo gezuiverd dat het alleen uit waterdeeltjes bestaat.
Het is een zuivere stof.
Markeer de juiste woorden.
- Een zuivere stof / mengsel is opgebouwd uit één soort deeltjes.
- Een zuivere stof / mengsel is opgebouwd uit verschillende soorten deeltjes.

voorbeeld zuivere stof: Goud bestaat uit één soort deeltjes.

voorbeeld mengsel: Frisdrank bestaat uit verschillende soorten deeltjes.
Ik kan …
Ik vind dit op: stoffen uit mijn leefomgeving sorteren in zuivere stoffen of mengsels.
p. 9-12 en 13 gebruikmaken van een deeltjesmodel om het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel uit te leggen.
p. 11-13
1 Hoeveel verschillende soorten deeltjes zie je?
a Noteer het juiste antwoord in rij 2.
b Markeer in rij 3 of het product een mengsel of een zuivere stof is.



zuivere stof / mengsel zuivere stof / mengsel zuivere stof / mengsel
2 Bekijk de onderstaande voorbeelden.
a Zijn dit voorbeelden van mengsels of zuivere stoffen? Markeer in rij 2 het juiste antwoord. Zoek indien nodig extra informatie op.
b Noteer in rij 3 uit welke zuivere stoffen de voorbeelden bestaan.
voorbeeld




een ring uit koper boter diamant melk mengsel of zuivere stof - zuivere stof - mengsel - zuivere stof - mengsel - zuivere stof - mengsel - zuivere stof - mengsel bestaat uit
Is er water op Mars?
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Op welke manier hebben wetenschappers water op Mars ontdekt?
b Welk soort water is er op Mars te vinden?

c Denk jij dat er leven is op Mars?
d Zou jij meegaan met een ruimteschip om dit op Mars te gaan onderzoeken? Noteer waarom.
2 Wat weet je al over fysische verschijnselen?
3 Wat wil je nog leren?
LEERDOELEN
Je leert nu: in welke aggregatietoestand stoffen kunnen voorkomen. wat faseovergangen zijn. hoe faseovergangen ontstaan. de faseovergangen aan de hand van een deeltjesmodel verklaren. hoe stoffen kunnen reageren bij een temperatuursverandering. het uitzetten en krimpen van stoffen verklaren aan de hand van een deeltjesmodel.
OPDRACHT 1: Ontdek de aggregatietoestanden van water
a Bekijk op de afbeeldingen de drie verschillende vormen (aggregatietoestanden) van water.
b Welke afbeeldingen passen het best bij elkaar?
Markeer de nummers van de foto’s die samenhoren met dezelfde kleur.




c Noteer waarom je deze groepjes vormde.




Een aggregatietoestand is de vorm waarin een stof of materie zich kan bevinden. Stoffen kunnen in drie verschillende aggregatietoestanden voorkomen: - vast - vloeibaar - gasvormig
d Plaats de nummers van de afbeeldingen uit vraag b bij de juiste aggregatietoestand.
aggregatietoestand vast vloeibaar gasvormig
e Welke aggregatietoestanden van water werden er volgens het filmpje in de WOW op Mars ontdekt?
f Noteer de aggregatietoestand onder deze voorbeelden. voorbeeld


inkt lucht grafiet in het potlood aggregatietoestand

Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. aggregatietoestanden – gasvormige – vaste – vloeibare
Materie komt in drie verschillende voor. Voor de stof water is - water de toestand. - ijs de toestand. - waterdamp de toestand.
OPDRACHT 2: Onderzoek de faseovergangen van water
ONDERZOEK
1 Onderzoeksvraag
Waardoor verandert water van aggregatietoestand?
2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
3 Benodigdheden: wat heeft je leerkracht nodig?
2 ijsblokjes 1 maatbeker van 250 ml kookplaat spiegeltje ovenhandschoen
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
De kookplaat en de maatbeker worden heet. Gebruik de ovenhandschoen om je niet te verbranden.
4 Werk wijze: Hoe GAAT JE LEERKRACHT aan de slag?
1 Je ziet ijsblokjes in een maatbeker verwarmd worden.
2 Noteer wat er gebeurt met de ijsblokjes bij waarneming 1.
3 De maatbeker wordt verder verwarmd. Noteer je waarneming bij 2.
4 Er wordt een spiegeltje boven de maatbeker met heet water gehouden.
Noteer wat je ziet bij waarneming 3
5 Vervolledig de afbeelding van de proefopstelling door te tekenen wat je zag in waarneming 2 en 3.
6 Noteer het ontbrekende woord in het besluit.
5 Waarneming: Wat zie je?
waarneming 1
waarneming 2
waarneming 3
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
Water verandert van aggregatietoestand als er wordt toegevoegd.
Tijdens een faseovergang wijzigen stoffen van aggregatietoestand.
Omdat de deeltjes zelf niet veranderen is dit een fysisch verschijnsel.
7 Reflectie
a Herlees je hypothese op p. 16.
b Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
OPDRACHT 3: Ontdek met het deeltjesmodel wat er tijdens de faseovergangen van water gebeurt
Markeer in de tabel onder het deeltjesmodel de juiste woorden.
ijs vloeibaar water waterdamp



deeltjesmodel


aggregatietoestand - gasvormig - vloeibaar - vast - gasvormig - vloeibaar - vast - gasvormig - vloeibaar - vast
temperatuur - laag - hoger - hoogst
beweging van de deeltjes - rollen - trillen - ordeloos
- laag - hoger - hoogst - laag - hoger - hoogst
- heel klein
- klein - groot - heel klein - klein - groot
- rollen - trillen - ordeloos - rollen - trillen - ordeloos afstand tussen de deeltjes - klein - groot - heel groot - klein - groot - heel groot - klein - groot - heel groot aantrekking tussen de deeltjes - heel klein - klein - groot
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. aggregatietoestand – faseovergang – fysisch
Om een te bekomen, is een temperatuurverandering nodig. Hierbij wijzigt een stof van . De deeltjes zelf veranderen niet, dit is een verschijnsel.
OPDRACHT 4: Ontdek de faseovergangen in je leefomgeving
1 Bekijk hieronder en op de volgende bladzijde enkele situaties uit je leefomgeving.
2 Voer de volgende opdrachten uit in de tabellen.
a Noteer in rij 2 de aggregatietoestand van de stof voor de faseovergang.
b Noteer in rij 3 of je bij deze situatie ziet of er energie wordt toegevoegd (stof opwarmen) of energie wordt weggenomen (de stof koelt af).
c Bekijk het schema van fiche 4 in opzoekboekje A.
d Noteer de naam van de faseovergang in rij 4.
e Noteer in rij 5 de aggregatietoestand van de stof na de faseovergang.
situatie



parfum ruiken chocolade opwarmen ijsblokjes maken
aggregatietoestand voor faseovergang energie toevoegen of wegnemen
faseovergang
aggregatietoestand na faseovergang
situatie



droogijs op een glas waterdruppels op de spiegel na het douchen ijsbloemen op het raam in de winter
aggregatietoestand voor faseovergang energie toevoegen of wegnemen faseovergang
aggregatietoestand na faseovergang
OPDRACHT 5: Onderzoek hoe vaste stoffen reageren op een te mperatuurVERANDERING
1 Onderzoeksvraag
Hoe reageert de bol van ’s Gravesande op een temperatuurverandering?
2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
De leerkracht verwarmt de bol met de bunsenbrander. Markeer wat er zal gebeuren.
a De bol smelt.
b De bol verdampt.
c De bol stolt.
d De bol wordt groter.
e De bol wordt kleiner.
f Er gebeurt niets.
3 Benodigdheden: wat heeft je leerkracht nodig?
bunsenbrander lucifers bol van ’s Gravesande tang balans fiche 2 in opzoekboekje A chronometer maatbeker van 400 ml fiche 3 in opzoekboekje A water ovenhandschoen
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Gebruik de ovenhandschoen om je niet te verbranden. Houd een veilige afstand.
4 Werk wijze: hoe gaat je leerkracht aan de slag?
1 Kan de bol door de ring? Markeer het antwoord bij waarneming 1
2 De massa van de bol aan het statief wordt bepaald. Noteer het meetresultaat bij waarneming 1 in kolom 2
3 De bol wordt 3 minuten verwarmd met de bunsenbrander.
4 Kan de bol door de ring? Markeer het antwoord bij waarneming 2
5 De massa van de bol aan het statief wordt bepaald. Noteer het meetresultaat bij waarneming 2 in kolom 2
6 De bol wordt in een beker met water ondergedompeld.
7 Kan de bol door de ring? Markeer het antwoord bij waarneming 3
8 De massa van de bol aan het statief wordt bepaald. Noteer het meetresultaat bij waarneming 3 in kolom 2
9 Noteer de ontbrekende woorden in het besluit.
5 Waarneming: WAT ZIE JE?
waarneming massa deeltjesmodel
waarneming 1:
De bol kan wel / niet door de ring.
waarneming 2:
m = g

De bol kan wel / niet door de ring. m = g
waarneming 3:
De bol kan wel / niet door de ring. m = g

6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
De bol zet uit bij en krimpt bij
7 Reflectie
a Bekijk de voorstelling van de deeltjesmodellen in kolom 3 van de tabel.
b Hoe kun je verklaren wat er tijdens de proef gebeurde? Markeer de juiste woorden.
- Wanneer je energie toevoegt, bewegen de deeltjes meer / minder.
Hierdoor vergroot / verkleint de afstand tussen de deeltjes.
Het volume wordt groter / kleiner. Daardoor kan de bol niet meer door de ring.
- Wanneer je energie wegneemt, bewegen de deeltjes meer / minder.
Hierdoor vergroot / verkleint de afstand tussen de deeltjes.
Het volume wordt groter / kleiner. Daardoor kan de bol weer door de ring.
- De massa van de bol verandert / verandert niet. Het aantal deeltjes blijft gelijk / verandert.
- Kijk nog eens terug naar de afbeeldingen in kolom 3 bij de waarneming.
Bij waarneming 3 hoort afbeelding A / B.
- De deeltjes zelf veranderen / veranderen niet.
Dat is een / geen fysisch verschijnsel.
c Herlees je hypothese op p. 20.
d Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
OPDRACHT 6: Onderzoek hoe gassen reageren op een temperatuurVERANDERING
1
Onderzoeksvraag
Hoe reageert de lucht in een ballon op een temperatuurverandering?
2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
Je verwarmt een proefbuis met daarop een ballon. Markeer wat er zal gebeuren.
a De ballon wordt groter. c De ballon smelt.
b De ballon wordt kleiner. d De ballon verandert niet.
3 Benodigdheden: wat heb je nodig?
warm water ijswater ballon proefbuis
2 maatbekers van 250 ml lintmeter chronometer alcoholstift thermometer fiche 3 in opzoekboekje A ovenhandschoen
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Gebruik de ovenhandschoen om je niet te verbranden.
4 Werk wijze: hoe ga je aan de slag?
1 Blaas de ballon een klein beetje op.
2 Trek het uiteinde van de ballon over de proefbuis.
3 Duid met een alcoholstift de grootste omtrek van de ballon aan door middel van een lijn.

4 Meet met de lintmeter de omtrek op de plaats van de lijn. Noteer dit bij waarneming 1.
5 Meet met de thermometer de temperatuur in het lokaal. Noteer hem bij waarneming 1 in kolom 3.
6 Vul een maatbeker met 200 ml ijswater.
7 Plaats de proefbuis met de ballon in de maatbeker met ijswater. Wacht 30 seconden.
8 Meet opnieuw de omtrek van de ballon langs de lijn. Noteer het resultaat bij waarneming 2 in kolom 2.
9 Plaats de thermometer in de beker met ijswater. Lees opnieuw de temperatuur af. Noteer hem bij waarneming 2 in kolom 3.
10 Vul een maatbeker met 200 ml warm water.
11 Plaats de proefbuis met de ballon in de maatbeker met warm water. Wacht 30 seconden.
12 Meet opnieuw de omtrek van de ballon langs de lijn. Noteer het resultaat bij waarneming 3 in kolom 2.
13 Plaats de thermometer in een beker met warm water. Lees de temperatuur af. Noteer hem bij waarneming 3 in kolom 3.
14 Kies met behulp van je waarnemingen het juiste deeltjesmodel.
15 Noteer de ontbrekende woorden in het besluit.
5 Waarneming: WAT ZIE JE?
a Wat meet je?
waarneming 1
waarneming 2
waarneming 3
dikte van de ballon temperatuur
b Met welk deeltjesmodel komen de waarnemingen overeen?
deeltjesmodel

waarneming nr.
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
Markeer de juiste woorden.


- De lucht in de ballon zet uit / krimpt bij een stijging van de temperatuur, waardoor de omtrek van de ballon vergroot / verkleint.
- De lucht in de ballon zet uit / krimpt bij een daling van de temperatuur, waardoor de omtrek van de ballon vergroot / verkleint.
7 Reflectie
a Bekijk de voorstelling van de deeltjesmodellen.
b Hoe kun je verklaren wat er tijdens de proef gebeurde? Markeer de juiste woorden.
- Het is door het toevoegen van energie dat de deeltjes verder uit elkaar / dichter bij elkaar komen te liggen. De lucht neemt meer / minder ruimte in. De lucht in de ballon zet uit / krimpt.
- Het is door het wegnemen van energie dat de deeltjes verder uit elkaar / dichter bij elkaar komen te liggen. De lucht neemt meer / minder ruimte in. De lucht in de ballon zet uit / krimpt.
c Op het deeltjesmodel zelf merk je dat de deeltjes zelf wel / niet veranderen. Het uitzetten en krimpen van de lucht in de ballon is een fysisch verschijnsel.
d Herlees de hypothese op p. 22.
e Vergelijk de hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
OPDRACHT 7: ONTDEK hoe een vloeistofthermometer werkt
1 Bekijk een vloeistofthermometer.
a Welke stof zit in deze thermometer?
b In welke aggregatietoestand bevindt die stof zich?
c Lees de temperatuur af van de thermometers.
d Noteer de meetresultaten onder de afbeeldingen.
e Markeer onder de thermometers hoe die temperatuur aanvoelt.
2 Lees de onderstaande zinnen. Markeer de juiste woorden.
a Bij lage temperaturen van de lucht zet de vloeistof in de thermometer uit / krimpt de vloeistof in de thermometer, omdat de energie toeneemt / afneemt. Daardoor komen de deeltjes verder uit elkaar / dichter bij elkaar te liggen. Ze hebben meer / minder bewegingsruimte.

T = koud / warm T = koud / warm
b Bij hoge temperaturen van de lucht zet de vloeistof in de thermometer uit / krimpt de vloeistof in de thermometer, omdat de energie toeneemt / afneemt. Daardoor komen de deeltjes verder uit elkaar / dichter bij elkaar te liggen. Ze hebben meer / minder bewegingsruimte.
c De stof in de thermometer verandert / verandert niet bij temperatuurschommelingen.
3 Herlees de zinnen bij vraag 2.
Zijn de veranderingen in een vloeistofthermometer een fysisch verschijnsel?
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
af – fysisch – krimpen – meer – minder – toe – uitzetten – vergroot – verkleint
Wanneer de temperatuur stijgt: Wanneer de temperatuur daalt: - bewegen de deeltjes
- neemt de ruimte tussen de deeltjes - het volume, - zal de stof - bewegen de deeltjes - neemt de ruimte tussen de deeltjes - het volume, - zal de stof
De deeltjes zelf veranderen niet. Het uitzetten en krimpen van stoffen is een verschijnsel.


vast vloeibaar gasvormig
= materie verandert niet.
FASEOVERGANGEN
= aggregatietoestand verandert.
bij toename van energie → temperatuurstijging - smelten - verdampen - sublimeren
bij het wegnemen van energie → temperatuurdaling - stollen - condenseren - desublimeren
Ik kan …
de stoffen uit mijn omgeving indelen volgens aggregatietoestand.
VOLUMEVERANDERING
= aggregatietoestand verandert niet.
bij toename van energie → temperatuurstijging
deeltjes bewegen meer en liggen verder uit elkaar → uitzetten


bij het wegnemen van energie → temperatuurdaling deeltjes bewegen minder en liggen dichter bij elkaar → krimpen
Ik vind dit op:
p. 15-19, 26 en 27
het juiste deeltjesmodel bij de aggregatietoestand aanduiden. p. 18 en 27
uitleggen dat bij fysische verschijnselen de deeltjes niet veranderen.

p. 18, 21, 23 en 24
het juiste deeltjesmodel bij fysische verschijnselen aanduiden. p. 18, 21 en 23
met behulp van het schema de juiste faseovergang aanduiden bij situaties uit mijn leefomgeving.
fiche 4, opzoekboekje A met een deeltjesmodel uitleggen wat er gebeurt tijdens een faseovergang.
p. 18 en 27 met een deeltjesmodel uitleggen wat er gebeurt tijdens het krimpen van een stof.
p. 21, 23 en 25 met een deeltjesmodel uitleggen wat er gebeurt tijdens het uitzetten van een stof.
p. 21, 23 en 25 in een gegeven situatie uit mijn leefomgeving voorspellen of stoffen krimpen of uitzetten.
p. 20, 22, 24, 25 en 28
1 Noteer voor elke materie in welke aggregatietoestand ze voorkomt bij kamertemperatuur (= 20°C).
materie aggregatietoestand (=fase) bij kamertemperatuur
a het blikje
b de bruisende inhoud van het blikje
c melk d keukenzout
2 Alle materiedeeltjes bewegen. Rangschik de aggregatietoestanden door ze te nummeren. 1 = minst bewegen, 3 = meest bewegen
a bij vaste stofffen:
b bij vloeistoffen:
c bij gassen:
3 In welke aggregatietoestand komen de onderstaande stoffen voor?
a Kijk goed naar de afbeeldingen.
b Noteer in kolom 2 de verschillende soorten materie die je ziet.
c Noteer in kolom 3 de aggregatietoestand voor elke stof.
afbeelding materie aggregatietoestand

ijsschaatsen

ballonnen met helium
4 Verbind met een lijn het deeltjesmodel van alcohol met de juiste aggregatietoestand.



vast
vloeibaar
5 Welke faseovergang ondergaan de stoffen?
a Neem het stickerblad op p. 39.
b Kleef in rij 1 de juiste afbeelding.
c Markeer de juiste temperatuurverandering in rij 3.
gasvormig
d Zoek de juiste naam van de faseovergang op fiche 4 in opzoekboekje A.
Noteer de naam in rij 4.
e Noteer in rij 5 de aggregatietoestand van de stof na de faseovergang.
situatie
aggregatietoestand voor faseovergang vast vloeibaar gasvormig
temperatuurverandering - opwarmen - afkoelen - opwarmen - afkoelen - opwarmen - afkoelen faseovergang
aggregatietoestand na faseovergang
6 Hoe werken uitzetvoegen bij bruggen?
a Markeer wat juist is.
- Als het kouder wordt, zal het wegdek uitzetten / krimpen.
- Dan wordt de afstand tussen de platen groter / kleiner.
- Door de vorm van de platen is er wel een / geen gleuf tussen het vaste wegdek en de brug.

b Hoe beschermen uitzetvoegen het wegdek? Noteer je antwoord.
c Je ziet op de afbeeldingen vier voorbeelden van uitzetvoegen. Waar vind je nog uitzetvoegen? Zoek voorbeelden in je leefomgeving en noteer ze hieronder.




Hoe wordt vuurwerk gemaakt?
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Noteer wat jij vindt van vuurwerk.

2 Wat weet je al over chemische verschijnselen?
3 Wat wil je nog leren?
LEERDOELEN
Je leert nu: wat een chemisch verschijnsel is. wat het verschil is tussen een fysisch en een chemisch verschijnsel. het verschil tussen een fysisch en een chemisch verschijnsel uitleggen aan de hand van een deeltjesmodel. dat een chemisch verschijnsel hetzelfde is als een stofomzetting.
OPDRACHT 1: Onderzoek het verschil tussen een fysisch ver schijnsel en een chemische VERSCHIJNSEL
ONDERZOEK
1 Onderzoeksvraag
Waarin verschilt de faseovergang van vloeibare naar vaste toestand bij kaarsvet en eiwit?

2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUIST ANTWOORD IS?

3 Benodigdheden: wat heb je nodig?
kaarsvet (paraffine) warm water 2 proefbuizen proefbuisrekje gescheiden eiwit 2 maatbekers van 250 ml koud water alcoholstift chronometer fiche 3 in opzoekboekje A ovenhandschoen
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Gebruik de ovenhandschoen om je niet te verbranden.
4 Werk wijze: hoe ga je aan de slag?
1 Noteer op proefbuis 1 de letter K en op proefbuis 2 de letter E.
2 Plaats de proefbuizen in het proefbuisrekje.
3 Nummer de maatbekers door er 1 en 2 op te noteren.
4 Vul proefbuis K voor de helft met stukjes kaarsvet.
5 Vul proefbuis E voor de helft met eiwit.
6 Noteer bij waarneming 1 de aggregatietoestand van het kaarsvet en het eiwit.
7 Noteer bij waarneming 1 de kleur van het kaarsvet en het eiwit.
8 Vul maatbeker 1 met 200 ml warm water.
9 Plaats de proefbuizen in de maatbeker met warm water.
10 Wacht 2 minuten, gebruik de chronometer als timer.
11 Noteer bij waarneming 2 de aggregatietoestand van het kaarsvet en het eiwit.
12 Noteer bij waarneming 2 de kleur van het kaarsvet en het eiwit.
13 Vul maatbeker 2 met 200 ml koud water.

14 Plaats de proefbuizen in de maatbeker met koud water.
15 Wacht 2 minuten.
16 Noteer bij waarneming 3 de aggregatietoestand van het kaarsvet en het eiwit.
17 Noteer bij waarneming 3 de kleur van het kaarsvet en het eiwit.
18 Markeer de juiste antwoorden in het besluit.
5 Waarneming: wat zie je?
kaarsvet eiwit
aggregatietoestand kleur aggregatietoestand kleur
waarneming 1
waarneming 2
waarneming 3
6 Besluit : WAT BESLUIT JE?
- Kaarsvet wordt vast bij opwarmen / afkoelen.
- Eiwit wordt vast bij opwarmen / afkoelen.
7 Reflectie


a Bekijk wat er met de kaarsvetdeeltjes gebeurt tijdens de faseovergang. Markeer in de tabel de juiste woorden.
kaarsvet kaarsvet kaarsvet
aggregatietoestand
vloeibaar/vast vloeibaar/vast vloeibaar/vast
b Bekijk wat er met de eiwitdeeltjes gebeurt tijdens de faseovergang. Markeer in de tabel de juiste woorden.
aggregatietoestand
vloeibaar/vast vloeibaar/vast vloeibaar/vast
c Door de temperatuur te laten stijgen, wordt het kaarsvet vloeibaar. Door hem te laten dalen, wordt het terug vast. Dat proces is omkeerbaar. De stof verandert niet, dit is een fysisch verschijnsel. Eiwit verandert na temperatuurveranderingen wel. Je kunt een gekookt ei niet terug rauw maken. Dit is niet omkeerbaar, dit is een chemisch verschijnsel.
Maar de wetenschap staat nooit stil.
In 2015 ontdekten wetenschappers o.l.v. professor Gregory A. Weiss een manier om hardgekookt eiwit weer 'ongekookt' en vloeibaar te maken. De uitvinding werd belangrijk om tijd en kosten te besparen in de voedings- en geneesmiddelenindustrie, de landbouw en zelfs voor toepassingen in de behandeling van kanker.
d Herlees je hypothese op p. 30.
e Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats afstand tussen - meestal niet - samenstelling van - wel
- Bij een fysisch verschijnsel is het proces omkeerbaar.
De de deeltjes verandert.
- Bij een chemisch verschijnsel is het proces omkeerbaar.
De de deeltjes verandert.
OPDRACHT 2: Onderzoek wat er gebeurt als je suiker verwarmt ONDERZOEK
1 Onderzoeksvraag
Wat gebeurt er als je suiker verwarmt?
2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
3 Benodigdheden: wat heeft je leerkracht nodig? proefbuisrekje lucifers bunsenbrander proefbuis witte kristalsuiker fiche 4 in opzoekboekje A proefbuisklem spatel
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Houd een veilige afstand.
4 Werk wijze: Hoe GAAT JE LEERKRACHT
a an de slag?
1 Een proefbuis met suiker wordt kort verwarmd.
2 Noteer wat je ziet bij waarneming 1
3 De proefbuis met suiker wordt verder verwarmd.
4 Noteer wat je ziet bij waarneming 2
5 Noteer wat je ruikt bij waarneming 3
6 De proefbuis met suiker wordt nu nog verder verwarmd.
7 Noteer de kleur bij waarneming 4
8 Zie je nog iets in de proefbuis? Noteer dit bij waarneming 5

9 Maak gebruik van fiche 4 in opzoekboekje A om de woorden op de juiste plaats in het besluit in te vullen.
5 Waarneming: Wat ZIE JE?
waarneming 1
waarneming 2
waarneming 3
waarneming 4
waarneming 5
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
aggregatietoestand – geur – kleur – smelt
Bij het verwarmen verandert eerst de van suiker.
De suiker
Vervolgens verandert de suiker van en
7 Reflectie
Door warmte toe te voegen aan suiker worden andere stoffen gevormd. De zwarte stof die ontstaat is koolstof. Er ontstaan ook waterdruppels in de proefbuis.

Bij een verbranding zijn warmte en zuurstofgas uit de lucht nodig.
a Bekijk de deeltjesmodellen.

b Markeer de juiste woorden.
- De rode figuurtjes stellen suikerdeeltjes / koolstofdeeltjes / waterdeeltjes voor.
- De grijze figuurtjes stellen suikerdeeltjes / koolstofdeeltjes /waterdeeltjes voor.
- De blauwe figuurtjes stellen suikerdeeltjes / koolstofdeeltjes / waterdeeltjes voor.
- De deeltjes blijven gelijk / veranderen. Het verwarmen van suiker is een fysisch verschijnsel / chemisch verschijnsel.
- Je stelt het verschijnsel voor met een pijltje / plusteken.
c Herlees je hypothese op p. 32.
d Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Bij een chemisch verschijnsel worden de oorspronkelijke deeltjes omgezet in andere deeltjes. Een chemisch verschijnsel wordt daarom ook een stofomzetting genoemd.
Dit is een fysisch verschijnsel - verandert de aggregatietoestand = faseovergang - verandert de aggregatietoestand niet = uitzetten of krimpen - omkeerbaar

voorbeeld: smeltende sneeuwman
Ik kan …
Dit is een chemisch verschijnsel of stofomzetting - er ontstaan nieuwe deeltjes - meestal niet omkeerbaar
voorbeeld: bakken van vlees JA
Ik vind dit op: uitleggen dat bij fysische verschijnselen geen stofveranderingen plaatsvinden.

p. 30-32, 35 en 36 uitleggen dat bij chemische omzettingen wel stofveranderingen plaatsvinden.
p. 32-34 en 36 een ander woord geven voor chemische verschijnselen.
p. 34 en 35 met een deeltjesmodel uitleggen wat er gebeurt tijdens een chemische omzetting.
p. 31, 34 en 36 voorbeelden uit mijn leefomgeving indelen in fysische verschijnselen en chemische verschijnselen
p. 31, 33, 35 en 36 bij chemische verschijnselen het juiste deeltjesmodel aanduiden.
p. 34 en 36
1 Zijn dit voorbeelden van fysische of chemische verschijnselen?
a Neem het stickerblad op p. 39.
b Kleef de voorbeelden van fysische verschijnselen in de bovenste rij.
c Kleef de voorbeelden van chemische verschijnselen in de onderste rij. fysisch verschijnsel chemisch verschijnsel
2 Wat gebeurt er bij het verbranden van aardgas?
a Bekijk de deeltjes na de verbranding van aardgas.
b Welk soort verschijnsel is het verbranden van aardgas? Markeer het juiste antwoord. - fysisch verschijnsel - chemisch verschijnsel
c Hoeveel deeltjes tel je in totaal in het model?
d Hoeveel verschillende soorten deeltjes tel je in het model?
e Hoeveel verschillende soorten stoffen tel je bij dit chemisch verschijnsel?
´ Verder oefenen? Ga naar

hoofdstuk woord verklaring
3 aggregatietoestand
4 chemisch verschijnsel
Vorm waarin materie zich kan bevinden: vast, vloeibaar of gasvormig.
Situatie waarbij de materie verandert, er wordt een nieuwe stof gevormd.
3 condenseren faseovergang van gasvormig naar vloeibaar
1 deeltje een bouwsteen van materie
1 deeltjesmodel
Een model om materie voor te stellen. Elk soort deeltje wordt met een ander figuurtje voorgesteld.
3 desublimeren faseovergang van gasvormig naar vast
3 faseovergang overgang tussen verschillende aggregatietoestanden
3 fysisch verschijnsel
Situatie waarbij de materie niet verandert, de deeltjes blijven hetzelfde.
3 gasvormig Aggregatietoestand waarbij de deeltjes geen vaste plaats hebben en door elkaar vliegen.
3 krimpen Door temperatuurdaling verkleint de afstand tussen de deeltjes, het volume verkleint.
1 materie Voorwerpen zijn opgebouwd uit stoffen of materie. Materie bestaat uit deeltjes.
2 mengsel Materie die bestaat uit verschillende soorten deeltjes.
3 smelten faseovergang van vast naar vloeibaar
4 stofomzetting, chemische omzetting
Situatie waarbij de materie verandert, er wordt een nieuwe stof gevormd.
3 stollen faseovergang van vloeibaar naar vast
3 sublimeren faseovergang van vast naar gasvormig
3 uitzetten Door temperatuurstijging vergroot de afstand tussen de deeltjes, het volume vergroot.
3 vast Aggregatietoestand waarbij de deeltjes een vaste plaats hebben en trillen.
3 verdampen faseovergang van vloeibaar naar gasvormig
vloeibaar Aggregatietoestand waarbij de deeltjes geen vaste plaats hebben en over elkaar rollen.
3 volume De ruimte die een voorwerp inneemt.
2 zuivere stof Materie die bestaat uit één soort deeltjes.
p. 27 opdracht 1



p. 36 opdracht 1

thee zetten

room opkloppen

olie en azijn samenvoegen voor vinaigrette

met benzine de auto laten rijden

kaars branden

kaars branden
Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, extra oefeningen ...
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een bijkomend audio- of videofragment zijn, een woorden- of begrippenlijst, extra bronnen of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Adaptieve oefeningen
Met adaptieve oefeningen kun je de leerstof inoefenen op jouw niveau. Hier kun je vrij oefenen of de oefeningen maken die de leerkracht voor je heeft klaargezet.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen?
Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud?
Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment zelf kunt bekijken of beluisteren op je smartphone.
Als je dit icoon ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
Frieda Goossens
Nathalie Lapere
Sofie Timmerman
Ontdek het onlineleerplatform iDiddit! Vooraan in dit boek vind je de activatiecode. Activeer snel je account op www.ididdit.be en maak er een geweldig schooljaar van!
ISBN 978-94-651-4363-7 611632
vanin.be
Via www.ididdit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij MicroScoop.
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be.
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit.
Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
ACTIVEER DEZE LICENTIE
PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START VANAF ACTIVATIE EN IS 365 DAGEN GELDIG.
!Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode MicroScoop van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en veel mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
credits
p. 4 zweefvliegtuig © Grobler du Preez / shutterstock.com, p. 14 boormachine © Muhammad Haris D / shutterstock.com, p. 30 jetpack © Larry Gibson / Shutterstock.com , p. 36 motorkracht © cristiano barni / shutterstock.com, p. 44 tsunami © Kotaro Nakatani / shutterstock.com
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4363-7
D/2026/0078/61
Art. 611632/01
NUR 120
Instructietaal
Ontwerp: B.AD
Opmaak: Ontvlambaar
Covertekening: Geert Verlinde
Tekeningen binnenwerk: Geert Verlinde
Afbeelding energiescore op p. 10: Brochure “Ga ook voor een topscore! –Het nieuwe EPC”, uitgave november 2018, verantwoordelijke uitgever: Luc Peeters, administrateur-generaal, Vlaams Energieagentschap. www.energiesparen.be
De volgende instructies heb je nodig in je themabundel: Vink aan

Hoe kneedt Urbanus deeg?
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Wat gebeurt er?

b Markeer in de woordenwolk in je antwoord bij vraag a wat ervoor zorgt dat de machines werken.
2 Wat weet je al over energieomzettingen?
3 Wat wil je nog leren over energieomzettingen?
LEERDOELEN
Je leert nu: wat duurzame en niet-duurzame energiebronnen zijn. wat de verschillende energievormen zijn aan de hand van voorbeelden uit het dagelijkse leven.
hoe de ene energievorm in een andere wordt omgezet. hoe je duurzaam met energie kunt omgaan. of je zelf duurzaam met energie omgaat.
OPDRACHT 1: Ontdek welke energiebronnen er zijn
Je leerde in de lagere school dat er energie nodig is om grondstoffen en materialen te vervormen, te veranderen, te bewegen en te verbinden. Energiebronnen kunnen gebruikt worden om die energie te leveren. Tip
1 Bekijk de afbeeldingen van verschillende energiebronnen.
a Benoem de verschillende energiebronnen. Kies uit: aardgas – aardolie – aardwarmte – steenkool – voedsel – water – wind – zon








b De energiebronnen zijn in twee groepen ingedeeld. Markeer de eigenschappen van elke groep. duurzame energiebronnen niet-duurzame energiebronnen
- Ze kunnen telkens opnieuw worden gebruikt.
- Ze zijn ontstaan uit afgestorven organismen.
- Ze komen in beperkte hoeveelheid voor.
- Ze komen in onbeperkte hoeveelheid voor.
- Ze geraken ooit uitgeput.
- Ze geraken nooit uitgeput.
- Ze kunnen telkens opnieuw worden gebruikt.
- Ze zijn ontstaan uit afgestorven organismen.
- Ze komen in beperkte hoeveelheid voor.
- Ze komen in onbeperkte hoeveelheid voor.
- Ze geraken ooit uitgeput.
- Ze geraken nooit uitgeput.
c Noteer de energiebronnen in de juiste kolom.
duurzame energiebronnen niet-duurzame energiebronnen
Energie komt tot stand door het gebruik van energiebronnen.
- Niet-duurzame energiebronnen zijn niet hernieuwbaar Weetje
2 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Beschrijf wat je gezien hebt.
b Wat zorgt ervoor dat de bloem beweegt?
- Duurzame energiebronnen worden ook hernieuwbare energiebronnen genoemd.

c Welke energiebron wordt er gebruikt?
d Wat denk je dat er zal gebeuren als het zonnepaneel niet belicht wordt?
e Vul de zin verder aan. Gebruik hiervoor de volgende woorden:
bewegen – energie – energiebron – geleverde
De bloem kan
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
duurzame – niet-duurzame – nooit – ooit
Een energiebron bevat energie.
Zon, water, wind, aardwarmte en voedsel zijn energiebronnen.
Die raken uitgeput.
Steenkool, aardolie en aardgas zijn energiebronnen.
Ze raken dus uitgeput.
OPDRACHT 2: Ontdek ver schillende energievormen in je leefomgeving
1 Bekijk de zes energievormen.
a Lees de omschrijvingen van de energievormen.
b Kun je de verschillende energievormen koppelen aan de bijbehorende omschrijving?
Noteer in het rooster de juiste letter-cijfercombinatie.
energievorm omschrijving
A kinetische energie
B chemische energie
C stralingsenergie
D elektrische energie
E potentiële energie
F thermische energie
Weetje
1 Energie die in elektriciteit zit.
2 Energie die opgeslagen zit in voeding en andere energierijke stoffen.
3 Energie die voorkomt in de vorm van warmte.
4 Energie die een bewegend lichaam of voorwerp bezit.
5 Energie die voorkomt in de vorm van licht en andere stralingsbronnen.
6 Energie die een lichaam of voorwerp bezit als het zich op hoogte bevindt.
- Kinetische energie is hetzelfde als bewegingsenergie.
- Thermische energie is warmte.
2 Neem het stickerblad op p. 51.
Kleef de afbeelding bij de juiste energievorm.
kinetische energie stralingsenergie potentiële energie
thermische energie
chemische energie elektrische energie
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
chemische energie – elektrische energie – kinetische energie – potentiële energie –stralingsenergie – thermische energie
- een appel aan een boom:
- een vallende appel:
- water koken:
- een batterij:
- het aanzetten van een koffieapparaat:
- zonnestralen:
OPDRACHT 3: Ontdek ver schillende energieomzettingen in je leefomge ving
- Energie kan niet gemaakt worden en niet vernietigd worden.
- Energie kan enkel omgezet worden van de ene vorm naar de andere.
1 Bekijk de afbeeldingen van de energieomzettingen.
a Lees de energieomzettingen in kolom 3.
b Vul de acties in kolom 2 aan.

acties
Je houdt een
klaar om te

Je wrijft je
enkele keren over elkaar.

Je steekt de stekker van de
in het stopcontact en zet het toestel

Je wrijft de
over de zijkant van het .
energieomzettingen
van chemische energie van het lichaam È
naar kinetische energie van de bewegende bowlingbal
van kinetische energie van de handen È
naar thermische energie afgegeven door de handen
van elektrische energie afgegeven door het stopcontact en de gsm
naar stralingsenergie + thermische energie afgegeven door de gsm
van kinetische energie van de hand en chemische energie van de lucifer
naar thermische energie + stralingsenergie afgegeven door de lucifer
2 Bekijk de afbeeldingen van de energieomzettingen.
a Lees de omschrijvingen boven de afbeeldingen.
b Noteer de ontbrekende energievormen op de juiste plaats. Kies uit: chemische energie – kinetische energie – thermische energie
- Flynn rijdt met de fiets naar de pingpongclub.

- Voor hij zijn training start, drinkt hij.


- Flynn wil krachtig opslaan waardoor het pingpongballetje energie krijgt en over het net vliegt. + van het lichaam


+ tijdens het trainen van het lichaam
om de fiets in beweging te krijgen van het lichaam
van het pingpongballetje na het drinken
voor het krachtige opslaan van het pingpongballetje
- Je stelt vast dat voorwerpen en lichamen energie verbruiken. Voorwerpen en lichamen bewegen en krijgen energie.
- Je merkt dat energie steeds wordt omgezet en steeds behouden blijft.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
energie – energieomzetting – vorm
Bij een wordt van de ene vorm naar een andere omgezet.
OPDRACHT 4: Onderzoek hoe je duurzaam kunt omgaan met energie
1 Ontdek of de elektriciteit thuis uit duurzame energiebronnen afkomstig is.
a Bekijk de afbeeldingen.
b Kruis de juiste antwoorden aan.
productie van elektriciteit energiebron energieomzetting



zon wind water lucht
aardwarmte
zon wind water lucht
aardwarmte
kinetische energie Ò elektrische energie
chemische energie Ò elektrische energie
stralingsenergie Ò elektrische energie
thermische energie Ò elektrische energie
kinetische energie Ò elektrische energie
chemische energie Ò elektrische energie
stralingsenergie Ò elektrische energie
thermische energie Ò elektrische energie
zon wind water lucht
aardwarmte
kinetische energie Ò elektrische energie
chemische energie Ò elektrische energie
stralingsenergie Ò elektrische energie
thermische energie Ò elektrische energie
c Kruis de energiebron aan die jullie thuis gebruiken. zon wind water lucht aardwarmte geen van bovenstaande
d Markeer het juiste antwoord
Dit is een duurzame / niet duurzame energiebron.
2 Ga jij zuinig om met energie?
a Lees de stellingen in kolom 1.
b Zijn de stellingen juist of fout?
Zet een kruisje in de juiste kolom.

stelling juist fout
Je mag na het opladen van je smartphone de lader in het stopcontact laten steken.
Je gebruikt beter het snelle programma van de vaatwasser dan het ecoprogramma.
Als je water verwarmt om een kop thee te zetten, verbruik je met een waterkoker minder energie dan met een microgolfoven.
3
Denk na over je energieverbruik.
a Hoe kun jij zelf energie besparen? Noteer drie voorbeelden.
b Vertel aan je klasgenoten hoe je energie kunt besparen.
c Noteer welke tips van je klasgenoten jij meeneemt om zuiniger om te gaan met energie. tip: tip: tip: tip:
4 De overheid voert campagne om meer energie te besparen. Daarvoor werden energielabels ontwikkeld.
a Zoek op internet naar een afbeelding van een energielabel van een wasmachine.
Een energielabel van een elektrisch toestel geeft je informatie over het energieverbruik van dat toestel.
b Kleef het label in de tabel.
energielabel wasmachine
c Dit toestel behoort tot energieklasse
d Dat betekent dat dit toestel wel / niet energiezuinig is.
e Is jouw toestel energiezuiniger dan dat van één van je klasgenoten? Leg uit.
5 Bekijk de afbeelding van een voorbeeld van een energieprestatiecertificaat op de volgende bladzijde.
- Het energielabel van een woning toont aan hoe energiezuinig een woning is.
- De oude versie van een energielabel van een woning is het energieprestatiecertificaat (EPC). Het getal op het certificaat is de energiescore, de EPC-waarde van het gebouw.

a Ergens in je school hangt een EPC voor de schoolgebouwen op. Ga op zoek naar het document en maak een foto.
b Kleef de foto naast het voorbeeld hierboven.
c Bekijk hierboven het energieprestatiecertificaat van de schoolgebouwen en hiernaast de afbeelding van een blanco energielabel.
d Markeer het juiste antwoord.
- Hoe lager / hoger de energiescore, hoe energiezuiniger een gebouw is.
- De energiescore van de schoolgebouwen komt overeen met label A+ / A / B / C / D / E / F.
- De schoolgebouwen zijn wel / geen energiezuinige gebouwen.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
A – duurzame energiebron – energielabels – energieverbruik (2x) – energiezuinige
Je kunt duurzaam omgaan met energie door

- voor de productie van elektriciteit een te gebruiken.
- na te denken over je
- bij aankoop van een elektrisch toestel de te vergelijken.
Die geven je informatie over het van een toestel.
Toestellen met een zuinig energieverbruik vind je in klasse .
- bewust te kiezen voor een woning.
ENERGIE
ENERGIEBRONNEN
ENERGIEVORMEN
AARDOLIE
AARDGAS
STEENKOOL
NIETDUURZAAM
WATER
AARDWARMTE
VOEDSEL
LUCHT
DUURZAAM
KINETISCHE ENERGIE
CHEMISCHE ENERGIE
STRALINGSENERGIE
ELEKTRISCHE ENERGIE
POTENTIËLE ENERGIE
THERMISCHE ENERGIE
Energie wordt van de ene energievorm omgezet naar een andere energievorm = ENERGIEOMZETTING
Ik kan … Ik vind dit op: voorbeelden van energiebronnen geven.
p. 2, 3, 11 en 12 de verschillende energiebronnen op een afbeelding aanduiden.
p. 2, 7 en 12 uitleggen wat duurzame en niet-duurzame energiebronnen zijn.
p. 2, 3 en 12 in voorbeelden uit het dagelijkse leven verschillende energievormen aanduiden.
p. 4, 5 en 13 op afbeeldingen de voorgestelde energievorm aanduiden.
p. 4 en 13 in voorbeelden uit het dagelijkse leven uitleggen dat de ene energievorm in de andere kan worden omgezet.
p. 5-7 en 14 voorbeelden geven van hoe je duurzaam met energie kunt omgaan.
p. 7-9 en 10 een energielabel uitleggen.
p. 8 en 10
p. 9 en 15 voorbeelden van duurzame energietips geven.
1 Bekijk de afbeeldingen van de energiebronnen.
a Benoem de energiebronnen in kolom 2.
b Zijn dit duurzame energiebronnen? Plaats een kruisje in de juiste kolom.
afbeelding energiebron duurzaam niet-duurzaam



2 Leg in je eigen woorden uit wat het verschil is tussen duurzame en niet-duurzame energiebronnen.

3 Kruis alle energievormen aan die je herkent op de afbeelding.


potentiële energie
elektrische energie
kinetische energie
thermische energie
chemische energie
stralingsenergie
potentiële energie
elektrische energie
kinetische energie
thermische energie
chemische energie
stralingsenergie
4 Kijk rond in de klas. Noteer voor elke energievorm een voorbeeld.
potentiële energie
elektrische energie
kinetische energie
thermische energie
chemische energie
stralingsenergie
energievormen voorbeeld in de klas
potentiële energie
elektrische energie
thermische energie
kinetische energie
chemische energie
stralingsenergie
5 Noteer de energieomzetting die je op de afbeelding herkent.



6 Plaats een kruisje onder de technische toepassingen waarbij elektrische energie wordt omgezet in kinetische energie.




7 Bekijk de energielabels van twee verschillende tv-toestellen.
TV 1 TV 2


a Markeer het juiste antwoord. - Tv 1 is duurzamer dan tv 2. v 1 is minder duurzaam v 2.
eg uit hoe je tot je antwoord
Waarom moet je eten en drinken?
1 Luister naar het lied op iDiddit.
a Wat moet je volgens de zangeres eten en drinken om fit te zijn? Noteer het antwoord in de woordenwolk.

b Wat krijg je volgens de zangeres als je een gezonde maaltijd eet?
2 Wat weet je al over energieomzettingen in organismen?
3 Wat wil je nog leren over energieomzettingen in organismen?
LEERDOELEN
Je leert nu:
waar planten hun energie vandaan halen. wat fotosynthese is. hoe de plant water en mineralen uit de grond haalt.
hoe de energie- en stofomzettingen bij een plant gebeuren. waar dieren hun energie vandaan halen. waar de mens zijn energie vandaan haalt.
OPDRACHT 1: Ontdek de delen van een bloemplant en hun functie
Bekijk de afbeelding van de bloemplant.
a Benoem de delen van de bloemplant. Kies uit:
blad – bloem – stengel – wortel
b Kun je de delen van de bloemplant koppelen aan hun functie? Noteer de juiste letter-cijfercombinatie. bloemplant

Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
bladeren – bloemen – stengels – wortels
a zorgen voor de voortplanting
b vervoeren van water en mineralen in de plant
c verdampen van water
d opnemen van water en mineralen uit de bodem
Een bloemplant bestaat uit vier delen, elk met een eigen functie.
- : nemen water en mineralen op uit de bodem.
- : vervoeren het opgenomen water en de mineralen in de plant.
- : - vervoeren het opgenomen water en de mineralen.
- verdampen het water
- : zorgen voor de voortplanting.
OPDRACHT 2: Ontdek waar planten hun energie vandaan halen
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
2 Bekijk de afbeelding van de plant.
Noteer de begrippen in de kaders. Kies uit: bodem – glucose – koolstofdioxide – lucht – water – zonlicht – zuurstofgas
mineralen
3 Beantwoord de vragen.
a Welke stoffen neemt de plant op - uit de lucht? - uit de bodem?
b Welke stof maakt de plant in het blad?
c Welke stof komt daarbij vrij?
4 In de plant gebeurt er een stofomzetting. Je ziet hieronder een manier om dat voor te stellen.
a Noteer de begrippen op de juiste plaats. Kies uit: glucose – koolstofdioxide – water en mineralen– zuurstofgas
b Voor deze stofomzetting heeft de plant energie nodig. Noteer waar de plant de energie vandaan haalt.
c De plant zet die energie van de zon om in een andere energievorm. Noteer deze energievorm. van stralingsenergie naar
Het proces waarbij in de plant stralingsenergie wordt omgezet in chemische energie heet fotosynthese
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
chemische energie – glucose – koolstofdioxide – stofomzetting – water en mineralen –zon – zuurstofgas
- Tijdens de fotosynthese gebeurt er in de plant:
• een
met stralingsenergie in bladgroenkorrels
• een energieomzetting: van stralingsenergie van de naar van de glucose uit de lucht energierijke stof komt vrij uit de bodem
OPDRACHT 3: ONTDEK HOE PL ANTEN AANGEPAST ZIJN AAN DE OPNA ME VAN WATER EN MINERALEN
Net als alle andere organismen heeft een plant energierijke voedingsstoffen nodig om te groeien en in leven te blijven. De plant maakt die stoffen zelf. Daarvoor heeft hij water en mineralen uit de bodem nodig.
Onderzoek welk plantendeel voor de opname van water en mineralen zorgt.
ONDERZOEK
1 Onderzoeksvraag
Welk plantendeel zorgt voor de opname van water en mineralen?
2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS? de wortel de stengel het blad
3 BENODIGDHEDEN: WAT HEB JE NODIG?
4 maatbekers water olie eosine alcoholstift koffielepel rood krijtpoeder 3 bloemplanten met wortel en witte bloemen
4 WERK WIJZE: HOE GA JE AAN DE SLAG?
1 Nummer de maatbekers met een alcoholstift van 1 tot 4.
2 Vul alle bekers voor de helft met water.
3 Plaats een eerste bloemplant in maatbeker 2. Voeg hier 4 druppels eosine toe.
4 Plaats een tweede bloemplant in maatbeker 3. Voeg hier een beetje rood krijtpoeder toe.
5 Verwijder van de derde bloemplant de fijnste worteldeeltjes, de wortelhaartjes
6 Plaats deze bloemplant in maatbeker 4.
7 Giet in elk van de vier maatbekers een laagje olie op het wateroppervlak, om verdamping te vermijden. Zorg ervoor dat de wortels volledig onder water zitten voordat je olie toevoegt.
8 Laat de proefopstelling staan tot de volgende les.
9 Bekijk maatbeker 1. Vink het juiste antwoord aan in kolom 3 van waarneming 1
10 Vergelijk maatbeker 2 en 3.
- Markeer wat je ziet in kolom 2 bij waarneming 2
- Vink het juiste antwoord aan in kolom 3 van waarneming 2
11 Vergelijk maatbeker 3 en 4.
- Markeer wat je ziet in kolom 2 bij waarneming 3
- Vink het juiste antwoord aan in kolom 3 van waarneming 3
12 Noteer de ontbrekende woorden in het besluit.
5 Waarneming: WAT ZIE JE?
waarneming 1
waarneming 2 In beker 2: plantje is verkleurd / niet verkleurd.
In beker 3: - plantje is verkleurd / niet verkleurd. - het krijtpoeder is opgelost / niet opgelost.
waarneming 3 In beker 4: plantje is verkleurd / niet verkleurd.
Waterniveau in beker 1 is gedaald gelijk gebleven gestegen
Waterniveau in beker 2 is gedaald gelijk gebleven gestegen
Waterniveau in beker 3 is gedaald gelijk gebleven gestegen
Waterniveau in beker 4 is gedaald gelijk gebleven gestegen
6 BESLUIT: wat besluit je?
De van de zorgen voor opname van en
7 Reflectie
Bekijk de afbeelding van een wortel.
a Kleur op de afbeelding de wortelhaartjes, die voor de opname van mineralen zorgen.
b Herlees je hypothese op p. 20.
c Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Planten hebben om en uit de bodem te halen.










OPDRACHT 4: Bekijk hoe de energie - en stofomzetting in het bl ad gebeurt
1 Waar in het blad gebeuren de omzettingen?
a Bekijk de afbeeldingen.



b Beantwoord de vragen.










stralingsenergie













































- Langs welke deeltjes van het blad neemt de plant koolstofdioxide op?











- Langs welke deeltjes van het blad geeft de plant zuurstofgas af?
bladgroenkorrels

opname van koolstofdioxide via huidmondje afgifte van zuurstofgas via huidmondje





- In welke deeltjes van het blad gebeurt de energie- en stofomzetting?



Bladgroenkorrels zijn microscopisch kleine deeltjes van de plantencel waarin de fotosynthese gebeurt, op voorwaarde dat ze licht krijgen. Planten zonder bladgroenkorrels kunnen niet aan fotosynthese doen.
2 Je kunt de energie- en stofomzetting in het blad voorstellen met een model.
a Bekijk de afbeelding van het blad.
b Noteer de begrippen op de juiste plaats. Kies uit:
bladgroenkorrel – glucose – huidmondje – koolstofdioxide – water en mineralen –zonnestralen – zuurstofgas
blad stengel
stengel
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
blad
cel in het blad
cel in het blad
blad – bladgroenkorrels – cel – energie – energieomzetting – glucose – huidmondjes –huidmondjes – koolstofdioxide – lucht – stofomzetting –water en mineralen – zuurstofgas
- In de van het blad gebeurt
• een .
• een .
- De bladgroenkorrels bevinden zich in een van het blad.
- Voor de stofomzetting worden vervoerd via de wortel en de stengel naar het .
- Via de komt uit de in het blad.
- De van de zon wordt gebruikt om (chemische energie) te vormen.
- Via de uit het blad komt vrij in de omgeving.
OPDRACHT 5: Ontdek waar dieren hun energie vandaan halen
Bekijk de afbeeldingen van de etende dieren.
a Groepeer de dieren volgens het soort voedsel dat ze eten. Welke afbeeldingen passen bij elkaar?




b Plaats de nummers van de afbeeldingen bij de juiste groep.


planteneters vleeseters
c Markeer het juiste antwoord.
- Planten worden opgegeten door planteneters / vleeseters.
- Planteneters / vleeseters eten planteneters.
- Vleeseters worden opgegeten door planteneters / vleeseters.
Vul de ontbrekende woorden in.
- Een planteneter haalt zijn energie uit .
- Een vleeseter haalt zijn energie uit .
OPDRACHT 6: Ontdek waar mensen hun energie vandaan halen
1 Wat heb je deze ochtend gegeten? Noteer.
Alles wat je eet of drinkt, noem je voedingsmiddelen.
2 Bekijk de voedingswaardetabel van 30 g Rice Krispies op de verpakking.

verpakking
voedingswaardetabel
a Markeer de energiewaarde voor 30 g van dit voedingsmiddel in de voedingswaardetabel.
b Noteer de energiewaarde voor 100 g ontbijtgranen.
c Wat is de energiewaarde van - 200 g ontbijtgranen?
- 50 g ontbijtgranen?
d Welke eenheden worden gebruikt voor energie?
- De grootheid energie stel je voor met het symbool E
- De hoofdeenheid is de joule. Deze wordt voorgesteld met het symbool J.
- Op de voedingsmiddelenetiketten vind je kJ. Dat is 1000 J
3 Onderzoek hoe je de energiewaarde van een stuk fruit bepaalt.
1
Onderzoeksvraag
Hoe kun je de energiewaarde van een banaan bepalen?

2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
3 Benodigdheden: wat HEB JE nodig? een banaan een digitale balans fiche 1 in opzoekboekje A voedingswaardetabel van een banaan
Voedingswaardetabel van 100 g banaan
Energie Energie (kcal)
Voedingswaarde Water
g
Eiwit 1,2 g
Vet 0,2 g
waarvan verzadigd vet 0,0 g waarvan enkelvoudig onverzadigd vet 0,0 g waarvan meervoudig onverzadigd vet 0,1 g
Cholesterol 0,0 mg
Koolhydraten 18,8 g waarvan suikers 18,2 g
Voedingsvezels 2,0 g
4 Werk wijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Verwijder de schil van de banaan.
2 Bepaal de massa van de banaan. Gebruik hiervoor fiche 1. Noteer de massa bij waarneming 1
3 Zoek de energiewaarde voor 100 g banaan op in de tabel. Noteer bij waarneming 2.
4 Bereken de voedingswaarde van jouw banaan. Noteer het resultaat bij waarneming 3.
5 Lees de zinnen in het besluit.
6 Zet ze in de juiste volgorde door ze van 1 tot 3 te nummeren.
5 Waarneming: Wat zie je?
waarneming 1 m = g
waarneming 2
waarneming 3
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
Je kunt de energiewaarde van een banaan bepalen door: De voedingswaarde voor 100 g banaan af te lezen op de voedingswaardetabel. De voedingswaarde te berekenen voor de gemeten massa van jouw banaan. De massa van de banaan te bepalen.
7 Reflectie
a Herlees je hypothese op p. 26.
b Vergelijk ze met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Vul de ontbrekende woorden in.
100 g – energiewaarde – eten – voedsel
Mensen halen hun energie uit voedingsmiddelen of
In de voedingswaardetabel lees je de af.
Dat is de hoeveelheid opgeslagen chemische energie die vrijkomt bij het van van dat voedingsmiddel.
Tijdens de fotosynthese gebeurt er in de groene plant:
- een stofomzetting:
met stralingsenergie in bladgroenkorrels
koolstofdioxide glucose water en mineralen zuurstofgas
uit de lucht
energierijke stof komt vrij uit de bodem
- een energieomzetting: van stralingsenergie van de zon
naar chemische energie van de glucose
energierijk voedsel voor mensen en dieren

Ik kan …
uitleggen welke stoffen nodig zijn voor de fotosynthese.

Ik vind dit op:
p. 18, 19, 23, 24 en 28 uitleggen welke stoffen ontstaan bij de fotosynthese.
p. 18, 19, 23, 24 en 28 uitleggen aan welke voorwaarden voldaan moet zijn om aan fotosynthese te kunnen doen.
p. 18, 19, 22-24, 28 en 29 het fotosyntheseproces uitleggen.
uitleggen welke stofomzetting er in het blad gebeurt.
uitleggen welke energieomzetting er in het blad gebeurt.
p. 18, 19, 22-24, 28 en 29
p. 19, 23, 24, 28
p. 19, 23, 24 en 28 uitleggen waar plant, dier en mens hun energie halen.
p. 18, 19, 23-28 en 29
1 Bekijk de gekleurde pijlen op de afbeelding.
a Welk proces wordt voorgesteld?

b Lees de zinnen.
2 Bekijk de afbeelding van de serre.

1 De plant neemt met de wortels water en mineralen uit de bodem op.
2 De plant neemt via de huidmondjes in het blad koolstofdioxide op.
3 De plant gebruikt stralingsenergie van de zon.
4 De plant maakt in de bladgroenkorrels glucose.
5 Daarbij komt zuurstofgas vrij.
c Noteer in elk cirkeltje op de afbeelding het juiste cijfer.
a Wanneer gebruikt een tuinbouwer kunstlicht in zijn serres?
b Waarom moet kunstlicht gebruikt worden als er geen daglicht is?
3 Maak met een schema duidelijk waar een dier zijn energie kan halen. Kies uit.
planten – planteneter – vleeseter
Ontdek superkrachten via technologie
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Wat vind je van deze werkwijze?

2 Wat weet je al over krachten?
3 Wat wil je nog leren over krachten?
LEERDOELEN
Je leert nu: hoe krachten een invloed hebben op voorwerpen en organismen. wat de verschillende soorten krachten zijn.
hoe we ons kunnen beschermen tegen bepaalde krachten. wat het verband is tussen snelheid en kracht.
OPDRACHT 1: Onderzoek welke krachten inwerken op een rollende bal
ONDERZOEK 1
1 Onderzoeksvraag
Wat verandert er bij een bal als je er een kracht op uitoefent?

2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
De bal verandert van vorm.
De bal beweegt.
De bal blijft gewoon liggen.
3 Benodigdheden: wat heb je nodig?
een bal
4 Werk wijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Leg de bal stil in het midden van de tafel.
2 Breng voorzichtig je voet onder de tafelpoot zodat de tafel kantelt.
3 Noteer wat je ziet bij de waarneming
4 Vul het ontbrekende woord in het besluit aan.
5 Waarneming: Wat ZIE je?
waarneming
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
De bal bij het uitoefenen van een kracht.
ONDERZOEK 2
1 Onderzoeksvraag
Welke rol speelt de ondergrond bij het rollen van een bal?
2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
De bal verandert van vorm.
De bal beweegt sneller.
De bal blijft gewoon liggen.
De bal beweegt trager.
3 Benodigdheden: wat heb je nodig? een bal een blad keukenpapier
4 Werk wijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Leg een blad keukenpapier in het midden van de tafel.
2 Leg de bal stil in het midden van het keukenpapier.
3 Breng je voet onder de tafelpoot.
4 Rolt de bal zoals bij de waarneming van onderzoek 1?
Noteer je antwoord bij waarneming 1
5 Wrijf over het tafelblad en over het papier. Noteer wat je voelt bij waarneming 2
6 Vul het besluit aan met de ontbrekende woorden.
5 Waarneming: Wat ZIE je?
waarneming 1 waarneming 2
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
De ondergrond heeft een invloed op de van de bal:
- Op een gladde ondergrond rolt de bal
- Op een ruwe ondergrond rolt de bal
7 Refle ctie NA ONDERZOEK 1 EN 2
zwaartekracht
wrijvingskracht
In dit onderzoek maakte je kennis met de zwaartekracht. De bal wordt naar beneden getrokken door de aantrekkingskracht van de aarde.
Daarnaast remt de wrijvingskracht de bal af. De bal wordt tegengehouden door het contact met de ondergrond.
a Lees goed de uitleg in het begrippenkader.
b Hoe kun je het rollen van de bal verklaren?
Markeer wat juist is:
- De bal rolt over de tafel door de zwaartekracht / wrijvingskracht.
- De bal rolt minder snel over de tafel door de zwaartekracht / wrijvingskracht.
- De wrijvingskracht op het papier is groter / kleiner dan op het tafelblad.
- Hoe kleiner / groter de helling, hoe kleiner / groter de snelheid van de bal.
- Hoe kleiner / groter de wrijving, hoe kleiner / groter de snelheid van de bal.
c Herlees je hypothese op p. 31.
d Vergelijk ze met de besluiten. Duid aan wat voor jou van toepassing is voor onderzoek 1 en voor onderzoek 2 door de cijfers erbij te schrijven.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Vul de ontbrekende woorden in.
bewegen – gladder – grootte – krachten – snelheid – wrijvingskracht – zwaartekracht
- Door veranderen voorwerpen van
- De is de aantrekkingskracht die de aarde op voorwerpen uitoefent.
- De houdt voorwerpen tegen als ze . Hoe de ondergrond, hoe kleiner de kracht.
- De van een kracht heeft invloed op de snelheid waarmee het voorwerp beweegt.
OPDRACHT 2: Onderzoek hoe krachten plasticine veranderen
1 Onderzoeksvraag
Wat verandert er bij plasticine als je er een kracht op uitoefent?
2 Hyp othese: WAT DENK JE DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?

De plasticine verandert niet van vorm.
De plasticine verandert van vorm.
De plasticine beweegt niet.
De plasticine beweegt.
3 Benodigdheden: Wat heb je nodig? plasticine
4 Werk wijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Maak een bol van de plasticine.
2 Leg de bol plasticine in het midden op je tafel.
3 Druk je vinger in het midden van de bol.
4 Markeer wat je ziet in waarneming 1
5 Maak een worst van de plasticine.
6 Trek aan de beide uiteinden van de worst.
7 Markeer wat je ziet in waarneming 2
8 Vul het ontbrekende woord in het besluit aan.
5 Waarneming: Wat zie je?
waarneming 1 In het midden van de bol wordt de plasticine dunner / dikker. waarneming 2 In het midden wordt de worst dunner / dikker.
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
De van de plasticine verandert bij het uitoefenen van een kracht.
In dit onderzoek maakte je kennis met de duwkracht: de plasticine wordt ingedrukt door je vinger.
Daarnaast trok je aan de plasticine, dan oefende je een trekkracht uit.
a Lees goed de uitleg in het begrippenkader.


b Hoe kun je het vervormen van de plasticine verklaren? Kruis de juiste antwoorden aan.
De plasticine wordt in het midden dunner door duwkracht.
De plasticine wordt in het midden dunner door trekkracht.
De plasticine wordt in het midden dikker door duwkracht.
De plasticine wordt in het midden dikker door trekkracht.
c Herlees je hypothese op p. 33.
d Vergelijk ze met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Vul de ontbrekende woorden in.
duwkracht – krachten – trekkracht – vorm
- Door veranderen voorwerpen van
- De is de kracht die je uitoefent wanneer je op voorwerpen drukt.
- De is de kracht die je uitoefent wanneer je aan voorwerpen trekt.
OPDRACHT 3: ONTDEK VERSCHILLENDE KRACHTEN IN JE LEEFOMGEVING
a Bekijk de foto’s van verschillende krachten.
b Welke kracht herken je? Noteer ze onder de foto. Kies uit: magnetische kracht – motorkracht – spierkracht – veerkracht








OPDRACHT 4: ANALYSEER verschillende krachten in je leefomgeving
a Bekijk het voorbeeld in kolom 1.
b Schrijf met je eigen woorden in kolom 2 hoe je de soorten krachten waarneemt.
c Kruis de verandering bij het voorwerp aan in kolom 3. voorbeeld uitleg soort kracht soort verandering

vechtende judoka’s

op reis met de caravan

tegen de wind fietsen
- trekkracht
- zwaartekracht
snelheidsverandering vormverandering
- trekkracht - wrijvingskracht
snelheidsverandering vormverandering
- duwkracht
- wrijvingskracht
snelheidsverandering vormverandering
- zwaartekracht
Kenmerken van krachten

Het aangrijpingspunt: de plaats waar je het voorwerp raakt.
bv. De plaats waar de hand de winkelkar vastneemt.
De richting: de lijn waarlangs de kracht werkt.
bv. De richting van de kar is horizontaal.
De zin: geeft aan welke kant de kracht uitgaat.
bv. Je duwt de kar naar rechts.
De grootte: de sterkte van de kracht (hard of minder hard duwen of trekken).
bv. Hier moet je hard duwen tegen de volle kar.
OPDRACHT 5: ONTDEK DE KENMERKEN VAN EEN KRACHT AAN DE HAND VAN EEN SPEELGOEDAUTOOTJE
1 Verzamel de benodigdheden. een speelgoedauto een tafel
2 Bekijk de situaties van de speelgoedauto.
3 Noteer telkens je waarneming.
situatie 1
- Je plaatst je vinger achteraan de auto in het midden.
- Je duwt zachtjes.
aangrijpingspunt
Waarneming:
Auto gaat
situatie 2
- Je plaatst je vinger rechts achteraan de auto.
- Je duwt zachtjes.
aangrijpingspunt
Waarneming: Auto gaat . Dit is in dezelfde / een andere richting dan
situatie 1.
situatie 3
- Je plaatst je vinger achteraan de auto in het midden.
- Je duwt nu harder dan in situatie 1.
situatie 4
- Je plaatst je vinger vooraan de auto in het midden.
- Je duwt zachtjes.
Waarneming:
Auto gaat sneller / trager rechtdoor dan in situatie 1.
4 Wat kun je besluiten uit de waarnemingen?
Waarneming:
Auto gaat naar voor / achter. Dit is in dezelfde / een andere richting dan situatie 1.
Een ander aangrijpingspunt, grootte, richting of zin van een kracht zorgt ervoor dat de auto verandert van en/of
OPDRACHT 6: Hoe bes cherm je je in het verkeer tegen bepaalde krachten?
1 Bekijk de twee situaties.
situatie 1

a Wat zorgt voor vormverandering?
situatie 2

- In situatie 1: door de van de botsing, verandert de van de auto's.
- In situatie 2: door de van de botsing met een andere fietser, verandert de van het fietswiel.
b In welke situatie is de uitoefening van een kracht het grootst?
Twee auto’s die botsen.
Twee fietsers die botsen.
c Hoe kun je dit verklaren? Duid de juiste stelling aan.
De auto’s zijn groter dan fietsen.
De auto’s zijn zwaarder dan fietsen.
De auto’s rijden sneller dan de fietsen.
Fietsen hebben een kleiner aangrijpingspunt dan auto’s.
2 Om te voorkomen dat je ernstig gewond geraakt bij een botsing of val in het verkeer, zijn er veiligheidsmaatregelen om de impact van een kracht op te vangen.
a Welke maatregelen neem je zelf op de fiets of step? Duid aan.
Ik draag nooit een helm op de fiets of step.
Ik draag altijd een helm op de fiets of step.
andere
b Een auto heeft naast de gordel nog andere veiligheidsmaatregelen.
- Bekijk de foto’s.
- Benoem de maatregelen op basis van de omschrijving.
Tip: zoek meer info online op.




De voor- en achterkant vangt de kracht van een botsing op. Het induwen van de zone tijdens een botsing kost kracht, waardoor de auto wordt afgeremd. Het risico op zware verwondingen van de passagier vermindert daardoor sterk.
Een opblaasbaar kussen vooraan in de auto wordt bij een botsing in milliseconden opgeblazen met een gas. Dat kussen vangt de impact van de botsing op.
Wanneer een auto langs achter wordt aangereden, klapt het hoofd met een kracht naar achter. De nek moet beschermd worden tegen die klap.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
airbags – autogordels – fietshelm – hoofdsteunen – kracht – kreukelzones – snelheid
- Hoe groter de , hoe groter de waartegen je je moet beschermen.
- Veiligheidsmaatregelen in het verkeer:
- Je draagt een tijdens het fietsen en op de step.
- Auto's zijn uitgerust met , , en
SNELHEIDSVERANDERING VORMVERANDERING oorzaak van


soorten
1 duwkracht
2 trekkracht
3 wrijvingskracht
4 zwaartekracht
KRACHTEN
Ik kan …
veiligheidsmaatregelen
5 veerkracht
6 motorkracht
7 magnetische kracht
8 spierkracht
1 fietshelm
2 kreukelzone
3 airbag
4 hoofdsteun
5 autogordel
Ik vind dit op: de soorten veranderingen die voorwerpen door krachten ondergaan voorspellen.
p. 31-35 de soorten veranderingen die voorwerpen door krachten ondergaan uitleggen.
p. 31-35 de soorten krachten aanduiden bij een situatie uit mijn leefomgeving.
p. 36, 41 en 45 in mijn eigen woorden uitleggen hoe ik verschillende soorten krachten waarneem bij een situatie uit mijn leefomgeving.
p. 36, 41 en 45 de gevolgen van de verandering van grootte van een kracht voorspellen.
p. 37, 38 en 44 middelen opsommen om mezelf en anderen tegen krachten te beschermen.
p. 38, 39 en 41 het verband tussen snelheid en kracht uitleggen.
p. 38-40
1 Hoe merk je op deze afbeeldingen de uitwerking van de wrijvingskracht en de zwaartekracht?
a Bekijk de afbeeldingen.
b Noteer de antwoorden in de tabel.


vallende bladeren gewichtheffen met een kettlebell zwaartekracht
zwaartekracht
wrijvingskracht
wrijvingskracht
2 Bekijk de voorbeelden in kolom 1.
a Markeer de soorten krachten die inwerken op het voorwerp in kolom 2.
b Leg jouw keuze uit in kolom 3.
voorbeeld soort kracht uitleg soort verandering

airbag bij botsing - duwkracht - trekkracht
voorbeeld soort kracht uitleg soort verandering

oefenen met weerstandsband - duwkracht - trekkracht
3 Je neemt deel aan een winkelwagenrace.
Welke krachten hebben invloed op de winkelwagen?

a Noteer de krachten in kolom 1.

b Kun je tips bedenken zodat je met deze krachten de race wint? Noteer per kracht één tip in kolom 2.
Welke kracht?
Wat moet je doen om te winnen?
4 Vergelijk de twee schoenen en beantwoord de vragen.

a Welke kracht werkt de beweging tegen?
b Op welke schoen is de tegenwerkende kracht het grootst?
5 Welk zichtbaar effect heeft de kracht in de onderstaande situaties?



6 Voor welk opvallend effect zorgt de werking van de volgende krachten?
a Plaats een kruisje in de passende kolom.
b Markeer het kruisje als het om een blijvende vormverandering gaat.
werkende kracht op een voorwerp vormverandering snelheidsverandering
a een remmende fietser
b brooddeeg kneden
c fietsen
d een steen weggooien
e een magneet in de buurt van paperclips
f een porseleinen bord van tafel laten vallen
g een golfbal over het gras laten rollen
7 Van welke krachten zie je een toepassing?



´ Verder oefenen? Ga naar

hoofdstuk woord verklaring
1 aardwarmte Een duurzame warmtebron die afkomstig is uit de diepe ondergrond van de aarde.
2 bladgroenkorrel Microscopisch klein deeltje van een plantencel waarin de fotosynthese gebeurt.
1 campagne actie om een bepaald doel te bereiken
1 chemische energie
3 duwkracht De kracht die je uitoefent wanneer je op voorwerpen drukt.
1 duurzame energiebron
1 elektrische energie
Energie die opgeslagen zit in voeding en andere energierijke stoffen.
Energie waar je heel lang gebruik van kunt maken zonder de energiebron uit te putten.
Energie die ontstaat door snel bewegende geladen deeltjes.
1 energiebron Levert energie, bv. steenkool, aardolie, zon, aardwarmte, waterkracht ...
1 energielabel Laat je zien hoe zuinig, milieuvriendelijk en/of energiebesparend een toestel of gebouw is.
1 energieomzetting
1 energieprestatiecertificaat (EPC)
Een energievorm die wordt omgezet in een andere energievorm.
Een document dat informatie geeft over hoe energiezuinig een gebouw is.
1 energieverbruik De hoeveelheid energie die gebruikt is.
1 energievorm
2 fotosynthese
Een vorm die energie kan aannemen, bv. kinetische energie, stralingsenergie, chemische energie ...
Proces waarbij groene planten uit water en koolstofdioxide, met behulp van stralingsenergie van de zon, glucose vormen en waarbij zuurstofgas vrijkomt.
2 glucose een soort suiker, een belangrijke bron van energie
1 hernieuwbaar
Dit wordt voortdurend aangevuld en geraakt niet op.
2 huidmondje een microscopisch kleine opening, meestal aan de onderkant van een blad van een landplant
3 impact
De uitwerking of het effect van iets, bv. bij een botsing wegens te hoge snelheid worden wagens zwaar beschadigd.
1 kinetische energie
3 kracht
2 mineralen
3 magnetische kracht
Energie die een bewegend lichaam of voorwerp heeft.
Door krachten veranderen voorwerpen van snelheid of vorm.
Stoffen die de plant samen met water opneemt uit de bodem.
De kracht van een magneet. Magneten kunnen dingen aantrekken of afstoten.
3 motorkracht De kracht die komt van een motor. Die zorgt ervoor dat iets gaat bewegen, rijden of draaien.
1 niet-duurzame energiebron een niet-hernieuwbare energiebron zoals aardolie
2 organisme een levend wezen zoals een plant, dier en mens
1 potentiële energie
Opgeslagen energie die mogelijk kan overgaan in een andere energievorm.
2 proces een aaneenschakeling van veranderingen in de natuur
3 snelheid Hoe snel iets beweegt, je kunt meten hoe ver het gaat in een bepaalde tijd.
3 spierkracht De kracht die je met inspanning van je spieren kunt ontwikkelen.
2 stofomzetting
Situatie waarbij een stof verandert, er wordt een nieuwe stof gevormd.
1 stralingsenergie energie in de vorm van licht en andere stralingsbronnen
1 thermische energie
Energie die de deeltjes van een stof bezitten als gevolg van een temperatuurwijziging.
3 trekkracht De kracht die je uitoefent wanneer je aan voorwerpen trekt.
3 veerkracht De kracht die iets terugduwt naar zijn oorspronkelijke vorm.
2 voedingsmiddelen Alles wat je eet en drinkt.
2 voedingsstoffen Stoffen uit voedingsmiddelen die ons lichaam nodig heeft om te functioneren.
3 wortelhaartje de kleinste vertakking van een wortel van een plant
3 wrijvingskracht Duwt tegen de beweging van het voorwerp in.
3 zwaartekracht De aantrekkingskracht die de aarde op voorwerpen uitoefent.
p. 4 opdracht 2






Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, extra oefeningen ...
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een bijkomend audio- of videofragment zijn, een woorden- of begrippenlijst, extra bronnen of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Adaptieve oefeningen
Met adaptieve oefeningen kun je de leerstof inoefenen op jouw niveau. Hier kun je vrij oefenen of de oefeningen maken die de leerkracht voor je heeft klaargezet.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen?
Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud?
Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment zelf kunt bekijken of beluisteren op je smartphone.
Als je dit icoon ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
Frieda Goossens
Nathalie Lapere
Sofie Timmerman vanin.be
Je les in eigen handen
Ontdek het onlineleerplatform iDiddit!
Vooraan in dit boek vind je de activatiecode. Activeer snel je account op www.ididdit.be en maak er een geweldig schooljaar van!
ISBN 978-94-651-4363-7 611632
1 Bouw van het lichaam p. 1
2 Ademhalingsstelsel p. 9
3 Spijsverteringsstelsel p. 18
4 BLOEDVATENstelsel p. 35
5 Uitscheidingsstelsel p. 44
Via www.ididdit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij MicroScoop.
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be.
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit.
Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
ACTIVEER DEZE LICENTIE
PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START
VANAF ACTIVATIE
EN IS 365 DAGEN GELDIG.
!Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode MicroScoop van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en veel mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4363-7
D/2026/0078/61
Art. 611632/01
NUR 120
Instructietaal
De volgende instructies heb je nodig in je themabundel: Vink aan

Ontwerp: B.AD
Opmaak: Ontvlambaar
Covertekening: Jan Heylen Tekeningen binnenwerk: Geert Verlinde
Ontdek hoe je organen kunt namaken
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Waarom zal dit volgens jou belangrijk worden in de toekomst?

b Waarom zou jij een / geen orgaan in je lichaam laten inplanten?
2 Wat weet je al over de bouw van het menselijk lichaam?
3 Wat wil je graag leren over de bouw van het menselijk lichaam?
Je leert nu: de uitwendige bouw van je lichaam benoemen. de inwendige bouw van je lichaam benoemen. welk orgaan de scheiding vormt tussen de borst- en buikholte.
welke organen in de borst- en buikholte liggen.
welke organen het ademhalingsstelsel vormen.
welke organen het bloedvatenstelsel vormen. welke organen het spijsverteringsstelsel vormen.
welke organen het uitscheidingsstelsel vormen.
O p DRACHT 1: Ontdek de t wee grote UITWENDIGE delen van EEN lichaam
1 Bekijk de afbeelding.
2 Omcirkel bij elke persoon op de afbeelding:
- het hoofd in het rood - de romp met ledematen in het groen

Vul aan.
Het lichaam van een mens bestaat uitwendig uit twee grote delen:
O p DRACHT 2: Ontdek de inwendige bouw van een lichaam
1 Bekijk de afbeeldingen van de gewervelde dieren.
a Noteer welke dieren je afgebeeld ziet.


b Met welk zoogdier kun je de verschillende organen bij de mens vergelijken? Markeer. 1 2 3

2 Bekijk de afbeelding van het rompmodel van de mens.
a Plaats in de cirkels:
- R voor rechterzijde van het lichaam.
- L voor linkerzijde van het lichaam.
b Noteer de volgende woorden in de juiste kaders:
- de borstholte
- de buikholte
c Kleur het middenrif blauw.

Vul aan.
De romp wordt door het middenrif in twee grote delen verdeeld:
3 Bekijk de afbeeldingen van de inwendige organen van een konijn.
a Noteer de naam van elk aangeduid orgaan. Kies uit:
BORSTHOLTE: bloedvaten – hart – longen – luchtpijp – slokdarm
BUIKHOLTE: bloedvaten – dikke darm – dunne darm – lever – maag – nieren –slokdarm – urineblaas – urinebuis – urineleiders



b Omcirkel bij vraag a de inwendige organen
- die tot het ademhalingsstelsel behoren in het blauw.
- die tot het bloedvatenstelsel behoren in het rood.
- die tot het spijsverteringsstelsel behoren in het groen.
- die tot het uitscheidingsstelsel behoren in het geel.
Noteer de inwendige organen op de juiste plaats.
bloedvaten (2x) – dikke darm – dunne darm – hart – lever – longen –luchtpijp – maag – nieren – slokdarm – slokdarm – urineblaas – urinebuis – urineleider
De romp van de mens kun je opsplitsen in twee holten:
- BORSTHOLTE:
- BUIKHOLTE:
DE TWEE GROTE UITWENDIGE DELEN VAN JE LICHAAM
- het hoofd - de romp met ledematen
INWENDIGE ORGANEN STELSELS

1 BORSTHOLTE luchtpijp ademhalingsstelsel longen hart bloedvatenstelsel bloedvaten slokdarm spijsverteringsstelsel
MIDDENRIF: verdeelt de romp in twee grote delen of holtes.
2 BUIKHOLTE slokdarm maag lever spijsverteringsstelsel dunne darm dikke darm nieren urineleiders urineblaas uitscheidingsstelsel urinebuis bloedvaten bloedvatenstelsel
Ik kan … Ik vind dit op: de twee grote uitwendige delen van het lichaam aanduiden op een afbeelding.
p. 3 en 6 de twee grote uitwendige delen van het lichaam benoemen op een afbeelding.
benoemen in welke twee holtes de romp verdeeld is.
p. 2 en 6
p. 3, 5 en 6 de borstholte aanduiden op een afbeelding.
p. 3 en 6 de buikholte aanduiden op een afbeelding.
p. 3 en 6 de inwendige organen van de borstholte aanduiden op een afbeelding.
p. 4, 6 en 8 de inwendige organen van de borstholte benoemen op een afbeelding.
p. 4, 6 en 8 de inwendige organen van de buikholte aanduiden op een afbeelding.
p. 4-6 en 8 de inwendige organen van de buikholte benoemen op een afbeelding.
p. 4-6 en 8
1 Lees de namen van de inwendige organen bij de mens.
a Markeer met geel de organen van de borstholte.
b Markeer met groen de organen van de buikholte.
maag hart nieren luchtpijp longen lever dunne darm urineleiders
2 Neem het stickerblad op p. 53. Hier zie je de afbeeldingen van de inwendige organen bij de mens. Kleef de afbeeldingen bij het juiste orgaan.
luchtpijp slokdarm nieren longen dikke darm
3 Bekijk de afbeelding met de inw organen op de juiste plaats op de afbeelding.
1 long
2 luchtpijp
3 hart
4 maag
5 lever
6 dunne darm
7 dikke darm
8 nier
4 Lees de organen bij elk stelsel. Markeer in de rij wat er thuishoort.

‒ spijsverteringsstelsel: maag – urineleiders – dunne darm – hart
‒ uitscheidingsstelsel: urineblaas – luchtpijp – longen – nieren
‒ bloedvatenstelsel: hart – slokdarm – dunne darm – bloedvaten
‒ ademhalingsstelsel: dikke darm – longen – hart – luchtpijp
Wat gebeurt er bij jou tijdens het ademhalen?
1 Luister naar de instructies van je leerkracht.
Wat voel je allemaal?
2 Wat weet je al over het ademhalingsstelsel?
3 Wat wil je graag leren over het ademhalingsstelsel?

LEERDOELEN
Je leert nu: de organen van het ademhalingsstelsel benoemen. de organen van het ademhalingsstelsel aanduiden op een afbeelding. welke weg in- en uitgeademde lucht aflegt. welk proces er plaatsvindt ter hoogte van de longblaasjes. welk proces er plaatsvindt ter hoogte van de bloedvaten rond de longblaasjes. wat de functie van het ademhalingsstelsel is. wat gaswisseling is.
O p DRACHT 1: Ontdek de organen van het ademhalingsstelsel
Bekijk de afbeelding van het ademhalingsstelsel.
Benoem de aangeduide organen. Kies uit:
keelholte – linkerlong – longblaasjes – luchtpijp –luchtpijptak – mondholte – neusholte – rechterlong
O p DRACHT 2: Ga na welke weg de lucht aflegt
1 Ontdek waar de opname van lucht start.
a Neem een plastic zakje.
b Ga rechtop zitten.
c Houd je mond dicht.
d Duw één neusgat dicht met je wijsvinger.

e Houd de opening van het plastic zakje tegen je andere neusgat.
f Adem enkele keren goed in en uit.
g Plaats een kruisje in de juiste kolom.
plastic zakje vergroot verkleint
bij inademen
bij uitademen
2 Bekijk de afbeelding van het ademhalingsstelsel.
a Teken op de afbeelding met een blauwe pijl de weg die de lucht aflegt tijdens het inademen.
b Noteer het cijfer van elk ademhalingsorgaan op de juiste plaats.
Kies uit:
1 neusholte
2 keelholte
3 mondholte
4 luchtpijp
5 luchtpijptak
6 linkerlong
7 rechterlong
8 longblaasjes
9 middenrif

Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
keelholte – longblaasjes – luchtpijp – luchtpijptak – mondholte – neusholte
De weg die ingeademde lucht volgt: of →
O p DRACHT 3: Onderzoek het verschil tussen ingeademde lucht en uitgeademde lucht
Een groep studenten voerde enkele proefjes uit. In de onderstaande tabel vind je de resultaten terug die ze noteerden.
a Bekijk hun waarnemingen. kenmerken




ingeademde lucht weinig 18°C 20 % 0,04 % uitgeademde lucht veel 32°C 16 % 4 %
b Markeer het juiste antwoord.
- Ingeademde lucht bevat meer / minder waterdamp dan uitgeademde lucht.
- Ingeademde lucht is warmer / kouder dan uitgeademde lucht.
- Ingeademde lucht bevat meer / minder zuurstofgas dan uitgeademde lucht.
- Ingeademde lucht bevat meer / minder koolstofdioxide dan uitgeademde lucht.
O p DRACHT 4: Ontdek wat er in de longblaasjes gebeurt
1 Bekijk de afbeelding van een model dat longblaasjes voorstelt.
a Wat stellen de pingpongballetjes voor?
b Wat stelt het netje voor?
c Wat stelt de grote blauwe buis voor?
d Wat stellen de witte buisjes voor?
2 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Wat gebeurt er ter hoogte van de longblaasjes? Markeer.
- Zuurstofgas gaat van het longblaasje naar het bloed.
- Koolstofdioxide gaat van het bloed naar het longblaasje.
- Koolstofdioxide gaat van het longblaasje naar het bloed.
- Zuurstofgas gaat van het bloed naar het longblaasje.


Ter hoogte van de longblaasjes gebeurt een gaswisseling
Dat is het uitwisselen van gassen tussen de lucht in de longen en het bloed in de bloedvaten.
3 Bekijk de afbeelding van het longblaasje.
a Markeer in de tekst wat juist is.
- De rode kleur stelt de lucht / het bloed voor.
- De blauwe kleur stelt de lucht / het bloed voor.
b Trek een pijl en benoem het longblaasje.
c Trek een pijl en benoem het bloedvat.
d Plaats het juiste begrip bij de gekleurde pijlen hieronder. Kies uit:
ingeademde lucht – koolstofdioxide –uitgeademde lucht – zuurstofgas

Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
gaswisseling – koolstofdioxide – zuurstofgas
Doorheen de wand van een longblaasje en een bloedvat vindt er een plaats.
Tijdens dit proces gaat:
- van het longblaasje naar het bloed.
- van het bloed naar het longblaasje.
EXTRA O p DRACHT 5: ONTDEK ENKELE ONGE ZONDE OMSTANDIGHEDEN VOOR JE LONGEN
1 Bekijk het filmpje van weervrouw Jacotte Brokken over de langdurige impact van roken.
2 Ben je nieuwsgierig en wil je nog meer te weten komen? Op iDiddit vind je een opdracht over:
- vapen en roken
- luchtvervuiling
- vaak voorkomende longziekten
neusholte / mondholte
keelholte
luchtpijp
vervoer van lucht
longen met longblaasjes
opnemen en afgeven van zuurstofgas en koolstofdioxide
neusholte, mondholte luchtpijp LONGEN luchtpijptak longblaasje keelholte

doorheen dunne wand LONGBLAASJE
gaat van het longblaasje naar het bloed. UIT
ZUURSTOFGAS
KOOLSTOFDIOXIDE
gaat van het bloed naar het longblaasje.
doorheen dunne wand BLOEDVAT

Gaswisseling = uitwisselen van zuurstofgas en koolstofdioxide tussen de lucht in de longen en het bloed in de bloedvaten.
de ademhalingsorganen aanduiden op een afbeelding. p. 11
de ademhalingsorganen benoemen op een afbeelding.
de weg die de lucht aflegt tijdens het inademen met pijltjes aanduiden op een afbeelding.
p. 10 en 16
p. 11
de weg die de lucht aflegt tijdens het uitademen met pijltjes aanduiden op een afbeelding. p. 16
het verschil benoemen tussen in- en uitgeademde lucht.
op een afbeelding met pijltjes aanduiden welke gassen er afgegeven worden ter hoogte van een longblaasje.
op een afbeelding met pijltjes aanduiden welke gassen er opgenomen worden ter hoogte van een longblaasje.
op een afbeelding met pijltjes aanduiden welke gassen er afgegeven worden ter hoogte van een bloedvat.
op een afbeelding met pijltjes aanduiden welke gassen er opgenomen worden ter hoogte van een bloedvat.
de gassen noteren die worden opgenomen ter hoogte van een longblaasje.
de gassen noteren die worden afgegeven ter hoogte van een longblaasje.
de gassen noteren die worden opgenomen ter hoogte van een bloedvat.
de gassen noteren die worden afgegeven ter hoogte van een bloedvat.
noteren welk proces er plaatsvindt in de longblaasjes.
de functie van het ademhalingsstelsel uitleggen.
p. 12 en 16
p. 13 en 17
p. 13 en 17
p. 13
p. 13
p. 12-14 en 17
p. 12-14 en 17
p. 12-14 en 17
p. 12-14 en 17
p. 13, 14 en 17
p. 14
1 Bekijk de afbeelding van het ademhalingsstelsel
a Benoem de aangeduide organen.
b Overtrek het middenrif in het rood.
2 Noteer de weg die de uitgeademde lucht aflegt. → → → → of
3 Vergelijk de uitgeademde lucht met de ingeademde lucht. Markeer.
- Uitgeademde lucht bevat meer / minder waterdamp dan ingeademde lucht.
- Uitgeademde lucht heeft een hogere / lagere temperatuur dan ingeademde lucht.
- Uitgeademde lucht bevat meer / minder zuurstofgas dan ingeademde lucht. - Uitgeademde lucht bevat meer / minder koolstofdioxide dan ingeademde lucht.
4 Bekijk de afbeelding. Markeer welke gassen er ter hoogte van de longblaasjes wisselen.

5 Bekijk de afbeelding van een longblaasje.
a Kleur de lucht blauw.
b Kleur het bloed in het bloedvat roze.
koolstofdioxide / zuurstofgas
koolstofdioxide / zuurstofgas
c Omcirkel in het rood waar de gaswisseling plaatsvindt.
d Welk gas stelt de groene pijl voor?
e Welk gas stelt de gele pijl voor? bloedcel
Hoe ontbijt jij?

a Wat heb jij deze ochtend gegeten?



b Waarom is ontbijten belangrijk?
2 Wat weet je al over het spijsverteringsstelsel en voeding?
3 Wat wil je graag leren over het spijsverteringsstelsel?
LEERDOELEN
Je leert nu: wat het verschil is tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen. de functie van de verschillende voedingsstoffen uitleggen. de organen van het spijsverteringsstelsel benoemen op een afbeelding. de organen van het spijsverteringsstelsel aanduiden op een afbeelding welke weg het voedsel aflegt.
wat er gebeurt met de voedseldeeltjes in het spijsverteringsstelsel.
wat er gebeurt met de voedingsstoffen in je dunne darm.
wat de functie is van het spijsverteringsstelsel. wat vertering is.
wat er gebeurt met de niet-verteerde voedingsstoffen en voedingsvezels in je dikke darm.
O p DRACHT 1: Waaruit bestaan voedingsmiddelen?
Voedingsmiddelen zijn alles wat je eet en drinkt.
1 Bekijk de etiketten van onderstaande voedingsmiddelen.




choco wortelen brood melk boter ontbijtgranen


2 Lees op elk etiket de samenstelling van de voedingsmiddelen.
a Zet in de tabel een kruisje als de voedingsstof voorkomt in het voedingsmiddel.
voedingsmiddel
aanwezige voedingsstoffen eiwitten suikers (koolhydraten) vetten vitaminen mineralen water voedingsvezels melk boter ontbijtgranen brood wortel choco
1 Hoe kun je ervoor zorgen dat je lichaamsmassa stabiel blijft?
b Welke zeven groepen voedingsstoffen zijn aanwezig in voedingsmiddelen?
OPDRACHT 15
Voeding en levensstijl
OPDRACHT 15
Voeding en levensstijl
2 Als je net voor het slapengaan nog een warme maaltijd eet, met veel pasta en nog wat snoep als dessert, dan heb je de volgende ochtend nauwelijks zin in een ontbijt.
1 Hoe kun je ervoor zorgen dat je lichaamsmassa stabiel blijft?
1 Hoe kun je ervoor zorgen dat je lichaamsmassa stabiel blijft?
Dat is heel anders als je dezelfde maaltijd ’s middags eet en in de namiddag een lange fietstocht onderneemt. Dan kun je zes uur na het middagmaal al enorme honger hebben.
Vul de ontbrekende woorden in.
Wat is de meest logische verklaring? Duid aan.
Alles wat je eet en drinkt, noem je
Gedurende de nacht is het voedsel nog niet verteerd.
Tijdens het slapen verbruik je geen energierijke stoffen.
2 Als je net voor het slapengaan nog een warme maaltijd eet, met veel pasta en nog wat snoep dan heb je de volgende ochtend nauwelijks zin in een ontbijt.
Tijdens de fietstocht is er heel veel brandstof verbruikt, waardoor het lichaam zes uur later alweer nood heeft aan een nieuwe voorraad brandstof.
2 Als je net voor het slapengaan nog een warme maaltijd eet, met veel pasta en nog wat snoep als dessert, dan heb je de volgende ochtend nauwelijks zin in een ontbijt.
Ze bestaan uit verschillende soorten stoffen. Je noemt dit .
Dat is heel anders als je dezelfde maaltijd ’s middags eet en in de namiddag een lange fietstocht onderneemt. Dan kun je zes uur na het middagmaal al enorme honger hebben.
Dat is te wijten aan de temperatuur van de maaltijd.
Dat is heel anders als je dezelfde maaltijd ’s middags eet en in de namiddag een lange fietstocht onderneemt. Dan kun je zes uur na het middagmaal al enorme honger hebben.
Wat is de meest logische verklaring? Duid aan.
Gedurende de nacht is het voedsel nog niet verteerd.
Wat is de meest logische verklaring? Duid aan.
O p DRACHT 2: Wat is de functie van de verschillende voedingsstoffen?
Elk levend wezen heeft voedsel nodig. Voedselgebrek leidt tot ziekte en dood. Voedsel heeft drie belangrijke functies voor het lichaam.
Tijdens het slapen verbruik je geen energierijke stoffen.
Gedurende de nacht is het voedsel niet verteerd.
Tijdens het slapen verbruik je geen energierijke stoffen.
1 Lees onderstaande tekst.
A Brandstoffen leveren
Tijdens de fietstocht is er heel veel brandstof verbruikt, waardoor het lichaam zes uur later heeft aan een nieuwe voorraad brandstof.
Dat is te wijten aan de temperatuur van de maaltijd.
Tijdens de fietstocht is er heel veel brandstof verbruikt, waardoor het lichaam zes uur later alweer nood heeft aan een nieuwe voorraad brandstof.
Dat is te wijten aan de temperatuur van de maaltijd.
Je weet al dat voedsel een bron van energie is voor je lichaam.
Elk levend wezen heeft voedsel nodig. Voedselgebrek leidt tot ziekte en kan de dood als gevolg hebben.
Brandstoffen zijn niet alleen nodig om arbeid te leveren, maar ook om je lichaamstemperatuur op peil te houden.
Voedsel heeft drie belangrijke functies voor het lichaam.
A Brandstoffen leveren

Elk levend wezen heeft voedsel nodig. Voedselgebrek leidt Voedsel heeft drie belangrijke functies voor het lichaam.
A Brandstoffen leveren
Elk levend wezen heeft voedsel nodig. Voedselgebrek leidt tot ziekte en dood. Voedsel heeft drie belangrijke functies voor het lichaam.
A Brandstoffen leveren
B Bouwstoffen leveren
Je weet al dat voedsel een bron van energie is voor je lichaam.
Voedsel is een bron van energie voor je lichaam. Je hebt suikers (= koolhydraten) en vetten nodig om te bewegen, te studeren, te sporten en je lichaamstemperatuur op peil te houden.
B Bouwstoffen leveren
Je weet al dat voedsel een bron van
Bouwstoffen in voedsel zijn nodig voor de vorming van nieuwe cellen de groei van het lichaam. Ook volgroeide organismen hebben voortdurend bouwstoffen nodig. Door veroudering sterven er continu cellen af. Die moeten worden vervangen door nieuwe. Bij verwonding moeten er nieuwe cellen worden gevormd om de wonde te laten genezen.
Brandstoffen zijn niet alleen nodig om arbeid te leveren, maar ook om je lichaamstemperatuur op peil te houden.

te leveren, maar ook om je op peil te houden.


B Bouwstoffen leveren
Water, eiwitten en mineralen zijn nodig voor de vorming van lichaamscellen tijdens de groei. Bij verwonding worden nieuwe cellen gevormd om de wonden te laten genezen. Door veroudering sterven er voortdurend lichaamscellen af. Ze worden vervangen door nieuwe.
C Beschermstoffen leveren
Bouwstoffen in voedsel zijn nodig voor de vorming van nieuwe cellen tijdens de groei van het lichaam.

Bouwstoffen in voedsel zijn nodig voor de vorming van nieuwe van het lichaam. Ook volgroeide organismen hebben voortdurend bouwstoffen sterven er continu cellen af. Die moeten verwonding moeten er nieuwe cellen worden de wonde te laten genezen.
Ook volgroeide organismen hebben voortdurend bouwstoffen nodig. Door veroudering sterven er continu cellen af. Die moeten worden vervangen door nieuwe. Bij verwonding moeten er nieuwe cellen worden gevormd om de wonde te laten genezen.
C Beschermstoffen leveren

Beschermstoffen beschermen het lichaam tegen ziekteverwekkers ook voor een . Een tekort aan beschermstoffen in het voedsel leidt vaak tot ziekte.

Voedingsvezels, mineralen en vitamines beschermen het lichaam tegen ziekteverwekkers. Ze helpen je een weerstand op te bouwen. Deze beschermstoffen zorgen ook voor een goede werking van je lichaam. Een tekort aan beschermstoffen in het voedsel leidt vaak tot ziekte.




Beschermstoffen beschermen het lichaam tegen ziekteverwekkers goede werking van de organen. Een
in het voedsel leidt vaak tot ziekte.
250 THEMA 05 HOOFDSTUK 2 ‒ 1 WAAROM IS VOEDING bELANGRIjK VOOR jE LICHAAM?
OPDRACHT 16
Verklaar het verband voor de onderstaande situatie.
Pasgeboren baby’s drinken gemiddeld acht keer per dag melk. Wat is het verband met de vaststelling dat ze snel groeien?
OPDRACHT 16


Verklaar het verband voor de onderstaande situatie.
2 Markeer in de tekst alle voedingsstoffen in het groen.
3 Onderlijn in het blauw alle functies.
4 Gebruik de gemarkeerde, vetgedrukte en onderlijnde woorden om de volgende tabel aan te vullen.
voedingsstoffen functie
brandstoffen
bouwstoffen
beschermstoffen
Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: beschermstoffen – bouwstoffen - brandstoffen
De voedingsstoffen kun je in drie grote groepen indelen.
1 De zorgen ervoor dat het lichaam zichzelf kan opbouwen (groei) en herstellen.
Tot die groep behoren de eiwitten, water en mineralen.
2 De zorgen ervoor dat de lichaamstemperatuur constant blijft en dat het lichaam energie heeft om te bewegen.
Tot die groep behoren de suikers en de vetten
3 De helpen het lichaam goed te werken en voorkomen ziekten.
Tot die groep behoren de mineralen, vitaminen en voedingsvezels
O p DRACHT 3: Ontdek de organen van het spijsverteringsstelsel
Bekijk de afbeelding van het spijsverteringsstelsel.
Benoem de aangeduide organen. Kies uit: aarsopening - alvleesklier – blinde darm – dikke darm – dunne darm – galblaas –keelholte – lever – maag – mondholte – slokdarm



















O p DRACHT 4: Ga na welke weg het voedsel aflegt
1 Bekijk de afbeelding van het spijsverteringsstelsel.
Duid met groene pijlen de weg aan die het voedsel aflegt.
2 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Waar start de vertering?
b Waar eindigt de vertering?

Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
aarsopening – dikke darm – dunne darm – keelholte – maag – mondholte – slokdarm
De weg die voedsel aflegt: → →
O p DRACHT 5: Ontdek wat er gebeurt met het voedsel in de verschillende organen
1 Ga na wat er gebeurt met het voedsel in de mondholte.





















a Bekijk de afbeelding.
































neusholte mondholte tong strotklep luchtpijp slokdarm keelholte huig voedselbrok




b Duid op de afbeelding met een blauwe pijl aan waar de voedselbrok naartoe moet.
c Markeer wat juist is in de onderstaande zinnen:
- In de mond wordt het voedsel vermengd met het speeksel / de tong / de tanden.
- In de mond wordt het voedsel verplaatst door het speeksel / de tanden / de tong.
d Welk orgaan brengt het voedsel naar de maag?
2 Ga na wat er gebeurt met de voedseldeeltjes in de maag.
a Kleur op de afbeelding de maag in het oranje.
b Markeer hieronder de taken van de maag.
- het voedsel vasthouden
- het opgenomen voedsel verder verkleinen
- het voedsel kneden en vermengen met maagzuur
- het voedsel terugsturen

3 Ga na wat er gebeurt met de voedingsstoffen in de dunne darm.
Deze proef toont aan wat er gebeurt in de dunne darm.

a Noteer de cijfers op de juiste plaats op de afbeelding hierboven.
1 dialyseslang of varkensmembraan • • voedselbrij
2 water in de maatbeker • • dunne darm
3 mengsel met voedingsstoffen • • bloed
b Verbind vervolgens de elementen die volgens jou overeenkomen met elementen in het menselijk lichaam.
proefopstelling bij start
proefopstelling na enkele uren
De voedingsstoffen zetmeel, glucose en eiwitten zijn voorgesteld met een deeltjesmodel. zetmeel glucose eiwit
c Onderzoek het water bij beide proefopstellingen. Om voedingsstoffen op te sporen moet je indicatoren of herkenningsmiddelen gebruiken.
waarneming: proefopstelling bij start
REACTIE met: waarneming: proefopstelling na enkele uren
d Verklaar in je eigen woorden.
Hoe komt het dat het water bij de proefopstelling na enkele uren enkel glucose bevat?
e Pas dit nu toe op het menselijk lichaam en verklaar. Maak gebruik van volgende woorden:
bloed – dunne darm – glucose – klein genoeg
4 Bekijk op de afbeelding wat er gebeurt met de voedingsstoffen in de dunne darm.
dunne darm
dikke darm

bloedvaten

dunne darm
verteerde voedingsstoffen niet-verteerde voedingsstoffen (voedselresten) voedingsvezels
a Welke stoffen zijn aanwezig in de dunne darm? Noteer.
b Welke stoffen gaan doorheen de wand van de dunne darm? Noteer.
c Waar komen die stoffen terecht? Noteer.
d Welke stoffen blijven in de dunne darm? Noteer.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
bloed – darmwand – dunne darm – kneden – maag – mondholte – slokdarm –vermengen – verteren – voedingsmiddelen – voedingsstoffen
De spijsvertering heeft als taak het verkleinen van tot verteerde . Die zijn klein genoeg om in het te worden opgenomen.
- Het voedsel wordt in de verkleind door de tanden, tong en speeksel.
- De brengt het voedsel naar de
- De maag zorgt voor het en van voedsel met het zure maagsap. Daardoor worden sommige stoffen uit het voedsel verder verkleind.
- Vervolgens komt het voedsel in de Daar eindigt de vertering. De verteerde voedingsstoffen zijn klein genoeg en kunnen nu doorheen de van de dunne darm. Ze komen zo in het bloedvatenstelsel terecht. Het bloed zorgt voor verder vervoer van de voedingsstoffen binnenin het lichaam.
is het verkleinen van voedingsmiddelen tot verteerde voedingsstoffen zodat ze doorheen de wand van de dunne darm kunnen worden opgenomen in het bloed.
5 Ga na wat er gebeurt met de nietverteerde voedingsstoffen en voedingsvezels in de dikke darm. De dunne darm heeft namelijk niet alles kunnen verkleinen.
a Bekijk opnieuw de afbeelding op p. 27.
b Waar gaan de overgebleven voedselresten en voedingsvezels naartoe? Markeer. Ze schuiven naar de lever / dikke darm / galblaas / alvleesklier.
c Welke taak heeft de dikke darm? Markeer.
- de voedselresten en voedingsvezels pletten
- water onttrekken uit de voedselresten en voedingsvezels
- de voedselresten en voedingsvezels verspreiden in het lichaam
d Welke vaste stoffen verlaten op het einde van de dikke darm het lichaam? Markeer: urine / uitwerpselen.
e Via welk orgaan verlaten deze stoffen het lichaam?
f Duid dit aan met een bruine pijl op de afbeelding van de dunne darm op p. 27.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
aarsopening – dikke darm – uitwerpselen – vaste stoffen –voedingsvezels – voedselresten
De voedselresten en bewegen verder richting de . Die darm haalt water uit de en voedingsvezels. Daardoor ontstaan er die het lichaam verlaten onder de vorm van . Die worden verwijderd via de
EXTRA O p DRACHT 6: Ontdek ge zonde voedingsgewoonten

Ben je nieuwsgierig en wil je meer weten over gezonde voedingsgewoonten? Op iDiddit vind je een opdracht over gezonde voeding en het belang van beweging.
voedingsmiddelen
mondholte
slokdarm maag
verteerde voedingsstoffen
onverteerde voedingsstoffen (voedselresten) + voedingsvezels
dunne darm
verkleinen vermengen verplaatsen
opname van verteerde voedingsstoffen in het bloed
EINDE VERTERING BEGIN AFVALVERWERKING
dikke darm water onttrekken
verwijderen van uitwerpselen aarsopening vaste stoffen
Verteren = het verkleinen van voedingsmiddelen tot verteerde voedingsstoffen zodat ze klein genoeg zijn om door de wand van de dunne darm heen te kunnen worden opgenomen in het bloed.
Ik kan … Ik vind dit op: voorbeelden van voedingsmiddelen opsommen. p. 19 en 32
uitleggen wat voedingsmiddelen zijn. p. 19 en 20 uitleggen wat voedingsstoffen zijn. p. 19-22 de verschillende functies van de voedingsstoffen uitleggen. p. 21 en 22 de spijsverteringsorganen aanduiden op een afbeelding. p. 33 de spijsverteringsorganen benoemen op een afbeelding. p. 22 en 33
vertellen wat er gebeurt in de mondholte. p. 24, 28, 30 en 34
vertellen welk orgaan het voedsel verplaatst naar de maag. p. 24, 28 en 30
uitleggen wat er gebeurt in de maag. p. 24 en 28
vertellen wat er gebeurt in de dunne darm. p. 25-28, 30 en 34 vertellen wat er gebeurt in de dikke darm. p. 28-30 en 34 de functie van het spijsverteringsstelsel uitleggen. p. 28 en 30 uitleggen wat vertering is. p. 28 en 30
1 Markeer de voedingsmiddelen in het geel en de voedingsstoffen in het blauw. voedingsvezels vetten
koolhydraten mineralen spaghetti pistolet spiegelei pruim multivruchtensap
2 Noteer elk begrip in de juiste kolom.
Kies uit:
suikers – frietjes – vetten – banaan – lasagne – eiwitten – vitamines – eieren –mineralen – olijfolie – sandwich – water – biefstuk – voedingsvezels
voedingsmiddel voedingsstof
3 Wat zijn voedingsmiddelen?
4 Benoem de aangeduide organen van het spijsverteringsstelsel.
5 Bekijk de afbeelding van het spijsverteringsstelsel.
Noteer het cijfer van de spijsverteringsorganen op de juiste plaats bij de afbeelding.
Kies uit:
1 aarsopening
2 maag
3 dikke darm
4 mondholte
5 dunne darm
6 keelholte
7 slokdarm

6 Vervolledig hieronder de weg die het voedsel aflegt tijdens de vertering.
mondholte
7 Verbind elk orgaan uit het spijsverteringsstelsel met zijn taak. mondholte • dunne darm • dikke darm • aarsopening •
• Hier wordt water onttrokken uit de onverteerde voedingsstoffen en vezels.
• Langs deze weg verlaten vaste stoffen het lichaam.
• Hier gebeurt de eerste bewerking van de voedingsmiddelen.
• De verteerde voedingsstoffen kunnen doorheen de darmwand naar het bloed.
8 Jack is erg ziek. Hij moet regelmatig naar het toilet. Volgens de dokter heeft hij een probleem met zijn dikke darm.
a Hoe is de stoelgang van Jack?
b Welke diagnose stelt de dokter?
c Wat doet de dikke darm niet?
d Welke goede raad geeft de dokter aan Jack?
Ontdek de weg van het bloed
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Wanneer moeten mensen bloed krijgen?

b Ken jij iemand die bloed geeft? Wie?
c Zou jij dit doen? Waarom wel /waarom niet?
2 Wat weet je al over het bloedvatenstelsel?
3 Wat wil je graag leren over het bloedvatenstelsel?
Je leert nu: de organen van het bloedvatenstelsel aanduiden op een afbeelding. de organen van het bloedvatenstelsel benoemen op een afbeelding. de functies van de verschillende organen van het bloedvatenstelsel uitleggen. welke stoffen er door het bloed vervoerd worden.
welke stoffen er door het bloed worden afgegeven. welke stoffen er door het bloed worden opgenomen. de soorten bloedsomlopen kennen. de functie van het bloedvatenstelsel uitleggen.
O p DRACHT 1: Ontdek de organen van het BLOEDVATENSTELSEL
Benoem de ingekleurde organen op de afbeelding.
Vul aan.
Het zorgt ervoor dat het bloed via de doorheen het lichaam stroomt. Hart en bloedvaten vormen samen het bloedvatenstelsel of transportstelsel.
O p DRACHT 2: Ontdek de organen van het BLOEDVATENSTELSEL en hun functie
1 Ga na waar je het best je hartslag kunt voelen.
a Buig tien keer snel door je benen en tik de grond. Omschrijf wat je daarna voelt.
b Waar voel je dat het best? Markeer.
buik – hals – hoofd – linkerborst
ader

orgaan
a Door welke organen stroomt je bloed?
b Benoem de verschillende soorten bloedvaten.
slagader
haarvaten
c Markeer wat juist is in de onderstaande zinnen.
- De slagaders laten het bloed van het hart naar de organen / weg van de organen stromen.
- De aders laten het bloed van de organen terug naar het hart / weg van het hart stromen.
- De haarvaten zijn de fijnste / dikste bloedvaten rond een orgaan. Doorheen de wand worden zuurstofgas en voedingsstoffen afgegeven / opgenomen aan de lichaamscellen. Uit de lichaamscellen worden koolstofdioxide en afvalstoffen afgegeven / opgenomen in het bloed.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
aders – afvalstoffen – haarvaten – hart – koolstofdioxide – rondpompen –slagaders – voedingsstoffen – zuurstofgas
Functies organen bloedvatenstelsel:
- : zorgt voor het van het bloed.
- Soorten bloedvaten:
1 : laten het bloed stromen van het hart naar de organen.
2 : laten het bloed terugstromen van de organen naar het hart.
3 : fijnste bloedvaten rond een orgaan. Vanuit het bloed worden, doorheen de wand van het haarvat, en afgegeven aan de lichaamscellen.
Vanuit de lichaamscellen gaan en doorheen de wand van het haarvat, terug naar het bloed.
O p DRACHT 3: Ga na welke stoffen door het bloed worden vervoerd
1 Bekijk de soorten bloedsomlopen.
a Lees de zinnen naast de afbeeldingen.
b Markeer wat juist is.
De bloedsomloop tussen het hart en de longen is de kleine / grote bloedsomloop.
De bloedsomloop tussen het hart en de andere organen is de kleine / grote bloedsomloop.
2 Ga na welke organen stoffen vervoeren in je lichaam.
a Markeer de juiste antwoorden op de vragen naast de afbeelding. –
Waar neemt het bloed zuurstofgas op? maag – nieren – longen
– Waar geeft het bloed koolstofdioxide af? maag – nieren – longen –
Waar neemt het bloed voedingsstoffen op? maag – nieren – dunne darm
– Waar geeft het bloed afvalstoffen af? longen – nieren – dunne darm
b Onderstreep hieronder - in het groen de stoffen die uit de lichaamscellen worden afgegeven aan het bloed. - in het rood de stoffen die in de lichaamscellen worden opgenomen uit het bloed.
afvalstoffen – koolstofdioxide – voedingsstoffen – zuurstofgas
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
afvalstoffen – grote – kleine – koolstofdioxide – transport – voedingsstoffen –zuurstofgas
Er zijn twee soorten bloedsomlopen:
- bloedsomloop: tussen het hart en de longen
- bloedsomloop: tussen het hart en de andere organen
Het bloed zorgt voor vervoer of van stoffen doorheen het lichaam:
- Het geeft en af aan de lichaamscellen.
- Het neemt en op uit de lichaamscellen.
orgaan
ORGAAN FUNCTIE HET HART

slagader
DE BLOEDVATEN
haarvaten
slagader
orgaan
rondpompen van het bloed doorheen het lichaam
orgaan
ader slagader
bloed weg van het hart naar de organen laten stromen
haarvaten
bloed van de organen terug naar het hart laten stromen ader slagader
haarvaten
ader
Doorheen de wand van het haarvat worden - voedingsstoffen en zuurstofgas afgegeven aan de lichaamscellen. - koolstofdioxide en afvalstoffen opgenomen uit de lichaamscellen.
haarvat
KLEINE BLOEDSOMLOOP
= tussen het hart en de longen
GROTE BLOEDSOMLOOP = tussen het hart en de organen
Bloedvatenstelsel: het bloed in de bloedvaten zorgt voor het vervoer van stoffen doorheen het hele lichaam.
Ik kan …
Ik vind dit op: de organen van het bloedvatenstelsel benoemen op een afbeelding.
p. 36, 37 en 40 de organen van het bloedvatenstelsel aanduiden op een afbeelding.
p. 36, 37 en 40 de functie van het hart uitleggen.
p. 36, 38 en 40 de soorten bloedvaten aanduiden op een afbeelding.
p. 37 en 40 de soorten bloedvaten benoemen op een afbeelding.
p. 36, 37 en 40 de functie van elk soort bloedvat uitleggen.
p. 37, 38, 40 en 42 uitleggen welke stoffen door het bloed worden afgegeven aan de lichaamscellen.
p. 37-40, 42 en 43 uitleggen welke stoffen door het bloed worden opgenomen uit de lichaamscellen.
p. 37-40, 42 en 43 de functie van het bloedvatenstelsel uitleggen.
p. 36 en 41
1 Markeer de organen van het bloedvatenstelsel.
bloedvaten – dunne darm – hart – longen – lever
2 Wat is de functie van de bloedvaten?
a Bekijk de tabel.
b Plaats een kruisje in de juiste kolom.
Bloed stroomt van de organen naar het hart.
Bloed stroomt van het hart naar de organen.
Opnemen en afgeven van stoffen in lichaamscellen.
c Noteer de stoffen die opgenomen worden uit en afgegeven worden aan het bloed.
3 Plaats een kruisje bij de groep organen die belangrijk zijn bij de bloedsomloop.
hersenen – maag – lever – aders maag – aders – nieren – hart slagaders – haarvaten – hart – aders slagaders – luchtpijp – aders
bloedvaten haarvat ader slagader
4 Bekijk de tabel over het transport van stoffen.
a Vul de titels aan in rij 1. Kies uit: afgegeven – opgenomen
b Vul het ontbrekende orgaan aan in kolom 1.
c Neem het stickerblad op p. 55.
d Kleef de ontbrekende stoffen in kolom 2 en 3.
afbeelding



Wat wordt door het bloed?
Wat wordt door het bloed?
in lichaamscellen van elk orgaan
Ontdek hoe JE zweet onderzoekt
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Wanneer ga jij héél erg zweten?


2 Wat weet jij al over het uitscheidingsstelsel?
3 Wat wil je graag leren over het uitscheidingsstelsel?
LEERDOELEN
Je leert nu: wat afvalstoffen zijn. de organen van het uitscheidingsstelsel benoemen.
de functies van de organen van het uitscheidingsstelsel uitleggen.
O p DRACHT 1: Ontdek welke afvalstoffen je lichaam verwijdert
Neem het stickerblad op p. 53.
a Kleef de afbeelding bij de juiste activiteit in rij 1.
b Welke afvalstof verlaat je lichaam? Noteer in rij 3.
activiteit Iemand die sport. Iemand die moet plassen. Iemand die aan het (uit)ademen is. afvalstof en
Vul de zin aan.
Je lichaam verwijdert een aantal stoffen: , , en , die je afvalstoffen noemt.
O p DRACHT 2: Ontdek de uitscheidingsorganen en hun functie
1 Bekijk de afbeelding van het longblaasje.
a Vul de ontbrekende begrippen in op de juiste plaats. Kies uit: koolstofdioxide (2x) – ingeademde lucht – uitgeademde lucht – waterdamp –zuurstofgas – zuurstofgas
b Welke stoffen worden door de longen verwijderd? Markeer.
koolstofdioxide – stikstofgas – waterdamp – zuurstofgas
c Waar in het lichaam zijn die afvalstoffen ontstaan? Markeer.
in de darmen – in de lichaamscellen – in de longen – in het bloed
2 Neem een plastic zakje en een elastiek.
a Voer de proef uit:
Steek je hand in het plastic zakje.
Sluit het plastic zakje af met een elastiek.
Blijf een drietal minuten rustig zitten.

b Wat zie je na enkele minuten verschijnen aan de binnenkant van het plastic zakje? Noteer.
c Hoe smaakt je vochtige hand? Markeer.
bitter – fruitig – zoet – zout – zuur
d Welke stof wordt door de huid uitgescheiden? Noteer.
e In welke omstandigheden kun je soms erg zweten? Noteer.
3 Bekijk de afbeelding van het uitscheidingsstelsel.
a Plaats het juiste cijfer van de aangeduide uitscheidingsorganen in de tabel.
uitscheidingsorganen cijfer rechternier linkernier urineleider
urineblaas urinebuis

b Wat zie je toekomen in de nier? Markeer.
bloedvaten – voedseldeeltjes – water
c Wat wordt hier gezuiverd? Markeer.
bloed – voedseldeeltjes – water
d Welke vloeistof wordt er in de nieren gevormd? Noteer.
e Weet je uit welke stoffen dit bestaat? Markeer.
afvalstoffen – overtollige stoffen – koolstofdioxide – zuurstofgas
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
afvalstoffen – huid – koolstofdioxide – longen – nieren – uitscheiden – urine –urineblaas – urinebuis – urineleiders – waterdamp – zweet
De verwijderen en uit het lichaam. Via de wordt uitgescheiden. De nieren halen en overtollige stoffen uit het bloed waardoor gevormd wordt.
De weg die urine aflegt is →
Het verwijderen van afvalstoffen uit het bloed gebeurt door de uitscheidingsorganen en noem je .
1 DE LONGEN
functie: het verwijderen van waterdamp en koolstofdioxide
2 HUID
functie: het verwijderen van zweet
3 DE NIEREN
functie: het verwijderen van urine = afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed
nieren urineblaas urineleiders urinebuis WEG die urine aflegt



Uitscheiding = verwijderen van afvalstoffen uit het bloed en uit het lichaam.
Ik kan … Ik vind dit op: uitleggen wat afvalstoffen zijn. p. 45 de uitscheidingsorganen aanduiden op een afbeelding. p. 46, 48 en 50 de uitscheidingsorganen benoemen op een afbeelding. p. 46 en 48 voorbeelden geven van stoffen die worden uitgescheiden. p. 45-49 de functie van de longen bij de uitscheiding uitleggen. p. 45-49 de functie van de huid bij de uitscheiding uitleggen. p. 46-49 de functie van de nieren bij de uitscheiding uitleggen. p. 47-49 vertellen welke weg urine aflegt. p. 47, 48 en 50 de delen van de urinewegen aanduiden op een afbeelding. p. 46-50 de delen van de urinewegen benoemen op een afbeelding. p. 46-50
1 Welke organen zorgen voor het verwijderen van afvalstoffen?
a Bekijk de afvalstoffen in kolom 1.
b Plaats een kruisje onder het juiste orgaan.
organen
afvalstof huid nieren longen
zweet
waterdamp
urine
koolstofdioxide
2 Neem het stickerblad op p. 55. Kleef de juiste afbeelding onder de situatie waarin deze personen zweten.
ziek zijn
sporten
stress (werk / studie)
3 Noteer bij elke functie het juiste orgaan.
functie uitscheidingsorganen orgaan het verwijderen van afvalstoffen uit het bloed via zweet
het verwijderen van waterdamp en koolstofdioxide uit het lichaam het verwijderen van afvalstoffen uit het bloed via urine
4 Bekijk de afbeelding. Noteer het cijfer van de uitscheidingsorganen op de juiste plaats bij de afbeelding.
a Kleur de weg die de urine aflegt in het groen.
b Benoem de aangeduide organen. Kies uit:
1 urineleider
2 linkernier
3 urinebuis
4 urineblaas

c Wat is de functie van de nieren? Leg uit.
´ Verder oefenen? Ga naar

hoofdstuk woord verklaring
5 afvalstoffen In het lichaam ontstaan stoffen die door het lichaam niet meer gebruikt kunnen worden en die het lichaam moeten verlaten.
2 gaswisseling uitwisselen van gassen tussen de lucht in de longen en het bloed in de bloedvaten
3 indicator Stoffen die, door typische kleurveranderingen, de aanwezigheid van andere stoffen aantonen (bv. lugol, diastix, albustix).
1 lichaamscel kleinste bouwsteen van het lichaam
1 middenrif Platte spier die de romp in twee holtes verdeelt: de borstholte en de buikholte.
1 orgaan Onderdeel van een stelsel, bestaat uit verschillende weefsels die samenwerken aan één taak.
5 overtollige stoffen Overbodige stoffen, zoals kleurstoffen uit voedingsmiddelen, die het lichaam moeten verlaten.
3 speeksel Vocht aanwezig in de mondholte dat zorgt voor het afbreken (kleiner maken) van zetmeel tot glucose.
1 stelsel Een groep met elkaar verbonden organen die samenwerken aan dezelfde taak.
4 transport / vervoer het vervoer van stoffen doorheen het hele lichaam
5 uitscheiden het verwijderen van afvalstoffen en overtollige stoffen uit het bloed
3 uitwerpselen Vaste stoffen die het lichaam verlaten via de aarsopening.
5 urine Vloeistof bestaande uit water, overtollige stoffen en afvalstoffen, die in de nieren gevormd wordt.
5 urinewegen verzamelnaam voor alle organen van het uitscheidingsstelsel
3 verteren Het verkleinen van voedingsmiddelen tot verteerde voedingsstoffen zodat ze klein genoeg zijn om doorheen de wand van de dunne darm te kunnen worden opgenomen in het bloed.
3 voedingsmiddelen Alles wat je eet en drinkt.
3 voedingsstoffen Stoffen uit de voedingsmiddelen die ons lichaam nodig heeft om te functioneren.
3 voedingsvezels
Voedingsstoffen die een goede darmwerking bevorderen.
3 voedselresten niet-verteerde voedingsstoffen
1 weefsel Groep lichaamscellen met dezelfde vorm die samenwerken aan één taak.
5 zweet (zweten)
Uitscheidingsstof die geproduceerd wordt door de huid en die het lichaam moet verlaten.
p. 7 opdracht 2





p. 43 opdracht 4
zuurstofgas
koolstofdioxide
afvalstoffen
voedingsstoffen
koolstofdioxide en afvalstoffen
zuurstofgas en voedingsstoffen
p. 45 opdracht 1



p. 49 opdracht 2



Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, extra oefeningen ...
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een bijkomend audio- of videofragment zijn, een woorden- of begrippenlijst, extra bronnen of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Adaptieve oefeningen
Met adaptieve oefeningen kun je de leerstof inoefenen op jouw niveau. Hier kun je vrij oefenen of de oefeningen maken die de leerkracht voor je heeft klaargezet.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen?
Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud?
Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment zelf kunt bekijken of beluisteren op je smartphone.
Als je dit icoon ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
Frieda Goossens
Nathalie Lapere
Sofie Timmerman vanin.be
Je les in eigen handen
Ontdek het onlineleerplatform iDiddit! Vooraan in dit boek vind je de activatiecode. Activeer snel je account op www.ididdit.be en maak er een geweldig schooljaar van!
ISBN 978-94-651-4363-7 611632
Fiche 1: Hoe bepaal je de 5 massa van materie?
Fiche 2: Hoe bepaal je het 7 volume van materie?
Fiche 3: Hoe noteer 10 je meetresultaten?
Fiche 4: Hoe benoem je 12 de aggregatietoestanden van stoffen en faseovergangen?

Via
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be.
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit.
Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
ACTIVEER DEZE LICENTIE
PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START
VANAF ACTIVATIE
EN IS 365 DAGEN GELDIG.
!Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode MicroScoop van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en veel mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden.
Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4363-7
D/2026/0078/61
Art. 611632/01
NUR 120
Instructietaal
De volgende instructies heb je nodig in je themabundel:

Ontwerp: B.AD
Opmaak: Ontvlambaar
Covertekening: Jan Heylen
Tekeningen binnenwerk: Geert Verlinde
Welkom bij MicroScoop. Hier lees je hoe je met dit leerpakket aan de slag gaat.
1 Op we g met MICROSCOOP
Dit leerpakket bestaat uit 3 thema's en een opzoekboekje. Elk thema is op dezelfde manier opgebouwd.
Vooraan staat de thematekening.
Hier vind je een handig overzicht van de hoofdstukken. Onderaan de pagina kun je je naam en klas invullen.
Tijdens de opdrachten gaan jij of je leerkracht zelf onderzoeken uitvoeren. Je volgt telkens zeven stappen die worden aangeduid met de volgende iconen: MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER
1
1 BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN

2 Wat weet je al over voorwerpen en stoffen?
3 Wat wil je nog leren?

Naam: Klas: ENERGIE en krachten RONDOM ONS
Je start elk hoofdstuk met een WOW
Je maakt hier kennis met het onderwerp van het hoofdstuk. Onder de WOW vind je de leerdoelen voor ieder hoofdstuk.
Na deze WOW en de leerdoelen start je met de opdrachten.
2
3 Benodigdheden: Wat heb je nodig? leidingwater mineraalwater gedestilleerd water 3 theelichtjes

zodat de kaars geen brand veroorzaakt.
4 Werkwijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Maak de metalen schilden los van de draadkorven.
2 Plaats de theelichtjes



Een VOORWERP is opgebouwd uit STOF OF MATERIE
De deeltjes waaruit materie bestaat, kunnen voorgesteld worden met een DEELTJESMODEL

waarbij ieder figuurtje één DEELTJE voorstelt.
Voor je verder gaat oefenen, bekijk je eerst de synthese van het hoofdstuk.
Na elke synthese volgt een checklist 'Ik kan ...'
1 Dat is een opsomming van de doelen waaraan je in dit hoofdstuk gewerkt hebt.
2 Je kunt de sterretjes inkleuren naargelang je zelf beoordeelt of je een bepaald doel minder goed of al goed kent.
Ik kan … Ik vind dit op:
een ander woord geven voor materie. p. 2 en 6 bij voorwerpen voorbeelden geven van stoffen of materie. p. 2, 6 en 7 woorden of afbeeldingen sorteren volgens voorwerp of materie. p. 2, 3 en 7 gebruikmaken van een deeltjesmodel. p. 4-6 en 7 6
Je kunt in het onderdeel Nu is het jouw beurt verder oefenen.
Je leerkracht beslist of je de oefeningen op het einde van het thema maakt of doorheen de lessen.
Op iDiddit vind je bovendien nog meer oefeningen.































3 Onder 'Ik vind dit op ...' vind je het paginanummer waar je de leerstof terugvindt.
1 Waaruit zijn deze voorwerpen opgebouwd? a Bekijk de afbeeldingen in kolom 1. b Benoem de voorwerpen in kolom 2. c Noteer de namen van de stoffen waaruit de voorwerpen zijn opgebouwd in kolom 3. afbeelding voorwerp stoffen


2 Verbind de voorwerpen met de stoffen waaruit ze zijn opgebouwd. a Markeer de stoffen die bij de rode biet horen met rood. b Markeer de stoffen die bij de pmd-vuilnisbak horen met blauw.

rode biet pmd-vuilnisbak calcium metaal plastic rode kleurstof suikers vitamine C water a b A b

Noteer de juiste woorden onder de afbeeldingen. Kies uit: deeltjesmodel – materie – voorwerp


In de opdrachten en onderzoeken moet je soms fiches met extra informatie gebruiken. Deze fiches vind je in het Opzoekboekje
Reflectie
a Kijk goed naar de afbeeldingen van het deeltjesmodel bij de waarneming.
b Hoe kun je verklaren wat er tijdens de proef gebeurde? Plaats een kruisje voor het juiste antwoord.
2 Handig voor onderweg
De waterdeeltjes hebben de suikerdeeltjes opgegeten.
De suikerdeeltjes zijn verloren gegaan.
In de loop van elk thema word je ondersteund door een aantal hulpmiddelen.
De suikerdeeltjes hebben zich verspreid tussen de waterdeeltjes.
De suikerdeeltjes hangen vast aan de waterdeeltjes.
De waterdeeltjes zijn verloren gegaan.
c Herlees je hypothese op p. 3.
Je vindt doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in deze rode kenniskaders
d Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. hout – metaal – schoolbord – stoffen – voorwerpen
Ik had hetzelfde idee.
Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
Je bent omringd door zoals het Deze voorwerpen bestaan uit één of meerdere of materie. Bijvoorbeeld of
OPDRACHT 2: Ontdek waaruit materie is opgebouwd
Je gebruikt figuurtjes om de deeltjes van materie voor te stellen.
1 Bekijk wat er gebeurt in een van deze situaties:
Al die figuurtjes samen vormen een deeltjesmodel. Voor elk soort
deeltje gebruik je een ander figuurtje.
Je kunt om het even welk figuurtje kiezen.
Moeilijke woorden worden uitgelegd in een begrippenkader
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
deeltjes – deeltjesmodel – figuurtje
Materie is opgebouwd uit
- Je scheurt krantenpapier boven een zwart blad.
WOORDENLIJST
- Je schudt een stofdoek en een keukenhanddoek uit boven een zwart blad.
hoofdstuk woord verklaring

3aggregatietoestand Vorm waarin materie zich kan bevinden: vast, vloeibaar of gasvormig.
4chemisch verschijnsel Situatie waarbij de materie verandert, er wordt een nieuwe stof gevormd.
a Neem deze voorwerpen: krantenpapier stofdoek keukenhanddoek zwart blad
3condenseren faseovergang van gasvormig naar vloeibaar
1deeltje een bouwsteen van materie

1 deeltjesmodel Een model om materie voor te stellen. Elk soort deeltje wordt met een ander figuurtje voorgesteld.
Die woorden staan groen en vet en vallen extra op door de stippellijn
b Scheur het krantenpapier boven een zwart blad. Noteer wat je ziet.
3desublimeren faseovergang van gasvormig naar vast
3faseovergang overgang tussen verschillende aggregatietoestanden
3 fysisch verschijnsel Situatie waarbij de materie niet verandert, de deeltjes blijven hetzelfde.
Je gebruikt een model om materie voor te stellen.
Voor elk soort deeltje gebruik je een ander
Je vindt ze ook achteraan terug in de woordenlijst
Alle figuurtjes samen vormen een
Tip
3 gasvormig Aggregatietoestand waarbij de deeltjes geen vaste plaats hebben en door elkaar vliegen.
3 krimpen Door temperatuurdaling verkleint de afstand tussen de deeltjes, het volume verkleint.
1 materie Voorwerpen zijn opgebouwd uit stoffen of materie. Materie bestaat uit deeltjes.
2 MATERIE VOOR EEN WETENSCHAPPER — 1 BOUWSTENEN VAN VOORWERPEN
2mengsel Materie die bestaat uit verschillende soorten deeltjes.
3smelten faseovergang van vast naar vloeibaar
4 stofomzetting, chemische omzetting Situatie waarbij de materie verandert, er wordt een nieuwe stof gevormd.
3stollen faseovergang van vloeibaar naar vast
- De blauwe figuurtjes stellen hier de waterdeeltjes voor.
- De rode figuurtjes zijn de suikerdeeltjes.
Met MicroScoop ga je zelf experimenteren en onderzoeken. Hierbij moet je natuurlijk een aantal veiligheidsvoorschriften respecteren. Die vind je terug in dit kader.
3 Benodigdheden: Wat heb je nodig? koffielepel fijne witte kristalsuiker 1 beker drinkbaar water
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Je proeft bij een onderzoek enkel van een stof als dit gevraagd wordt in de werkwijze.
4 Werkwijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Vul de beker voor de helft met water.
5 Waarneming: WAT ZIE JE?
3sublimeren faseovergang van vast naar gasvormig
3 uitzetten Door temperatuurstijging vergroot de afstand tussen de deeltjes, het volume vergroot.
3 vast Aggregatietoestand waarbij de deeltjes een vaste plaats hebben en trillen.
3verdampen faseovergang van vloeibaar naar gasvormig
In de tipkaders staan handige tips voor het uitvoeren van de onderzoeken of opdrachten.
2 Neem een slokje uit de beker met water. Noteer wat je proeft bij waarneming 1.
3 Neem met de koffielepel een klein beetje suiker.
4 Steek de koffielepel in je mond. Noteer wat je proeft bij waarneming 2.
5 Voeg een halve koffielepel suiker toe aan de beker met water.
- De blauwe figuurtjes stellen hier de waterdeeltjes voor.
6 Roer zachtjes met de lepel.
- De rode figuurtjes zijn de suikerdeeltjes.
Tip waarneming 1
7 Neem een slokje uit de beker met suiker en water. Noteer wat je proeft bij waarneming 3.
8 Bekijk de vloeistof in de beker. Noteer wat je ziet bij waarneming 4.
9 Markeer het juiste antwoord in het besluit.
5 Waarneming waarneming 1 beker met water waarneming 2 koffielepel
Dit kader bevat een weetje voor nieuwsgierige leerlingen. Het kan je verder op weg helpen om de opdrachten goed te begrijpen.
7 Reflectie
Weetje


Door warmte toe te voegen aan suiker worden andere stoffen gevormd. De zwarte stof die ontstaat is koolstof. Er ontstaan ook waterdruppels in de proefbuis. Bij een verbranding zijn warmte en zuurstofgas uit de lucht nodig.
maatbeker met water waarneming 2 koffielepel met suiker waarneming 3
waarneming 3
a Bekijk de deeltjesmodellen.

maatbeker met suikerwater waarneming 4

1.1 Hoe bepaal je de massa van stoffen met een eigen vorm?
Wat heb je nodig? digitale balans voorwerp met een eigen vorm (bv. pennenzak)
Hoe ga je aan de slag?
1 Zet de digitale balans aan door op de ON-knop te duwen.
2 Controleer of de digitale balans in de eenheid gram is afgesteld.
3 Plaats het voorwerp op de digitale balans.
4 Lees de massa af.
5 Noteer de massa op je antwoordblad als m = g.

1.2 Hoe bepaal je de massa van stoffen zonder een eigen vorm?
Wat heb je nodig?
digitale balans stoffen zonder eigen vorm (bv. suiker, water …) beker
Hoe ga je aan de slag?
1 Zet de digitale balans aan door op de ON-knop te duwen.
2 Controleer of de digitale balans in de eenheid gram is afgesteld.
3 Plaats de beker op de digitale balans.
4 Druk op de knop tarra of zero om het toestel weer op 0.00 te plaatsen.
5 Neem de beker van de digitale balans.
6 Doe de stof in de beker.
7 Plaats de beker met de stof op de digitale balans.
8 Lees de massa af.
9 Noteer als m = g.


2.1 Hoe bepaal je het volume van regelmatige voorwerpen?
Wat heb je nodig? rekentoestel meetlat in cm regelmatig voorwerp zoals kubus of balk blad papier pen
Hoe ga je aan de slag?



1 Welke vorm heeft je voorwerp? Kijk in het tipkader welke afmetingen je nodig hebt.
2 Meet met een lat de afmetingen van je voorwerp.
3 Noteer ze op een blad.
4 Zoek in het tipkader de juiste formule om het volume te berekenen. Bereken het volume met je rekentoestel.
5 Noteer het antwoord als V = cm³.
Tip
volume = oppervlakte grondvlak x hoogte


van de ruimtefiguur
2.2 Hoe bepaal je het volume van onregelmatige voorwerpen?
Er zijn drie manieren waarop je het volume van een onregelmatig voorwerp kunt bepalen:
1 Je bepaalt het volume van een vloeistof met een maatbeker.
2 Je bepaalt het volume van een vloeistof met een maatcilinder.
3 Je bepaalt het volume van een onregelmatig vast voorwerp met een maatcilinder.
1 Hoe bepaal je het volume van een vloeistof met een maatbeker?
Wat heb je nodig?
maatbeker vloeistof
Hoe ga je aan de slag?


1 Kijk in welke eenheid de maataanduiding van de maatbeker is (bv. ml).
2 Plaats de maatbeker op een vlakke ondergrond zoals je tafel.
3 Giet de vloeistof in de maatbeker.
4 Kijk recht op het vloeistofniveau.
5 Lees het volume van de vloeistof af door naar het onderste lijntje van het vloeistofniveau te kijken.
6 Noteer het antwoord bij waarneming als V = (met de eenheid van de maatbeker).
2 Hoe bepaal je het volume van een vloeistof met een maatcilinder?
Wat heb je nodig?
maatcilinder
vloeistof
Hoe ga je aan de slag?
1 Kijk in welke eenheid de maataanduiding van de cilinder is. Bij een maatcilinder is dit ml.
2 Plaats de maatcilinder op een vlakke ondergrond zoals je tafel.
3 Giet de vloeistof in de maatcilinder.
4 Kijk recht op het vloeistofniveau.
5 Lees het volume van de vloeistof af door naar het onderste lijntje van het vloeistofniveau te kijken.
6 Noteer het antwoord bij waarneming als V = ml.

3 Hoe bepaal je het volume van een onregelmatig vast voorwerp met een maatcilinder?
Wat heb je nodig?
maatcilinder vloeistof rekentoestel onregelmatig voorwerp (bv. een steen)
Hoe ga je aan de slag?
1 Giet genoeg water in de maatcilinder om het onregelmatig voorwerp onder te dompelen.
2 Lees het volume van het water af, gebruik hiervoor de werkwijze op p. 6.
3 Noteer het volume van het water als V1 = ml.
4 Laat voorzichtig het voorwerp in het water zakken.
5 Lees het volume van het water af, gebruik hiervoor de werkwijze op p. 6.
6 Noteer het volume van het water als V2 = ml.
7 Bereken het volume van je voorwerp door V2- V1 uit te rekenen met je rekentoestel.
8 Noteer het antwoord bij waarneming als V = ml.
1 Wat meet je? = grootheid
lengte (de afmeting van een voorwerp)
massa (hoeveelheid materie van een voorwerp)
volume (de ruimte nodig voor het voorwerp)
temperatuur (maat voor de kinetische energie van deeltjes)
energie (altijd nodig om een verandering te realiseren)
kracht (de mate van trekken aan iets/ iemand anders)
snelheid (de mate van verandering per tijdseenheid)
2 symbool grootheid
3 Welk toestel gebruik je om de grootheid te meten?

digitale balans

maatbeker maatcilinder



energiemeter



Een meetresultaat bestaat uit:
1 Het symbool van de grootheid: wat heb je gemeten?
Dit symbool wordt steeds cursief genoteerd.
2 Een gelijkheidsteken (=)
3 De getalwaarde die je afleest op het meettoestel.
4 Het symbool van de eenheid: in welke maat druk je het uit?
Voorbeeld: l = 30 cm
Iedere grootheid heeft een internationaal afgesproken hoofdeenheid.
4 In welke eenheid druk je het meetresultaat uit? 5 symbool eenheden 6 omzettingen
kilometer meter centimeter millimeter
kilogram gram milligram microgram
1 mg = 1000 µg liter deciliter centiliter milliliter kubieke meter kubieke decimeter kubieke centimeter
graden Celsius kelvin
joule calorie J cal
0°C = 273,15 K 0 K = -273,15 °C
1 cal = 4,184 J
1 J = 0,239 cal
1 kcal = 1000 cal
1 kJ = 1000 J newton N
kilometer per uur meter per seconde km/h m/s van km/h naar m/s: waarde delen door 3,6 van m/s naar km/h: waarde vermenigvuldigen met 3,6


verdampen
Legende
g afkoelen
g opwarmen
paars: benaming faseovergang
zwart: benaming aggregatietoestand

gasvormig vloeibaar
condenseren
Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, extra oefeningen ...
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een bijkomend audio- of videofragment zijn, een woorden- of begrippenlijst, extra bronnen of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Adaptieve oefeningen
Met adaptieve oefeningen kun je de leerstof inoefenen op jouw niveau. Hier kun je vrij oefenen of de oefeningen maken die de leerkracht voor je heeft klaargezet.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen?
Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud?
Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment zelf kunt bekijken of beluisteren op je smartphone.
Als je dit icoon ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
Frieda Goossens
Nathalie Lapere
Sofie Timmerman
Je les in eigen handen
Ontdek het onlineleerplatform iDiddit! Vooraan in dit boek vind je de activatiecode. Activeer snel je account op www.ididdit.be en maak er een geweldig schooljaar van!
ISBN 978-94-651-4363-7 611632
vanin.be