


1u Natuurwetenschappen voor de B-stroom
![]()



1u Natuurwetenschappen voor de B-stroom
1 Biodiversiteit in biotopen p. 1
2 Voedselrelaties p. 21
3 A anpassingen van planten en dieren aan hun leefomgeving p. 29
4 Natuurlijk evenwicht p. 39
Via www.ididdit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij MicroScoop.
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be.
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit.
Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
ACTIVEER DEZE LICENTIE
PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START VANAF ACTIVATIE EN IS 365 DAGEN GELDIG.
!Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode MicroScoop van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en veel mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden. Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
credits
p. 1 Zoniënwoud © tvbrussel, p. 9 feeding the bees © David Calbert /. Shutterstock.com, p. 11 ecoduct © Natuur en Bos van de Vlaamse Overheid, luchtfoto © Google Maps p. 12 ladder van Lansink © www.recycling.nl, p. 14 visvijvers © RLLK – www.dewijers. be, multimovepad © Sport Vlaanderen / Natuur en Bos, p. 29 natuurlijke selectie © KBIN, p. 36 dier © KBIN, p. 51 recreatiepark © BlueLily7 / Shutterstock.com
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4362-0
D/2026/0078/60
Art. 611631/01
NUR 120
Instructietaal
De volgende instructies heb je nodig in je themabundel:

Ontwerp: B.AD
Opmaak: Ontvlambaar
Covertekening: Jan Heylen
Tekeningen binnenwerk: Geert Verlinde
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Over welk bos krijg je veel info in het filmpje?

b Welke dieren geven de beste informatie over de kwaliteit van de biotoop waarin ze leven?
2 Wat weet je al over biodiversiteit?
3 Wat weet je al over een ecosysteem?
4 Wat wil je graag leren over biodiversiteit?
Je leert nu: een onderscheid maken tussen biotische en abiotische factoren. de gepaste meetmethode gebruiken voor het onderzoeken van abiotische factoren.
voorbeelden geven van de invloed van de mens op de biodiversiteit. het belang van biodiversiteit uitleggen aan de hand van voorbeelden.
OPDRACHT 1: MAAK KENNIS MET VERSCHILLENDE BIOTOPEN
Een plaats met specifieke leefomstandigheden waar organismen kunnen samenleven, noem je een biotoop.
1 Ga na welke verschillende biotopen er zijn.
a Lees opnieuw de beschrijving van een biotoop in het begrippenkader hierboven.
b Neem het stickerblad met de afbeeldingen van verschillende biotopen op p. 51.
c Kleef de afbeeldingen op de juiste plaats.
d Noteer voor elke biotoop twee typische kenmerken. bos braakliggend terrein grot
2 Bekijk het filmpje over de leer van het leven op iDiddit.
a Wat bestudeert de biologie?
b Geef een ander woord daarvoor.
c Welke kenmerken hebben organismen volgens het filmpje?
d Ken je zelf nog andere kenmerken van organismen?

e Hoe noem je, in de natuur, dingen die nooit hebben geleefd?
f Noteer drie voorbeelden daarvan.
3 Bekijk welke afspraken je nakomt wanneer je een biotoop onderzoekt.
a Lees de stellingen over de na te komen afspraken.
b Is de stelling juist of fout? Plaats een kruisje.
stelling juist fout
Je laat je afval achter op de grond.
Je mag roepen, tieren en zingen.
Je mag enkel op de wandelpaden lopen.
Je kunt huisdieren laten loslopen.
Je zet kleine diertjes die je onderzocht hebt, terug op de plaats waar je ze vond.
Je beschadigt geen bomen, struiken, kruiden en paddenstoelen.
Je verzamelt enkel wat van jou verwacht wordt.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. biotoop – niet-levende – organismen
- Een is een plaats met specifieke leefomstandigheden waar bepaalde of levende wezens samenleven.
- Levende wezens kunnen onder andere ademen, bewegen … materie kan dat niet.
OPDRACHT 2: ONDERZOEK HET LEVEN IN EEN BIOTOOP
1 Bekijk de afbeeldingen.
a Maak een woordspin door vanuit het centrale woord blauwe pijlen te trekken naar de afbeeldingen waarop een organisme te zien is.











b Benoem de organismen waarnaar je een blauwe pijl hebt getrokken. Kies uit: boom – boterbloem – duizendpoot – konijn – mensen – paddenstoelen
c Markeer het juiste antwoord in de zin.
Organismen zijn biotische factoren of levende / niet-levende factoren in een biotoop.
d Als je weet dat levende wezens biotische factoren zijn, hoe noem je dan de niet-levende materie? Vink aan.
Dat zijn de biotische factoren in een biotoop.
Dat zijn de abiotische factoren in een biotoop.
2 Ontdek hoe je tijdens je expeditie de biotische factoren kunt waarnemen.
Om de naam van een plant of een dier te bepalen, gebruik je de zichtbare kenmerken van het organisme. Dat noem je determineren.
a Je leerkracht geeft je een afbeelding van een organisme. Bekijk de afbeelding.
b Kruis in de tabel aan welke fiche uit Opzoekboekje B je gebruikt om de naam te bepalen.
biotische factoren waarnemen planten dieren
fiche 8 in Opzoekboekje B: Welke kruidachtige bloemplanten kun je waarnemen?
fiche 9 in Opzoekboekje B: determineertabel voor bomen en struiken
fiche 6 in Opzoekboekje B: Welke kleine diertjes kun je waarnemen?
fiche 7 in Opzoekboekje B: Welke waarnemingen wijzen op de aanwezigheid van grote dieren?
1 Bekijk opnieuw de afbeeldingen bij opdracht 2 op p. 4.
a Bekijk de afbeeldingen waarnaar je geen pijl hebt getrokken.
b Die factoren heb je niet benoemd. Noteer met rood de naam van die abiotische factoren. Kies uit: grond – licht – vochtigheid – water – wind
2 Ontdek hoe je tijdens je expeditie de abiotische factoren kunt bepalen.
a Lees in kolom 1 van de tabel de abiotische factoren.
b Bekijk in kolom 2 de afbeeldingen van de meetinstrumenten waarmee je die abiotische factoren meet.
c Noteer de naam van het meetinstrument in kolom 3. Kies uit:
geluidsmeter – lichtmeter – luchtvochtigheidsmeter – thermometer –valpen met buis – windsnelheidsmeter
d Lees in kolom 4 de eenheid waarin elke abiotische factor wordt uitgedrukt.
e Vink in kolom 5 het juiste symbool voor de eenheid uit kolom 4 aan. abiotische




uur


en lintmeter/meetlat

Naast de bodemhardheid kun je ook de bodemsoort bepalen. Je gebruikt daarvoor een grondboor om een grondstaal van de bodem te nemen. Dat grondstaal plaats je in een goot.






Aan de hand van een determineertabel ga je dan op zoek naar de naam van het gesteente voor jouw grondstaal.
3 Je leerkracht toont enkele begrippen. Kruis in de tabel aan welke fiche(s) uit
Opzoekboekje B je gebruikt.
fiche 10 in
Opzoekboekje B: Hoe werk je met een grondboor?
Vul de ontbrekende woorden in.
abiotische factoren bepalen
fiche 11 in
Opzoekboekje B: Hoe bepaal je de bodemhardheid?
Tijdens de expeditie in biotopen onderzoek je:
fiche 12 in
Opzoekboekje B: determineertabel voor gesteenten
- factoren of levende factoren (bijvoorbeeld planten en dieren)
- factoren of niet-levende factoren (bijvoorbeeld windsnelheid, temperatuur en luchtvochtigheid)
OPDRACHT 4: GA OP EXPEDITIE IN BIOTOPEN
Je krijgt van je leerkracht de werkbundel ‘Op expeditie in biotopen’.
Noteer hieronder gegevens over de expeditie.
a ga je op expeditie?
b ga je naartoe? Wanneer Waar
De aanwezigheid van verschillende soorten organismen in een biotoop noem je biodiversiteit.
Ga na hoe je biodiversiteit kunt waarnemen.
a Herlees de omschrijving van biodiversiteit in het begrippenkader hierboven.
b Bekijk de afbeeldingen.
c Op welke afbeelding is de biodiversiteit het grootst? Plaats een kruisje.



d In welke biotoop is de biodiversiteit het grootst? Plaats een kruisje voor de juiste stelling.
In een weiland waar koeien grazen, komen meer organismen voor dan in een bloemenweide.
De aanwezigheid van verschillende soorten organismen is het grootst in een biotoop met een groot aantal verschillende soorten planten.
In een graasweide en een bloemenweide is het aantal verschillende soorten organismen gelijk.
De biodiversiteit van een graasweide is groter dan die van een bloemenweide, omdat de uitwerpselen van dieren extra bemesting geven.
Markeer wat juist is.
- De biodiversiteit geeft aan hoeveel verschillende soorten organismen in een biotoop voorkomen.
- In een biotoop waar veel verschillende soorten organismen samenleven, is de biodiversiteit groot / klein.
1 Bekijk de afbeeldingen van menselijke activiteiten die de biodiversiteit beïnvloeden.








a Lees de omschrijvingen van menselijke activiteiten die de biodiversiteit beïnvloeden.
1 Afvalwater lozen in beken en rivieren.
2 Maai mei niet.... bij blij! Rijd het gras niet af gedurende de meimaand.
3 Voorkom afval! Gebruik van herbruikbare drinkfles.
4 De grote wouden massaal ontbossen.
5 Plasticsoep in de wereldzeeën doen ontstaan.
6 Rust- en broedplaatsen worden goed beschermd.
7 Landbouwers en tuiniers gebruiken pesticiden
8 Afvalwater zuiveren in waterzuiveringsstations.
b Noteer bij elke afbeelding het juiste cijfer van de omschreven menselijke activiteit.
c Sommige afgebeelde menselijke activiteiten verstoren de biodiversiteit.
Trek vanuit het centrale woord ‘biodiversiteit’ rode pijlen naar die afgebeelde activiteiten.
d Sommige afgebeelde menselijke activiteiten zorgen dat de biodiversiteit behouden blijft.
Trek vanuit het centrale woord groene pijlen naar die afbeeldingen.
2
Ontdek het verband tussen sushi en een schildpad.
a Bekijk het filmpje op iDiddit.
b Bekijk vervolgens de afbeeldingen.
c Lees nu de tekst bij d.
d Markeer wat juist is.
Sushi is een populair gerecht.
Daardoor is de vraag naar blauwvintonijn / dolfijn enorm gedaald / gestegen. Volgens het filmpje varen er te veel vissersboten uit met enorm grote / kleine netten. Daarin komen jaarlijks niet alleen massa’s vissen terecht, maar raken per ongeluk ook 2 500 / 25 000 / 250 000 beschermde zeeschildpadden verstrikt. De zeedieren uit de hoofdvangst / bijvangst worden gewoon dood of stervend terug in zee gegooid. Daardoor worden veel dezelfde / verschillende soorten zeedieren met uitsterven bedreigd.
e Markeer wat past.
De overbevissing zorgt voor behoud / verstoring van het leven in de wereldzeeën.
f Is deze menselijke activiteit positief of negatief voor de biodiversiteit in zee? Markeer.
positief / negatief



3 Welk verband is er tussen de verkeerswegen en de biodiversiteit in bepaalde natuurgebieden?
a Bestudeer de afbeeldingen op de volgende pagina.
b Beantwoord de vragen in de tabel.
vragen
1 Welke grote bossen waren al van elkaar gescheiden rond 1757?-
2 Welke belangrijke verkeerswegen zorgen voor de verdere versnippering van die bossen?-
3 Welke woonkern ligt tussen het natuurgebied van de Dijlevallei en Heverleebos?
4 Zorgt de versnippering van bossen door de aanleg van verkeerswegen en bebouwing voor verstoring of behoud van de biodiversiteit? Markeer.
5 Hoe werd het probleem van de versnippering in het Meerdaalwoud opgelost? Markeer.
antwoorden
visvangst
- verstoring van biodiversiteit - behoud van biodiversiteit
- door de aanleg van bruggen over de E40
- door de aanleg van ecoducten over de E40
- door de aanleg van ecoducten over de N25
6 Voor welke organismen is de bouw van die oversteekplaatsen bedoeld? Markeer.
7 Is de aanleg van ecoducten over verkeerswegen positief of negatief voor de biodiversiteit? Markeer.
1 Voor

Heverleebos

Dijlevallei
uittreksel uit de Ferrariskaart van Meerdaalwoud, Heverleebos en ruime omgeving (± 1757)
2 Na
- voor mensen - voor kleine dieren - voor grote dieren
positief / negatief
3 Ecoduct

Meerdaalwoud E40
Dijlevallei
Heverleebos Oud-Heverlee
Vaalbeek

luchtfoto Heverleebos-Meerdaalwoud
Meerdaalwoud
Weetje
Ad Lansink is een Nederlandse minister die in 1979 een plan bedacht om het afvalprobleem aan te pakken. Hij ontwierp daarvoor een ladder. De beste oplossing zette hij bovenaan de ladder.
4 Lees de woorden in verband met het afvalplan van Lansink.
energie – hergebruik – recycleren – storten – verbranden – voorkomen
a Bekijk de afbeelding van de ladder.
b Noteer de woorden uit het keuzekader op de ladder.

c Markeer het juiste antwoord. Door de ladder van Lansink te volgen zorg je voor het behoud / de verstoring van je leefomgeving
d Is de afvalbehandeling volgens de ladder van Lansink positief of negatief voor de biodiversiteit? Markeer.
positief / negatief
5
Lees de handelingen over omgaan met afval.
a Is de handeling juist of fout? Plaats een kruisje.
b Markeer welke handelingen je zelf doet.
handeling omgaan met afval juist fout
1 keukenafval aan de kippen geven
2 frituurolie door de gootsteen gieten
3 tuinafval in de compostbak gooien
4 te kleine kleding naar een kringloopwinkel brengen
5 grasmaaisel uitstrooien in de wegberm
6 bouwafval naar het containerpark brengen
7 papierresten in de bak voor restafval werpen
8 lege blikjes frisdrank met het restafval meegeven
c Markeer het juiste antwoord. De manier waarop ik omga met afval zorgt voor behoud / verstoring van mijn eigen biotoop.
d Is de manier waarop jij omgaat met afval positief of negatief voor de biodiversiteit? Markeer.
positief / negatief
Markeer de juiste termen.
Menselijke activiteiten beïnvloeden de biodiversiteit.
- bescherming van rust- en broedplaatsen
- zuiveren van afvalwater in zuiveringsstation
- niet maaien: blije bijen
- bescherming van organismen in zeeën
- aanleg van ecoducten over drukke wegen
- het voorkomen van afval
Deze activiteiten zorgen voor: behoud/verstoring
- massale ontbossing
- lozen van afvalwater in beken en rivieren
- gebruik van pesticiden
- overbevissing van wereldzeeën
- versnippering van bossen
- gebruik van plastic wegwerpverpakking plasticsoep in zeeën
Deze activiteiten zorgen voor: behoud/verstoring
positief / negatief voor biotopen positief / negatief voor biotopen
OPDRACHT 7: G A NA WELK BELANG DE BIODIVERSITEIT IN
1 Koppel de biodiversiteit van verschillende biotopen aan het belang voor de mens.
a Bekijk de afbeeldingen van de biotopen in de tabel.

veld met geneeskrachtige planten

bijen gelokt door opvallende bloemen in een boomgaard

visvijvers in natuurlijke omgeving


wandelpad tussen bos en weide

houtstapel aan de rand van een bos multimovepad in natuurgebied
b Lees hieronder over het belang van de biodiversiteit voor de mens.
1 ontspanning voor de mens
2 opbrengst van honing
3 productie van voedsel
4 grondstof voor geneesmiddelen
5 ruimte voor de landbouw
6 voldoende hout voor de bouwsector
7 stijging zuurstofgas in de lucht
c Welk belang heeft de biodiversiteit in verschillende biotopen voor de mens?
Noteer telkens 2 cijfers onder de afbeeldingen van de biotopen.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
bouwsector – grondstoffen – ontspanning – ruimte – voedsel – zuurstofgas
De biodiversiteit binnen goed onderhouden biotopen zorgt voor:
- de productie van
- voor de landbouw
- voldoende hout voor de
- voor geneesmiddelen
- in de lucht
- voor de mens
Alles wat leeft, kan opgedeeld worden in verschillende niveaus. Dat worden de organisatieniveaus van de levende natuur genoemd.
Neem het stickerblad op p. 51.
a Lees in kolom 2 van de tabel op p. 15-16 de omschrijvingen van de verschillende organisatieniveaus.
b Leg de juiste afbeelding bij elke omschrijving.
c Noteer de naam van het organisatieniveau bij de juiste afbeelding. Kies uit:
individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem
d Laat je antwoorden controleren door de leerkracht voor je begint te kleven.
afbeelding
omschrijving organisatieniveau
één organisme
één biotische factor
een groep organismen van dezelfde soort
één biotische factor
afbeelding
omschrijving organisatieniveau
alle verschillende soorten organismen = meerdere biotische factoren
- biotische factoren
- abiotische factoren
- de relaties tussen beide factoren binnen een afgebakend gebied
e Plaats een kruisje bij het juiste antwoord. In de tabel zijn de organisatieniveaus gerangschikt van: klein naar groot. groot naar klein.
Ecologie is de studie van relaties en de samenwerking tussen levende organismen en hun omgeving.
Vul de ontbrekende woorden in.
Een ecosysteem, zoals een loofbos, wordt gekenmerkt door:
- factoren of levende factoren.
- factoren of niet-levende factoren.
- de relaties tussen biotische en abiotische factoren.
bestudeert de wisselwerkingen tussen levende organismen onderling en hun relatie met hun omgeving.
= een plaats met specifieke leefomstandigheden waar bepaalde organismen of levende wezens samenleven.
BIOTISCHE FACTOREN
bv. - dieren - planten
determineren
ABIOTISCHE FACTOREN
bv. - temperatuur
- windsnelheid
- vochtigheid
- geluidssterkte
- verlichtingssterkte
- grondsoort
meetinstrumenten
bv. - thermometer
- windsnelheidsmeter
- luchtvochtigheidsmeter
- geluidsmeter
- lichtmeter
- valpen, buis, lintmeter/meetlat
- grondboor en determineertabel
wordt gekenmerkt door:
- biotische factoren
- abiotische factoren
- de relaties tussen de biotische en abiotische factoren
Biodiversiteit en ecologie zijn twee belangrijke begrippen die je helpen om de natuur te begrijpen.
- Biodiversiteit geeft aan hoeveel verschillende soorten organismen er in een biotoop voorkomen.
- Ecologie richt zich op de wisselwerking tussen die soorten en hun omgeving.
- bescherming van organismen in zeeën
- afvalwater zuiveren
- het gras niet maaien in de maand mei
- ecoducten aanleggen
- bescherming van rust- en broedplaatsen
- afval voorkomen
- overbevissing
- afvalwater lozen
- pesticiden gebruiken
- versnippering van bossen
- ontbossing
- plastic wegwerpverpakking gebruiken plasticsoep in zeeën
- ontspanning voor de mens
- productie van voedsel
- ruimte voor landbouw
- voldoende hout voor de bouwsector
- zuurstofgas in de lucht
- grondstoffen voor geneesmiddelen
Ik kan …
p. 5 en 17
Ik vind dit op: een onderscheid maken tussen biotische en abiotische factoren.
voor het onderzoek van abiotische factoren de gepaste meetmethode gebruiken.
p. 6, 7, 17 en 19 voorbeelden geven van menselijke activiteiten die de biodiversiteit behouden.
p. 9-13 en 18 voorbeelden geven van menselijke activiteiten die de biodiversiteit verstoren.
p. 14, 15 en 18
p. 9, 10, 13, 18 en 20 het belang van biodiversiteit uitleggen aan de hand van voorbeelden.
1 Welke abiotische factoren kun je meten met de onderstaande meettoestellen?
Noteer de antwoorden op de vragen onder elk toestel.
afbeelding meetinstrument



naam toestel
grootheid symbool eenheid
2 Tijdens de expeditie verzamelde je gegevens over biotische en abiotische factoren van twee verschillende biotopen.
a Welke biotopen heb je onderzocht? Noteer.
- Biotoop 1:
- Biotoop 2:
b Bekijk de foto’s die je maakte tijdens de expeditie.
c Vergelijk de gegevens die je verzamelde.
d Welke verschillen tussen de biotopen kun je waarnemen? Markeer.
- Biotoop 1:
• Er groeien veel / weinig verschillende soorten planten.
• Je kunt er veel / weinig verschillende soorten kleine diertjes waarnemen.
- Biotoop 2:
• Er groeien veel / weinig verschillende soorten planten.
• Je kunt er veel / weinig verschillende soorten kleine diertjes waarnemen.
e Vergelijk de biodiversiteit in biotoop 1 en 2 met elkaar. Wat stel je vast? Noteer.
3 Bekijk de afbeeldingen van biodiversiteit in tuinen.
a In welke tuin is volgens jou de biodiversiteit het grootst? Plaats een kruisje.



b Hoe kun je de biodiversiteit in die tuin nog vergroten? Kruis de juiste antwoorden aan.
Door grasmaaisel tussen de planten te werpen.
Door een insectenhotel te plaatsen.
Door uitgebloeide bloemplanten uit te trekken.
Door te sproeien tegen schadelijke insecten.
Door een natuurlijk vijvertje aan te leggen.
4 Ontdek het verband tussen een shampoofles en een Noordse stormvogel.
a Bekijk het filmpje op iDiddit.
b Bekijk de afbeeldingen.

vechtende stormvogels

plastic wegwerpverpakking in water
c Waarvoor vechten deze gulzige stormvogels volgens jou?
d Wat komt er nog ongewild terecht in het lichaam van deze zeevogels?
e Markeer wat past. Wanneer er heel grote hoeveelheden plastic in zee terechtkomen, zorgt dat voor behoud / verstoring van het zeeleven.
f Is het gebruik van plastic wegwerpverpakkingen positief of negatief voor de biodiversiteit? Markeer.. positief / negatief
5 Een boom kan een voorbeeld van een ecosysteem zijn. Leg uit. Gebruik in je antwoord de volgende woorden: abiotische factoren – boom – leven – relatie – tot elkaar – verschillende organismen
Wie is de moordenaar?
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.

Dieren jagen op elkaar om te kunnen overleven. Wie eet wie? Noteer enkele voorbeelden.
2 Wat weet je al over voedselrelaties in de natuur?
3 Wat wil je graag leren over voedselrelaties?
Je leert nu: een voedselketen, voedselweb, voedselkringloop ontleden. het verschil herkennen tussen een voedselketen, een voedselweb en een voedselkringloop.
gegeven organismen zo ordenen dat ze een voedselketen vormen. de relatie tussen elke schakel van een voedselkringloop beschrijven.
OPDRACHT 1: Ontdek hoe voedselrelaties voorgesteld worden
1 Bestudeer de voorstelling van voedselrelaties.
buizerd







a Benoem het aangeduide organisme A.
b Markeer met groen op de afbeelding hoe ‘wordt opgegeten door’ voorgesteld wordt.

c Door welk organisme wordt organisme A opgegeten? Noteer.
d Hoe kun je de antwoorden op vraag a, b en c korter noteren?
f Noteer drie voedselketens die je ontdekt in de afbeelding hierboven.-wordt opgegeten door
e Wat is de best mogelijke naam voor deze voorstelling? Markeer. een voedselketen – een voedselkringloop – een voedselpiramide – een voedselweb
2 Bekijk opnieuw de voorstelling op p. 22.
a Markeer het juiste antwoord in de onderstaande zinnen.
Bij sommige organismen staan meerdere pijlen. Dat betekent dat het organisme voedsel is voor één organisme / meerdere organismen.
Je telt dus één voedselketen / meerdere voedselketens.
b Wat is de best mogelijke naam voor die voorstelling? Markeer.
een voedselketen – een voedselkringloop – een voedselpiramide – een voedselweb
3 Bekijk de voedselketen.


beukenblad rosse woelmuis torenvalk
a Noteer de organismen uit de voedselketen in de onderstaande voorstelling. Start onderaan in de driehoek. Hou rekening met de volgorde van de voedselketen.
organismen neemtaf.

b Wat is de best mogelijke naam voor deze voorstelling? Markeer.
een voedselketen – een voedselkringloop – een voedselpiramide – een voedselweb
c Verklaar waarom de voorstelling van een voedselketen deze vorm heeft.
Vul de ontbrekende woorden in.
Voedselrelaties worden voorgesteld door:
OPDRACHT 2: Ontdek de pl aats van organismen in voedselrelaties
1 Bekijk de voedselketens.

vlierbesblad















kabeljauw zeehond
a Bekijk het eerste organisme in elke voedselketen.
b Markeer het juiste antwoord. Het eerste organisme in een voedselketen is altijd / soms / nooit een plant.
afbeelding organismen functies van de organismen producenten maken energierijke stoffen


consumenten halen energierijke stoffen uit andere organismen

opruimers - halen energierijke stoffen uit afval - bij dit proces komen mineralen vrij
a Noteer de begrippen uit kolom 2 in de juiste kaders.
voedsel voor vrijkomen van
b Wat is de best mogelijke naam voor deze voorstelling? Markeer. mineralen een voedselketen – een voedselkringloop – een voedselpiramide – een voedselweb
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
consumenten – mineralen – opruimers – producent
In de modellen van voedselrelaties is de eerste schakel in de voedselketen altijd de
Daarop volgen de halen hun energie uit afval en maken vrij voor de producenten.
VOEDSELKETEN







VOEDSELWEB





Een keten van organismen waarbij het ene organisme voedsel is voor een ander organisme.
VOEDSELPIRAMIDE















Een voorstelling van voedselrelaties waarbij rekening gehouden wordt met het aantal organismen.










Een verzameling van voedselketens die met elkaar verbonden zijn.
VOEDSELKRINGLOOP

een gesloten voorstelling van voedselrelaties
Ik kan … Ik vind dit op: de wet van eten en gegeten worden afleiden uit gegeven voorstellingen van voedselrelaties.
p. 22-24, 26 en 27 een voedselketen, voedselweb, voedselkringloop ontleden.
p. 22-24, 26, 27 en 28
het verschil herkennen tussen een voedselketen, een voedselweb en een voedselkringloop.
p. 22-24, 26 en 28 gegeven organismen zo ordenen dat ze een voedselketen vormen.
de relatie tussen elke schakel van een voedselkringloop geven.
p. 22-24 en 26
p. 25 en 26

1 Bekijk de verschillende voorstellingen van voedselrelaties.





a Plaats een kruisje onder de afbeelding die een voedselweb voorstelt.
b Leg uit waaraan je kunt zien dat die afbeelding een voedselweb is.
2 Op een zware onweersdag waait een boom in je tuin omver. Je vindt honderden rupsen rond de boom. In de buurt fladderen drie hongerige koolmezen op en neer.
Hoe ziet de voedselpiramide van de omschreven situatie eruit? Plaats een kruisje onder de juiste voorstelling.











3 Wat is het verschil tussen een voedselketen, voedselweb, voedselpiramide en voedselkringloop? Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit:
mineralen – opruimers – voedselbron – voedselketen – voedselkringloop –voedselpiramide – voedselweb
- Een is een gesloten voorstelling van voedselrelaties.
Het is de enige voorstelling waarin de en de voorkomen.
- Een is een verzameling voedselketens.
- In een wordt het aantal organismen uit een voedselketen voorgesteld.
- In een wordt voorgesteld welk organisme een is voor een ander organisme.
4 Zijn de volgende stellingen over voedselrelaties juist of fout? Plaats een kruisje in de juiste kolom.
1 Een voedselkringloop is een gesloten voedselketen.
2 In een voedselkringloop komen opruimers en mineralen voor.
3 In een voedselpiramide komen opruimers en mineralen voor.
4 Een voedselweb is een verzameling van voedselketens die met elkaar verbonden zijn.
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Wat zorgt voor de beste kansen om te overleven?

2 Wat weet je al over natuurlijke selectie?
3 Wat wil je graag leren over aanpassingen van planten en dieren aan hun leefomgeving?
Je leert nu: een verband leggen tussen de kenmerken van een organisme en zijn leefomgeving. aan de hand van voorbeelden uitleggen dat organismen met bepaalde kenmerken betere overlevingskansen hebben.
OPDRACHT 1: Welke kenmerken hebben pl anten uit onze leefomgeving om te overwinteren?
Bekijk de tabel en de afbeeldingen.
a Lees hoe planten zich kunnen aanpassen om de winter door te komen.
cijfer aanpassing aan de winter
1 De bladeren vallen af.
2 De bladeren zitten veilig opgeborgen in een knop.
3 De ondergrondse wortels en stengels slaan reservevoedsel op.
4 Een wortelrozet (een zeer korte stengel met bladeren) blijft boven de grond overleven.
5 Speciale cellen maken beschermstoffen aan, zoals hars.
6 De stengel en bladeren sterven af.
b Bekijk de afbeeldingen van verschillende planten.




c Voor elke aanpassing is er een passende afbeelding. Noteer in het rooster de juiste cijfer-lettercombinatie.
cijfer 1 2 3 4 5 6 letter
d Welk woord heb je gevormd?


Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
beschermstoffen – knoppen – overwinteren – reservevoedsel – sterven af
Planten uit onze leefomgeving hebben een aantal kenmerken die de kans op vergroten.
- Bij een aantal planten plantendelen .
- Andere planten leggen aan of ontwikkelen
- Nog andere planten beschermen zichzelf door zelf aan te maken, zoals hars.
OPDRACHT 2: ONTDEK de t ypische kenmerken van lentebloeiers
Bekijk de afbeeldingen van de wilde hyacint.

2
a Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: bos – bladeren – onvoldoende – voorjaar
- De wilde hyacint groeit in het
Tip
Het deel tussen de groene lijnen bevindt zich ondergronds.
- De plant groeit en bloeit, zoals de meeste schaduwplanten, voornamelijk in het , voor de bomen hun bladeren krijgen.
- Eenmaal de bomen hun hebben, kan er licht door de dichte boomkruinen schijnen.
b In juni zijn de bovengrondse plantendelen meestal al verdwenen. Deze lentebloeiers zijn aangepast om te wachten op het volgende voorjaar. Hoe zie je dat op afbeelding 2?
c Welke invloed kan de klimaatverandering hebben op deze voorjaarsbloeiers?
Vul de ontbrekende woorden in.
Om hun overlevingskans te vergroten:
- groeien en bloeien lentebloeiers de bomen in blad staan.
- leggen ze voedselreserves aan de grond.
OPDRACHT 3: ONTDEK DAT ZOOGDIEREN AANGEPAST ZIJN OM ZICH VOORT TE BEWEGEN IN HUN LEEFOMGEVING
1 Bekijk de afbeeldingen van enkele zoogdieren.




a Lees de tabel.
Waar leeft het dier hoofdzakelijk?
- in de grond
- in de lucht
- in het water
Hoe beweegt het dier zich voort?
Hoe zijn de poten aangepast aan de voortbeweging?
- graafpoot
graaft
vliegt
- op het land - loopt
zwemt
- grote vlieghuid
- stevige zwempoot
- voetzool
b Markeer voor elk dier:
- in welke omgeving het dier leeft (kolom 1).
- hoe het zich voortbeweegt (kolom 2).
Gebruik voor het markeren de kleur waarmee de afbeelding van het dier omlijnd is.
2 Bekijk de afbeeldingen van de skeletten van de zoogdieren.
Hoe zijn de poten van zoogdieren aangepast aan de voortbeweging? Markeer in kolom 3. Gebruik dezelfde kleuren als bij vraag 1b.
Weetje
Walvissen zijn zoogdieren. Ze hebben geen vinnen, maar zwempoten om zich in het water voort te bewegen.
Vul de ontbrekende woorden in.
Hoe beter de van een zoogdier zijn aangepast aan de wijze waarop hij zich in zijn leefomgeving, hoe meer kans het dier heeft om te overleven.
OPDRACHT 4: Ontdek enkele voorbeelden van aanpassingen bij dieren om de overlevingskansen te vergroten
a Lees de aanpassingen bij de dieren.

marter

slang

kolibrie


poolvos in winter en zomer

wolf

pad
Ik verspreid een specifieke geur zodat de vrouwtjes mij goed kunnen ruiken.
Wanneer een vreemde te dichtbij komt, maak ik geluid met mijn staart.
Ik heb een lange, smalle snavel die perfect past bij bepaalde bloemen, zodat ik gemakkelijk nectar kan drinken.
Ik heb in de winter een witte vacht en in de zomer een bruine vacht. Die schutkleur helpt me om niet op te vallen.
Ik heb een speciale lokroep.
Ik heb een lange, kleverige tong.
b Welk voordeel heeft het dier door de aanpassing? Kleur de zinnen volgens de legende. voordeel kleur voeding groen voortplanting rood veiligheid geel
c Noteer voor elk voordeel een ander voorbeeld van aanpassing.
- Helpt het dier bij vinden van voedsel.
- Helpt het dier in gevaar.
- Helpt het dier om voort te planten.
Vul de ontbrekende woorden in.
schutkleur – lokroep – kleverige tong
Dieren vergroten hun overlevingskansen wanneer ze:
- aangepast zijn voor het vinden van voedsel, bv.:
- aangepast zijn voor gevaar, bv.:
- aangepast zijn om zich voort te planten, bv.:
OPDRACHT 5: Ontdek hoe ver schillend prooidieren en roofdieren aangepast zijn aan hun voedingswijze
1 Leg met je eigen woorden uit wat een prooidier en een roofdier is. Gebruik als voorbeeld de vos en het konijn.
Een roofdier, zoals de vos, is
2 Maak een vergelijking tussen het konijn en de vos. a Markeer in de tabel de juiste antwoorden.
konijn = prooidier / roofdier vos = prooidier / roofdier dier


voedsel planteneter/ vleeseter planteneter/ vleeseter
schutkleur / geen schutkleur schutkleur / geen schutkleur
konijn = prooidier / roofdier vos = prooidier / roofdier kleur van de pels
neus beweeglijke neus / lange smalle snuit beweeglijke neus / lange smalle snuit oren onafhankelijk beweegbare oren / rechtopstaande oren onafhankelijk beweegbare oren / rechtopstaande oren
stand van de ogen vooraan op de kop / zijdelings op de kop vooraan op de kop / zijdelings op de kop soort kiezen

knipkiezen om vlees te snijden / plooikiezen om planten te raspen

knipkiezen om vlees te snijden / plooikiezen om planten te raspen
b Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: jagen – knipkiezen – ogen – planteneter – plooikiezen – prooidier – schutkleur (2X) –vleeseter – vooraan – zijdelings
Een konijn is een . Voor het raspen van de planten heeft het . De staan bij een konijn op de kop. Zo ziet het alles rondom zich, wat nodig is omdat het een is. Met zijn grote beweeglijke oren hoort het ook van welke richting het geluid komt. De pels van het konijn heeft ongeveer dezelfde kleur als zijn omgeving. Die beschermt het tegen zijn vijanden, de roofdieren. De vos is een . Voor het snijden van het vlees heeft
hij . De ogen staan bij de vos op de kop. Zo kan hij goed afstanden inschatten om op zijn prooien te De vos heeft een goede reukzin en hij hoort ook goed. Dat zijn twee eigenschappen die hem helpen bij het jagen. Om zich te beschermen tegen zijn vijanden heeft hij een
Vul de ontbrekende woorden in.
- Prooidieren en roofdieren zijn op een verschillende manier aangepast aan hun voedingswijze.
- Voor het bewerken van het voedsel bezitten prooidieren en roofdieren verschillende soorten
- De stand van de , het en de zin spelen een rol bij het jagen.
- Om zich te beschermen tegen de vijand beschikken ze over een
PLANT
IS AANGEPAST
AAN ABIOTISCHE FACTOREN
WINTER
BIOTISCHE FACTOR
DIER
IS AANGEPAST
AAN ZIJN LEEFOMGEVING

Ik
uitleggen hoe planten aangepast zijn om te overwinteren.
knoppen beschermstoffen reservevoedsel bladeren vallen af voortbeweging stand van de ogen reukzin gehoor gebit schutkleur aanpassing bladeren ondergronds reservevoedsel
p. 30, 31, 36 en 38 uitleggen hoe lentebloeiers toch onder bomen kunnen groeien.
p. 31 en 36 voorbeelden geven van aanpassingen van het skelet van zoogdieren in functie van de voortbeweging in hun leefomgeving.
p. 32 uitleggen welk voordeel een aanpassing voor een dier heeft.
p. 33, 34 en 38 uitleggen welke kenmerken er voor zorgen dat prooi- en roofdieren in hun leefomgeving kunnen overleven.
p. 34 en 35
1 Noteer bij de afbeeldingen hoe de plant kan overwinteren in onze streek. Kies uit: bladeren afwerpen – knoppen aanmaken – reservevoedsel opslaan



2 Bekijk de afbeelding van de zonnedauw.
De zonnedauw is aangepast om op een mineraalarme bodem, zoals een heide, te groeien. Omschrijf hieronder hoe je dat ziet op de afbeelding. Maak gebruik van de volgende woorden.
bladeren – de plant – insecten – klevende stof –plakken zonnedauw

3 Door de aanwezigheid van stekels is de cactus beschermd tegen woestijndieren die de sappige stengels willen opeten. Plaats een kruisje bij het juiste antwoord.
Dit is een voorbeeld van een relatie tussen: een abiotische en abiotische factor. een biotische en abiotische factor. een biotische en biotische factor.

4 De familie Charels wil een terras aanleggen. Een paar struiken staan daarvoor in de weg en moeten dus verplant worden. Wanneer hebben de struiken de meeste kans op overleven? Kruis de juiste antwoorden aan.
De struiken hebben de meeste kans op overleven als ze: in de winter verplant worden, nadat de bladeren afgevallen zijn. in de zomer verplant worden, als de struik nog veel bladeren heeft. gesnoeid worden na het verplanten. niet gesnoeid worden na het verplanten. met enkel de wortel verplant worden. met de wortel en de aarde rond de wortel verplant worden.

5 Hoe is de kikker aangepast aan zijn leefomgeving? Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: achterpoten – slijmlaag – springen – water – zwemvliezen
De kikker heeft sterke om te op het land.
Tussen zijn tenen zitten om zich voort te bewegen in het De huid is bedekt met een om niet uit te drogen op het land.


6 Bekijk de afbeeldingen van de verschillende dieren. haas eend bever land – bodem –lucht – water land – bodem –lucht – water land – bodem –lucht – water


a Markeer in rij 2 de omgeving waarin het organisme hoofdzakelijk leeft.
b Noteer in rij 3 welke aanpassing aan de poten je op de afbeelding ziet. Kies uit: springpoot – zwemstaart – zwemvliezen
Hoe kan de mens een natuurlijk evenwicht verstoren?
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
a Hoe wordt in de video het evenwicht verstoord?

b Wat is daar het gevolg van?
2 Wat weet je al over natuurlijk evenwicht?
3 Wat wil je graag leren over natuurlijk evenwicht?
Je leert nu: aan de hand van een voorbeeld uitleggen wat een natuurlijk evenwicht in een ecosysteem is. het belang van ecologisch evenwicht aangeven. toelichten hoe een temperatuursverhoging gevolgen kan hebben voor een ecosysteem. uitleggen hoe exoten een invloed hebben op een natuurlijk evenwicht van een ecosysteem. LEERDOELEN
OPDRACHT 1: ONTDEK HOE DE NATUUR ZICHZELF IN EVENWICHT HOUDT IN EEN ECOSYSTEEM
Bekijk de grafiek van een biotoop met een populatie konijnen en een populatie vossen.

a Noteer wat er gebeurt van jaar 1 tot jaar 4 …
- met het aantal konijnen:
- met het aantal vossen:
b Hoe komt dat? Markeer het juiste antwoord.
- Als er voldoende konijnen zijn in de biotoop, kunnen er meer / minder vossen bij komen, omdat er voldoende voedsel is.
- Die extra vossen eten een groot aantal konijnen op. Het aantal konijnen daalt / neemt toe.
c Wat gebeurt er in jaar 5 en 6?
- Markeer het juiste antwoord in kolom 2.
- Vul kolom 3 aan.
vossen daalt / stijgt
konijnen daalt / stijgt
d Vanaf jaar 7 is er weer voldoende voedsel en kan het aantal vossen opnieuw toenemen. Wat gebeurt er vanaf dat jaar met het aantal konijnen? Noteer in je antwoord ook de oorzaak.
e Wat kun je besluiten? Markeer de juiste woorden. Er is een voortdurende wisselwerking tussen de organismen.
- Als er veel konijnen zijn, zullen er meer / minder vossen zijn.
- Als er meer vossen zijn, zullen er meer / minder konijnen zijn.
- Als er minder konijnen zijn, zullen er meer / minder vossen zijn.
- Als er minder vossen zijn, zullen er meer / minder konijnen zijn.
Dat herhaalt zich telkens opnieuw.
In een ecosysteem schommelt de grootte van de verschillende populaties van elke soort rond een bepaalde waarde. Dat is het natuurlijke evenwicht. Je kunt dat ook het ecologische of biologische evenwicht noemen.
f Vanaf welk jaar is er een natuurlijk evenwicht in de biotoop?
Vul het ontbrekende woord in.
Het evenwicht zorgt ervoor dat in de natuur populaties even groot blijven.
Weetje
Er is geen twijfel mogelijk.
De gemiddelde temperatuur op aarde is sinds 1880 met bijna 1 °C toegenomen.
Bekijk de afbeeldingen van organismen die aangepast zijn om de winter te overleven.



Markeer wat juist is.
Door de stijging van de temperatuur komt de egel vroeger / later uit zijn winterslaap.
Er is op het moment dat hij uit zijn winterslaap komt, genoeg / nog te weinig voedsel te vinden.
Door de stijging van de temperatuur ontluiken de bloesems van de fruitbomen later / vroeger.
De temperatuur kan nog tot onder 0 °C dalen.
Er is meer / minder kans dat de bloesems bevriezen.
Door de stijging van de temperatuur komen de trekvogels vroeger / later terug uit de overwinteringsgebieden.
Er is op dat moment voldoende / nog te weinig voedsel.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. negatieve – winter
De stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde heeft gevolgen voor organismen die aangepast zijn om de te overleven.
OPDRACHT 3: ONTDEK HOE EXOTEN EEN INVLOED HEBBEN OP
1 Bekijk de afbeeldingen van de verschillende lieveheersbeestjes.
Vul de ontbrekende woorden in. Kies uit: inheemse – exoot
- soorten zijn soorten die van nature in een bepaald gebied voorkomen.
- Schadelijke soorten organismen uit een andere streek komen naar hier. Zo worden de nakomelingen van het tweestippige lieveheersbeestje opgegeten door het Aziatische lieveheersbeestje, de


2 Bekijk de afbeeldingen van exoten die de laatste jaren in het nieuws kwamen.
Noteer hun naam onder de afbeelding. Kies uit:
Aziatische hoornaar – Europese bijeneter – processierups – teek – tijgermug – wespspin
Tip
Zoek de dieren online op.






Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. exoten – inheemse
Schadelijke uitheemse soorten organismen of komen naar onze streken en vallen onze organismen aan.
NATUURLIJK ECOLOGISCH BIOLOGISCH EVENWICHT
verandert door
TEMPERATUURWIJZIGING
AANWEZIGHEID EXOTEN
Ik kan … Ik vind dit op: aan de hand van een voorbeeld uitleggen wat een natuurlijk evenwicht in een ecosysteem is.
p. 40 en 41 toelichten hoe een temperatuurverhoging gevolgen kan hebben voor een ecosysteem.
p. 42 en 44 het belang van ecologisch evenwicht aangeven.
p. 41 en 45 uitleggen hoe exoten een invloed hebben op het natuurlijke evenwicht van een ecosysteem.
p. 43 en 44
1 Bekijk de afbeeldingen van een ecosysteem met uilen en muizen.
Hoe wordt het biologische evenwicht in dit ecosysteem in stand gehouden?
Zet de afbeeldingen in de juiste volgorde. Je krijgt het cijfer 1 cadeau.
´ Verder oefenen? Ga naar

hoofdstuk woord verklaring
1 abiotische factor
Niet-levende factor die de leefomgeving bepaalt voor de biotische factoren.
1 biodiversiteit de aanwezigheid van verschillende soorten organismen in een biotoop
3 biologisch evenwicht
In de natuur schommelt de grootte van de verschillende populaties van elke soort rond een bepaalde waarde. Dat noem je ook ecologisch evenwicht en natuurlijk evenwicht.
1 biotische factor levende factor in een leefomgeving, onder andere planten en dieren
1 biotoop Een plaats met specifieke leefomstandigheden waar bepaalde organismen samenleven.
1 braakliggend terrein
Een stuk grond dat niet onderhouden wordt en geen bepaalde functie heeft.
2 consumenten Organisme dat zich voedt met andere organismen.
1 determineertabel
Een lijst met vragen of kenmerken waarmee je de naam van een organisme of een abiotische factor kunt bepalen.
1 determineren door gebruik te maken van zichtbare kenmerken, de naam van organismen bepalen
1 ecoduct Natuurbrug waarlangs dieren ongehinderd een belangrijke verkeersweg kunnen oversteken.
1 ecologie de studie van relaties en de samenwerking tussen levende organismen en hun omgeving
3 ecologisch evenwicht
In de natuur schommelt de grootte van de verschillende populaties van elke soort rond een bepaalde waarde. Dat noem je ook biologisch evenwicht en natuurlijk evenwicht.
2 ecosysteem de biotische factoren, de abiotische factoren en de relaties tussen beide in een gebied
2 energierijke stoffen
3 exoot
1 leefomgeving
Stoffen die veel chemische energie bevatten zoals suikers, vetten en eiwitten.
Organisme dat van nature niet thuishoort in een bepaald gebied.
Een omgeving binnen een biotoop waar een bepaalde soort leeft en zich kan voortplanten.
1 meetinstrument
Toestel om metingen te doen. In dit hoofdstuk meet je abiotische factoren.
2 mineralen in de natuur voorkomende bouwstoffen
1 natuurgebied Een gebied waar de zorg voor het in stand houden, het herstellen en het ontwikkelen van de biodiversiteit de hoofdzaak is.
3 natuurlijk evenwicht
2 opruimers
2 organisatieniveau
In de natuur schommelt de grootte van de verschillende populaties van elke soort rond een bepaalde waarde. Dat noem je ook biologisch evenwicht en ecologisch evenwicht.
Organisme dat zich voedt met afgestorven resten van andere organismen en zo mineralen vrijmaakt voor de producenten.
Niveau waarop je het leven kunt bestuderen, van een heel laag niveau, een cel, tot een heel hoog niveau, een ecosysteem.
1 organisme Een levend wezen dat kan groeien, zich kan voeden en zich kan voortplanten.
1 overbevissing
1 pesticiden Mengsels van stoffen die in de landbouw worden gebruikt om organismen (o.a insecten, schimmels, onkruid) te bestrijden.
1 plasticsoep
Wanneer er te veel vis wordt gevangen met grote sleepnetten. Er zijn dan niet voldoende volwassen vissen meer om zich voort te planten. Zo verdwijnen uiteindelijk heel wat vissoorten in de zeeën over de hele wereld.
Verwijst naar de opeenhoping van plastic vervuiling in de wereldzeeën.
3 populatie een groep organismen van dezelfde soort
2 producent Organisme dat zelf energierijke voedingsstoffen vormt.
2 voedselketen Een keten van organismen waarbij het ene organisme als voedsel dient voor een ander organisme.
2 voedselkringloop Een gesloten voorstelling van voedselrelaties, de enige voorstelling van voedselrelaties waarin de opruimers en mineralen voorkomen.
2 voedselpiramide Een voedselketen waarbij rekening wordt gehouden met het aantal organismen.
2 voedselrelaties Beschrijft de energiestroom van het ene organisme naar het andere.
2 voedselweb Een verzameling van voedselketens die met elkaar verbonden zijn.
2 voorjaar lente
p. 2 opdracht 1





p. 15 16 opdracht 8





Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, extra oefeningen ...
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een bijkomend audio- of videofragment zijn, een woorden- of begrippenlijst, extra bronnen of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Adaptieve oefeningen
Met adaptieve oefeningen kun je de leerstof inoefenen op jouw niveau. Hier kun je vrij oefenen of de oefeningen maken die de leerkracht voor je heeft klaargezet.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen?
Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud?
Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment zelf kunt bekijken of beluisteren op je smartphone.
Als je dit icoon ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
Frieda Goossens
Nathalie Lapere
Je les in eigen handen
Ontdek het onlineleerplatform iDiddit!
Vooraan in dit boek vind je de activatiecode. Activeer snel je account op www.ididdit.be en maak er een geweldig schooljaar van!
Sofie Timmerman vanin.be
ISBN 978-94-651-4362-0 611631

1 Wat VERANDERT ER AAN MIJN LICHAAM? p. 1
2 De menstruatiecyclus p. 14
3 Het kleine wonder p. 21
4 De wondere wereld VAN planten en dieren p. 35
Via www.ididdit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij
Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be.
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit.
Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
ACTIVEER DEZE LICENTIE
PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START VANAF ACTIVATIE
EN IS 365 DAGEN GELDIG.
!Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode MicroScoop van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en veel mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden.
Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden.
Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden. credits p. 21 Dokter Bea © VRT, p. 35 bestuiven © NTR
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4362-0
D/2026/0078/60
Art. 611631/01
NUR 120
Instructietaal
De volgende instructies heb je nodig in je themabundel: Vink aan

Ontwerp: B.AD
Opmaak: Ontvlambaar
Covertekening: Jan Heylen
Tekeningen binnenwerk: Geert Verlinde
WIE BEN IK?
1 Breng twee foto’s mee: - een foto van vroeger, van een jongere versie van jezelf - een heel recente foto
a Welke lichamelijke kenmerken bepalen wie je bent?
VROEGER
b Welke uitwendige veranderingen merk je al op bij jezelf?
2 Wat weet je al over geslachtsorganen?
Je leert nu: wat de primaire geslachtsorganen bij jongens en meisjes zijn. welke uitwendige lichaamsveranderingen er zijn tijdens de puberteit. wat secundaire geslachtskenmerken zijn. de mannelijke voortplantingsorganen benoemen op een afbeelding.
wat de functies van de mannelijke voortplantingsorganen zijn. de vrouwelijke voorplantingsorganen benoemen op een afbeelding. wat de functies van de vrouwelijke voortplantingsorganen zijn.
OPDRACHT 1: BEN IK BIOLOGISCH EEN JONGEN OF EEN MEISJE?
Geslachtskenmerken die al aanwezig zijn bij de geboorte, noem je primaire geslachtskenmerken.
- Enerzijds zijn er de uitwendige geslachtskenmerken, waaraan je het geslacht herkent.
- Daarnaast zijn er ook de inwendige voortplantingsorganen, die specifiek voor jongens en specifiek voor meisjes zijn.
Bekijk de afbeeldingen met primaire geslachtskenmerken.
a Bepaal het geslacht op basis van wat je ziet. Noteer in het kader boven de afbeelding.
b Omcirkel de zichtbare of uitwendige geslachtskenmerken.


c Benoem die uitwendige geslachtskenmerken.
Afbeelding A :
Afbeelding b :
OPDRACHT 2: ONTDEK DE UIT WENDIGE VERANDERINGEN VAN HET
Tijdens de puberteit ondergaat het lichaam enkele uitwendige veranderingen onder invloed van geslachtshormonen.
Die veranderingen noem je secundaire geslachtskenmerken.
Bekijk de secundaire geslachtskenmerken bij pubers. Een aantal kenmerken zijn al gegeven. Vul de rest aan.
a Noteer bij de man naast de pijlen de veranderingen van jongen naar man.
b Noteer bij de vrouw naast de pijlen de veranderingen van meisje naar vrouw.
groeispurt
zwaardere stem
puistjes – acné
okselhaar
puistjes – acné
gespierder lichaam
vetter haar
groeispurt
vetter haar
okselhaar
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. primaire – secundaire
Je onderscheidt twee groepen geslachtskenmerken:
- geslachtskenmerken: penis, balzak (met teelballen), vagina, schaamlippen (en clitoris)
- geslachtskenmerken: vetter haar, groeispurt, baardgroei, zwaardere stem, bredere schouders, ontwikkeling borsten, bredere heupen, puistjes, schaamhaar, okselhaar
Bekijk de afbeeldingen op de volgende pagina.
a Noteer bij elke omschrijving het juiste mannelijke voortplantingsorgaan. Kies uit: balzak – penis – prostaat – 2 teelballen – urinebuis – 2 zaadleiders – zwellichamen orgaan omschrijving
Dit is het mannelijke geslachtsdeel, dat bestaat uit de urinebuis omgeven door zwellichamen.
Sponsachtig weefsel in de penis dat bij seksuele opwinding volloopt met bloed. Brengt de penis in erectie Zakvormige huidplooi onderaan de buik die de teelballen en de bijballen bevat. Bescherming van de teelballen.
Hierin worden de mannelijke voortplantingscellen, de zaadcellen (= geslachtscellen), gevormd.
Zij vervoeren de zaadcellen.
Via deze buis in de penis kunnen urine en sperma het lichaam verlaten. Dat gebeurt nooit gelijktijdig.
Deze klier scheidt vocht af, zodat de zaadcellen snel naar de eicel kunnen zwemmen.
b Benoem de delen van het mannelijke voortplantingsstelsel. Kies uit:
balzak – bijballen – eikel – klieren van Cowper – penis – prostaat – teelballen –urinebuis – voorhuid – zaadblaasjes – zaadleider(s) – zwellichamen
Bekijk de afbeeldingen op de volgende pagina.
a Noteer bij elke omschrijving het juiste vrouwelijke voortplantingsorgaan. Kies uit: baarmoeder – clitoris – 2 eierstokken – 2 eileiders –schaamlippen of vulvalippen – vagina
orgaan omschrijving
Verbindt de baarmoeder met de buitenwereld.
Huidplooien die de vaginaopening, clitoris en urineopening beschermen. Er zijn twee soorten vulvalippen: de buitenste vulvalippen en de binnenste vulvalippen.
Hier rijpen de vrouwelijke voortplantingscellen of eicellen (= geslachtscellen).
Zij vervoeren de rijpe eicellen.
Een gespierd orgaan waarin een bevruchte eicel zich ontwikkelt tot een foetus
Een knobbeltje vooraan tussen de schaamlippen. Zorgt ervoor dat een vrouw seksueel genot kan beleven.

b Benoem de delen van het vrouwelijke voortplantingsstelsel. Kies uit: baarmoeder – baarmoederhals – clitoris – eileiders – eierstokken – eitrechters –schaamlippen of vulvalippen – vagina – vaginaopening
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
baarmoeder – balzak – clitoris – 2 eierstokken – 2 eileiders – mannelijke – penis –prostaat – 2 teelballen – urinebuis – vagina – vrouwelijke – vulvalippen –2 zaadleiders
De voortplantingsorganen en hun omschrijving:
- voortplantingsorganen:
Dit is het uitwendige mannelijke geslachtsdeel.
Beschermt de teelballen.
Zij maken de zaadcellen.
Zij vervoeren de zaadcellen.
Vervoert urine en sperma.
Scheidt vocht af.
- voortplantingsorganen:
Verbindt de baarmoeder met de buitenwereld.
Hierin kan een bevruchte eicel zich ontwikkelen tot foetus.
Zij vervoeren de rijpe eicellen.
Hier rijpen de eicellen.
Zij beschermen de vaginaopening, de clitoris en de urineopening.
Een knobbeltje vooraan tussen de schaamlippen.
Zorgt ervoor dat een vrouw seksueel genot kan beleven.
VOORTPLANTINGSORGANEN EN HUN FUNCTIE
1 teelballen zaadcellen maken 1 eierstok eicellen rijpen 2 zaadleiders zaadcellen vervoeren 2 eileider eicellen vervoeren
prostaat spermavocht afscheiden
baarmoeder bevruchte eicel ontwikkelen tot foetus
vagina de baarmoeder verbinden met de buitenwereld
penis a eikel b voorhuid c zwellichamen uitwendig mannelijk geslachtsdeel 5 schaamlippen de vaginaopening, clitoris en urineopening beschermen 6 balzak de teelballen beschermen
clitoris seksueel genot laten beleven
• jongen: penis – balzak (met teelballen)
• meisje: vaginaopening – schaamlippen en clitoris
• van jongen naar man: baardgroei, zwaardere stem, schaamhaar, puistjes, groeispurt, vetter haar
Ik kan …
• van meisje naar vrouw: ontwikkeling borsten, bredere heupen, schaamhaar, puistjes, groeispurt, vetter haar
Ik vind dit op: primaire geslachtskenmerken op een afbeelding benoemen. p. 2 primaire geslachtskenmerken op een afbeelding aanduiden. p. 2 uitwendige lichaamsveranderingen tijdens de puberteit benoemen.
p. 3, 4, 10 en 11 secundaire geslachtskenmerken aanduiden op een afbeelding. p. 3, 10 en 11 voorbeelden geven van primaire geslachtskenmerken. p. 2 en 10 voorbeelden geven van secundaire geslachtskenmerken. p. 3 en 10 mannelijke voortplantingsorganen op een afbeelding benoemen. p. 4, 5, 8 en 9 mannelijke voortplantingsorganen op een afbeelding aanduiden. p. 12 vrouwelijke voortplantingsorganen op een afbeelding benoemen. p. 6-9 vrouwelijke voortplantingsorganen op een afbeelding aanduiden. p. 13 de functies van de mannelijke voortplantingsorganen uitleggen. p. 4, 9 en 12 de functies van de vrouwelijke voortplantingsorganen uitleggen. p. 6, 9 en 13
1 Bekijk in de tabel de lichamelijke veranderingen tijdens de puberteit.
a Welke veranderingen vinden er plaats? Plaats een kruisje in de juiste kolom.
meisje → vrouw verandering jongen → man
bredere schouders
bredere heupen gespierder lichaam borstbeharing
baardgroei okselhaar
vetter haar
borstontwikkeling puistjes – acné
schaamhaar
groeispurt
b Tot welke geslachtskenmerken behoren die veranderingen? Vink aan. primaire geslachtskenmerken secundaire geslachtskenmerken
2 Lees de voortplantingsorganen van de man.
1 penis – 2 balzak – 3 teelbal – 4 zaadleider – 5 prostaat – 6 urinebuis –7 zwellichamen
Plaats op de afbeelding het cijfer van elk voortplantingsorgaan in de juiste cirkel.
urineleider
urineblaas
urineleider zaadblaasje
urineblaas wervelkolom vooraanzicht zijaanzicht
voorhuid eikel bijbal
3 Uit welke delen bestaat de penis? Plaats een kruisje voor het juiste antwoord.
teelbal – voorhuid – eikel eikel – voorhuid – zwellichamen balzak – zwellichamen – eikel
4 Noteer de letter van elke functie voor het juiste mannelijke voortplantingsorgaan.
functie orgaan
E productie zaadcellen penis
S mannelijk geslachtsdeel urinebuis
P urine en sperma vervoeren teelballen
A bescherming van de teelballen zaadleiders
R vervoer van zaadcellen prostaat
M vocht afscheiden balzak
Welk woord bekom je? Noteer.
5 Lees de voortplantingsorganen van de vrouw.
1 baarmoeder – 2 vagina – 3 eileider – 4 schaamlippen – 5 eierstok –6 clitoris
a Plaats op de afbeelding het cijfer van elk voortplantingsorgaan in de juiste cirkel.
b Koppel het voortplantingsorgaan (cijfer) uit opgave a aan de juiste omschrijving (letter). Noteer dan in het rooster de juiste letter-cijfercombinatie.
letter omschrijving
A Orgaan waarin eicellen gevormd worden.
B Gespierd orgaan dat de baarmoeder verbindt met de buitenwereld.
C Orgaan waarin een bevruchte eicel zich ontwikkelt tot foetus.
D Orgaan dat de vaginaopening, clitoris en urineopening beschermt.
E Orgaan waarin rijpe eicellen vervoerd worden.
6 Bekijk de tabel met de namen van de organen.
a Kleur de mannelijke voortplantingsorganen geel.
b Kleur de vrouwelijke voortplantingsorganen groen.
vagina penis urineleider eileider bijbal teelbal eierstok zaadleider baarmoeder urineblaas

1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Omschrijf met je eigen woorden wat je met deze app kunt doen.
2 Wat weet je al over de menstruatiecyclus?
LEERDOELEN
Je leert nu: wat menstruatie is. de verschillende fasen van de menstruatiecyclus benoemen. de functies van de verschillende fasen tijdens de menstruatiecyclus benoemen. op welke dag een bepaalde fase van de menstruatiecyclus plaatsvindt.

bepalen wanneer de menstruatiedagen plaatsvinden. bepalen wanneer de eisprong plaatsvindt. bepalen wanneer de vruchtbare periode plaatsvindt.
OPDRACHT 1: M AAK KENNIS MET DE MENSTRUATIECYCLUS VAN EEN VROUW
Vanaf de puberteit maakt de baarmoeder van een vrouw baarmoederslijmvlies aan om een eventuele bevruchte eicel op te vangen.
Als de eicel niet wordt bevrucht, sterft ze af. Het baarmoederslijmvlies is niet nodig en wordt afgebroken. Dat veroorzaakt een bloeding, die maandstonden of menstruatie wordt genoemd.
Als dat op regelmatige tijdstippen terugkeert, spreek je van een cyclus. Een gemiddelde menstruatiecyclus duurt meestal 28 dagen.
FASE 1 menstruatie
FASE 2 eicelrijping
Evolutie van het baarmoederslijmvlies
baarmoederslijmvlies wordt afgebroken
begin van de menstruatie einde van de menstruatie
De eicel tijdens de cyclus
baarmoederslijmvlies wordt dikker
FASE 3 eisprong
baarmoederslijmvlies sterft af
FASE 4 wachten op een eventuele innesteling menstruatie
baarmoederslijmvlies krijgt meer bloedvaten
baarmoederslijmvlies wordt afgebroken
3 Bekijk de onderstaande tabel.
a Vul kolom 1 aan met de gegevens die je kunt terugvinden op de afbeelding.
b In kolom 2 lees je telkens een gebeurtenis. Plaats voor elke gebeurtenis een kruisje bij de juiste dag.
c Vul het lege kader in op de afbeelding. Kies uit:
fase 1 – fase 2 – fase 3 – fase 4
menstruatiecyclus
fasen
fase 1: - Op welke dag start de menstruatie?
- Op welke dag eindigt de menstruatie?
fase 2: - Op welke dag start de rijping van een nieuwe eicel?
fase 3:
fase 4:
begin van de volgende menstruatie
gebeurtenis dag 1 5 14 26 28
- Op welke dag komt de rijpe eicel vrij?
- Op welke dag sterft het baarmoederslijmvlies af?
- Op welke dag komt het overtollige baarmoederslijmvlies los?
OPDRACHT 2: ONTDEK DE VRUCHTBARE PERIODE BIJ EEN VROUW
Het lichaam van de vrouw maakt zich klaar voor een mogelijke zwangerschap.
Tijdens de menstruatiecyclus komt een rijpe eicel vrij. Dat noem je de eisprong.
Tijdens de menstruatiecyclus is een vrouw een beperkt aantal dagen vruchtbaar.
Dat noem je de vruchtbare periode.
1 Een vrouw kan een cyclus van 28 dagen hebben.
Bekijk de twee tijdlijnen.
a Stel dat deze vrouw menstrueert vanaf 19 maart. Onderlijn de menstruatiecyclus van de vrouw met potlood.
b Markeer op beide tijdlijnen alle menstruatiedagen in het roze.
APRIL
c Markeer op de tijdlijn de dag van de eisprong in het geel.
Fase 4, de laatste fase, duurt altijd 14 volledige dagen.
d Markeer op de tijdlijn de vruchtbare periode in het blauw, als je weet dat:
- een eicel 24 uur overleeft.
- een zaadcel tot 7 dagen kan overleven.
2 Vul de onderstaande zin aan. Kies uit:
1 – 7
Een vrouw is vruchtbaar vanaf dagen voor de eisprong tot en met dag na de eisprong.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. eicelrijping – eisprong – innesteling – menstruatie – vruchtbaar
Een menstruatiecyclus bestaat uit vier fasen:
- fase 1: de
- fase 2: de - fase 3: de - fase 4: wachten op een eventuele
Vruchtbare periode:
Een vrouw is vanaf 7 dagen voor de eisprong tot en met 1 dag na de eisprong.
Om het slijmvlies en het bloed op te vangen tijdens de menstruatie, bestaan er maandverband, tampons, menstruatiecups en menstruatieondergoed.
1 Maandverband kleef je in je onderbroek, waardoor de bovenkant tegen de opening van de vagina zit.
2 Een tampon breng je in de vagina in, waar hij het slijmvlies en het bloed opneemt. Maandverband en tampons moet je enkele keren per dag vervangen, omdat het bloed door bacteriën kan bederven en infecties veroorzaken.
3 Een menstruatiecup breng je in de vagina in, waar hij langzaam volloopt. Om de vier tot zes uur moet je hem legen, afspoelen en weer inbrengen.
4 Een menstruatieslip is ondergoed met een absorberende laag die je menstruatiebloed opvangt. Je kunt de slip bijna een hele dag dragen en gooit ze 's avonds in de wasmachine. Tijdens de menstruatie is het bovendien belangrijk dat je je goed wast tussen de schaamlippen (zonder zeep).
5 Voor de dagelijkse hygiëne is een inlegkruisje erg handig. Het dient om witverlies uit de vagina op te vangen. Witverlies is helder of witgeel vocht dat wordt afgescheiden door het slijmvlies dat de wand van de vagina bedekt. Witverlies is nodig om de vagina te beschermen tegen infecties. De samenstelling en kleur van het vocht variëren gedurende de menstruatiecyclus. Weetje





FASE 1 menstruatie
FASE 2 eicelrijping
FASE 3 eisprong
FASE 4 wachten op een eventuele innesteling
FASE 1 menstruatie
begin menstruatie begin volgende menstruatie
= 7 dagen voor de eisprong tot en met 1 dag na de eisprong = eisprong = vruchtbare periode
Ik kan … Ik vind dit op: uitleggen wat menstruatie is. p. 14 de verschillende fasen van de gemiddelde menstruatiecyclus benoemen.
p. 15-19 uitleggen wat er tijdens elke fase gebeurt.
p. 15-17 en 18 de functie per fase van de menstruatiecyclus uitleggen.
p. 15-18 aanduiden op een tijdlijn op welke dag een bepaalde fase van de gemiddelde menstruatiecyclus plaatsvindt.
p. 15-18 en 20 op een tijdlijn van een gemiddelde menstruatiecyclus de eisprong bepalen.
p. 15-18 en 20 op een tijdlijn van een gemiddelde menstruatiecyclus de vruchtbare periode aanduiden.
p. 15, 18 en 20
1 Bekijk in de tabel de afbeeldingen van gebeurtenissen tijdens de menstruatiecyclus.
a Benoem in kolom 2 de gebeurtenissen. Kies uit: eicelrijping – eisprong – menstruatie afbeelding gebeurtenis





b Geef een synoniem voor menstruatie.
2 Een vrouw heeft een cyclus van 25 dagen. Ze menstrueert op 11 juni. Ze wil nagaan wanneer ze tijdens de zomervakantie haar maandstonden zal krijgen.
a Onderlijn elke menstruatiecyclus in een andere kleur.
b Kleur alle menstruatiedagen rood.
3 Ode heeft haar maandstonden vanaf 22 oktober. Ze heeft een cyclus van 30 dagen. Bekijk de kalender die ze moet bijhouden om te weten te komen of ze vruchtbaar is op 1 november.
a Kleur haar menstruatiedagen rood.
b Kleur elke eisprong geel.
c Kleur haar vruchtbare periodes blauw.
d Is Ode vruchtbaar op 1 november?
HOE WORD IK NIET ZWANGER?
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Weet jij hoe je een zwangerschap kunt voorkomen?

2 Wat weet je al over de bevruchting en de geboorte?
LEERDOELEN
Je leert nu: dat ovulatie een synoniem is van eisprong. wat een zaadlozing is. wanneer een man een zaadlozing kan hebben. dat ejaculatie een synoniem is voor zaadlozing. hoe een zaadcel is opgebouwd.
hoe een zaadcel bij een eicel terechtkomt. wat bevruchting is. waar bevruchting plaatsvindt. wat er na de bevruchting gebeurt. de verschillende fasen van een geboorte benoemen.
OPDRACHT 1: G A NA WANNEER DE EISPRONG BIJ EEN VROUW PL AATSVINDT
1 Bekijk de tijdlijnen. MAART
menstruatiecyclus
menstruatie eisprong of ovulatie
menstruatiecyclus
a Hoelang duurt de menstruatiecyclus van deze vrouw?
b Wanneer vindt de eisprong plaats? Plaats een kruisje voor het juiste antwoord.
de veertiende dag na dag 1 van de menstruatie de veertiende dag van elke maand de vijftiende dag voor de volgende menstruatie
2 Kijk nog eens terug naar p. 15.
a Hoelang overleeft een eicel? Markeer het juiste antwoord.
- altijd, behalve op de menstruatiedagen
- tot 24 uur na de eisprong
- tot 7 dagen na de eisprong
b Wat gebeurt er tijdens een eisprong? Markeer het juiste antwoord.
- De rijpe eicel verlaat de baarmoeder.
- Er komt een rijpe eicel vrij uit de eierstok.
- Er ontwikkelt zich een nieuwe eicel in de eierstok.
c Wat is een synoniem voor eisprong?
OPDRACHT 2: ONTDEK WANNEER EEN
1 Bekijk de afbeeldingen van de penis.
a Noteer het juiste begrip in de kaders. Kies uit: toestand in erectie – toestand in rust
b Wanneer krijgt een man een erectie? Kruis de juiste antwoorden aan. bij seksuele prikkeling
bij plasdrang
bij een gevoel van verliefdheid
bij koude spontaan
2 Bekijk de afbeelding.

a Welk voortplantingsorgaan wordt hier afgebeeld?
b Wat zie je gebeuren? Markeer het juiste antwoord.
- Er komen eicellen vrij.
- Er gebeurt helemaal niets.
- Er vloeit sperma uit de penis.
c Wanneer vindt dat plaats? Kruis alle juiste antwoorden aan. tijdens geslachtsgemeenschap tijdens een natte droom tijdens zelfbevrediging tijdens het plassen
3 Kijk nog eens terug naar p. 16.
a Hoelang overleeft een zaadcel? Markeer het juiste antwoord.
- 24 uur
- 5 tot 7 dagen
b Wat is een synoniem voor zaadlozing?
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. eisprong – rijpe eicel – sperma – zaadlozing
- Een of ovulatie is het vrijkomen van een , vijftien dagen voor de volgende menstruatie.
- Een of ejaculatie is het vrijkomen van uit de penis tijdens geslachtsgemeenschap, zelfbevrediging of een natte droom.
OPDRACHT 3: ONTDEK HOE EEN VROUW ZWANGER WORDT

a Hoe noem je dat? Markeer het juiste antwoord. geslachtsgemeenschap – zelfbevrediging
b Hoe noem je de vloeistof die vrijkomt uit de penis?
c Welke weg legt die vloeistof af? Plaats in de juiste volgorde. Kies uit: baarmoeder – eileider – vagina
1 Bekijk de afbeelding waarop de penis van de man binnendringt in de vagina van de vrouw.
Bouw van een zaadcel: kop hals

zweepstaart
zaadcel
2 Bekijk de afbeeldingen die voorstellen hoe een bevruchting plaatsvindt.
a Markeer bij elke afbeelding de juiste omschrijving.
zaadcel

celmembraan eicel
eicel

- De kop van één zaadcel dringt de eicel binnen.
- De zaadcelkern en eicelkern versmelten met elkaar.
- De zaadcellen zitten rond de eicel.
- Het celmembraan van de eicel sluit zich af.
zaadcel
eicel

celmembraan eicel
eicel
zaadcel

eicel


zaadcelkern

celmembraan

- De kop van één zaadcel dringt de eicel binnen. aadcelkern en eicelkern versmelten

aadcellen zitten rond de eicel. aan van de eicel sluit zich af.

celmembraan eicel
2 3 4






- De kop van één zaadcel dringt de eicel binnen.
- De zaadcelkern en eicelkern versmelten met elkaar.
- De zaadcellen zitten rond de eicel.
- Het celmembraan van de eicel sluit zich af.
- De kop van één zaadcel dringt de eicel binnen.
- De zaadcelkern en eicelkern versmelten met elkaar.
- De zaadcellen zitten rond de eicel.
- Het celmembraan van de eicel sluit zich af.
b Noteer wat bevruchting is. Gebruik daarbij de volgende woorden: eicelkern – versmelten – zaadcelkern
3 Bestudeer de afbeelding om te zien waar de bevruchting gebeurt.
a Waar gebeurt de bevruchting? Markeer op de afbeelding.
b Benoem het orgaan waarin dat gebeurt.

4 Bekijk op de afbeelding wat er gebeurt na de bevruchting.
De bevruchte eicel begint zich te delen. Het klompje cellen verplaatst zich via de eileider richting de baarmoeder. Het klompje cellen hecht zich dan vast in het baarmoederslijmvlies. Dat is de innesteling.
a Plaats de begrippen in het juiste kader. bevruchting – eisprong – innesteling

b In welk orgaan vindt de innesteling plaats?
c Wanneer gebeurt de innesteling? Plaats een kruisje voor het juiste antwoord.
juist voor de bevruchting tijdens de bevruchting na de bevruchting
5 Beantwoord de onderstaande vragen.
a Hoe ontdekt een vrouw dat ze zwanger is? Noteer.
b Hoelang duurt een gemiddelde zwangerschap? Markeer het juiste antwoord.
- 25 tot 30 weken
- 34 tot 37 weken
- 38 tot 40 weken
Bekijk de tabel over de drie fasen van de geboorte.
a Lees de omschrijvingen van de drie fasen van de geboorte.
b Bekijk de tekeningen en de namen van de drie fasen.
c Plaats de fasen in de juiste volgorde door een nummer te plaatsen in de onderste rij.
Tijdens de naweeën komt de moederkoek los. Die wordt samen met de vruchtvliezen en de navelstreng uit het lichaam geperst.
Het hoofdje komt naar buiten via de vagina. De baby wordt uit het lichaam van de moeder gedreven.
De weeën zijn op gang gekomen. De baarmoederhals opent zich verder. Door de grote druk van het hoofdje op de vruchtwaterzak zullen de vruchtvliezen scheuren en loopt het vruchtwater weg.
OPDRACHT 5: Ontdek hoe je een zwangerschap voorkomt
1 Lees onderstaande vaak voorkomende uitspraken aan het begin van de les. Plaats een kruisje bij jouw mening. Doe dat ook op het einde van de les. uitspraak begin les einde les juist fout juist fout
1 Als je tijdens de menstruatie vrijt, kun je niet zwanger worden.
2 Bij het eerste seksuele contact kun je niet zwanger worden.
3 Je moet minstens zestien zijn om voorbehoedsmiddelen te gebruiken.
4 Een vrouw die borstvoeding geeft, kan niet zwanger worden.
5 Wie jonger dan eenentwintig is, krijgt in de apotheek extra korting op bepaalde voorbehoedsmiddelen.
6 Voor de pil heb je geen voorschrift van een arts nodig.
7 Een meisje van twaalf kan niet zwanger worden.
8 Jongeren hoeven geen voorbehoedsmiddelen te gebruiken.
9 De pil neem je alleen vlak voor of vlak na het vrijen.
10 Als de man zich tijdig terugtrekt bij de geslachtsgemeenschap, is er geen kans op zwangerschap.
11 Een condoom mag je nooit testen voor je het gebruikt.
12 Een tampon beschermt je tegen zwangerschap.
13 De kans op zwangerschap is bij ‘de eerste keer’ net zo groot als anders.
14 Je vrijt nog veiliger als je twee over elkaar geschoven condooms gebruikt.
15 Een condoom beschermt je niet tegen zwangerschap.
2 Hoe kun je een zwangerschap voorkomen?
Een zwangerschap voorkomen kan door:
- niet te vrijen
- op een bepaald moment niet te vrijen
- het gebruik van voorbehoedsmiddelen of anticonceptie
De meeste voorbehoedsmiddelen werken met hormonen die in het bloed terechtkomen. Die hormonen voorkomen een mogelijke zwangerschap door de eisprong te blokkeren of de innesteling te bemoeilijken. Hormonale voorbehoedsmiddelen kun je enkel verkrijgen op voorschrift van je arts.
a Benoem de verschillende voorbehoedsmiddelen. Kies uit: combinatiepil – hormonaal spiraal – implantaat – mannencondoom – minipil –prikpil – vaginale ring – vrouwencondoom – zaaddodend middel











b EXTRA Ben je nieuwsgierig en wil je meer informatie over voorbehoedsmiddelen? Op iDiddit vind je een aantal informatiefiches.
c EXTRA Op iDiddit kun je een extra opdracht maken over seksueel overdraagbare aandoeningen, beter gekend als SOA's.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats
anticonceptie – baarmoeder – bevruchting – eileider – geboren –innestelen – versmelten – voorbehoedsmiddelen
- De is het van de zaadcelkern met de eicelkern. Dat gebeurt in de .
- Na de bevruchting zal de bevruchte eicel zich en zich in de verder ontwikkelen tot een foetus.
- Na een ontwikkeling die normaal 38 tot 40 weken duurt, wordt het jonge organisme
- Een zwangerschap kan voorkomen worden door en
- eisprong:
Er komt een rijpe eicel vrij.
- geslachtsgemeenschap
Zaadlozing: sperma vloeit uit de penis in de vagina van de vrouw.
- bevruchting:
De zaadcelkern en de eicelkern versmelten.
EIERSTOK

VAGINA

EILEIDER
- innesteling
De bevruchte eicel hecht zich vast in het baarmoederslijmvlies.
- ontwikkeling tot foetus
- geboorte:
Na een zwangerschap van 38 tot 40 weken wordt de baby geboren.
- fase 1: ontsluiting
- fase 2: uitdrijving
- fase 3: nageboorte

BAARMOEDER


Ik kan … Ik vind dit op: een synoniem geven voor eisprong. p. 22 en 24
uitleggen wat een zaadlozing is.
uitleggen wanneer een man een zaadlozing kan hebben.
p. 23, 24 en 31
p. 23 en 31 een synoniem geven voor zaadlozing.
uitleggen hoe een zaadcel eruitziet.
uitleggen welke weg de zaadcel volgt tot bij de eicel.
p. 23 en 24
p. 24
p. 24 en 26 uitleggen wat bevruchting is.
op een afbeelding aanduiden waar de bevruchting plaatsvindt.
uitleggen wat met innesteling bedoeld wordt.
op een afbeelding aanduiden waar de innesteling plaatsvindt.
p. 25, 26, 30, 31 en 33
p. 25, 26, 31 en 33
p. 26, 27, 30 en 31
p. 26 en 31 uitleggen wat er na de bevruchting gebeurt.
p. 27 en 31
p. 26, 30 en 31 uitleggen wat er tijdens de verschillende fasen van de geboorte gebeurt.
1 Maak de woordspin over ‘zaadlozing’ verder af. Noteer minstens drie nieuwe begrippen.
Wat? Waar? Wanneer? Tip man
2 Plaats in de juiste volgorde. De eerste stap is al gegeven. bevruchting 1 eisprong geboorte geslachtsgemeenschap innesteling foetus zaadlozing
3 Wat is bevruchting?
a Noteer dat in een duidelijke zin.
b Duid aan met een blauw vierkant waar dat plaatsvindt.

4 Markeer de juiste volgorde van een geboorte. - nageboorte > ontsluiting > uitdrijving - ontsluiting > nageboorte > uitdrijving - ontsluiting > uitdrijving > nageboorte
5 Lien wordt ongesteld op vrijdag 15 mei. Ze heeft telkens een regelmatige cyclus van 31 dagen. Bekijk de jaarkalender.
a Duid in het rood haar menstruatie aan voor de maand mei.
b Duid in het rood haar volgende menstruatie aan.
c Omcirkel in het rood telkens de eerste menstruatiedag in de maanden juli, augustus en september.
d Bepaal de eisprongen voor de maanden april tot en met september. Duid ze aan in het geel.
e Duid in het blauw haar vruchtbare periodes aan voor de maanden april tot en met september.
f Bepaal of Lien zwanger kan worden op 20 augustus. Hoe ga je te werk?
- stap 1: Bepaal .
- stap 2: Bepaal .
- stap 3: Antwoord.
HOE ONTSTAAN NIEUWE TOMATENPLANTEN?
1 Bekijk het filmpje op iDiddit.
Weet jij wat hier wordt bedoeld met ‘bestuiven’?

2 Wat weet je al over de voortplanting bij planten en dieren?
Je leert nu: dat planten en dieren zich op verschillende manieren kunnen voortplanten. dat seksuele voortplanting een synoniem is voor geslachtelijke voortplanting. dat aseksuele voortplanting een synoniem is voor ongeslachtelijke voortplanting. de organen van de seksuele voortplanting bij bloemplanten benoemen.
hoe de aseksuele voortplanting bij bloemplanten gebeurt. wat enten is. wat stekken is. op welke manier gewervelde dieren zich seksueel voortplanten. op welke manier ongewervelde dieren zoals zoetwaterpoliep, zeester en platworm zich aseksueel voortplanten.
OPDRACHT 1: M AAK KENNIS MET DE SEKSUELE OF GESLACHTELIJKE
VOORTPLANTING BIJ BLOEMPLANTEN
1 Ontdek de delen van een bloem.
ONDERZOEK
1 Onderzoeksvraag
Uit hoeveel verschillende bloemdelen bestaat koolzaad?

2 Hyp othese: wat denk je DAT HET JUISTE ANTWOORD IS?
3 Benodigdheden: WAT HEB JE NODIG?
bloemen van koolzaad of … pincet kleefband schaar deksel loepenpotje
4 Werk wijze: HOE GA JE AAN DE SLAG?
1 Bekijk de meegebrachte bloemen en de afbeeldingen of de bloem die je krijgt van je leerkracht.
2 Bekijk elk deel van de bloem grondig met het deksel van een loepenpotje.
3 Bekijk de afbeelding van de bloem bij waarneming. De cijfers komen overeen met de namen van de bloemdelen in de tabel.
4 Verwijder één voor één de kelkbladeren van de bloem.
5 Kleef met kleine stukjes plakband de kelkbladeren vast in de laatste kolom van de tabel.
6 Noteer het aantal kelkbladeren in de derde kolom van de tabel.
7 Verwijder één voor één de kroonbladeren van de bloem.
8 Kleef met kleine stukjes plakband de kroonbladeren vast in de laatste kolom van de tabel.
9 Noteer het aantal kroonbladeren in de derde kolom van de tabel.
10 Neem het pincet en verwijder één voor één de meeldraden van de bloem.
11 Kleef met kleine stukjes plakband de meeldraden vast in de laatste kolom van de tabel.
12 Noteer het aantal meeldraden in de derde kolom van de tabel.
13 Verwijder de stamper(s) van de bloem.
14 Kleef met kleine stukjes plakband de stamper(s) vast in de laatste kolom van de tabel.
15 Noteer het aantal stamper(s) in de derde kolom van de tabel.
5 Waarneming: Wat zie je?


1 kelkblad
2 kroonblad
3 meeldraad
4 stamper
6 Besluit: WAT BESLUIT JE?
Uit hoeveel verschillende bloemdelen bestaat koolzaad (of de bloem die je kreeg)?
7 Reflectie
Vergelijk je hypothese met het besluit. Duid aan wat voor jou van toepassing is.
Ik had hetzelfde idee. Ik had een ander idee. Ik had bijna hetzelfde idee.
2 Bekijk de afbeelding van de lelie.
a Benoem de aangeduide voortplantingsorganen. Kies uit: meeldraad – stamper

b Markeer hierboven:

- het mannelijke voortplantingsorgaan van de bloem in het blauw.
- het vrouwelijke voorplantingsorgaan van de bloem in het rood.
c Benoem de grote delen van het mannelijke voortplantingsorgaan, de meeldraad.
Kies uit: helmdraad – helmknop

De meeldraden bezitten heel wat stuifmeelkorrels. In die korrels zitten de zaadcellen van de bloemplant.
d Benoem de grote delen van het vrouwelijke voortplantingsorgaan, de stamper.
Kies uit: stempel – stijl – vruchtbeginsel
Het vruchtbeginsel bevat zaadbeginsels met daarin de eicellen van de bloemplant.
3 Bekijk op de afbeeldingen hoe stuifmeelkorrels zich kunnen verspreiden.
Markeer in kolom 2, 3 en 4 het juiste antwoord.


afbeelding bloemen stuifmeelkorrels verspreiding - opvallend - niet opvallend - veel - weinig - insecten - wind - opvallend - niet opvallend - veel - weinig - insecten - wind
4 Bekijk op de afbeelding de twee stampers.
a Wat is bevruchting?
Plaats een kruisje bij het juiste antwoord. De stuifmeelkorrel versmelt met de eicelkern. De zaadcelkern versmelt met de eicelkern. De stuifmeelkorrel versmelt met de zaadcelkern.
b Waar vindt de bevruchting plaats?
Je kunt zien dat bepaalde bloemdelen na de bevruchting merkelijk groter worden.
- Een vruchtbeginsel groeit uit tot een vrucht.
- De zaadbeginsels groeien uit tot zaden.
stuifmeelkorrel
zaadcelkern
vruchtbeginsel
zaadbeginsel eicel
eicelkern bevruchting
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. bevruchting – eicelkern – insecten – meeldraad – stamper – wind – zaadcelkern
Om zich seksueel voort te planten, bezit een bloem:
- een mannelijk voortplantingsorgaan: de
- een vrouwelijk voortplantingsorgaan: de
Het stuifmeel kan overgebracht worden van de meeldraad naar de stamper door en door de
De is het versmelten van de met de
1 Ga na hoe stekken gebeurt.
a Benodigdheden: wat heb je nodig? moederplant: graslelie mesje maatbeker van 100 ml water bloempot potgrond

b Werkwijze: hoe ga je aan de slag?
1 Giet 70 ml water in de maatbeker.

2 Snijd een stukje stengel van de moederplant af.
3 Plaats het afgeknipte stukje stengel in de maatbeker. Dat is een stekje.
4 Laat de maatbeker gedurende twee weken staan.
NA 2 WEKEN
5 Vul een bloempot met potgrond.
6 Maak een kuiltje in het midden van de potgrond.
7 Plaats het stengeltje in het gemaakte kuiltje.
8 Duw de potgrond zachtjes aan.
9 Geef het kleine stengeltje water. 1 2 3

c Wat zie je gebeuren wanneer het afgeknipte stukje stengel gedurende twee weken in water heeft gestaan? Markeer.
Door een stukje stengel af te knippen van een bloemplant en in water te plaatsen, worden er wortels / blaadjes gevormd.
d Is er bij stekken sprake van bevruchting? Vink aan. ja nee
e Markeer het juiste antwoord.
- Stekken is een voorbeeld van aseksuele voortplanting.
- Stekken is een voorbeeld van seksuele voortplanting.
2 Ga na hoe enten gebeurt.
a Bestudeer de afbeeldingen van verschillende delen van bloemplanten. prachtige bloemen op het stengelstuk stengelstuk = de ent onderstam


sterke wortels aan de onderstam
b Vul in de onderstaande tekst de ontbrekende woorden in. Kies uit: afsluiten – de ent – stengelstuk – sterke wortels – vasthechten
In de tuin van Annemie staan prachtige bomen (= moederplant). Alhoewel enkele bomen ziek zijn aan hun wortels, wil ze heel graag die prachtige bloemen redden. Enten kan haar probleem oplossen.
Wat moet ze daarvoor doen?
1 Ze gebruikt een stuk stengel van een boom waaraan prachtige bloemen groeien als . Dat noem je ook de
2 Ze knipt een stuk stengel van een gelijkaardige plant met af aan de onderstam.
3 Dan moet ze beide stengels aan elkaar
4 Op die plaats moet Annemie de wonde goed met een speciale folie of doek.
c Markeer in de onderstaande zin wat juist is.
Op de plaats waar de stengels zijn vastgehecht, is een / geen verdikking te zien.
d Is er bij enten sprake van bevruchting? Vink aan. ja nee
e Markeer het juiste antwoord.
- Enten is een voorbeeld van aseksuele voortplanting.
- Enten is een voorbeeld van seksuele voortplanting.
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats.
aseksuele – enten – stekken
- Bij wordt een jonge plant geteeld uit een afgeknipt stukje stengel van een moederplant.
- Bij wordt een stukje stengel van een bloemplant met goede kenmerken vastgehecht op een stengel van een bloemplant met sterke wortels.
Stekken en enten zijn voorbeelden van voortplanting.
OPDRACHT 3: M AAK KENNIS MET DE VOORTPLANTING BIJ DE GEWERVELDE DIEREN
Gewervelde dieren zijn dieren met een wervelkolom.
De wervelkolom loopt vanaf de kop tot in de staart en zorgt voor de stevigheid van het lichaam.
1 Bekijk de afbeeldingen van de gewervelde dieren.
a Orden de dieren door hun klasse te benoemen. Kies uit:
amfibieën – reptielen – vissen – vogels – zoogdieren
afbeelding kenmerken klasse





- Ze komen voor op het land.
- Hun huid is bedekt met haren.
- Ze komen voor in de lucht.
- Hun huid is bedekt met veren.
- Ze komen voor op het land.
- Hun huid is bedekt met schubben.
- Ze komen voor op het land en in het water.
- Hun huid is bedekt met een slijmlaag.
- Ze komen voor in het water.
- Hun huid is bedekt met schubben en een slijmlaag.
Bij gewervelde dieren gebeurt de seksuele of geslachtelijke voortplanting door het versmelten van een eicelkern en zaadcelkern wat je bevruchting noemt.
Weetje
Sommige reptielen en vissen maken zichzelf zwanger. De nakomelingen zijn dan ook altijd wijfjes.

komodovaraan
b Kijk opnieuw naar de afbeeldingen bij vraag a.
c Weet jij hoe gewervelde dieren in de verschillende klassen zich voortplanten?
Plaats een kruisje bij het juiste antwoord.
zoogdieren
vogels
reptielen
amfibieën
vissen
levend geboren, het zogen van jongen eieren met schaal eieren zonder schaal
levend geboren, het zogen van jongen eieren met schaal eieren zonder schaal
levend geboren, het zogen van jongen eieren met schaal eieren zonder schaal
levend geboren, het zogen van jongen eieren met schaal eieren zonder schaal
levend geboren, het zogen van jongen eieren met schaal eieren zonder schaal
OPDRACHT 4: M AAK KENNIS MET DE VOORTPLANTING BIJ DE ONGEWERVELDE DIEREN
Ongewervelde dieren zijn dieren zonder wervelkolom.
1 Bekijk de twee voorbeelden van dieren die zich aseksueel voortplanten.
Dat kan op verschillende manieren:
door knopvorming

bv. zoetwaterpoliep

bv. zeester
a Lees onderstaande tekst.
b Vul de tabel verder aan.

bv. platworm
Uit een ouderorganisme groeit geleidelijk een knop. Dat uitgroeisel ontwikkelt zich verder tot een volledig functioneel individu
Bij sommige soorten breekt de kloon na enige tijd af.
Hij zet zich op een andere plaats vast om aan een zelfstandig leven te beginnen.
door fragmentatie
Er breekt een stukje af van het organisme.
Bij de zeester is dat een arm die dan verder uitgroeit tot een nieuwe zeester.
Bij de platworm is het een fragment dat dan verder uitgroeit tot een nieuwe platworm.
- Aseksuele voortplanting gebeurt behoorlijk snel en verbruikt weinig energie. Er zijn nadelen aan deze manier van voortplanten.
- De nakomelingen kunnen kwetsbaar zijn voor ziekten of verandering in hun leefomgeving.
- Er kunnen nakomelingen ontstaan zonder dat er bevruchting heeft plaatsgevonden. De nakomelingen zijn klonen van hun ouders.
ASEKSUELE VOORTPLANTING
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. eicelkern – levend geboren – met schaal – versmelten – zaadcelkern – zonder schaal
Seksuele voortplanting bij gewervelde dieren gebeurt door het van een met een :
- zoogdieren: jongen worden
- vogels: eieren
- reptielen: eieren
- amfibieën: eieren
- vissen: eieren
Vul de volgende woorden in op de juiste plaats. fragmentatie – identieke – knopvorming – leefomgeving – snel – ziekten – zonder
Aseksuele voorplanting bij ongewervelde dieren gebeurt door: - (bv. zoetwaterpoliep) - (bv. zeester)
- Dat gebeurt bevruchting.
- Er zijn nakomelingen.
- Het verloopt en zonder veel verbruik van energie.
- Nakomelingen zijn vatbaarder voor en veranderingen in hun .
BIJ BLOEMPLANTEN
SEKSUELE VOORTPLANTING
= het versmelten van eicelkern met zaadcelkern
ASEKSUELE VOORTPLANTING
= het bekomen van een jonge plant uit een deel van een moederplant
Stekken: er wordt een jonge plant geteeld uit een afgeknipt stukje stengel van een moederplant.
Enten: er wordt een stukje stengel van een bloemplant met goede kenmerken vastgehecht op een stengel van een bloemplant met sterke wortels.
BIJ GEWERVELDE DIEREN
SEKSUELE VOORTPLANTING
= versmelten van eicelkern met zaadcelkern





zoogdieren vogels reptielen amfibieën vissen levend geboren eieren met schaal eieren met schaal eieren zonder schaal eieren zonder schaal


bv. zeester
DOOR FRAGMENTATIE - snel: geen partner nodig - weinig energie nodig

Ik kan …
bv. platworm bv. zoetwaterpoliep
kwetsbaar voor ziekten
kwetsbaar voor veranderingen in de leefomgeving
Ik vind dit op: uitleggen dat planten en dieren zich op verschillende manieren kunnen voortplanten.
p. 36, 40, 44, 45, 47 en 48 de voortplantingsorganen bij een bloemplant op een afbeelding benoemen.
p. 38, 39 en 49 de voorplantingsorganen bij een bloemplant op een afbeelding aanduiden.
p. 37-39 en 49 uitleggen hoe seksuele voortplanting bij bloemplanten gebeurt.
p. 36-40, 47 en 49 aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe planten zich aseksueel voortplanten.
p. 40-42 en 47
een synoniem geven voor seksuele voortplanting.
p. 34 een synoniem geven voor aseksuele voortplanting.
met eigen woorden uitleggen hoe gewervelde dieren zich seksueel voortplanten.
p. 40
p. 43, 44, 46, 47 en 52 uitleggen hoe ongewervelde dieren zoals zoetwaterpoliep, zeester en platworm zich aseksueel voortplanten.
p. 45, 46, 48 en 52
1 Bekijk de afbeelding van de voortplantingsorganen bij een bloemplant.
a Benoem de aangeduide delen in de kaders. Kies uit:
meeldraad – stamper
stuifmeelkorrels in de helmknop
zaadbeginsels in het vruchtbeginsel
b Welke vorm van voortplanting bij bloemplanten wordt hier afgebeeld? Vink aan. seksuele voortplanting aseksuele voortplanting
2 Hoe wordt stuifmeel verspreid bij bloemplanten?
a Bekijk het stickerblad op p. 55.
b Kleef de afbeeldingen in de juiste kolom.
door insecten door de wind
3 Zijn dit voorbeelden van seksuele voortplanting of aseksuele voortplanting bij planten?
a Bekijk de afbeeldingen.
b Plaats een kruisje voor het juiste antwoord.


witte dovenetel ui seksueel aseksueel seksueel aseksueel


erwtenplant moeder van duizend seksueel aseksueel seksueel aseksueel


aardbeiplant sleutelbloem seksueel aseksueel seksueel aseksueel
4 Hoe planten gewervelde dieren zich voort?
a Bekijk in de tabel op pagina 43 de klassen en hun manier van voortplanten.
b Kleur de manier waarop de klasse zich voortplant, in dezelfde kleur als de klasse.
reptielen
zoogdieren
eieren met schaal eieren zonder schaal
eieren met schaal amfibieën
vissen levend geboren eieren zonder schaal
zogen van hun jongen vogels
5 Bestudeer de afbeelding van een platworm.
a Beschrijf hoe de voortplanting bij deze platworm verloopt.
b Leid uit de afbeelding af of het om geslachtelijke of ongeslachtelijke voortplanting gaat. Motiveer je antwoord

´ Verder oefenen? Ga naar

hoofdstuk woord verklaring
3 anticonceptie
Middelen die gebruikt worden om een zwangerschap te voorkomen door bevruchting tegen te gaan.
4 aseksueel ongeslachtelijk
2 baarmoederslijmvlies slijmvlies aan de binnenkant van de baarmoeder
3 celmembraan een dun, beschermend omhulsel van de cel
2 cyclus een zichzelf herhalend proces
1 eicel vrouwelijke voortplantingscel
2 eicelrijping het rijpen van eicellen in de eierstokken
2 eisprong
4 enten
Rijpe eicel die vrijkomt uit de eierstokken. Dat gebeurt altijd op de vijftiende dag voor de volgende menstruatie.
Een jonge plant wordt geteeld uit een stukje stengel van een bloemplant met goede kenmerken, dat wordt vastgehecht op een stengel van een bloemplant met sterke wortels.
1 erectie stijve toestand van de penis
1 foetus
4 fragment een deeltje of een afgebroken stuk van een geheel
3 geslachtsgemeenschap
4 gewervelde dieren
1 hormoon
Zo noem je een ongeboren baby in de baarmoeder, vanaf ongeveer de negende week van de zwangerschap tot aan de geboorte.
Een seksuele handeling waarbij de penis in de vagina van de vrouw glijdt.
Dieren die als typisch kenmerk een wervelkolom bezitten.
Stof die het lichaam aanmaakt om de werking van het lichaam te regelen.
4 identiek precies hetzelfde of helemaal gelijk
4 individu één enkel organisme of levend wezen
2 innesteling vasthechten van de bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies
4 klasse
Een groep van organismen die gelijkaardige kenmerken hebben.
4 kloon een erfelijk dezelfde kopie van een persoon
4 meeldraad mannelijk voortplantingsorgaan van de bloemplant
2 menstruatie maandelijkse bloeding
2 menstruatiecyclus
Een periode met lichamelijke veranderingen die regelmatig (maandelijks) voorkomt bij een vrouw vanaf de puberteit.
4
moederplant de oorspronkelijke plant
3 natte droom spontane zaadlozing van de man tijdens de slaap
4 ongewerveld dier dieren zonder wervelkolom
1 orgaan
1 primair geslachtskenmerk
1 puberteit
1 secundair geslachtskenmerk
Onderdeel van een stelsel, bestaat uit verschillende weefsels die samenwerken aan één taak.
Geslachtskenmerk dat al aanwezig is vóór de geboorte.
overgangsperiode van kind naar volwassene
Geslachtskenmerk dat uitwendig zichtbaar wordt vanaf de puberteit onder invloed van geslachthormonen.
4 seksueel geslachtelijk
3 seksueel geprikkeld
3 SOA afkorting van Seksueel Overdraagbare Aandoeningen
1 sperma(vocht) mengsel van zaadcellen en vocht uit de zaadblaasjes en de prostaat
4 stamper vrouwelijk voortplantingsorgaan van de bloemplant
4 stekken
Je bent meer op je lichaam gericht. Je wilt je partner aanraken en je wilt jezelf aanraken. Kortom: je wilt seksueel genot beleven.
Een jonge plant wordt geteeld uit een afgeknipt stukje van de stengel van een bloemplant.
4 stuifmeelkorrel Korrelachtig deeltje in de helmknop dat zaadcellen bevat.
2 synoniem een ander woord
3 voorbehoedsmiddelen methoden of middelen om zwangerschap te voorkomen
2 vruchtbare periode
Periode waarin een vrouw vruchtbaar is.
4 vruchtbeginsel Dit is het onderste deel van de stamper. Het vruchtbeginsel bevat de zaadbeginsels met eicellen.
4 zaadbeginsels
Deze zitten in het vruchtbeginsel en bevatten de eicellen van de bloemplant.
1 zaadcel mannelijke voortplantingscel
3 zaadlozing het vrijkomen van sperma tijdens seksueel genot
3 zelfbevrediging het stimuleren van je eigen geslachtsdelen
4 zogen
4 zwangerschap
melk geven van het moederdier aan het jonge dier
Toestand van een vrouw wanneer ze een bevruchte eicel draagt die ontwikkelt tot een foetus. Een zwangerschap duurt 38 tot 40 weken.
p. 50 opdracht 2






Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, extra oefeningen ...
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een bijkomend audio- of videofragment zijn, een woorden- of begrippenlijst, extra bronnen of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Adaptieve oefeningen
Met adaptieve oefeningen kun je de leerstof inoefenen op jouw niveau. Hier kun je vrij oefenen of de oefeningen maken die de leerkracht voor je heeft klaargezet.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen?
Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud?
Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment zelf kunt bekijken of beluisteren op je smartphone.
Als je dit icoon ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
Frieda Goossens
Nathalie Lapere
Sofie Timmerman
Je les in eigen handen
Ontdek het onlineleerplatform iDiddit!
Vooraan in dit boek vind je de activatiecode. Activeer snel je account op www.ididdit.be en maak er een geweldig schooljaar van!
ISBN 978-94-651-4362-0 611631
vanin.be
Fiche 5: Hoe noteer je 4 meetresultaten?
Fiche 6: Welke kleine 7 diertjes kun je waarnemen?
Fiche 7: Welke 8 waarnemingen wijzen op de aanwezigheid van grote dieren?
Fiche 8: Welke kruidachtige 9 planten kun je waarnemen?
Fiche 9: Determineertabel 10 voor bomen en struiken
Fiche 10: Hoe werk je met 12 een grondboor?
Fiche 11: Hoe bepaal je de 13 bodemhardheid?
Fiche 12: Determineertabel 14 voor gesteenten

Heb je nog geen account?
Ga naar myvanin.be en registreer je.
Registreer je via een Smartschool-account? Koppel dan je e-mailadres aan je account.
Heb je je account aangemaakt?
Meld je aan op myvanin.be.
Activeer onderstaande code.
Klik op het geactiveerde leermiddel om ermee aan de slag te gaan op iDiddit.
Lukt het niet om de code te activeren? Neem dan contact op met onze klantendienst.
ACTIVEER DEZE LICENTIE
PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START
VANAF ACTIVATIE
EN IS 365 DAGEN GELDIG.
!Dit leermiddel is onderdeel van de lesmethode MicroScoop van Uitgeverij VAN IN. Het is ontwikkeld met de intentie dat iedere leerling zich herkent en thuis voelt in beeld en tekst. Heb je op- of aanmerkingen, dan kun je contact opnemen met Uitgeverij VAN IN. Van dit leermiddel kun je een aangepaste digitale versie aanvragen bij ADIBib, de service voor leerlingen met lees- of schrijfproblemen. Meer informatie vind je op www.adibib.be.
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en veel mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer je van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneem je hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers om beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen.
Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vind je op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden lees je op www.ididdit.be.
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026. Alle rechten voorbehouden.
Tekst- en datamining (TDM) niet toegestaan.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.
Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2026
ISBN 978-94-651-4362-0
D/2026/0078/60
Art. 611631/01
NUR 120
Instructietaal
De volgende instructies heb je nodig in je themabundel: Vink aan

Ontwerp: B.AD
Opmaak: Ontvlambaar
Covertekening: Jan Heylen Tekeningen binnenwerk: Geert Verlinde
Welkom bij MicroScoop. Hier lees je hoe je met dit leerpakket aan de slag gaat.
1 Op we g met MICROSCOOP
Dit leerpakket bestaat uit 2 thema's en een opzoekboekje. Elk thema is op dezelfde manier opgebouwd.
Vooraan staat de thematekening.
Hier vind je ook een handig overzicht van de hoofdstukken. Onderaan de pagina kun je je naam en klas invullen.


2 VOEDSELRELATIES

2
3












Je start elk hoofdstuk met een WOW Je maakt hier kennis met het onderwerp van het hoofdstuk. Onder de WOW vind je de leerdoelen van ieder hoofdstuk.
Na deze WOW en de leerdoelen start je met de opdrachten.
VOEDSELRELATIES
VOEDSELKETEN VOEDSELWEB

Een keten van organismen waarbij het ene organisme voedsel is voor een ander organisme.

Een verzameling van voedselketens die met elkaar verbonden zijn.
VOEDSELPIRAMIDE VOEDSELKRINGLOOP







Een voorstelling van voedselrelaties waarbij rekening gehouden wordt met het aantal organismen.
een gesloten voorstelling van voedselrelaties
Ik kan … Ik vind dit op:
de wet van eten en gegeten worden afleiden uit gegeven voorstellingen van voedselrelaties.
Voor je verder gaat oefenen, bekijk je eerst de synthese van het hoofdstuk.
Na elke synthese volgt een checklist 'Ik kan ...'
1 Dat is een opsomming van de doelen waaraan je in dit hoofdstuk gewerkt hebt.
2 Je kunt de sterretjes inkleuren naargelang je zelf beoordeelt of je een bepaald doel minder goed of al goed kent.
3 Onder 'Ik vind dit op ...' vind je het paginanummer waar je de leerstof terugvindt.
p. 22-24, 26 en 27 een voedselketen, voedselweb, voedselkringloop ontleden.
het verschil herkennen tussen een voedselketen, een voedselweb en een voedselkringloop.
p. 22-24, 26, 27 en 28
p. 22-24, 26 en 28 gegeven organismen zo ordenen dat ze een voedselketen vormen.
p. 25 en 26
p. 22-24 en 26 de relatie tussen elke schakel van een voedselkringloop geven.
26 OP EXPEDITIE — 2 VOEDSELRELATIES
Je kunt in het onderdeel Nu is het jouw beurt verder oefenen.
Je leerkracht beslist of je de oefeningen op het einde van het thema maakt of doorheen de lessen.
Op iDiddit vind je bovendien nog meer oefeningen.
1 Bekijk de verschillende voorstellingen van voedselrelaties.




a Plaats een kruisje onder de afbeelding die een voedselweb voorstelt. b Leg uit waaraan je kunt zien dat die afbeelding een voedselweb is.
Fiche

Fiche
Fiche
Fiche 12: Determineertabel 14 voor gesteenten
Hoe ziet de voedselpiramide van de omschreven situatie eruit? Plaats een kruisje onder de juiste voorstelling.








In de opdrachten en onderzoeken moet je soms fiches met extra informatie gebruiken. Deze fiches vind je in het Opzoekboekje
juiste plaats.
2 Handig voor onderweg
c Verklaar waarom de voorstelling van een voedselketen deze vorm heeft.
In de loop van elk thema word je ondersteund door een aantal hulpmiddelen.
Je vindt doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in deze rode kenniskaders
Vul de ontbrekende woorden in. Voedselrelaties worden voorgesteld door:
--
OPDRACHT 5: ONTDEK WAT
BIODIVERSITEIT IS
OPDRACHT 2: Ontdek de plaats van organismen in voedselrelaties
De aanwezigheid van verschillende soorten organismen in een biotoop noem je biodiversiteit
1 Bekijk de voedselketens.
OPDRACHT 3: ONTDEK DAT ZOOGDIEREN AANGEPAST ZIJN OM ZICH
Ga na hoe je biodiversiteit kunt waarnemen.
a Herlees de omschrijving van biodiversiteit in het begrippenkader hierboven.
1
factor Niet-levende factor die de leefomgeving bepaalt voor de biotische factoren.
1 biodiversiteit de aanwezigheid van verschillende soorten organismen in een biotoop
b Bekijk de afbeeldingen.
Moeilijke woorden worden uitgelegd in een begrippenkader
1 Bekijk de afbeeldingen van enkele zoogdieren.

vlierbesblad bladluislieveheersbeestje libel
c Op welke afbeelding is de biodiversiteit het grootst? Plaats een kruisje.
overwinteren – reservevoedsel – sterven af
hebben een aantal kenmerken die de kans vergroten.
zichzelf door zelf
Kies uit: voorjaar

Die woorden staan groen en vet en vallen extra op door de stippellijn
Je vindt ze ook achteraan terug in de
plantendelen aan of ontwikkelen






3 biologisch evenwicht In de natuur schommelt de grootte van de verschillende populaties van elke soort rond een bepaalde waarde. Dat noem je ook ecologisch evenwicht en natuurlijk evenwicht.
1 biotische factor levende factor in een leefomgeving, onder andere planten en dieren

Tip
1 biotoop Een plaats met specifieke leefomstandigheden waar bepaalde organismen samenleven.
1 braakliggend terrein Een stuk grond dat niet onderhouden wordt en geen bepaalde functie heeft.
2 consumenten Organisme dat zich voedt met andere organismen.
Waar leeft het dier hoofdzakelijk?

braambes bij spin kikker regenworm sperwer
1 determineertabel Een lijst met vragen of kenmerken waarmee je de naam van een organisme of een abiotische factor kunt bepalen.
1 determineren door gebruik te maken van zichtbare kenmerken, de naam van organismen bepalen
In een weiland waar koeien grazen, komen meer organismen voor dan in een bloemenweide.
- De blauwe figuurtjes stellen hier de waterdeeltjes voor.
- De rode figuurtjes zijn de suikerdeeltjes.
1 ecoduct Natuurbrug waarlangs dieren ongehinderd een belangrijke verkeersweg kunnen oversteken.


1 ecologie de studie van relaties en de samenwerking tussen levende organismen en hun omgeving
d In welke biotoop is de biodiversiteit het grootst? Plaats een kruisje voor de juiste stelling.
Hoe beweegt het dier zich voort?

Met MicroScoop ga je zelf experimenteren en onderzoeken.
De aanwezigheid van verschillende soorten organismen is het grootst in een biotoop met een groot aantal verschillende soorten planten.
Hoe zijn de poten aangepast aan de voortbeweging?
3 ecologisch evenwicht In de natuur schommelt de grootte van de verschillende populaties van elke soort rond een bepaalde waarde. Dat noem je ook biologisch evenwicht en natuurlijk evenwicht.
2 ecosysteem de biotische factoren, de abiotische factoren en de relaties tussen beide in een gebied
2 energierijke stoffen Stoffen die veel chemische energie bevatten zoals suikers, vetten en eiwitten.
Hierbij moet je natuurlijk een aantal veiligheidsvoorschriften respecteren. Die vind je terug in dit kader.
typische kenmerken van lentebloeiers hyacint.
In een graasweide en een bloemenweide is het aantal verschillende soorten organismen gelijk.
- in de grond - in de lucht - in het water - op het land - loopt - graaft - vliegt - zwemt
3 exoot Organisme dat van nature niet thuishoort in een bepaald gebied.
algen garnaal kabeljauw zeehond
3 Benodigdheden: Wat heb je nodig? koffielepel fijne witte kristalsuiker 1 beker drinkbaar water
De biodiversiteit van een graasweide is groter dan die van een bloemenweide, omdat de uitwerpselen van dieren extra bemesting geven.
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Markeer wat juist is.
b Markeer voor elk dier:
- graafpoot - grote vlieghuid
1 leefomgeving Een omgeving binnen een biotoop waar een bepaalde soort leeft en zich kan voortplanten.
a Bekijk het eerste organisme in elke voedselketen.
46 OP EXPEDITIE — WOORDENLIJST
- stevige zwempoot - voetzool
b Markeer het juiste antwoord. Het eerste organisme in een voedselketen is altijd / soms / nooit een plant.
Je proeft bij een onderzoek enkel van een stof als dit gevraagd wordt in de werkwijze.
- in welke omgeving het dier leeft (kolom 1). - hoe het zich voortbeweegt (kolom 2).
24 OP EXPEDITIE — 2 VOEDSELRELATIES
- De biodiversiteit geeft aan hoeveel verschillende soorten organismen in een biotoop voorkomen.
- In een biotoop waar veel verschillende soorten organismen samenleven, is de biodiversiteit groot / klein. 8
4 Werkwijze: Hoe ga je aan de slag?
1 Vul de beker voor de helft met water.
2 Neem een slokje uit de beker met water. Noteer wat je proeft bij waarneming 1.
Gebruik voor het markeren de kleur waarmee de afbeelding van het dier omlijnd is.
In de tipkaders staan handige tips voor het uitvoeren van de onderzoeken of opdrachten.
2 Bekijk de afbeeldingen van de skeletten van de zoogdieren.
3 Neem met de koffielepel een klein beetje suiker.
4 Steek de koffielepel in je mond. Noteer wat je proeft bij waarneming 2.
Het deel tussen de groene lijnen bevindt zich ondergronds. Tip
5 Voeg een halve koffielepel suiker toe aan de beker met water.
6 Roer zachtjes met de lepel.
Hoe zijn de poten van zoogdieren aangepast aan de voortbeweging? Markeer in kolom 3. Gebruik dezelfde kleuren als bij vraag 1b. a
7 Neem een slokje uit de beker met suiker en water. Noteer wat je proeft bij waarneming 3.
8 Bekijk de vloeistof in de beker. Noteer wat je ziet bij waarneming 4.
9 Markeer het juiste antwoord in het besluit.
de meeste schaduwplanten, voornamelijk in het hun bladeren krijgen. hebben, kan er boomkruinen schijnen.
5 Waarneming waarneming 1 beker met water waarneming 2
Dit kader bevat een weetje voor nieuwsgierige leerlingen. Het kan je verder op weg helpen om de opdrachten goed te begrijpen.
plantendelen meestal al verdwenen. Deze lentebloeiers zijn volgende voorjaar. Hoe zie je dat op afbeelding 2?
Walvissen zijn zoogdieren. Ze hebben geen vinnen, maar zwempoten om zich in het water voort te bewegen.
klimaatverandering hebben op deze voorjaarsbloeiers?
Weetje Vul de ontbrekende woorden in.
Hoe beter de van een zoogdier zijn aangepast aan de wijze waarop hij zich in zijn leefomgeving, hoe meer kans het dier heeft om te overleven.
1 Wat meet je? = grootheid
lengte (de afmeting van een voorwerp)
massa (de hoeveelheid materie van het voorwerp)
volume (de ruimte nodig voor het voorwerp)
temperatuur (maat voor de kinetische energie van deeltjes)
2 symbool grootheid
energie (altijd nodig om een verandering te realiseren)
3 Welk toestel gebruik je om de grootheid te meten?



maatbeker maatcilinder
thermometer

energiemeter


Een meetresultaat bestaat uit:
1 Het symbool van de grootheid: wat heb je gemeten?
Dit symbool wordt steeds cursief genoteerd.
2 Een gelijkheidsteken (=)
3 De getalwaarde die je afleest op het meettoestel.
4 Het symbool van de eenheid: in welke maat druk je het uit?
Voorbeeld: l = 30 cm
Iedere grootheid heeft een internationaal afgesproken hoofdeenheid.
4 In welke eenheid druk je het meetresultaat uit?
kilometer meter centimeter millimeter
liter deciliter centiliter milliliter
kubieke meter
kubieke decimeter
kubieke centimeter
5 symbool eenheden 6 omzettingen


mier pissebed hooiwagen














de ingang van een nest de pootafdruk van een vos resten van eikels gaten gemaakt door de specht uitwerpselen van een konijn pootafdrukken van vogels


braakballen van een roofvogel knaagsporen op een dennenkegel



het nest van een vogel/merel veren van een vogel/duif






veldzuring paardenbloem smalle weegbree

boterbloem


echte kamille paarse dovenetel
Hoe ga je aan de slag?
- Bij het determineren begin je altijd bij nummer 1.
- Vervolgens kies je uit twee keuzemogelijkheden (JA of NEE).
- Je bekijkt de plant en maakt daarna de juiste keuze.
- Na je keuze vind je een verwijzing naar de volgende fase.
- Als je de juiste keuzes maakt, vind je na enkele stappen de naam van de plant.
start:
1 De boom heeft naalden.
JA NAALDBOOM
NEE Ga naar 2.
2 Een blad bestaat uit verschillende aparte blaadjes. JA Ga naar 3.
NEE Ga naar 5.
3 Vijf tot zeven deelblaadjes komen samen in één punt. JA PAARDENKASTANJE
NEE Ga naar 4.
4 De rand van de deelblaadjes is gezaagd.
6 Het blad is lang en zeer smal.
7 Het blad lijkt op een hart.
8 De rand van het blad is getand.
JA LIJSTERBES
NEE ACACIA
5 De bladeren staan twee aan twee tegenover elkaar. JA ESDOORN
NEE Ga naar 6.
JA WILG
NEE Ga naar 7.
JA LINDE
NEE Ga naar 8.
JA TAMME KASTANJE
NEE Ga naar 9.
9 De rand van het blad is licht gegolfd. JA BEUK
10 De rand van het blad is gezaagd.
11 De bladschijf is diep ingesneden (gelobd).
NEE Ga naar 10.
JA BERK
NEE Ga naar 11.
JA Ga naar 12.
NEE VUILBOOM
12 De top van de lobben is … SPITS AMERIKAANSE EIK AFGEROND ZOMEREIK
Welke kenmerken hebben de bladeren van loofbomen en struiken?
kenmerken - handvormig samengesteld
voorbeeld

kenmerken - handnervig
- bladstand: tegenoverstaand (twee aan twee)
voorbeeld

kenmerken - veernervig
- bladrand: getand
voorbeeld
- veervormig samengesteld
- bladrand: gezaagd - veervormig samengesteld

- veernervig
- lange, zeer smalle vorm

- veernervig - hartvormig


kenmerken - veernervig - bladrand: gaaf
voorbeeld
- veernervig
- bladrand: gegolfd

- veernervig
- bladschijf: diep ingesneden lobben: spits


- veernervig bladrand: gezaagd

- veernervig bladschijf: diep


WAT HEB JE NODIG?
grondboor goot
plastic zakje
Hoe ga je aan de slag?
1 Ga naar de plaats w
2 Verwijder takjes, bladeren en ander materiaal.
3 Draai de boor in wijzerzin (
4 Trek de boor voorzichtig recht omhoog. Het grondstaal wordt vastgehouden in de schroef van de boor.
5 Leg de boor in de goot, zoals je ziet op de afbeelding. Zorg ervoor dat bovenkant van de schroef tegen het uiteinde van de goot ligt.
6 Duw de grond uit de schroef van de boor.
7 Boor daarna in hetz Herhaal daarvoor stap 3 en 4.

8 Leg de boor opnieuw horizontaal in de goot. De bovenkant van de schroef moet de onderste laag aarde uit de vorige boring raken.
9 Duw opnieuw de grond uit de schroef van de boor.
10 Herhaal stap 7 tot en met 9 nog 2 keer. Leg telkens de grond in de goot naast de grond van de vorige boring.
11 Bepaal nu de grondsoort van elke boring met behulp van fiche 12 van opzoekboekje B (determineertabel voor gesteenten).
12 Doe een deel van de grondstalen in een plastic zakje. Heb je verschillende grondstalen, doe dan elk grondstaal in een apart zakje. Die neem je mee naar de klas voor verder onderzoek.
13 Vul het gemaakte gat weer op met de grond. Doe dat in de juiste volgorde: wat je het laatst uit het boorgat hebt weggehaald, moet er als eerste weer in!
14 Stamp de grond goed aan.
4 x
15 Leg ook de takjes, de bladeren en het andere materiaal weer op hun plaats. grondboor met grondstalen
WAT HEB JE NODIG?
valpen/beitel
meetlat/lintmeter pvc-buis van 1,50 m determineertabel voor hardheid van de bodem
Hoe ga je aan de slag?
1 Ga naar de plaats waar je de hardheid van de bodem wilt bepalen.
2 Verwijder takjes, bladeren en ander materiaal.
3 Plaats de pvc-buis loodrecht op de bodem.

4 Schuif de valpen/beitel bovenaan in de buis, maar houd het boveneinde nog vast. Het verdikte uiteinde van de valpen komt gelijk met de bovenrand van de pvc-buis.
5 Laat de valpen vallen.
6 Hef de pvc-buis voorzichtig een stukje op. De valpen heeft zich in de grond geboord.
7 Neem de valpen tussen je duim en wijsvinger vast op de plaats waar ze in de bodem gezakt is.
8 Trek de valpen uit de grond, zonder je vingers te verplaatsen.
9 Meet de afstand tussen je vingers en de top van de valpen.
10 Vergelijk de door jou gemeten waarde met de diepte van de valpen (in cm) in de tabel hieronder.
11 Met welke maat voor de hardheid uit de tabel komt de door jou gemeten waarde overeen? Noteer.
12 Noteer ook het besluit.
Hardheid van de bodem diepte valpen (in
tabel voor de bodemhardheid
START: KUN JE BROKSTUKKEN GROTER DAN 2 CM ZIEN?
Nee. Je kunt losse korrels zien.
vaste gesteenten
JA
Kun je de korrels gemakkelijk afzonderlijk vastnemen?
losse gesteenten
Kun je de korrels goed zien?
Nee. Je kunt de kleine korrels niet afzonderlijk zien.
Kun je de droge brokjes gemakkelijk breken?
JA JA

Nee. Je kunt de korrels wel voelen. NEE



Weetje
- Vochtige leem kun je uitsmeren.
- Vochtige klei kun je boetseren (kneden).


Mijn lesmateriaal
Hier vind je alle inhouden uit het boek, maar ook meer, zoals filmpjes, audiofragmenten, extra oefeningen ...
Extra materiaal
Bij bepaalde stukken theorie of oefeningen kun je extra materiaal openen. Dat kan een bijkomend audio- of videofragment zijn, een woorden- of begrippenlijst, extra bronnen of een leestekst. Kortom, dit is materiaal dat je helpt om de leerstof onder de knie te krijgen.
Adaptieve oefeningen
Met adaptieve oefeningen kun je de leerstof inoefenen op jouw niveau. Hier kun je vrij oefenen of de oefeningen maken die de leerkracht voor je heeft klaargezet.
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en toetsen?
Hier vind je een helder overzicht van al je resultaten.
Notities
Heb je aantekeningen gemaakt bij een bepaalde inhoud?
Via je notities kun je ze makkelijk terug oproepen.
Soms is het handig dat je extra lesinformatie of een video- of audiofragment zelf kunt bekijken of beluisteren op je smartphone.
Als je dit icoon ziet, open dan de VAN IN Plus-app en scan de pagina.
Meer weten?
Ga naar www.ididdit.be
Frieda Goossens
Nathalie Lapere
Sofie Timmerman
Je les in eigen handen
Ontdek het onlineleerplatform iDiddit! Vooraan in dit boek vind je de activatiecode. Activeer snel je account op www.ididdit.be en maak er een geweldig schooljaar van!
ISBN 978-94-651-4362-0 611631
vanin.be