fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
GENI
pr oe
3.1
Chemie
LEER SCHRIFT
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
pr oe
fh o Chemie
N
VA
©
uk
st
of d IN
GENIE 3.1
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
INHOUD 11
GENIE EN DIDDIT
14
WAT IS CHEMIE?
15
IN
STARTEN MET GENIE
THEMA 01: HOE WERK JE VEILIG IN EEN LABO?
21
VA
VERKEN
20
N
CHECK IN
` HOOFDSTUK 1: Waarmee moet je rekening houden
in een labo?
uk
©
1.1 Het gebruikte veiligheidsmateriaal 1.2 Het chemisch etiket 1.3 Soorten labomateriaal 1.4 Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een laboproef? 1.5 De algemene veiligheidsregels binnen een labo
23 23 26 29 33 34
st
` HOOFDSTUK 2: Hoe pas je enkele vaak gebruikte
of d
labotechnieken toe?
THEMASYNTHESE 35 CHECKLIST
36
fh o
PORTFOLIO CHECK IT OUT
37
AAN DE SLAG
38
pr oe
OEFEN OP DIDDIT
3
THEMA 02: ZUIVERE STOFFEN EN MENGSELS CHECK IN
42
VERKEN
43
IN
` HOOFDSTUK 1: Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar? 45
VA
N
1.1 Wat betekent de term ‘stofeigenschap’? 45 1.2 Stofeigenschap: massadichtheid 48 1.3 Stofeigenschappen: kook - en smeltpunt 51 Hoofdstuksynthese 52
53
2.1 Onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels
53
2.2 Soorten mengsels
55
©
` HOOFDSTUK 2: Is het een zuivere stof of een mengsel?
Hoofdstuksynthese 60
uk
` HOOFDSTUK 3: Hoe kunnen we een mengsel van stoffen
scheiden? 61
fh o
of d
st
3.1 Scheidingstechnieken 61 3.2 Sorteren, zeven en filteren 62 3.3 Decanteren 64 65 3.4 Centrifugeren 3.5 Indampen 66 3.6 Destilleren 67 Hoofdstuksynthese 70
THEMASYNTHESE
71
CHECKLIST
73
pr oe
PORTFOLIO
CHECK IT OUT
74
AAN DE SLAG
75
OEFEN OP DIDDIT
4
THEMA 03: VERDERE STUDIE VAN EEN CHEMISCHE STOF CHECK IN
82
VERKEN
83
` HOOFDSTUK 1: Hoe kunnen we een chemische stof
voorstellen?
IN
84 84 87 90
VA
N
1.1 Namen en symbolen van elementen 1.2 Symbolische voorstelling van een chemische stof 1.3 Bolstaaf- en bolschilmodellen van een chemische stof
` HOOFDSTUK 2: Kunnen we zuivere stoffen nog verder
©
indelen?
92
` HOOFDSTUK 3: Welke naam krijgen de enkelvoudige
uk
stoffen?
st
3.1 Onderverdeling binnen de enkelvoudige stoffen 3.2 Niet-metalen 3.3 Metalen
96 96 97 101
of d
THEMASYNTHESE 102 CHECKLIST
104
PORTFOLIO
105
AAN DE SLAG
106
fh o
CHECK IT OUT
pr oe
OEFEN OP DIDDIT
5
THEMA 04: KENMERKEN VAN EEN CHEMISCHE REACTIE CHECK IN
112
VERKEN
113
IN
` HOOFDSTUK 1: Wat is een chemische reactie?
115
N
` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een chemische reactie
genoteerd?
2.1 Reagentia en reactieproducten 2.2 Wet van behoud van atomen 2.3 Wet van behoud van massa
VA
119
119 120 124
©
` HOOFDSTUK 3: Welk nut hebben chemische reacties als
energiebron?
st
uk
3.1 Chemische energie 3.2 Exo-energetische reacties 3.3 Endo-energetische reacties
126 126 128 131
THEMASYNTHESE 135
of d
CHECKLIST
137
PORTFOLIO
138
AAN DE SLAG
139
fh o
CHECK IT OUT
pr oe
OEFEN OP DIDDIT
6
THEMA 05: BOUW, EIGENSCHAPPEN EN RANGSCHIKKING VAN ATOMEN 147
VERKEN
148
` HOOFDSTUK 1: Hoe evolueerde het atoommodel?
150 150 151
N
1.1 Van voorwerp tot atoom 1.2 Nog kleiner dan het atoom
IN
CHECK IN
VA
` HOOFDSTUK 2: Wat weten we al over het atoom? 2.1 De elementaire deeltjes en hun lading 2.2 De massa van het atoom
157 157 159
©
` HOOFDSTUK 3: Hoe zitten elektronen verdeeld
uk
in een atoom?
st
3.1 De Bohr-Rutherford elektronenverdeling 3.2 Elektronenconfiguratie 3.3 Lewisstructuren
163 163 170 171
` HOOFDSTUK 4: Wat leren we uit de plaats van
of d
een element in het PSE?
fh o
4.1 Perioden en groepen 4.2 De a-groepen en hun naam 4.3 Waarom lijken atomen graag op een edelgas? 4.4 Elektronegativiteit 4.5 Zijn er naast de massa en elektronenconfiguratie nog andere indelingen op het PSE?
175 176 179 181 184 187
pr oe
THEMASYNTHESE 191 CHECKLIST
194
PORTFOLIO
CHECK IT OUT
195
AAN DE SLAG
196
OEFEN OP DIDDIT
7
THEMA 06: CHEMISCHE BINDINGEN EN HUN ROOSTERS CHECK IN
200
VERKEN
201
` HOOFDSTUK 1: Zijn deeltjes in een verbinding altijd op
eenzelfde manier gebonden?
IN
203 203 204
N
1.1 Wat is het verschil tussen een binding en een verbinding? 1.2 Welke soorten bindingen bestaan er?
VA
206
©
` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een ionbinding gevormd?
` HOOFDSTUK 3: Hoe wordt een atoombinding gevormd?
211
3.1 De atoombinding 3.2 De molecuulformule van atoomverbindingen
211 214
uk
2.1 De ionbinding 2.2 De formule-eenheid van ionverbindingen 2.3 De neutraliteitsregel
206 208 209
st
` HOOFDSTUK 4: Hoe wordt een metaalbinding gevormd? 218
of d
4.1 De metaalbinding 4.2 Verklaring van de eigenschappen van metalen
218 220
` HOOFDSTUK 5: Welk belang en voorkomen hebben
fh o
enkelvoudige stoffen? 5.1 Niet-metalen 5.2 Metalen
222 222 226
pr oe
THEMASYNTHESE 228 CHECKLIST
229
PORTFOLIO
CHECK IT OUT
230
AAN DE SLAG
231
OEFEN OP DIDDIT
LABO’S
8
236
STEM-VAARDIGHEDEN (VADEMECUM) METROLOGIE
•
Grafieken tekenen
• NW-stappenplan
Formules omvormen • Vraagstukken oplossen • Grafieken lezen
uk
•
©
OPLOSSINGSSTRATEGIE
N
STAPPENPLANNEN
VA
Grootheden en eenheden • Machten van 10 en voorvoegsels • Eenheden omzetten • Nauwkeurig meten • Afrondingsregels • Formularium
IN
•
Te kennen elementen/symbolen • Groepsnamen en periodenummers • Index en coëfficiënt • Reagentia en reactieproducten
of d
•
st
CHEMISCHE CONVENTIES / HET PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN
LABO’S
fh o
• Labomaterialen
• Labotechnieken
• Veiligheidsvoorschriften •
H- en P-zinnen
pr oe
SOORTEN BINDINGEN SCHEIDINGSTECHNIEKEN
9
Notities
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
10
STARTEN MET GENIE
CHECK IN
CHECK IN
Safety first!
In de CHECK IN maak je kennis
Wat op school gebeurt in een labo, doet de industrie op grote
schaal. Ze gebruiken en stockeren chemische stoffen volgens de
richtlijnen die vanuit de overheid worden opgelegd. Hoewel er heel wat veiligheidsmaatregelen zijn, loopt er toch
met het onderwerp van het thema.
soms iets mis. Zo ontplofte in 1976 in Italië een
chemische fabriek en kwamen er giftige dampen In de video zie je hoe de ramp kon gebeuren en welke lessen eruit getrokken werden.
BEKIJK DE VIDEO
In het kadertje onderaan vind
De overheid houdt een overzicht bij van alle bedrijven in België die gevaarlijke stoffen produceren, behandelen of transformeren: de Sevesobedrijven.
je een aantal vragen die je op
Scan de QR-code en zoek via de website op welke Sevesobedrijven bij jou in de buurt liggen. Noteer ze hier. OPEN DE WEBSITE
2
het einde van het thema kunt
De vier grootste gevaren voor de bevolking in de directe omgeving van een Sevesobedrijf zijn vastgelegd in vier veiligheidspictogrammen. Welke van de onderstaande pictogrammen zijn dat?
beantwoorden.
Ga op zoek op de website en kruis aan.
` Wie of wat moet je beschermen?
` Welke veiligheidspictogrammen kun je in een labo op school terugvinden? ` Welke veiligheidsmaatregelen moet je in een labo op school respecteren?
THEMA 01
houden? Waarom zijn die producten zo gevaarlijk en hoe kunnen we dat gevaar beter inschatten?
merken dat je al wat kennis
CHECK IN
hebt over het onderwerp
uk
597485_GENIE CHEMIE KOV 3_1_THEMA 1.indd 20
OPDRACHT 1
Welke gevaren loop jij bij je thuis?
In de verkenfase zul je
In het labo is het ook belangrijk om op te letten tijdens het uitvoeren van een proef.
20
Hoe gevaarlijk zijn huishoudproducten?
©
?
VERKEN
Waarom wordt er in reclame over huishoudproducten vermeld dat je ze buiten het bereik van kinderen moet
VERKEN
N
in het nabijgelegen stadje Seveso terecht.
1
IN
Opbouw van een thema
VA
1
23/06/2021 12:43
1
Je leerkracht laat vijf chemische producten zien die je ook thuis kunt terugvinden, bijvoorbeeld producten om te poetsen, om te wassen of af te wassen, te koken, te tuinieren of jezelf te verzorgen. Bekijk de producten en de etiketten aandachtig.
2
Beantwoord de vragen. a
Welke pictogrammen vind je terug op de verpakkingen? Zet telkens een kruisje onder het pictogram per keer dat je het tegenkomt op een verpakking.
dat in het thema aan bod komt. Jouw voorkennis
bewust omgaan met stoffen en hun gevaren en zo een veilige omgeving creëren.
Je leert nu:
de veiligheidsmaatregelen in een labo kennen en juist toepassen; de meest gebruikte labomaterialen benoemen en hun functie beschrijven;
een chemisch etiket lezen en naar de betekenis handelen; de veiligheidspictogrammen interpreteren en bespreken;
de werking en het nut van H- en P-zinnen interpreteren en bespreken;
extra (veiligheids)materialen
of voorwerpen terugvinden die je niet in een ander klaslokaal
ziet. Ze zorgen ervoor dat je kunt werken in een veilige omgeving. Raadpleeg zeker altijd het
reglement vóór het uitvoeren van een labo, zodat je altijd veilig te werk kunt gaan.
1.1 Het gebruikte veiligheidsmateriaal
OPDRACHT 2
Hoe ziet mijn labolokaal eruit? 1
19
20/05/2021 12:58
Na het activeren van de voorkennis volgen een aantal hoofdstukken.
In het labo kun je heel wat
fh o
de onderdelen van een verslag begrijpen en toepassen.
VERKEN
DE HOOFDSTUKKEN
de gevaren inschatten bij het werken met chemische producten; jezelf en je omgeving beschermen voor gevaren;
THEMA 01
597489-Genie-Ch3-Th1.indd 19
of d
Je kunt al:
producteigen
pictogrammen
st
HOOFDSTUK 1
Waarmee moet je rekening houden in een labo? LEERDOELEN
andere
wordt hier geactiveerd.
Loop rond in het labolokaal en kruis aan welke materialen je ziet.
Een thema bestaat uit meerdere hoofdstukken. Doorheen de hoofdstukken
verwerf je de nodige kennis en vaardigheden om uiteindelijk een antwoord te geven op de centrale vraag of het probleem uit de CHECK IN.
Ontbreekt er iets? Vul dan gerust het lijstje aan. EHBO-kistje
beschermende kledij:
gaskranen
brandblusser met
branddeken
handblusser
nooddouche oogdouche trekkast
aparte eilanden
labojas, labobril, handschoenen
label: A/B/C/D/E/F
waterkranen noodstop aangepast tafelblad
pr oe
THEMASYNTHESE
de algemene regels CONTRACT
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
597489-Genie-Ch3-Th1.indd 21
Als leerling verbind ik mij ertoe om de volgende regels altijd toe te passen in het labo. Bij fouten tegen deze regels weet ik dat er gevolgen zijn voor mijn veiligheid en die van anderen rondom mij.
21
Ik draag steeds het juiste beschermingsmateriaal op de juiste manier: labojas dichtgeknoopt, veiligheidsbril op de neus, handschoenen indien nodig. Losse haren bind ik samen.
Mijn labotafel is altijd ordelijk.
In het labo houd ik de doorgang vrij en leg ik alle onnodige materialen, zoals mijn boekentas, op de daartoe voorziene plaats.
20/05/2021 12:58
Ik gedraag me steeds rustig, blijf zo veel mogelijk aan mijn werkbank en speel niet in het labo. Ik neem geen materialen of stoffen mee uit het labo. Eten of drinken doe ik niet in een labolokaal.
Als er iets misloopt, haal ik er meteen de leerkracht bij.
de betekenis van H- en P-zinnen
SYNTHESE EN CHECKLIST
Ik giet een gebruikte stof nooit terug in de fles, maar verwerk ze als afval.
Wanneer ik aan een stof ruik, doe ik dat steeds op de correcte manier, door te wuiven.
Klaar met de proef? Dan maak ik alles schoon, berg alles correct op en was mijn handen grondig.
de naam en toepassingen van het labomateriaal
Ik kom steeds goed voorbereid naar het practicum.
CHECKLIST
Ik ken de brandprocedure en weet hoe ik moet reageren bij brand.
Als leerling van deze klas verklaar ik me tijdens een labo altijd te houden aan de bovenstaande regels. Ik respecteer de extra maatregelen die in mijn school genomen worden.
JA
NOG OEFENEN
H- EN P-ZINNEN
1 Begripskennis • Ik kan de algemene regels binnen een labo opsommen.
We vatten de kern van het thema voor je samen
• Ik kan de verschillende veiligheidsmaterialen in een lokaal benoemen en de functie bespreken.
• Ik kan de verschillende onderdelen van een chemisch etiket herkennen en de informatie gebruiken om veilig te werken in een labo.
• Ik herken de veiligheidspictogrammen en weet hoe ernaar te handelen.
in de hoofdstuksynthese en themasynthese.
• Ik kan de H- en P-zinnen opzoeken, interpreteren en ernaar handelen. • Ik weet hoe een labo veilig verloopt. ` Je kunt deze checklist ook op
Datum,
Naam en handtekening,
LABOMATERIALEN
zie p. 34
om veilig in een labo te werken ken/kan ik:
invullen bij je Portfolio.
de basishandelingen
Vervolgens willen we graag dat je vorderingen
de veiligheidspictogrammen
maakt en dat je reflecteert op je taken en leert
uit feedback. De checklist is een hulpmiddel om zelf zicht te krijgen of je de leerdoelen al dan niet onder de knie hebt.
BEKIJK DE KENNISCLIP
het laboverloop
het chemisch etiket lezen
THEMA 01
597485_GENIE CHEMIE KOV 3_1_THEMA 1.indd 35
36
THEMA 01
THEMASYNTHESE
35
23/06/2021 12:43
CHECKLIST
597485_GENIE CHEMIE KOV 3_1_THEMA 1.indd 36
23/06/2021 12:45
STARTEN MET GENIE
11
CHECK IT OUT
CHECK IT OUT
Safety first!
In CHECK IT OUT pas je de vergaarde kennis en vaardigheden
Bekijk de tekening en bespreek wat er misloopt in het labo. Waarom is dat gevaarlijk?
toe om terug te koppelen naar de vragen uit de CHECK IN.
AAN DE SLAG
Tot welke brandklassen behoren de voorbeelden van branden die in een chemisch labo kunnen ontstaan? Welke brandblusser zou je gebruiken?
In het onderdeel Aan de slag 2
bewust bent van de gevaren. Door het stellen van regels en wetten, zoals de overheid doet voor Sevesobedrijven, blijven we mogelijke ongevallen een stapje voor.
doorheen de lessen.
37
23/06/2021 12:45
` Per thema vind je op
adaptieve
Geef aan of de zinnen H- of P-zinnen zijn.
Zin
H- of P-zin
Gevaar voor massa-explosie bij brand. Beschermende kledij dragen.
In contact met water komen ontvlambare gassen vrij die spontaan kunnen ontbranden. Schadelijk bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing. Koel bewaren.
Explosieveilige elektrische/ventilatie-/verlichtings-/... apparatuur gebruiken.
VA
jezelf, je klasgenoten, de leerkracht, het klaslokaal, de school ... Het is dan ook belangrijk dat je je
597485_GENIE CHEMIE KOV 3_1_THEMA 1.indd 37
olie in een oliebad
van het thema maakt of
In het labo moet je niet enkel rekening houden met de wijde omgeving, maar ook met gevaren voor
Brandblusser
N
milieu. In het labo houden we rekening met alle veiligheidspictogrammen.
CHECK IT OUT
alcohol
de oefeningen op het einde
de mogelijkheid tot ontploffing en brand, het vrijkomen van giftige dampen en de gevaren voor het
Brandklasse
het gas dat je gebruikt om je bunsenbrander aan te steken (aardgas)
Je leerkracht beslist of je
!
THEMA 01
Soort brand
natrium
kun je verder oefenen.
In Sevesobedrijven houdt de regering vooral toezicht op de gevaren voor de wijde omgeving:
IN
AAN DE SLAG
1
3
Welke veiligheidspictogrammen kun je linken aan de H- en P-zinnen? Zin
Bijbehorend pictogram
Giftig bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing.
Kan mogelijk de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden. Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.
Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.
Verwijderd houden van warmte/vonken/open vuur/ hete oppervlakken en andere ontstekingsbronnen. Niet roken.
©
oefenreeksen om te leerstof
Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsels.
verder in te oefenen.
THEMA 01
AAN DE SLAG
LABO Naam:
ONDERZOEK
klas:
nummer:
LABO’S
8
Metalen herkennen 1
Ga zelf op onderzoek! Op het einde van het leerschrift staan
Onderzoeksvraag
Hypothese
een aantal labo’s om verder experimenten uit te voeren.
TIP
Ik denk dat …
3
st
Op basis van welke eigenschappen kun je metalen van elkaar onderscheiden? 2
Scan de QR-code om je te helpen bij de hypothese.
EIGENSCHAPPEN METALEN
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
of d
Benodigdheden !
41
20/05/2021 12:59
uk
597489-Genie-Ch3-Th1.indd 41
Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal magneet
4
bunsenbrander kroestang
maatbeker
Stoffen
ijzer (Fe)
magnesiumlint (Mg) koper (Cu) lood (Pb) zink (Zn)
inox staal (legering van Fe) aluminium (Al)
1
kraantjeswater
Onderzoek welke metalen uit de lijst: a
b
aangetrokken worden door een magneet;
fh o
c
zinken in een maatbeker met water; roest vertonen;
H- en P-ZINNEN
2 onbekende metalen
Werkwijze
d e f
2
buigzaam zijn;
metaal
een bepaalde kleur hebben; Noteer je waarnemingen.
het vast al gehad over verschillende soorten bodems: kleibodems,
zandbodems, leembodems, of een
GEBRUIK BUNSENBRANDER
kroestang
snel ontvlammmen in de bunsenbrander.
WEETJE In de lessen aardrijkskunde heb je
combinatie daarvan. Om de
bodemsamenstelling te bepalen, maakt een bodemkundige onder
bunsenbrander
andere gebruik van een set zeven met een verschillende zeefopening.
Houd de stukjes metaal een voor een in de vlam van de bunsenbrander. Noteer je waarnemingen.
LABO
pr oe
597485_Genie CHEMIE KOV 3_1_LABOS.indd 245
ONDERZOEK 8
245
23/06/2021 12:57
Zo zijn kleikorrels kleiner dan 2 µm, leem zit tussen 2 en 50 µm en zandkorrels zijn groter dan 50 µm.
Even terug naar je prille jeugdjaren! Je hebt als kind misschien wel met
zand en water gespeeld. Zonder dat je het besefte, was je als toekomstig scheikundige mengsels aan het scheiden op het strand. Je gebruikte eenvoudige methodes die de stoffen niet veranderden.
In veel gevallen moeten we echter componenten scheiden met een nog veel
en de schelpen naar de bodem en kon je het water al grotendeels afgieten.
component, het filtraat, wel door te laten en de andere component, het
kleiner verschil in deeltjesgrootte. We kiezen dan voor de techniek van
filtreren. Een goed gekozen filter heeft net de juiste structuur om de ene
Allereerst liet je het emmertje even staan; op die manier zonken het zand Je liet het zand en de schelpen dus bezinken.
residu, tegen te houden.
De schelpjes uit het zand halen kon je met je handen. Je kon ze opzij leggen en sorteren per soort, door het verschillend uitzicht. De schelpjes waren
ook merkelijk groter dan de rest en je maakte gebruik van dat verschil in deeltjesgrootte om ze er makkelijk uit te pikken.
LEREN LEREN
Maar eens je alle schelpjes eruit gehaald had, merkte je ongetwijfeld dat er
staaf
nog onzuiverheden in het zand zaten. Omdat het verschil in deeltjesgrootte
tussen de componenten van je mengsel nu kleiner was, was het niet meer zo eenvoudig om die kleine dingetjes met de hand van het zand te scheiden. Je
speelgoedsetje zorgde waarschijnlijk voor de oplossing: door het mengsel te
filtreerpapier
zeven was je in staat om uiteindelijk zand in je emmertje te verkrijgen.
• In de linkermarge naast de theorie is er plaats om zelf
trechter residu
notities te maken. Noteren tijdens de les helpt je om de Door te sorteren kun je stoffen met gelijkaardige eigenschappen
leerstof actief te verwerken.
onderverdelen. Zeven is een eenvoudige techniek om een heterogeen
mengsel te scheiden. Die techniek steunt op een verschil in deeltjesgrootte maar de kleinere component(en) wel.
vind je alternatieve versies van de
• Op
vind je per themasynthese een kennisclip
themasynthese.
STARTEN MET GENIE
Afb. 15 Filtreren
WEETJE
Filtreren of filtratie is een eenvoudige scheidingstechniek om een heterogeen
Meer weten over grote zeven in de industrie?
mengsel te scheiden. Die techniek steunt op het verschil in deeltjesgrootte:
Bekijk dan de video.
waarin we alles voor jou nog eens op een rijtje zetten.
12
filtraat
tussen de twee componenten. De grotere korrels kunnen niet door de zeef,
• Op
mengsel van een vaste stof en een vloeistof
vaste korrels zijn immers groter dan vloeistof- of gasdeeltjes. De vaste korrels kunnen niet door de poriën van de filter, maar de vloeistof of het gas wel. De
vaste deeltjes die achterblijven, worden het residu genoemd. Wat door de filter
BEKIJK DE VIDEO
gaat, is het filtraat.
THEMA 02
597485_GENIE CHEMIE KOV 3_1_THEMA 2.indd 63
HOOFDSTUK 3
63
22/06/2021 09:58
2
Handig voor onderweg
In elk thema word je ondersteund met een aantal hulpmiddelen.
We zetten doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in deze rode kaders.
kennen.
Dat duiden we aan met
Je leerkracht zal je laten weten of de leerstof te
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Met GENIE ga je zelf experimenteren en op onderzoek. Daarbij moet je natuurlijk een aantal veiligheidsvoorschriften respecteren. Die vind je
.
studeren is of niet.
VA
terug in dit kader.
TIP
Een weetjeskader geeft extra verduidelijking of
In de tipkaders vind je handige tips terug bij het uitvoeren van de onderzoeken of opdrachten.
uk
illustreert de leerstof met een extra voorbeeld.
©
WEETJE
DOORDENKER
st
OPDRACHT 11
zijn niet voor alle leerlingen te
N
!
Bepaalde delen van de leerstof
IN
Kenniskader
Nood aan meer uitdaging? Doorheen een thema zijn er verschillende doordenkers.
of d
Niet altijd even makkelijk om op te lossen,
Moeilijke woorden worden uitgelegd in een woordenlijst op
.
Die woorden springen extra in het oog door de stippellijn.
fh o
maar het proberen waard!
WOORDENLIJST
Bij het onlinelesmateriaal vind je een vademecum.
Dat vademecum ̒GENIE in STEM-vaardigheden ̓ omvat:
• stappenplannen om een grafiek te maken, opstellingen correct te bouwen, metingen uit te voeren …;
pr oe
• stappenplannen om een goede onderzoeksvraag op te stellen, een hypothese te formuleren …; • een overzicht van gevarensymbolen en P- en H-zinnen; • een overzicht van grootheden en eenheden;
• een overzicht van labomateriaal en labotechnieken; • …
STARTEN MET GENIE
13
GENIE EN DIDDIT
Je kunt erin noteren, aantekeningen maken, zelf
• Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook
uk
voor jou oefeningen klaarzetten.
©
• De leerstof kun je inoefenen op jouw niveau.
VA
materiaal toevoegen ...
N
Een e-book is de digitale versie van het leerschrift.
IN
HET ONLINELEERPLATFORM BIJ GENIE
voor jou heeft klaargezet.
st
Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht
of d
Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.
Meer info over diddit vind je op https://www.vanin.diddit.be/nl/leerling.
fh o
Benieuwd hoever je al staat met oefenen en
opdrachten? Hier vind je een helder overzicht
pr oe
van je resultaten.
• Hier vind je het lesmateriaal per thema. • Alle instructiefilmpjes, kennisclips en demovideo’s zijn ook hier verzameld.
In de uitgave bieden we bovenop het beeldmateriaal verschillende
3D-beelden aan.
Denk maar aan een 3D-voorstelling van een deeltje glucose. Zo ervaar je wetenschappen op een heel nieuwe manier!
14
GENIE EN DIDDIT
DOWNLOAD 3D-APP
INLEIDING
WAT IS CHEMIE? De begrippen ‘chemie’ en ‘scheikunde’ worden weleens door elkaar gebruikt. In huis vind je heel wat ‘chemische’ producten. Maar wat betekent ‘chemie’
IN
nu eigenlijk?
Wanneer je Wikipedia raadpleegt, vind je voor de term chemie de volgende definitie:
N
‘Scheikunde of chemie is een natuurwetenschap die zich richt op de studie
van de samenstelling en bouw van stoffen, de chemische veranderingen die daaruit zijn af te leiden.’
VA
plaatsvinden onder bepaalde omstandigheden en de wetmatigheden die
Die definitie leert ons dat chemie en scheikunde eigenlijk synoniemen zijn. Al denk je bij de term scheikunde misschien eerder aan ‘de kunst van het
Chemie is sterk verwant met biologie en fysica. De takken van wetenschap die
biologie
chemie biochemie
• Biochemie onderzoekt onze stofwisselingsprocessen, voornamelijk bij moleculen van levende organismen.
• Fysicochemie verklaart verschillende mechanismen door
st
natuurwetenschappen
fysicochemie
uk
deze domeinen verbinden, zijn respectievelijk biochemie en fysicochemie.
fysica
biofysica
©
scheiden’.
onder andere de atoombouw te bestuderen.
of d
Het is dus belangrijk dat je niet te veel in termen van aparte (school)vakken
natuurwetenschappen
levende materie biologie
levenloze materie chemie
fysica
pr oe
fh o
denkt, maar steeds de linken tussen wetenschappen legt.
OPDRACHT 1
Waar denk jij aan bij het woord chemie? Vul de mindmap aan.
chemie
INLEIDING
15
OPDRACHT 2
Welke van deze afbeeldingen sluit(en) het dichtst aan bij jouw beeld van chemie? a Zet een kruisje bij de afbeelding(en). b Bespreek je keuze daarna met je buur en tracht samen te bepalen wie gelijk heeft. 2
3
5
6
8
9
of d
st
7
uk
©
4
VA
N
IN
1
11
12
pr oe
fh o
10
16
INLEIDING
OPDRACHT 3
Scan de code en laat je meenemen in de wereld van chemie. In het filmpje kwamen in een razendsnel tempo een aantal sectoren aan bod waarbij chemie een belangrijke rol speelt. We zetten ze even op een rijtje.
De geneesmiddelen- of farmaceutische industrie heeft een grote
impact op ons dagelijks leven. Op zonnige dagen smeer je bijvoorbeeld hoofdpijn of je bent misschien gevaccineerd tegen COVID-19. Landbouw en voeding
VA
zonnecrème om je huid te beschermen, je neemt een pijnstiller bij hevige
N
Geneeskunde
IN
BEKIJK DE VIDEO
Onze voeding doorloopt heel wat processen voor ze op ons bord ligt. De opbrengst van een oogst hangt namelijk meestal voor een groot
Bouwsector
uk
het rijpingsproces controleren enzovoort.
©
stuk af van chemische producten die de gewassen beschermen,
Iedereen wil het tijdens de koude wintermaanden lekker warm hebben
st
binnen. En dat kan! De chemische industrie levert niet alleen brandstoffen om je huis te verwarmen, maar ontwikkelt ook isolatiematerialen om de
Energie
of d
warmte binnen te houden.
Wist je dat het zoeken naar hernieuwbare energiebronnen ook onderdeel is van chemisch onderzoek? Misschien rijden we straks met zijn allen op
fh o
waterstof, geproduceerd via elektrolyse en gebruikt in brandstofcellen.
Verzorging en hygiëne
pr oe
De cosmetica- en parfumindustrie genereert wereldwijd een enorme
omzet. Ongetwijfeld gebruik je regelmatig shampoo, zeep, tandpasta, deodorant … Ook dat zijn creaties van de chemische sector. Met de
nieuwste ‘nanotechnologie’ worden producten voortdurend verbeterd. Textiel
Draag je een jeans of een T-shirt? De kans is groot dat je in feite
kunststoffen draagt, door de mens vervaardigd uit polymeren. Polymeren zijn lange moleculen opgebouwd uit kleine bouwsteentjes. Nylon is
bijvoorbeeld een polymeer en bestaat al sinds 1938. Ook het kleuren van textiel is een chemisch proces.
INLEIDING
17
Kunststoffen Naast polymeren (zoals nylon of polyester) gebruiken we nog honderden andere kunststoffen voor alledaagse voorwerpen. Het recycleren van die kunststoffen is een belangrijke sector in de chemie. Vele soorten kunststoffen zijn moeilijk afbreekbaar in de natuur. Gooi flesjes en
IN
dergelijke dus nooit zomaar weg in de natuur. Bij correcte inzameling maakt de chemiesector er misschien nog een zitbank van.
Vandaag staat de chemiesector voor zijn grootste uitdaging: duurzame en hernieuwbare materialen ontwikkelen en zoeken naar alternatieve ook zuiver water van het grootste belang voor de toekomst.
VA
bronnen van energie. Naast hernieuwbare en niet-vervuilende energie is
N
Milieubeheer
©
Chemie of scheikunde bracht dankzij onderzoek en ontdekkingen doorheen de tijd veel welvaart. De homo sapiens wist al dat hij met vuur voedsel kon
uk
garen. De Egyptenaren leerden ons de kunst van het metaal bewerken. Eeuwen later zou de kunststoffenindustrie zorgen voor kwalitatieve
en goedkope oplossingen, door zeldzame materialen te vervangen en
materialen te maken met verbeterde eigenschappen: denk maar aan de
st
composietmaterialen die de tandarts nu gebruikt; gouden tanden zijn niet meer van deze tijd.
of d
Chemische bedrijven hebben soms een slechte reputatie. Toch blijven we
gretig allerlei producten van de chemiesector gebruiken voor ons comfort:
auto’s, tv’s, computers, huishoudapparaten, wegwerpartikelen … We willen
pr oe
fh o
het mooiste fruit uit alle streken van de wereld, maar hebben tegelijkertijd
18
INLEIDING
ook een afkeer van insecticiden en bewaarmiddelen.
We worden inderdaad geconfronteerd met grote milieuproblemen. Niet alle
chemische bedrijven evolueren tot schone, duurzame ondernemingen. Maar alleen door chemie te bestuderen, zullen we deze kwesties beter begrijpen. De wetenschap kan ons helpen om onze problemen aan te pakken en welvarend te blijven leven.
Scheikunde en chemie zijn synoniemen. Chemie speelt een belangrijke rol in ons leven en onze maatschappij. Geneeskunde, landbouw en voeding, bouw,
energie, verzorging en hygiëne, kunststoffen en milieubeheer zijn allemaal in mindere of meerdere mate chemische sectoren.
HOE WERK JE VEILIG IN EEN LABO?
THEMA 01
20
VERKEN
21
` HOOFDSTUK 1: Waarmee moet je rekening houden
in een labo?
N
23
VA
Het gebruikte veiligheidsmateriaal Het chemisch etiket Soorten labomateriaal Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een laboproef? De algemene veiligheidsregels binnen een labo
23 26 29 33 34
©
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
IN
CHECK IN
` HOOFDSTUK 2: Hoe pas je enkele vaak gebruikte THEMASYNTHESE
PORTFOLIO
st
CHECKLIST
uk
labotechnieken toe?
35 36
of d
CHECK IT OUT 37 AAN DE SLAG 38
pr oe
fh o
OEFEN OP DIDDIT
19
CHECK IN
Safety first! Wat op school gebeurt in een labo, doet de industrie op grote
schaal. Ze gebruiken en stockeren chemische stoffen volgens de
richtlijnen die vanuit de overheid worden opgelegd. Hoewel er heel wat veiligheidsmaatregelen zijn, loopt er toch
soms iets mis. Zo ontplofte in 1976 in Italië een in het nabijgelegen stadje Seveso terecht.
In de video zie je hoe de ramp kon gebeuren
BEKIJK DE VIDEO
N
en welke lessen eruit getrokken werden.
IN
chemische fabriek en kwamen er giftige dampen
De overheid houdt een overzicht bij van alle bedrijven in België die gevaarlijke stoffen produceren, behandelen of
VA
transformeren: de Sevesobedrijven.
1 Scan de QR-code en zoek via de website op welke Sevesobedrijven bij jou in de buurt liggen. Noteer ze hier.
©
OPEN DE WEBSITE
uk
2 De vier grootste gevaren voor de bevolking in de directe omgeving van een Sevesobedrijf zijn vastgelegd in vier veiligheidspictogrammen. Welke van de onderstaande pictogrammen zijn dat?
pr oe
fh o
of d
st
Ga op zoek op de website en kruis aan.
In het labo is het ook belangrijk om op te letten tijdens het uitvoeren van een proef.
` Wie of wat moet je beschermen?
` Welke veiligheidspictogrammen kun je in een labo op school terugvinden? ` Welke veiligheidsmaatregelen moet je in een labo op school respecteren?
20
THEMA 01
CHECK IN
?
VERKEN
Hoe gevaarlijk zijn huishoudproducten? OPDRACHT 1
IN
Welke gevaren loop jij bij je thuis? Waarom wordt er in reclame over huishoudproducten vermeld dat je ze buiten het bereik van kinderen moet
st
uk
©
VA
N
houden? Waarom zijn die producten zo gevaarlijk en hoe kunnen we dat gevaar beter inschatten?
1 Je leerkracht laat vijf chemische producten zien die je ook thuis kunt terugvinden, bijvoorbeeld producten om te
of d
poetsen, om te wassen of af te wassen, te koken, te tuinieren of jezelf te verzorgen. Bekijk de producten en de etiketten aandachtig.
2 Beantwoord de vragen.
pr oe
fh o
a Welke pictogrammen vind je terug op de verpakkingen? Zet telkens een kruisje onder het pictogram per keer dat je het tegenkomt op een verpakking.
andere
producteigen
pictogrammen
THEMA 01
VERKEN
21
b Op het etiket lees je niet alleen de ingrediënten van het product, je vindt er ook terug wat er mis kan lopen bij fout gebruik. Geef per product één voorbeeld van wat er mis kan gaan. 1
2 3 4
IN
5
TIP
N
Lees altijd goed de etiketten en veiligheidspictogrammen van een product. De producten die je in huis gebruikt, kunnen gevaarlijker zijn dan je denkt. Kijk maar wat er met de ontstopper gebeurt in de video.
VA
Om het etiket leesbaar te houden, is het belangrijk om tijdens het gieten het etiket naar je handpalm te richten. Zo kunnen eventuele druppels niet op het etiket terechtkomen en het etiket onleesbaar maken.
BEKIJK DE VIDEO
©
c Vaak zorgen de producenten ook voor een veilige sluiting, een kinderslot genoemd. Hoeveel van de producten die je bekijkt hebben een speciale dop of deksel?
uk
st
WEETJE
Dikwijls lees je op een verpakking ook iets over het
of d
Antigifcentrum. Dat is een dienst die je kunt bellen
als er iets misgelopen is met een product. Zij kunnen
pr oe
fh o
je vertellen hoe je dan het best reageert.
22
THEMA 01
VERKEN
Het gratis nummer voor het Antigifcentrum is 070 245 245. Je kunt ook steeds terecht op hun website.
GA NAAR DE WEBSITE
HOOFDSTUK 1
IN
Waarmee moet je rekening houden in een labo? LEERDOELEN Je kunt al:
L bewust omgaan met stoffen en hun gevaren en zo een veilige omgeving creëren.
Je leert nu:
VA
L jezelf en je omgeving beschermen voor gevaren;
L de veiligheidsmaatregelen in een labo kennen en juist toepassen;
In het labo kun je heel wat
©
L de meest gebruikte labomaterialen benoemen en hun functie
N
L de gevaren inschatten bij het werken met chemische producten;
beschrijven;
uk
L een chemisch etiket lezen en naar de betekenis handelen; L de veiligheidspictogrammen interpreteren en bespreken;
L de werking en het nut van H- en P-zinnen interpreteren en
st
bespreken;
extra (veiligheids)materialen
of voorwerpen terugvinden die je niet in een ander klaslokaal
ziet. Ze zorgen ervoor dat je kunt werken in een veilige omgeving. Raadpleeg zeker altijd het
reglement vóór het uitvoeren van
L de onderdelen van een verslag begrijpen en toepassen.
een labo, zodat je altijd veilig te
of d
werk kunt gaan.
fh o
1.1 Het gebruikte veiligheidsmateriaal
OPDRACHT 2
Hoe ziet mijn labolokaal eruit?
pr oe
1 Loop rond in het labolokaal en kruis aan welke materialen je ziet. Ontbreekt er iets? Vul dan gerust het lijstje aan.
EHBO-kistje
beschermende kledij:
gaskranen
brandblusser met
branddeken
handblusser
nooddouche oogdouche trekkast
aparte eilanden
labojas, labobril, handschoenen
label: A/B/C/D/E/F
waterkranen noodstop aangepast tafelblad
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
23
Afb. 4 Branddeken en brandblusser
Afb. 5 Trekkast
Afb. 3 Nooddouche
IN
Afb. 2 Oogdouche
VA
N
Afb. 1 EHBO-kistje
Afb. 6 Beschermende kledij
OPDRACHT 3
st
Hoe blus je veilig een brand?
uk
©
2 Overloop met je leerkracht de toepassingen of het gebruik van de materialen die je hebt teruggevonden.
1 Aan welke drie voorwaarden moet voldaan zijn opdat een brand kan ontstaan?
pr oe
fh o
of d
Overleg met je klasgenoten. Vul de branddriehoek aan.
24
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
VUUR
2 Bekijk het filmpje over de soorten brandblussers en hun toepassingen.
BEKIJK DE VIDEO
Vul de tabel aan. Brandend materiaal
Te gebruiken brandblussers
©
uk
of d
st
N
IN
VA
Brandklasse
3 Welke aspecten van de branddriehoek neem je weg als je een brandblusser gebruikt?
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Er zijn ook foute blusmethodes. Zo kan het blussen van een vetbrand met water resulteren in vuurspatten en steekvlammen.
pr oe
!
fh o
Denk dus goed na voor je aan het blussen gaat. Een vetbrand moet je altijd blussen met een vochtige doek.
FOUTE BLUSMETHODE
JUISTE BLUSMETHODE
Er zijn verschillende materialen in een labolokaal, elk met hun eigen
gebruiksaanwijzing. Bij twijfel over correct gebruik spreek je de leerkracht aan.
` Maak oefening 1.
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
25
1.2 Het chemisch etiket
Op een chemisch product zit een etiket, net als bij een voedingsproduct. Op
een fles cola vind je bijvoorbeeld de hoeveelheid suikers of vetten. Voor een chemisch product hebben we meer specifieke informatie nodig. Het etiket
IN
geeft dan de richtlijnen weer die aangeven hoe je veilig kunt werken met de stof.
vinden is.
of d
st
NaOH
uk
Natriumhydroxide
Afb. 7 Chemisch etiket
WGK 1
Mr: 40
pr oe
Op een etiket kun je ook de WGK-code terugvinden. Die geeft aan hoe gevaarlijk een stof is als je ze zou lozen in de gootsteen. ‘WGK’ is een Duitse afkorting die je in het Nederlands kunt vertalen als ‘watergevarenklassen’. In het labo moeten we gevaarlijke stoffen dus apart inzamelen.
26
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
CAS 1310-73-2
Gevaar
H314 veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel P 280.1+3-301+330+331-305+338 Beschermende handschoenen en oogbescherming dragen. NA INSLIKKEN: de mond spoelen. GEEN braken opwekken. BIJ CONTACT MET DE OGEN: voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten; contactlenzen verwijderen indien mogelijk; blijven spoelen.
fh o
Veiligheidspictogrammen zijn universeel, je vindt ze ook terug in andere landen. Dat kan omdat ze visueel zijn, je hoeft de taal niet te spreken om de symbolen te kunnen begrijpen.
©
VA
Elke chemische stof heeft zowel een naam als een formule. Op het etiket kun je de beide terugvinden, evenals een referentienummer (CAS) waaronder je de stof in elke databank terugvindt.
N
Bekijk op afbeelding 7 wat er allemaal op een chemisch etiket terug te
Signaalwoorden geven in het kort aan wat het grootste gevaar van de stof is. H- en P-zinnen zijn zinnen die aangeven wat de gevaren zijn van het werken met een stof, of welke voorzorgsmaatregelen je moet nemen.
OPDRACHT 4
Waarvoor staan de letters H en P op een chemisch etiket? 1 Zoek op het internet op waarvoor de letter H staat in H-zinnen. a Noteer de Engelse term:
b Vertaal die term naar het Nederlands:
2 Zoek op het internet op waarvoor de letter P staat in P-zinnen. a Noteer de Engelse term:
VA
b Vertaal die term naar het Nederlands:
N
Kan irritatie aan de luchtwegen veroorzaken Niet in de buurt van een vlam brengen Op een koude plaats bewaren
IN
c Welke van de volgende zinnen geeft een gevaar weer en zou dus een H-zin kunnen zijn?
Kan irritatie aan de luchtwegen veroorzaken Niet in de buurt van een vlam brengen Op een koude plaats bewaren
©
c Welke van de volgende zinnen geeft een veiligheidsmaatregel weer en zou dus een P-zin kunnen zijn?
3 Scan de QR-code en ontdek de betekenis van alle H- en P-zinnen.
uk
H- EN P-ZINNEN
OPDRACHT 5
st
Wat betekenen de chemische veiligheidspictogrammen? Kies uit:
of d
Vul de tabel aan door de correcte benaming te linken aan het veiligheidspictogram en de verklaring.
corrosieve of bijtende stof – giftige stof – houder onder druk – lange termijn gezondheidsgevaarlijk – ontplofbare of explosieve stof – ontvlambare stof – oxiderende of brand bevorderende stof –
fh o
schadelijke stof – schadelijk voor het (aquatische) milieu Betekenis
Verklaring
Dit zijn explosieve stoffen. Ze kunnen op verschillende manieren tot
pr oe
1
Betekenis
2
Verklaring
ontploffing gebracht worden.
Deze stoffen worden onder een verhoogde druk opgeslagen.
Betekenis
Verklaring
Deze stoffen zijn giftig, de manier van opname kan verschillen. Zo
3
kun je de stof via de huid binnenkrijgen, via de neus ...
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
27
Betekenis 4 Verklaring
Deze stoffen bevorderen brand.
Verklaring
Deze stoffen zijn schadelijk voor het milieu en moeten na gebruik
Verklaring
Betekenis 7
Betekenis
Deze stoffen zullen in de nabijheid van een vlam snel ontbranden.
of d
8
Verklaring
fh o
Betekenis
9
pr oe
Verklaring
Deze stof brengt een gevaar met zich mee, bekijk de H- en P-zinnen voor verduidelijking.
Deze stoffen veroorzaken schade op lange termijn
(kankerverwekkend, giftig, beïnvloeden de vruchtbaarheid ...).
Het is belangrijk om een chemisch etiket te kunnen lezen. Zo kun je ook veilig omgaan met de stof.
Op het etiket kun je de volgende onderdelen terugvinden: naam en formule van de stof, veiligheidspictogrammen, signaalwoorden, H- en P-zinnen, WGK-code.
` Maak oefening 2 en 3.
28
THEMA 01
N
Deze bijtende stof kan ernstige brandwonden veroorzaken.
st
Verklaring
VA
6
op de correcte manier verwerkt worden.
©
Betekenis
uk
5
IN
Betekenis
HOOFDSTUK 1
1.3 Soorten labomateriaal
In het labo vind je heel wat soorten materialen die je nodig hebt om proeven uit te voeren. Het is belangrijk dat je weet over welk materiaal er gesproken wordt tijdens een labo. Daarom moet je de namen van de labomaterialen
IN
goed kennen. OPDRACHT 6
N
Wat zijn de namen van de meest gebruikte labomaterialen?
1 Hieronder zie je het meestgebruikte materialen in een chemielokaal. Noteer de juiste naam van het
VA
labomateriaal bij de afbeelding. Kies uit:
afzuigerlenmeyer – balans – büchnertrechter – bunsenbrander – buret – draadnet – driepikkel –
dubbele noot – erlenmeyer – gegradueerde pipet – horlogeglas – kookkolf – kroestang – liebigkoeler – maatbeker – maatcilinder – maatkolf – mortier en stamper – petrischaal – pijpaardendriehoek –
©
pipetzuiger – pipetteerballon – proefbuis – proefbuisborstel – proefbuisklem – scheitrechter – spatel – spuitfles – statief – statiefklem – statiefring – thermometer – toestel van Hoffman – trechter –
pr oe
fh o
of d
st
uk
verbrandingskroes – verbrandingslepel – vigreuxkolom – volpipet – weegschuit
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
29
IN
VA
N
st
uk
©
pr oe
fh o
of d
30
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
IN
VA
N
of d
pr oe
fh o
st
uk
©
2 Ontdek via de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal de verschillende materialen en hun toepassing.
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
31
Een olifant weeg je niet met een keukenweegschaal, een scheutje azijn
meet je niet af met een emmer. Om een zo precies mogelijke meting te
doen, neem je een meetinstrument dat zo nauw mogelijk aansluit bij de
hoeveelheid (kwantiteit) die je nodig hebt. Net daarom zijn er maatcilinders en maatkolven beschikbaar in verschillende groottes, die telkens zeer
precies gegradueerd zijn. Om een welbepaald volume vloeistof precies te
meten gebruiken we geen maatbekers of erlenmeyers, maar wel maatkolven. Maatkolven hebben slechts één maatstreepje, maar zijn het meest precieze
N
juiste maatkolf te kiezen (100 ml, 250 ml, 500 ml, 1 l …).
IN
glaswerk om één bepaald volume vloeistof af te meten. Het is aan jou om de
Om een labo correct en veilig uit te voeren, moet je de namen en de
toepassingen van labomaterialen kennen. Laat de keuze van het materiaal
VA
afhangen van de hoeveelheid stof die je nodig hebt en kies het juiste materiaal.
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
` Maak oefening 4.
32
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
1.4 Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een laboproef?
Om een labo correct uit te voeren, moet je je voldoende voorbereiden voor de start. Tijdens het labo moet je alles goed noteren, nadien schrijf je een
IN
duidelijk verslag. We zetten alles op een rijtje.
• Onderzoeksvraag formuleren
• Hypothese stellen indien mogelijk
N
1 Voor de start van het labo:
• Nagaan of je alle materialen herkent
VA
• Veiligheid van de chemische producten bekijken/opzoeken • Nalezen en de werkwijze begrijpen
2 Tijdens het labo:
©
• Nagaan welke waarnemingen je zeker moet noteren
uk
• Alle benodigdheden nemen
• Proefopstelling maken indien nodig • Uitvoeren werkwijze
• Waarnemingen noteren
of d
st
• Opruimen
3 Na het labo:
• Chemisch afval verwijderen volgens opgelegde richtlijnen
pr oe
fh o
• Berekeningen maken • Besluiten trekken
• Kijken of je besluit overeenstemt met je eventuele hypothese • Reflecteren over je eigen labowerk, je resultaten en je voorbereiding
• Verslag inleveren
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
33
1.5 De algemene veiligheidsregels binnen een labo
OPDRACHT 7
1 Waarom is een laboreglement belangrijk en wat houdt het in? Bekijk het filmpje. 2 Om te werken in een labo moet je vertrekken van goede afspraken. Die maak je samen met je leerkracht in een contract. Lees het contract. Vul aan met de schoolgebonden
BEKIJK DE VIDEO
CONTRACT
VA
N
regels en onderteken het voor akkoord.
IN
Hoe ga je veilig te werk?
Als leerling verbind ik mij ertoe om de volgende regels altijd toe te passen in het labo. Bij fouten tegen deze regels weet ik dat er gevolgen zijn voor mijn veiligheid en die van anderen rondom mij.
uk
Losse haren bind ik samen.
©
Ik draag steeds het juiste beschermingsmateriaal op de juiste manier: labojas dichtgeknoopt, veiligheidsbril op de neus, handschoenen indien nodig. Mijn labotafel is altijd ordelijk.
st
In het labo houd ik de doorgang vrij en leg ik alle onnodige materialen, zoals mijn boekentas, op de daartoe voorziene plaats.
of d
Ik gedraag me steeds rustig, blijf zo veel mogelijk aan mijn werkbank en speel niet in het labo. Ik neem geen materialen of stoffen mee uit het labo. Eten of drinken doe ik niet in een labolokaal.
fh o
Als er iets misloopt, haal ik er meteen de leerkracht bij.
Ik giet een gebruikte stof nooit terug in de fles, maar verwerk ze als afval.
pr oe
Wanneer ik aan een stof ruik, doe ik dat steeds op de correcte manier, door te wuiven.
Klaar met de proef? Dan maak ik alles schoon, berg alles correct op en was mijn handen grondig. Ik kom steeds goed voorbereid naar het practicum.
Ik ken de brandprocedure en weet hoe ik moet reageren bij brand.
Als leerling van deze klas verklaar ik me tijdens een labo altijd te houden aan de bovenstaande regels. Ik respecteer de extra maatregelen die in mijn school genomen worden. Datum,
34
THEMA 01
HOOFDSTUK 1
Naam en handtekening,
THEMASYNTHESE
de algemene regels CONTRACT Als leerling verbind ik mij ertoe om de volgende regels altijd toe te passen in het labo. Bij fouten tegen deze regels weet ik dat er gevolgen zijn voor mijn veiligheid en die van anderen rondom mij.
Ik draag steeds het juiste beschermingsmateriaal op de juiste manier: labojas dichtgeknoopt, veiligheidsbril op de neus, handschoenen indien nodig. Losse haren bind ik samen.
IN
Mijn labotafel is altijd ordelijk.
In het labo houd ik de doorgang vrij en leg ik alle onnodige materialen, zoals mijn boekentas, op de daartoe voorziene plaats.
Ik gedraag me steeds rustig, blijf zo veel mogelijk aan mijn werkbank en speel niet in het labo. Ik neem geen materialen of stoffen mee uit het labo.
Als er iets misloopt, haal ik er meteen de leerkracht bij.
de betekenis van H- en P-zinnen
Ik giet een gebruikte stof nooit terug in de fles, maar verwerk ze als afval.
Wanneer ik aan een stof ruik, doe ik dat steeds op de correcte manier, door te wuiven.
Ik kom steeds goed voorbereid naar het practicum.
de naam en toepassingen van het labomateriaal
VA
Klaar met de proef? Dan maak ik alles schoon, berg alles correct op en was mijn handen grondig.
N
Eten of drinken doe ik niet in een labolokaal.
Ik ken de brandprocedure en weet hoe ik moet reageren bij brand.
Als leerling van deze klas verklaar ik me tijdens een labo altijd te houden aan de bovenstaande regels. Ik respecteer de extra maatregelen die in mijn school genomen worden.
©
Naam en handtekening,
uk
H- EN P-ZINNEN
Datum,
LABOMATERIALEN
zie p. 34
of d
st
om veilig in een labo te werken ken/kan ik:
de veiligheidspictogrammen
pr oe
fh o
de basishandelingen
BEKIJK DE KENNISCLIP
het laboverloop
het chemisch etiket lezen
THEMA 01
THEMASYNTHESE
35
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis • Ik kan de algemene regels binnen een labo opsommen. functie bespreken.
• Ik kan de verschillende onderdelen van een chemisch etiket herkennen en de informatie gebruiken om veilig te werken in een labo.
• Ik herken de veiligheidspictogrammen en weet hoe ernaar te handelen.
• Ik kan de H- en P-zinnen opzoeken, interpreteren en ernaar handelen.
invullen bij je Portfolio.
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
VA
` Je kunt deze checklist ook op
N
• Ik weet hoe een labo veilig verloopt.
IN
• Ik kan de verschillende veiligheidsmaterialen in een lokaal benoemen en de
36
THEMA 01
CHECKLIST
CHECK IT OUT
Safety first!
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
VA
N
IN
Bekijk de tekening en bespreek wat er misloopt in het labo. Waarom is dat gevaarlijk?
!
In Sevesobedrijven houdt de regering vooral toezicht op de gevaren voor de wijde omgeving:
de mogelijkheid tot ontploffing en brand, het vrijkomen van giftige dampen en de gevaren voor het milieu. In het labo houden we rekening met alle veiligheidspictogrammen.
In het labo moet je niet enkel rekening houden met de wijde omgeving, maar ook met gevaren voor jezelf, je klasgenoten, de leerkracht, het klaslokaal, de school ... Het is dan ook belangrijk dat je je bewust bent van de gevaren. Door het stellen van regels en wetten, zoals de overheid doet voor Sevesobedrijven, blijven we mogelijke ongevallen een stapje voor.
THEMA 01
CHECK IT OUT
37
AAN DE SLAG
Tot welke brandklassen behoren de voorbeelden van branden die in een chemisch labo kunnen ontstaan? Welke brandblusser zou je gebruiken?
Brandklasse
natrium het gas dat je gebruikt om je bunsenbrander aan te steken (aardgas)
2
olie in een oliebad
Zin
Gevaar voor massa-explosie bij brand. Beschermende kledij dragen.
Geef aan of de zinnen H- of P-zinnen zijn.
©
alcohol
Brandblusser
IN
Soort brand
N
1
VA
uk
In contact met water komen ontvlambare gassen vrij die spontaan kunnen ontbranden. Koel bewaren.
Explosieveilige elektrische/ventilatie-/verlichtings-/... apparatuur gebruiken.
of d
3
st
Schadelijk bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing.
Welke veiligheidspictogrammen kun je linken aan de H- en P-zinnen? Zin
fh o
Giftig bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing.
Kan mogelijk de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden.
pr oe
Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken. Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.
Verwijderd houden van warmte/vonken/open vuur/ hete oppervlakken en andere ontstekingsbronnen. Niet roken. Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsels.
38
THEMA 01
AAN DE SLAG
Bijbehorend pictogram
H- of P-zin
4
Welke labomaterialen zou je gebruiken om …
a te voorkomen dat je morst tijden het mengen van vloeistoffen?
b exact 10 ml van een vloeistof te nemen?
IN
c damp te condenseren naar een vloeistof?
d vaste fosfor te verbranden boven een bunsenbrander? e vloeistof te koken boven een bunsenbrander?
VA
N
f een verbrandingskroes boven een bunsenbrander te houden?
.
pr oe
fh o
of d
st
` Verder oefenen? Ga naar
uk
©
g een proefbuis boven een bunsenbrander te houden?
THEMA 01
AAN DE SLAG
39
Notities
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
40
THEMA 01
ZUIVERE STOFFEN EN MENGSELS
THEMA 02
42
VERKEN
43
IN
CHECK IN
` HOOFDSTUK 1: Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar? 45
VA
N
1.1 Wat betekent de term ‘stofeigenschap’? 45 48 1.2 Stofeigenschap: massadichtheid 1.3 Stofeigenschappen: kook- en smeltpunt 51 Hoofdstuksynthese 52
` HOOFDSTUK 2: Is het een zuivere stof of een mengsel?
53
53 2.1 Onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels 2.2 Soorten mengsels 55
uk
©
A Homogeen versus heterogeen B Homogene mengsels of oplossingen C Heterogene mengsels
55 56 57
Hoofdstuksynthese 60
` HOOFDSTUK 3: Hoe kunnen we een mengsel van
st
stoffen scheiden?
61
fh o
of d
3.1 Scheidingstechnieken 61 3.2 Sorteren, zeven en filteren 62 3.3 Decanteren 64 3.4 Centrifugeren 65 3.5 Indampen 66 67 3.6 Destilleren Hoofdstuksynthese 70 71
CHECKLIST
73
pr oe
THEMASYNTHESE PORTFOLIO
CHECK IT OUT
74
AAN DE SLAG
75
OEFEN OP DIDDIT
41
CHECK IN
Kun jij ook toveren? Uitdaging! Houd met deze reeks van experimentjes je ouders, broer of zus voor de gek. een glas
een handvol kiezelsteentjes een pak keukenzout water
N
IN
WAT HEB JE NODIG?
Stap 1 Neem een glas uit de kast en vul het tot aan de rand met kiezelsteentjes.
Is het glas helemaal vol? Als je die vraag stelt, krijg je als antwoord
©
vast: ‘ja, hoor’.
VA
HOE GA JE TE WERK?
Stap 2
uk
Neem een pakje keukenzout uit de kast en probeer of je nog zout kunt toevoegen aan het glas.
st
Je zult merken dat er nog heel wat keukenzout in het glas kan toegevoegd worden. De zoutkorrels gaan de ruimte die er nog restte tussen de grotere kiezelsteentjes
of d
immers opvullen. In het glas zit nu een mengsel van keukenzout en kiezelsteentjes. Is het glas nu helemaal vol? Opnieuw zal je publiek waarschijnlijk ‘ja’ antwoorden. Stap 3
Probeer vervolgens om water toe te voegen aan het glas met de kiezelsteentjes en
fh o
het keukenzout.
Gelukt? Dan was het glas dus toch niet vol. Een deel van het keukenzout is ook opgelost in het water. Je hebt nu het glas gevuld met verschillende soorten stoffen, een mengsel van
pr oe
stoffen.
Alles gelukt? Prima!
Nu komt het moeilijke werk: zou je de stoffen terug van elkaar kunnen scheiden?
Met enige kennis van mengsels en de nodige scheidingstechnieken moet dat zeker lukken.
` Welke mengsels zijn er? ` Welke scheidingstechnieken gebruiken we om de stoffen terug van elkaar te scheiden? We zoeken het uit!
42
THEMA 02
CHECK IN
?
VERKEN
Materie, voorwerp of stof? Het woord stof speelt een centrale rol in de chemie. Een chemicus maakt
dan ook een duidelijk onderscheid tussen een voorwerp en een stof. Chemie
houdt zich namelijk niet bezig met het bestuderen van voorwerpen, maar wel en alles wat niet leeft (aarde, water, lucht …) is opgebouwd. Ken jij het verschil tussen een stof en een voorwerp nog? OPDRACHT 1
N
Vul de tabel aan.
IN
met de studie van stoffen waaruit alles wat leeft (mens, dier, plant …)
VA
Het Van Dale-woordenboek geeft verschillende definities voor het woord ‘glas’. Is glas nu een stof of een voorwerp?
Betekenis 'glas' Je hebt gezocht op het woord: glas. glas (het; o; meervoud: glazen; verkleinwoord: glaasje)
1 doorzichtige harde stof
2 glazen plaat = ruit: zijn eigen glazen ingooien, zijn eigen zaak bederven
3 glazen beker: een glas wijn; te diep in het glaasje kijken, zich bedrinken
uk
©
stof
voorwerp
stof
voorwerp
stof
voorwerp
pr oe
fh o
of d
voorwerp is gemaakt.
st
Het woord ‘glas’ kan dus zowel verwijzen naar het voorwerp waaruit we drinken, als naar de stof waaruit dat
Wanneer ‘glas’ duidt op een voorwerp, wordt het meestal gebruikt als een
verzamelnaam van stoffen: een raam bevat niet alleen de stof glas, maar ook een aluminium kader. Voor chemici is het raam een voorwerp en zijn glas en aluminium de stoffen of de materialen waaruit het raam is opgebouwd.
THEMA 02
VERKEN
43
OPDRACHT 2
Herken het verschil tussen een stof en een voorwerp. Kijk eens rond in het klaslokaal en noteer enkele voorwerpen en stoffen. Voorwerp
Stof
IN
N
VA
Een voorwerp is opgebouwd uit stoffen.
©
De verzameling van alle stoffen in de natuur wordt materie genoemd.
uk
OPDRACHT 3
Wat is het verschil tussen materie, voorwerp en stof?
st
Vul de begrippen in het schema aan.
of d
materie – voorwerp – stof
BAKSTENEN
pr oe
fh o
44
THEMA 02
VERKEN
KLEI
WATER
HUIS
HOOFDSTUK 1
IN
Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar? LEERDOELEN Je kunt al: L het verschil tussen materie,
L uitleggen wat stofeigenschappen
Suiker en zout herken je misschien door de vorm en de grootte
N
Je leert nu:
Stoffen kunnen verschillende eigenschappen hebben.
L de begrippen aggregatietoestand, massadichtheid, smeltpunt,
kookpunt, deeltjesgrootte van een stof kennen;
van stofeigenschappen.
van de kristallen. In je eigen keuken kun je de stof zelfs proeven, als je zeker bent dat het om eetbare stoffen gaat.
Kortom, door je zintuigen te gebruiken, zijn er al heel wat
eigenschappen op basis waarvan je informatie kunt afleiden over de identiteit van de stof.
Maar wat als je je zintuigen niet mag gebruiken? Wat als het niet gaat over eetbare stoffen? In een chemisch labo is proeven niet
toegestaan! Je zou een giftige stof kunnen aanraken of inslikken. Ook ruiken gebeurt op een veilige manier. Maar zo wordt het natuurlijk moeilijker om stoffen te onderscheiden.
st
L stoffen onderscheiden op basis
VA
voorwerpeigenschappen);
van elkaar onderscheiden door eraan te ruiken.
©
zijn (en ze onderscheiden van
Zo kun je thuis een glas met azijn en een glas gevuld met water
uk
voorwerp en stof toelichten.
fh o
of d
1.1 Wat betekent de term ‘stofeigenschap’?
OPDRACHT 4
Je kent het verschil tussen een voorwerp en een stof, maar
kunnen we stoffen ook onderling onderscheiden van elkaar?
Vergelijk olijfolie met water.
Op basis van welke eigenschappen maak je hier een onderscheid
pr oe
tussen de olijfolie en het water? • •
Meng nu beide vloeistoffen en noteer je waarneming. •
THEMA 02
HOOFDSTUK 1
45
Je hebt al enkele eigenschappen gebruikt om stoffen van elkaar te
onderscheiden. Zo kun je olijfolie van water onderscheiden op basis van
kleur, stroperigheid (viscositeit), oplosbaarheid in water ... Zoals hierboven beschreven, kon je azijn dan weer van water onderscheiden door zijn kenmerkende geur.
Onderscheid de stoffen op basis van hun eigenschappen. 1 Noteer in de tweede kolom de stoffen die je in de eerste kolom ziet. Kies uit:
2
3
of d
4
fh o
5
pr oe
6
7
46
THEMA 02
HOOFDSTUK 1
©
Op basis van deze eigenschap(pen)
uk
1
Stof
st
Afbeelding
VA
2 Noteer in de derde kolom de eigenschappen die je tot dat besluit brachten.
N
bloem – goud – koper – olijfolie – plastic (pvc) – suiker – water
IN
OPDRACHT 5
Om stoffen te herkennen heb je gebruikgemaakt van eigenschappen:
• Je hebt gekeken naar de aggregatietoestand van de stof. Zo zijn sommige stoffen immers vloeibaar bij kamertemperatuur en andere stoffen vast.
Lucht bestaat voornamelijk uit gasvormige stoffen bij kamertemperatuur.
• Een metaal (zoals zilver, goud) onderscheid je van glas of plastic door zijn typische glans.
IN
• Maar je hebt misschien ook gebruikgemaakt van de verdelingsgraad (de fijnheid van de korrels) van bloem ten opzichte van de
verdelingsgraad van suiker om die van elkaar te onderscheiden.
We maken dan ook een onderscheid tussen twee soorten eigenschappen: = voorwerpeigenschappen
2 Eigenschappen die typisch (eigen) zijn aan een welbepaalde stof = stofeigenschappen
VA
Afb. 8
N
1 Eigenschappen die afhangen van het voorwerp (en dus veranderlijk zijn)
Voorwerpen kunnen uit een of meerdere stoffen bestaan.
©
Stoffen hebben eigenschappen of kenmerken die bij de stof horen en niet veranderen. Dat noemen we onveranderlijke eigenschappen of
uk
stofeigenschappen. Voorbeelden van stofeigenschappen zijn glans, verdelingsgraad, aggregatietoestand.
st
OPDRACHT 6
of d
Gaat het om voorwerp- of stofeigenschappen? 1 Zet een kruisje bij het juiste type eigenschap.
Voorwerpeigenschap
Stofeigenschap
fh o
Er bestaan blauwe, groene, gele, rode, paarse … legoblokken.
Water is gasvormig boven 100 °C, vloeibaar bij kamertemperatuur en vast onder 0 °C.
Suiker lost goed op in water, maar olie blijft drijven op water.
pr oe
Mijn bril heeft een ronde vorm, de zonnebril van mijn buur is eerder hoekig.
2 Kun je de stofeigenschappen uit vraag 1 ook benoemen? Som op wat je weet.
THEMA 02
HOOFDSTUK 1
47
Voor een chemicus zijn het uiteraard de stofeigenschappen die van belang
WEETJE
zijn. Je maakte in de voorbije studiejaren, bij verschillende vakken, al kennis
Voor de drie aggregatie-
met stofeigenschappen zoals aggregatietoestand en glans.
toestanden worden de afkortingen v (vast), vl
(vloeistof) en g (gas) gebruikt. Vaak worden echter ook de
AfAfkorting in het korting in het NederEngels lands
vloeistof
vl
gas
g
er licht op invalt. Zo hebben metalen (goud, zilver, koper …) een typische glans.
s (solid)
l (liquid) g (gas)
N
v
De stofeigenschap glans geeft weer of een stof een zachte schittering heeft als
We bekijken nu nog enkele andere stofeigenschappen. Sommigen daarvan zul je ook nog in het vak fysica tegenkomen, of ben je misschien al eerder
VA
vast
welbepaalde temperatuur voorkomt: vast, vloeibaar of gasvormig.
tegengekomen in de lessen natuurwetenschappen of STEM.
uk
1.2 Stofeigenschap: massadichtheid
©
Aggregatietoestand
De stofeigenschap aggregatietoestand is de vorm waarin een stof bij een
IN
Engelse afkortingen gebruikt.
Twee voorwerpen met hetzelfde volume hebben niet noodzakelijk dezelfde massa: een liter water weegt immers meer dan een liter lucht. Twee
voorwerpen met dezelfde massa hebben ook niet noodzakelijk eenzelfde
st
volume: 1 kg pluimen en een 1 kg lood wegen evenveel, maar het volume
OPDRACHT 7
of d
pluimen zal natuurlijk groter zijn.
Ken je deze grootheden en eenheden nog? Net als in fysica zijn er bij chemie grootheden en eenheden die je nodig hebt om berekeningen uit te voeren.
fh o
Vul de tabel aan.
Grootheid
volume
pr oe
massa
48
THEMA 02
HOOFDSTUK 1
Symbool
SI-eenheid
Symbool
Massa en volume zijn twee voorwerpeigenschappen: ze verschillen immers naargelang het voorwerp. Een goudstaaf heeft een grotere massa en een
groter volume dan een gouden ring, hoewel het bij beide over de stof goud gaat.
Massadichtheid is niets anders dan de hoeveelheid massa per volume-
eenheid. Hoe meer deeltjes in hetzelfde volume voorkomen (hoe groter de massa), hoe groter de massadichtheid (zie afbeelding 9).
En dit is dan weer wél typisch voor een welbepaalde stof: het is een
kleine massadichtheid
Afb. 9 Demonstratie van verschil in massadichtheid tussen twee voorwerpen door de massa te vergelijken voor hetzelfde volume
©
VA
N
grote massadichtheid
IN
stofeigenschap.
uk
Deze nieuwe grootheid, massadichtheid, heeft dus ook weer haar eigen symbool en eenheid:
Symbool - formule
st
Grootheid
of d
massadichtheid
t=
m V
SI-eenheid
Symbool
kilogram per
kg m3
kubieke meter
TIP
pr oe
fh o
Denk aan je omzettingen! Zo is de eenheid
g kg = 10-3 3 cm m3
en 1 liter = 1 dm3 en 1 m3 = 1 000 dm3 = 1000 l WEETJE Wil je nog dieper ingaan op de formule? Bekijk dan de video.
BEKIJK DE VIDEO
Als je olijfolie en water samenbrengt in een proefbuis, merk je dat die stoffen niet mengen, maar twee laagjes vormen. De twee stoffen lossen immers niet
op in elkaar. Maar als gevolg van een verschil in massadichtheid zal één stof gaan bovendrijven, namelijk de stof met de kleinste massadichtheid. Een mooie cocktail maken steunt volledig op de eigenschap van
massadichtheid. Verschillende dranken hebben een verschillende massadichtheid en vormen dus mooie laagjes in je glas.
THEMA 02
HOOFDSTUK 1
49
OPDRACHT 8
Vergelijk twee stoffen (bij kamertemperatuur) binnen één rij en vul de tabel aan.
(drankalcohol)
water
0,789 1,0
kwik
13,55
zeewater
1,03
glazen knikker
olie
melk
glycerine
OPDRACHT 9 ONDERZOEK
Aluminium zinkt in water. Aluminium drijft in water.
IN
ethanol
aluminium
2,70
De knikker zinkt in alcohol. De knikker drijft in alcohol.
2,2-2,6
De olielaag zit boven de waterlaag.
0,75-0,95
1,03
1,26
Gevolg (vink aan wat past)
t1 ••• t2 (vul in: >, <, =)
N
1,0
kg t .103 3 m
De olielaag zit onder de
VA
water
Stof 2
waterlaag.
De kwiklaag zit boven de melklaag.
uk
kg t .103 3 m
De kwiklaag zit onder de melklaag.
De laag glycerine zit boven de laag zeewater.
De laag glycerine zit onder de laag zeewater.
st
Stof 1
Massadichtheid
©
Massadichtheid
of d
Onderzoek nu zelf hoe je de massadichtheid van stoffen kunt bepalen.
pr oe
fh o
Voer het virtueel labo rond massadichtheid uit. Je vindt het op p. 237.
50
THEMA 02
HOOFDSTUK 1
De stofeigenschap massadichtheid geeft de verhouding weer tussen de
massa van een stof en het volume dat die stof inneemt bij een bepaalde temperatuur. Ook die stofeigenschap is specifiek en eigen aan de stof.
onderscheiden op basis van hun
massadichtheid, je kunt ook gebruikmaken van hun kookpunt en hun smeltpunt.
N
IN
condenseren stollen
vast onder het smeltpunt is een stof meestal in de vaste fase.
smelten
SMELTPUNT
vloeibaar tussen het smeltpunt en het kookpunt is een stof meestal in de vloeibare fase.
Je kunt stoffen niet alleen van elkaar sublimeren
VA
Afb. 10 Smeltpunt en kookpunt als scheidingslijn
OPDRACHT 10
Vul de tabel aan.
kwik koper zilver water ethanol
2 750
–38,83 1 084 962
keukenzout zwavel
2 808 357
2 570 2 155
–114
78
113
445
fh o
(drankalcohol)
1538
1 064
801
uk
ijzer
2 467
st
goud
660
of d
aluminium
1 465
Aggregatietoestand bij 1 000 °C
Aggregatietoestand bij 20 °C
Aggregatietoestand bij 0 °C
Kookpunt Ɵk(°C)
©
Smeltpunt ƟS(°C)
Stof
pr oe
KOOKPUNT
gasvormig boven het kookpunt is een stof meestal in de gasfase.
verdampen
sublimeren
1.3 Stofeigenschappen: kook- en smeltpunt
Het kookpunt van een stof is de temperatuur waarbij de stof overgaat van de vloeibare fase naar de gasvormige fase.
Het smeltpunt van een stof is de temperatuur waarbij de stof overgaat van de vaste fase naar de vloeibare fase.
` Maak oefening 1.
THEMA 02
HOOFDSTUK 1
51
HOOFDSTUKSYNTHESE
Maak een mindmap over dit hoofdstuk. We komen aan het einde van dit hoofdstuk, dus wordt het tijd dat je even samenvat wat je daaruit moet kennen. Om je op weg te helpen, noteerden we alvast het basisbegrip uit dit thema: stofeigenschap.
st
uk
©
VA
N
IN
Probeer nu zelf een mindmap rond dat begrip te maken.
pr oe
fh o
of d
STOFEIGENSCHAP
52
THEMA 02
SYNTHESE HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2
IN
Is het een zuivere stof of een mengsel? LEERDOELEN Je kunt al:
We hebben het in het vorige hoofdstuk
N
L stoffen van elkaar onderscheiden op basis van
gehad over stofeigenschappen en
stofeigenschappen.
hoe je dus stoffen van elkaar kunt
Je leert nu:
VA
onderscheiden. Maar eigenlijk hadden
we het daar steeds over hoe je zuivere
L een definitie geven voor het begrip zuivere stof; L een definitie geven voor het begrip mengsel;
L zuivere stoffen en mengsels van elkaar onderscheiden;
In dit hoofdstuk gaan we nu ook mengsels van stoffen bekijken.
Sommige van die mengsels hebben
©
L het onderscheid maken tussen homogene en heterogene
stoffen van elkaar kunt onderscheiden.
mengsels;
L mengsels benoemen als rook, nevel, oplossing, schuim,
st
suspensie, emulsie, aerosol of legering.
al horen waaien: ‘rook’, ‘schuim’ …
uk
L mengsels classificeren als homogeen of heterogeen mengsel;
een specifieke naam, en heb je vast
We onderzoeken eerst het onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels en bekijken vervolgens elk type mengsel eens van dichterbij.
fh o
OPDRACHT 11
of d
2.1 Onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels
Markeer wat volgens een chemicus een zuivere stof is. ijzer
pr oe
goud
leidingwater
lucht
zuurstofgas
Lucht bestaat eigenlijk uit een verzameling van stoffen, zoals N2 (stikstofgas), O2 (zuurstofgas), CO2 (koolstofdioxide), waterdamp, roetdeeltjes …
Ook in het leidingwater dat wij drinken, zit meer dan alleen maar (zuiver) water. Net zoals in flessenwater trouwens: kijk maar eens op het etiket (afbeelding 11). Als we het in de lessen chemie over water hebben, bedoelen we dus de zuivere stof water!
Afb. 11 Etiket flessenwater
THEMA 02
HOOFDSTUK 2
53
WEETJE Is het je al opgevallen dat je leerkracht tijdens een proef geen
leidingwater, maar gedemineraliseerd water gebruikt? Zoals de term al aangeeft, zijn verschillende mineralen uit het water verwijderd,
waardoor de graad van zuiverheid verhoogt. Op die manier verkleint hebben op de reactie.
IN
je leerkracht het risico dat andere stoffen in het water een invloed
Je leerkracht kan ook kiezen voor gedestilleerd water. Dat water is nog zuiverder; dankzij de scheidingstechniek destillatie zijn nog meer onzuiverheden uit het water verwijderd. Het wordt vaak gebruikt in het dagelijks leven, bv. voor het navullen
N
van loodaccu’s of in strijkijzers om kalkvrij stoom te produceren (alhoewel dat met gedemineraliseerd
VA
water ook prima werkt).
Wil je meer weten over het verschil tussen zuiver water en kraantjeswater? Bekijk dan de video.
BEKIJK DE VIDEO
Zoals je hebt geleerd in de eerste graad, wordt een verzameling van
©
verschillende stoffen een mengsel genoemd. Een mengsel bevat dus twee of
uk
meer stoffen, die we bestanddelen of componenten noemen.
Een (zuivere) stof wordt gekenmerkt door welbepaalde waarden voor een hele reeks stofeigenschappen (smeltpunt, kookpunt, massadichtheid …)
st
Bij een zuivere stof zijn die waarden constant en karakteristiek (typisch voor de stof).
Bij een mengsel van zuivere stoffen zullen de eigenschappen zoals kookpunt,
of d
smeltpunt, massadichtheid ... afhankelijk zijn van de samenstelling van het mengsel.
pr oe
fh o
` Maak oefening 2.
WEETJE Kookpunt versus kooktraject Een zuivere stof heeft een constant, vast kookpunt: tijdens het koken blijft de temperatuur constant.
Een mengsel wordt gekenmerkt door een kooktraject: tijdens het koken verandert de temperatuur. temperatuur (°C)
temperatuur (°C)
g
g
vl + g
kooktraject
kookpunt vl
vl zuivere stof (bv. demiwater)
54
THEMA 02
HOOFDSTUK 2
vl + g
Grafiek 1 Zuivere stof met vast kookpunt
mengsel (bv. zout + water) tijd (s)
Grafiek 2 Mengsel met kooktraject
tijd (s)
2.2 Soorten mengsels
Soms zie je aan een mengsel dat het bestaat uit meerdere componenten: we spreken dan over een heterogeen mengsel. Soms kun je de componenten
IN
A
niet meer onderscheiden: we spreken dan over een homogeen mengsel.
Homogeen versus heterogeen
N
OPDRACHT 12 DEMO
Welke soorten mengsels worden gevormd?
VA
Je leerkracht plaatst vier erlenmeyers op tafel. In elke erlenmeyer zit 20 ml zuiver water.
Aan erlenmeyer 1 wordt zand toegevoegd, aan erlenmeyer 2 zout, aan erlenmeyer 3 olijfolie en aan erlenmeyer 4 alcohol. De twee stoffen worden lichtjes gemengd, waarna ze op de tafel geplaatst worden.
Erlenmeyer 1: water + zand Lost op / Lost niet op
Erlenmeyer 2: water + zout
Lost op / Lost niet op
Lost op / Lost niet op
Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee
uk
Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee Erlenmeyer 3: water + olijfolie
©
1 Noteer je waarnemingen. Schrap wat niet past.
Lost op / Lost niet op
Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee
st
Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee
Erlenmeyer 4: water + alcohol
2 Breng de vier mengsels onder in de juiste groep.
pr oe
fh o
Voorbeeld
of d
Homogeen mengsel
Heterogeen mengsel
Uit opdracht 12 kunnen we besluiten dat je na het mengen soms nog steeds de verschillende componenten van het mengsel ziet, maar soms ook niet.
Op basis van je waarnemingen kun je de mengsels in twee groepen indelen: homogene mengsels: slechts één soort component te zien; heterogene mengsels: verschillende soorten componenten te zien.
THEMA 02
HOOFDSTUK 2
55
B
Homogene mengsels of oplossingen
OPDRACHT 13
Geef enkele voorbeelden van homogene mengsels Vul de tabel aan. Probeer van elke combinatie een voorbeeld te geven. Aggregatietoestand component 1
Aggregatietoestand component 2
v
v
brons (een mengsel van koper en tin)
vl
g
g
uk
g
N
vl
vl
VA
vl
©
v
Voorbeeld
IN
Homogene mengsels kunnen onderverdeeld worden naar de aggregatietoestand van hun componenten.
Een ander woord voor homogene mengsels is oplossingen (waarbij nog het
onderscheid vaste, vloeibare en gasvormige oplossingen wordt gemaakt). Een homogeen mengsel van twee metalen heeft nog een specifiekere naam: dat
pr oe
fh o
of d
st
noemen we een legering.
Afb. 12 Het beeld van Manneke Pis is uit brons vervaardigd. Brons is een legering van koper en tin.
Homogene mengsels of oplossingen zijn mengsels waarin je de verschillende componenten niet meer van elkaar kunt onderscheiden met het blote oog. Een homogeen mengsel van twee vaste metalen wordt een legering genoemd.
56
THEMA 02
HOOFDSTUK 2
C
Heterogene mengsels
Heterogene mengsels zijn mengsels waarin je de verschillende componenten met het blote oog kunt onderscheiden. In tegenstelling tot homogene
mengsels, hebben de heterogene mengsels allemaal een specifieke naam.
Bij die naamgeving hangt de indeling samen met de aggregatietoestand van
IN
de opgeloste stof in het oplosmiddel (= stof die overheerst). OPDRACHT 14
Aggregatietoestand opgeloste stof
1
3
pr oe
suspensie
emulsie
st
mist
uk
2
fh o
schuim
roetdeeltjes boven een kampvuur
of d
nevel
©
Aggregatietoestand oplosmiddel (= stof die overheerst)
VA
Voorbeeld
Specifieke naam van het heterogene mengsel rook
N
Vul de tabel aan.
opgeklopt eiwit 4
een aardbeiensmoothie 5
een vinaigrette (van olie en azijn) voor op een slaatje
THEMA 02
HOOFDSTUK 2
57
In opdracht 14 merk je dat verschillende soorten heterogene mengsels bestaan die we in een volgend schema kunnen weergeven:
nevel
schuim
suspensie
emulsie
v
g
vl
g
in:
g v
vl
vl
IN
Oplosmiddel
vl
vl
N
rook
Opgeloste stof
Heterogene mengsels zijn mengsels waarin je de verschillende componenten kunt onderscheiden met het blote oog.
VA
• Rook is een heterogeen mengsel dat ontstaat bij verbranding. Rook bestaat uit vaste deeltjes, verdeeld in een oplosmiddel in de gasfase.
• Nevel is de specifieke naam voor een heterogeen mengsel van
vloeistofdeeltjes in een gasfase. Net als bij rook is de gasfase hier het oplosmiddel.
©
• Schuim is de naam voor een heterogeen mengsel van gasdeeltjes in een
vloeistoffase. We zien hier het tegenovergestelde van een nevel: bij schuim
uk
is de vloeistoffase het oplosmiddel, terwijl bij een nevel de gasfase het oplosmiddel is.
• Je spreekt van een suspensie als vaste deeltjes te onderscheiden zijn in een vloeistof.
st
• Een emulsie ten slotte, is een combinatie van twee te onderscheiden
of d
vloeistoffen.
pr oe
fh o
WEETJE
Om een heterogeen mengsel van
vloeistoffen (die moeilijk in elkaar oplossen) om te zetten in een
meer homogeen geheel, wordt een emulgator toegevoegd. Zonder emulgator gaat het
mengsel spontaan ontmengen. Zo wordt bijvoorbeeld eigeel
toegevoegd als emulgator voor de
bereiding van mayonaise (water in olie).
Meer weten over emulsies? Bekijk dan de video. BEKIJK DE VIDEO
58
THEMA 02
HOOFDSTUK 2
Nu wordt het moeilijker: je hebt vast al weleens het woord aerosol horen
vallen. Was je als kind vaak verkouden of moest je vaak hoesten? Dan zou het kunnen dat je ‘aan de aerosol’ moest. Ook mensen met astma moeten vaak hun puffer bovenhalen.
Een aerosol is een heterogeen mengsel waarin de opgeloste fase een vaste stof, vloeistof of combinatie van beide is en het oplosmiddel een gas
OPDRACHT 15
IN
(meestal lucht).
Afb. 13 Aerosol
DOORDENKER
schuim
suspensie
emulsie
g
vl
VA
nevel
v
g
in:
g v
vl
vl
vl
vl
©
Oplosmiddel
uk
rook
Opgeloste stof
N
Bekijk opnieuw het schema op p. 58 en markeer wat onder de noemer ‘aerosol’ valt.
WEETJE
st
Smog in India en het effect van de maatregelen tegen
of d
COVID-19 in maart 2020 Door de grote hoeveelheid voertuigen (die vaak nog erg vervuilend zijn) in
India, zitten er ongelooflijk
Afb. 14 oktober 2019 vs. april 2020, New Delhi
fh o
veel microscopisch
kleine deeltjes fijn stof
in de lucht. Men noemt dat ‘smog’ (smoke + fog = rook + nevel). Dat is niet alleen heel vervelend als je de monumenten in New Delhi wilt bekijken, maar vooral erg schadelijk voor de gezondheid. De stofdeeltjes
pr oe
kunnen zich immers in de longen en andere organen nestelen en schade toebrengen.
De maatregelen die India in maart 2020 invoerde om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan (sluiten van markten, fabrieken en winkels; stilleggen van het openbaar vervoer), hadden een enorme
positieve impact op de luchtkwaliteit van het land. Uit metingen bleek dat de hoeveelheid fijn stof in de lucht met maar liefst 71 % was gedaald.
Het begrip aerosol is een verzamelnaam voor heterogene mengsels van vaste stoffen of vloeistoffen in een gas. De begrippen rook en nevel zijn dus beide voorbeelden van aerosols.
` Maak oefening 3 t/m 6.
THEMA 02
HOOFDSTUK 2
59
HOOFDSTUKSYNTHESE
Maak een mindmap over dit hoofdstuk. Om je op weg te helpen, noteerden we alvast enkele begrippen uit dit thema. Probeer nu zelf een mindmap rond die begrippen aan te vullen.
IN
MATERIE
MENGSEL
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
homogeen mengsel
VA
N
ZUIVERE STOF
60
THEMA 02
SYNTHESE HOOFDSTUK 2
heterogeen mengsel
HOOFDSTUK 3
IN
Hoe kunnen we een mengsel van stoffen scheiden? LEERDOELEN Je kunt al:
L een verdere onderverdeling maken binnen de homogene en heterogene mengsels.
L voor een mengsel een geschikte scheidingstechniek voorstellen;
L uitleggen wat een scheidingstechniek is;
L de principes zeven, filtreren, decanteren, centrifugeren,
Dat betekent letterlijk: ‘de kunst
om te scheiden’. De leerstof voor
dit vak omvat uiteraard veel meer, maar we beginnen met inzoomen
op het scheiden. We bekijken welke
scheidingstechnieken er zijn, waarop ze gebaseerd zijn en wanneer je ze kunt toepassen.
of d
st
indampen en destilleren beschrijven.
in een oudere benaming: scheikunde.
uk
L voor de geschikte scheidingstechniek verklaren op welke eigenschap de scheiding gebaseerd is;
Het vak dat je nu volgt is chemie, of
©
Je leert nu:
VA
L mengsels onderverdelen in heterogeen/homogeen;
N
L mengsels onderscheiden van zuivere stoffen;
pr oe
fh o
3.1 Scheidingstechnieken
Elk soort mengsel heeft een eigen scheidingstechniek. Als je thuis pasta hebt gekookt en die afgiet door een vergiet, dan ben je aan het scheiden: via het
vergiet scheid je pasta van het water. Je baseert je daarbij op het verschil in aggregatietoestand tussen de pasta en het water.
Scheiden is het tegenovergestelde van mengen. De methodes die we gebruiken om mengsels te scheiden in hun afzonderlijke componenten steunen op verschillen in stofeigenschappen.
We gaan dieper in op enkele scheidingstechnieken: sorteren, zeven, filtreren, decanteren, centrifugeren, indampen en destilleren.
Uiteraard bestaan er nog meer scheidingstechnieken, die mogelijk tijdens een ander labo met je leerkracht verder aan bod komen.
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
61
OPDRACHT 16 ONDERZOEK Voer het labo rond scheidingstechnieken uit. Je vindt het op p. 241.
IN
3.2 Sorteren, zeven en filteren
Even terug naar je prille jeugdjaren! Je hebt als kind misschien wel met
N
zand en water gespeeld. Zonder dat je het besefte, was je als toekomstig scheikundige mengsels aan het scheiden op het strand. Je gebruikte
VA
eenvoudige methodes die de stoffen niet veranderden.
Allereerst liet je het emmertje even staan; op die manier zonken het zand
en de schelpen naar de bodem en kon je het water al grotendeels afgieten. Je liet het zand en de schelpen dus bezinken.
©
De schelpjes uit het zand halen kon je met je handen. Je kon ze opzij leggen en sorteren per soort, door het verschillend uitzicht. De schelpjes waren
ook merkelijk groter dan de rest en je maakte gebruik van dat verschil in
uk
deeltjesgrootte om ze er makkelijk uit te pikken.
Maar eens je alle schelpjes eruit gehaald had, merkte je ongetwijfeld dat er
nog onzuiverheden in het zand zaten. Omdat het verschil in deeltjesgrootte
st
tussen de componenten van je mengsel nu kleiner was, was het niet meer zo eenvoudig om die kleine dingetjes met de hand van het zand te scheiden. Je
speelgoedsetje zorgde waarschijnlijk voor de oplossing: door het mengsel te
pr oe
fh o
of d
zeven was je in staat om uiteindelijk zand in je emmertje te verkrijgen. Door te sorteren kun je stoffen met gelijkaardige eigenschappen
onderverdelen. Zeven is een eenvoudige techniek om een heterogeen
mengsel te scheiden. Die techniek steunt op een verschil in deeltjesgrootte tussen de twee componenten. De grotere korrels kunnen niet door de zeef, maar de kleinere component(en) wel.
WEETJE Meer weten over grote zeven in de industrie? Bekijk dan de video.
BEKIJK DE VIDEO
62
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
WEETJE In de lessen aardrijkskunde heb je
het vast al gehad over verschillende soorten bodems: kleibodems,
zandbodems, leembodems, of een combinatie daarvan. Om de
bodemsamenstelling te bepalen,
IN
maakt een bodemkundige onder
andere gebruik van een set zeven met een verschillende zeefopening. Zo zijn kleikorrels kleiner dan 2 µm, leem zit tussen 2 en 50 µm en
N
zandkorrels zijn groter dan 50 µm.
VA
In veel gevallen moeten we echter componenten scheiden met een nog veel kleiner verschil in deeltjesgrootte. We kiezen dan voor de techniek van
filtreren. Een goed gekozen filter heeft net de juiste structuur om de ene component, het filtraat, wel door te laten en de andere component, het
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
residu, tegen te houden.
mengsel van een vaste stof en een vloeistof
staaf
filtreerpapier trechter residu
filtraat
Afb. 15 Filtreren
Filtreren of filtratie is een eenvoudige scheidingstechniek om een heterogeen mengsel te scheiden. Die techniek steunt op het verschil in deeltjesgrootte:
vaste korrels zijn immers groter dan vloeistof- of gasdeeltjes. De vaste korrels kunnen niet door de poriën van de filter, maar de vloeistof of het gas wel. De
vaste deeltjes die achterblijven, worden het residu genoemd. Wat door de filter gaat, is het filtraat.
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
63
WEETJE Filtreren met mondmaskers (vl-g) Filtreren of filteren gebeurt met vaste stoffen en vloeistoffen, maar ook met gassen. Denk maar aan het dragen van mondmaskers om
vochtdeeltjes die mogelijke virussen meedragen, te
coronavirus beschermden mensen overal ter wereld
Afb. 16
KOOLSTOFFILTER
HEPA-FILTER
©
VOORFILTER
VA
N
zich met een dergelijk ‘filtermasker’.
IN
scheiden van de ingeademde lucht. Tegen het zeer besmettelijke
Ook het regelmatig reinigen van bv. de filters in
uk
je huis (dampkap, droogkast, ventilatiesysteem ...)
is uiteraard erg belangrijk; zo blijven de filters hun
werk doen en ongewenste deeltjes scheiden van de
st
rest.
Meer weten over filtratie in de industrie?
BEKIJK DE VIDEO
fh o
of d
Bekijk dan de video.
pr oe
3.3 Decanteren
Tijdens een filtratie bekom je zowel de vloeistof als de vaste stof uit het
heterogene mengsel. Een variant daarop is het decanteren (of afschenken). Bij die techniek gebruik je geen filter. Door de vloeistof voorzichtig af te
gieten, worden beide fasen van elkaar gescheiden. Dat er twee (of meer)
lagen gevormd worden, die je van elkaar kunt scheiden door af te gieten, komt door het verschil in massadichtheid van de componenten.
De afzonderlijke componenten (of fasen) zullen niet even zuiver zijn als bij Afb. 17 Decanteren van wijn
64
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
een filtratie, maar misschien volstaat het resultaat wel voor jou. Een extra filtratie achteraf is nog altijd een mogelijkheid.
Misschien heb je al van deze techniek gehoord bij het schenken van rode
wijn? De vaste deeltjes zinken naar de bodem en door de wijn voorzichtig te schenken (decanteren) blijven de vaste deeltjes achter in de wijnfles. Decanteren is een scheidingstechniek om een heterogeen mengsel
(vast-vloeibaar of vloeibaar-vloeibaar) te scheiden. De techniek steunt op het
IN
feit dat elke stof zijn eigen massadichtheid heeft en daardoor afzonderlijke
lagen zal vormen (eventueel na verloop van tijd). Die lagen kunnen, min of meer,
N
van elkaar gescheiden worden door het afgieten van de bovenste laag.
VA
3.4 Centrifugeren
Decanteren hangt onder andere af van de handigheid van de gebruiker
©
(de fles rode wijn niet te snel uitgieten en onder de juiste hoek ...).
Maar ook het geduld van de wetenschapper wordt soms op de proef gesteld:
je mengsel moet immers lang genoeg in rust blijven om voldoende scheiding
uk
van de verschillende componenten te krijgen. De zwaartekracht moet zijn werk kunnen doen.
Het is daarom soms interessant om de scheiding van de componenten te
st
versnellen. We helpen de zwaartekracht dan een beetje door het mengsel snelle cirkelvormige bewegingen te laten maken. Bij een slazwierder
of d
scheiden we zo de sla van het waswater. Ook de droogkast bij je thuis gaat de inhoud van de machine zeer snel ronddraaien, zodat het linnen wordt
pr oe
fh o
gedroogd doordat het water uit je kleren wordt gezwierd.
Die speciale techniek om componenten te scheiden op basis van
massadichtheid noemen we centrifugeren. De deeltjes met de grootste
massadichtheid worden bij de draaibeweging tegen de buitenwand geduwd. Met speciale apparaten, centrifuges, kan men zo in een labo componenten met een gering verschil in dichtheid scheiden. Die techniek wordt onder
andere gebruikt om bloedcellen en bloedplasma van elkaar te scheiden. plasma
bloedplaatjes + witte bloedcellen rode bloedcellen
Afb. 18 Centrifugeren van bloed
Afb. 19 De componenten van bloed na centrifuge
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
65
WEETJE Wil je meer weten over centrifugatie in de industrie? Bekijk dan de video.
IN
BEKIJK DE VIDEO
Centrifugeren of centrifugatie is een scheidingstechniek om een heterogeen componenten (net zoals decanteren).
N
mengsel (vast-vloeibaar of vloeibaar-vloeibaar) te scheiden in verschillende
VA
Ze steunt op het feit dat elke stof zijn eigen massadichtheid heeft en er daardoor afzonderlijke lagen gevormd zullen worden. Met behulp van
machines (die het effect van de zwaartekracht versterken) zullen die lagen
beter en sneller van elkaar gescheiden kunnen worden dan via decanteren
uk st
3.5 Indampen
©
alleen.
Het is mogelijk dat je door filtreren of decanteren een helder filtraat bekomt. Hoewel het lijkt alsof dat een zuivere stof is, kan dat filtraat nog steeds
of d
andere opgeloste stoffen bevatten. Het filtraat kan immers zelf nog een
oplossing zijn (= homogeen mengsel van een vaste en vloeibare fase of twee vloeibare fasen). Als de opgeloste stof en het oplosmiddel een voldoende
pr oe
fh o
groot verschil in kookpunt hebben, is dat echter geen probleem. Door op te warmen tot de temperatuur van de fase met het laagste kookpunt
(‘de meest vluchtige stof’), kun je beide fasen van elkaar scheiden.
Zo verdampt water veel sneller dan keukenzout. Door een zoutoplossing op te warmen tot 100 °C, zal enkel het water verdampen en het zout
(als kristallen) achterblijven. Op die manier kunnen oplossingen dus ook gescheiden worden in de opgeloste stof en het oplosmiddel.
66
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
Afb. 20 Opwarmen van zoutoplossing
WEETJE De techniek van indampen wordt onder meer gebruikt voor het
scheiden van zout uit zeewater. Daardoor ontstaan de bekende zoutbanken, die je vaak ziet in de Vendée-streek aan de
onder een microscoop? Bekijk dan de video.
N
Wil je de indamping van zout (NaCl) zien gebeuren
IN
Franse kust, of in Bolivia.
VA
BEKIJK DE VIDEO
Indampen is een scheidingstechniek die gebruikt wordt om een homogeen
©
mengsel (vast-vloeistof of vloeistof-vloeistof) te scheiden. Door het opwarmen van het mengsel en het verschil in kookpunt, verdampt de vloeistof (met het
uk
laagste kookpunt) en blijven enkel de vaste deeltjes of de vloeistof met het
of d
3.6 Destilleren
st
hogere kookpunt over.
pr oe
fh o
De techniek van indampen maakt gebruik van het verschil in kookpunt tussen de componenten om een oplossing te scheiden. De ene stof is veel vluchtiger dan de andere omdat ze een groot verschil in kookpunt hebben. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een zoutoplossing in water.
Bovendien focus je bij indampen slechts op een van beide componenten.
Bij het indampen van zoutoplossing in water, houd je alleen het zout over. Daarnaast geldt een groot verschil in kookpunt niet voor alle oplossingen.
Als de kookpunten van de componenten dichter bij elkaar liggen, maar ook
als je beide componenten later apart wilt gebruiken, gaan we onze techniek moeten verfijnen. We maken opnieuw gebruik van het verschil in kookpunt van de componenten, maar gaan nu destilleren.
Destilleren is het mengsel verhitten tot boven het kookpunt van een van de componenten, maar we blijven onder het kookpunt van de andere
component. Het component dat uit het mengsel gekookt wordt en apart wordt opgevangen, wordt het destillaat genoemd.
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
67
OPDRACHT 17 DEMO
Wijn destilleren thermometer
Wijn is een mengsel van vele componenten.
uitlaat koelwater
Om het niet te moeilijk te maken, houden we het nu even op een mengsel van water (druivensap) en drinkalcohol
proefopstelling zoals op de tekening.
vigreuxkolom
De wijn wordt verwarmd tot ongeveer
destilleerkolf met mengsel
ethanol (78 °C), maar onder het kookpunt
Afb. 21 Opstelling destillatieproces
erlenmeyer met destillaat
VA
continu gekoeld met kraantjeswater.
bunsenbrander
inlaat koelwater
N
80 °C. Dat is net boven het kookpunt van
IN
liebigkoeler
(ethanol C2H5OH). Je leerkracht bouwt de
van water (100 °C). De liebigkoeler wordt
klem
Wat neem je waar?
©
Besluit
uk
Uit de wijn verdampt enkel de alcohol, die vervolgens condenseert omdat het koude stromende water in de liebigkoeler de alcoholdampen afkoelt. De verkregen heldere vloeistof die we opnieuw opvangen, noemen
st
we het destillaat.
of d
Destilleren is een scheidingstechniek die gebruikt wordt om homogene
mengsels van vloeistoffen of vloeistof en vaste stof, van elkaar te scheiden. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het verschil in kookpunt tussen de
pr oe
fh o
aanwezige stoffen. Wanneer het mengsel aan de kook wordt gebracht, zal
68
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
de component met het laagste kookpunt eerst verdampen. De gassen die zo ontstaan worden door een liebigkoeler geleid, zodat ze terug condenseren. Zo verkrijg je het destillaat.
` Maak oefening 7 t/m 12.
Je hebt nu meerdere scheidingstechnieken leren kennen en misschien zelfs enkele technieken uitgeprobeerd. De componenten werden gescheiden op
basis van verschillende stofeigenschappen maar de componenten zelf bleven onveranderd. We maakten gebruik van verschillen in fysische eigenschappen van de stoffen en spreken over fysische scheidingstechnieken.
OPDRACHT 18
Herhaal even. 1 Vul de tekst aan. Een eerste scheidingstechniek die we zagen, was zeven. Die techniek is gebaseerd op een verschil in . Een voorbeeld is schelpjes en zand scheiden. Een tweede Zo kun je bijvoorbeeld kalk uit kalkwater halen met behulp van .
Daarnaast is er ook , gebaseerd op een verschil in massadichtheid.
IN
scheidingstechniek, ook gebaseerd op het verschil in , is .
N
Op die manier kun je olie van water scheiden. Indampen steunt dan weer op het verschil in
, waardoor je bijvoorbeeld zout uit zeewater haalt. Het water zelf scheidingstechniek . Op die manier kun je
uit wijn halen.
Welke scheidingstechniek kun je gebruiken voor welk soort mengsel en hoe doen ze dat in de industrie?
©
2
VA
verdampt uiteraard. Wil je toch beide componenten behouden, dan maak je gebruik van de
pr oe
fh o
of d
st
uk
Ontdek het via de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal.
THEMA 02
HOOFDSTUK 3
69
HOOFDSTUKSYNTHESE
Maak een mindmap over dit hoofdstuk. Om je op weg te helpen, noteerden we alvast het basisbegrip uit dit thema: scheidingstechniek.
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
Scheidingstechniek
VA
N
IN
Probeer nu zelf een mindmap rond dat begrip te maken.
70
THEMA 02
SYNTHESE HOOFDSTUK 3
THEMASYNTHESE
ZUIVERE STOFFEN EN MENGSELS Kernbegrippen
Notities
Kernvragen
HOOFDSTUK 1: Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar?
elkaar kunt onderscheiden, noemt men stofeigenschappen.
IN
Soorten stofeigenschappen:
Eigenschappen, die specifiek zijn voor een stof en waarmee je stoffen van
- massadichtheid: geeft de verhouding weer tussen de massa van een stof Als gevolg van een verschil in massadichtheid zal één stof gaan
N
en het volume dat die stof inneemt bij een bepaalde temperatuur. bovendrijven.
VA
- massadichtheid
- kookpunt
- kookpunt van een vloeistof: de temperatuur waarbij een vloeistof
- smeltpunt
- smeltpunt van een vaste stof: de temperatuur waarbij de stof overgaat
overgaat van de vloeibare fase naar de gasvormige fase
©
van de vaste fase naar de vloeibare fase
uk
HOOFDSTUK 2: Is het een zuivere stof of een mengsel? - Een zuivere stof wordt gekenmerkt door welbepaalde waarden voor een
mengsel van zuivere stoffen
hele reeks stofeigenschappen (smeltpunt, kookpunt, massadichtheid …).
Die waarden zijn constant en karakteristiek (typisch voor de stof).
st
(zuivere) stof
- Een mengsel van stoffen bevat meerdere stoffen. Als we naar kookpunt
of d
enz. kijken, zijn de waarden voor die grootheden afhankelijk van de
fh o
homogene mengsels
- legering
pr oe
heterogene mengsels
- rook
- nevel
- schuim
- suspensie - emulsie - aerosol
samenstelling van het mengsel.
- Homogene mengsels = mengsels waarin je de verschillende componenten met het blote oog niet meer van elkaar kunt onderscheiden (oplossingen).
Een homogeen mengsel van twee metalen = legering
- Heterogene mengsels = mengsels waarin je ten minste een van de componenten kunt onderscheiden
Op basis van de aggregatietoestand van de twee componenten krijgen sommige heterogene mengsels nog een specifieke naam: vast in gasfase = rook
vloeistof in gasfase = nevel
gas in vloeistoffase = schuim
vast in vloeistoffase = suspensie
vloeistof in vloeistoffase = emulsie
Vast of vloeistof in gasfase = aerosol (bv. rook, nevel)
THEMA 02
THEMASYNTHESE
71
THEMASYNTHESE
Scheidingstechnieken op basis van: - verschil in deeltjesgrootte
HOOFDSTUK 3: Hoe kunnen we een mengsel van stoffen scheiden? Zeven De grotere korrels kunnen niet door de zeef, maar de kleinere
Filteren, filtratie
component(en) wel.
Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + v, v + vl)
IN
Vaste korrels zijn groter dan vloeistof- of gasdeeltjes. De vaste korrels
kunnen niet door de poriën van de filter, maar de vloeistof of het gas wel.
N
De vaste deeltjes die achterblijven, worden het residu genoemd. Wat door de filter gaat, is het filtraat.
VA
- verschil in massadichtheid
Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + vl, vl + g, v + g) Decanteren
Elke stof heeft zijn eigen massadichtheid, waardoor zich afzonderlijke
lagen zullen vormen (eventueel na verloop van tijd). Die lagen kunnen, bovenste laag.
©
min of meer, van elkaar gescheiden worden door het afgieten van de Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + vl, vl + vl)
uk
Centrifugeren
Met behulp van machines (die het effect van de zwaartekracht versterken) zullen die lagen beter van elkaar gescheiden kunnen worden dan via Indampen
Door het opwarmen van het mengsel en het verschil in kookpunt, verdampt de vloeistof en blijven enkel de vaste deeltjes (of de vloeistof met het
fh o
hogere kookpunt) over.
pr oe
Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + vl, vl + vl)
of d
- verschil in kookpunt
st
decanteren.
Gebruikt voor: homogene mengsels (v + vl, vl + vl) Destilleren
Wanneer het mengsel aan de kook wordt gebracht, zal de component met
het laagste kookpunt eerst verdampen. De gassen die zo ontstaan worden door een liebigkoeler geleid, zodat ze terug condenseren. Zo verkrijg je
een destillaat. In tegenstelling tot indampen, worden beide componenten behouden.
Gebruikt voor: homogene mengsels (v + vl, vl + vl)
BEKIJK KENNISCLIP
72
THEMA 02
THEMASYNTHESE
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis Ik kan de volgende begrippen uitleggen: • aerosol
• centrifugeren • decanteren
IN
• destilleren • emulsie
• filtreren
• heterogeen mengsel
N
• homogeen mengsel • indampen • kookpunt
VA
• legering
• massadichtheid • nevel
• oplossing • rook
• smeltpunt • stof
• stofeigenschap • suspensie
st
• voorwerp
of d
• zeven
• zuivere stof
uk
• schuim
©
• scheidingstechniek
2 Onderzoeksvaardigheden
• Ik kan stoffen onderscheiden op basis van stofeigenschappen.
• Ik kan zuivere stoffen onderscheiden van mengsels op basis van het aantal soorten deeltjes.
fh o
• Ik kan typische voorbeelden van homogene en heterogene mengsels herkennen en benoemen.
• Ik kan voor een mengsel een geschikte scheidingstechniek voorstellen.
• Ik kan voor de geschikte scheidingstechniek verklaren op welke eigenschap de
pr oe
scheiding gebaseerd is.
` Je kunt deze checklist ook op
invullen bij je Portfolio.
THEMA 02
CHECKLIST
73
CHECK IT OUT
Kun jij ook toveren? Je maakte tijdens de CHECK IN een mengsel van kiezelsteentjes, zout en water. Je hebt toen weliswaar niet echt getoverd, maar wel gebruikgemaakt van chemische mengsels en scheidingstechnieken.
IN
1 Benoem de mengsels. Schrap wat niet past. • Het mengsel kiezelsteentjes-zout is een homogeen / heterogeen mengsel.
• Het mengsel kiezelsteentjes-water is een homogeen/ heterogeen mengsel. • Het mengsel zout-water is een homogeen/ heterogeen mengsel.
N
We noemen dat ook een oplossing.
2 Bovendien ben je nu ook in staat om dit mengsel te scheiden in zijn
VA
afzonderlijke (zuivere) stoffen volgens het juiste scheidingsschema.
Vul het scheidingsschema verder aan. Misschien vind je meer dan een oplossing?
©
KIEZELSTENEN + ZOUT + WATER Op basis van:
st
uk
Scheidingstechniek:
pr oe
fh o
of d
KIEZELSTENEN
Er zijn homogene en heterogene mengsels.
ZOUT + WATER Op basis van:
Scheidingstechniek:
ZOUT
WATER
We gebruiken verschillende scheidingstechnieken om de stoffen terug van elkaar te scheiden: zeven, filtreren, decanteren, centrifugeren, indampen en destilleren.
74
THEMA 02
CHECK IT OUT
!
AAN DE SLAG
1
In de tabel vind je in elk vak twee stoffen. Geef voor elk duo: • een stofeigenschap die ze gemeenschappelijk hebben;
• een stofeigenschap die verschillend is voor beide stoffen. glas en diamant
goud en koper
- gemeenschappelijk:
- gemeenschappelijk:
- verschillend:
- verschillend:
bloemsuiker en kristalsuiker
water en ether
- gemeenschappelijk:
- verschillend:
- verschillend:
2
b goud:
c zandstorm:
d zuurstofgas:
e gefilterd zeewater:
of d
f gedestilleerd water:
st
a brons:
uk
Gaat het hier om mengsels of zuivere stoffen?
VA
N
- gemeenschappelijk:
IN
©
g Zn + water:
fh o
Bekijk de voorstellingen van stoffen of mengsels. Omcirkel het juiste antwoord.
pr oe
3
1-2-3-4
1-2-3-4
1-2-3-4
d Welke overgang stelt het oplossen van zout in water voor?
4
c Welke voorstelling stelt een zuivere stof voor?
3
b Welke voorstelling stelt een heterogeen mengsel voor?
2
a Welke voorstelling stelt een homogeen mengsel voor?
1
3 + 4 1
3+42
e Welke overgang stelt het mengen van zand in water voor?
3 + 4 1
3+42
THEMA 02
AAN DE SLAG
75
4
Koppel het juiste mengsel aan de juiste naam. Vul de tabel aan. A
nevel
B
legering schuim
antibioticumoplossing: het
zeepbellen: lucht gevangen in
antibioticumpoeder wordt
zeepoplossing
gemengd met het water
sauna als je water over hete stenen giet
Schrap in de tabel wat niet past en vul aan.
fh o
1
Homogeen of heterogeen?
Aggregatietoestand overheersende stof
Aggregatietoestand verdeelde stof
Specifieke naam
homogeen
vast
vast
homogeen
vast
vast
of d
Mengsel
st
5
de stoom die ontstaat in een
uk
van tin en koper
VA
een bronzen beeld: een mengsel
N
D
©
C
IN
suspensie
heterogeen
vloeistof gas
vloeistof gas
graffitispray: vloeibare
verfdeeltjes in gas onder druk
pr oe
2
schuimkraag op een frisse pint bier
76
THEMA 02
AAN DE SLAG
heterogeen
vloeistof gas
vloeistof gas
homogeen
3
heterogeen
vast
vast
vloeistof
vloeistof
gas
gas
een glas wijn: de
IN
combinatie van water en drankalcohol
• kwik – schroef – goud – koolstof – zink
uk
• volume – massa – vorm – kookpunt – grootte
©
VA
• geldmunt – zilver – halsketting – oorring – bankbiljet
N
Omcirkel de vreemde eend in de bijt en verklaar bondig.
st
of d
• geleidbaarheid – kookpunt – aggregatietoestand – massadichtheid – massa
• zout – zink – zuurstofgas – brons – heliumgas
fh o
6
• CO2- gas in water – leidingwater – modder – wijn – gedestilleerd water
pr oe
• suikerwater – soep – sangria – champagne – vinaigrette
• zoutwater – water en alcohol – brons – lucht – mayonaise
THEMA 02
AAN DE SLAG
77
7
Op welke stofeigenschap steunen de volgende scheidingstechnieken? a destillatie: b filtratie:
Noteer een gepaste scheidingstechniek om de bestanddelen van deze mengsels te isoleren. a olie en azijn:
IN
8
b bezinksel in wijn:
c goudklompje en zand:
In het schema zie je verschillende soorten mengsels. Geef voor elk mengsel één voorbeeld.
Geef daarnaast ook weer met welke algemene scheidingsmethode de afzonderlijke componenten bekomen kunnen worden.
Vermeld in de laatste kolom aan de hand van welk kenmerk die scheiding gebeurt. Type mengsel
vast-vloeibaar homogeen vast-vloeibaar homogeen
10
of d
vloeibaar-vloeibaar
Steunt op verschil in …
Met welke scheidingsmethodes kunnen homogene en heterogene mengsels gescheiden worden?
Plaats telkens een kruisje in de juiste kolom.
fh o
Scheidingsmethode
filtratie
pr oe
destillatie
THEMA 02
Scheidingsmethode
uk
heterogeen
Voorbeeld
©
78
VA
9
st
N
d bier (alcohol en water):
AAN DE SLAG
Soort mengsel Homogeen
Heterogeen
Welke techniek gebruik je om de volgende mengsels te scheiden? Kies telkens voor de meest eenvoudige techniek.
Scheidingstechniek (markeer)
Mengsel
Een mengsel van stof A (smeltpunt –10 °C; kookpunt 80 °C)
zeven – filtreren –
Een oplossing van kopersulfaat (smeltpunt: 200 °C; kookpunt: 650 °C)
zeven – filtreren –
en stof B (smeltpunt 420 °C; kookpunt 1 280 °C).
Stof B is goed oplosbaar in stof A. Je wilt stof B verder onderzoeken. in ethanol (smeltpunt: –117 °C ; kookpunt 78 °C). Beide vloeistoffen heb je nodig voor verder onderzoek.
Een mengsel van looddichloride (smeltpunt: 501 °C; kookpunt: 950 °C)
indampen – destilleren
decanteren – centrifugeren – indampen – destilleren zeven – filtreren –
decanteren – centrifugeren – indampen – destilleren
VA
en water. Looddichloride lost niet op in water.
decanteren – centrifugeren –
IN
Markeer de juiste scheidingstechniek.
N
11
12
Met welke methodes zijn de volgende mengsels te scheiden in hun bestanddelen?
a filtratie:
©
azijn en water – jenever – kleideeltjes die zweven in water – zand en water b destillatie: .
pr oe
fh o
of d
st
` Verder oefenen? Ga naar
uk
THEMA 02
AAN DE SLAG
79
Notities
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
80
THEMA 02
VERDERE STUDIE VAN EEN CHEMISCHE STOF
THEMA 03
82
VERKEN
83
` HOOFDSTUK 1: Hoe kunnen we een chemische stof
voorstellen?
IN
CHECK IN
84
84 87 90
VA
N
1.1 Namen en symbolen van elementen 1.2 Symbolische voorstelling van een chemische stof 1.3 Bolstaaf- en bolschilmodellen van een chemische stof
` HOOFDSTUK 2: Kunnen we zuivere stoffen nog
©
verder indelen?
92
` HOOFDSTUK 3: Welke naam krijgen de enkelvoudige
uk
stoffen?
3.1 Onderverdeling binnen de enkelvoudige stoffen 3.2 Niet-metalen
of d
st
A Niet-metalen die als enkelvoudige stof voorkomen als ongebonden atomen B Niet-metalen die als enkelvoudige stof voorkomen als verbindingen van meerdere atomen
3.3 Metalen
96 96 97 97 98
101
102
CHECKLIST
104
fh o
THEMASYNTHESE
pr oe
PORTFOLIO
CHECK IT OUT
105
AAN DE SLAG
106
OEFEN OP DIDDIT
81
CHECK IN
Klein detail, groot verschil. Vraag zeker niet naar H2O2 als je dorst hebt bij de tandarts. H2O2 wordt wel
eens zuurstofwater genoemd, maar die bijnaam is misleidend. Zo zal je
tandarts jou water (H2O) geven om je mond te spoelen, terwijl zuurstofwater (H2O2) wordt gebruikt om je tanden mooi wit te maken (‘bleachen’).
N
Dat bleekmiddel kun je beter niet inslikken!
IN
H2O of H2O2?
VA
CO of CO2?
Je hebt misschien al gehoord over koolstofmonoxidevergiftiging. De weerman waarschuwt er regelmatig voor in de winter. Als
©
koolstof (element C in hout, aardgas …) verbrand wordt, ontstaat er koolstofdioxide (CO2), tenminste als er voldoende zuurstof
(O2) beschikbaar is voor de reactie. Als dat niet zo is, ontstaat er
uk
koolstofmonoxide (CO). Koolstofmonoxide is een giftig, geurloos gas. Die ene O extra in de formule maakt dus een groot verschil!
Iets verbranden moet dus altijd in een goed geventileerde ruimte
waar voldoende zuurstof aanwezig is. Een slecht afgestelde boiler in
st
een kleine ruimte zoals een badkamer heeft al tot veel noodlottige
O2 of O3?
of d
gevolgen geleid.
fh o
Zuurstofgas (O2) ken je vast en zeker. We ademen zuurstof in om vervolgens onder andere koolstofdioxide (CO2) uit te ademen. O3 (ozon) inademen is
dan weer een slecht idee! Dat gas is erg schadelijk voor de gezondheid. Aan de andere kant beschermt ozon ons in de hogere atmosfeer wel tegen de
pr oe
schadelijke uv-straling van de zon.
?
Wetenschappers proberen al eeuwen verschijnselen in de natuur te verklaren. Daarvoor is het belangrijk om de samenstelling van stoffen te kennen. Elke stof krijgt daarom een unieke formule en accuraatheid is daarbij erg belangrijk. ` Hoe noteert een chemicus een stof? ` Welke informatie wordt in de formule van een chemische stof weergegeven? We zoeken het uit!
82
THEMA 03
CHECK IN
VERKEN
Hoe noteren we een zuivere stof? OPDRACHT 1
Bekijk enkele voorstellingen van zuivere stoffen en mengsels in de tabel.
mengsel zuivere stof
mengsel zuivere stof
mengsel zuivere stof
VA
mengsel zuivere stof
N
IN
1 Kruis bij elke voorstelling aan of het gaat om een zuivere stof of om een mengsel.
2 Leg in je eigen woorden het verschil uit tussen een zuivere stof en een mengsel.
©
uk
OPDRACHT 2
st
Een chemicus geeft een (zuivere) stof weer met een formule. Beantwoord de vragen.
1 Elke formule bevat verschillende symbolen. Vul in de laatste kolom de volledige naam in die bij het symbool
Stof
of d
hoort.
zuurstofgas
fh o
waterstofgas
Formule
Symbool element
O2
O
H
H2
H2O
koolstofdioxide
CO2
pr oe
water
H
O C
O
Naam element
2 In de formule van een stof vind je soms een getal in subscript. Bijvoorbeeld "2" in CO2. a Wat geeft dat getal volgens jou weer? Verklaar.
b Soms staat er geen getal, bijvoorbeeld bij C in CO2. Wat valt je op in de formule?
THEMA 03
VERKEN
83
HOOFDSTUK 1
IN
Hoe kunnen we een chemische stof voorstellen? LEERDOELEN
N
Je kunt al: L zuivere stoffen en mengsels van elkaar onderscheiden.
VA
Je leert nu:
L de namen en symbolen van de elementen;
Misschien ben je onder de indruk van de
L de symbolische voorstelling van een chemische stof L wat een index en een coëfficiënt zijn; interpreteren.
Het is een voorstelling van azijnzuur, het
zuur dat opgelost in water azijn genoemd wordt. Zoals je merkt komen er in de
voorstelling verschillende bolletjes en
uk
L een bolstaaf- en bolschilmodel herkennen en
voorstelling van de stof die hier staat?
©
schrijven en interpreteren;
kleuren voor. We zoeken uit waarom!
of d
st
1.1 Namen en symbolen van elementen
We maken een onderscheid tussen een element en een atoom. Een element
pr oe
fh o
is een type of een atoomsoort. Een atoom is een deeltje van dat type. Een element is dus een verzamelnaam voor alle atomen van dezelfde soort.
Stoffen kunnen uit verschillende atoomsoorten of elementen bestaan. Om die te onderscheiden hebben we duidelijke afspraken nodig.
Elk bolletje in de voorstelling van bv. koolstofdioxide (afb. 22) wordt in de formule (CO2) weergegeven door een symbool dat identiek is in de hele
wereld. Zo wordt het gas dat we uitademen over de hele wereld voorgesteld als CO2 (koolstofdioxide).
Afb. 22 Voorstelling koolstofdioxide (CO2)
84
THEMA 03
HOOFDSTUK 1
IIIa
IVa
Va
VIa
13
14
15
16
OPDRACHT 3
Vergelijk de webpagina’s.
VIIa 0/VIIIa 17
18 2
Periodiek systeem van de elementen
He
1 Bekijk deze webpagina’s voor ‘koolstof’ in het Nederlands, Italiaans en Fins.
koolstof
boor
10,81
12
1,6
Alaluminium
Zn
Ga
nk
gallium
,38
69,72 1,7
Si
26,98 31
49
1,6
dmium
Hg
Se
germanium
arseen
seleen
Sn
81
1,8
82
thallium
2
113
114
rbium
8,9
Bk
rkelium
47)
argon
39,95
35
2,8
83
Kr
broom
krypton
84
Afb. 25 Pagina in het Fins
83,80
79,90
2,1
53
2,5
54
Xe
I
xenon
jood
131,3
126,9
Elk element (of elke atoomsoort) heeft een naam en een symbool. Die 2,0
85
2,2
86
symbolen zijn in alle talen hetzelfde. De naam van het element verschilt
Po
Rn
At
volgens de taal, maar is meestal afgeleid van de oorspronkelijke Latijnse benaming.
bismut
polonium
radon
astaat
209,0
(209)
(210)
(222)
115
116
117
118
C Uuo Uut Uuq Uup Uuh Uus ununtrium
(284) 66
Dy
(1,2)
ununquadium
(289)
67
1,2
Ho
dysprosium
holmium
ununpentium
(288)
68
Er
erbium
162,5
164,9
167,3
98
99
100
Cf
Es
Fm
californium
(251)
einsteinium
(252)
fermium
(257)
grafiitti
Yleinen Nimi: hiili Tunnus: C Järjestysluku: 6 Luokka: epämetalli Lohko: p Jakso: 2 Ryhmä: 14 Kovuus: 0,5 (grafiitti), 10,0 (timantti) Väri: musta (grafiitti), väritön (timantti)
grafite
Afb. 24 Pagina in het Italiaans
telluur
1,9
36
Br
diamante
127,6
Bi
pr oe
Tb
1,8
52
fh o
1,2
chloor
2,4
timantti
Ar
35,45
Te
antimoon
lood
207,2
pernicium
Ne
Cl-
78,96
1,9
121,8
Pb
204,4
85)
74,92
51
Sb
tin
0,6
Cn
1,8
118,7
Tl-
wik
As
50
indium
1,9
S
Ge 72,64
2,5
10
Nome: carbonio Symbolo: C Carbonio Numero: 6 fluor neon Serie: non metalli 20,18 19,00 Durezza: 0,5 (grafite), 10 (diamante) 17 p 3,0 18 Blocco: Serie: non metalli Colore: /
2 Wat valt je op als je de drie pagina’s vergelijkt?
1,7
114,8
2,4
P
Afb. 23 Pagina in het Nederlands
In
Cd
16,00
2,1 1,8 14 15 16 Algemeen Naam: koolstof / carbonium Symbool: C Atoomnummer: 6 silicium koolstofgroep fosfor zwavel Groep: 28,09 30,972 32,07 Periode: periode Blok: 1,8 2,0 32 p-blok 33 34 Reeks: niet-metaal Kleur: kleurloos of zwart
1,5
4,0
F
zuurstof
14,01
9 Generale
uk
IIb
O
stikstof
12,01
3,5
st
13
N
8
N
C
3,0
VA
B
2,5 7
Hiili
©
6
2,0
of d
5
4,00 Carbonio
IN
helium
Koolstof/ Carbonium
1,2
ununhexium
ununseptium
(292) Nederlands ?
69
Frans 1,2
Engels
70
Tm Yb Duits
Spaans
thulium
168,9 Latijn 101
carbon 1,1 71
ytterbium
173,0
ununoctium
? koolstof
1,2
carbon
Lu
kohlenstoff carbono
lutetium
175,0 carbonium
Lr
Dat uniforme gebruik van dezelfde mendelevium nobelium lawrencium
Nederlands
chloor
Duits
chlor
Frans
Engels
Spaans Latijn
103 Afb. 26 102 De naam voor het element koolstof (C) in verschillende talen
Md No
Cl chlore
chlorine cloro
chlorum
Afb. 27 De naam voor het element chloor (Cl) in verschillende talen
symbolen maakt het uitwisselen van
(258)informatie (259) makkelijker.(262) De verschillende symbolen vind je trouwens terug in
het Periodiek Systeem van de Elementen (PSE).
De tabel op p. 86 bevat de voor ons belangrijkste elementen en hun
symbolen. Voor een goed begrip van de rest van de leerstof chemie is het
belangrijk dat je de namen en symbolische voorstelling van deze elementen onthoudt en kunt toepassen.
THEMA 03
HOOFDSTUK 1
85
He
helium
Li
lithium
Be
beryllium
B
boor
C
koolstof
N
stikstof
O
zuurstof
F
fluor
Ne
neon
Na
natrium
Mg
magnesium
aluminium
` Maak oefening 1.
Je ziet dat:
silicium
P
fosfor
S
Cl
Ar
K
Ca
Fe
Cu
Zn
Br
Ag
zwavel
chloor
kalium
calcium
ijzer
koper
broom
zilver
Hg
lood
Co
Ni
Pt
Cd
U
Sn
Au
Naam kwik
Pb
I
argon
zink
Symbool
cobalt
jood
nikkel
platina
cadmium
uraan
tin
Cr
chroom
Mn
As
goud
Ba
mangaan
arseen
barium
©
Al
Si
Naam
IN
waterstof
Symbool
N
H
Naam
VA
Symbool
uk
• sommige elementen één hoofdletter als symbool hebben;
• sommige elementen twee letters als symbool hebben, bestaande uit een
st
hoofdletter gevolgd door een kleine letter. WEETJE
of d
Sommige elementen zijn genoemd naar een land (polonium, francium), een stad (dubnium: Dubna in Rusland; strontium: Strontian in Schotland), een wetenschapper (einsteinium: Albert
pr oe
fh o
Einstein; curium: Marie Curie), Romeinse goden
86
THEMA 03
HOOFDSTUK 1
(neptunium, plutonium) of een eigenschap (broom: Gr. bromos = stank; chloor: Gr. chloros = groen).
Meer weten? Bekijk het overzicht via de QR-code.
NAAMGEVING ELEMENTEN
• Een element is synoniem voor een atoomsoort. Het is de verzamelnaam voor alle atomen die dezelfde chemische eigenschappen hebben.
• Een atoom is het kleinste deeltje van een element dat nog steeds alle eigenschappen van het element heeft.
• Elk element heeft een naam en symbool.
1.2 Symbolische voorstelling van een chemische stof
Wanneer we een chemische stof weergeven, gebruiken we een opeenvolging van de symbolen van de elementen. Zo een voorstelling noemen we een
IN
formule.
In de fotosynthesereactie zie je vier formules.
VA
C6H12O6 + 6 O2
of d
st
uk
©
6 CO2 + 6 H2O
N
Je herkent hier onder andere de formule van water (H2O) en glucose (C6H12O6).
pr oe
fh o
De formule van water (H2O) geeft weer dat één waterdeeltje bestaat uit 2
waterstofatomen en 1 zuurstofatoom. Twee atomen waterstof en 1 atoom zuurstof binden tot 1 verbinding: de stof of molecule water.
Afb. 28 Voorstelling water (H2O)
THEMA 03
HOOFDSTUK 1
87
Het aantal van elk atoom binnen één deeltje wordt aangegeven door een index:
• 2 bij H;
• 1 bij O, maar die 1 moeten we niet als index in de formule noteren.
Een index wordt altijd rechts onder het symbool van het atoom vermeld.
IN
H2O(1)
VA
C6H12O6
N
Een deeltje water bevat 2 waterstofatomen en 1 zuurstofatoom.
Een deeltje glucose bevat 6 koolstofatomen, 12 waterstofatomen en 6 zuurstofatomen.
©
In de fotosynthesereactie zien we ook andere cijfers verschijnen: de coëfficiënt of het voorgetal.
uk
6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2
Dat cijfer wordt vermeld voor een formule en geeft het aantal deeltjes van
of d
st
die stof weer.
6 CO2
pr oe
fh o
Zes deeltjes koolstofdioxide bevatten elk 1 koolstofatoom en 2 zuurstofatomen.
Opgelet: CO2 is de formule van koolstofdioxide. Een coëfficiënt, hier het getal 6, is geen onderdeel van de formule. Het geeft enkel aan hoeveel deeltjes van de stof reageren.
Laten we nu de fotosynthesereactie uit ons voorbeeld eens opnieuw bekijken.
6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2 index
coëfficiënt formule
Let op: het cijfer 1 wordt zowel bij de index als de coëfficiënt niet weergegeven.
88
THEMA 03
HOOFDSTUK 1
Een formule geeft de samenstelling van een stof weer. Het bevat deze onderdelen:
• het symbool van elke aanwezige atoomsoort of element;
• de index: geeft het aantal atomen van elke soort weer en wordt rechts onder het symbool vermeld.
Voorbeeld: 3 O2: 3 deeltjes zuurstofgas
met telkens 2 zuurstofatomen
N
` Maak oefening 2 en 3.
IN
Een coëfficiënt geeft aan hoeveel deeltjes er aan de reactie deelnemen.
VA
OPDRACHT 4
Bekijk de tabel. In de eerste kolom vind je de coëfficiënten en indexen van een stof. Vul de tabel verder aan. Aantal deeltjes
3
pr oe
fh o
of d
st
uk
3 C6H12O6 4 NH3
Aantal atomen van elk element
©
Coëfficiënten en indexen van de stof
THEMA 03
HOOFDSTUK 1
89
1.3 Bolstaaf- en bolschilmodellen van een chemische stof
Je ziet hier twee mogelijke modellen om een deeltje water (H2O) voor te
IN
stellen: links het bolstaafmodel en rechts het bolschilmodel.
O
N
Afb. 29 Bolstaafmodel van water
H
Afb. 30 Bolschilmodel van water
VA
H
H
H
O
• In het bolstaafmodel worden de bindingen visueel via een staafje weergegeven.
©
• In het bolschilmodel worden de bindingen niet visueel weergegeven.
Je merkt dat in beide modellen de waterstofatomen (H) wit zijn en het
uk
zuurstofatoom (O) rood is. De witte en rode kleur voor de waterstof- en
zuurstofatomen is geen vrije keuze. Bolvoorstellingen worden overal ter
st
wereld op dezelfde manier weergegeven. WEETJE
Element
Kleurcode
koolstof (C)
zuurstof (O)
pr oe
jood (I)
zwavel (S)
90
THEMA 03
Kleurcode
stikstof (N)
donkerblauw
rood
broom (Br)
roodbruin
fluor (F)
lichtblauw
zwart (grijs)
paars
HOOFDSTUK 1
Element
wit
fh o
waterstof (H)
of d
Elk element heeft zijn eigen kleurcode. De meest voorkomende vind je hier.
geel
chloor (Cl)
fosfor (P)
groen
oranje
OPDRACHT 5
Bekijk de bolstaaf- en bolschilmodellen.
Model
Bolstaafmodel of bolschilmodel
Formule
Aantal atomen per element
koolstofdioxide
bolstaafmodel bolschilmodel
IN
1
O: 2
CO2
C: 1
2
ammoniak
VA
of d
zwaveltrioxide
bolstaafmodel bolschilmodel
©
bolstaafmodel bolschilmodel
uk
4
chloroform
st
3
bolstaafmodel bolschilmodel
N
Vul de tabel verder aan.
fh o
OPDRACHT 6 ONDERZOEK
Wat kunnen we leren uit de ruimtelijke structuur van enkele chemische stoffen? In dit onderzoek bouw je bolstaafmodellen van enkele chemische stoffen uit het dagelijks leven.
pr oe
Ga met de bouwdozen aan de slag en voer het labo uit. Je vindt het op
.
Atomen kunnen met elkaar binden en moleculen vormen; moleculen worden
voorgesteld met bolvoorstellingen die aangeven uit welke atomen de molecule bestaat.
Een bolstaafmodel en een bolschilmodel zijn driedimensionale voorstellingen
van een deeltje. Beide modellen geven weer hoeveel atomen van alle elementen er voor komen.
` Maak oefening 4 en 5.
THEMA 03
HOOFDSTUK 1
91
HOOFDSTUK 2
IN
Kunnen we zuivere stoffen nog verder indelen?
L de symbolische voorstelling van elementen weergeven;
L een chemische formule interpreteren. Je leert nu:
L het verschil tussen een enkelvoudige en
is er een verschil tussen een zuivere stof en een mengsel. Mengsels heb je ondertussen verder
leren onderverdelen in homogene en heterogene mengsels. Vervolgens heb je geleerd hoe
mengsels in zuivere stoffen kunnen gescheiden
worden. Kunnen we ook de zuivere stoffen verder
onderverdelen? We zoeken het uit aan de hand van
st
een experiment.
fh o
of d
STOF
voorwerp is opgebouwd uit stoffen. Bovendien
uk
samengestelde stof kennen.
voorwerp en stof definiëren. Je weet dus dat een
VA
L zuivere stoffen en mengsels onderscheiden;
Vorig jaar leerde je het onderscheid tussen een
©
Je kunt al:
N
LEERDOELEN
pr oe
?
92
THEMA 03
HOOFDSTUK 2
?
HOMOGEEN
MENGSEL
HETEROGEEN
OPDRACHT 7 DEMO
Ontleding van water (H2O) 1
Is water nog verder te ontleden in andere stoffen? Hypothese
IN
2
Onderzoeksvraag
Ik denk dat water wel / niet verder ontleed kan worden in andere stoffen, want ...
4
VA
toestel van Hofmann + gelijkstroombron kraantjeswater
twee proefbuizen lucifers
houtspaander (of satéstokje) vloeistoftrechter kabeltjes
Werkwijze
5
©
Benodigdheden
uk
3
N
Waarnemingen
1 Je leerkracht vult het toestel van Hofmann met water met behulp van de vloeistoftrechter.
st
2 Er wordt gedurende enkele minuten een gelijkstroom
negatieve pool
Afb. 31 Opstelling proef van Hofmann
of d
door de vloeistof gestuurd.
positieve pool
3 Aan beide polen wordt gas gevormd, maar hoe zit het met de hoeveelheid gas?
fh o
4 Je leerkracht vangt het gevormde gas aan de positieve pool op in een proefbuis.
pr oe
5 Hij/zij brengt een gloeiende houtspaander in die proefbuis. 6 Wat neem je waar?
Het gas ter hoogte van de positieve pool:
7 Je leerkracht vangt nu het gas aan de negatieve pool op in een proefbuis. 9 Hij/zij brengt een brandende lucifer in die proefbuis. 10 Wat neem je waar?
Het gas ter hoogte van de negatieve pool:
THEMA 03
HOOFDSTUK 2
93
6
Verwerking Het gas dat aan de positieve pool gevormd wordt, is zuurstofgas. Zuurstofgas bevordert de verbranding
en kan op die manier geïdentificeerd worden. Een smeulende houtspaander begint terug te branden als je er zuurstofgas aan toevoegt.
Het gas dat aan de negatieve pool gevormd wordt, is waterstofgas. In combinatie met zuurstofgas en een Er wordt water gevormd. Besluit
N
7
IN
brandende lucifer geeft dat een luide knal. Vandaar dat waterstofgas ook wel knalgas genoemd wordt.
Formuleer een antwoord op de onderzoeksvraag.
Reflectie
©
8
VA
uk
Stoffen die nog verder ontleed kunnen worden, noemen we samengestelde stoffen. Samengestelde stoffen bevatten meerdere soorten atomen. Water is dus een voorbeeld van een samengestelde stof, het kan verder ontleed
worden in zuurstofgas en waterstofgas. Wetenschappelijk onderzoek heeft
st
aangetoond dat waterstofgas en zuurstofgas niet meer verder ontleed kunnen worden. Stoffen die niet meer verder ontleed kunnen worden,
noemen we enkelvoudige stoffen. Enkelvoudige stoffen bevatten één soort
of d
atomen.
Stoffen kunnen dus (naar analogie van homogene en heterogene mengsels)
pr oe
fh o
verder opgedeeld worden in enkelvoudige en samengestelde stoffen.
94
THEMA 03
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 8
Bij de ontleding van water, heb je ontdekt dat water een samengestelde stof is, terwijl waterstofgas en zuurstofgas enkelvoudige stoffen zijn. Hieronder zie je de symbolische en visuele voorstelling van deze stoffen. Symbolische voorstelling
O2
waterstofgas
H2
H
H
O
O
VA
zuurstofgas
IN
O
H2O
N
water
Visuele voorstelling
H
©
Naam
H
uk
Het valt op dat een samengestelde stof bestaat uit één soort / meerdere soorten atomen, terwijl een
of d
st
enkelvoudige stof bestaat uit één soort / meerdere soorten atomen (schrap wat niet past).
pr oe
fh o
ENKELVOUDIG
• •
STOF
SAMENGESTELD
MENGSEL
HOMOGEEN
HETEROGEEN
Stoffen die nog verder ontleed kunnen worden, noemen we samengestelde
stoffen. Ze bevatten meerdere soorten atomen.
Stoffen die niet meer verder ontleed kunnen worden, noemen we enkelvoudige stoffen. Ze bevatten één soort atomen.
` Maak oefening 6 t/m 8.
THEMA 03
HOOFDSTUK 2
95
HOOFDSTUK 3
IN
Welke naam krijgen de enkelvoudige stoffen? LEERDOELEN Je kunt al:
N
L enkelvoudige en samengestelde stoffen onderscheiden;
Slechts enkele elementen komen op
L de symbolische voorstelling van elementen weergeven;
aarde voor als enkelvoudige stoffen;
L een chemische formule interpreteren.
VA
dat zijn voornamelijk gassen. Tot
Je leert nu:
die gassen mogen we al zeker de
edelgassen rekenen. Maar er zijn nog
L de naam van enkele enkelvoudige stoffen kennen;
elementen die als enkelvoudige stof
L het verschil kennen tussen een wetenschappelijke naam
voorkomen. We geven in dit hoofdstuk een overzicht van de enkelvoudige
©
en een triviale naam.
uk
stoffen en hun namen.
st
3.1 Onderverdeling binnen de enkelvoudige stoffen
of d
We hebben al kort naar het Periodiek Systeem van de Elementen (PSE)
verwezen. Je vindt er alle symbolen terug van de al gekende elementen.
Je weet nu dat enkelvoudige stoffen slechts één soort atomen bevatten.
fh o
In het PSE maken we voor de enkelvoudige stoffen een onderscheid tussen:
H
He
B
C
N
O
F
Ne
Al-
Si
P
S
Cl-
Ar
Na
Mg
K
Ca
Sc
Ti
V
Cr
Mn
Fe
Co
Ni
Cu
Zn
Ga
Ge
As
Se
Br
Kr
Rb
Sr
Y
Zr
Nb
Mo
Tc
Ru
Rh
Pd
Ag
Cd
In
Sn
Sb
Te
I
Xe
Cs
Ba
La
Hf
Ta
W
Re
Os
Ir
Pt
Au
Hg
Tl-
Pb
Bi
Po
At
Rn
Fr
Ra
Ac
Rf
Db
Sg
Bh
Hs
Mt
Ds
Rg
Cn
Nh
Fl-
Mc
Lv
Ts
Og
metaal 96
ook de edelgassen (laatste kolom);
• metalen (M): in het rood ingekleurd op het PSE.
Be
pr oe
Li
• niet-metalen (nM): in het geel ingekleurd op het PSE. Daartoe behoren
THEMA 03
HOOFDSTUK 3
niet-metaal
OPDRACHT 9
Gebruik het PSE achteraan in je boek en vul de tabel aan. 1 Vul de eerste twee kolommen verder aan met het symbool of de naam van het element. 2 Is het element een metaal (M) of niet-metaal (nM)? Omcirkel in de laatste kolom.
Symbool
S
Sn
Ag
magnesium
M / nM
M / nM
broom
M / nM
M / nM
M / nM
M / nM
M / nM
of d
3.2 Niet-metalen
argon
M / nM
N
stikstof
VA
P
M / nM
©
uk
Fe
M / nM
st
Naam
IN
3 Markeer het edelgas (E).
A
fh o
pr oe
TIP
Wil je al meer ontdekken over de edelgassen? Scan de QR-code
en bekijk het filmpje.
Niet-metalen die als enkelvoudige stof voorkomen als ongebonden atomen
Edelgassen komen altijd apart voor in de natuur: ze bestaan uit één atoom. Ze zijn met andere woorden monoatomair.
Bij edelgassen draagt de stof dan ook gewoon de naam van het element. Voorbeeld: wat kan He betekenen? • het element helium • de stof helium
• een atoom helium
BEKIJK VIDEO
THEMA 03
HOOFDSTUK 3
97
Opmerking: Ook koolstof wordt voorgesteld door het symbool van het element (C) en draagt gewoon de naam van het element.
Nochtans verbindt koolstof als enkelvoudige stof vaak met andere
koolstofatomen. Het koolstofatoom doet dat echter op meerdere manieren: de afbeeldingen tonen het voorkomen van grafiet en diamant. Die twee
VA
N
IN
stoffen bevatten enkel koolstofatomen.
Afb. 33 Diamant
Afb. 32 Grafiet
Niet-metalen die als enkelvoudige stof voorkomen als verbindingen van meerdere atomen
uk
©
B
Zoals je al weet, wordt het aantal atomen in een verbinding weergegeven door een index.
st
Voor de niet-metalen die uit meerdere atomen in een verbinding voorkomen, gelden deze regels:
• de formule wordt gevormd door het symbool van het atoom te gebruiken,
of d
vergezeld van een index die aangeeft hoeveel atomen er in de verbinding zitten;
• de stof draagt de naam van het element, maar de naam van het element
fh o
wordt voorafgegaan door een Grieks telwoord dat het aantal atomen in
samenstelling van de ATMOSFEER
pr oe
zuurstofgas
O2
O2
20.95%
zuurstofgas
N2
0.93% Argon
Ar 0.000009 % 0.0018 % 0.0005 % 0.0001 % 0.038 %
xenon neon waterstofgas krypton koolstofdioxide
78.08%
stikstofgas
98
THEMA 03
HOOFDSTUK 3
CO2
de molecule weergeeft.
We sommen die bewuste Griekse telwoorden even op. De gemarkeerde moet je kennen, de andere komen later aan bod. 1
2
3
4
5
mono 6
di 7
tri 8
tetra 9
penta
hexa
hepta
octa
nona
deca
Voorbeeld:
• O2 of dizuurstof • N2 of distikstof
10
Let op! Van sommige enkelvoudige niet-metalen bestaan er meerdere
verbindingen. Naast dizuurstof of O2 bevat de hogere atmosfeer bijvoorbeeld ook trizuurstof of O3.
De meeste niet-metalen zullen echter verbindingen van 2 atomen vormen (O2, N2, I2, Cl2 …). We spreken daarom ook over diatomaire moleculen.
IN
TIP
• Het woord BrINClHOF bevat alle niet-metalen die in een enkelvoudige stof diatomair voorkomen.
• Om de niet-metalen S8, P4 en O3 te onthouden, zul je je geheugen
VA
N
moeten gebruiken!
Naast de wetenschappelijke naam wordt vaak een triviale naam voor de stof gebruikt, een soort bijnaam voor de stof zeg maar.
De enkelvoudige niet-metalen die bij kamertemperatuur gasvormig
©
zijn, krijgen vaak een triviale naam waarbij het Griekse telwoord wordt weggelaten en het woordje ‘gas’ aan de naam wordt toegevoegd.
uk
In deze tabel vind je enkele voorbeelden:
Wetenschappelijke naam
Triviale naam
O2
dizuurstof
zuurstofgas
st
Enkelvoudige stof
H2
of d
N2
Cl2
diwaterstof
waterstofgas
dichloor
chloorgas
distikstof
pr oe
fh o
Afb. 34 Wetenschappelijke en triviale naam van stoffen
stikstofgas
Let op: het Griekse telwoord wordt weggelaten in de triviale naam.
Zo is distikstofgas een foute benaming voor N2. Je zegt ofwel distikstof (wetenschappelijke naam) of stikstofgas (triviale naam), maar geen combinatie.
Afb. 35 Stikstofgas of distikstof (N2)
THEMA 03
HOOFDSTUK 3
99
OPDRACHT 10
Bekijk het bolschil- of bolstaafmodel van een aantal niet-metalen. Vul de bijbehorende formule, wetenschappelijke naam én triviale naam in (als die laatste bestaat). TIP
Bolschil- of bolstaafmodel
Chemische formule
Wetenschappelijke naam
Triviale naam
H2
diwaterstof
waterstofgas of knalgas
VA
2
O2
3
4
st
O3
©
uk
N2
of d
fh o
6
N
1
5
IN
De stoffen in deze tabel moet je goed kennen! Die zul je later nog veel gebruiken.
F2
Cl2
chloorgas
P4
witte fosfor
S8
-
pr oe
7
8
100
THEMA 03
HOOFDSTUK 3
3.3 Metalen
Van alle bekende metalen wordt ijzer het meest gebruikt. Omdat ijzer
goedkoop, sterk en makkelijk bewerkbaar is, kent het veel toepassingen in
IN
vervoermiddelen, schepen en voor het bouwen van grote constructies.
Zuivere metalen bestaan in enkelvoudige vorm uit slechts één atoomsoort. • De stof krijgt de naam van het element, soms gevolgd door het achtervoegsel ‘-metaal’.
Voorbeeld Fe kan dus verschillende
©
betekenissen hebben:
VA
N
• Als formule wordt het symbool van het betreffende metaal gebruikt.
• het element ijzer
• de stof ijzermetaal
Afb. 36 Een smid bewerkt de stof ijzermetaal om een hoefijzer voor een paard te maken.
st
uk
• een atoom ijzer
of d
Enkelvoudige stoffen krijgen een wetenschappelijke naam: Niet-metalen
• De wetenschappelijke naam wordt gevormd door de index te lezen als
pr oe
fh o
Grieks voorvoegsel, gevolgd door de naam van het element.
Voorbeeld: O2 = dizuurstof.
• De meeste niet-metalen zijn diatomair, bv. O2.
• Uitzonderingen zijn C, S8 en P4 en de edelgassen.
• Voor edelgassen wordt de naam van het element gebruikt om de stof te benoemen; zij zijn monoatomair.
• Sommige niet-metalen krijgen een triviale naam. Daarbij wordt de naam van het element meestal gevolgd door ‘gas’. De index wordt daarbij niet gelezen. Voorbeeld: O2= zuurstofgas
• Ozon is de triviale naam voor O3.
Metalen
Bij metaal wordt het achtervoegsel ‘metaal’ soms toegevoegd aan de naam van het element. Voorbeeld: Fe = de stof ijzermetaal. ` Maak oefening 9.
THEMA 03
HOOFDSTUK 3
101
THEMASYNTHESE SYNTHESE
1 Hoe kunnen we een chemische stof voorstellen?
Namen en symbolen van elementen
• element of atoomsoort = de verschillende atomen of deeltjes • atoom = deeltje dat tot bepaalde atoomsoort behoort
Elk element heeft universeel hetzelfde symbool. Die universele symbolentaal communiceren.
IN
zorgt ervoor dat wetenschappers over de hele wereld met elkaar kunnen
• Het aantal atomen in een molecule wordt weergegeven door een index.
• De index 1 wordt niet vermeld.
• Een coëfficiënt geeft weer wat het aantal moleculen is.
VA
N
3 SO2
Symbolische voorstelling
©
van een chemische stof
uk
• 3 SO2 staat voor 3 moleculen SO2.
• SO2 is de formule.
• 3 moleculen bestaande uit telkens 1 zwavelatoom en 2 zuurstofatomen
st
• Met een specifieke kleurcode worden de elementen weergegeven. • Het aantal atomen wordt duidelijk weergegeven.
• In het bolstaafmodel worden de bindingen tussen de atomen visueel
of d
getoond.
Bolstaaf- en bolschilmodellen
pr oe
fh o
van een chemische stof
102
THEMA 03
THEMASYNTHESE
Afb. 37 Het bolstaafmodel (L) en het bolschilmodel (R) van water
2 Kunnen we zuivere stoffen nog verder indelen? Zuivere stoffen worden verder onderverdeeld in:
- enkelvoudige stoffen kunnen niet meer verder ontleed worden,
enkelvoudige stof
ze bestaan uit één soort atomen;
- samengestelde stoffen kunnen meestal verder ontleed worden,
ze bestaan uit meerdere soorten atomen.
IN
samengestelde stof
3 Welke naam krijgen de enkelvoudige stoffen?
Metalen
Niet-metalen bestaan uit 1 of meerdere atomen.
N
Niet-metalen
diatomair.
Edelgassen zijn monoatomair.
De wetenschappelijke naam wordt
De wetenschappelijke naam wordt
Bv.: O2 = de stof dizuurstof
Sommige niet-metalen krijgen
een triviale naam. Daarbij wordt
de naam van het element gevolgd door ‘gas’. Griekse voorvoegsels
het element ‘metaal’ toe te voegen.
Bv.: He = de stof helium
Bv.: Fe = ijzermetaal
of d
worden dan weggelaten.
element.
gevormd door achter de naam van
©
met de naam van het element.
De wetenschappelijke naam wordt
uk
Grieks voorvoegsel, gecombineerd
gevormd door de naam van het
symbool van het betrokken metaal.
st
gevormd door de index te lezen als
Metalen hebben als formule het
VA
De meeste niet-metalen zijn
Bv.: O2 = zuurstofgas
Koolstof komt als enkelvoudige
fh o
stof in meerdere vormen voor;
het wordt voorgesteld door het symbool C en de naam van het
pr oe
element: koolstof.
BEKIJK KENNISCLIP
THEMA 03
THEMASYNTHESE
103
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis
• Ik ken de symbolen van de elementen.
• Ik ken de namen van enkelvoudige stoffen (metalen, niet-metalen).
• Ik kan zuivere stoffen verder onderverdelen in enkelvoudige en samengestelde stoffen.
• Ik ken het verschil tussen een wetenschappelijke naam en een triviale naam.
2 Onderzoeksvaardigheden
• Ik kan een chemische formule interpreteren.
• Ik kan een bolstaaf- en bolschilmodel herkennen en interpreteren. interpreteren.
©
invullen bij je Portfolio.
pr oe
fh o
of d
st
uk
` Je kunt deze checklist ook op
VA
• Ik kan de symbolische voorstelling van een chemische stof schrijven en
104
THEMA 03
CHECKLIST
N
• Ik ken het verschil tussen een enkelvoudige en een samengestelde stof.
IN
• Ik ken de betekenis van een index en een coëfficiënt.
CHECK IT OUT
Klein detail, groot verschil. 1 De twee kinderen van de tandarts hebben dorst. Ze lopen naar binnen en zien in de koelkast twee glazen staan.
N
IN
Van welk glas drinken ze best niet?
VA
2 Een koppel is aan het barbecuen wanneer het plots begint te regenen. Ze zetten de barbecue binnen. Na een tijdje vallen ze beiden flauw. Door zuurstofgebrek is er een gevaarlijk gas gevormd.
of d
st
uk
©
a Welk van de onderstaande voorstellingen zou dat gas kunnen zijn? b Ken je de naam van het gevaarlijke gas, dat ook wel de stille moordenaar genoemd wordt?
3 Jouw leerkracht werd getroffen door het coronavirus en komt terecht in het ziekenhuis met
pr oe
fh o
ademhalingsproblemen. Welke fles gas moet de verpleegster toedienen?
!
Kleine fouten in formules kunnen grote gevolgen hebben.
Een stof wordt genoteerd in een formule. Ze geeft informatie over het soort atomen dat in de stof voorkomt en het exacte aantal waarin dat gebeurt.
Een stof wordt driedimensionaal voorgesteld in een model waarbij elk element een specifieke kleur heeft.
THEMA 03
CHECK IT OUT
105
AAN DE SLAG
Vul de tabel aan met de juiste naam of het juiste symbool voor elk element.
H
Cu
Fe
P
O
Ne
tin fluor
stikstof
aluminium calcium chloor
Vul de tabel aan. In de eerste kolom vind je de coëfficiënten en indexen van een stof.
pr oe
Coëfficiënten en indexen van de stof Cl2O7 3 HNO3
2 PCl3
THEMA 03
lood
of d K
5 NH3
106
helium
fh o
2
zilver
IN
Na
S
N
Au
VA
Naam element
©
Universeel symbool
uk
1
st
AAN DE SLAG
Totaal aantal atomen van elk element
3
Vul de tabel aan.
b Noteer in kolom 3 de coëfficiënten en indexen van de stof.
a Noteer in kolom 2 de formule.
bestaande uit 2 waterstofatomen, 1 zwavelatoom en 4 zuurstofatomen.
3 moleculen van een enkelvoudige stof, elk bestaande uit 4 fosforatomen.
2 moleculen van een samengestelde stof, bestaande uit 1 stikstofatoom en 2 zuurstofatomen.
4 moleculen van een enkelvoudige stof, elk bestaande uit 3 zuurstofatomen.
N
1 molecule van een samengestelde stof,
Bolstaafmodel of bolschilmodel
uk
Model
©
Bekijk de bolstaaf- of bolschilmodellen. Duid het juiste antwoord aan.
fh o
of d
st
bolstaafmodel bolschilmodel
pr oe
4
Coëfficiënten en indexen van de stof
Formule
IN
Omschrijving
VA
bolstaafmodel bolschilmodel
bolstaafmodel bolschilmodel
THEMA 03
AAN DE SLAG
107
Bekijk de bolstaaf- of bolschilmodellen. Vul de tabel verder aan. Bolstaafmodel of bolschilmodel
bolstaafmodel bolschilmodel
bolstaafmodel bolschilmodel
IN
Duid aan of het een enkelvoudige of samengestelde stof is.
©
6
Chemische formule
N
Model en chemische formule
VA
5
Chemische stof CH3COOH
Enkelvoudige of samengestelde stof?
enkelvoudige stof samengestelde stof
uk
enkelvoudige stof samengestelde stof
fh o
of d
st
(formule van azijn)
pr oe
(modelstructuur van cholesterol)
108
THEMA 03
(bolstaafmodel van chloorgas)
AAN DE SLAG
S8
(formule van octazwavel)
enkelvoudige stof samengestelde stof
enkelvoudige stof samengestelde stof
Duid aan: enkelvoudige stof of samengestelde stof. waterstofgas (H2)
enkelvoudige stof samengestelde stof
Bij de verbranding van suiker wordt koolstof,
enkelvoudige stof samengestelde stof
enkelvoudige stof samengestelde stof
zuiver water
water en CO2 gevormd. Suiker is een …
Na een kampvuur blijft er van de houtblokken enkel nog roet over. Roet is een …
N
Plaats in de juiste kolom:
gedestilleerd water – kraantjeswater – koolstof – waterstofgas – zuurstofgas – wijn – zand in een glas water – zout in een glas water
Enkelvoudige stof
Samengestelde stof
Homogeen mengsel
©
Heterogeen mengsel
Vul de volgende tabel aan met de wetenschappelijke en triviale namen van enkelvoudige stoffen.
O3
Cl2
fh o
Wetenschappelijke naam
st
Enkelvoudige stof
of d
9
enkelvoudige stof samengestelde stof
uk
8
IN
7
VA
argon
stikstofgas
.
pr oe
` Verder oefenen? Ga naar
kopermetaal
Triviale naam
THEMA 03
AAN DE SLAG
109
Notities
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
110
THEMA 03
KENMERKEN VAN EEN CHEMISCHE REACTIE
THEMA 04
112
VERKEN
113
IN
CHECK IN
` HOOFDSTUK 1: Wat is een chemische reactie?
N
115
genoteerd?
©
2.1 Reagentia en reactieproducten 2.2 Wet van behoud van atomen 2.3 Wet van behoud van massa
VA
` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een chemische reactie
119
119 120 124
als energiebron?
uk
` HOOFDSTUK 3: Welk nut hebben chemische reacties
st
3.1 Chemische energie 3.2 Exo-energetische reacties 3.3 Endo-energetische reacties
of d
THEMASYNTHESE CHECKLIST
126 126 128 131 135 137
PORTFOLIO
fh o
CHECK IT OUT AAN DE SLAG
138 139
pr oe
OEFEN OP DIDDIT
111
CHECK IN
Waarom rijst brood? Als je een brood bakt, is het rijzen van het deeg belangrijk om een luchtig brood te krijgen. Maar wat gebeurt er dan eigenlijk precies? We testen welke reactie/stof ervoor zorgt dat brood rijst.
IN
WAT HEB JE NODIG?
balans – erlenmeyer – proefbuis – ballon – maatcilinder – één koffielepel bakpoeder – 10 ml azijn HOE GA JE TE WERK?
2 Breng de balans op nul door te tarreren.
3 Breng een koffielepel bakpoeder in de erlenmeyer.
N
1 Plaats de erlenmeyer, de proefbuis en de ballon (die je eerder al eens opblies) naast elkaar op de balans.
5 Plaats de proefbuis in de erlenmeyer.
6 Plaats de ballon zoals op afbeelding 38 op de erlenmeyer.
VA
4 Breng met behulp van de maatcilinder 10 ml azijn in de proefbuis.
©
7 Weeg het geheel en noteer de totale massa voor de reactie in de tabel, in de kolom ‘Eigen meting’. Schrap wat niet past.
Afb. 38
uk
WAT VERWACHT JE?
Nadat de stoffen bij elkaar zijn gebracht, zal de gemeten massa lager / gelijk / hoger zijn. WAT GEBEURT ER?
st
• Kantel de erlenmeyer, waardoor de azijn in contact komt met het bakpoeder. Je merkt dat er een chemische reactie optreedt. Weeg het geheel en noteer de totale massa na de reactie in de tabel.
• Bereken het verschil in massa voor en na de reactie.
of d
• Verwijder de ballon en leg hem op de balans. Noteer de massa.
• Verzamel gegevens van twee andere klasgenoten in de derde en vierde kolom. Wat stel je vast?
fh o
Meting
massa voor de reactie (g)
massa na de reactie (g)
verschil in massa voor en na de reactie (g)
pr oe
massa na verwijderen ballon (g) HOE ZIT DAT?
Eigen meting
Meting klasgenoot 1
Meting klasgenoot 2
Welk gas zorgt voor het rijzen van het brood? Misschien kan dit helpen: bakpoeder bevat een stof met formule NaHCO3.
Welke belangrijke wet geldt tijdens een chemische reactie en heb je nu bewezen tijdens deze proef?
` Wat gebeurt er tijdens een chemische reactie? ` Welke wetten zijn geldig tijdens een chemische reactie?
` Hoe kan een chemische reactie nuttig zijn voor ons? Wanneer vormt ze een probleem?
112
THEMA 04
CHECK IN
?
VERKEN
Energiebronnen in de natuur OPDRACHT 1
Wat weet je nog over energiebronnen uit de lessen natuurwetenschappen? 1 Welke energiebron herken je? Vul aan.
Energiebron
IN
2 Komt de beschikbare energie rechtstreeks uit een chemische reactie? Kruis aan.
De beschikbare energie …
N
21
komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.
VA
st
3
komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.
komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.
komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.
of d
pr oe
5
fh o
4
komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.
uk
©
2
3 Bekijk de applet waarin de verschillende energiebronnen eenvoudig worden voorgesteld.
BEKIJK DE APPLET
THEMA 04
VERKEN
113
OPDRACHT 2
Bekijk de energieomzettingen op de afbeeldingen. Duid aan welke energieomzetting er plaatsvindt bij de volgende afbeeldingen. Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
IN
stralingsenergie fotosynthese
celademhaling
chemische energie stralingsenergie
thermische energie chemische energie stralingsenergie thermische energie
thermische energie
uk
Afb. 39 De energiecyclus
ATP
chemische energie elektrische energie chemische energie kinetische energie
thermische energie chemische energie chemische energie thermische energie
fh o
of d
st
chemische energie
stralingsenergie chemische energie
©
mitochondrium
N
C6H12O6 + O2
VA
chloroplast
CO2 + H2O
Afb. 40
pr oe
Energieomzetting
114
THEMA 04
VERKEN
Stoffen bezitten chemische energie. Chemische energie kan omgezet worden in andere energievormen, en omgekeerd.
HOOFDSTUK 1
IN
Wat is een chemische reactie? LEERDOELEN Je kunt al:
toelichten.
Je leert nu:
L het principe van een chemische reactie begrijpen;
L een chemische reactie duiden als
OPDRACHT 3 DEMO
IJzer en magnesium
N
Wist je toen dat je twee verschillende wetenschappen beoefende: chemie en fysica? Je hebt met
andere woorden een chemisch of fysisch proces uitgevoerd. • Tijdens een chemisch proces worden nieuwe stoffen gevormd.
• Tijdens een fysisch proces worden geen nieuwe stoffen gevormd maar veranderen stoffen eventueel van aggregatietoestand.
st
een herschikking van atomen.
marshmallows gekaramelliseerd of chocolademelk verwarmd?
VA
L de formule van zuurstofgas (O2)
gemaakt? Misschien heb je tijdens een koude winteravond
©
en een samengestelde stof toelichten;
Heb je met vrienden of familie al eens een kampvuur
uk
L het verschil tussen een enkelvoudige
of d
Je leerkracht houdt achtereenvolgens een ijzeren spijker en een stukje magnesiumlint met behulp van een klem in de vlam van een bunsenbrander. !
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
fh o
Kijk niet rechtstreeks in de vlam.
pr oe
1 Wat neem je waar? Noteer in de tabel.
ijzeren spijker
magnesiumlint
Waarneming
2 Is dit een chemisch of een fysisch proces? Kruis aan in de tabel.
Afb. 41 Verbranden van magnesium
Soort proces?
chemisch proces fysisch proces chemisch proces fysisch proces
THEMA 04
HOOFDSTUK 1
115
OPDRACHT 4
Beantwoord de vragen. 1 Voer je bij de volgende acties een fysisch of chemisch proces uit? Duid aan en verklaar je antwoord. Verklaring
chemisch proces fysisch proces
b chocolademelk verwarmen
c marshmallows karamelliseren
chemisch proces fysisch proces
IN
Soort proces
chemisch proces a hout in een kampvuur verbranden fysisch proces
VA
2 Waarom is ‘marshmallows smelten’ wetenschappelijk niet correct? Leg uit.
N
Actie
uk
©
WEETJE
Je leerde een chemisch proces duidelijk onderscheiden van een fysisch proces. Maar net als andere wetenschappen, hebben
natuurwetenschappen
biologie
fysicochemie
de vorige thema’s begrippen kennen die ook bij fysica belangrijk
zijn, bv. de relatie elektronen – elektriciteit – geleidbaarheid en de
of d
biofysica
chemie en fysica ook verschillende raakvlakken. Zo leerde je in
st
fysica
coulombkracht.
chemie
fh o
biochemie
Ook chemie en biologie staan niet naast elkaar, maar ondersteunen elkaar. Zo is water het belangrijkste oplosmiddel in ons lichaam,
waarin bv. hormonen verplaatst worden naar de organen. Dat leidt
tot overkoepelende vakken in het hoger onderwijs, zoals biochemie, fysicochemie of biofysica.
Denk dus niet in vakjes, maar bundel de wetenschappen tot één geheel. Ook in de industrie werken verschillende wetenschappers samen. In het filmpje kun je zo’n samenwerking zien
pr oe
bij ExxonMobil. Je zult merken dat STEM-vakken een centrale rol spelen in het bedrijf.
• Tijdens een chemisch proces ontstaan nieuwe stoffen.
• Tijdens een fysisch proces worden geen nieuwe stoffen gevormd. De aanwezige stof verandert bv. van aggregatietoestand.
` Maak oefening 1 en 2.
116
THEMA 04
HOOFDSTUK 1
BEKIJK DE VIDEO
De verandering die bij een chemisch proces plaatsvindt, noemen we een chemische reactie.
In opdracht 3 heb je bij magnesium een verbrandingsreactie uitgevoerd. Een verbranding is een reactie tussen een stof en zuurstofgas (O2).
• Bij de verbranding van een enkelvoudige stof ontstaat er een binding
tussen het atoom van de enkelvoudige stof en de zuurstofatomen van
C
CO2
Afb. 42 De verbranding van koolstof
N
O2
IN
zuurstofgas. Die gevormde stof wordt een oxide genoemd.
• Bij de verbranding van een samengestelde stof zal met elk atoom van de samengestelde stof een oxide gevormd worden. Zo ontstaat bij de
VA
volledige verbranding van methaangas (CH4) koolstofdioxide of CO2 en
©
water of H2O.
CH4
CO2
2 H2O
uk
2 O2
Afb. 43 De verbranding van methaangas
Een verbrandingsreactie is een reactie tussen een stof en zuurstofgas
st
waarbij oxiden gevormd worden.
of d
WEETJE
Tijdens een verbrandingsreactie van een brandstof
pr oe
fh o
wordt meestal koolstofdioxide (CO2) gevormd. We
spreken dan van een volledige verbranding. Tijdens een onvolledige verbranding wordt er koolstof-
monoxide (CO) gevormd. CO ontstaat door een tekort aan zuurstofgas (O2) in de ruimte: niet alle koolstofatomen kunnen binden met
voldoende zuurstofatomen, waardoor er naast koolstofdioxide (CO2)
ook koolstofmonoxide (CO) ontstaat. Een slecht functionerende
schoorsteen of boiler kan aan de basis liggen van de vorming van
koolstofmonoxide. In het weerbericht wordt vaak gewaarschuwd voor koolstofmonoxide- of CO-vergiftiging. Koolstof-monoxide is een
geurloos gas en wordt vaak ‘de stille doder’ genoemd. Om die reden
wordt het aangeraden om CO-melders aan te brengen in een woning. Tijdens een chemische reactie, zoals een verbrandingsreactie, worden de
aanwezige atomen herschikt. Er worden geen atomen extra gevormd en er verdwijnen geen atomen. Er ontstaan nieuwe stoffen met een specifieke formule.
Een chemische reactie wordt genoteerd in een reactievergelijking, waarbij
een eenrichtingspijl aanduidt welke stoffen worden omgezet en welke stoffen worden gevormd. Formules van stoffen mogen niet aangepast worden in een
reactievergelijking. In opdracht 5 leer je hoe je een chemische reactie noteert in een reactievergelijking.
THEMA 04
HOOFDSTUK 1
117
OPDRACHT 5
Stel reactievergelijkingen op.
TIP
1 Denk nog eens terug aan de verbrandingsreactie reactievergelijking uit te schrijven.
Een reactievergelijking wordt genoteerd als
a Noteer het symbool voor magnesium.
natuurlijk variëren.
van magnesium. Probeer stapsgewijs een
gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen).
b Welke chemische stof voeg je toe bij een verbranding? Noteer de formule.
N
IN
Het aantal stoffen voor en na de pijl kan
c Het witte poeder dat gevormd is, heeft als formule MgO. Schrijf de reactievergelijking op. + → 2
VA
2
2 Je leerkracht herhaalt de verbrandingsreactie van magnesium (demo-opdracht 3) en voegt water toe aan het witte poeder dat gevormd werd tijdens de verbrandingsreactie.
©
a Na de proef voegt je leerkracht fenolftaleïne toe aan het gevormde product. Noteer je waarneming.
c Schrijf de reactievergelijking op.
st
→
uk
b De kleur die je observeert, wijst op het ontstaan van een basisch milieu. Door het toevoegen van water is immers een nieuwe stof gevormd, magnesiumhydroxide met als formule Mg(OH)2.
of d
3 Noteer nog eens de twee reactievergelijkingen.
4 Wat stel je vast met betrekking tot de atomen?
fh o
5 Bij de eerste reactievergelijking waren er al cijfers gegeven in de oplossing. Wat is daarvoor de reden, denk je?
pr oe
Tijdens een chemische reactie worden de aanwezige atomen herschikt om zo nieuwe stoffen met nieuwe stofeigenschappen te vormen.
Een chemische reactie wordt genoteerd in een reactievergelijking. gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen)
118
THEMA 04
HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2
IN
Hoe wordt een chemische reactie genoteerd? LEERDOELEN Je kunt al:
N
L toelichten dat tijdens een chemische reactie atomen L toelichten dat een index in een formule van een chemische stof het aantal atomen van dat element (of van de atoomgroep) in de verbinding weergeeft.
L een onderscheid maken tussen een index en een coëfficiënt.
In hoofdstuk 1 heb je geleerd dat de
©
Je leert nu:
VA
herschikt worden ter vorming van nieuwe stoffen;
verandering die plaatsvindt tijdens een
L de opbouw van een reactievergelijking begrijpen en de L een aflopende reactie herkennen;
chemisch proces een chemische reactie
L een reactievergelijking in evenwicht brengen door rekening
heb je telkens een bijhorende
reactievergelijking genoteerd.
Welke onderdelen kun je herkennen in een reactievergelijking?
of d
st
te houden met behoud van atomen.
wordt genoemd. In de opdrachten
uk
onderdelen aanduiden;
pr oe
fh o
2.1 Reagentia en reactieproducten
WEETJE
In de toekomst zul je leren dat sommige reacties
In een reactievergelijking worden de gebruikte stoffen, uitgangsstoffen of
reagentia (enkelvoud: reagens) omgezet en worden andere stoffen gevormd: de reactieproducten.
In een reactievergelijking wordt gebruikgemaakt van een enkele
eenrichtingspijl (→) die de overgang aanduidt van de reagentia naar de reactieproducten. Zo wordt aangeduid dat zeker één reagens volledig
omgezet wordt in reactieproducten: we spreken van een aflopende reactie. Dat wordt benadrukt door de pijl die enkel van links naar rechts wijst.
gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen) reagentia
reactieproducten
niet volledig aflopen. Je zult dan gebruikmaken
Let op:
en we spreken van een evenwichtsreactie.
Je mag als pijl niet ⇒ gebruiken. Gebruik ook niet het gelijkheidsteken (=), want de reactieproducten zijn andere stoffen dan de reagentia.
van een dubbele pijl ⇄
THEMA 04
HOOFDSTUK 2
119
Een reactievergelijking wordt als volgt genoteerd:
gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen) reactieproducten
IN
reagentia
OPDRACHT 6
Bekijk opnieuw de reactievergelijkingen uit opdracht 5.
N
1 Omcirkel de reagentia met rood.
VA
2 Omcirkel de reactieproducten met blauw.
OPDRACHT 7
Leg uit.
st
uk
2.2 Wet van behoud van atomen
©
2 Mg + O2 → 2 MgO MgO + H2O → Mg(OH)2
In een reactievergelijking staat soms een getal voor de formule van een reagens of reactieproduct,
of d
bv. 2 Al + 3 Cl2 → 2 AlCl3
Waarom? Verklaar.
pr oe
fh o
In thema 3 leerde je al dat de getallen die voor de formules in een
reactievergelijking staan voorgetallen of coëfficiënten genoemd worden.
Door het toevoegen van de juiste coëfficiënten in een reactievergelijking
houd je rekening met een belangrijke wet: de wet van behoud van atomen. De wet van behoud van atomen In een reactievergelijking zijn links en rechts van de reactiepijl evenveel
atomen van elke soort aanwezig. Er worden geen nieuwe atomen gecreëerd, er gaan ook geen atomen verloren.
In deze applet leer je op een eenvoudige manier waarom je coëfficiënten plaatst in een reactievergelijking, bv. door het maken van een croque-monsieur. 120
THEMA 04
HOOFDSTUK 2
OPEN DE APPLET
OPDRACHT 8
Noteer de volledige reactievergelijking van de verbranding van magnesium. 1 Pas de wet van behoud van atomen toe op de verbranding van magnesium. Wanneer we de reagentia en de reactieproducten in een reactievergelijking schrijven, krijgen we: Mg + O2 → MgO
IN
a In de formule van zuurstofgas staat een 2. Wat is de wetenschappelijke term voor dat getal?
b Hoeveel O-atomen komen er voor: • bij de reagentia? Ja Nee
VA
c Is de wet van behoud van atomen voor O gerespecteerd?
N
• bij de reactieproducten?
2 Opdat een reactievergelijking zou kloppen, worden de getallen voor de formules, de coëfficiënten, aangepast. Het getal 1 wordt niet vermeld. Mg + O2 →
©
a Pas de coëfficiënten aan zodat voor en na de pijl evenveel O-atomen voorkomen. MgO
Ja Nee
uk
b Is de wet van behoud van atomen voor Mg gerespecteerd?
Mg + O2 → MgO
st
c Pas de coëfficiënten aan zodat voor en na de pijl evenveel Mg-atomen voorkomen. 3 Zo krijg je de finale reactievergelijking van de verbranding van magnesium.
of d
4 Scan de QR-code. Op deze website kun je een reactie tussen waterstofgas (H2)
pr oe
fh o
en zuurstofgas (O2) uitvoeren. Lukt het je om water (H2O) te vormen?
BEKIJK DE WEBSITE
In een reactievergelijking worden altijd de juiste formules van een chemische stof genoteerd. Je hebt in thema 3 geleerd dat een index aangeeft hoeveel atomen van een bepaald element voorkomen in een verbinding.
Een index mag je niet veranderen om het behoud van atomen toe te passen. Een formule is een vaste combinatie van atomen in een molecule.
THEMA 04
HOOFDSTUK 2
121
• Betekenis van de getallen in een reactievergelijking
Het geeft aan hoeveel deeltjes er gaan reageren.
Dit getal noem je de index. Het
geeft aan hoeveel atomen van de
voorafgaande atoomsoort per molecule
IN
Dit getal noem je de coëfficiënt.
3 CO2
of formuleenheid aanwezig zijn.
• Om de wet van behoud van atomen in orde te brengen, moet je in een reactievergelijking de coëfficiënten aanpassen.
N
• De indices in een formule mag je niet veranderen.
VA
OPDRACHT 9
Stel de reactievergelijking van de chemische reactie op.
Waterstofchloride (HCl) reageert met calciumhydroxide (Ca(OH)2), waarbij calciumchloride (CaCl2) en
©
water (H2O) gevormd worden.
1 Welke stoffen zijn de reagentia?
uk
2 Welke stoffen zijn de reactieproducten?
st
of d
3 Noteer de stoffen in de reactievergelijking.
4 Vul het aantal atomen van elk element in, zowel bij de reagentia als bij de reactieproducten. Bij de reagentia
H
Ca
fh o
H
Cl
Ca
pr oe
O
Bij de reactieproducten
Cl O
TIP Bij het plaatsen van coëfficiënten
eindig je met het gelijkstellen van de O- en de H-atomen.
5 Je merkt dat het behoud van Ca in orde is. Plaats coëfficiënten zodat het behoud van Cl in orde is.
6 Vul het nieuwe aantal atomen van elk element in, zowel bij de reagentia als bij de reactieproducten. Bij de reagentia
H
H
Ca
Ca
Cl O
122
THEMA 04
Bij de reactieproducten
HOOFDSTUK 2
Cl O
7 Plaats de coëfficiënten zodat het behoud van O in orde is.
8 Vul het aantal atomen van elk element in, zowel bij de reagentia als bij de reactieproducten.
H
H
Ca
Ca
Cl
Cl
O
9 Wat merk je bij de H-atomen?
O
IN
Bij de reactieproducten
N
Bij de reagentia
VA
11 Maak nu de onderstaande reactie kloppend. Fe +
O2
Fe2O3
uk
©
10 Noteer de finale reactievergelijking.
st
Je hebt in de vorige opdrachten enkele reactievergelijkingen opgesteld en de wet van behoud van atomen toegepast. Zo vond je bij opdracht 9, vraag 11: 4 Fe + 3 O2 → 2 Fe2O3.
of d
Die coëfficiënten moeten zo laag mogelijk zijn. De reactievergelijking
8 Fe + 6 O2 → 4 Fe2O3 is fout. Alle coëfficiënten kunnen immers gedeeld worden door 2. Het kan dus dat je op het einde alle coëfficiënten nog
pr oe
fh o
moet delen door een gelijke factor.
Een chemische reactie wordt voorgesteld door een reactievergelijking: reagentia → reactieproducten
Het aantal atomen van elk element moet zowel links als rechts van de pijl gelijk zijn (wet van behoud van atomen). Daarom worden coëfficiënten geplaatst voor
de formules van de reagentia en reactieproducten. Die moeten zo laag mogelijk zijn.
` Maak oefening 3 t/m 9.
THEMA 04
HOOFDSTUK 2
123
2.3 Wet van behoud van massa
OPDRACHT 10 DEMO
!
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Fe
S8
N
7 g ijzer en 4 g zwavel worden afgewogen.
IN
Je leerkracht voert de reactie tussen ijzer en zwavel uit.
waarnemingen. Stof ijzer
Eigenschappen
uk
zwavel
©
VA
1 Observeer de eigenschappen van de stoffen en breng een magneet bij elk van de stoffen. Noteer je
Magnetisch
ja nee ja nee
2 De stoffen worden samen in een kroesje gebracht en verwarmd met de bunsenbrander. Er ontstaat een nieuwe stof, ijzersulfide (FeS). Noteer je waarnemingen.
Magnetisch ja nee
of d
reactieproduct (FeS)
Eigenschappen
st
Stof
3 Noteer je besluit.
fh o
4 Bepaal eens de massa van het reactieproduct. Wat stel je vast?
pr oe
124
THEMA 04
HOOFDSTUK 2
Atomen hebben een vaste atoommassa. Die kennis gecombineerd met de wet van behoud van atomen, leidt direct naar de wet van Lavoisier of de wet van het behoud van massa.
De totale massa voor en na een chemische reactie is gelijk. mreagentia = mreactieproducten
WEETJE Dat de wet van behoud van massa bijzonder belangrijk is, kun je
illustreren met tal van voorbeelden uit het dagelijks leven. Zo kunnen
er in de natuur noch atomen noch atoomsoorten ‘verdwijnen’ door
IN
chemische processen. Het ontstaan van industrieel afval is dus een
onontkoombaar gevolg van de wet van massabehoud. De chemische industrie houdt zich dan ook steeds bezig met het recycleren van
N
allerlei restmateriaal. Daarnaast wordt er gezocht naar nieuwe processen om zo weinig mogelijk afval te produceren.
BEKIJK VIDEO 2
chemie in de recyclage van stoffen.
uk
©
BEKIJK VIDEO 1
VA
Bekijk de video’s over de rol van
De wet van Lavoisier
De totale massa voor en na een chemische reactie is gelijk.
st
mreagentia = mreactieproducten
of d
` Maak oefening 10 t/m 12.
Tijdens een chemische reactie geldt behoud van
massa. Maar geldt ook behoud van volume als we
bijvoorbeeld water en ethanol mengen? Je kunt het testen in een simpel proefje.
BEKIJK DE PROEF
pr oe
fh o
WEETJE
WEETJE
Lavoisier is niet de enige wetenschapper die een wet definieerde voor een chemische reactie. Zo toonde Proust aan dat stoffen altijd in een vaste massaverhouding met elkaar reageren: de wet van de massaverhoudingen of de wet van Proust.
Die wet heb je toegepast bij opdracht 10: ijzer en zwavel zullen steeds in een
massaverhouding van 7 g : 4 g met elkaar reageren ter vorming van ijzersulfide.
Wanneer bijvoorbeeld 10 g ijzer bij 4 g zwavel wordt gebracht, zal er 3 g ijzer niet
wegreageren. IJzer is in overmaat aanwezig, terwijl zwavel te weinig aanwezig is. In chemie wordt zwavel dan het ‘limiterend reagens’ genoemd.
Louis Joseph Proust
THEMA 04
HOOFDSTUK 2
125
HOOFDSTUK 3
IN
Welk nut hebben chemische reacties als energiebron? LEERDOELEN Je kunt al:
Je leert nu:
L dat chemische reacties gebruikt kunnen worden als energiebron voor toepassingen in het dagelijks leven;
L het verschil duiden tussen exo- en endoenergetische reacties;
tijdens de reactie.
Tijdens een chemische reactie kan dus een
energievorm (in dit geval licht- of stralingsenergie) vrijkomen, maar waar komt die energie vandaan? Welke energievormen zijn er nog?
Kan ook het omgekeerde gebeuren, met andere woorden kan er tijdens een chemische reactie energie opgenomen worden?
pr oe
fh o
of d
3.1 Chemische energie
zeker opgevallen dat er een fel wit licht verschijnt
st
energie kan leiden tot gewenste of ongewenste chemische reacties.
naar de verbranding van magnesium. Het is je
uk
L begrijpen dat de interactie tussen materie en
In dit thema werd al verschillende keren verwezen
VA
andere energievorm.
©
chemische reactie omgezet kan worden naar een
N
L toelichten dat chemische energie tijdens een
126
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
Energie kan niet ontstaan, noch gevormd worden. Dat is de wet van behoud van energie, waar je meer over zult leren in de lessen fysica. Die wet is ook
van toepassing op een chemische reactie. Wanneer we ons huis verwarmen door een open haard aan te steken, hebben we geen warmte ‘gemaakt’. De energie is vrijgekomen vanuit de verbranding van het hout: hout is
een energiebron. De energie die een chemische stof bevat, noemen we de chemische energie (of inwendige energie) (E). Grootheid chemische energie
Symbool
Eenheid
Symbool
E
Joule
J
OPDRACHT 11
Vul de tabel aan. 1 Noteer enkele voorbeelden van energievormen. 2 Noteer een proces uit het dagelijks leven waarbij die energie
Voorbeeld uit het dagelijks leven
©
VA
N
Energievorm
IN
beschikbaar wordt.
Bij glowsticks of handwarmers worden stoffen gebruikt om een energievorm
uk
te verkrijgen, respectievelijk licht en warmte.
Tijdens een chemische reactie is er meestal sprake van een verschil in chemische energie in de stoffen voor en na de reactie.
st
• De reactieproducten bezitten minder chemische energie dan de reagentia.
of d
= er is energie vrijgekomen tijdens de chemische reactie. = exo-energetische reactie
pr oe
fh o
• De reactieproducten bezitten meer chemische energie dan de reagentia. = er is energie opgenomen tijdens de chemische reactie. = endo-energetische reactie
Chemische stoffen bezitten een specifieke chemische energie-inhoud of inwendige energie (E).
Tijdens een chemische reactie geldt de wet van behoud van energie: energie
gaat niet verloren of wordt niet bijgemaakt. Energie kan wel worden omgezet
van de ene energievorm in de andere of overgedragen van het ene systeem naar het andere.
Tijdens een chemische reactie wordt dus meestal energie afgegeven
(exo-energetische reactie) of opgenomen (endo-energetische reactie).
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
127
3.2 Exo-energetische reacties
Soms is iets zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stilstaat: chemische reacties kunnen ons energie leveren. Enkele voorbeelden:
IN
• Tijdens een labo gebruik je een bunsenbrander om een proef uit te voeren (aardgas verbranden).
• Voor vuurwerk wordt gebruikgemaakt van verschillende metalen, zoals Afb. 44 De bunsenbrander bij een labo
knaleffect.
N
aluminium, natrium, magnesium en koper. Die zorgen voor het licht- en
VA
Tijdens die chemische reacties komt er energie vrij: we spreken van een
exo-energetische reactie. Uit de wet van behoud van energie kun je dan concluderen dat de reagentia meer chemische energie hebben dan de reactieproducten (ER > EP, de reactie levert energie).
©
De reactie-energie (∆E) wordt gedefinieerd als het verschil tussen de
chemische energie-inhoud van de reactieproducten (EP) en de chemische
uk
energie-inhoud van de reagentia (ER):
Afb. 45 Vuurwerk
∆E = EP – ER
st
Een exo-energetische reactie wordt bijgevolg gekenmerkt door een negatieve
of d
reactie-energie: er komt energie vrij tijdens de reactie.
exo-energetische reactie: ∆E < 0
Een exo-energetische chemische reactie kan worden weergegeven in een
pr oe
fh o
energiediagram.
E (J)
ER reactieenergie
ΔE < 0
EP
Grafiek 3 Energiediagram van een exo-energetische reactie
t (s)
Wanneer warmte vrijkomt, spreekt een chemicus van een exotherme reactie. Een bekende toepassing daarvan is de hotpack. Door het activeren van de 128
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
hotpack start een exotherme reactie: de omgevingstemperatuur stijgt.
TIP Valt het je op dat er altijd geredeneerd wordt vanuit de stoffen? De term ‘exo’ is afgeleid van het Latijn en betekent ‘uit’. Tijdens een exo-energetische reactie zal dus energie uit de stoffen komen. Kijk je naar de omgeving, dan zal de energie toenemen: bv. de omgevingstemperatuur stijgt.
IN
OPDRACHT 12 DEMO
Je leerkracht voert enkele exo-energetische reacties uit.
exotherme reactie
42 °C
N
1 Hij/zij voert de proeven uit.
25 °C
!
VA
2 Noteer je waarneming in de tabel. VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
zoutzuur
©
magnesium
HCl + NaOH
• Voeg bijtende soda-oplossing (NaOH) toe aan de zoutzuuroplossing (HCl).
pr oe
fh o
of d
Proef 2
• Vul een proefbuis voor 1/3 met zoutzuur (HCl).
• Rol het lintje Mg op en breng het in de oplossing. • Voel tijdens de hele proef aan de proefbuis.
st
• Voel tijdens de hele proef aan de proefbuis. Waarneming:
Afb. 46 Opstelling proef 2
uk
Proef 1
Waarneming:
Soms is een exo-energetische reactie net iets wat je níet wilt meemaken,
ze worden namelijk ook weleens gebruikt in een foute context. Denk maar
aan de grote hoeveelheid energie die vrijkomt bij de explosie van buskruit. Tijdens die reactie komt er niet alleen warmte vrij, maar ook kinetische energie die grote schade kan aanbrengen.
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
129
N
IN
WEETJE
In een bedrijf ontstaan soms explosies omdat
bepaalde stoffen niet (meer) goed gestockeerd
VA
worden. Twee bekende voorbeelden zijn de
vuurwerkramp in Enschede in 2000 en de ontploffing van ammoniumnitraat in Beiroet in 2020. Wil je de
indrukwekkende beelden van de explosie in Beiroet
uk
©
zien? Scan dan de QR-code.
BEKIJK DE VIDEO
Een exo-energetische reactie is een chemische reactie waarbij een vorm van energie vrijkomt.
pr oe
fh o
of d
st
E (J)
130
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
ER reactieenergie
ΔE < 0
EP
Grafiek 4 Energiediagram exotherme reactie
t (s)
• Een reactie waarbij warmte vrijkomt, is een exotherme reactie.
• Een exo-energetische reactie kan voor grote schade zorgen bij verkeerd gebruik.
OPDRACHT 13 DOORDENKER
Wat gebeurt er als je Mentos-muntjes aan cola light toevoegt? Voer deze proef uit op de speelplaats! Je kunt de proef ook thuis uitvoeren en er een filmpje van maken. 1 Verzamel de benodigdheden. Mentos-muntjes blad papier kaartje
IN
fles cola light
2 Ga aan de slag.
N
1 Maak met een blad papier een koker waarin de Mentos-muntjes gestapeld worden. 2 Gebruik een kaartje als basis voor de snoepjestoren, of plaats je hand eronder.
3 Schroef de fles cola light open en plaats de koker boven de fles. Trek nu het kaartje (of je hand) weg, zodat de snoepjes in de fles vallen.
VA
3 Noteer je waarneming.
©
uk
4 Hoe verklaar je dat?
st
of d
pr oe
fh o
3.3 Endo-energetische reacties
We weten nu dat sommige chemische reacties energie leveren: ze zijn
exo-energetisch. Wanneer we die reacties omdraaien, zal er energie nodig zijn om de reactie uit te voeren. Tijdens zo’n reacties wordt er dus energie opgenomen: het zijn endo-energetische reacties.
Uit de wet van behoud van energie kun je concluderen dat de reagentia
minder chemische energie hebben dan de reactieproducten (ER< EP). In de eerste graad heb je al kennisgemaakt met zo’n reactie: de fotosynthese.
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
131
OPDRACHT 14
Bekijk de chemische reactie en los de vragen op. 6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2 1 Welk biologisch proces wordt hier weergegeven?
IN
2 Welke energievorm wordt er gebruikt tijdens de reactie?
N
3 Kruis de juiste uitspraak aan.
VA
Fotosynthese is een exo-energetische reactie. Fotosynthese is een endo-energetische reactie.
Een endo-energetische reactie wordt bijgevolg gekenmerkt door een
©
positieve reactie-energie: er wordt energie toegevoegd tijdens de reactie.
uk
Endo-energetische reactie: ∆E = EP - ER > 0
Een endo-energetische chemische reactie kan worden weergegeven in een
st
energiediagram.
pr oe
fh o
of d
E (J)
132
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
EP reactieenergie ER t (s)
Grafiek 5 Energiediagram van een endo-energetische reactie
ΔE > 0
OPDRACHT 15 DEMO
Je leerkracht voert een endo-energetische reactie uit. 1 Je leerkracht voert de proef uit. 2 Noteer je waarneming in de tabel. Gebruik een thermometer.
IN
Proef • Meng enkele citroenzuurkristallen met een beetje bakpoeder in een proefbuis.
• Voeg eventueel een beetje water toe.
• Monitor de temperatuursverandering tijdens de hele proef.
Waarneming:
VA
N
In opdracht 15 daalt de omgevingstemperatuur. De reactie heeft energie nodig om te kunnen plaatsvinden: ze neemt warmte op uit de omgeving.
uk
coldpack.
©
We spreken dan van een endotherme reactie. Een bekende toepassing is het WEETJE
Bij sporters wordt vaak een zakje ijs gebruikt om bij
een kwetsuur de zwelling tegen te gaan. Zulke zakjes
st
sluiten echter niet goed af rond de kwetsuur en
werken minder efficiënt. Daarom werden coldpacks ontwikkeld. De meeste bevatten een gel die niet
of d
bevriest in een diepvries. Zogenaamde instant
coldpacks bestaan intern uit twee zakjes; in het ene zit water, in het
pr oe
fh o
andere ammoniumnitraat (NH4NO3). Wanneer de stoffen bij elkaar
komen, treedt er een endotherme reactie op waardoor de omgeving, in dit geval dus het gebied rond de kwetsuur, kouder wordt.
Net als bij een exo-energetische reactie kunnen bij een endo-energetische reactie niet alleen warmte-energie maar ook andere energievormen
opgenomen worden. Bij bijvoorbeeld een fotolyse start lichtenergie een reactie op.
WEETJE Sommige reacties hebben geen zichtbaar licht nodig, maar
maken gebruik van uv-straling.
Een bekende toepassing heb je misschien al ervaren bij de
tandarts. De uv-lamp die op
een pas behandelde tand wordt geplaatst, zorgt ervoor dat de
vulling uithardt. Dit is een endo-energetische reactie. THEMA 04
HOOFDSTUK 3
133
Naast licht- en warmte-energie kunnen ook andere energievormen een
chemische reactie doen ontstaan. Zo werd er in thema 3 elektrische energie gebruikt om water te splitsen in waterstofgas en zuurstofgas.
Het spontaan initiëren van een reactie door de opname van energie is niet altijd gewenst.
Lichtenergie kan reacties opstarten die nadelig zijn.
IN
Voorbeelden:
• Stoffen worden vaak bewaard in een bruine fles om te voorkomen dat
licht de chemische stof aantast. Wijn wordt bijvoorbeeld bewaard in een gekleurde fles omdat blootstelling aan zonlicht de wijn een azijnsmaak geeft.
N
• Krantenpapier wordt geel als het te lang in de zon ligt.
• Lange blootstelling aan licht kan ervoor zorgen dat de lange moleculen in kunststoffen worden gebroken in steeds kleinere moleculen. In de
Afb. 47 Donkere wijnflessen zorgen voor een betere bewaring van de wijn.
VA
volksmond zegt men dat de kunststoffen ‘verduren’, een fenomeen dat vaak voorkomt bij oude pvc-dakgoten.
©
Een endo-energetische reactie is een chemische reactie waarbij een vorm van energie wordt opgenomen.
st
uk
E (J)
pr oe
fh o
of d
EP
reactieenergie
ΔE > 0
ER
Grafiek 6 Energiediagram endotherme reactie
t (s)
• Een reactie waarbij warmte wordt opgenomen, is een endotherme reactie.
• Een endo-energetische reactie kan voor grote schade zorgen bij verkeerd gebruik.
` Maak oefening 13 t/m 18.
TIP Bekijk de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal en ontdek verschillende reacties in het dagelijkse leven.
134
THEMA 04
HOOFDSTUK 3
THEMASYNTHESE
WAT IS EEN CHEMISCHE REACTIE? Tijdens een chemische reactie worden de aanwezige atomen herschikt ter vorming van nieuwe stoffen. Bij samenvoegen
Na de reactie
N
IN
Voor de reactie
VA
HOE WORDT EEN CHEMISCHE REACTIE GENOTEERD?
De reactievergelijking
Behoud van atomen
©
• Per atoomsoort is het aantal atomen voor en na de reactie gelijk.
aantal atomen per soort gelijk te stellen.
uk
reagentia → reactieproducten
• Voor stoffen worden coëfficiënten geplaatst om het Behoud van massa
• de wet van Lavoisier
• De totale massa voor en na een chemische reactie
st
blijft gelijk:
Een reactie waar alle reagentia worden omgezet in
of d
reactieproduct(en) noemen we een aflopende reactie.
WELK NUT HEBBEN CHEMISCHE REACTIES ALS ENERGIEBRON?
mreagentia = mreactieproducten
• Stoffen bevatten een specifieke hoeveelheid energie: de chemische of inwendige energie (E).
fh o
• Chemische reacties kunnen nuttig zijn als energiebron in het dagelijks leven (bv. warmte, elektriciteit), maar kunnen ook nadelig zijn (bv. verduren van materialen).
pr oe
• Er bestaan exo- en endo-energetische reacties.
THEMA 04
THEMASYNTHESE
135
THEMASYNTHESE
Exo-energetische reactie
Endo-energetische reactie
Een chemische reactie waarbij energie vrijkomt tijdens
Een chemische reactie waarbij energie opgenomen
De reagentia hebben meer chemische energie dan de
De reagentia hebben minder chemische energie dan de
reactieproducten.
reactieproducten.
E (J)
ER < Ep
EP
ER reactieenergie
pr oe
fh o
136
uk
t (s)
Voorbeeld: elektrolyse van water
Mijn samenvatting
of d
ΔE > 0
st
Voorbeeld: verbranden van magnesium
©
ER
t (s)
reactieenergie
ΔE < 0
EP
VA
N
E (J)
ER > Ep
wordt tijdens de reactie.
IN
de reactie.
THEMA 04
THEMASYNTHESE
BEKIJK KENNISCLIP
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis • Ik ken het verschil tussen een chemisch en een fysisch proces. • Ik ken het begrip chemische energie.
• Ik ken het verschil tussen exo- en endo-energetische reacties.
IN
• Ik ken de termen endotherm en exotherm.
2 Onderzoeksvaardigheden
• Ik kan een reactievergelijking opstellen.
• Ik kan reagentia en reactieproducten toelichten.
• Ik kan een exo- en endo-energetische reactie grafisch weergeven.
VA
• Ik kan de wet van behoud van massa uitleggen en toepassen.
N
• Ik kan de wet van behoud van atomen uitleggen en toepassen.
• Ik kan een exo- en endo-energetische reactie herkennen en er voorbeelden van
invullen bij je Portfolio.
pr oe
fh o
of d
st
uk
` Je kunt deze checklist ook op
©
geven.
THEMA 04
CHECKLIST
137
CHECK IT OUT
Waarom rijst brood? CO2-vorming zorgt voor het rijzen van brood, maar er gebeurt zoveel meer. Bekijk de video en beantwoord de vragen.
BEKIJK DE VIDEO
1 Vul de tabel aan.
Wat gebeurt er?
33 °C
100 °C
Proces
IN
Temperatuur
fysisch proces chemisch proces fysisch proces chemisch proces
N
fysisch proces chemisch proces
154 °C
©
2 Wat is de formule en de naam van het rijsmiddel in bakpoeder?
fysisch proces chemisch proces
VA
62 °C
3 Tijdens de Maillard-reacties ontstaan nieuwe biomoleculen.
uk
a Waarvoor zorgen die nieuwe chemische stoffen?
b Kruis aan.
st
Dit is een exo-energetische reactie. Dit is een endo-energetische reactie.
of d
c Dit is een endo-energetische / exo-energetische reactie (schrap wat niet past).
d Op welke temperatuur moet je de oven instellen om dit proces te laten plaatsvinden?
fh o
Bij het bakken van koekjes ontstaan tijdens de chemische reacties nieuwe stoffen zoals CO2 (door
herschikking van de atomen). CO2 zorgt voor het rijzen van het deeg. Er zijn tijdens het bakken geen nieuwe atomen gecreëerd: dat is de wet van behoud van atomen.
Tijdens een chemische reactie geldt ook de wet van behoud van massa. Omdat er gassen gevormd
pr oe
worden tijdens het bakken van koekjes, zal er massa verloren gaan. De koekjes wegen minder.
Tijdens het bakken zullen eiwitten veranderen van structuur of omgezet worden. Die nieuwe stoffen
zorgen voor de specifieke smaken. Wanneer de koekjes te lang gebakken worden, zullen de eiwitten stukgaan en de koekjes verbranden. En nu maar echt koekjes bakken!
138
THEMA 04
CHECK IT OUT
!
AAN DE SLAG
1
Zijn de verschijnselen fysisch of chemisch? Zet een kruisje in de juiste kolom. Verschijnsel
Fysisch
Chemisch
ijzer laten roesten fruit laten rotten
inkt verwijderen met een inktwisser potlood verwijderen met een gom
IN
ontkleuren met bleekwater linnen drogen
groenten gaarkoken voedsel verteren boter smelten
N
boter bruinen
ijs smelten en water vormen
VA
een blok hout verbranden
een trui laten verkleuren door langdurige blootstelling aan zonlicht ijzer smelten
©
Zijn de modelvoorstellingen voorbeelden van fysische of chemische processen? Leg uit.
Fysisch of chemisch proces
uk
Modelvoorstelling
T
of d
st
elektrische energie
fh o
2
pr oe
T
THEMA 04
AAN DE SLAG
139
3
Lees de chemische reacties en beantwoord de vragen.
Het stappenplan kan je daarbij helpen.
1 IJzer reageert met zuurstofgas, waarbij di-ijzertrioxide (Fe2O3) gevormd wordt. a Welke stoffen zijn de reagentia?
BEKIJK HET STAPPENPLAN
b Welke stoffen zijn de reactieproducten?
c Noteer de stoffen in de reactievergelijking.
IN
d Pas de wet van behoud van atomen toe.
2 Magnesium reageert met waterstofchloride (HCl of zoutzuur), waarbij magnesiumchloride (MgCl2) en
waterstofgas (H2) gevormd worden.
N
a Welke stoffen zijn de reagentia?
b Welke stoffen zijn de reactieproducten?
VA
c Noteer de stoffen in de reactievergelijking. d Pas de wet van behoud van atomen toe.
De vorming van waterstofchloride (HCl) uit diwaterstof en dichloor.
5
Schrijf de chemische reactie.
De chemische reactie tussen salpeterzuur (HNO3) en soda (NaOH), waarbij natriumnitraat (NaNO3) en water gevormd worden.
6
of d
Schrijf de chemische reactie.
De ontleding van glucose (C6H12O6) in water en koolstof.
fh o
7
Vul de reactievergelijkingen aan.
Al + O2 → Al2O3
pr oe
st
©
Schrijf de chemische reactie.
uk
4
Al2O3 + Na → Na2O + Al H2S + O2 → H2O + SO2 NH3 → N2 + H2
CO2 + H2O → C6H12O6 + O2 Fe + O2 → Fe2O3 PCl5 → P + Cl2 Hg + l2 → Hgl
SnS2 → Sn + S 140
THEMA 04
AAN DE SLAG
Pb + O2 → PbO
HCl + O2 → Cl2 + H2O
C2H4 + O2 → CO2 + H2O Na2O + H2O → NaOH N2 + H2 → NH3
IN
Al + PbO2 → Al2O3 + Pb KClO3 → KCl + O2 NH3 + HCl → NH4Cl
N
NH3 + O2 + → NO + H2O Fe + S → FeS
VA
Cr2O3 + Zn → ZnO + Cr
C12H22O11 → C + H2 + O2
Vul de reactievergelijkingen aan en beantwoord de vragen. koolstofmonoxide gevormd.
uk
a Bij een onvolledige verbranding van aardgas (bv. bij een gaskachel in een badkamer) wordt het giftige
CH4 + O2 → CO + H2O
st
b Bakpoeder reageert met azijn.
NaHCO3 + CH3COOH → CH3COONa + CO2 + H2O
of d
Hoe kun je visueel waarnemen dat het om een chemische reactie gaat?
c Met glucose kan drankalcohol (ethanol) gevormd worden. De zogenaamde ‘moonshiners’, mensen die illegaal alcohol stoken, maken gebruik van deze reactievergelijking.
fh o
C6H12O6 → C2H5OH + CO2
d In grotten worden langzaam druipstenen gevormd.
Regenwater dat de grotten binnensijpelt, bevat het
oplosbare Ca(HCO3)2. Door de lage concentratie aan CO2
in de grot treedt een reactie op. Naast CO2 en water
pr oe
8
©
C12H22O11 + O2 → CO2 + H2O
wordt daarbij ook het onoplosbare CaCO3 gevormd, waaruit de druipstenen zijn opgebouwd.
Ca(HCO3)2 → CaCO3 + CO2 + H2O
THEMA 04
AAN DE SLAG
141
9
Waarom mag je de indexen bij de formules niet wijzigen?
Een reepje magnesiumlint wordt verbrand. Bij die reactie ontstaat een wit poeder: magnesiumioxide.
De massa daarvan is groter dan die van het oorspronkelijke magnesium. Wil dat zeggen dat de wet van Lavoisier niet geldig is? Motiveer je antwoord.
IN
10
N
Pas de chemische reacties aan indien nodig. P2O5 +
H2O
H3PO4
HClO2 H2 + Cl2 + 2 O2 Welke wet pas je toe?
Waarom is een proef waarbij een gas ontstaat minder geschikt om de wet van Lavoisier aan te tonen? Waar moet je op letten? Verklaar.
st
12
uk
Hoe heten de getallen die je aanbrengt?
©
11
VA
of d
fh o
13
Vul bij elk verschijnsel het bijbehorende begrip in. Opgelet: een van de gegeven begrippen is niet van toepassing. Je mag elk begrip slechts één keer gebruiken.
endo-energetisch – endotherm – exo-energetisch – exotherm – fysische reactie
c het opnemen van warmte tijdens een reactie
pr oe
a een vijver die bevriest
b Mg + 2 HCl MgCl2 + H2 + warmte
d een Mg-lint verbranden (het vrijkomen van licht)
142
THEMA 04
AAN DE SLAG
14
Vul de reactievergelijkingen aan en beantwoord de vragen. Waterstofgas wordt gebruikt in brandstofcellen.
H2 + O2 → H2O
Is dit een endo-energetische of een exo-energetische reactie? Verklaar.
IN
15
Vervolledig de reactievergelijkingen en beantwoord de vragen. a Planten voeren een fotosynthesereactie uit.
VA
+ → C6H12O6 + O2
N
Is dit een endo-energetisch of een exo-energetisch proces? Verklaar.
©
Welke energie-omzettingen vinden hierbij plaats?
uk
b Methaangas (CH4) wordt gebruikt om woningen te verwarmen.
CH4 + O2 → CO2 + H2O
st
Is dit een endo-energetisch of een exo-energetisch proces? Verklaar.
Beoordeel de stellingen. Duid aan met juist (J) of fout (F). Juist of fout?
pr oe
fh o
16
of d
Welke energie-omzettingen vinden hierbij plaats?
Stelling
Tijdens een chemische reactie worden nieuwe stoffen gevormd. Verbetering:
Tijdens een exo-energetische reactie hebben de stoffen na de reactie de grootste energie-inhoud. Verbetering:
Als je een endotherme reactie uitvoert in een waterbad dan zal de temperatuur van het water rond de reactiebeker stijgen. Verbetering:
De stoffen verliezen energie tijdens een exotherme reactie. Verbetering:
THEMA 04
AAN DE SLAG
143
Wat hoort er bij elkaar? Noteer het juiste getal in de tweede tabel. fotosynthese
3
De reactieproducten bevatten meer
2 4 5
chemische energie naar lichtenergie
endo-energetische reactie
energie dan de reagentia.
De stoffen verliezen energie.
glimwormen
exo-energetische reactie
lichtenergie naar chemische energie fysische reactie
Teken een energietijddiagram van een exo-energetische reactie. Vermeld de volgende gegevens: energieniveau van de reactieproducten (EP); energieniveau van de reagentia (ER); ΔE < 0 of ΔE > 0
(teken een pijl). Benoem de assen.
of d
st
uk
©
VA
18
smelten
IN
1
N
17
pr oe
fh o
` Verder oefenen? Ga naar
144
THEMA 04
AAN DE SLAG
.
IN
BOUW, EIGENSCHAPPEN EN RANGSCHIKKING VAN ATOMEN
THEMA 05
CHECK IN
147
VERKEN
N
148
VA
` HOOFDSTUK 1: Hoe evolueerde het atoommodel?
150
1.1 Van voorwerp tot atoom 150 1.2 Nog kleiner dan het atoom 151
©
` HOOFDSTUK 2: Wat weten we al over het atoom?
157
uk
2.1 De elementaire deeltjes en hun lading 157 2.2 De massa van het atoom 159
` HOOFDSTUK 3: Hoe zitten elektronen verdeeld in
st
een atoom?
163
3.1 De Bohr-Rutherford elektronenverdeling 163
of d
A Schillen rond de nucleus B Elektronen op een schil
163 164
3.2 Elektronenconfiguratie 170 3.3 Lewisstructuren 171
fh o
` HOOFDSTUK 4: Wat leren we uit de plaats van
pr oe
een element in het PSE?
175
4.1 Perioden en groepen 176 4.2 De a-groepen en hun naam 179 4.3 Waarom lijken atomen graag op een edelgas? 181 4.4 Elektronegativiteit 184 4.5 Zijn er naast de massa en elektronenconfiguratie nog andere indelingen in het PSE? 187
145
191
CHECKLIST
194
IN
THEMASYNTHESE
PORTFOLIO CHECK IT OUT
N
195
AAN DE SLAG
196
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
VA
OEFEN OP DIDDIT
146
CHECK IN
Ik zie, ik zie wat jij niet ziet! De wetenschap is continu op zoek naar een ruimer beeld van het heelal. Sinds 2018 wordt ‘de planetenjager’ TESS (Transiting Exoplanet Survey Satellite) gebruikt om op zoek te gaan naar leven en bewoonbare planeten buiten ons zonnestelsel. Het is de
eerst een bewoonbare planeet ontdekt buiten ons zonnestelsel. De planeet kreeg voorlopig de naam ‘TOI700d’ en is meer dan 100 lichtjaar van onze aarde verwijderd.
N
IN
krachtigste telescoop tot nog toe. In januari 2020 werd voor het
Met preciezere apparatuur slagen wetenschappers er ook in om steeds kleinere deeltjes te bekijken. In de lessen
VA
natuurwetenschappen heb je vast al gehoord of gebruikgemaakt van een microscoop.
Afb. 49
Afb. 50
of d
st
Afb. 48
uk
©
Raad wat je hier uitvergroot ziet!
Atomen zijn voor de mens niet zichtbaar met het blote oog, maar ondertussen zijn we in staat steeds kleinere deeltjes te bekijken. Organismen, onderdelen van planten … die je normaal niet kunt zien met het blote oog, worden plots
fh o
zichtbaar.
In 1931 werd de eerste elektronenmicroscoop gebouwd. We zijn daardoor nu
pr oe
in staat om kleine cellulaire onderdelen tot een paar miljoen keer of meer groter te zien.
Afb. 51 De elektronenmicroscoop van de Vrije Universiteit Brussel
?
` Hoever hebben we stoffen al kunnen ontleden? ` Zijn we al beland bij het kleinste deeltje? We zoeken het uit!
THEMA 05
CHECK IN
147
VERKEN
Atoom of element? OPDRACHT 1
Wat weet je al over de elementen? 1 Elementen worden voorgesteld door een symbool. Vul de volgende tabel verder aan. Symbool
Element
natrium
tin
waterstof
koper
S
zuurstof
argon
P
Ag
©
Fe
N
N
K
VA
Symbool
IN
Element
3 Tot welke groep behoren de edelgassen?
uk
2 Welke twee grote groepen van elementen kunnen we onderscheiden in het PSE?
st
4 Markeer op het volgende PSE de metalen in het rood, de niet-metalen in het groen. Omcirkel vervolgens
of d
specifiek de edelgassen.
H Be
fh o
Li
Mg
K
Ca
Sc
pr oe
Na
148
He B
C
N
O
F
Ne
Al-
Si
P
S
Cl-
Ar
Ti
V
Cr
Mn
Fe
Co
Ni
Cu
Zn
Ga
Ge
As
Se
Br
Kr
Rb
Sr
Y
Zr
Nb
Mo
Tc
Ru
Rh
Pd
Ag
Cd
In
Sn
Sb
Te
I
Xe
Cs
Ba
La
Hf
Ta
W
Re
Os
Ir
Pt
Au
Hg
Tl-
Pb
Bi
Po
At
Rn
Fr
Ra
Ac
Rf
Db
Sg
Bh
Hs
Mt
Ds
Rg
Cn
Nh
Fl-
Mc
Lv
Ts
Og
THEMA 05
VERKEN
5 We gebruiken tijdens de lessen chemie de begrippen ‘atoom’ en ‘element’. Verklaar kort het verschil tussen die twee begrippen.
6 Staan er in de onderstaande figuur deeltjes waarvan jij misschien al gehoord hebt en waarvan je denkt dat ze in
chips
VA
molecule virus
N
IN
een atoom aanwezig zijn? Schrap de deeltjes waarvan je denkt dat ze niet in een atoom voorkomen.
©
quarks ozon neutrino
uk
proton elektron zout
aerosol hemoglobine neten
stuifmeel
fh o
of d
st
hadronen neutron
Je hebt nu eigenlijk al kleinere deeltjes benoemd dan dat je met de microscoop kunt waarnemen.
pr oe
In dit thema gaan de betekenis en het voorkomen van al die deeltjes duidelijk worden.
THEMA 05
VERKEN
149
HOOFDSTUK 1
Hoe evolueerde het atoommodel? LEERDOELEN
IN
Je kunt al: L begrijpen dat wetenschappelijke kennis het resultaat is van voortdurend onderzoek.
Dalton tot en met Bohr begrijpen en de evolutie chronologisch weergeven;
L de bouw van een atoom (volgens het
deeltjes ontleden. De kennis die we vandaag
hebben, is te danken aan eeuwen van voortbouwend
Rutherford) toelichten;
ontdekking is vaak het werk van één wetenschapper of één team, maar een wetenschappelijke theorie is het resultaat van vele bijdragen.
uk
L het atoommodel met een tekening weergeven.
onderzoek en wetenschappelijke proeven. Een
©
gecombineerde atoommodel van Bohr-
1.1 Van voorwerp tot atoom
Net als wij willen wetenschappers steeds kleinere
VA
L de historische evolutie van de atoommodellen van
N
Je leert nu:
st
Elk mengsel bestaat uit een of meerdere soorten stoffen. In het voorbeeld van spuitwater (afbeelding 52) zien we dat stoffen – of materie – bestaan
of d
uit nog kleinere verbindingen. En ook die verbindingen kunnen nog verder
pr oe
fh o
opgedeeld worden tot we uiteindelijk bij atomen uitkomen.
CO2
CO2 O
spuitwater H H2O O mengsel
zuivere stof
verbindingen
Een voorwerp is opgebouwd uit een bepaalde materie.
• Materie is een verzamelnaam voor alle soorten stoffen. • Stoffen zijn verbindingen van deeltjes of atomen. • Een atoom is een deeltje van dat type.
THEMA 05
HOOFDSTUK 1
atomen
Afb. 52 Spuitwater
• Een element is een type of atoomsoort.
150
C
1.2 Nog kleiner dan het atoom
OPDRACHT 2
IN
Bekijk de afbeeldingen en vul de tabel aan.
voorwerp
Afbeelding 53
materie stoffen
verbindingen van onder meer …
©
C12H22O11
uk
st
atoomsoorten of elementen
Afbeelding 54
Afb. 54
VA
Begrip
Afb. 53
N
In thema 3 heb je geleerd dat er dus verschillende soorten elementen
bestaan. Van een handvol daarvan ken je intussen het symbool en de naam.
of d
OPDRACHT 3
Elke stof is opgebouwd uit bouwstenen: de atomen. Maar hoe is zo’n atoom zelf opgebouwd?
pr oe
fh o
Teken hoe jij denkt dat een atoom eruitziet en beschrijf aan je buur.
Onze wetenschappelijke kennis is er in de loop der tijd sterk op
vooruitgegaan. Nieuwe technologieën zorgden ervoor dat onze inzichten in de bouw van het atoom veranderden doorheen de eeuwen. Bijgevolg moesten de modellen die we gebruiken om een atoom voor te stellen,
aangepast worden. Er is ondertussen al een hele weg afgelegd, waarbij
wetenschappers steeds verder bouwden op de kennis van hun voorgangers.
Bekijk de chemische tijdlijn waarbij de belangrijkste mijlpalen in de evolutie van het atoommodel worden aangestipt. Maar denk eraan: met nieuwe
technieken komen nieuwe inzichten. Deze tijdlijn kan dus in de toekomst (of in komende schooljaren) nog verder aangevuld worden. Scan de QR-code voor een meer uitgebreide versie van de tijdlijn.
THEMA 05
HOOFDSTUK 1
151
410 V.C.
1869
De Griekse filosofen Democritus
De Rus Dimitri Mendelejev
de leer die stelt dat alle stoffen zijn
eigenschappen. Op basis
en Leucippus formuleren de
rangschikt de elementen in
grondbeginselen van het atomisme,
groepen met soortgelijke
opgebouwd uit ontelbare minuscule
van die gegevens plaatste
en ondeelbare
hij de elementen onder
blokjes: atomen
systeem der elementen. Ia 1
PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN
1
IIa 2
2,1
H
1
atoomnummer (Z) 12
waterstof
1,0
Li
4
1,5
lithium
beryllium
6,94
9,01
11
0,9
3 Na
12
24,31
0,8
20
K
calcium
21
1,0
1,3
22
Sc
titaan
44,96 39
1,2
1,5
Ti
scandium
40,08 38
IVb 4
Vb 5 23
1,6
V
vanadium
47,87 40
1,4
50,94 41
1,6
5 Rb
VIb 6
24
27
2,2
1,9
28
Co
ijzer
2,2
29
1,9
stikstof
zuurstof
fluor
12,01
14,01
16,00
19,00
2,2
1,9
1,6
1,7
neon
Si
fosfor
zwavel
chloor
argon
30,97
32,07
35,45
39,95
1,6
Ga gallium
32
1,8
1,7
1,8
2,0
34
As
1,9
35
telluur
jood
85,47
87,62
88,91
91,22
92,91
95,94
98
101,1
102,9
106,4
107,9
112,4
114,8
118,7
121,8
127,6
126,9
0,7
137,3
88
0,9
Ra
138,9
89
1,1
Ac
1,3
73
Hf
1,5
Ta
hafnium
tantaal
178,5
104
actinium
rutherfordium
226,0
227
261
lanthaniden
Ce
cerium
actiniden
Pr
Th
Nd
neodymium
140,9
91
1,5
Pa
1,4
U
samarium
(145)
1,3
Np
1,3
Pu
1,9
Eu
europium
Gd
gadolinium
151,9
1,3
1,2
Tb
terbium
157,3
96
66
Dy
dysprosium
158,9
97
Bk
Ho
holmium
164,9
68
Er
erbium
167,3
xenon
131,3
2,2
Rn radon
210
222
117
69
86
astaat
209
Lv
livermorium
118
Ts
tennessine
Og
ganesson
289 1,2
Tm thulium
168,9 101
Fm
Xe
At
289 1,2
100
Es
85
Po
288 1,2
99
Cf
2,0
54
I
polonium
116
Mc
moscovium
289 67
84
209,0 115
Fl-
162,5
98
1,9
Bi
bismut
207,2
flerovium
287 (1,2)
83
lood
114
Nh
nihonium
285
65
1,8
Pb
204,4
113
Cn
copernicium
82
thallium
200,6
112
64
1,8
Tl-
kwik
197,0
Rg
röntgenium
81
Hg
272
63
95
80
goud
111
Ds
darmstadtium
150,4
94
2,2
Au
281
1,2
Pm Sm
promethium
79
195,1
110
Mt
meitnerium
62
93
2,2
Pt
platina
268
61
144,2
92
78
192,2
109
Hs
hassium
277
1,2
2,2
Ir
iridium
Te
70
289 1,1
Yb ytterbium
173,0 102
Md
71
1,2
Lu lutetium
175,0 103
thorium
protactinium
uraan
neptunium
plutonium
americium
Am
Cm curium
berkelium
californium
einsteinium
fermium
mendelevium
nobelium
lawrencium
232,0
231,0
238,0
237
244
243
247
247
251
252
257
258
No 259
Lr 262
uk
©
7
1,3
60
77
190,2
108
Bh
bohrium
264
1,1
praseodymium
140,1
2,2
Os
osmium
186,2
107
Sg
59
76
renium
266
1,1
1,9
Re
seaborgium
262
90
75
183,9
106
Db
dubnium
6
1,7
W
wolfraam
180,9
105
Rf
radium
74
krypton
83,80
2,5
antimoon
72
Kr
79,90
53
tin
1,1
Sb
2,1
36
broom
78,96
52
2,8
Br
seleen
74,92
51
2,4
Se
arseen
72,64
50
Ar
Sn
La
Cd
33
Ge
germanium
69,72
Cl-
In
lanthaan
18
28,09
49
S
3,0
silicium
31
P
17
indium
58
Democritus, afgebeeld door Hendrik ter Brugghen
2,5
cadmium
57
Rh
16
zilver
0,9
Ru
2,1
Ag
barium
Tc
15
Pd
Ba
Mo
1,8
Al-
65,38
48
14
26,98
zink
63,55
47
1,5
aluminium
Zn
koper
58,69
46
30
Cu
nikkel
58,93
45
1,9
Ni
kobalt
55,85
20,18
koolstof
palladium
56
Nb
He 10
Ne
rhodium
223
1830
1840
st
1820
PSE.indd 274
De Engelsman John Dalton stelt in navolging van de
of d
filosofen uit de Oudheid dat een stof bestaat uit kleine
‘bollen’. Deze bollen, die nog alle eigenschappen van de
pr oe
fh o
stof bezitten, noemt ook hij atomen.
HOOFDSTUK 1
1,8
Fe
44
4,0
ruthenium
0,7
Zr
2
F
technetium
132,9
THEMA 05
1,9
9
molybdeen
francium
152
26
54,94
IIb 12
3,5
O
niobium
87
UITGEBREIDE TIJDLIJN
1,5
Mn
mangaan
43
Ib 11
8
zirkonium
7 Fr
1808
1,8
VIlIb 10
3,0
N
boor
13
VIlIb VIlIb 8 9
7
yttrium
Sr
cesium
1810
25
52,00
42
2,5
C
strontium
6 Cs
1800
1,6
Cr
chroom
VIIb 7
6
rubidium
55
Y
VIIa 17
10,81
VA
0,8
1,0
Ca
kalium
39,10 37
IIIb 3
VIa 16
4,00 2,0
B
gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)
Mg magnesium
22,99
Va 15
helium
5
magnesium
24,31
1,2
natrium
19
4
naam
Be
IVa 14
1,2
Mg
symbool
1,01 3
2
0 18
IIIa 13
elektronegatieve waarde (EN)
N
ondeelbaar).
400 v.C.
IN
elkaar: het periodiek
(Grieks: atomos =
John Dalton
1850
1860
1870 2/06/2021 11:20
1902
1913
Joseph John Thomson is de
De Deen Niels Bohr stelt dat elektronen
een atoom als een licht
elektronenschillen bevinden, die groter
eerste om het elektron te
niet willekeurig rond de positieve kern
‘meten’. De Brit beschrijft
bewegen, maar dat ze zich op zogenaamde
positief geladen bol met
verwijderd zijn. En hoe verder van de kern,
elektronen. Voortbouwend
hoe meer elektronen de
op de experimenten van
schil kan bevatten. Het
Crookes en Goldstein heeft
aantal elektronen op de
hij het over vrij bewegende
buitenste schil bepaalt
elektronen.
de eigenschappen van
VA
N
het atoom.
IN
worden naarmate ze verder van de kern
binnenin zeer kleine
Het krentenbolmodel
1900
1910
1920
1930
st
1890
of d
1911
1932
1940
Sir James Chadwick ontdekt het
neutron, een elementair deeltje
zonder elektrische lading dat zich in de kernen van alle atomen
De Nieuw-Zeelander Ernest Rutherford
bevindt (uitgezonderd waterstof).
verenigt alle voorgaande theorieën in
De massa van een neutron is
het idee dat een atoom bestaat uit een
ongeveer gelijk aan de massa van
centrale positief geladen kern, omgeven
fh o
een proton. In tegenstelling tot
door een elektronenmantel met negatief
een proton, is een neutron echter
geladen elektronen. Hij komt tot dat
ongeladen.
besluit aan de hand van het beroemde bladergoudexperiment.
pr oe
1880
uk
©
Een schematische voorstelling van het atoommodel van Bohr
Rutherfords experiment
James Chadwick
Zing je deze tijdlijn graag uit volle borst mee? Scan dan de QR-code.
THEMA 05
ATOMOS ATOMOS HOOFDSTUK 1
153
IN N VA
Zoals je ziet in de tijdlijn, komen wetenschappers steeds tot een besluit op basis van waarnemingen. Met behulp van proeven en opzoekwerk krijgen ze inzicht in hun onderzoeksvragen en hypotheses, om zo een denkbeeld
©
of model te vormen. Een model is een voorstelling van de werkelijkheid, gebaseerd op wetenschappelijke waarnemingen. Het is geen letterlijke
weergave van de werkelijkheid. Zolang experimenten verklaard kunnen
uk
worden met het bestaande model, blijft dat model gelden. Maar omdat er
steeds nieuwe inzichten ontstaan (en meer nauwkeurige meetapparatuur),
worden de bestaande modellen voortdurend aangepast en verfijnd. Modellen
st
zijn dan ook dynamisch.
of d
In de wetenschappen gebruiken we modellen die een voorstelling van de werkelijkheid bieden op basis van wetenschappelijke waarnemingen.
pr oe
fh o
Een atoommodel is op die manier een voorstelling van een atoom, op basis
154
THEMA 05
HOOFDSTUK 1
van de wetenschappelijke waarnemingen van dat moment.
Omdat de wetenschappelijke kennis toeneemt, wordt het model aangepast aan de nieuwe inzichten. Het atoommodel is dus dynamisch.
Laten we nu enkele belangrijke waarnemingen en experimenten nader
bekijken. Die waarnemingen zorgden er immers voor dat eerst Thomson, dan Rutherford en ten slotte Bohr met een nieuwe voorstelling van het atoommodel kwamen.
OPDRACHT 4
Vul de tabel aan op basis van de chemische tijdlijn. 1 Vul in de tweede kolom aan welke kennis de wetenschapper toevoegde aan het model van zijn voorganger Haal de gegevens eventueel uit de uitgebreide tijdlijn, die je terugvindt achter de QR-code
Wetenschapper Dalton
IN
op p. 152. Kennis
Voorstelling atoom
• Stoffen bestaan uit onzichtbaar kleine, ondeelbare deeltjes: atomen.
• Een atoom is bolvormig.
N
• Een atoom is massief en ondeelbaar.
• Een atoom is een element met een massa en
Thomson
VA
grootte die specifiek is voor elk deeltje.
elektron
positieve massa
Rutherford
of d
uk
st
©
fh o
Bohr
pr oe
kern
elektronenmantel
Chadwick
elektron
elektronen
elektronenschillen
protonen en neutronen
THEMA 05
HOOFDSTUK 1
155
TIP
3D
Je kunt het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford in 3D bekijken via de app.
IN
2 Ga naar het onlinelesmateriaal en ontdek nog meer over de geschiedenis van het atoom.
N
Een atoom bevat positief geladen protonen en ongeladen neutronen in de kern, elektronen zijn verdeeld op schillen rond die kern.
VA
Een atoom bevat een gelijk aantal elektronen en protonen en is elektrisch neutraal.
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
` Maak oefening 1.
156
THEMA 05
HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2
IN
Wat weten we al over het atoom?
LEERDOELEN Je kunt al:
N
L toelichten dat wetenschappers van oudsher geïnteresseerd zijn in de samenstelling en
VA
opbouw van materie;
L uitleggen dat atomen bestaan uit protonen, neutronen en elektronen.
We gaan op zoek naar nog kleinere deeltjes
L de samenstelling van atomen afleiden uit het
Dat kan al lang niet meer met voor ons
beschikbaar materiaal, maar gelukkig zoeken wetenschappers voor ons uit hoe het zit!
uk
atoomnummer en het massagetal.
en proberen het atoom zelf te ontleden.
©
Je leert nu:
st
2.1 De elementaire deeltjes en hun lading
of d
Het atoom is de bouwsteen van materie. Het is niet meer deelbaar via
chemische processen. Toch is een atoom opgebouwd uit nog kleinere deeltjes.
pr oe
fh o
In de negentiende eeuw maakt de kennis over het atoom en zijn structuur
grote sprongen. We bouwen hierbij verder op het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford.
De kern of nucleus van een atoom is opgebouwd uit protonen en neutronen. De protonen en neutronen worden samen de nucleonen genoemd:
• de protonen zijn positief geladen deeltjes, ze hebben een eenheidslading +1;
• de neutronen hebben geen lading: ze hebben een eenheidslading -1.
Rond de nucleus bevinden zich negatief geladen elektronen. De elektronen bewegen zich op
vaste afstanden rond de atoomkern of nucleus. Op afbeelding 55 zie je dat ze zich voortbewegen op zogenaamde schillen.
Een atoom bevat trouwens evenveel elektronen rond de kern als
protonen in de kern. Een atoom is bijgevolg ongeladen.
proton
neutron schil nucleus elektron Afb. 55
THEMA 05
HOOFDSTUK 2
157
Protonen, elektronen en neutronen
neutron
vormen samen een atoom. Een
atoom in zijn geheel heeft geen lading.
0 Vermits een atoom ongeladen is, 18 moet het evenveel negatieve als
7
3,0
C
N
8
3,5
9
O
F
4,0 10 het periodiek systeem van de elementen (PSE).
Ne
• Een element met bijvoorbeeld atoomnummer Z = 8 heeft enerzijds dus altijd
stikstof
zuurstof
fluor
16,00
19,00
2,1
Si
16
2,5
P
neon
17
S
8 protonen.
• Anderzijds zijn atomen met 8 protonen in de atoomkern altijd
20,18
Cl-
Ar
zwavel
chloor
32,07
35,45
As
germanium
Sn tin
118,7 1,8
seleen
1,9
78,96
Te
telluur
83
1,9
Bi
19
0,8
12
1,2
Mg
53
IIIb 3
magnesium
24,31
20
K
1,0
21
Ca
kalium
1,3
0,8
rubidium
I
0,7
39
Y
Sr
strontium
yttrium
Ti
titaan
0,9
57
1,1
V
Nb
zirkonium
niobium
91,22
72
1,3
72,0Fr
Po
0,7
barium
francium
223
lanthaan
137,3
88
89
1,1
85 Ac Ra radium
1,5
1,8
Mn
Mo
1,9
technetium
95,94
xenon
2,2
75
1,9
Rh
rhodium
101,1 2,2
renium
183,9
rutherfordium
227
261
lanthaniden
dubnium
astaat 7
210
266 1,1
Ce
6
actiniden
seaborgium
262 58
cerium
59
1,3
Th
Rn
Pr
thorium
protactinium
232,0
231,0
1,4
U
radon
samarium
(145) 1,3
Np
darmstadtium
1,3
Pu
Eu
europium
VIa 16
VIIa 17
2
He
1,3
tin
114,8 1,8
1,8
Tl-
Nh
nihonium
Tb
terbium
66
(1,2)
Dy
dysprosium
158,9 97
Fl-
Ho
holmium
164,9 99
Er
erbium
167,3 100
jood
Rn
astaat
radon
210
222
117
Lv
livermorium
69
86
At
209
118
Ts
tennessine
Og
ganesson
289 1,2
Tm thulium
168,9 101
70
289 1,1
1,2
Yb
Lu
ytterbium
lutetium
173,0 102
175,0 103
berkelium
californium
einsteinium
fermium
mendelevium
nobelium
lawrencium
247
251
252
257
258
259
262
americium
244
243
Md
71
247
plutonium
237
Fm
xenon
131,3
2,2
curium
neptunium
Es
Xe
126,9 85
289 1,2
54
Cm
uraan
Cf
Mc
moscovium
68
krypton
83,80
2,5
I
Po
116
288 1,2
Kr
79,90
polonium
209,0
289 67
162,5 98
Bk
bismut
115
flerovium
287 1,2
Bi
lood
207,2 114
Br
127,6 2,0
36
broom
53
telluur
84
argon
39,95
2,8
Te
121,8 1,9
2,1
Ar
chloor
78,96
antimoon
83
18
35,45 35
seleen
52
Sb
Pb
204,4
1,9
2,4
Se
74,92 51
118,7 82
thallium
285
157,3 96
Sn
indium
113
Cn
1,8
neon
20,18 3,0
Cl-
zwavel
arseen
72,64
fluor
17
32,07 34
As
germanium
In
kwik
copernicium
Ge
2,0
Ne
19,00 2,5
S
fosfor
10
F
zuurstof
16
30,97 33
4,0
O
P 1,8
9
16,00 2,1
Si 28,09
50
3,5
Am
238,0
222
Gd
1,7
81
stikstof
8
14,01 15
silicium
32
69,72
200,6
65
gadolinium
151,9 95
1,9
112
Rg
gallium
Hg
goud
röntgenium
Ga 49
112,4
197,0
64
1,6
cadmium
80
Au 111
Al-
Cd
272
63
150,4 94
2,2
281 1,2
Pm Sm
93
zilver
1,7
1,8
26,98
zink
N
12,01 14
aluminium
65,38 48
107,9 79
195,1
268 62
promethium
144,2
92
meitnerium
277
61
Nd
1,5
Pa
1,2
neodymium
140,9 91
hassium
264
60
praseodymium
140,1 90
bohrium
1,1
Ag
Pt
2,2 Db 86 Rf Sg Bh Hs Mt Ds
actinium
1,9
3,0
koolstof
1,5
31
Zn
koper
platina
110
1,6
63,55
106,4 2,2
IIb 12 30
Cu 47
palladium
78
192,2 109
2,2
Pd
iridium
190,2
108
1,9
nikkel
Ir
osmium
186,2
107
2,2
Ib 11 29
58,69 46
102,9 77
W 131,3 Re Os
wolfraam
106
2,2
1,9
Ni
58,93
ruthenium
76
VIlIb 10 28
kobalt
45
Ru
98
1,7
1,9
Co
ijzer
55,85
44
Tc
molybdeen
74
Fe
54,94
43
27
7
C
10,81 13
VIlIb VIlIb 8 9
26
mangaan
1,8
2,5
boor
Xe
Cr
180,9 105
At
226,0
Ta
tantaal
178,5
104
1,5
25
52,00 42
92,91 73
hafnium
138,9
0,9
1,6
VIIb 7
1,6
chroom
50,94 41
Zr
jood
24
vanadium
47,87 1,4
1,6
6
B
83,80
40
88,91
87,62
56
1,2
2,0
magnesium
gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)
23
Va 15
4,00 5
24,31
1,5
IVa 14
helium
krypton
VIb 2,5 Vb5 54 6
44,96
1,0
naam
IIIa 13
elektronegatieve waarde (EN)
1,2
Mg
IVb 4
scandium
40,08
38
85,47
55
symbool
22
Sc
calcium
39,10
37
12
79,90
beryllium
9,01
0,9
132,9
84
0 18
No
Lr
• In een periodiek systeem zijn alle gekende atoomsoorten weergegeven door hun symbool.
115
164,9
Kr
atoomnummer (Z)
broom Be
cesium
209
holmium 158
1,5
6,94
87
209,0
Ho
36
La Hf 127,66 Cs Ba 126,9
121,8
207,2
1,2
lithium
11
5 Rb
polonium
289
Li
4
22,99
bismut
flerovium
1,0
natrium
lood
Fl-
1,01
3
4
antimoon
Pb
114
waterstof
32,1Na
52
Sb
2,8
Br
IIa 2
2,1
H
2
pr oe
82
51
argon
39,95
PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN
1
1
74,92
35
1
fh o
1,8
2,4Ia
Se
arseen
72,64 50
34
het atoomnummer Z. In ons voorbeeld heeft zuurstof dus ook 8 elektronen.
of d
Ge
2,0
aantal protonen in de kern, is het aantal elektronen bijgevolg ook gelijk aan
st
fosfor
30,97 33
18
• Aangezien het aantal elektronen rond de kern gelijk moet zijn aan het
28,09 1,8
zuurstofatomen.
3,0
silicium
32
IN
4,00 Je vindt het atoomnummer Z links bovenaan bij elk element in atoomnummer Z.
14,01 15
N
helium Om te weten hoeveel protonen er in de atoomkern zitten, kijken we naar het
12,01 1,8
Afb. 56
He
koolstof
14
67
de kern gelijk moet zijn aan VIIarond 2 het aantal protonen in de kern. 17
VA
2,5
VIa 16 Z
elektron
betekent dat het aantal elektronen
©
6
Va 15
positieve ladingen hebben. Dat
uk
IVa 14
proton
116
117
118
• De eenheidslading van protonen is +1, de eenheidslading van elektronen is -1, neutronen zijn ongeladen.
Mc
Lv
Ts
Og
• Atomen met hetzelfde aantal protonen zijn atomen van hetzelfde chemische element.
• Het aantal elektronen rond de kern van een atoom moet gelijk zijn aan het aantal protonen in de kern.
moscovium livermorium tennessine ganesson • Elk element heeft een uniek atoomnummer (Z). Dat getal geeft het aantal protonen weer in de kern.
68
289 289 ook gelijk 289aan het atoomnummer Z, het getal linksboven in elk vakje van • 288 Het aantal elektronen is bijgevolg het PSE. 69 1,2
Er
erbium THEMA 05
167,3
1,2
Tm
thulium 2 HOOFDSTUK
168,9
70
1,1
71
1,2
Yb
Lu
ytterbium
lutetium
173,0
175,0
2.2 De massa van het atoom
De weegschaal op de foto geeft 130 kg aan. We noemen dat de absolute
massa van die persoon (uitgedrukt in de eenheid kilogram). Maar stel nu dat een andere persoon 65 kg weegt. De persoon op de weegschaal weegt dan
IN
twee keer zoveel als de tweede persoon: '2' is dan de relatieve massa van persoon 1 ten opzichte van persoon 2. Omdat je de verhouding tussen de
twee massa's genomen hebt, is deze relatieve massa een onbenoemd getal:
N
je vergelijkt de massa van persoon 1 met die van persoon 2.
Ook in de chemie spreken we over de absolute atoommassa (Aa) en relatieve atoommassa (Ar) van een atoom. Hoe klein een atoom ook is, het heeft
C-atoom 1,992 . 10-23 g of
VA
immers wel degelijk een massa. Zo is de absolute atoommassa van één Aa(C) = 0,000 000 000 000 000 000 000 019 92 g.
Met zo’n kleine getallen werken is bijzonder onhandig. Daarom wordt
©
de massa van elk atoom vergeleken met een gelijk referentiepunt: de eenheidsmassa of atomaire massaeenheid.
uk
Die eenheidsmassa is bepaald als 1/12de van de absolute atoommassa van
of d
st
1,992 . 10-23 g een koolstofatoom (= of 1,66 . 10-24 g). 12 Dat getal wordt gedefinieerd als 1 unit (1 u).
eenheidsmassa = 1/12 van Aa(C) = 1 u
pr oe
fh o
Zowel protonen als neutronen hebben een massa van 1 unit. De massa van 1 een elektron is verwaarloosbaar klein (slechts van de massa van een 2 000 proton). proton
neutron
elektron
proton
Atoomdeeltjes nucleonen �
elektron
neutron
Lading
Massa
protonen
+1
1u
elektronen
–1
verwaarloosbaar
neutronen
0
1u
THEMA 05
HOOFDSTUK 2
159
De (absolute) massa van een atoom wordt dus bepaald door de massa van de protonen en de neutronen. De verhouding tussen die massa van een atoom en de eenheidsmassa noemen we de relatieve atoommassa Ar.
Dat is een onbenoemd getal. Bv.:
Aa(C)).
Symbool
absolute atoommassa
relatieve atoommassa
Eenheid gram
Aa
-
Ar
Symbool
g -
N
Grootheid
IN
Ar (C) = 12,0 ⇒ één koolstofatoom heeft een Ar van 12,0 (12,0 x 1/12 van
VA
De absolute atoommassa Aa van een atoom is de massa van het atoom en
wordt uitgedrukt in gram.
De eenheidsmassa is 1/12de van de massa van een C-atoom = 1,66.10-24 g. De verhouding tussen de absolute atoommassa van een atoom en de
©
eenheidsmassa, is de relatieve atoommassa Ar van een atoom. Dat is een
onbenoemd getal.
uk
Wanneer we het aantal elementaire deeltjes in een atoom bepalen,
maken we gebruik van het massagetal A. Het massagetal en de relatieve atoommassa zijn dus synoniemen, afgerond tot 1 cijfer na de komma.
st
Dat getal wordt samen met het atoomnummer Z vermeld bij een atoom. Het
massagetal geeft het aantal deeltjes in de kern weer (de nucleonen = aantal
of d
protonen (Z) + aantal neutronen (N)). A Z
pr oe
fh o
OPDRACHT 5
X
A = # nucleonen = # protonen + # neutronen Z = # protonen = # elektronen
We kunnen dus stellen dat:
A (massagetal) = Z (aantal protonen) + N (aantal neutronen) Als we de formule omvormen, kunnen we ook steeds het aantal neutronen in de kern berekenen als A gekend is. N = A – ZOPDRAC
Ga met het periodiek systeem aan de slag. Je vindt het achteraan in je boek. 1 Zoek het juiste atoomnummer op voor de volgende elementen. • broom:
• natrium: • helium:
• magnesium: 160
THEMA 05
HOOFDSTUK 2
2 Bereken het aantal neutronen in de kern van de atomen met het gegeven massagetal. • een broomatoom met massagetal 79
• een natriumatoom met massagetal 23
IN
• een heliumatoom met massagetal 4
3 Vul de zinnen aan.
VA
N
• een magnesiumatoom met massagetal 24
a Een atoom met Z = 6 is altijd een . protonen in de kern.
©
b Een chlooratoom heeft altijd
c Een atoom met 7 protonen is een
met als symbool .
uk
d Een atoom met 11 elektronen is een atoom van het element .
st
OPDRACHT 6
Oefen met behulp van het periodiek systeem op de samenstelling van een element.
of d
Vul de tabel aan.
Symbool van het element
25
Al Cl
pr oe
F
Cl
Aantal protonen
Naam van het element
Aantal neutronen
Aantal elektronen
Mg
Cl
fh o
Mg
Type van dat element
Al
27
37
F
19
Cl
35
Is het je in opdracht 6 opgevallen dat van het element chloor twee
types voorkomen, elk met zijn eigen massagetal (en dus ook relatieve
atoommassa)? In de natuur komen er zo voor elk element meerdere types voor. Die verschillen altijd in het aantal neutronen. Het aantal protonen en elektronen blijft gelijk omdat ze gelinkt zijn aan het element. Als het atoomnummer stijgt of daalt, hebben we immers een ander element.
THEMA 05
HOOFDSTUK 2
161
2
lithium
Be
beryllium
6,94 11
3 Na
12
natrium
magnesium
22,99
24,31
0,8
20
OPDRACHT 39,107
0,8
relatieve atoommassa <Ar>: die massa wordt berekend op basis van het
1,0
procentueel voorkomen van elk type en zijn relatieve atoommassa.
IIIb IVb 3 TIP 4 21
Ca
kalium
37
In het PSE vind je daarom niet de Ar van één type, maar de gemiddelde
1,2
Mg
K
4
relatieve atoommassa (Ar)
9,01 0,9
19
24,31
Vb 5
VIb 6
VIIb 7
1,3 getal 22zul je 1,5 23 1,6 24 1,6 25 berekeningen. 1,5 26 Dat in de toekomst vaak gebruiken tijdens
Sc
Ti
V
Cr
Fe
Co
55,85
58,9
titaan
vanadium
chroom
mangaan
40,08
44,96
47,87
50,94
52,00
54,94
39
1,2
40
1,4
41
1,6
42
1,8
43
1,9
ijzer
44
2,2
Magnesium komt onder de volgende vormen voor: 24Mg ,25Mg en 26Mg. Welk type zul je het vaakst aantreffen
Y
Sr
Zr
Nb
Mo
Tc
koba
45
Ru
N
5 Rb
27
Mn
scandium
1,0
1,8
Daarbij zullen we <Ar> altijd afronden op één cijfer na de komma.
calcium
38
VIlIb VIlI 8 9
IN
Li
Rh
als je weet dat de gemiddelde relatieve atoommassa van magnesium 24,305 bedraagt? Verklaar je antwoord. zirkonium
niobium
molybdeen
technetium
ruthenium
rhodiu
88,91
91,22
92,91
95,94
98
101,1
102,
56
0,9
6 Cs
Ba
132,9
137,3
cesium
0,7
7 Fr
francium
223
0,9
1,3
Hf
betreffende element. 1,1 104
89
Ra
72
Ac
actinium
226,0
227
pr oe
74
1,7
Rf
106
rutherfordium
2,2
261
262
58
6
108
77
266
1,1
3
4
cerium
140,1
60
1,2
140,9
1,3lithium 91
90
Eenheid
-
neodymium
144,2
beryllium 1,5 92
0,9
12
Pm Sm
A
93
1,2
Daarbij geldt: A = Z (aantal protonen) + N (aantal neutronen) protactinium
uraan
232,0
231,0
238,0
Z = aantal protonen = aantal elektronen
samari
(145)
1,4
thorium
62
promethium
-
Th Pa U 3 Na Mg 11
268
Symbool
A = massagetal (links bovenaan bij een notitie van een 6,94 9,01element: bv. Z X)
7
meitner
61
1,5
praseodymium
<Ar>
M
277
atoommassa <Ar>
Symbool
gemiddelde relatieve atoommassa
192, PERI 109
gemiddelde relatieve
Ce Pr Nd 2 Li Be 1,0
iridiu
hassium
264
waterstof 1,1 59 1,01
Ir
Hs
2,1
dubnium
150,
1,3
94
Np
Pu
neptunium
plutoni
IIIb 237 IVb 3 4 22,99 24,31 <A > = gemiddelde relatieve atoommassa (in het PSE, onder het element) Ar = relatieve atoommassa van een specifiek natrium atoom magnesium r
0,8 van 20 alle atoomtypes. 1,0 21 = gewogen gemiddelde relatieve 19 atoommassa
` Maak oefening 2 t/m 5.
K
4
Ca
1,3
22
Sc
Ti
kalium
calcium
scandium
titaan
39,10
40,08
44,96
47,87
0,8
38
1,0
39
1,2
Y
Sr
40
1,4
Zr
strontium
yttrium
zirkonium
85,47
87,62
88,91
91,22
0,7
Cs
56
0,9
Ba
57
1,1
La
244
1,5
rubidium
55 HOOFDSTUK 2
76
IIa Bh seaborgium 2 bohrium
1
5 Rb THEMA 05
1,9
107
Db Sg 1 H
37
162
75
r
105
Grootheid
lanthaniden
actiniden
1,5
Ta
atoomnummer (Z)
radium
{
73
Re Os Ia W lanthaan hafnium tantaal renium osmium 1<A >wolfraam 138,9 178,5 180,9 183,9je in het PSE 186,2 De gemiddelde relatieve atoommassa vind onder het 190,2
fh o
groepen
La
barium
88
1,1
of d
87
57
VA
0,7
yttrium
87,62
©
55
strontium
uk
rubidium
85,47
st
72
1,3
Hf
HOOFDSTUK 3
Hoe zitten elektronen verdeeld in een atoom?
IN
LEERDOELEN Je kunt al: L toelichten dat een atoom ongeladen is, het heeft evenveel elektronen als protonen;
L toelichten dat elektronen niet in de kern zitten, maar errond; L toelichten dat de massa van de elektronen verwaarloosbaar klein is;
L toelichten dat elektronen een negatieve lading hebben.
elektronen een specifiek atoom
uk
L de regels voor elektronenverdeling toepassen;
In hoofdstuk 2 leerde je al hoeveel
©
Je leert nu:
VA
door het atoomnummer Z;
N
L toelichten dat het aantal elektronen dus ook wordt gegeven
L het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford tekenen; L de elektronenconfiguratie van de eerste twintig elementen
elektronen nu precies? Zit er een
patroon achter, of mogen ze gaan en staan waar ze willen? Ook dat
namen wetenschappers al onder de loep.
of d
st
schrijven.
heeft. Maar waar zitten die
pr oe
fh o
3.1 De Bohr-Rutherford elektronenverdeling
A
Schillen rond de nucleus
We zagen dat Niels Bohr, een Deense fysicus, de theorie van Rutherford
uitdiepte door te stellen dat elektronen op cirkelvormige schillen rond de atoomkern of nucleus bewegen. Elektronen bewegen dus niet willekeurig rond de kern.
Afhankelijk van het aantal elektronen, kan een atoom tot 7 schillen bevatten. Die schillen worden aangeduid met een letter.
nucleus
K L M N O P Q
Afb. 57 De benaming van de schillen
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
163
De eerste schil, die zich dus het dichtst bij de kern bevindt, wordt aangeduid met de letter K. De tweede schil met de letter L, de derde met de letter M enzovoort.
WEETJE
Bohr duidde zijn eerste schil niet aan met de letter A, omdat een logische volgorde verloren zou gaan als later nog extra schillen dichter bij de
IN
kern zouden worden ontdekt. Door te beginnen met de letter K, kon hij
eventuele nieuwe schillen dichter bij de kern aanduiden met J, L enzovoort, waarbij een logische volgorde van opeenvolgende letters behouden blijft.
N
Uiteindelijk bleek dat er geen schillen dichter bij de kern bestaan.
Elektronen bevinden zich op schillen, maar het maximale aantal elektronen
VA
per schil is beperkt. Dat maximumaantal vind je in deze tabel: Schilnummer n
Letter
Maximumaantal elektronen op de schil
1
K
2
3 4
N
O
uk
5
L
M
©
2
6
Q
32
� 2n2
32 18 8
st
7
P
8
18
TIP
Je kunt het aantal elektronen voor de eerste 4 schillen onthouden aan
of d
de hand van de formule 2n² (waarbij n het schilnummer is).
pr oe
fh o
B
Elektronen op een schil
Elektronen verspreiden zich niet willekeurig over bepaalde schillen. De opvulling van de schillen volgt een bepaald patroon.
Met de onderstaande ‘regels’ kun je de opvulling van de schillen voor heel wat elementen opstellen. Later zul je zien dat er afwijkingen of uitzonderingen op bestaan.
1 Elektronen plaatsen zich zo veel mogelijk op de schillen het dichtst bij de nucleus. Dus eerst de K-schil, pas daarna de L-schil enzovoort.
2 Op de buitenste schil bevinden zich maximaal 8 elektronen.
3 Op de voorlaatste schil bevinden zich maximaal 18 elektronen.
4 Bij de andere schillen gaan de eerste 4 elektronen zich zo ver mogelijk van elkaar plaatsen. De volgende 4 elektronen vormen steeds met een ander elektron een elektronenpaar.
164
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
schil 7, n = 7 schil 6, n = 6
schil 5, n = 5
schil 4, n = 4
L
M
N
O
P
Q
VA
N
K
IN
sc
1
schil 3, n = 3 il 2, n = 2 sch hil 1, n =
Als de buitenste schil volledig is opgevuld, bevat ze twee (voor de eerste
schil) of acht elektronen. Wanneer een atoom een volledig gevulde buitenste OPDRACHT 8
Oefen de plaatsing van elektronen.
uk
©
schil heeft, spreken we van de edelgasconfiguratie.
Teken het schillenmodel voor de eerste twintig elementen uit het PSE, oefen nog eens de juiste symbolen en Symbool: Z =
of d
• Element: waterstof
st
vul de tekst aan.
fh o
Aantal elektronen = , het elektron bevindt zich op de .
pr oe
• Element: helium
• Element: lithium
Symbool: Z =
Aantal elektronen = , de elektronen bevinden zich op de .
Merk op dat er een elektronenpaar gevormd wordt. Helium heeft een volledig gevulde buitenste schil: het bezit de . Symbool: Z =
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat , het derde elektron bevindt zich op de .
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
165
• Element: beryllium
Symbool: Z =
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat , de
• Element: boor
IN
andere elektronen bevinden zich op de .
Symbool: Z =
N
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat , de
Symbool: Z =
©
• Element: koolstof
VA
andere elektronen bevinden zich op de .
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat , de
uk
andere elektronen bevinden zich op de . Ze vormen geen paren en
plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar (als het ware elk kwartier van een klok).
st
Symbool: Z =
of d
• Element: stikstof
Stikstof heeft 5 elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen plaatsen zich
zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zal er een elektronenpaar
fh o
gevormd worden. Stikstof heeft nog ongepaarde elektronen.
pr oe
• Element: zuurstof
166
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
Symbool: Z =
Zuurstof heeft
elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen
plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zullen er elektronenparen gevormd worden. Zuurstof heeft op de L-schil elektronenparen en nog
ongepaarde elektronen.
• Element: fluor
Symbool: Z =
Fluor heeft
elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen
plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zullen er
Symbool: Z =
Neon heeft
elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen
N
• Element: neon
IN
elektronenparen gevormd worden. Fluor heeft nog ongepaard elektron.
plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zullen er
VA
elektronenparen gevormd worden. Neon heeft
ongepaarde elektronen,
enkel elektronenparen of doubletten op de L-schil. Elementen met een
Z =
©
Symbool:
uk
• Element: natrium
volledig gevulde buitenste schil bezitten .
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. Het laatste elektron bevindt zich
st
op de .
of d
• Element: magnesium Symbool: Z =
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 2 elektronen bevinden
fh o
zich op de , zij vormen geen elektronpaar.
pr oe
• Element: aluminium
Symbool: Z =
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 3 elektronen bevinden zich op de . Het zijn 3 ongepaarde elektronen.
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
167
• Element: silicium
Symbool: Z =
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 4 elektronen bevinden
• Element: fosfor
IN
zich op de , er zijn geen elektronenparen gevormd op de buitenste
schil.
Symbool: Z =
N
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
VA
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 5 elektronen bevinden
zich op de , er wordt nu opnieuw een elektronenpaar gevormd op
Symbool: Z =
©
• Element: zwavel
de buitenste schil. Fosfor heeft nog ongepaarde elektronen.
uk
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 6 elektronen bevinden zich op de , er worden elektronenparen gevormd op de
st
Symbool: Z =
of d
• Element: chloor
buitenste schil. Zwavel heeft nog ongepaarde elektronen.
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 7 elektronen bevinden
fh o
zich op de , er worden elektronenparen gevormd op de
pr oe
• Element: argon
168
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
buitenste schil. Chloor heeft nog ongepaard elektron.
Symbool: Z =
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. Ook de derde schil (M) is nu volledig en bevat 8 elektronen. Argon heeft opnieuw
.
• Element: kalium
Symbool: Z =
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De derde schil (M) is
Symbool:
ongepaard elektron.
Z =
N
• Element: calcium
de . Kalium heeft
IN
eveneens volledig en bevat 8 elektronen. Het laatste elektron komt terecht op
Aantal elektronen = . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de
VA
tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De derde schil (M) is eveneens
©
volledig en bevat 8 elektronen. Calcium bevat ongepaarde elektronen.
uk
OPDRACHT 9
Bekijk de elementen van opdracht 8 opnieuw aandachtig en beantwoord de vragen.
st
1 In het periodiek systeem staan de elementen H, Li, Na en K onder elkaar. Ook C en Si staan onder elkaar.
of d
a Wat stel je vast als je de verdeling van de elektronen van H-Li-Na-K met elkaar vergelijkt? b En C en Si?
fh o
c Geldt dat ook voor N en P?
2 De elementen Li-Be-B-C-N-O-F-Ne staan naast elkaar op de tweede rij van het periodiek systeem.
pr oe
a Wat stel je vast als je de verdeling van de elektronen van die elementen met elkaar vergelijkt?
b Geldt dat ook voor Na-Mg-Al-Si-P-S-Cl-Ar?
Uit opdracht 9 blijkt dat er een duidelijk verband bestaat tussen: • de verdeling van de elektronen op de schillen,
• de plaats van de elementen in het periodiek systeem.
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
169
Elementen naast elkaar in het PSE vormen een periode en hebben hetzelfde aantal schillen.
Elementen onder elkaar in het PSE vormen een groep en hebben evenveel elektronen op de buitenste schil. Dat noemen we valentie-elektronen.
groep Ia 1
IIIa 13
2,1
3
1,0
4
1,5
11
0,9
12
1,2
IVa 14
Va 15
6
2,5
7
3,0
8
3,5
9
4,0
10
Vb 5
VIb 6
VIIlb 7
VIlIb VIlIb 8 9
VIlIb 10
19
0,8
20
1,0
21
1,3
22
1,5
23
1,6
24
1,6
25
1,5
26
1,8
27
1,9
28
37
0,8
38
1,0
39
1,2
40
1,4
41
1,6
42
1,8
43
1,9
44
2,2
45
2,2
46
55
0,7
56
0,9
57
1,1
72
1,3
73
1,5
74
1,7
75
1,9
76
2,2
77
2,2
78
87
0,7
88
0,9
89
1,1
104
4 5
13
1,5
14
1,8
15
2,1
16
2,5
17
3,0
18
105
106
107
108
109
7 59
90
1,3
91
7
60
61
1,2
0 18
1,5
92
1,4
30
1,6
31
62
1,2
1,6
32
1,8
33
2,0
34
2,4
35
2,8
36
2,2
47
1,9
48
1,7
49
1,7
50
1,8
51
1,9
52
2,1
53
2,5
54
2,2
79
2,2
80
1,9
81
1,8
82
1,8
83
1,9
84
2,0
85
2,2
86
110
111
112
63
64
65
113
1,2
66
114
(1,2)
67
115
1,2
68
116
1,2
69
117
1,2
70
118
1,1
71
(
93
1,3
94
1,3
95
1,3
96
97
98
99
100
101
102
103
st
actiniden
1,1
1,9
uk
1,1
6
lanthaniden
Va VIa VIIa 3.2 Elektronenconfiguratie 15 16 17
2
of d
IVa 14
58
29
IIb 12
©
6
1,9
Ib 11
N
IVb 4
2
2,0
VA
IIIb 3
VIIa 17
5
2 3
VIa 16
IN
IIa 2
1
1
periode
0 18
PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN
He helium
2,5
C koolstof
3,0
8
3,5
N
14
1,8
9
O
4,0 de 10 over schillen weer te geven? Gelukkig niet. Vaak noteren we het
F
Ne 20,18
eenvoudiger door het aantal elektronen per schil in volgorde achter
het elementensymbool te zetten. We spreken dan simpelweg van de elektronenconfiguratie.
stikstof
zuurstof
fluor
16,00
19,00
15
Si
4,00 een schillenmodel tekenen om de elektronenverdeling Moeten we altijd
14,01
pr oe
12,01
7
fh o
6
2,1
16
P
2,5
17
S
neon
Bekijk het voorbeeld van zwavel met:
3,0
Cl-
Ar
• gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> (afgerond op één cijfer na de
silicium
fosfor
zwavel
chloor
28,09
30,97
32,07
35,45
32
1,8
33
2,0
34
2,4
35
As
Se seleen
broom
72,64
74,92
78,96
79,90
50
1,8
Sn 170
tin
arseen
51
1,9
Sb
THEMA 05
antimoon
52
2,1
Te
HOOFDSTUK 3
telluur
komma) <Ar> = 32,1. argon
39,95
2,8 TIP36
Ge
germanium
18
• atoomnummer Z = 16,
Br
53
2,5
I
jood
Kr
Niet vergeten: het aantal elektronen is gelijk aan het atoomnummer Z. krypton
83,80 54
Xe xenon
1,2
Een zwavelatoom heeft dus ook 16 elektronen.
Als we de regels respecteren, weten we dat de elektronen als volgt verdeeld zijn over de schillen:
K-schil: 2 elektronen L-schil: 8 elektronen
M-schil: 6 elektronen
In plaats van het schillenmodel te tekenen, noteert men de
evenveel informatie als een schillenmodel. TIP
IN
elektronenconfiguratie als volgt: 16S 2 8 6. Die notatie geeft uiteindelijk
N
Wil je de regels nog even opfrissen? Scan dan de
VA
QR-code.
OPVULLING SCHILLEN
©
OPDRACHT 10
Magnesium
Calcium
Argon
of d
Elektronenconfiguratie
Aluminium
st
Naam element
uk
Noteer de elektronenconfiguratie.
pr oe
fh o
3.3 Lewisstructuren
Is het altijd nodig om het uitgebreide schillenmodel of een volledige
elektronenconfiguratie weer te geven, of kunnen we onszelf heel wat werk besparen?
Chemici hebben al vroeg ontdekt dat wanneer atomen zich binden met andere atomen, vooral de valentie-elektronen (de elektronen op de
buitenste schil) een rol spelen. Gilbert Newton Lewis kwam zo met een
verkorte schrijfwijze door enkel die elektronen in een aparte notatie op te nemen: de lewisstructuur.
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
171
OPDRACHT 11
Herhaal het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford. 1 Teken de elektronen op de schillen van helium, neon en argon. Neon
Argon
He
Ne
Ar
VA
N
IN
Helium
2 Markeer de elektronen die je zowel bij helium, neon als argon kunt terugvinden met groen.
3 Markeer vervolgens de elektronen die je zowel bij neon als argon, maar niet bij helium kunt terugvinden
©
met rood.
Beantwoord de vragen.
uk
4 Als laatste markeer je de elektronen die je enkel bij argon kunt terugvinden met geel.
5 Hoeveel elektronen per schil hebben deze elementen? Vul de tabel aan.
L-schil
of d
helium
K-schil
st
Element
neon
argon
fh o
6 Vergelijk helium en neon. Wat stel je vast?
M-schil
• De -schil is gelijkend.
• De -schil wijkt af.
• De elektronen die aanwezig zijn bij
pr oe
is omgekeerd niet zo.
zijn ook aanwezig bij , maar dat
7 Vergelijk neon en argon. Wat stel je vast? • De -schil en de -schil zijn gelijkend • De -schil wijkt af.
• De elektronen die aanwezig zijn bij is omgekeerd niet zo.
172
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
zijn ook aanwezig bij , maar dat
We kunnen dus besluiten dat de elektronenverdeling van elementen die
in een periode op een lagere positie in het PSE staan, identiek blijft voor
onderliggende schillen. Als het atoomnummer (en dus het aantal protonen
in de kern en het aantal elektronen op de schillen) stijgt, komt er telkens een elektron bij op de buitenste schil. Deze valentie-elektronen zullen belangrijk zijn bij het vormen van bindingen tussen atomen. We kunnen daarom de
afspraak maken dat we de onderliggende elektronen niet meer tekenen; we
IN
nemen enkel de elektronen van de buitenste schil in beschouwing. OPDRACHT 12
N
Noteer het juiste antwoord.
K-schil
stikstof
fluor 2 Vul de zinnen aan.
M-schil
uk
beryllium
L-schil
©
Element
VA
1 Vul in de tabel het aantal elektronen per schil aan.
• Voor alle drie de atomen is de buitenste schil de -schil.
st
• De valentie-elektronen verschillen wel. Beryllium heeft er , stikstof
en fluor .
weg.
of d
3 Teken de valentie-elektronen op de buitenste schil van de atomen. Laat dus de onderliggende K-schil
fh o
Be
N
F
pr oe
4 Vergelijk de tekeningen nu. Wat kun je nog als overbodig beschouwen?
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
173
Be N F
IN
5 Teken de valentie-elektronen rond de elementen zonder de schillen te tekenen.
Bij stikstof en fluor zien we dat de puntjes die de elektronen voorstellen bij een elektronenpaar al snel in elkaar kunnen overlopen als we de schil zelf
N
niet tekenen. Ook daar had Lewis een oplossing voor. Een elektronenpaar,
2 elektronen dus, wordt dan voorgesteld met een streepje of twee bolletjes
VA
naast elkaar. Dat wordt voor het voorbeeld uit opdracht 12, vraag 5 dan:
©
Be N F
uk
In de lewisstructuur tekenen we enkel de elektronen van de buitenste schil: de valentie-elektronen. Ongepaarde elektronen stellen we voor met een bolletje, gepaarde elektronen (elektronenparen) met een streepje.
pr oe
fh o
of d
st
` Maak oefening 6 en 7.
174
THEMA 05
HOOFDSTUK 3
HOOFDSTUK 4
IN
Wat leren we uit de plaats van een element in het PSE? LEERDOELEN Je kunt al:
N
L toelichten dat elementen worden voorgesteld met een uniek symbool;
VA
L toelichten dat elektronen zich op schillen rond de kern bevinden;
L toelichten dat we in de lewisstructuur enkel de L toelichten dat elektronen negatief geladen zijn en protonen positief geladen;
L toelichten dat een atoom evenveel elektronen als Je leert nu:
L de opbouw van het PSE gebruiken om eigenschappen
st
van atomen en ionen af te leiden.
L een verband leggen tussen de plaats van een element
of d
in het PSE en de eigenschappen ervan;
L elementen ordenen en plaatsen op de tabel volgens metalen en niet-metalen (classificatie);
L toelichten dat elk element een specifieke plaats heeft
fh o
in het PSE;
L toelichten dat de periode waarin het element voorkomt het aantal schillen weergeeft;
L toelichten dat de groep waarin het element staat de elektronenconfiguratie van de buitenste schil
pr oe
verraadt.
Je hoort vaak spreken over ‘de tabel van
uk
protonen bevat en dus elektrisch neutraal is.
©
elektronen van de buitenste schil voorstellen;
Mendelejev’ in plaats van ‘het periodiek systeem van de elementen’.
Nochtans klopt de naam ‘tabel van
Mendelejev’ niet helemaal, want ook andere wetenschappers zoals Henry Mosely, Lothar
Meyer, William Ramsey en Niels Bohr hebben hun steentje bijgedragen. Maar goed, ere
wie ere toekomt, Mendelejev is en blijft de grondlegger van het PSE.
Het PSE en de plaats van de elementen
bevatten heel wat nuttige informatie voor de chemicus. Heb je die kennis onder de knie,
dan start je met een flinke basis om later de verbindingen tussen atomen te verklaren.
Atomen binden immers tot verbindingen. Er
bestaan zeer eenvoudige verbindingen, maar ook heel complexe.
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
175
4.1 Perioden en groepen
• Hoeveel rijen tel je?
• Hoeveel kolommen met elementen tel je?
• Zijn er verschillende kleuren gebruikt in het periodiek systeem? • Hoeveel vakjes telt het periodiek systeem?
N
Bekijk het PSE achteraan in je leerschrift en los de vragen op.
IN
OPDRACHT 13
VA
• Hoe wijzigt het atoomnummer Z als je van links naar rechts vordert in het periodiek systeem?
©
• Hoe wijzigt de gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> als het atoomnummer Z toeneemt?
uk
st
De elementen zijn gerangschikt volgens oplopende atoommassa.
Omdat het atoomnummer steeds toeneemt, kon Mendelejev destijds alle
of d
elementen op één lange rij plaatsen, waarbij de gemiddelde relatieve atoommassa telkens toeneemt. Toch plaatste hij de elementen op
pr oe
fh o
verschillende rijen. De zeven rijen die zo gevormd werden, worden perioden
176
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
genoemd.
Hij had toen immers al ontdekt dat bijvoorbeeld lithium en natrium
gelijkaardige chemische eigenschappen vertonen in reacties, net als bv. fluor en chloor.
Die gelijkaardige chemische eigenschappen zijn een rechtstreeks gevolg
van hun elektronenconfiguratie, die je leerde kennen in hoofdstuk 3. Door elementen met gelijkaardige chemische eigenschappen onder elkaar te plaatsen, werden er ook groepen gevormd: de verticale kolommen. Die
elementen worden gekenmerkt door een gelijk aantal elektronen op de buitenste schil, de valentie-elektronen.
OPDRACHT 14
Vul de tabellen aan door gebruik te maken van je kennis van het atoommodel.
TIP Fris je kennis van
elektronenverdeling op.
1 Vul de tabel aan met de elektronenverdeling per schil voor waterstof, lithium, natrium en kalium; stuk voor stuk elementen uit de eerste kolom van het PSE.
Aantal elektronen op schil 3
Aantal elektronen op schil 2
Aantal elektronen op schil 1
H
Na
K
Totaal aantal elektronen
uk
2 Wat hebben deze elementen gemeen?
©
Li
Aantal elektronen op schil 4
N
Atoom nummer
VA
Symbool element
ELEKTRONEN VERDELING
IN
de regels voor
Merk op dat lithium onder waterstof werd geplaatst. Natrium werd ook weer op een volgende rij geplaatst,
in dezelfde kolom en onder lithium. Kalium werd om dezelfde reden onder natrium geplaatst. Per periode in
st
het PSE komt er telkens een extra schil bij. Symbool element F
Atoom nummer
4 Wat hebben deze elementen gemeen?
Aantal elektronen op schil 3
Aantal elektronen op schil 2
Aantal elektronen op schil 1
fh o
Cl
of d
3 Maak dezelfde oefening voor de elementen fluor en chloor, uit kolom VIIa.
Totaal aantal elektronen
Aantal elektronen op schil 4
pr oe
Chloor kwam zo onder fluor terecht.
5 Herhaal nogmaals de oefening, maar nu met elementen die in kolom IVa staan. Symbool element C
Si
Atoom nummer
Aantal elektronen op schil 3
Aantal elektronen op schil 2
Aantal elektronen op schil 1
Totaal aantal elektronen
Aantal elektronen op schil 4
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
177
6 Wat hebben deze elementen gemeen?
7 Welk gevolg heeft dat voor de plaats van silicium in het PSE?
IN
De rijen in het PSE worden perioden genoemd. Bij elke nieuwe periode komt
N
er een extra schil bij de atomen.
De kolommen worden groepen genoemd. Het zijn groepen elementen met
VA
hetzelfde aantal elektronen op de buitenste schil (de valentie-elektronen), en daarom met dezelfde chemische eigenschappen.
1
2,1
H
1
waterstof
1,01 3
1,0
Li
2
lithium
11
IIa
12 1,2 twee elektronen in de buitenste schil) en gallium, (met drie elektronen in
Mg 4 1,5 de buitenste schil) moesten nog tien elementen hun plaats vinden, met 5een2,0
0,9
naam
beryllium
12
1,2
Mg 24,31
IIIb 3
IVb 4
of d
magnesium
22,99
0,8
22
1,5
23
1,6
24
1,6
25
1,5
VIlIb VIlIb 8 9 26
1,8
27
1,9
28
stikstof
12,01
14,01
1,9
Ib 11 29
1,9
IIb 12 30
1,6
1,5
14
1,8
Al-
1,8
titaan
vanadium
chroom
mangaan
Mn
Fe
Co
Ni
Cu
Zn
Ga gallium
germanium
47,87
50,94
52,00
54,94
55,85
58,93
58,69
63,55
65,38
69,72
72,64
38
0,8
fh o
0,7
6 Cs
cesium
132,9
87
7 Fr
0,7
francium
223
1,0
Sc
39
1,2
40
Y
Sr
Ti
1,4
V
41
Zr
1,6
Cr
42
Nb
1,8
43
Mo
1,9
ijzer
44
2,2
Tc
kobalt
45
Ru
2,2
nikkel
46
Rh
2,2
88,91
91,22
92,91
95,94
98
101,1
47
1,9
Pd
strontium yttriumvolgende zirkonium niobium molybdeen technetium rhodium worden. palladium Ook bij de perioden moest datruthenium opgelost
87,62
koper
102,9
Ag zilver
106,4
zink
48
1,7
49
Cd
0,9
57
1,1
72
1,3
73
1,5
74
1,7
75
1,9
76
2,2
77
2,2
78
2,2
79
2,2
80
1,9
1,8
barium
lanthaan
hafnium
tantaal
wolfraam
renium
osmium
iridium
platina
goud
kwik
thallium
137,3
138,9
178,5
180,9
183,9
186,2
190,2
192,2
195,1
197,0
200,6
204,4
cijfer met lettertje b.105We noemen ze de b-groepen. De110 elementen uit de 113 88 0,9 89 1,1 104 106 107 108 109 111 112
b-groepen kregen de verzamelnaam overgangselementen; ook de termen
Ra
Ac
Rf
Db
Sg
Bh
Hs
Mt
Ds
Rg
Cn
58
{
1,1
59
1,1
60
1,2
61
62
1,2
63
64
65
1,2
cerium
praseodymium
neodymium
promethium
samarium
europium
gadolinium
terbium
Nh
7
Th
Pa
U
Np
Pu
Bk
tin
arseen
74,92 51
1,8
1,9
antimoon
121,8 83
Pb
1,9
bismut
209,0 115
Fl-
1
Mc
flerovium
moscovium
289
288
66
(1,2)
dysprosium
Cf
67
1,2
Ho
68
1,2
erbium
164,9
167,3 100
Es
l
6
Er
holmium
99
8
Bi
lood
207,2 114
5
Sb
118,7 82
3
As
287
140,1 140,9 144,2 (145) 150,4 151,9 157,3 158,9 162,5 en tien b-groepen. Die indeling verwatert stilaan, tegenwoordig worden de 90 1,3 91 1,5 92 1,4 93 1,3 94 1,3 95 1,3 96 97 98
actiniden kolommen vaak gewoon doorlopend genummerd van 1 tot en met 18.
Sn
2,0
nihonium
Pr totNd Pm SmEr zijn Eudus Gd Tb Dy De lanthaniden overige elementen behoren de a-groepen. acht a-groepen 6 Ce
groepen
1,8
114,8
81
Ba teLaplaatsen. Hf DieTagroepen W elementen Re Oskrijgen Ir doorgaans Pt Aueen Romeins Hg Tltussen radium actinium rutherfordium dubnium seaborgium bohrium hassium meitnerium darmstadtium röntgenium copernicium transitie-elementen of nevenelementen worden weleens gebruikt. 226,0 227 261 262 266 264 277 268 281 272 285
50
indium
112,4
De tabel moest dus worden opengetrokken om er telkens tien elementen 56
30,97 33
Ge
In
cadmium
107,9
1,7
1
fosfor
28,09 32
44,96
Ca
2,1
P
silicium
26,98 1,6
15
Si
aluminium
31
8
N
koolstof
13
VIlIb 10
3,0
boor
scandium
85,47
pr oe
1,3
VIIb 7
7
C
B
40,08
rubidium
Va 15
10,81
calcium
55
HOOFDSTUK 4
21
VIb 6
2,5
kalium
5 Rb
THEMA 05
1,0
Vb 5
relatieve atoommassa (Ar)
6
39,10
37
178
20
K
4
magnesium
24,31 atoommassa die tussen die van calcium en gallium ligt: Be
natrium
19
IVa 14
symbool
9,01
3 Na
IIIa
(Z) elektronegatieve waarde op 2een probleem na hetatoomnummer element calcium. Tussen het element calcium (met 13
st
6,94
PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN Bij de rangschikking van de elementen in perioden en groepen stuitte men
uk
Ia 1
©
` Maak oefening 8.
1
thorium
protactinium
uraan
neptunium
plutonium
americium
Am
Cm curium
berkelium
californium
einsteinium
fermium
232,0
231,0
238,0
237
244
243
247
247
251
252
Fm 257
m
3 Na
12
Mg magnesium
22,99
24,31
0,8
20
K
4
1,2
natrium
19
gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)
9,01 0,9
1,0
Ca
IIIb 3 21
IVb 4
1,3
22
Sc
1,5
Ti
Vb 5 23
1,6
VIb 6 24
V
1,6
Cr
calcium
scandium
titaan
vanadium
chroom
40,08
44,96
47,87
50,94
52,00
37
0,8
5 Rb
38
1,0
39
1,2
1,4
41
26
1,8
Mn
27
Fe
1,9
28
Co
1,9
Ib 11 29
1,9
Ni
IIb 12 30
1,6
Cu
1,8
14,01 15
16,00 2,1
16
19,00 2,5
Al-
Si silicium
fosfor
zwavel
chloor
26,98
28,09
30,97
32,07
35,45
1,6
Ga
Zn
32
1,8
33
Ge
S
20,18 3,0
aluminium
31
P
17
2,0
34
42
mangaan
ijzer
kobalt
nikkel
koper
zink
gallium
As
germanium
2,4
35
Se
arseen
Ar
1,7
86
2,2
45
2,2
47
1,9
48
1,7
49
1,7
1,8
51
1,9
52
53
2,5
ruthenium
rhodium
palladium
Pd
Ag zilver
cadmium
indium
In
Sn tin
antimoon
telluur
jood
101,1
102,9
106,4
107,9
112,4
114,8
118,7
121,8
127,6
126,9
76
2,2
77
2,2
78
2,2
79
2,2
80
1,9
81
1,8
82
1,8
Sb
2,1
98
1,9
Cd
50
technetium
75
Rh
46
95,94 74
Ru
2,2
molybdeen
1,5
Tc
44
92,91 73
Mo
1,9
niobium
1,3
83,80
elementen na lanthaan, in periode zes, en actinium, in periode zeven. 43
91,22 72
83
1,9
Te
84
2,0
I
85
2,2
6 Cs
Ba barium
lanthaan
hafnium
tantaal
wolfraam
W
Re renium
osmium
iridium
platina
Pt
Au
Hg kwik
thallium
Tl-
Pb lood
bismut
polonium
Po
At
132,9
137,3
138,9
178,5
180,9
183,9
186,2
190,2
192,2
195,1
197,0
200,6
204,4
207,2
209,0
209
210
0,7
7 Fr
francium
223
88
0,9
Ra
89
Hf
1,1
Ac
104
Ta
105
Rf
106
Db
107
Sg
Os
108
Bh
Ir
109
Hs
110
Mt
goud
111
Ds
113
112
Rg
Cn
114
Nh
Bi
115
Fl-
116
Mc
222
Ts
actinium
rutherfordium
dubnium
seaborgium
bohrium
hassium
meitnerium
darmstadtium
röntgenium
copernicium
nihonium
flerovium
moscovium
livermorium
tennessine
226,0
227
261
262
266
264
277
268
281
272
285
287
289
288
289
289
lanthaniden
Ce
6 90
actiniden
7
1,1
59
1,1
Pr
60
1,2
Nd
61
62
1,2
Pm Sm
63
64
Eu
65
Gd
1,2
Tb
66
(1,2)
Dy
67
1,2
Ho
68
1,2
Er
cerium
praseodymium
neodymium
promethium
samarium
europium
gadolinium
terbium
dysprosium
holmium
erbium
140,1
140,9
144,2
(145)
150,4
151,9
157,3
158,9
162,5
164,9
167,3
1,3
Th
91
1,5
Pa
92
1,4
U
93
1,3
Np
94
1,3
Pu
95
1,3
96
97
98
Bk
99
Cf
100
Es
69
1,2
Og
ganesson
70
289 1,1
71
1,2
Yb
Lu
thulium
ytterbium
lutetium
168,9
173,0
Tm
101
Fm
radon
118
radium
58
Rn
astaat
117
Lv
xenon
131,3
IN
87
La
Xe
102
Md
175,0
103
thorium
protactinium
uraan
neptunium
plutonium
americium
Am
Cm curium
berkelium
californium
einsteinium
fermium
mendelevium
nobelium
lawrencium
232,0
231,0
238,0
237
244
243
247
247
251
252
257
258
No 259
262
N
cesium
krypton
54
1,8
zirkonium
1,1
Kr
broom
88,91 57
36
Br
seleen
yttrium
0,9
argon
39,95
2,8
87,62 56
18
Cl-
strontium
0,7
Nb
1,5
VIlIb 10
14
85,47
Sr
Zr
1,6
25
VIlIb VIlIb 8 9
1,5
rubidium
55
Y
40
VIIb 7
12,01
10,81 13
Een gelijkaardig probleem in de rangschikking deed zich voor78,96met de 69,72 72,64 74,92 79,90 54,94 55,85 58,93 58,69 63,55 65,38
kalium
39,10
Lr
VA
De 28 (of 2 keer 14) afgezonderde elementen onderaan zijn de elementen die in periode zes volgen op het element lanthaan en in periode zeven op het
element actinium. Zo verkregen ze de naam lanthaniden en actiniden. Samen WEETJE
©
worden ze ook wel ‘zeldzame aarden’ genoemd.
Men kiest er vaak voor om de zeldzame aarden onderaan de tabel te
uk
plaatsen met een verwijzing. Dat is handiger omdat het beter past in de
st
verhoudingen van een pagina of poster.
of d
4.2 De a-groepen en hun naam
fh o
Sommige groepen hebben een specifieke naam, andere groepen worden
pr oe
.indd 274
6,94 11
genoemd naar het bovenste element uit de groep. • Ia: de alkalimetalen (Li, Na, K …)
2/06/2021 1
• IIa: de aardalkalimetalen (Be, Mg, Ca …) • IIIa: de aardmetalen (B, Al, Ga …)
• IVa: de koolstofgroep (C, Si, Ge …) • Va: de stikstofgroep (N, P, As …)
• VIa: de zuurstofgroep (O, S, Se …) • VIIa: de halogenen (F, Cl, Br, I …)
• VIIIa: de edelgassen (He, Ne, Ar …)
De laatste kolom, de edelgassen, wordt ook aangeduid als de nulgroep.
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
179
OPDRACHT 15 1 Vul de tabel aan met behulp van het PSE.
S
Cl
Si
Al
neon
IN
Mg
Behoort tot welke groep
fosfor
lithium
ijzer
N
Naam element
VA
Symbool
©
2 Ontdek via de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal enkele nuttige toepassingen van elk element in het
uk
dagelijks leven.
st
WEETJE
Wil je op het volgende feestje uitpakken met een origineel nummer?
pr oe
fh o
of d
Scan de QR-code en ontdek het lied The Elements.
180
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
THE ELEMENTS
4.3 Waarom lijken atomen graag op een edelgas?
OPDRACHT 16
Bekijk de lewisstructuur en vul de tabel aan.
IN
1 Bekijk het PSE. Boven elke kolom van de a-groepen staat de lewisstructuur van de elementen uit die kolom (groep) weergegeven. Ia 1
PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN
H
12
waterstof
3
1,0
Li
2
4
1,5
Be
lithium
beryllium
6,94
9,01
11
0,9
3 Na
12
24,31
0,8
20
K
4
1,0
IIIb 3 21
1,3
22
1,6
24
1,5
26
1,8
27
1,9
scandium
titaan
vanadium
chroom
mangaan
Mn
Fe
Co
44,96
47,87
50,94
52,00
54,94
55,85
58,93
5 Rb
39
1,2
1,4
41
1,8
1,9
2,2
45
C
29
1,9
IIb 12
30
1,6
4,0
O
koolstof
stikstof
zuurstof
fluor
12,01
14,01
16,00
19,00
1,5
14
1,8
15
2,1
16
2,5
Al-
Si
silicium
fosfor
zwavel
chloor
28,09
30,97
32,07
35,45
32
1,8
33
S
neon
26,98
1,6
2,0
34
2,4
35
Ar
Cu
Zn
Ga gallium
germanium
Ge
As
Se seleen
broom
63,55
65,38
69,72
72,64
74,92
78,96
79,90
46
2,2
47
1,9
zink
48
1,7
49
1,7
1,8
51
1,9
52
53
technetium
ruthenium
rhodium
palladium
Pd
Ag zilver
cadmium
indium
In
Sn tin
antimoon
telluur
jood
95,94
98
101,1
102,9
106,4
107,9
112,4
114,8
118,7
121,8
127,6
126,9
74
1,7
75
1,9
6 Cs
Ba barium
lanthaan
hafnium
tantaal
wolfraam
W
Re
132,9
137,3
138,9
178,5
180,9
183,9
186,2
87
0,7
7 Fr
francium
223
88
0,9
La
89
Ra
Hf
1,1
Ac
104
Ta
105
Rf
106
Db
radium
actinium
rutherfordium
dubnium
226,0
227
261
262 58
Ce
6
107
Sg
Os
90
7
actiniden
2,2
78
Ir
2,2
79
2,2
80
1,9
81
1,8
82
1,8
83
1,9
xenon
131,3
2,2
platina
Pt
Au
Hg kwik
thallium
Tl-
Pb lood
bismut
polonium
Po
At
195,1
197,0
200,6
204,4
207,2
209,0
209
210
109
Hs
110
Mt
111
Ds
112
Rg
Cn
113
114
Nh
115
Fl-
116
Mc
Ts
bohrium
hassium
meitnerium
darmstadtium
röntgenium
copernicium
nihonium
flerovium
moscovium
livermorium
tennessine
264
277
268
281
272
285
287
289
288
289
289
1,1
Pr
60
1,2
Nd
61
62
1,2
Pm Sm
63
64
Eu
65
Gd
1,2
Tb
66
(1,2)
Dy
67
1,2
68
Ho
1,2
Er
praseodymium
neodymium
promethium
samarium
europium
gadolinium
terbium
dysprosium
holmium
erbium
140,9
144,2
(145)
150,4
151,9
157,3
158,9
162,5
164,9
167,3
91
1,5
Pa
92
1,4
U
93
1,3
Np
94
1,3
Pu
95
1,3
96
97
98
Bk
99
Cf
100
Es
69
1,2
Tm thulium
Fm
70
Yb ytterbium
173,0 102
Md
Og
ganesson
289 1,1
168,9 101
radon
118
266
59
Rn 222
117
Lv
86
astaat
seaborgium
140,1
Th
85
192,2
cerium
1,3
2,0
iridium
goud
Bi
84
Xe
190,2
108
Bh
77
krypton
54
I
osmium
of d
lanthaniden
1,1
renium
2,2
st
cesium
76
Te
Kr 83,80
2,5
molybdeen
1,5
Sb
2,1
36
Br
92,91 73
Cd
50
arseen
argon
39,95
2,8
58,69
koper
18
Cl-
Ni nikkel
10
20,18 3,0
aluminium
31
P
17
niobium
1,3
He
Ne
91,22 72
2
F
boor
zirkonium
1,1
Rh
Ib 11
N
9
88,91 57
Ru
2,2
3,5
yttrium
0,9
Tc
44
8
87,62 56
Mo
43
kobalt
1,9
3,0
strontium
0,7
Nb
42
ijzer
VIlIb 10 28
7
85,47
Sr
Zr
1,6
2,5
rubidium
55
Y
40
Cr
25
VIlIb VIlIb 8 9
40,08 1,0
V
1,6
VIIb 7
calcium
38
Ti
23
VIb 6
VIIa 17
10,81
13
kalium
0,8
Sc
1,5
Vb 5
6
2,0
B
39,10 37
Ca
IVb 4
VIa 16
4,00
gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)
Mg magnesium
22,99
Va 15
helium
5
magnesium
24,31
1,2
natrium
19
naam
IVa 14
1,2
Mg
symbool
1,01
IIIa 13
elektronegatieve waarde (EN)
uk
1
atoomnummer (Z)
N
2,1
VA
IIa 2
©
1
0 18
71
1,2
Lu lutetium
175,0 103
thorium
protactinium
uraan
neptunium
plutonium
americium
Am
Cm curium
berkelium
californium
einsteinium
fermium
mendelevium
nobelium
lawrencium
232,0
231,0
238,0
237
244
243
247
247
251
252
257
258
No 259
Lr 262
fh o
2 Leid daaruit het antwoord af om de tabel verder aan te vullen. Nummer en naam a-groep
Aantal valentie-elektronen
Ia alkalimetalen
IIIa aardmetalen
Va stikstofgroep
VIIa halogenen
pr oe
2 4 6 8 (2 voor periode 1)
PSE.indd 274
2/06/2021 11:20
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
181
Je merkt dat Mendelejev het belangrijk vond om elementen met hetzelfde
aantal elektronen in de buitenste schil onder elkaar in groepen te plaatsen. Niet vergeten: elk atoom is elektrisch neutraal
(aantal negatief geladen
elektronen = aantal positief geladen protonen).
Atomen zijn het meest stabiel als hun buitenste schil volledig gevuld is met
acht elektronen (of twee als er maar één schil is). Ze streven er dan ook naar om die buitenste schil volledig te maken, de zogenaamde edelgasconfiguratie.
De edelgasconfiguratie wordt daarom ook wel de octetstructuur genoemd, al zou voor helium ‘duetstructuur’ een beter gekozen term zijn.
IN
TIP
De edelgasconfiguratie kan bekomen worden door extra elektronen aan te trekken of elektronen af te staan.
Door elektronen (negatief geladen deeltjes) op te nemen of af te staan,
want het aantal protonen is niet langer gelijk aan het aantal elektronen. We spreken nu niet langer over een atoom maar over een ion.
VA
Afb. 58 Elektrisch neutraal atoom
N
krijgt het atoom zelf een lading. Het atoom is niet langer elektrisch neutraal, Een geladen atoom wordt een ion genoemd.
• Negatief geladen ionen worden anionen genoemd en bevatten meer
uk
©
elektronen dan protonen. De atomen hebben elektronen opgenomen.
st
Dit anion draagt als lading 2–
Afb. 59 Ladingsverhouding bij anionen
of d
• Positief geladen ionen worden kationen genoemd en bevatten meer
pr oe
fh o
protonen dan elektronen. De atomen hebben elektronen afgegeven.
Dit kanion draagt als lading 2+
Afb. 60 Ladingsverhouding bij kationen
Een atoom zal altijd de makkelijkste weg kiezen om de edelgasconfiguratie te bekomen, zoals het voorbeeld van natrium en chloor aantoont:
Natrium heeft één elektron in de buitenste schil en kan een octetstructuur bereiken door:
• één elektron af te staan;
• zeven elektronen op te nemen.
Het natriumatoom kiest de gemakkelijkste weg: met één elektron minder wordt de voorlaatste schil nu de buitenste schil en bereikt het atoom de edelgasconfiguratie. 182
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
Z = 11 N = 12
Na
Na+
Afb. 61 Natrium: van atoom tot ion
Atoom 11
aantal elektronen elektronenconfiguratie
neutraal 2, 8, 1
11 10
positief 2, 8
VA
lading
11
Ion
N
aantal protonen
IN
Z = 11 N = 12
Met dat ene elektron (negatief geladen deeltje) minder wordt tegelijkertijd het positieve natriumion gevormd: Na+.
©
Merk op dat het natriumion, dat we nu noteren als Na+, dezelfde elektronenconfiguratie krijgt als het edelgas neon. Na+ 2 8 1 28
uk
Ne
Chloor heeft zeven elektronen in de buitenste schil, om een volledige buitenste schil te bekomen kan het:
st
• één elektron opnemen;
• zeven elektronen afstaan.
of d
Ook chloor kiest voor de makkelijkste oplossing en zal één elektron (negatief
pr oe
fh o
geladen deeltje) opnemen.
Z = 17 N = 18
Z = 17 N = 18
Afb. 62 Chloor: vanCl atoom tot ion
aantal protonen aantal elektronen lading elektronenconfiguratie
Cl–
Atoom
Ion
17
17
neutraal
negatief
17
2, 8, 7
18
2, 8, 8
Chloor zal daarom het negatieve chloride-ion vormen, of kortweg Cl–. THEMA 05
HOOFDSTUK 4
183
Het chloride-ion, dat we nu noteren als Cl–, krijgt door de opname van een
extra elektron de configuratie van het edelgas argon. Cl–
Ar
2878
288
IN
4.4 Elektronegativiteit
Metalen zijn dus geneigd om elektronen af te staan: ze zijn elektropositief,
terwijl de niet-metalen, met uitzondering van de edelgassen, er heel graag
N
extra elektronen zouden bij willen: ze zijn elektronegatief. De mate waarin
een atoom er naar streeft om extra elektronen op te nemen noemen we de
VA
elektronegativiteit van een element. De elektronegativiteit of EN-waarde is
een getal tussen 0,7 en 4, dat we ook bij elk element op het PSE terugvinden, in de rechterbovenhoek. Merk op dat de EN-waarde ontbreekt bij de
edelgassen. Zij hebben de edelgasconfiguratie al bereikt en zijn niet geneigd
©
extra elektronen aan te trekken.
elektronegatieve waarde (EN)
atoomnummer (Z)
12
1,2
Mg
uk
symbool naam
magnesium
24,31
st
gemiddelde relatieve atoommassa <Ar>
of d
Door het streven naar een volledige buitenste schil gaat een atoom
elektronen afstaan of opnemen, het atoom wordt zo een ion. Positieve ionen
pr oe
fh o
noemen we kationen, negatieve ionen noemen we anionen. Het atoom
184
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
bereikt zo de configuratie van het dichtstbijzijnde edelgas in het periodiek systeem. Daarom spreken we van een edelgasconfiguratie. Elementen die elektronen afstaan om tot de edelgasconfiguratie te komen, noemen we elektropositief; ze vormen kationen. Doorgaans zijn dat metalen.
Elementen die elektronen opnemen om tot de edelgasconfiguratie te
komen, noemen we elektronegatief; ze vormen anionen. Doorgaans zijn dat niet-metalen.
De mate waarin een atoom ernaar streeft om extra elektronen op te nemen, noemen we de elektronegativiteit (EN) van een element.
OPDRACHT 17
Vergelijk de EN-waarde van elk element in het PSE. 1 Hoe verandert de EN-waarde binnen één periode?
2 Hoe verandert de EN-waarde binnen één groep?
IN
4 Waar staan de minst elektronegatieve (of elektropositieve) elementen?
VA
©
WEETJE De Amerikaan Linus Carl Pauling (1901-1994) was de
N
3 Waar staan dan de meest elektronegatieve elementen op het PSE?
allereerste scheikundige die de term elektronegativiteit gebruikte. Aan
het element dat het hardst elektronen naar zich toe kan trekken (fluor)
uk
kende Pauling een EN-waarde van 4,0 toe. De overige elementen werden vergeleken met fluor en kregen een overeenkomstige
OPDRACHT 18
of d
specifiek voor elke atoomsoort.
st
elektronegativiteit, tussen 0,7 en 4,0. De elektronegativiteit is dus
Vul de juiste gegevens aan en schrap wat niet past.
fh o
Welke ionen vormen de atomen om de edelgasconfiguratie te bereiken? • Magnesium zal
• Stikstof zal
• Zuurstof zal
elektronen opnemen / afstaan en een
pr oe
• Aluminium zal • Zwavel zal • Neon zal
• Lithium zal
elektronen opnemen / afstaan en een
elektronen opnemen / afstaan en een
elektronen opnemen / afstaan en
ion vormen.
ion vormen.
elektronen opnemen / afstaan en een
elektronen opnemen / afstaan en een
TIP
ion vormen.
ion vormen.
ion vormen.
ion vormen.
elektron opnemen / afstaan en een
ion vormen.
Denk eraan dat je het aantal
elektronen in de buitenste schil van elk atoom kunt afleiden
uit de plaats in het periodiek systeem.
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
185
Elementen uit groep
Verschil in elektronen met atoom
Ionlading
Ia
geven 1 af
1+
Va
nemen 3 op
3-
IIa
geven 2 af
IIIa
2+
geven 3 af
nemen 2 op
VIIa
2-
IN
VIa
3+
nemen 1 op geen
Ze vormen geen
ionen; ze hebben al de edelgasconfiguratie.
N
VIIIa
1-
Dit overzicht vormt een zeer belangrijke basis om later chemische formules
VA
te schrijven. ` Maak oefening 9 t/m 13.
©
Opgelet, er worden twee belangrijke afspraken gemaakt: Ia 1
IIa 2
2,1
H 1,0
Li
lithium
6,94
1,5
naam
Be
magnesium
3 Na
natrium
Mg
0,8
24,31
20
K
4
IIIb 3
magnesium
22,99
19
1,0
Ca
kalium
calcium
1,3
37
0,8
5 Rb
rubidium
38
Sc
0,7
barium
132,9
7 Fr
francium
pr oe
fh o
223
0,9
Ba
cesium
0,7
yttrium
57
0,9
Ra
1,1
La
lanthaan
137,3
88
Ti
138,9
89
1,1
Ac
1,4
V
Nb
niobium
Hf
1,5
Ta
tantaal
178,5
actinium
rutherfordium
226,0
227
261
molybdeen
dubnium
cerium
actiniden
7
1,3
Th
1,9
Tc
technetium
Bh
bohrium
Pr
praseodymium
60
Hs
hassium
Nd
neodymium
140,9 1,5
Pa
meitnerium
1,4
VIIa 17
2
1,3
Np
2,2
Pt
Ds
He
darmstadtium
1,3
röntgenium
Pu
64
Eu
europium
Gd
gadolinium
151,9 1,3
copernicium
tin
1,8
Tl-
Nh
nihonium
Tb
terbium
66
(1,2)
Dy
dysprosium
158,9 97
flerovium
Bk
Mc
moscovium
Ho
holmium
164,9
68
Er
erbium
167,3 100
Es
jood
xenon
131,3
2,2
86
At
Rn
astaat
209
radon
210
222
117
Lv
livermorium
118
Ts
Og
tennessine
ganesson
289 1,2
Tm thulium
70
289 1,1
1,2
Yb
Lu lutetium
173,0 102
Md
71
ytterbium
168,9 101
Fm
Xe
126,9 85
Po
69
54
I
289 1,2
krypton
83,80
2,5
polonium
116
288 1,2
99
Cf
2,0
Kr
79,90
127,6 84
209,0
289 67
162,5 98
bismut
115
Fl-
287 1,2
Bi
lood
207,2 114
1,9
Br
telluur
121,8
36
broom
53
Te
antimoon
83
argon
39,95
2,8
78,96 2,1
Ar
chloor
35,45 35
seleen
52
Sb
Pb
204,4
1,9
neon
20,18 18
Cl2,4
Se
74,92
Ne 3,0
zwavel
arseen
51
118,7 82
thallium
285
157,3 96
1,8
113
65
Sn
114,8
kwik
Cn
1,8
F
fluor
17
32,07 34
As
72,64
indium
81
200,6 112
272
63
95
1,9
Ge
2,0
10
19,00 2,5
S
fosfor
germanium
50
In
Hg
goud
Rg
1,7
O
30,97 33
4,0
zuurstof
16
P 1,8
9
16,00 2,1
Si 28,09 32
69,72
112,4
197,0 111
gallium
cadmium
80
Au
195,1
150,4 94
zilver
Ga 49
Cd
107,9 79
1,6
3,5
14,01 15
silicium
26,98
zink
1,7
1,8
Alaluminium
65,38 48
N
stikstof
12,01 14
8
175,0 103
thorium
protactinium
uraan
neptunium
plutonium
americium
Am
Cm curium
berkelium
californium
einsteinium
fermium
mendelevium
nobelium
lawrencium
232,0
231,0
238,0
237
244
243
247
247
251
252
257
258
259
262
1
U
samarium
(145)
Ag
281 1,2
Pm Sm
93
1,9
3,0
koolstof
1,5
31
Zn
koper
platina
110
62
promethium
144,2 92
Ir
1,6
63,55
106,4 2,2
IIb 12 30
Cu 47
palladium
78
268
61
2,2
Pd
192,2
Mt
1,9
nikkel
iridium
109
277 1,2
2,2
Ib 11 29
58,69 46
102,9
190,2 108
264 1,1
rhodium
77
osmium
186,2
seaborgium
91
2,2
Os
renium
107
Sg
Rh
ruthenium
76
2,2
1,9
Ni
58,93
101,1 1,9
VIlIb 10 28
kobalt
45
Ru
Re
183,9
59
2,2
1,9
7
C
boor
Co
ijzer
55,85 44
98 75
27
Fe
54,94
W
140,1 90
Mn
266
Ce
6
1,7
1,8
2,5
10,81 13
VIlIb VIlIb 8 9 26
mangaan
43
wolfraam
262 1,1
1,5
95,94 74
106
Db
58
1,8
Mo
180,9 105
Rf
Cr
VIIb 7
25
52,00
42
92,91 73
hafnium
104
1,6
1,6
chroom
50,94
91,22 1,3
VIb 6
24
vanadium
zirkonium
72
1,6
41
Zr
radium
lanthaniden
Vb 5
23
47,87
40
88,91
87,62
6 Cs 87
Y
strontium
56
1,2
1,5
titaan
44,96
39
Sr
85,47
55
1,0
IVb 4
22
scandium
40,08
of d
39,10
21
6
B
gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)
1,2
VIa 16
4,00 2,0
beryllium
12
Va 15
helium
5
24,31
9,01
0,9
IVa 14
1,2
Mg
st
11
4
IIIa 13
elektronegatieve waarde (EN)
symbool
1,01
2
atoomnummer (Z)
12
waterstof
3
uk
1
1
0 18
PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN
No
Lr
2
1 De overgangselementen laten we nog even links liggen, voorlopig
onthouden we dat deze elementen uit de b-groepen bijna allemaal een 2+ ion gaan vormen.
2 De elementen uit kolom IVa (C: koolstof, Si: silicium, Ge: germanium,
Sn: tin en Pb: lood) worden ook overgeslagen. Die elementen kunnen immers twee kanten uit om tot een edelgasconfiguratie te komen: 4 elektronen opnemen en dus een 4– ion vormen, of 4 elektronen afstaan en een ion met lading 4+ vormen. Vaak zullen zij 4+ ionen vormen.
PSE.indd 274
186
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
2/06/2021 11:20
4.5 Zijn er naast de massa en elektronenconfiguratie nog andere indelingen in het PSE? In thema 3 leerde je dat het PSE kan worden onderverdeeld in metalen en niet-metalen. De edelgassen horen op hun beurt bij de niet-metalen. Als we over metalen spreken denk je vast aan ijzer, koper …
IN
Of misschien heb je een wat duurdere smaak en denk je aan zilver, goud …
Er bestaan natuurlijk nog veel meer metalen die je regelmatig tegenkomt in
het dagelijks leven, denk maar aan aluminium en chroom in je fiets, en bij de
N
auto van je ouders.
De indeling metalen en niet-metalen is vooral gebaseerd op hun je al leerde in thema 2.
Sorteer de metalen en de niet-metalen.
uk
Je leerkracht heeft een aantal stoffen klaargezet.
©
OPDRACHT 19
VA
stofeigenschappen. We onderzoeken enkele van die stofeigenschappen, die
1 Van welke stoffen denk je dat het metalen zijn? Haal ze ertussenuit. 2 Noteer waarom jij denkt dat het om een metaal gaat.
pr oe
fh o
of d
st
Met andere woorden: van welke eigenschappen heb je gebruikgemaakt?
Metalen onderscheiden zich nog op andere vlakken van andere stoffen door specifieke stofeigenschappen: ze geleiden goed de stroom. De elektrische
geleidbaarheid geeft aan hoe makkelijk geladen deeltjes doorheen een stof kunnen bewegen.
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
187
OPDRACHT 20 DEMO
Je leerkracht onderzoekt welke stoffen stroom geleiden. 1 Werkwijze • Verbind een testlamp met een stroombron. • Sluit de stroomkring door de connectoren
lampje
met de stof te verbinden.
Lampje brandt: stof geleidt stroom. Lampje brandt niet: stof geleidt
IN
stof
stroombron
2 Wat neem je waar? Zet een kruisje in de juiste kolom. Stof
Lampje brandt
lood (Pb)
grafiet (C) 3 Wat kun je hieruit besluiten?
pr oe
fh o
of d
188
THEMA 05
st
koper (Cu)
HOOFDSTUK 4
Lampje brandt niet
uk
octazwavel (S8) distikstof (N2, de lucht aanwezig)
Afb. 63
©
ijzer (Fe)
VA
N
geen stroom.
Metalen geleiden ook goed de warmte: thermische geleidbaarheid of
warmtegeleiding geeft aan hoe vlot warmte(energie) wordt doorgegeven in een stof.
OPDRACHT 21 DEMO
glas
VA
N
metaal
IN
Je leerkracht onderzoekt welke stoffen warmte geleiden door een metalen en een glazen staaf in de vlam van een bunsenbrander te houden.
We maken nu gebruik van de stofeigenschappen kookpunt en smelpunt om metalen te onderscheiden van andere stoffen.
pr oe
fh o
of d
2 Wat kun je hieruit besluiten?
uk
st
1 Wat neem je waar?
©
Afb. 64
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
189
OPDRACHT 22
Bekijk de tabel en los de vragen op.
Smeltpunt (°C)
Kookpunt (°C)
ijzer
1 538
2 750
dijodium
octazwavel
–218
koper
1 085
2 566
distikstof
–259
chroom
839
1 860
1 485
platina
1 772
3 850
327
1 740
–39
kwik
natrium
357
98
kalium
884
64
calcium goud
774
2 675
1 064
2 807
Smeltpunt (°C)
Kookpunt (°C)
113
184
113
dizuurstof
–210
diwaterstof
koolstof - diamant koolstof - grafiet dibroom
–183
–196
–253
3 550
4 827
–101
–35
3 652
tetrafosfor dichloor
444
N
lood
Stof
44
VA
Stof
Niet-metalen
IN
Metalen
4 827
–7
276
59
1 Markeer de stoffen die bij kamertemperatuur vast zijn met rood, vloeibaar met groen en gasvormig met
©
geel.
2 Vergelijk de verschillende stoffen in de tabel aan de hand van hun smelt- en kookpunten.
uk
Wat valt er op bij de metalen?
st
3 Welke aggregatietoestand hebben ze bij kamertemperatuur?
of d
OPDRACHT 23 ONDERZOEK
pr oe
fh o
Hoe kun je metalen herkennen? Voer het labo uit op p. 245.
Stofeigenschappen metalen geleiden de elektrische stroom
geleiden de elektrische stroom niet
plooibaar, rekbaar, pletbaar,
niet plooibaar, niet rekbaar, niet
zacht
smeedbaar
goede warmtegeleiders glanzend uitzicht
vaste stoffen op kamertemperatuur (met uitzondering van kwik, een vloeibaar metaal)
` Maak oefening 14 t/m 17. 190
THEMA 05
HOOFDSTUK 4
Stofeigenschappen niet-metalen (met uitzondering van grafiet) broos
pletbaar, niet smeedbaar slechte warmtegeleiders meestal dof uitzicht
meestal vloeibaar of gasvormig, maar kunnen ook vast zijn
THEMASYNTHESE
BOUW, EIGENSCHAPPEN EN RANGSCHIKKING VAN ATOMEN Kernbegrippen
Notities
Kernvragen
materie: stof of mengsel van stoffen
stof: verbinding van deeltjes of
• Historische evolutie van de atoommodellen van Dalton tot en met Bohr: elke keer weer voortbouwen op de ontdekking van de voorganger.
• Het schillenmodel van Bohr-Rutherford elektronenschillen
CHEMISCHE TIJDLIJN
N
voorwerp: opgebouwd uit materie
IN
Hoofdstuk 1: Hoe evolueerde het atoommodel?
VA
atomen
©
protonen en neutronen
• bevat twee soorten
elementaire deeltjes:
protonen (+) en neutronen
• deze elementaire deeltjes
hebben een eenheidslading elektronen (–)
atoomnummer Z
= aantal protonen
fh o
= aantal elektronen massagetal A
= Z (aantal protonen)
pr oe
+ N (aantal neutronen)
absolute atoommassa Aa
eenheidsmassa
= 1/12 van Aa(C) = 1 unit
relatieve atoommassa Ar
gemiddelde relatieve atoommassa <Ar>
protonen en neutronen voorkomen (behalve H: enkel 1 proton).
• Protonen, elektronen en neutronen vormen samen een atoom. Een atoom in zijn geheel heeft geen lading.
• Protonen zijn positief geladen (+).
Elektronen zijn negatief geladen (–). Neutronen zijn neutraal.
of d
• rond atoomkern heb je
• Het atoom bestaat uit een atoomkern en een elektronenmantel waarin
st
atoomkern = nucleus
uk
Hoofdstuk 2: Wat weten we al over een atoom?
• Rond de kern bewegen elektronen (–) op schillen.
• Het aantal elektronen rond de kern is in een atoom gelijk aan het aantal protonen in de kern.
• Atomen met hetzelfde aantal protonen zijn atomen van
hetzelfde chemische element.
• Uit het atoomnummer Z en
het massagetal A kunnen we de hoeveelheid van elk van de deeltjes in een atoom berekenen.
proton
neutron schil nucleus elektron
• De absolute atoommassa Aa van
een atoom is de massa van het atoom en wordt uitgedrukt in gram.
• De eenheidsmassa is 1/12de van de massa van een C-atoom = 1,66.10-4 g.
• De verhouding tussen de absolute atoommassa van een atoom en de
eenheidsmassa, is de relatieve atoommassa Ar van een atoom. Dat is een
onbenoemd getal.
• In het PSE wordt onder elk element de gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> vermeld. Dat is de gewogen gemiddelde massa van alle atoomtypes
van eenzelfde element.
THEMA 05
THEMASYNTHESE
191
Hoofdstuk 3: Hoe zitten elektronen verdeeld in een atoom? elektronenconfiguratie edelgasconfiguratie
• De verdeling van de elektronen op schillen gebeurt volgens een aantal regels.
• Wanneer de buitenste schil volledig bezet is, dan spreken we over de edelgasconfiguratie.
• Het schillenmodel kan eenvoudiger genoteerd worden als de
lewisstructuur
IN
elektronenconfiguratie.
• Bij de lewisstructuur vereenvoudigen we die elektronenconfiguratie nog en worden enkel de elektronen van de buitenste schil weergegeven.
groepen = kolommen in het PSE perioden
= rijen in het PSE
• Elementen met een gelijk aantal elektronen op de buitenste schil
(de valentie-elektronen) hebben gelijkaardige chemische eigenschappen.
• Elementen met gelijke chemische eigenschappen worden in het PSE onder elkaar geplaatst, in een gelijke groep (# = 18).
• In het PSE komen er 7 perioden voor. Binnen een periode heeft elk
element een gelijk aantal schillen in gebruik (periode 3 ⇒ 3 schillen in gebruik).
a- en b-groepen
VA
valentie-elektronen
N
Hoofdstuk 4: Wat leren we uit de plaats van een element op het PSE?
uk
8 a-groepen
©
• Het PSE wordt opgedeeld in a- en b-groepen. elk een naam: Ia:
IIa:
aardalkalimetalen aardmetalen
st
IIIa:
alkalimetalen
IVa: Va:
één verzamelnaam: overgangselementen
koolstofgroep stikstofgroep
zuurstofgroep
of d
VIa:
10 b-groepen
VIIa:
halogenen
VIIIa/0: edelgassen (of nulgroep)
fh o
ion (+: kation; -: anion) = geladen atoom elektropositief
pr oe
elektronegatief
elektronegativiteit (EN)
• Atomen streven naar een stabiele edelgasconfiguratie.
• Metalen geven elektronen af ter vorming van positieve ionen (kation): ⇒ metalen zijn elektropositief.
• Niet-metalen nemen elektronen op ter vorming van negatieve ionen (anion):
⇒ niet-metalen zijn elektronegatief.
• De mate waarin een atoom ernaar streeft om extra elektronen op te nemen, noemen we de elektronegativiteit (EN) van een element.
• De groep waartoe een element behoort bepaalt welke lading het ion draagt:
Ia ⇒ 1+
IIa ⇒ 2+ IIIa ⇒ 3+
192
THEMA 05
THEMASYNTHESE
Va ⇒ 3-
VIa ⇒ 2-
VIIa ⇒ 1-
metalen en niet-metalen
Stofeigenschappen metalen
Stofeigenschappen niet-metalen
geleiden de elektrische stroom
geleiden de elektrische stroom niet
plooibaar, rekbaar, pletbaar,
niet plooibaar, niet rekbaar, niet
zacht
smeedbaar
broos
pletbaar, niet smeedbaar
goede warmtegeleiders glanzend uitzicht
(met uitzondering van grafiet)
slechte warmtegeleiders meestal dof uitzicht
IN
stofeigenschappen
vaste stoffen op kamertemperatuur meestal vloeibaar of gasvormig,
VA
vloeibaar metaal)
maar kunnen ook vast zijn
N
(met uitzondering van kwik, een
©
BEKIJK KENNISCLIP
Mijn samenvatting
uk
st
of d
pr oe
fh o
THEMA 05
THEMASYNTHESE
193
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis
• Ik ken de kernbegrippen (element, atoom, voorwerp, materie, stof, atoomsoort, nucleonen, atoomkern, atoomnummer, massagetal, gemiddelde relatieve
atoommassa, elektronenconfiguratie, lewisstructuur, eenheidslading, elementair deeltje) en kan ze toelichten.
IN
• Ik ken de historische evolutie van de atoommodellen van Dalton tot en met Chadwick.
• Ik kan toelichten hoe en waarom een atoom een ion vormt. • Ik kan toelichten hoe een ion aan zijn lading komt.
• Ik kan toelichten waarom metalen positieve ionen en niet-metalen negatieve ionen vormen.
VA
• Ik kan een verband leggen tussen de plaats van een element in het PSE en de
N
• Ik ken de lewisstructuur en kan die toepassen bij de eerste 20 elementen.
eigenschappen (massa, elektronenconfiguratie, EN-waarde ...) ervan.
2 Onderzoeksvaardigheden
• Ik kan de bouw van een atoom toelichten (volgens het gecombineerd atoommodel
©
van Bohr-Rutherford).
• Ik kan de samenstelling van atomen afleiden uit het atoomnummer en het massagetal.
uk
• Ik kan de regels voor elektronenverdeling toepassen om het gecombineerd
atoommodel van Bohr-Rutherford te tekenen en de elektronenconfiguratie van de eerste 20 elementen te schrijven.
st
• Ik kan toelichten hoe het schrijven van elektronenconfiguraties een vereenvoudigde weergave is van het schillenmodel.
• Ik kan het PSE gebruiken om eigenschappen van atomen en ionen af te leiden, ook
of d
op basis van atoomnummer, massagetal en lewisformule.
• Ik kan elementen ordenen en plaatsen op de tabel.
• Ik kan metalen herkennen aan de specifieke eigenschappen.
pr oe
fh o
` Je kunt deze checklist ook op
194
THEMA 05
CHECKLIST
invullen bij je Portfolio.
CHECK IT OUT
Ik zie, ik zie wat jij niet ziet!
VA
N
IN
Wat zie jij onder deze elektronenmicroscoop? Vul in.
©
uk
st
of d
Zou je graag nog verder inzoomen? Je bent niet alleen.
Wetenschappers uit de hele wereld doen continu fundamenteel onderzoek naar elementaire deeltjes in het CERN
pr oe
fh o
(Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire, of de Europese Raad voor Kernonderzoek).
Afb. 65 CERN
Onze landgenoot
François Englert kreeg in 2013 de Nobelprijs
voor Natuurkunde voor Afb. 66 François Englert
Heeft dit thema jouw interesse opgewekt? Ga naar
zijn onderzoek naar de allerkleinste deeltjes.
en bekijk de filmpjes over het onderzoek bij CERN.
!
Stilaan zijn we in staat om na te gaan of het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford overeenstemt met de realiteit. Steeds sterkere microscopen stellen ons in staat het met het blote oog te checken. We ontdekken alsmaar meer.
THEMA 05
CHECK IT OUT
195
AAN DE SLAG
Uit welke deeltjes is een atoom opgebouwd, wat is hun lading en waar in het atoom bevinden die deeltjes zich?
Deeltje van het atoom
Lading
2
Een element heeft 20 neutronen in de kern en een atoommassa van 40 u. Over welk element gaat het?
Hoeveel neutronen vind je in een lithiumkern?
4
Hoeveel elektronen heeft een loodatoom?
Vervolledig de tabel. Symbool
of d
Naam
uk
st
5
N
3
VA
Plaats in het atoom
IN
1
fh o
Sn
pr oe
©
zink
lood
A
Aantal protonen
Aantal Aantal neutronen elektronen
2
4
65
1
Z
207
56
138
119
51 12
23
16
16
a Geef de samenstelling van de kern van een zwavelatoom (met atoomnummer 16 en massagetal 32).
b Geef de samenstelling van het kwikatoom met A = 200.
196
THEMA 05
AAN DE SLAG
Teken het schillenmodel voor aluminium.
7
Schrijf de elektronenconfiguratie en teken ernaast de lewisstructuur voor de volgende elementen. koolstof:
VA
N
IN
6
chloor:
zwavel:
8
of d
Vul de tabel aan.
Naam element
pr oe
fh o
fosfor:
uk
st
zuurstof:
©
magnesium:
Symbool
chloor
zwavel
calcium
argon
Naam groep
Ionlading
Na
C
Al P
THEMA 05
AAN DE SLAG
197
9
Waarom vormen edelgassen geen ionen?
Vul aan.
• Negatieve ionen worden ook
• Positieve ionen worden ook
genoemd.
genoemd.
Vul aan.
Een element dat een ion vormt met lading 2– zal altijd behoren tot
VA
11
IN
• De overgangselementen vormen ionen met lading .
N
10
Een element dat een ion vormt met lading 2+ zal altijd behoren tot
Een element dat een ion vormt met lading 3– zal altijd behoren tot
©
Een element dat een ion vormt met lading 1+ zal altijd behoren tot
uk
Een element dat geen ionen vormt, zal altijd behoren tot
Een 2+ geladen ion bevat nog 24 elektronen. Om welk element gaat het?
13
Beantwoord de vragen.
st
12
a Welk ion van een alkalimetaal heeft 4 schillen en 18 elektronen?
Noem minstens vier stofeigenschappen van metalen.
fh o
14
of d
b Welk ion van een aardalkalimetaal heeft 4 schillen en 18 elektronen?
Vul aan.
• Metalen vormen altijd positieve ionen, ze zijn .
pr oe
15
• Niet-metalen vormen altijd negatieve ionen, ze zijn .
16
Welke zuivere stof is geen metaal maar geleidt toch de stroom?
17
Wat is het enige metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur?
` Verder oefenen? Ga naar
198
THEMA 05
AAN DE SLAG
.
. . . .
CHEMISCHE BINDINGEN EN HUN ROOSTERS
THEMA 06
201
VERKEN
202
` HOOFDSTUK 1: Zijn deeltjes in een verbinding altijd
op eenzelfde manier gebonden?
IN
CHECK IN
N
204
VA
1.1 Wat is het verschil tussen een binding en een verbinding? 1.2 Welke soorten bindingen bestaan er?
` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een ionbinding gevormd?
uk
©
2.1 De ionbinding 2.2 De formule-eenheid van ionverbindingen 2.3 De neutraliteitsregel
` HOOFDSTUK 3: Hoe wordt een atoombinding gevormd?
st
3.1 De atoombinding 3.2 De molecuulformule van atoomverbindingen
204 205 207
207 209 210 212 212 215
of d
` HOOFDSTUK 4: Hoe wordt een metaalbinding gevormd? 219 4.1 De metaalbinding 4.2 Verklaring van de eigenschappen van metalen
219 221
fh o
` HOOFDSTUK 5: Welk belang en voorkomen hebben
pr oe
enkelvoudige stoffen? 5.1 Niet-metalen
A Koolstof B Dichloor of chloorgas C De hoofdbestanddelen van lucht: stikstofgas en zuurstofgas D Diwaterstof of waterstofgas E Zwavel F Fosfor G Edelgassen
5.2 Metalen
223 223 223 224 224 225 225 225 226
227
199
229
CHECKLIST
230
IN
THEMASYNTHESE
PORTFOLIO CHECK IT OUT
N
231
AAN DE SLAG
232
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
VA
OEFEN OP DIDDIT
200
CHECK IN
Alle beetjes helpen! Deze situaties schetsen telkens een probleem. Hoe kun je ervoor zorgen dat de personen alsnog in een comfortabele situatie terechtkomen? Situatie 1
Situatie 1:
IN
Wat kan Kalvin doen zodat zowel hij als Fleur het comfortabel krijgen?
Situatie 2
VA
N
Kalvin en Fleur Situatie 2:
Situatie 3
st
Jody en Jodi
of d
uk
©
Wat moeten Jody en Jodi doen om het beiden comfortabel te krijgen?
Situatie 3:
Wat moeten Ali en Allison doen om het beiden comfortabel te krijgen?
fh o
pr oe
Ali en Alisson
?
` Is er een gelijkenis tussen deze situaties en de vorming van bepaalde chemische bindingen?
We zoeken het uit!
THEMA 06
CHECK IN
201
VERKEN
De samenstelling van een stof OPDRACHT 1
Ken je alle termen nog?
Term
samengestelde stof positief ion stof enkelvoudige stof
3 scheikundige vorm voor materie met een bepaalde
2 de buitenste schil van het atoom is volledig bezet
4 kleinste deeltje van een element dat nog alle
6 ontstaat door het opnemen van elektronen
8 stof opgebouwd uit meer dan één element
N
negatief ion
1 atoomsoort
chemische samenstelling
VA
element
eigenschappen van het element heeft
5 ontstaat door het afstaan van elektronen
7 stof opgebouwd uit één element
©
edelgasconfiguratie
Verklaringen
uk
atoom
Verklaring
st
2 Zet in de afbeelding de juiste letters bij de pijlen.
of d
A de stof water – B het deeltje water – C een atoom waterstof – D een atoom zuurstof
pr oe
fh o
202
THEMA 06
VERKEN
IN
1 Vul in de tweede kolom het nummer van de juiste verklaring in.
OPDRACHT 2
Hoe worden ionen gevormd? Vul de zinnen aan en schrap wat niet past. om de edelgasconfiguratie te bereiken.
Ze vormen zo positieve / negatieve ionen.
Ze vormen zo positieve / negatieve ionen.
Dat atoom zal dus
elektronen
Dat atoom zal dus
elektron
Dat atoom zal dus
elektronen
Dat atoom zal dus
elektronen
b Niet-metalen
om de edelgasconfiguratie te bereiken.
c Magnesium is een metaal / niet-metaal met 2 elektronen op de buitenste schil.
en zo het ion
vormen.
elektronen op de buitenste schil. en zo het ion
vormen.
en zo het ion
vormen.
elektronen op de buitenste schil.
uk
f Zuurstof is een metaal / niet-metaal met
vormen.
VA
elektronen op de buitenste schil.
e Aluminium is een metaal / niet-metaal met
OPDRACHT 3
en zo het ion
©
d Chloor is een metaal / niet-metaal met
IN
N
a Metalen
st
Onderstreep de enkelvoudige stoffen en omcirkel de samengestelde stoffen.
of d
H2O – (C) grafiet – N2O (lachgas) – HCl (waterstofchloride) – O2 (zuurstofgas) – CH4 (methaan) – O3 (ozon) –
pr oe
fh o
CO2 (koolstofdioxide) – He – C6H12O6 (glucose) – Fe (ijzer)
THEMA 06
VERKEN
203
HOOFDSTUK 1
IN
Zijn deeltjes in een verbinding altijd op eenzelfde manier gebonden? LEERDOELEN Je kunt al:
L begrijpen dat stoffen zijn opgebouwd uit één of meerdere atomen of elementen.
Je leert nu:
gevormd zal worden;
L wanneer een ionbinding tot stand komt;
voorwerpen die uit bepaalde stoffen
zijn gemaakt. Een balpen uit plastic, een kast uit hout, een schrift uit papier. Ook
uk
L wanneer een atoombinding tot stand komt;
Als je om je heen kijkt, zie je allerhande
©
L dat de aard van de deeltjes bepaalt welke verbinding
VA
L toelichten dat atomen streven naar de edelgasconfiguratie;
N
L het verschil tussen een element en een atoom toelichten;
st
L wanneer een metaalbinding tot stand komt.
de lucht om je heen bevat allerhande
deeltjes. Al die stoffen zijn opgebouwd uit een of meerdere atoomsoorten.
pr oe
fh o
of d
1.1 Wat is het verschil tussen een binding en een verbinding?
204
THEMA 06
HOOFDSTUK 1
Je weet al dat een stof bestaat uit kleinere deeltjes (stofdeeltjes) die nog steeds de eigenschap van de stof bezitten. Zo bestaat de stof suiker bijvoorbeeld uit allemaal kleine suikerdeeltjes.
Bij edelgassen bestaan die stofdeeltjes uit vrije, losse atomen: het zijn
mono-atomische, enkelvoudige stoffen (bv. Ne). De atomen van edelgassen
hebben een volledig bezette buitenste schil, waardoor ze niet reageren met andere atomen.
Atomen van andere atoomsoorten zullen de stabiele edelgasconfiguratie
proberen te bereiken door met elkaar te binden. Zo ontstaan nieuwe stoffen die bestaan uit meerdere atomen of ionen: het zijn verbindingen.
Het kunnen polyatomische (meeratomige) enkelvoudige stoffen (bv. Cl2) of samengestelde stoffen (bv. H2O) zijn.
In thema 3 leerde je al dat enkelvoudige stoffen verbindingen zijn van
atomen of ionen van eenzelfde atoomsoort; samengestelde stoffen zijn verbindingen van atomen of ionen van verschillende atoomsoorten.
De atomen of ionen in een verbinding worden samengehouden door aantrekkingskrachten, die we een (chemische) binding noemen.
IN
Een verbinding is een stof die bestaat uit meerdere atomen of ionen.
De binding is de aantrekkende kracht die de atomen of ionen in een verbinding samenhoudt.
OPDRACHT 4
Wat is het onderscheid tussen binding en verbinding?
a Hoeveel bindingen zie je op de afbeelding?
©
Bekijk afbeelding 67 en beantwoord de vragen.
VA
N
` Maak oefening 1.
uk
Afb. 67
of d
st
b Hoeveel unieke verbindingen zie je op de afbeelding?
pr oe
fh o
1.2 Welke soorten bindingen bestaan er?
metaal + niet-
metaal
+
niet-
metaal niet-
metaal
metaal + metaal
= ionbinding = atoombinding = metaalbinding
Atomen streven naar de edelgasconfiguratie. Om dat te bereiken moeten atomen (behalve de edelgassen) met elkaar binden ter vorming van een verbinding.
Naargelang de aard van de atoomsoort (metaal en/of niet-metaal) kunnen verschillende soorten bindingen en verbindingen worden gevormd:
• In een verbinding opgebouwd uit metalen en niet-metalen worden de gevormde ionen samengehouden door een ionbinding. Die stof noemen we een ionverbinding.
• In een verbinding die bestaat uit een of meerdere soorten niet-metalen,
worden de atomen samengehouden door een atoombinding. Een stof met enkel atoombindingen noemen we een atoomverbinding.
• Als de verbinding uitsluitend is opgebouwd uit één of meerdere soorten metalen, houdt een metaalbinding de gevormde metaalionen samen.
Een stof met enkel metaalbindingen noemen we een metaalverbinding.
THEMA 06
HOOFDSTUK 1
205
OPDRACHT 5
Op welke manier zijn de deeltjes gebonden in een verbinding? Welk soort binding zal gevormd worden bij een verbinding die is opgebouwd uit de volgende elementen? Vul in de tabel eerst de symbolen van de elementen aan en duid daarna het soort binding aan. Verbinding opgebouwd uit de volgende elementen
Zijn de samenstellende Symbolen elementen metalen (M) elementen of niet-metalen (nM)?
aluminium en fluor
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
koolstof en waterstof koolstof en zuurstof koper en tin (samen: brons) koper en zink (samen: messing) magnesium en zuurstof natrium en chloor
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
tin en lood (samen: soldeertin) zink
pr oe
fh o
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
THEMA 06
HOOFDSTUK 1
ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding
Het soort binding dat ontstaat, hangt af van de aard van de deeltjes: Stof is opgebouwd uit
Soort verbinding
Soort binding
metalen en niet-metalen
ionverbinding
ionbinding
uitsluitend niet-metalen uitsluitend metalen
` Maak oefening 2 t/m 5.
206
IN
N
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
of d
stikstof en zuurstof
VA
koolstof
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
©
kalium en broom
uk
jood en jood
st
calcium en jood
Soort binding
atoomverbinding
metaalverbinding
atoombinding
metaalbinding
HOOFDSTUK 2 H Li
Be
B
C
N
O
F
Ne
Na
Mg
Al-
Si
P
S
Cl-
Ar
K
Ca
Sc
Ti
V
Cr
Mn
Fe
Co
Ni
Cu
Zn
Ga
Ge
As
Se
Br
Kr
Rb
Sr
Y
Ze
Nb
Mo
Tc
Ru
Rh
Pd
Ag
Cd
In
Sn
Sb
Te
I
Xe
Cs
Ba
La
Hf
Ta
W
Re
Os
Ir
Pt
Au
Hg
Tl
Pb
Bi
Po
At
Rn
Fr
Ra
Ac
Rf
Db
Sg
Bh
Hs
Mt
Ce
Pr
Nd
Pm Sm
Eu
Gd
Tb
Dy
Ho
Er
Tm
Yb
Lu
Th
Pa
U
Np
Am Cm
Bk
Cf
Es
Fm
Md
No
Lr
LEERDOELEN
Pu
IN
Hoe wordt een ionbinding gevormd?
He
METALEN
Je kunt al:
N
L beschrijven dat atomen verbindingen vormen omdat ze ionbinding wordt gevormd;
L een chemische formule interpreteren m.b.v. de aangegeven indices;
sommige stoffen al formules zien staan zoals NaCl, CaCl2 of K2S.
L hoe een ionbinding wordt gevormd;
Al die stoffen zijn ionverbindingen,
want ze zijn opgebouwd uit metalen
en niet-metalen. Zoals de naam doet
uk
Je leert nu:
L wat een ionbinding is;
Je hebt misschien op het etiket van
©
L beschrijven hoe metalen en niet-metalen ionen vormen.
VA
streven naar de edelgasconfiguratie;
L aanduiden dat tussen een metaal en een niet-metaal een
NIET-METALEN
L hoe een ionverbinding wordt voorgesteld;
of d
st
L de formule-eenheid van een ionverbinding opstellen.
vermoeden, vormen de metalen en
niet-metalen ionen. Maar wat houdt
die ionen samen? Waarom draagt elk element een specifieke index? We zoeken het uit.
2.1 De ionbinding
fh o
OPDRACHT 6
Voer de proefjes uit en noteer je waarneming. 1 Blaas een ballon op en houd die boven het haar van een medeleerling.
pr oe
Waarneming:
2 Wrijf met de ballon over het haar van een medeleerling (bij voorkeur iemand met lang haar).
Verwijder de ballon dan langzaam van het haar. Waarneming:
3 Wrijf de ballon nogmaals over het haar van dezelfde leerling en houd hem boven het haar van een andere leerling. Waarneming:
THEMA 06
HOOFDSTUK 2
207
Door een ballon over haren te wrijven, springen elektronen over van de haren naar de ballon. De ballon wordt zo negatief geladen en de haren
positief geladen. De ballon trekt de haren aan door de aantrekkingskracht
tussen tegengestelde ladingen. De haren stoten elkaar onderling af en klitten niet samen door de afstotingskracht tussen gelijke ladingen.
In het eerste en het derde deel van de proef zijn de haren of de ballon niet geladen, waardoor er geen aantrekking tussen beide is.
IN
Wanneer een metaal met een niet-metaal een binding maakt, zal het metaal één of meerdere elektronen overdragen aan het niet-metaal. Zo ontstaan
positieve en negatieve ionen. Metalen en niet-metalen werken dus samen om de edelgasconfiguratie te bereiken. Metalen kunnen het makkelijkst
één of meerdere elektronen ‘missen’, de niet-metalen willen die er graag bij.
N
Eens de ionen gevormd zijn, zorgen de elektrostatische aantrekkingskrachten tussen de tegengesteld geladen ionen voor een sterke ionbinding tussen
VA
de ionen.
Wanneer een ion gevormd wordt, krijgt een metaal het woord
ion achter zijn naam: natrium wordt zo bijvoorbeeld het natriumion.
Een niet-metaal krijgt de uitgang ‘ide’+ ‘ion’ achter zijn stamnaam: chloor
©
wordt zo het chloride-ion. Bij de elementen stikstof, zuurstof en zwavel
krijgt het ion een aparte naam: we spreken dan respectievellijk over het
pr oe
fh o
of d
st
uk
nitride-ion, het oxide-ion en het sulfide-ion.
Afb. 68 Vorming van een ionbinding tussen natrium en chloor. Natrium staat een elektron af aan chloor. Daardoor ontstaat een positief natriumion en negatief chloride-ion, die beide de edelgasconfiguratie hebben.
WEETJE Bekijk de video over de ionbinding tussen een natriumion en chloride-ion.
BEKIJK DE VIDEO
De ionbinding houdt positieve metaalionen en negatieve niet-metaalionen bij elkaar. Ze is het gevolg van de elektrostatische aantrekking tussen
tegengestelde ladingen. De naam van een ionverbinding wordt gevormd door de naam van het metaal, gevolgd door de stam van de naam van het niet-
metaal +ide. Bij zuurstof spreken we over oxiden en bij zwavel over sulfiden. 208
THEMA 06
HOOFDSTUK 2
2.2 De formule-eenheid van ionverbindingen
We weten nu dat metalen en niet-metalen een ionbinding vormen. Maar in
welke verhouding gebeurt dat en wat bepaalt die verhouding? Hoe stellen we
IN
de stof dan voor?
Als gevolg van de elektrostatische aantrekkingskracht tussen positieve en negatieve ionen, rangschikken ionen zich op een regelmatige manier. Die
regelmatige rangschikking van positieve en negatieve ionen, samengehouden
N
door ionbindingen, noemen we een ionrooster. Een zoutkristal is opgebouwd uit een ionrooster. Hoeveel positieve ionen en negatieve ionen aanwezig zijn in het ionrooster, hangt af van de grootte van het ionrooster, maar zelfs in
VA
een klein ionrooster zijn het er snel vele miljarden. De kleinste verhouding
waarin de metaal- en niet-metaalionen voorkomen in het rooster, ligt echter vast.
De regelmatige rangschikking van de ionen in het rooster zorgt ervoor dat
het rooster gezien kan worden als een herhaling van een kleinere eenheid.
©
Die kleinste verhouding van de ionen die zich telkens herhaalt in het rooster,
uk
noemen we de formule-eenheid of roostereenheid. neutraal Na atoom
11e-
11p
verlies van een elektron
10e-
11p
st
+
Na+ ion
e-
of d
overdracht van een elektron
+
18e-
17e-
pr oe
fh o
17p+
neutraal Cl atoom
opname van een elektron
17p+ Cl- ion
vast natriumchloride of keukenzout NaCl
Afb. 69 Eén ionverbinding zoals keukenzout bestaat uit miljarden positieve en negatieve ionen in één keukenzoutkristal, gerangschikt in een ionrooster.
Als je het ionrooster van keukenzout of natriumchloride goed bekijkt, dan
zie je dat het is opgebouwd uit steeds wederkerende eenheden die bestaan uit 1 natriumion en 1 chloride-ion.
De formule-eenheid schrijven we door de symbolen van de elementen van de ionen, vergezeld van een index, die het aantal van elk van de ionen in
de kleinste herhalende eenheid weergeeft. Zoals je geleerd hebt in thema 3 schrijven we een index van 1 niet. Voor keukenzout wordt dat dus: NaCl. Stoffen die opgebouwd zijn uit positieve en negatieve ionen die in een ionrooster zijn gerangschikt, noemen we ionverbindingen.
THEMA 06
HOOFDSTUK 2
209
Ionverbindingen zijn stoffen opgebouwd uit positieve en negatieve ionen die afwisselend gerangschikt zijn in een ionrooster.
De ionbinding is de kracht die de ionen samenhoudt. De kleinste herhalende eenheid in het rooster noemen we de formule-eenheid of roostereenheid. Ze wordt voorgesteld door de symbolen van de elementen van de ionen,
IN
samen met een index. De index geeft het aantal weer van dat element in de formule-eenheid.
VA
N
2.3 De neutraliteitsregel
In keukenzout is het aantal positieve ionen gelijk aan het aantal negatieve
©
ionen. Dat is echter niet in alle ionverbindingen het geval. OPDRACHT 7
uk
Bekijk de figuur van de zouten natriumjodide en kaliumsulfide. 1 Omcirkel een formule-eenheid in het rooster.
of d
st
2 Schrijf de formule-eenheid van deze ionverbindingen.
Na+ ion
K+ ion
S2– ion
fh o
I– ion
pr oe
Formule-eenheid 1:
210
THEMA 06
HOOFDSTUK 2
Formule-eenheid 2:
Hoeveel ionen van elke soort aanwezig zijn in de formule-eenheid is afhankelijk van de lading van de ionen.
De formule van een ionverbinding moet altijd neutraal zijn. We spreken
daarom ook van de neutraliteitsregel: de som van alle positieve en negatieve ladingen moet gelijk zijn aan nul.
Natriumjodide bestaat uit natriumionen en jodide-ionen. De natriumionen
K2S
dragen een lading 1+ en de jodide-ionen een lading 1–. De lading van 1 natriumion neutraliseert de lading van 1 jodide-ion, daarom is de formule-eenheid NaI.
Kaliumsulfide bestaat uit kaliumionen en sulfide-ionen. De kaliumionen dragen een lading 1+. Er zijn 2 kaliumionen nodig om de lading van het
index
sulfide-ion (2–) te ‘neutraliseren’. Daarom is de formule-eenheid K2S.
IN
Opmerking: We zouden ook kunnen redeneren dat 4 kaliumionen nodig zijn
om de lading van 2 sulfide-ionen te ‘neutraliseren’, maar bij het schrijven van de formule-eenheid werken we steeds met de kleinst mogelijke verhouding.
N
OPDRACHT 8
Vul de tabel aan.
Ca
zinksulfide natriumbromide kaliumoxide magnesiumsulfide
Zn
S
K
O
Na Mg Al
Br S
F
of d
aluminiumfluoride
O
st
calciumoxide
Ionen
Al
pr oe
fh o
aluminiumoxide
O
Formule-eenheid
©
Elementen
uk
Stof
VA
Schrijf de formule-eenheid van een aantal ionverbindingen.
Om te bepalen welke indexen geschreven worden in een formule-eenheid
gebruiken we de neutraliteitsregel: de som van de lading van de positieve ionen en negatieve ionen moet aan elkaar gelijk zijn. Die indexen worden in de kleinst mogelijke verhouding geplaatst. De index ‘1’ wordt niet geschreven.
` Maak oefening 6.
THEMA 06
HOOFDSTUK 2
211
HOOFDSTUK 3
IN
Hoe wordt een atoombinding gevormd? LEERDOELEN Je kunt al:
N
L beschrijven dat atomen verbindingen vormen omdat ze streven naar de
VA
edelgasconfiguratie;
L aanduiden dat tussen twee niet-metalen atoombindingen worden gevormd;
L aangeven dat niet-metalen, met uitzondering van de edelgassen, elektronen willen
Onze atmosfeer bestaat uit 78 % stikstofgas (N2),
©
opnemen.
21 % zuurstofgas (O2) en 0,03 % koolstofdioxide (CO2).
Je leert nu:
L hoe we moleculen voorstellen door een structuurformule;
Stoffen die uitsluitend uit niet-metalen zijn
uk
L hoe een atoombinding wordt gevormd;
Al die stoffen zijn opgebouwd uit niet-metalen.
opgebouwd, noemen we atoomverbindingen. Je hebt al geleerd dat niet-metalen elektronegatief zijn en de edelgasconfiguratie willen bereiken door extra
L hoe een molecule wordt voorgesteld door
st
elektronen op hun buitenste schil op te nemen. Maar
of d
een molecuulformule.
hoe kunnen twee niet-metalen, die allebei elektronen willen opnemen, de edelgasconfiguratie bereiken?
pr oe
fh o
3.1 De atoombinding
Om te begrijpen hoe niet-metalen elkaar helpen om de edelgasconfiguratie te bereiken, kijken we even naar waterstofgas, dat opgebouwd is uit twee
waterstofatomen. Beide waterstofatomen hebben 1 elektron op de eerste (en tevens enige) schil en streven naar een volledig bezetting van de buitenste schil: 2 elektronen.
Beide waterstofatomen willen echter een elektron opnemen en geen van beide atomen is bereid om elektronen over te dragen. De twee
waterstofatomen kunnen de edelgasconfiguratie bereiken door een
gemeenschappelijk elektronenpaar te vormen. Deze twee elektronen worden gedeeld en kunnen nu bij beide atomen gerekend worden, waardoor de buitenste schil van de beide waterstofatomen volledig is gevuld.
H
H
H
H
H
H
Afb. 70 Vorming van een molecule H2: een atoombinding ontstaat door het gemeenschappelijk stellen van een elektronenpaar.
212
THEMA 06
HOOFDSTUK 3
Dit gemeenschappelijk elektronenpaar wordt de atoombinding of de
covalente binding genoemd. Ze wordt voorgesteld door een streepje tussen beide atomen: het bindend elektronenpaar.
Deeltjes van een stof opgebouwd uit niet-metalen die door atoombindingen aan elkaar gebonden zijn, vormen samen een apart deeltje: het zijn
individuele moleculen. Bij een ionverbinding spreken we niet over moleculen, omdat de ionen niet uniek aan elkaar gelinkt zijn maar een steeds
IN
herhalende eenheid in een rooster vormen. WEETJE
De naam ‘covalente binding’ komt van het Latijnse ‘co’ en ‘valere’:
N
samen van tel zijn, gelijkwaardig zijn. Het slaat dus op het feit dat de twee gemeenschappelijke elektronen de atomen stevig aan
elkaar binden. In sommige boeken of bronnen gebruikt men vooral
VA
de naam ‘covalente binding’, in andere hanteert men het synoniem ‘atoombinding’. Je zorgt er dus best voor dat je ze beide goed kent.
©
Omdat er maar één atoombinding tussen twee waterstofatomen zit,
spreken we van een enkelvoudige atoombinding. De voorstelling van
de manier waarop de atomen aan elkaar gebonden zijn, noemen we de
uk
structuurformule.
Andere elementen, zoals zuurstof, streven naar een edelgasconfiguratie met 8 elektronen op de buitenste schil. De molecule zuurstofgas is opgebouwd
st
uit 2 atomen O. Je zag al dat het element zuurstof 6 elektronen heeft op de buitenste schil, waarvan 2 ongepaarde elektronen. Je leerde al in thema 5
hoe de elektronen verdeeld worden over het symbool van het element: eerst
of d
individueel, vanaf het vijfde elektron als een paar. Om aan 8 elektronen te geraken op de buitenste schil, zal elk ongepaard elektron van een
pr oe
fh o
zuurstofatoom een bindend elektronenpaar vormen met een ongepaard
elektron van het andere zuurstofatoom. Zo ontstaat in de structuurformule een dubbele atoombinding tussen beide atomen.
Afb. 71 De vorming van een molecule zuurstofgas
Atomen van het element stikstof beschikken over 3 ongepaarde elektronen
en 1 vrij elektronenpaar op hun buitenste schil. In een molecule opgebouwd uit 2 stikstofatomen zal elk ongepaard elektron van een stikstofatoom
een bindend elektronenpaar vormen met een ongepaard elektron van het andere stikstofatoom. Zo ontstaat een drievoudige atoombinding in de structuurformule.
N
N
Afb. 72 De vorming van een molecule stikstofgas
N
N
N
THEMA 06
N
HOOFDSTUK 3
213
Koolstofdioxide (CO2), een belangrijk broeikasgas in de atmosfeer, bestaat uit
twee soorten niet-metalen: 2 zuurstofatomen en 1 koolstofatoom.
De zuurstofatomen hebben elk 6 elektronen op de buitenste schil, waarvan 2 ongepaard. Het koolstofatoom heeft 4 ongepaarde elektronen in de buitenste schil. Door het vormen van gemeenschappelijke bindende
elektronenparen kan elk atoom ook de edelgasconfiguratie bereiken.
IN
In deze molecule heeft elk zuurstofatoom nog 2 vrije elektronenparen. Afb. 73 De vorming van een molecule CO2
VA
N
Merk op dat we gaandeweg een elektronenpaar voorstellen door een streepje in plaats van twee bolletjes naast elkaar te tekenen. Een stof enkel opgebouwd uit niet-metalen noemen we een
atoomverbinding. De bindingen die de niet-metalen aan elkaar binden, worden atoombindingen of covalente bindingen genoemd.
Een atoombinding ontstaat door de vorming van een gemeenschappelijk
©
elektronenpaar. Tussen twee atomen kunnen enkelvoudige, dubbele of
drievoudige atoombindingen voorkomen. De structuurformule geeft aan op
uk
welke manier de atomen in een molecule aan elkaar gebonden zijn.
st
OPDRACHT 9
Teken de structuurformule van de moleculen.
TIP
Vul in de tabel aan hoeveel atoombindingen je in
of d
Wil je de notatie met
elk van de moleculen aantreft.
de lewisstructuur opfrissen?
fh o
Scan de QR-code.
waterstofsulfide (H2S)
stof
BEKIJK DE PDF
chloorgas (Cl2)
water (H2O)
pr oe
structuurformule
aantal atoombindingen stof
methaangas (CH4)
ammoniak (NH3)
structuurformule
aantal atoombindingen
214
THEMA 06
HOOFDSTUK 3
waterstofchloride (HCl)
3.2 De molecuulformule van atoomverbindingen
Moleculen zijn opgebouwd uit meerdere atomen van niet-metalen
die verbonden zijn door een atoombinding. Maar hoe stellen we een
IN
atoomverbinding voor met een formule? OPDRACHT 10
N
Bepaal de bouw van een atoomverbinding.
Bekijk hieronder de voorstellingen van de stof mierenzuur (een kleurloze stof die zuur smaakt),
H
O
H
O C
C
C
C
H
Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na
Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na
uk
O
Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl
H
Afb. 75 Glucose
Afb. 74 Mierenzuur
H
O
H
Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl
Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl
H
H
Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na
H
H
H O
O
©
O
Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl
C
O
C
H
C
Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na
H
H
VA
glucose (een witte, vaste stof die zoet smaakt) en keukenzout. Beantwoord de vragen.
Afb. 76 Keukenzout
st
1 Welke stof of welke stoffen zijn atoomverbindingen?
2 Welke stof is een ionverbinding?
of d
3 Wat stel je vast als je de bouw van een atoomverbinding vergelijkt met een ionverbinding?
4 Vul in de tabel aan hoeveel atomen van elk element zich in een stofeenheid mierenzuur en glucose
fh o
bevinden.
pr oe
elementen
aantal atomen van elk element
Mierenzuur
Glucose
THEMA 06
HOOFDSTUK 3
215
WEETJE Als mieren bedreigd worden, proberen ze een
wondje te bijten in hun belager, waar ze dan met
hun achterlijf mierenzuur in spuiten. Dat is pijnlijk,
want mierenzuur is een corrosieve stof. Ook andere organismen zoals bijen, wespen, hommels en
VA
N
IN
brandnetels gebruiken dat zuur ter verdediging.
De moleculen van mierenzuur en glucose zijn beide opgebouwd uit de
elementen koolstof, waterstof en zuurstof, maar ze bevatten een verschillend aantal atomen. De samenstelling van een molecule wordt weergegeven door
©
de molecuulformule. De molecuulformule geef je weer door de symbolen
van de elementen te noteren, samen met een index: zo krijgt de formule een
uk
kwalitatief en een kwantitatief aspect.
De molecuulformule van een atoomverbinding ziet er gelijkaardig uit als
de formule-eenheid van een ionverbinding. De formule-eenheid geeft echter
st
de verhouding tussen de elementen weer in het ionrooster (bv. NaCl), terwijl
de moleculeformule de werkelijke samenstelling weergeeft van één molecule
of d
van de stof (bv. H2O).
Een stof waarvan een molecule bestaat uit x atomen van element A, y atomen
pr oe
fh o
van element B en z atomen van element C, stellen we dus voor als AxByCz.
216
THEMA 06
HOOFDSTUK 3
Atoomverbindingen zijn stoffen opgebouwd uit moleculen. Moleculen
bestaan uit een welbepaalde combinatie van twee of meer atomen die tot
verschillende atoomsoorten kunnen behoren. De molecuulformule bestaat
uit de symbolen van de atoomsoorten die ze bevat, vergezeld van een index die het aantal atomen van elke atoomsoort weergeeft.
OPDRACHT 11
Schrijf de molecuulformule van atoomverbindingen. 1 Noteer de molecuulformules van de stoffen in de tabel. Aantal atomen van verschillende atoomsoorten in de molecule
Molecuulformule
8 zwavelatomen 2 waterstofatomen, 1 zwavelatoom, 4 zuurstofatomen
IN
1 waterstofatoom, 1 stikstofatoom, 3 zuurstofatomen
6 koolstofatomen, 8 waterstofatomen, 7 zuurstofatomen
N
2 joodatomen
VA
2 Schrijf met behulp van de gegeven structuren de molecuulformule van paracetamol (pijnstiller) en cafeïne (blauw = stikstof; rood = zuurstof; zwart = koolstof; wit = waterstof).
H
3D
H N
H
C C
C O
C C
O
H
C
H
pr oe
fh o
Afb. 77 Paracetamol
H
H C
H
H
of d
H
3D
N
N
C
st
H
C
H
C C
H
uk
H
Molecuulformule:
©
Molecuulformule:
C
C
H
N C
C
O
N
H
C
H
O
H
H Afb. 78 Cafeïne
De moleculen van een vaste stof, zoals glucose, kunnen zich ook ordenen in een rooster. Een dergelijk rooster noemen we een molecuulrooster.
Bij atoomverbindingen kunnen ook zogenaamde atoomroosters voorkomen, zoals bij koolstof. Doordat koolstof over 4 ongepaarde valentie-elektronen beschikt, kunnen miljarden koolstofatomen zich met elkaar verbinden tot
twee- of driedimensionale netwerken (op elk ‘knooppunt’ van het netwerk bevindt zich dan een koolstofatoom).
THEMA 06
HOOFDSTUK 3
217
Koolstof komt in de natuur als vaste, enkelvoudige stof in twee
verschijningsvormen voor: grafiet en diamant. Grafiet bestaat uit een
opeenstapeling van tweedimensionale netwerken, waarin elk koolstofatoom gebonden is aan 3 andere. Diamant bestaat uit een driedimensionaal
VA
Afb. 79 Koolstof in verschijningsvorm grafiet
st
uk
©
N
IN
netwerk waarin elk koolstofatoom gebonden is aan 4 andere.
Afb. 80 Koolstof in verschijningsvorm diamant
of d
Bij vaste stoffen die uit moleculen zijn opgebouwd, zijn de moleculen op een
pr oe
fh o
regelmatige manier gerangschikt in een molecuulrooster.
218
THEMA 06
HOOFDSTUK 3
Sommige elementen, zoals koolstof, vormen enkelvoudige stoffen en kunnen atoomroosters vormen. In een atoomrooster zijn een groot aantal atomen
met atoombindingen verbonden tot twee- of driedimensionale netwerken.
` Maak oefening 7.
HOOFDSTUK 4
IN
Hoe wordt een metaalbinding gevormd? LEERDOELEN
N
Je kunt al:
L beschrijven hoe tussen een metaal en een niet-metaal een ionbinding wordt gevormd;
L beschrijven hoe tussen twee niet-metalen atoombindingen L aangeven dat metalen elektropositief zijn. Je leert nu:
uk
L hoe metaalatomen in een metaal als stof gebonden zijn;
In films zie je soms nog hoe een smid met een hamer en aambeeld een
gloeiend hete staaf tot een zwaard
klopt. Maar in tegenstelling tot een stuk glas, splijt het metaal niet.
Hoe komt dat? En waarom draagt
een smid die metaal bewerkt altijd dikke handschoenen?
pr oe
fh o
of d
4.1 De metaalbinding
st
L de eigenschappen van enkele metalen te verklaren aan de hand van hun bouw.
IJzer moet je smeden als het heet is.
©
worden gevormd;
VA
L beschrijven dat atomen streven naar de edelgasconfiguratie;
Metaalatomen hebben maar een beperkt aantal elektronen op hun
buitenste schil. Metalen proberen de edelgasconfiguratie te bereiken door de elektronen van hun buitenste schil af te staan. Daarom zijn metalen elektropositief. Maar hoe kunnen meerdere metaalatomen met elkaar binden, als alle atomen hun elektronen willen afstaan?
Bij kamertemperatuur hebben bijna alle metalen de vaste aggregatietoestand. In de vaste aggregatietoestand zijn metaalatomen op een
regelmatige manier gerangschikt in een metaalrooster en ze geven daarbij de vrij bewegende elektronen die tot geen enkel metaalion behoren positieve metaalionen
Afb. 81 Een metaalrooster is opgebouwd uit positieve metaalionen en een zee van vrij bewegende elektronen.
elektronen van hun buitenste schil af. Het metaalrooster is dus opgebouwd uit positieve metaalionen met daartussen een zee van elektronen. Die
elektronen kunnen zich vrij tussen de positieve metaalionen bewegen en
vormen als het ware een lijm die alles in het metaalrooster stevig bij elkaar houdt. Er zijn sterke elektrostatische krachten tussen de negatieve en
positieve ladingen in het metaalrooster, de coulombkrachten, die het geheel bij elkaar houden: de metaalbinding. Die metaalbinding is een zeer sterke binding.
Vaste metalen als zuivere stof zijn opgebouwd uit miljarden ionen van
eenzelfde atoomsoort. De formule van een dergelijke stof stellen we voor door het symbool van de atoomsoort.
THEMA 06
HOOFDSTUK 4
219
IN
WEETJE
N
Het Atomium is een van de gekendste monumenten in Brussel.
Het werd in 1958 gebouwd in het kader van de Wereldtentoonstelling in Brussel (Expo 58). De metalen constructie bestaat uit 9 bollen en
VA
stelt de herhalende eenheid van het metaalrooster van ijzer voor
(weliswaar 165 miljard keer vergroot). De bollen zijn van aluminium
gemaakt omdat aluminium beter bestand is tegen verwering (corrosie) dan staal. Hoewel het de bedoeling was om de constructie na zes
uk
populariteit.
©
maanden af te breken, besloot men ze te laten staan omwille van haar
Metalen in vaste aggregatietoestand bestaan uit een metaalrooster.
st
In een metaalrooster bevinden zich positieve metaalionen en een zee
van vrij bewegende elektronen, afkomstig van de buitenste schil van de
metaalatomen. De aantrekkingskrachten tussen de positieve ionen en de vrij
of d
bewegende elektronen vormen de metaalbinding. De metaalbinding is een sterke binding. De formule van een metaal als zuivere stof bestaat uit het symbool van het metaal.
pr oe
fh o
` Maak oefening 8.
220
THEMA 06
HOOFDSTUK 4
4.2 Verklaring van de eigenschappen van metalen
Veel specifieke eigenschappen van metalen die je in thema 5 zag, kunnen nu verklaard worden op basis van hun bouw.
• Metalen zijn goede geleiders van elektriciteit. Elektriciteit is namelijk
IN
de beweging van geladen deeltjes, en in een metaalrooster kunnen elektronen vrij bewegen.
Alle metalen zijn goede geleiders van elektriciteit, maar in
men vrijwel uitsluitend het
VA
elektrische leidingen gebruikt
N
WEETJE
metaal koper. Dat heeft vooral te maken met een combinatie van gunstige eigenschappen.
©
Niet alleen geleidt koper de elektriciteit zeer goed, het kent ook een lage warmtevervorming en is vrij goed bestand tegen ongunstige
uk
omgevingsinvloeden (vocht, industriële vervuiling …). Bovendien is
koper hard en tegelijkertijd plooibaar. Een gebroken of doorgesneden draad kan ook gemakkelijk hersteld worden door de uiteinden aan
st
elkaar te solderen of smelten.
Nu weet je waarom een smid dikke handschoenen draagt! Bekijk de video over warmtegeleiding bij
pr oe
fh o
of d
metalen.
BEKIJK DE VIDEO
• Metalen zijn goede geleiders van warmte. Wanneer een stof opwarmt,
beginnen deeltjes (atomen, ionen of moleculen) harder te trillen. Door
botsingen wordt de warmte-energie doorgegeven aan naburige atomen
of ionen. Doordat in een metaalrooster de metaalionen zeer dicht opeen zitten, verspreidt de warmte zich snel. Maar doordat de elektronen – die ook warmte-energie kunnen opnemen – vrij kunnen bewegen tussen
de metaalionen, gebeurt de warmtegeleiding sneller dan bij de meeste andere stoffen.
• De hoge massadichtheid (massa per volume-eenheid) van metalen is een gevolg van de zeer dichte, compacte stapeling van de metaalionen in het rooster.
• De meeste metalen hebben een hoog smeltpunt en kookpunt, omdat de metaalbinding een sterke binding is. Het kost dus veel energie om de metaalbindingen in een rooster te verbreken.
THEMA 06
HOOFDSTUK 4
221
Bekijk deze boeiende
• Metalen zijn gemakkelijk vervormbaar omdat ze allemaal zijn opgebouwd uit positieve ionen. De positieve ionen kunnen ten opzichte van elkaar
verschuiven en elkaars plaats innemen zonder dat ze elkaar afstoten, wat
video over metalen.
ervoor zou zorgen dat het rooster breekt of splijt.
BEKIJK DE VIDEO
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +
+
+
+
+
+
+
+
Afb. 82 Metaalbindingen: metalen zijn gemakkelijk vervormbaar omdat de ionen elkaars plaats kunnen innemen.
N
+
IN
WEETJE
VA
Doordat alle metalen opgebouwd zijn uit positieve metaalionen, kunnen
de metaalionen van de ene atoomsoort zich schikken in een metaalrooster van een andere atoomsoort. Zo ontstaan legeringen, zoals je al weet uit
thema 2. Brons is bijvoorbeeld een legering van tin en koper. Als de atomen van de atoomsoorten niet even groot zijn, zijn de ionen minder regelmatig
©
geordend. Daardoor is het moeilijker om lagen metaalionen te verschuiven, waardoor de legering sterker is dan de zuivere metalen (zie afbeelding 83).
Legeringen worden dus gemaakt om bepaalde minder goede eigenschappen
st
uk
te verbeteren.
pr oe
fh o
of d
+
Afb. 83 Een legering is een mengsel van twee metalen. Als de ionen van de twee atoomsoorten niet even groot zijn, is de rangschikking van de ionen minder regelmatig. Zo kunnen lagen van ionen minder goed schuiven ten opzichte van elkaar.
Heel wat eigenschappen van metalen, zoals geleidbaarheid van elektriciteit en warmte, massadichtheid, hoog smelt- en kookpunt, vervormbaarheid en
de vorming van legeringen, kunnen verklaard worden op basis van de bouw van metalen.
222
THEMA 06
HOOFDSTUK 4
HOOFDSTUK 5
IN
Welk belang en voorkomen hebben enkelvoudige stoffen? LEERDOELEN Je kunt al:
N
L de wetenschappelijke naam van enkelvoudige stoffen geven;
Heel wat stoffen ken je uit het dagelijkse leven.
elkaar onderscheiden;
bouwmateriaal, spijkers …). Ook zuurstofgas
moeten we je niet leren kennen: vanaf je eerste
Je leert nu:
levensdag is het een levensnoodzakelijk gas voor je
L het belang en voorkomen van metalen,
©
L metalen, niet-metalen en edelgassen linken
Vele dingen zijn vervaardigd uit ijzermetaal (fiets,
VA
L de verschillende soorten bindingen van aan hun plaats in het PSE.
het edelgas helium. Heel veel stoffen hebben een
belangrijke functie. We doen enkele voorbeelden van
uk
niet-metalen en metalen uit de doeken.
of d
5.1 Niet-metalen
je misschien weleens een ballon die gevuld was met
st
niet-metalen en edelgassen kennen.
ademhalingssysteem. Als kleuter of op feestjes kreeg
pr oe
fh o
A
Koolstof
Het niet-metaal met de meeste toepassingen is koolstof (C). Afhankelijk van hoe de koolstofatomen verbinden, krijgen we totaal verschillende materialen, maar ze bestaan allemaal uit koolstof.
• Grafiet is uiterst zacht en wordt onder andere in potloden en als
smeermiddel gebruikt. Het is het enige niet-metaal dat de elektrische stroom geleidt.
• Diamant, een andere verschijningsvorm van koolstof, is de hardste stof die in de natuur voorkomt. Het is een gegeerde edelsteen, die ook in
boorkoppen en slijpschijven gebruikt wordt, precies omdat diamant zo hard is en niet slijt.
• Koolstofvezel (carbon fiber) bestaat uit heel dunne vezels van koolstof
die tot matten worden geweven en met coatings worden versterkt en zo
een extreem licht en sterk materiaal vormen. Het materiaal kent meer en
meer toepassingen in de auto-industrie en de luchtvaart. Ook topsporters maken gebruik van de combinatie sterkte en lichtheid van het materiaal: van tennisrackets tot fietsframes en formule 1-wagens.
THEMA 06
HOOFDSTUK 5
223
B
Dichloor of chloorgas
Chloorgas is een groengeel, giftig gas. Het wordt gebruikt voor de
ontsmetting van water in zwembaden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd OPDRACHT 12
Lees aandachtig het artikel achter de QR-code en beantwoord de vragen. 1 Geef de formule en de wetenschappelijke naam van chloorgas.
N
LEES HET ARTIKEL
2 In welke omgeving en waarom wordt ‘chloor’ vaak gebruikt?
VA
IN
het als wapen ingezet.
3 Mosterdgas dankt zijn naam aan zijn gele kleur. Het gas werd door Franse soldaten ook yperiet genoemd. Waardoor is die naam ontstaan?
uk
De hoofdbestanddelen van lucht: stikstofgas en zuurstofgas
st
C
©
OPDRACHT 13
Bekijk het diagram van de samenstelling van lucht. Het rode staartstuk geeft het gehalte aan CO2, argon, water en andere gassen weer.
of d
78 %
1 Welk gas wordt voorgesteld door de blauwe zone? Geef
fh o
de formule en de wetenschappelijke naam.
2 Welk gas wordt voorgesteld door de groene zone? Geef
pr oe
de formule en de wetenschappelijke naam.
1%
21 %
Afb. 84 Samenstelling lucht
Je merkt dat lucht voornamelijk uit stikstofgas (distikstof of N2) bestaat.
Stikstofgas reageert moeilijk met andere stoffen en wordt daarom een inert gas genoemd. De 21 % zuurstofgas (dizuurstof of O2) in de lucht is voor ons mensen dan weer levensnoodzakelijk.
224
THEMA 06
HOOFDSTUK 5
D
Diwaterstof of waterstofgas
Waterstof is het meest ‘eenvoudige’ element uit je PSE. Het atoom bevat 1 proton en 1 elektron. Omdat die eerste schil al volledig gevuld is met
2 elektronen kan het een elektronpaar delen met een ander waterstofatoom en zo moleculen H2 vormen. We zijn die moleculen al tegengekomen als
ontledingsproduct van water (thema 3). Dat waterstofgas, ook wel knalgas
IN
genoemd, is de brandstof voor de toekomst. Het zou het probleem van
broeikasgassen als CO2 meteen oplossen, want bij verbranding van H2 wordt
Zwavel
VA
E
N
gewoon water gevormd.
De gele vaste stof zwavel komt als enkelvoudige stof voor als ringvormige
©
moleculen die uit 8 atomen zwavel bestaan: octazwavel of S8.
of d
st
uk
pr oe
fh o
Afb. 85 Octazwavel (S8)
Zwavel kent heel wat toepassingen als grondstof in de chemische industrie, maar is ook een bestanddeel van belangrijke moleculen in ons lichaam, bv. in eiwitten. In verbindingen met andere elementen vormt het vaak
onaangenaam ruikende stoffen: zo is H2S (waterstofsulfide) de oorzaak van de geur van rotte eieren.
F
Fosfor
Het element fosfor komt als enkelvoudige stof voornamelijk voor als het zogenaamde witte fosfor (tetrafosfor of P4).
De stof kent voornamelijk toepassingen in de productie van kunstmeststoffen voor land- en tuinbouw. Een plant heeft het element fosfor immers nodig
als bouwstof voor de vorming van o.a. bepaalde eiwitten. Daarnaast speelt fosfor een belangrijke rol in de ademhaling van planten. Fosfor toevoegen aan meststoffen is dus van groot belang.
THEMA 06
HOOFDSTUK 5
225
WEETJE Wil je weten welke functies de andere niet-metalen in ons dagelijks leven hebben? Scan dan de QR-code. Klik op het PSE en al de geheimen van de niet-metalen worden prijsgegeven!
IN
OPEN DE WEBSITE
N
Je begrijpt het belang en voorkomen van enkele belangrijke niet-metalen in ons dagelijks leven: diamant en vezels;
VA
• koolstof (C): komt voor in verschillende gedaanten, van grafiet tot
• chloorgas (Cl2): ontsmettend gifgas, dat niet altijd te goeder trouw werd gebruikt;
• stikstofgas (N2): inert hoofdbestanddeel van de atmosfeer;
Edelgassen
uk
G
©
• zuurstofgas (O2): onontbeerlijk voor al het leven op aarde.
Naast de hoofdbestanddelen van lucht bevat onze atmosfeer ook gassen die
st
in veel mindere mate aanwezig zijn: sporenelementen zoals de edelgassen
helium, neon, argon. Precies omdat ze zo weinig in de atmosfeer voorkomen,
zijn ze vaak erg duur. Je leerde al dat ze door hun octetstructuur geen bindin-
of d
gen aangaan; precies daardoor kennen ze specifieke toepassingen. Helium
wordt als beschermend gas bij laswerken gebruikt. Andere edelgassen zoals argon, xenon en neon worden vaak in hedendaagse verlichting gebruikt.
fh o
WEETJE
Wil je weten welke functies de andere edelgassen hebben in ons dagelijks leven,
scan dan de QR-code. Klik op het beschikbare PSE en al de geheimen van de edelgassen
pr oe
worden prijsgegeven!
OPEN DE WEBSITE
Edelgassen kennen duidelijk minder toepassingen in het dagelijkse leven dan metalen en vele andere niet-metalen. Toch kennen ze specifieke toepassingen, bijvoorbeeld verlichting.
226
THEMA 06
HOOFDSTUK 5
5.2 Metalen
Van alle metalen is ijzermetaal (Fe) zonder twijfel het meest belangrijke.
Het wordt veel gebruikt, omdat het zich heel goed laat bewerken (freesbaar, draaibaar, gietbaar enz.) en omdat het een relatief goedkope grondstof is.
IN
Vooral in de vorm van de legering staal wordt het voor het bouwen van grote
constructies gebruikt. IJzer wordt vaak behandeld (gelegeerd, gegalvaniseerd) om de minder goede eigenschappen (makkelijk roesten, zacht metaal …) te compenseren. Vaak blijft die behandeling een goedkopere oplossing dan
VA
WEETJE
N
kiezen voor een alternatief materiaal.
IJzer speelt ook een belangrijke rol in ons lichaam: het maakt als
ijzerion (Fe2+) deel uit van het hemoglobinemolecule en staat in voor
het binden en transporteren van dizuurstof doorheen ons lichaam.
©
Rood vlees zoals biefstuk is een belangrijke bron van ijzerionen.
Vegetariërs moeten daarom andere ijzerbronnen in hun dieet voorzien en bijvoorbeeld meer broccoli, vijgen … eten. Bloeddonoren bij het
uk
Rode Kruis krijgen vaak ijzertabletten om het ijzergehalte opnieuw op
st
peil te brengen.
Het klinkt misschien raar, maar je neemt dagelijks heel wat metalen op via je voeding, niet alleen ijzer. Gelukkig maar, want ze spelen een essentiële rol in
of d
de biologische processen in ons lichaam.
pr oe
fh o
Metaalion
Opname via ...
Mg2+
spinazie, andijvie …
Ca2+
melkproducten
K+ Na+
Rol in menselijk lichaam spiercontractie, zenuwstelsel botaangroei, spiercontractie, bloedstolling, zenuwstelsel
aardappelen, vis,
zenuwstelsel, bloeddruk,
noten …
waterhuishouding …
keukenzout, kaas …
zenuwstelsel, bloeddruk, waterhuishouding …
Tot slot staan we even stil bij de belangrijkste toepassingen van
veelgebruikte metalen. Gebruik je algemene kennis in de volgende opdracht.
THEMA 06
HOOFDSTUK 5
227
OPDRACHT 14
Vul de zinnen verder aan. Geef van het metaal telkens zijn wetenschappelijke naam en het symbool.
herken je aan zijn oranje tot rode kleur.
Het wordt gebruikt als bovenleiding bij treinen en in elektrische leidingen
en de auto-industrie gebruikt wordt. voedingswaren vers te houden.
VA
In folievorm wordt het gebruikt om
N
is een heel
licht metaal dat net daarom in de luchtvaart
IN
omdat het heel goed elektriciteit geleidt.
wordt vaak gebruikt voor de constructie van
dakgoten. Het is een erg duurzaam metaal, flexibel te vervormen en goed bestand tegen beschadiging. Het metaal verzwakt niet bij oxidatie zoals (galvanisatie).
wordt gebruikt in zonnepanelen.
uk
©
ijzer. Daarom wordt ijzer vaak bedekt met een laagje van dat metaal
Onder invloed van het zonlicht wordt tussen de lagen elektrische spanning
of d
st
opgewekt. Daarom heten zonnecellen ook fotovoltaïsche cellen.
In de derde graad zul je leren hoe een zonnepaneel werkt.
BEKIJK DE VIDEO
fh o
Scan de QR-code als je al een voorsmaakje wilt.
WEETJE
Wil je weten welke functies andere metalen hebben in ons dagelijks leven, scan dan de QR-code. Klik op het beschikbare PSE en al de geheimen van
pr oe
metalen worden prijsgegeven!
OPEN DE WEBSITE
Je begrijpt het belang en voorkomen van veelgebruikte metalen in ons dagelijks leven, zoals:
• ijzer (Fe): constructiemateriaal,
• koper (Cu): elektrische leidingen,
• aluminium (Al): lichtgewicht materialen, folie, • zink (Zn): beschermend metaal tegen roest, • silicium (Si): zonnepanelen. 228
THEMA 06
HOOFDSTUK 5
THEMASYNTHESE
OVERZICHT: SOORTEN BINDINGEN
metalen
Soort binding
metaalbinding
ionbinding
Soort verbinding
metaalverbinding
ionverbinding
metaalrooster met
ionrooster met
positieve ionen
positieve en
en vrije elektronen
negatieve ionen
Na, K, Fe
©
metalen en
Soort element
Enkele voorbeelden
IN
atoombinding of
covalente binding
VA
N
atoomverbinding
moleculen met atomen verbonden door
gemeenschappelijk elektronenpaar
NaCl, K2S
O2, H2O
uk
Bouw van de stof
niet-metalen
niet-metalen
st
TOEPASSINGEN IN HET DAGELIJKSE LEVEN
of d
Toepassingen in het dagelijkse leven
METALEN
koper (Cu): elektrische leidingen
aluminium (Al): aluminiumfolie, fietsen
zuurstofgas (O2): ademhaling, 21 % van de atmosfeer
ozon (O3): de ozonlaag
koolstof (C): grafiet in potloden
edelgassen zoals helium (He), neon (Ne) en argon (Ar): verlichting, bv. neonlampen
pr oe
fh o
ijzer (Fe): smeedwerk, bv. tuinhekje
NIET-METALEN
BEKIJK KENNISCLIP
THEMA 06
THEMASYNTHESE
229
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis • Ik kan beschrijven wat het verschil is tussen een binding en een verbinding.
• Ik kan bepalen in welke gevallen een ionbinding, atoombinding of metaalbinding wordt gevormd.
• Ik kan aangeven dat een atoombinding bestaat uit een gemeenschappelijk
IN
elektronenpaar.
• Ik kan een onderscheid maken tussen enkelvoudige, dubbele of drievoudige • Ik kan beschrijven wat een ionbinding, atoombinding en metaalbinding is.
• Ik kan de bouw van een ionverbinding, atoomverbinding en metaalverbinding beschrijven.
N
binding.
• Ik kan de bouw van een ionverbinding, atoomverbinding en metaalverbinding met
VA
elkaar vergelijken.
• Ik ken het onderscheid tussen een ionrooster, atoomrooster, molecuulrooster en metaalrooster.
2 Onderzoeksvaardigheden
©
• Ik kan bepalen of een stof een ionverbinding, atoomverbinding of metaalverbinding is.
uk
• Ik kan de formule-eenheid in een ionrooster aanduiden.
• Ik kan de neutraliteitsregel gebruiken om de formule-eenheid van een ionverbinding te schrijven.
atoomverbinding schrijven.
st
• Ik kan de formule-eenheid van een ionverbinding en de molecuulformule van een • Ik kan metalen, niet-metalen en edelgassen in verband brengen met hun
of d
toepassing in het dagelijks leven.
pr oe
fh o
` Je kunt deze checklist ook op
230
THEMA 06
CHECKLIST
invullen bij je Portfolio.
CHECK IT OUT
Alle beetjes helpen! Net zoals mensen elkaar kunnen helpen, doen atomen dat ook. Alle atomen streven een volledige bezette buitenste schil na.
Denk even terug aan de drie situaties in de CHECK IN. Over welk soort bindingen gaat het daar? Vul aan.
IN
Situatie 1
Atomen met weinig elektronen op hun buitenste schil helpen atomen met een bijna volledige
bezette buitenste schil, door elektronen naar hen
N
over te dragen. Zo gaf in het voorbeeld op p. 201 Kalvin zijn dekentje af aan Fleur, net zoals een
VA
kalium een elektron overdraagt aan fluor. Soort binding:
uk
Twee atomen die elk een bijna volledig bezette
©
Situatie 2
buitenste schil hebben, zullen elkaar helpen door elektronen met elkaar te delen. Net zoals Jody en Soort binding: Situatie 3
of d
twee jood-atomen elektronen delen.
st
Jodi een deken delen om het warm te krijgen, gaan
Twee atomen met weinig elektronen op hun
fh o
buitenste schil, staan beide hun elektronen af.
Die elektronen bewegen vrij van het ene ion naar
het andere, en het ‘spel’ van de elektronen houdt alles samen.
pr oe
Soort binding:
!
Een metaal en een niet-metaal vormen een ionbinding, waarbij het metaal één of meer elektronen
afstaat en een positief ion vormt; terwijl het niet-metaal die extra elektronen opneemt en een negatief ion vormt, zo konden ook Kalvin en Fleur elkaar helpen. Twee niet-metalen delen een elektronenpaar en gaan een atoombinding aan, net als Jodi en Jody. Metaalatomen kunnen ook onderling een
metaalbinding aangaan door alle positieve metaalionen te vormen, net als Ali en Allison deden.
THEMA 06
CHECK IT OUT
231
AAN DE SLAG
1
Vul de tabel aan om een overzicht te maken van de bouw van stoffen. Kies uit:
enkelvoudig – mono-atomisch – verbinding – samengesteld
Opgelet! sommige begrippen kun je meermaals gebruiken.
1
2
Mg S
H Cl
ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding
©
PH
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
Al F
Cu Zn Ca S
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
st
Cu Sn
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
HF
Zn Al Mg Cu
ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding
fh o
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
NH
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
K Cl
of d
Soort binding
uk
Au Ag
ionbinding - atoombinding - metaalbinding
pr oe
Welke soort binding is aanwezig in de stoffen? Vul de juiste kolom aan.
KBr – Mg – Al2O3 – MgF2 – Fe – BaI2 – propaan (C3H8) – Na2S –
Ionbinding
zwaveldioxide (SO2) – Cu – N2O – S8 – H2O – Zn Atoombinding
THEMA 06
Welk soort binding zal gevormd worden tussen een verbinding die is opgebouwd uit de elementen in de Symbolen van de opbouwende elementen in de verbinding
232
>1
tabel? Omcirkel het juiste antwoord.
3
Stof
1
>1
Aantal verschillende atomen
Stof
IN
Aantal atomen
N
VA
AAN DE SLAG
Metaalbinding
Na & Br C & Fe H&O
S & Cl
IN
Zn & Cu
Welke bindingen treffen we aan in een deeltje SO3?
Schrijf de formule-eenheid van de ionverbindingen. Stof
bariumoxide lithiumbromide kaliumsulfide calciumbromide natriumfluoride
©
magnesiumjodide
lithiumjodide
magnesiumchloride natriumoxide
Ionen
uk
aluminiumsulfide
Elementen
VA
N
atoombindingen metaalbindingen ionbindingen
Formule-eenheid
pr oe
6
C&H
st
5
of d
Tussen welke atomen ontstaat een atoombinding?
fh o
4
THEMA 06
AAN DE SLAG
233
7
Vul de tabel aan met de structuurformule en geef aan hoeveel atoombindingen er in elke verbinding of molecule zitten. stof
waterstofsulfide (H2S)
chloorgas (Cl2)
waterstofchloride (HCl)
waterstoffluoride (HF)
zuurstofdifluoride (OF2)
aantal atoombindingen
Welke formules stellen een structuurformule (= een molecuulformule die ook de structuur van de molecule weergeeft), molecuulformule of formule-eenheid voor?
H
H
H
H
C
C
2
H
H
fh o
4
H
st
Noteer het nummer van de formule bij het juiste begrip. 1
H
pr oe
THEMA 06
S
5
Structuurformule
` Verder oefenen? Ga naar
234
uk
8
of d
©
structuurformule
methanal (H2CO)
N
stof
VA
aantal atoombindingen
IN
structuurformule
AAN DE SLAG
Ca3N2 NH3
3
6
Molecuulformule
.
O3 C57 H120 O6 Formule-eenheid
Notities
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
235
LABO'S ` ONDERZOEK 2: Massadichtheid (virtueel)
237
VA
` ONDERZOEK 5: Bolstaafmodellen
N
` ONDERZOEK 3: De geleidbaarheid van stoffen ` ONDERZOEK 4: Scheidingstechnieken
IN
` ONDERZOEK 1: Labotechnieken
241
©
` ONDERZOEK 6: De wet van Lavoisier
uk
` ONDERZOEK 7: Exotherm of endotherm
pr oe
fh o
of d
st
` ONDERZOEK 8: Metalen herkennen
236
245
LABO Naam:
ONDERZOEK
klas:
nummer:
2
Massadichtheid (virtueel) 1
Op welke manier kunnen we experimenteel de massadichtheid van een stof bepalen? 2
Hypothese
maatbeker en is
kg/l =
©
Klik op ‘turn fluid into water’. De massadichtheid van water kun je aflezen naast de kg/m3.
OPEN DE APPLET
uk
b
Open de applet met de QR-code.
OPMERKING: In de applet heb je vervolgens twee opties:
•
ofwel kies je voor een willekeurig voorwerp, waarvan je twee parameters kunt aanpassen: massa
•
ofwel kies je voor een voorwerp dat is opgebouwd uit een welbepaalde zuivere stof.
fh o
(‘mass’) en volume (‘volume’);
st
a
van mijn voorwerp ken, kan ik de massadichtheid berekenen.
VA
Benodigdheden
en
of d
3
Als ik
N
Ik ken de formule voor massadichtheid, namelijk
IN
Onderzoeksvraag
Wij gaan in dit labo verder met de tweede optie: een voorwerp dat is opgebouwd uit een zuivere stof.
c
Zoek op het internet op wat de massadichtheid van goud is: massadichtheid goud = t (goud) =
pr oe
We onderzoeken de stof goud ('gold').
4
kg/dm3 =
kg/m3, of met andere woorden
een kubus met een zijde van 1 dm (of 10 cm) heeft een massa van Werkwijze + 5
kg.
Waarnemingen
We kennen de theoretische waarde van de massadichtheid van goud en we weten ook dat we de grootheden massa en volume nodig hebben. 1
2
Op welke manier kunnen we de massa van een voorwerp bepalen?
Gebruik dat toestel in de applet om de massa van het blok goud te bepalen. massa m (goud) =
LABO
ONDERZOEK 2
237
LABO Naam:
klas:
nummer:
Voor het volume ligt het wat moeilijker: het volume van een balk bepaal je immers met de formule
3
V(balk) = goud te bepalen.
Wat we wel kunnen doen, is onze blok goud in de beker met water leggen. We zien dat het volume in de beker stijgt / daalt / constant blijft (schrap wat niet past).
→ Voor het blok goud gaat het volume in de beker van ml naar
Dat volumeverschil is gelijk aan het volume van het blok dat we in het water plaatsen.
5
We kunnen nu het volume van het blok goud berekenen:
→ volumeverschil goud = volume blok goud =
6
VA
Verwerking
N
ml.
IN
4
. Maar we hebben nergens een meetlat om de afmetingen van onze blok
We proberen nu de massadichtheid van goud te berekenen. We lossen dat op als een vraagstuk, dus met ‘gegeven’, ‘gevraagd’ en ‘oplossing’.
‑
Denk aan de omzettingen naar SI-eenheden.
Houd rekening met de regels voor beduidende cijfers.
uk
‑
©
TIP
st
STEM VADEMECUM
Gegeven -
De massa van het blok goud: m = =
kg
Het volume van het blok goud: V = ml = l = dm3 = m3
fh o
-
of d
Vraagstuk 1
Gevraagd
massadichtheid (goud) = t = ?
pr oe
Oplossing
Antwoord
De berekende massadichtheid voor goud komt wel / niet (schrap wat niet past) overeen met de opgezochte
waarde.
De massadichtheid voor de zuivere stof goud is wel / niet constant en is dus wel een / geen stofeigenschap (schrap wat niet past).
238
LABO
ONDERZOEK 2
LABO Naam:
klas:
nummer:
Vraagstuk 2
We proberen opnieuw, maar nu voor het blok lood uit je applet. Net zoals in de fysica moet je rekening houden met het aantal beduidende cijfers van je meetresultaten als je berekeningen uitvoert!
Gegeven
-
De massa van het blok lood: m = g =
Het volume van het blok lood: V = ml =
Gevraagd
massadichtheid (lood) = t = ?
m3
uk
©
Oplossing
7
kg
VA
-
N
De gegevens haal je uit de applet.
IN
TIP
st
Besluit
De massadichtheid van een stof kan worden bepaald aan de hand van .
of d
Aangezien de massadichtheid voor een zuivere stof constant is / varieert, kan die eigenschap wel / niet
worden gebruikt om stoffen te identificeren (schrap wat niet past). 8
fh o
Reflectie
a
Tijdens dit labo heb ik correct gebruikgemaakt van de eenheden en grootheden.
pr oe
b
De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat
Gedreven
Goed op weg
Bij het noteren
Bij het noteren
ik steeds het correcte
bijna altijd het correcte
van eenheden en
grootheden bewaak gebruik ervan.
Ik help anderen om
de correcte eenheden en grootheden te gebruiken.
In ontwikkeling
Ik maak soms een fout
Ik maak fouten tegen
en grootheden omdat
grootheden.
van eenheden en
tegen het gebruik van
gebruik ervan.
ik onnauwkeurig of
grootheden bewaak ik
Onvoldoende
de juiste eenheden
Ik kan mezelf corrigeren. onoplettend te werk ga.
Ik kan mezelf corrigeren
als ik erop gewezen word.
het gebruik van de
juiste eenheden en Ik kan mezelf niet
corrigeren als ik erop gewezen word.
LABO
ONDERZOEK 2
239
LABO Naam:
Gedreven
Goed op weg
Ik maak bij het invullen
Ik maak bij het
correcte gebruik van
gebruik van beduidende
gebruik van beduidende
tegen het gebruik van
om de correcte
beduidende cijfers te
bijna altijd het correcte cijfers.
een fout tegen het cijfers.
Ik kan mezelf corrigeren. Ik kan mezelf corrigeren
Goed op weg
Tijdens het uitvoeren
Tijdens het uitvoeren
enkel bezig met de
vooral bezig met de
practicum hou ik me opdracht. Ik werk
van een online
practicum hou ik me opdracht.
Ik laat me niet afleiden
of d
anderen.
Ik kan mezelf niet
gewezen word.
Onvoldoende
Tijdens het uitvoeren van
Tijdens het uitvoeren
Als ik erop gewezen
afgeleid.
een online practicum ben van een online ik soms afgeleid.
word pas ik mijn gedrag meteen aan.
st
gestructureerd en laat door anderen. me niet afleiden door
beduidende cijfers.
In ontwikkeling
uk
van een online
vraagstuk fouten
VA
Tijdens dit labo heb ik gefocust kunnen werken. Gedreven
invullen van een
als ik erop gewezen word. corrigeren als ik erop
gebruiken.
practicum ben ik vaak Ik bezoek andere
sites en/of stoor de leerlingen rondom mij.
Ik pas mijn gedrag na één opmerking niet aan.
Deze tip geef ik aan mezelf mee om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:
pr oe
fh o
LABO
van een vraagstuk soms
IN
Ik help anderen
vraagstukken bewaak ik
N
beduidende cijfers.
240
Onvoldoende
Bij het invullen van
bewaak ik steeds het
e
In ontwikkeling
Bij het invullen
van vraagstukken
d
nummer:
Tijdens dit labo heb ik correct gebruikgemaakt van beduidende cijfers.
©
c
klas:
ONDERZOEK 2
LABO Naam:
ONDERZOEK
klas:
nummer:
4
Scheidingstechnieken 1
Onderzoeksvraag Op basis van welke stofeigenschappen kun je een mengsel van zand en water scheiden?
IN
•
•
Op basis van welke stofeigenschappen kun je een mengsel van water en olie scheiden?
Op basis van welke stofeigenschappen kun je een mengsel van zout en water scheiden?
2
Hypothese Omcirkel een mogelijke hypothese per deelonderzoeksvraag.
VA
Proef 1: Een mengsel van zand en water kan gescheiden worden op basis van:
N
•
massadichtheid – kookpunt – smeltpunt – deeltjesgrootte.
Proef 2: Een mengsel van water en olie kan gescheiden worden op basis van:
©
massadichtheid – kookpunt – smeltpunt – deeltjesgrootte.
Proef 3: Een mengsel van zout en water kan gescheiden worden op basis van: 3
uk
massadichtheid – kookpunt – smeltpunt – deeltjesgrootte. Benodigdheden VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
st
!
of d
Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal
trechter
scheitrechter
filtreerpapier
erlenmeyer (100 ml)
fh o
proef 1
pr oe
proef 2
proef 3
maatbeker (50 ml) glazen staaf spatel
2 maatbekers (50 ml) statief
statiefklem of - ring lucifers
maatbeker
verbrandingskroes driepikkel
Stoffen
10 g zand 20 ml kraantjeswater
20 ml maïsolie 20 ml kraantjeswater keukenzout 20 ml kraantjeswater
draadnet of pijpaardendriehoek kroestang
bunsenbrander spatel
LABO
ONDERZOEK 4
241
LABO Naam:
4
nummer:
Werkwijze Proef 1 1
Neem een maatbeker.
4
Plaats een filtreerpapier in een trechter.
3
5 6
Voeg er twee spatels zand aan toe.
GEBRUIK FILTREERPAPIER
Herbekijk het instructiefilmpje indien nodig. Plaats de trechter op de erlenmeyer. Giet het mengsel langs een glazen staaf in de trechter.
glazen staaf
Noteer je waarnemingen.
filtreerpapier
VA
7
Giet daarin 20 ml kraantjeswater.
IN
2
N
klas:
trechter
zand
uk
©
maatbeker
Proef 2 1
Bevestig een scheitrechter aan een statief d.m.v. statiefklem of -ring.
4
Giet daarin 20 ml kraantjeswater.
2 3 5 6
Neem een tweede maatbeker.
GEBRUIK SCHEITRECHTER
Voeg er 20 ml maïsolie aan toe. Laat het mengsel even staan.
Breng het mengsel over in de scheitrechter.
fh o
7
Plaats een maatbeker onder de scheitrechter.
of d
8
9
Herbekijk het instructiefilmpje indien nodig. Noteer je waarnemingen.
Draai het kraantje van de scheitrechter open,
zodat de onderste component in de maatbeker loopt.
pr oe
10 Draai het kraantje dicht op het moment dat die component volledig in de beker is gelopen.
11 Noteer je waarnemingen.
242
LABO
water
st
water + zand
erlenmeyer
ONDERZOEK 4
scheitrechter statief
water + maisolie maatbeker
water + maisolie
LABO Naam:
nummer:
Proef 3 1
Neem een maatbeker.
4
Steek de bunsenbrander aan.
3 5 6
7 8 9
Giet daarin 20 ml kraantjeswater.
Voeg er twee spatels zout aan toe.
GEBRUIK BUNSENBRANDER
Herbekijk de instructievideo indien nodig.
Plaats de driepikkel met draadnet over de bunsenbrander. Giet wat zoutoplossing in een verbrandingskroes. Plaats de verbrandingskroes op het draadnet m.b.v. een kroestang.
Blijf de oplossing verhitten tot
verbrandingskroesje
maatbeker
Noteer je waarnemingen.
driepikkel
7
fh o
Besluit
of d
Proef 3
st
Proef 2
uk
Waarnemingen
Proef 1: Een mengsel van zand en water werd gescheiden op basis van verschil in
.
Proef 3: Een mengsel van zout en water werd gescheiden op basis van verschil in
.
.
pr oe
Proef 2: Een mengsel van water en olie werd gescheiden op basis van verschil in
8
bunsenbrander
©
VA
10 Verwerk het afval correct.
Proef 1
draadnet
zoutoplossing
alle water is verdampt.
5
IN
2
N
klas:
Reflectie
a
b
De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:
Vergelijk je hypothese met je besluit.
LABO
ONDERZOEK 4
243
LABO Naam:
Tijdens dit labo heb ik correct gefiltreerd.
Ik kan zonder hulp
Ik kan meestal zonder
stappenplan om te
om te filtreren al goed.
om te filtreren nog niet
Ik kan anderen vaak
helpen.
Ik ken het stappenplan me maar af en toe
aansporen om de juiste
vaak aansporen om de
stappen te volgen.
juiste stappen te volgen.
Goed op weg
In ontwikkeling
Ik kan zonder hulp een
Ik kan meestal zonder
gebruiken.
om een scheitrechter te
Ik ken het stappenplan
een scheitrechter te
gebruiken heel goed. Ik kan anderen vaak helpen.
Ik ken het stappenplan gebruiken al goed.
De leerkracht moet me maar af en toe
aansporen om de juiste stappen te volgen.
Tijdens dit labo heb ik zelfstandig gewerkt.
Goed op weg
of d
Gedreven
Onvoldoende
Ik kan zonder hulp
hulp een scheitrechter
de scheitrechter niet
om een scheitrechter
stappenplan om
gebruiken.
©
stappenplan om
scheitrechter gebruiken.
te gebruiken nog niet volledig.
uk
Ik ken het
De leerkracht moet me vaak aansporen om de
gebruiken. Ik ken het
de scheitrechter te gebruiken niet.
juiste stappen te volgen. In ontwikkeling
Onvoldoende
Ik denk zelf goed na
Ik denk meestal zelf
Ik denk eerst na, maar als Ik vraag vrijwel altijd
oplossing.
mogelijke oplossing
hulp aan de leerkracht.
en zoek zelfstandig naar een mogelijke
goed na en zoek
zelfstandig naar een vooraleer ik hulp
fh o
Ik zal de leerkracht
pas om hulp vragen
als ik alle mogelijke
denkstrategieën heb
pr oe
toegepast.
inschakel.
Ik geef niet snel op.
ik niet onmiddellijk een oplossing zie, vraag ik
heel snel hulp aan de leerkracht.
Ik ga zelf niet aan de slag om oplossingen te bedenken, maar wacht liever af.
Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:
LABO
filtreren niet.
Ik ken het
stappenplan om te
De leerkracht moet me
Ik kan zonder scheitrechter
244
volledig.
Tijdens dit labo heb ik de scheitrechter correct gebruikt. probleem een
f
niet filtreren.
Ik ken het stappenplan
De leerkracht moet
Gedreven
Ik kan zonder hulp
hulp filtreren.
IN
filtreren heel goed.
filtreren.
Onvoldoende
VA
Ik ken het
e
In ontwikkeling
Ik kan zonder
probleem filtreren.
d
Goed op weg
nummer:
N
Gedreven
st
c
klas:
ONDERZOEK 4
LABO Naam:
ONDERZOEK
klas:
nummer:
8
Metalen herkennen 1
Op basis van welke eigenschappen kun je metalen van elkaar onderscheiden? Hypothese
TIP
Ik denk dat …
Scan de QR-code om je te helpen bij
de hypothese.
VA
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
uk
Benodigdheden !
EIGENSCHAPPEN METALEN
©
3
N
2
IN
Onderzoeksvraag
Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen!
magneet
bunsenbrander
of d
kroestang
st
Materiaal
fh o
maatbeker
4
Stoffen
ijzer (Fe)
magnesiumlint (Mg) koper (Cu) lood (Pb) zink (Zn)
inox staal (legering van Fe) aluminium (Al)
H- en P-ZINNEN
2 onbekende metalen kraantjeswater
Werkwijze
Onderzoek welke metalen uit de lijst:
c
pr oe
1
2
a
zinken in een maatbeker met water;
b roest vertonen;
aangetrokken worden door een magneet;
d buigzaam zijn; e f
een bepaalde kleur hebben;
metaal
GEBRUIK BUNSENBRANDER
kroestang
snel ontvlammmen in de bunsenbrander.
Noteer je waarnemingen.
bunsenbrander
Houd de stukjes metaal een voor een in de vlam van de bunsenbrander. Noteer je waarnemingen.
LABO
ONDERZOEK 8
245
LABO Naam:
!
klas:
nummer:
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Houd altijd water of een zandbak ter beschikking als je metalen in de vlam houdt.
Verwerk het afval correct.
5
Waarnemingen
IN
3
Noteer voor elke stof een aantal typische kenmerken. Gebruik de eigenschappen kleur, massa, •
stukje ijzer:
•
stukje magnesiumlint:
•
stukje koper: plaatje lood:
stukje zink:
stukje aluminium:
•
stukje inox: Verwerking
fh o
of d
©
•
6
VA
uk
•
st
•
N
ontvlambaarheid en magnetische aantrekking om de metalen van elkaar te onderscheiden.
Je krijgt van je leerkracht twee onbekende metalen. Welke eigenschappen ga je gebruiken om ze van elkaar te onderscheiden? Stel een determineertabel op.
Metaal 1:
pr oe
Metaal 2:
7
Besluit
Je kunt metalen van elkaar onderscheiden op basis van
Er zijn nog andere manieren om metalen van elkaar te onderscheiden, bijvoorbeeld op basis van geleidbaarheid.
246
LABO
ONDERZOEK 8
LABO Naam:
8
klas:
nummer:
Reflectie a
Dit labo verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past). Indien niet, waarom niet?
IN
b
Vergelijk je hypothese met je besluit.
Tijdens dit labo heb ik over het algemeen veilig gewerkt. Ik ga altijd veilig te
Ik ga veilig te werk.
werk en zal nooit
Ik zal nooit risico’s
gevaar breng.
breng.
waardoor ik anderen in
Ik zal anderen ook
aansporen om veilig te werken.
Ik kan risico’s goed
anderen in gevaar
of d
inschatten.
nemen waardoor ik
Tijdens dit labo heb ik zelfstandig gewerkt. Gedreven
In ontwikkeling
Goed op weg
De leerkracht moet
anderen (en mezelf) in
omdat ik anderen
me af en toe tot de
orde roepen omdat ik gevaar breng.
Ik kan de risico’s soms moeilijk inschatten.
In ontwikkeling
Ik denk zelf goed na
Ik denk meestal zelf
Ik denk eerst na, maar
oplossing.
mogelijke oplossing
vraag ik hulp aan de
fh o
en zoek zelfstandig naar een mogelijke Ik zal de leerkracht
pas om hulp vragen
pr oe
als ik alle mogelijke
denkstrategieën heb toegepast.
goed na en zoek
zelfstandig naar een vooraleer ik hulp inschakel.
Ik geef niet snel op.
Onvoldoende
De leerkracht moet
uk
risico’s nemen
d
Goed op weg
©
Gedreven
VA
st
c
N
me regelmatig tot de orde roepen
(en mezelf) in gevaar breng.
Ik kan de risico’s
moeilijk inschatten.
Onvoldoende Ik vraag vrijwel altijd
als ik niet onmiddellijk
heel snel hulp aan de
leerkracht.
slag om oplossingen
een oplossing zie,
leerkracht.
Ik ga zelf niet aan de te bedenken, maar wacht liever af.
LABO
ONDERZOEK 8
247
LABO Naam:
Tijdens dit labo heb ik geconcentreerd gewerkt. Ik kan een uur
geconcentreerd bezig zijn met de opdracht.
Ik verlies de opdracht (bijna) nooit uit het oog.
In ontwikkeling
Ik ben meestal met de
Regelmatig verlies ik
concentratie en ben ik
dingen (of leerlingen)
opdracht bezig.
Soms verlies ik mijn
met iets anders bezig.
om een heel lesuur
bezig te zijn.
Ik ben vaak afgeleid
durf ik met andere
Ik vind het moeilijk om een heel uur
geconcentreerd te werken.
geconcentreerd te blijven.
en dikwijls met
andere dingen (of leerlingen) bezig.
Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
LABO
Ik vind het erg lastig
mijn concentratie en
248
Onvoldoende
VA
f
Goed op weg
IN
Gedreven
nummer:
N
e
klas:
ONDERZOEK 8
THEMA 02
THEMA 04
THEMA 05
THEMA 03
THEMA 06
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
VA
N
THEMA 01
IN
WOORDENLIJSTEN
WOORDENLIJSTEN
249
Notities
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
250
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
251
IN
N
VA
©
uk
st
of d
pr oe
fh o
252