Skip to main content

Ik lees met hup en aap - handleiding 2

Page 1

INHOUD

LES 1

Hupuurtje bij de toets van thema 1

4

LES 2

Themaverhaal en eigen spel

6

LES 3

Het woord ‘om’ auditief en visueel aanbieden

8

LES 4

Het woord ‘om’ visueel inoefenen

10

LES 5

Het woord ‘om’ spraakmotorisch en visueel structureren

14

LES 6

De letters ‘o’ en ‘m’ en het woord ‘om’ schrijven

18

LES 7

De fonemen/grafemen ‘o’ en ‘m’ inoefenen en noteren + dictee

20

LES 8

Tweeklankclusters en drieklankwoorden vormen en lezen

24

LES 9

De leestekens ‘ . ’, ‘?’ en ‘!’ introduceren

30

LES 10

Hupuurtje: het lezen van de letters ‘o’ en ‘m’ en het sleutelwoord ‘om’ remediëren en inoefenen

32

3

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 3

22/05/17 17:08


DOMEIN: Technisch lezen WEEK ONDERWERP: Hupuurtje bij de toets van thema 1 LESDUUR: 2 x 25 min.

1 | LES 1 | Hupuurtje

BEGINSITUATIE De leerlingen hebben de toets bij thema 1 gemaakt.

MATERIAAL Digitaal •• bordboek •• bingel Folio •• kopieerbladen p. 1 t.e.m. 8 •• de clusterkaarten •• boekjes A1 en A2 •• boekjes B1 en B2

SUGGESTIE Leerlingen die vlugger klaar zijn met de oefeningen kunnen evt.: •• oefenen op bingel, •• de boekjes A1 en A2 lezen, •• de boekjes B1 en B2 lezen, •• werken in het ‘grote letterboek’.

TIP Kleef letters die niet of moeilijk geautomatiseerd worden door een leerling op zijn of haar bank. Geef een kaartje met diezelfde letters mee naar huis. De leerlingen hangen het op een plaats waar ze het vaak kunnen lezen.

TIP Herhaal zeker de gekende tweeklankclusters met de leerlingen van groep 1. Dat kan het best met behulp van de clusterkaarten.

LESDOELEN De leerlingen: •• discrimineren de sleutelwoorden in zinnen. •• verklanken de sleutelwoorden correct. •• lezen de tweeklankclusters vlot. •• duiden het correcte woord bij een plaatje aan. •• duiden de juiste zin bij een plaatje aan. •• kunnen drieklankwoorden lezen. •• kunnen aangeven waar een letter in een woord te horen is. •• kunnen diverse woordpuzzels oplossen.

START Herhaal de gekende sleutelwoorden en letters kort d.m.v. een flitsoefening in het bordboek. Verdeel de klas in 3 groepen: Groep 1: de leerlingen die de letters en de woorden nog niet voldoende kennen. Groep 2: de leerlingen die de letters en de woorden voldoende kennen, maar die nog extra herhaling kunnen gebruiken. Groep 3: de leerlingen die moeilijkere oefeningen zelfstandig kunnen maken.

KERN Werken in groepen Zet de leerlingen van groep 3 onmiddellijk aan het werk. Leg alle opdrachten op Verrijkingsbladen 1 t.e.m. 5 kort uit. Leg eventueel ook de andere activiteiten (zie suggestie) al uit. Intussen kunnen de leerlingen van groep 1 en 2 nog even flitsoefeningen op het bord doen. Leg de oefeningen op Herhalingsbladen 1 t.e.m. 3 uit aan groep 2. Die leerlingen gaan zelfstandig aan het werk. De leerlingen van groep 1 oefenen intussen de sleutelwoorden en tweeklankclusters op de flappen van hun leeswerkschrift. Werk samen met de leerlingen van groep 1 aan een aparte tafel. Kies voor hen gepaste oefeningen (zie uitgangspunten remediëring DSM in het startkatern).

AFRONDING Controleer de Verrijkings- en Herhalingsbladen van groep 2 en 3.

4

Sport en spel

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 4

22/05/17 17:08


WEEK 1 | LES 1 | Hupuurtje

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 5

5

22/05/17 17:08


DOMEIN: Luisteren en spreken ONDERWERP: Themaverhaal en eigen spel LESDUUR: 2 x 25 min.

WEEK 1 | LES 2 | SLEUTELWOORD: om

BEGINSITUATIE De leerlingen kunnen aandachtig naar een voorgelezen verhaal luisteren.

MATERIAAL Digitaal •• bordboek Folio •• kopieerbladen p. 9 t.e.m. 12 Diversen Voor de leerkracht: •• klaspop Hup •• een medaille •• vertelplaten 7 t.e.m. 12 •• foto’s i.v.m. de Olympische Spelen

LESDOELEN De leerlingen: •• kunnen naar het verhaal en naar elkaar luisteren. •• durven in groep te spreken. •• kunnen inhoudelijke vragen bij een beluisterde tekst beantwoorden. •• kunnen vertellen of iets echt of niet echt kan gebeuren. •• tonen respect voor de vragen en antwoorden van klasgenoten. •• durven een eigen mening te uiten. •• kunnen de verschillende figuren met hun eigen karakter en kenmerken beschrijven. •• spreken een verzorgde taal. •• beleven plezier in de ‘sport- en spelactiviteit’ zoals ze vermeld wordt in het verhaal.

TAALBESCHOUWING TIP Verzamel zoveel mogelijk relevant fotomateriaal: van de olympische ringen, de olympische vlam, medailles … De les nodigt uit om zelf sporten te bedenken en ze samen met Hup en Aap uit te voeren in een bewegingsles. Voorzie – naast sportmedailles – ook medailles voor andere talenten: rekenen, lezen, opletten, opruimen …

WOORDENSCHAT deel 1 Olympische Spelen: sportwedstrijd die elke vier jaar wordt gehouden voor sportmensen van over de hele wereld de medaille: een metalen plaat (uit goud, zilver of brons) aan een lint als prijs bij een wedstrijd pochen: opscheppen, stoefen (dialect) het terrein: het gebied, het veld, het stuk land enthousiast: het gevoel dat je hebt als je iets heel fijn vindt, als je er veel zin in hebt bedenken: verzinnen, een idee krijgen

6

De leerlingen: •• denken na over de samenhang tussen woorden en de objecten en handelingen waar ze naar verwijzen. •• denken na over woorden en woordgroepen die belangrijk zijn voor de betekenis van de tekst. •• denken na over de boodschap. •• denken na over niet-talige aspecten in communicatie zoals lichaamstaal, mimiek, rustpauze, prenten … •• werken een verhalend deel van de tekst in een concrete situatie (sport- en spelactiviteit) uit.

START Vraag de leerlingen wie van hen naar een sportclub gaat en wie bij een jeugdbeweging is. Naar welke sportclub ga je? Welke sport doe je daar? Hoe vaak ga je naar de club? Moet je wel eens wedstrijden spelen? Waar? Heb je al eens een wedstrijd gewonnen? Hoe voelde je je toen? Wie kent de Olympische Spelen? Wat gebeurt er op die spelen?

KERN Themaverhaal deel 1 Zeg dat je een verhaal gaat vertellen. Leid je verhaal in met een korte herhaling van de vier hoofdpersonages Hup, An, Aap en El. Stel korte vraagjes: Welke knuffel hoort bij wie? (Hup is een kangoeroe en de knuffel van An. Aap is de knuffel van El. An en El zijn buurmeisjes.) Uk is het kleine broertje van El. Hij heeft een eigen knuffel, Uil. Die twee figuren komen maar heel even in het verhaal voor.

Sport en spel

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 6

22/05/17 17:08


Bespreek vooraf enkele ‘moeilijke’ woorden uit het verhaal. Lees het eerste deel van het themaverhaal voor of laat het beluisteren in het bordboek. Toon daarbij de vertelplaten 7, 8 en 9. Controleer daarna of de leerlingen het verhaal goed begrepen hebben, bv.: Waar speelt het verhaal zich af? Wie is Uk? Welke knuffel heeft hij? Wat doen An en El eerst in het verhaal? Welk idee heeft An? Welke nieuwe sport bedenken An en El? Wat gebeurt er met Aap tijdens het rennen? Wie wint het achteruitlopen? El krijgt geen medaille. Wat krijgt ze wel? Themaverhaal deel 2 Lees het tweede deel van het themaverhaal voor of laat het beluisteren in het bordboek. Toon daarbij de vertelplaten 10, 11 en 12. Controleer na het lezen of de leerlingen het verhaal goed begrepen hebben, bv.: Welke vreemde sport hebben de kinderen bedacht? Wat gebruiken de kinderen om te kunnen hordenlopen? Waar vinden zij materiaal? Bij hordenlopen moet je normaal over de horden springen. Wat moet je bij dit nieuwe hordenlopen doen? Wie wil er ook meedoen met hordenlopen? Hoe komt het dat het papa niet zo goed lukt? Je krijgt dorst van sporten. Wat drinken de kinderen?

WOORDENSCHAT deel 2 plechtig: deftig en ernstig proesten: plots hard lachen en snuiven tegelijkertijd beduusd: beteuterd, niet weten wat je moet zeggen uitbundig: enthousiast, erg vrolijk en druk beteuterd: teleurgesteld, zielig het / de bamboe: soort riet dat veel op hout lijkt de scheidsrechter: iemand die in het oog houdt of het spel correct wordt gespeeld puffen: blazen, hijgen de kampioen: de winnaar, de beste

Verwerking verhaal Speltips vind je op kopieerblad p. 12.

AFRONDING Laat de leerlingen spontaan reageren op het verhaal en de sporten die ze bedacht hebben. Bespreek kort hoe je die sporten zou kunnen organiseren. Waar kunnen we onze eigen Olympische Spelen houden? Hoe kunnen we de kampioenen belonen? Bv. Maak je eigen medaille voor de kampioenen. Geef Hup een eigen ‘leesmedaille’ om haar betrokkenheid te benadrukken.

WEEK 1 | LES 2 | SLEUTELWOORD: om 7

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 7

22/05/17 17:08


DOMEIN: Technisch lezen WEEK ONDERWERP: Het woord ‘om’ auditief en visueel aanbieden LESDUUR: 25 min.

1 | LES 3 | SLEUTELWOORD: om

BEGINSITUATIE MATERIAAL Digitaal •• bordboek •• bingel Folio •• de klassikale woordkaart ‘om’ in drukletters •• de individuele woordkaarten ‘om’ •• het oefenboek leesrijtjes deel 1 Diversen Voor de leerkracht: •• de klaspop Hup •• de wandplaat ‘om’ •• de klassikale woordkaart ‘om’ in schrijfletters •• magneten •• medailles Voor de leerlingen: •• de woorddoos

De leerlingen kennen het themaverhaal ‘De Olympische Tuinspelen‘. Ze kunnen de woorden ‘ik’, ‘an’, ‘el’, ‘eet’, ‘aap’ en ‘ijs’ en de letters van die woorden lezen.

LESDOELEN De leerlingen: •• durven te spreken in groep. •• kunnen naar de andere leerlingen luisteren. •• verklanken het sleutelwoord ‘om’. •• discrimineren het sleutelwoord ‘om’ in een reeks woorden. •• oriënteren zich in de ruimtelijke structuur van het sleutelwoord ‘om’: ze duiden de eerste en de tweede (laatste) letter van het woord aan.

TAALBESCHOUWING De leerlingen: •• herkennen woorden die rijmen op het sleutelwoord ‘om’.

VOORBEREIDING Hang een aantal medailles om Hups nek. Kleef op de achterkant van een van de medailles het woord ‘om’. Zorg dat je de woordkaarten ‘om’ voor de leerlingen bij de hand hebt.

START Vestig de aandacht op Hup die vooraan in de klas met medailles om de nek zit te pronken. Wat zie jij er vandaag prachtig uit, Hup! Laat de leerlingen ook reageren. Waarom heb je die mooie medailles om? Hoe heb je die verdiend? Laat de leerlingen redenen verzinnen. Wie van jullie heeft al eens een medaille gewonnen? Waarvoor kreeg je die? Doe je die vaak om?

KERN

TIP Laat de leerlingen in groep het woord zachtjes lezen, dan nog zachter, daarna door alleen met de mond te bewegen. Ten slotte lezen ze het woord hardop.

Het sleutelwoord ‘om’ visueel aanbrengen Laat Hup rondhuppelen van plezier, zodat de medailles heen en weer schudden. Laat de leerlingen zo het woord ‘om’ aan de achterkant van de medaille ontdekken. Laat Hup het woord verklanken. Laat daarna de leerlingen het woord verklanken. Het sleutelwoord ‘om’ visueel inoefenen Hang de wandplaat ‘om’ aan het bord. Hang de klassikale woordkaart erbij, in gedrukte en geschreven versie. Werk in deze les verder met de versie in drukletters.

8

Sport en spel

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 8

22/05/17 17:08


Laat een leerling vooraan komen. Wijs de beginletter aan. Wijs de eindletter aan. Deel de individuele woordkaarten met het sleutelwoord ‘om’ uit. Wijs de beginletter aan. Wijs de eindletter aan.

OEFENBOEK LEESRIJTJES De woordjes op p. 7 en 8 van oefenboek leesrijtjes deel 1 kunnen dienen als extra oefening.

Maak de oefening ‘visuele discriminatie van om’ op bingel. Laat de leerlingen om de beurt het sleutelwoord ‘om’ aanklikken.

VERWERKING Hup zegt een aantal drieklankwoorden. Sommige rijmen op ‘om’. Als de leerlingen een woord horen dat rijmt op ‘om’, tikken ze eenmaal op de bank. Bv. kom, pan, raap, tom, tel, meet, som …

AFRONDING De leerlingen stoppen de woordkaart ‘om’ in hun woorddoos.

WEEK 1 | LES 3 | SLEUTELWOORD: om 9

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 9

22/05/17 17:08


DOMEIN: Technisch lezen WEEK ONDERWERP: Het woord ‘om’ visueel inoefenen LESDUUR: 25 min.

1 | LES 4 | SLEUTELWOORD: om

BEGINSITUATIE MATERIAAL Digitaal •• bordboek •• letterschuif Folio •• leeswerkschrift 2 p. 4 en 5 •• de klassikale woordkaart ‘om’ •• de letterschuif •• de woordenmaker •• het oefenboek leesrijtjes deel 1 Diversen Voor de leerkracht: •• de klaspop Hup •• de wandplaat ‘om’ •• magneten Voor de leerlingen: •• de woorddoos •• kleurpotloden

TIP Laat afwisselend de jongens en de meisjes hardop lezen.

LET OP! Vestig er de aandacht op dat de ‘m’ op de ‘n’ lijkt.

INSTRUCTIETAAL •• beginletter •• eindletter

TIP Gebruik de digitale letterschuif als ondersteuning.

De leerlingen hebben al eerder kennisgemaakt met het woord ’om’. Ze kunnen het visueel en auditief onderscheiden en verklanken.

LESDOELEN De leerlingen: •• kunnen het sleutelwoord ‘om’ verklanken. •• kunnen het sleutelwoord ‘om’ discrimineren in een reeks woorden en zinnen. •• kunnen het sleutelwoord ‘om’ zichtbaar maken in de letterschuif of de woordenmaker.

TAALBESCHOUWING De leerlingen: •• beoordelen of een woord waarin een andere leerling een ‘o’ of een ‘m’ denkt te horen correct is.

START De gekende sleutelwoorden herhalen De leerlingen nemen alle gekende sleutelwoorden uit hun woorddoos. Laat één leerling de woorden een voor een hardop lezen. De andere leerlingen leggen de woorden in de juiste volgorde. Laat dan alle woorden hardop lezen. Daarna leest Hup de woorden een voor een hardop voor. De leerlingen leggen telkens het gelezen woord terug in de woorddoos. Laat Hup de leerlingen complimenteren.

KERN Het sleutelwoord ‘om’ discrimineren m.b.v. het bordboek Maak de oefening van het leeswerkschrift p. 4 klassikaal in het bordboek. Ruimtelijke oriëntatie via de klassikale woordkaart Laat een leerling vooraan komen. Wijs de beginletter aan en lees die. Wijs de eindletter aan en lees die. Het sleutelwoord ‘om’ zichtbaar maken met de letterschuif of woordenmaker De leerlingen nemen hun letterschuif. Demonstreer de werkwijze: We gaan het woord ‘om’ tevoorschijn halen. Neem de blauwe strook uit het hoesje van de letterschuif. Leg ze met de kant met twee bolletjes erop naar boven op je bank. Schuif de strook zover in de rechtergleuf tot het woord ‘om’ in het raampje verschijnt. Als je de woordenmaker gebruikt, ga je op ongeveer dezelfde manier te werk. De leerlingen klappen de woordenmaker open en draaien de kaartjes onder de volle ster omhoog tot het woord ‘om’ verschijnt.

10

Sport en spel

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 10

22/05/17 17:08


Ga rond en controleer of de leerlingen het goed doen. Help waar nodig. Laat het woord ‘om’ hardop lezen.

VERWERKING De leerlingen nemen hun leeswerkschrift op p. 5. Maak bij de klassikale instructie ondersteunend gebruik van het bordboek. Laat de leerlingen de oefeningen zelfstandig maken en laat Hup schouderklopjes geven.

OEFENBOEK LEESRIJTJES Terwijl jij je met de zwakkere lezers bezighoudt, kunnen de anderen de woordjes op p. 7 en 8 van oefenboek leesrijtjes deel 1 oefenen.

TIP Laat de leerlingen indien nodig onmiddellijk verbeteren.

INSTRUCTIETAAL •• zinnen •• woorden

WEEK 1 | LES 4 | SLEUTELWOORD: om 11

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 11

22/05/17 17:08


Leeswerkschrift 2 p. 4 1

Oefening 1 Begeleid de oefening: Duid de beginletter van ‘om’ aan. Kleur die rood. Duid de eindletter van ‘om’ aan. Kleur die zwart. Oefening 2 Bereid de opdracht voor in het bordboek. Laat een leerling voor het bord komen en de woorden ‘om’ omcirkelen. Het woord komt drie keer voor. De leerlingen doen hetzelfde in hun leeswerkschrift.

2

Oefening 3 De leerlingen kleuren de vakjes met het woord ‘om’ erin.

om

ot

os

oom

om

of om op

om

on

3

4

12

WEEK 1 | LES 4

ijs

an

op

os

om

in

om

on

eet

aap

om

ol

1 Kleur de eerste letter rood. Kleur dan de tweede letter zwart. 2 Lees het woord in de bal links. Zoek het in de andere ballen. Omkring het. 3 Kleur de vakjes met het woord ‘om’.

Sport en spel

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 12

22/05/17 17:08


Leeswerkschrift 2 p. 5 1 op

mo

Oefening 1 De leerlingen kleuren de vier kegels met het woord ‘om’ erin.

om

om oom os

2

Oefening 2 De leerlingen omcirkelen het woord ‘om’ in de zinnen. Het komt vijf keer voor.

om

om

Oefening 3 De leerlingen kleuren de vakjes die naast elkaar het woord ‘om’ vormen. Ze moeten er vijf vinden.

om 12 uur gebeurt het. de heks komt de hoek om. ze is klaar om te vliegen. ze doet een das om. ze vliegt drie keer om de boom heen.

3

WEEK 1 | LES 4

o

m

l

o

m

n

o

p

o

m

ee

o

m

a

m

a

o

m

ij

k

1 Kleur de kegels met ‘om’. 2 Omkring het woord ‘om’ in de zinnen. 3 Kleur de vakjes die naast elkaar het woordje ‘om’ vormen.

5

WEEK 1 | LES 4 | SLEUTELWOORD: om 13

69058_HUP_AAP_HL_2_WEEK1.indd 13

22/05/17 17:08


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook