Hoofdstuk 5 beroepskosten e r a b k e r t f a e D n e p p a h c s t o o n van ven
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Het fiscaal resultaat van een vennootschap vertrekt vanuit het boekhoudkundige nettoresultaat: opbrengsten min kosten. De vennootschap kan de geboekte kosten fiscaal in rekening brengen voor zover zij beantwoorden aan de wettelijke aftrekbaarheidsvoorwaarden.
1
Voorwaarden voor aftrekbaarheid
Het feit dat alle inkomsten van een vennootschap beroepsinkomsten zijn, betekent niet dat al haar kosten automatisch aftrekbare beroepskosten vormen. Voor vennootschappen wordt de aftrekbaarheid van kosten beoordeeld aan de hand van het cruciale art. 49 WIB 1992 en art. 195/1 WIB 1992. Krachtens art. 49 WIB 1992 moeten kosten beantwoorden aan drie aftrekbaarheidsvoorwaarden: 1 de kosten moeten tijdens het belastbare tijdperk zijn gedaan of gedragen; 2 de kosten moeten gedaan of gedragen zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; 3 en de echtheid en het bedrag van de kosten moet verantwoord worden. Kosten die niet voldoen aan die aftrekbaarheidsvoorwaarden zijn niet aftrekbaar en worden via de verworpen uitgaven terug bij de belastbare winst gevoegd. We lichten alle aftrekbaarheidsvoorwaarden toe.
1.1
Tijdens het belastbaar tijdperk gedaan of gedragen
Om in een bepaald boekjaar aftrekbaar te zijn, moeten de kosten in dat boekjaar zijn gedaan of gedragen. Dat betekent dat de kosten: – ofwel werkelijk zijn betaald (= ‘gedaan’); – ofwel ten laste zijn genomen (= ‘gedragen’); – ofwel het karakter van een zekere en vaststaande schuld of verlies hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt. Zo kunnen bijvoorbeeld afschrijvingen als beroepskosten worden afgetrokken omdat ze worden geacht tijdens het boekjaar te zijn gedragen, hoewel het strikt genomen geen betaalde kosten zijn. Een schuld is ‘zeker en vaststaand’ als op het einde van het boekjaar zekerheid bestaat over het bestaan ervan en het bedrag van de schuld bekend is. VOORBEELD
Op 10 mei brandt het in het gebouw van een nv. Het gebouw wordt daardoor volledig waardeloos. Het gebouw stond op dat moment in de boekhouding genoteerd met een boekwaarde van 80 000,00 EUR. Om te weten op welk tijdstip het verlies als zeker en vaststaand kan worden beschouwd, moeten we volgend onderscheid maken: 1 de onderneming is verzekerd tegen brandschade: de schade krijgt een vaststaand karakter zodra een definitieve regeling is bereikt met de verzekeringsmaatschappij over de schadevergoeding. Pas op het moment dat de vergoeding wordt toegekend, mag de resterende boekwaarde van het gebouw worden afgeboekt als een minderwaarde; 2 de onderneming is niet verzekerd tegen brandschade: de boekwaarde van het afgebrande gebouw mag in het jaar van de brand als een minderwaarde worden afgeboekt via de resultatenrekening.
85
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
1.1.1
Moment van aftrek
Als een vennootschap in een bepaald boekjaar een (niet-betwiste) factuur ontvangt die ze pas tijdens het volgende boekjaar betaalt, dan stelt zich de vraag voor welk jaar die kosten fiscaal aftrekbaar zijn: voor het jaar van de facturering of voor het jaar van betaling. Boekhoudkundig moet men schulden boeken zodra ze een zeker en vaststaand karakter verkrijgen. De vennootschap heeft géén keuzemogelijkheid (Parl. Vr. Hatry, 30 april 1996): – ofwel gaat het om kosten die onbetwistbaar betrekking hebben op het boekjaar: dan moet men de factuur in dat boekjaar boeken en ook fiscaal in rekening brengen; – ofwel hebben de kosten geheel of gedeeltelijk betrekking op een volgend boekjaar: men draagt dan de kosten via overlopende rekeningen geheel of gedeeltelijk over naar het komende boekjaar. VOORBEELD 1
Op het einde van boekjaar 2025 ontving een Belgische nv een factuur van een reclamebureau voor een tijdens 2025 gevoerde publiciteitscampagne. De nv boekte die inkomende factuur onder haar kosten in het boekjaar 2025 maar betaalt ze pas begin boekjaar 2026. boekjaar 2025: ontvangst van de factuur en boeking 610 411
Publiciteit 4 000,00 Terug te vorderen btw 840,00 @ 440 Leveranciers
4 840,00
boekjaar 2026: betaling 440
Leveranciers 4 840,00 @ 550 Bank: R/C
4 840,00
Aangezien de kosten onbetwistbaar betrekking hebben op het boekjaar 2025, zijn ze fiscaal aftrekbaar voor dat jaar, ongeacht het tijdstip van betaling. VOORBEELD 2
Op 10 december 2025 ontving een bv een factuur van een adviesbureau voor een personeelsdoorlichting die werd uitgevoerd in de loop van 2025. Uit vergetelheid boekte de bv de inkomende factuur pas in 2026 en betaalde ze die factuur ook in 2026. boekjaar 2025: ontvangst van de factuur zonder enige boeking boekjaar 2026: boeking van de factuur en de betaling 610 411 440
Personeelsdoorlichting 2 000,00 Terug te vorderen btw 420,00 @ 440 Leverancier
2 420,00
Leveranciers 2 420,00 @ 550 Bank: R/C
2 420,00
Voor boekjaar 2025 zijn de kosten niet aftrekbaar want ze zijn noch betaald noch geboekt. En voor boekjaar 2026 weigert de belastingadministratie de aftrek omdat die niet thuishoort in dat jaar (op basis van het eenjarigheidsprincipe van de belasting). Wie een kostenfactuur niet boekt in het juiste jaar kan de aftrekbaarheid ervan kwijt spelen.
86
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
1.1.2
Matchingprincipe en gebruik van overlopende rekeningen
Als een vennootschap kosten maakt die slaan op verschillende jaren, moet zij die kosten boekhoudkundig in gepaste verhouding verdelen over de jaren waarin ze werkelijk thuishoren (= het ‘matchingprincipe’). Via de techniek van de overlopende rekeningen draagt de vennootschap dan een gedeelte van de kosten over naar een volgend boekjaar of rekent ze die toe aan een bepaald boekjaar. Het boekhoudkundig matchingprincipe is verankerd in de fiscale wetgeving. Kosten die op meerdere boekjaren slaan, zijn slechts aftrekbaar van het boekjaar van hun betaling of hun boeking als schuld in de mate dat de kosten betrekking hebben op dat boekjaar. In de mate dat de kosten slaan op toekomstige boekjaren moeten ze overgedragen worden (art. 195/1 WIB 1992). Voorbeelden zijn verzekeringspremies, verkeersbelastingen, vooruitbetaalde huur, vooruitbetaalde intrest en dergelijke. Een in één keer door een vennootschap betaalde backservicepremie in het kader van een extralegaal pensioen, is ineens aftrekbaar (mond. vr. Dhr. Van Biesen, nr. 23240, Integraal Verslag, Kamercommissie Financiën, 6 februari 2018, CRIV 54 COM 812, p. 6). VOORBEELD
Een vennootschap (boekjaar per kalenderjaar) betaalde op 26 september 2025 de verzekeringspremie voor haar nieuwe personenwagen ten belope van 1 200,00 EUR voor de periode van 1 oktober 2025 tot 30 september 2026. Slechts 300,00 EUR (1 200 × 3/12) van deze verzekeringspremie is aftrekbaar in boekjaar 2025. De overige 900,00 EUR (1 200 × 9/12) moet worden overdragen naar het volgende boekjaar. Dat vereist de volgende boekingen: 26-09-2025 610
Verzekeringspremie personenwagen 1 200,00 @ 489 Diverse schuld
1 200,00
26-09-2025 489
Diverse schuld 1 200,00 @ 550 Bank R/C
1 200,00
31-12-2025 490
Over te dragen kosten 900,00 @ 610 Verzekeringspremie personenwagen
900,00
01-01-2026 610
Verzekeringspremie personenwagen 900,00 @ 490 Over te dragen kosten
900,00
Voor het aanslagjaar 2026 kan de vennootschap fiscaal slechts 300,00 EUR aftrekken als beroepskosten. Indien de vennootschap géén overlopende rekeningen gebruikt en 1 200,00 EUR in kosten nam, dan zal de administratie 900,00 EUR van de verzekeringspremie (1 200 × 9/12) beschouwen als een verdoken reserve, omdat de actiefrekening 490 ‘over te dragen kosten’ onderschat was. De 900,00 EUR komt dan onder de rubriek ‘vooruitbetaalde kosten’ van de onzichtbare reserves (code 1025). Vooruitbetalen op zich is niet verboden. Een vooruitbetaling van kosten (zoals bijvoorbeeld huur door een vennootschap aan haar bedrijfsleider) blijft nog steeds mogelijk als techniek om bijvoorbeeld geld uit de vennootschap te halen of om een debetstand van de rekening-courant aan te zuiveren. Alleen zijn de kosten niet meer in één keer aftrekbaar voor de vennootschap. VOORBEELD (BOEKJAAR PER KALENDERJAAR)
Op 3 januari 2025 sloot een vennootschap een negenjarig huurcontract af met haar bedrijfsleider voor een magazijn. De huurprijs bedraagt 2 000,00 EUR/maand. Op 3 januari 2025 betaalde
87
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
de vennootschap de volledige huur vooruit aan haar bedrijfsleider, zijnde 216 000,00 EUR (108 maanden). 1ste hypothese: de vennootschap gebruikt de overlopende rekeningen 04-01-2025 610
Handelshuur 216 000,00 @ 550 Bank: R/C
216 000,00
31-12-2025 490
Over te dragen kosten 192 000,00 @ 610 Handelshuur
192 000,00
De fiscaal aftrekbare beroepskosten voor aanslagjaar 2026 bedragen 24 000,00 EUR. In elk van de daaropvolgende boekjaren wordt de overlopende actiefrekening afgebouwd door telkens 24 000,00 EUR in kosten te boeken. Op deze manier spreidt de vennootschap haar totale huurkosten correct over de verschillende jaren waarop ze werkelijk betrekking hebben. 2de hypothese: de vennootschap gebruikt géén overlopende rekeningen 10-01-2025 610
Handelshuur 216 000,00 @ 550 Bank: R/C
216 000,00
Nadien verricht de vennootschap géén boekingen meer. Voor het aanslagjaar 2026 kan de vennootschap fiscaal slechts 24 000,00 EUR huur aftrekken als beroepskosten. Het deel van de huur dat in boekjaar 2025 te veel in kosten staat (216 000 × 8/9 = 192 000) wordt belast als een verdoken reserve, zijnde een onderschatting van activa. De actiefrekening 490 ‘over te dragen kosten’ is dan ondergewaardeerd met 192 000,00 EUR. Via de belastbare reserves wordt er een bedrag van 192 000,00 EUR opgenomen in het fiscaal resultaat, hetzij spontaan door de vennootschap via haar aangifte vennootschapsbelasting door vermelding van dat bedrag naast de code 1025, hetzij door de administratie bij een fiscale controle. In elk van de daaropvolgende aanslagjaren zal de verdoken reserve via de aangifte vennootschapsbelasting jaarlijks met 24 000,00 EUR afgebouwd worden. Op deze manier worden de kosten extracomptabel gespreid over de looptijd van 9 jaar. Er wordt dus niet gecorrigeerd via verworpen uitgaven. Match in beide richtingen. Zowel inzake kosten als inzake opbrengsten moeten de boekhoudregels en het gebruik van de overlopende rekeningen gerespecteerd worden binnen de vennootschapsbelasting. Er bestaat nu een symmetrische verwerking van de kosten en de opbrengsten bij koper/verkoper en bij huurder/verhuurder (op hetzelfde moment in resultaat – boekhoudkundig en fiscaal). Eerste verhoogde aanbetaling bij renting van personenwagens. Bij renting van een personenwagen wordt vaak contractueel overeengekomen om een eerste verhoogde aanbetaling (down payment) te doen naast de periodieke huurvergoedingen. In principe moet die eerste verhoogde aanbetaling gespreid worden over de overeengekomen gebruiksduur van de overeenkomst. Maar als de raad van bestuur met technische en economische redenen motiveert dat de verhoogde eerste betaling een werkelijke waardedaling van het goed reflecteert, dan mag zij de volledige eerste betaling toch in kosten nemen (CBN-advies 2015/4 van 24 juni 2015, randnr. 52).
88
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
1.2
Om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden
Om aftrekbaar te zijn, moeten de kosten gedaan zijn met het oog op het verkrijgen of het behouden van belastbare inkomsten van de vennootschap. Het is niet vereist dat er tegenover elke kost een aanwijsbaar inkomen staat. Maar de werkelijke intentie moet wel aanwezig zijn. De kosten om aandelen te kopen en te verkopen, zijn aftrekbare kosten ondanks dat meerwaarden op aandelen worden vrijgesteld in de vennootschapsbelasting. Intresten van leningen ter financiering van een kapitaalvermindering of een dividenduitkering worden vaak verworpen wanneer dergelijke intrestkosten niet tot doel hebben belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (Cassatie, 12 december 2019 en Cassatie, 19 maart 2020). De belastingadministratie heeft niet het recht om zich uit te spreken over de gepastheid of het nut van een uitgave die een vennootschap doet (= verboden opportuniteitsbeoordeling). De controlediensten mogen wel de echtheid, het beroepskarakter en de redelijkheid van kosten onderzoeken. Wil de belastingadministratie een stuk van de ingebrachte beroepskosten verwerpen als zijnde overdreven, dan moet zij bewijzen welk deel van de kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overschrijden (art. 53, 10° WIB 1992).
1.3
Bewijs van de echtheid en het bedrag van de kosten
Zoals alle andere belastingplichtigen draagt ook een vennootschap de bewijslast voor haar ingebrachte beroepskosten. Zij moet het bedrag, de echtheid én het beroepskarakter van haar kosten verantwoorden. Meestal wordt het bedrag van kosten bewezen aan de hand van schriftelijke bewijsstukken zoals facturen, contracten, btw-ontvangstbewijzen enz. Het individuele akkoord wordt frequent gebruikt als bewijsmiddel als men er niet in slaagt het bedrag van een beroepskost te bewijzen, maar wel de echtheid ervan. De wettekst voorziet dat de kosten waarvan het bedrag niet is verantwoord, in overleg met de belastingadministratie op een vast bedrag mogen worden bepaald. Als er geen akkoord wordt bereikt, moet de administratie die kosten op een redelijk bedrag ramen (art. 50, § 1 WIB 1992). Het individuele akkoord kan uitdrukkelijk worden afgesloten voor, tijdens of na een belastingcontrole. Het individuele akkoord komt stilzwijgend tot stand doordat de belastingadministratie stilzwijgend met bepaalde kosten akkoord gaat na een controle (zelfs zonder wijziging). Als de vennootschap het akkoord zelf niet wijzigt, blijft het geldig tot de belastingadministratie het uitdrukkelijk herroept. Als de administratie het akkoord opzegt, houdt het pas op te bestaan met ingang van het jaar volgend op het jaar van de schriftelijke opzegging. Een akkoord wordt geacht door de vennootschap te zijn opgezegd als: – zij spontaan een lager bedrag voor de betreffende kosten aangeeft; – zij met de controleur een ander bedrag overeenkomt in een nieuw akkoord; – zij in een bezwaarschrift het bedrag uit het akkoord betwist.
89
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
De collectieve akkoorden afgesloten voor advocaten, zelfstandige onthaalmoeders, exploitanten van automatische ontspanningstoestellen, gerechtsdeurwaarders (art. 342, § 1, 4de lid WIB 1992) zijn niet toepasbaar op belastingplichtigen die hun beroep uitoefenen in het kader van een professionele vennootschap. De toepassing van dergelijke collectieve akkoorden zou indruisen tegen de boekhoudwetgeving (Parl. Vr. nr. 196 De Clippele, 2 december 1999).
1.4
Discussiepunt: door bedrijfsleiders privé gebruikt vastgoed
De administratie verwerpt steevast alle kosten van een onroerend goed in de mate van het privégebruik: afschrijvingskosten, intrestlasten, onroerende voorheffing, verzekeringspremies, onderhoud en herstellingskosten e.d. De administratie maakt geen onderscheid tussen onroerend goed in vruchtgebruik of in volle eigendom en evenmin tussen een tweede verblijf of de hoofdverblijfplaats. Het feit dat de bedrijfsleider een voordeel van alle aard aangeeft voor het privégebruik van het onroerend goed, volstaat niet om de kosten te aanvaarden.
1.4.1
Bezoldigingstheorie
De meest gehanteerde verdediging tegen de verwerping van de kosten van privéwoningen in een vennootschap is de bezoldigings- of loonkostentheorie. Volgens die redenering kwalificeren de kosten die de vennootschap maakt om voordelen van alle aard te verstrekken, als bezoldigingskosten. En bezoldigingen van bedrijfsleiders worden uitdrukkelijk geacht een aftrekbare kost te zijn (art. 195 WIB 1992). Vennootschappen moeten wel aantonen dat de woning die aan de bedrijfsleider ter beschikking wordt gesteld, wordt toegekend als tegenprestatie voor de werkelijke prestaties die de bedrijfsleider heeft verricht in de schoot van zijn vennootschap (Cassatie 14 oktober 2016, 2 arresten). Dat maakt het onontbeerlijk om het verloningsbeleid van de vennootschap naar behoren te documenteren. De rechtspraak gaat in twee richtingen, soms in het voordeel van de belastingplichtige, maar vaak in het nadeel van de belastingplichtige. De bezoldigingstheorie kan geen excuus vormen om privékosten af te wentelen op de vennootschap.
1.4.2 Meerwaardetheorie bij vastgoed Indien het privaat gebruikt onroerend goed in volle eigendom in de vennootschap zit, werd de zgn. meerwaardetheorie gebruikt ter verdediging van de kostenaftrek. De meerwaardetheorie houdt in dat rekening wordt gehouden met een toekomstige meerwaarde op een onroerend goed waarvan de vennootschap de kosten in aftrek brengt. Die toekomstige meerwaarde kan beschouwd worden als een belastbaar inkomen bij de beoordeling of voldaan is aan de intentionele voorwaarde uit artikel 49 WIB 1992. Het is van belang dat er een perspectief op winst moet zijn. De rechtspraak is overwegend negatief voor de belastingplichtige (o.a. Cassatie, 21 oktober 2022).
1.4.3 Verhuurde woningen Bedrijfsleiders betalen soms een huurprijs aan hun vennootschap voor het privégebruik van de woning of het appartement van de vennootschap.
90
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Als de bedrijfsleider een marktconforme huur betaalt, dan komt men tegemoet aan de intentionele voorwaarde uit art. 49 WIB 1992. Bij een symbolische huur zal de fiscus de grote wanverhouding tussen de vergoeding en de door de vennootschap afgetrokken kosten uitspelen om de kosten te verwerpen.
1.4.4 Boeking van het voordeel op RC bedrijfsleider In bepaalde vennootschapsdossiers wordt het forfaitaire bedrag van het voordeel van alle aard woning ingeboekt op de rekening-courant van de bedrijfsleider in zijn vennootschap. Volgens de administratie gaat het dan om een loutere tenlasteneming van privékosten. Deze werkwijze ontkracht ook de bezoldigingstheorie. Als het forfaitaire voordeel volledig geneutraliseerd wordt door een boeking op RC, dan blijft er formeel geen bezoldiging over, en is de bezoldigingstheorie principieel niet toepasbaar. Ook hier stelt de rechtspraak zich kritisch op.
2
Overzicht van de voornaamste soorten beroepskosten
In de fiscale wetteksten vinden we in verschillende artikelen een aantal beroepskosten van vennootschappen terug, o.a.: KOSTEN
WETSARTIKEL
– – – – – – – – – –
huur en huurlasten intresten van leningen bezoldigingen van personeelsleden sociale lasten en werkgeversbijdragen pensioenen afschrijvingen loonbonussen commissies, erelonen en dergelijke bezoldigingen van bedrijfsleiders premies van bedrijfsleidersverzekeringen
art. 52, 1° WIB 1992 art. 52, 2° WIB 1992 art. 52, 3° WIB 1992 art. 52, 3° WIB 1992 art. 52, 5° WIB 1992 art. 52, 6° WIB 1992 art. 52, 9° WIB 1992 art. 57, WIB 1992 art. 195, § 1 WIB 1992 art. 195, § 2 WIB 1992
3
Huur en huurlasten
Worden uitdrukkelijk als beroepskosten aangemerkt (art. 52, 1° WIB 1992): – de huuruitgaven en de onroerende voorheffing van onroerende goederen die door de vennootschap voor haar activiteit worden gebruikt; – alle kosten eigen aan het gebruik van onroerende goederen zoals onderhoud, verlichting en verwarming. VOORBEELD
Als de vennootschap een gebouw huurt en de eigenaar de onroerende voorheffing aan haar doorrekent, is die uitgave een aftrekbare beroepskost voor de huurder.
91
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
3.1
Informatieplicht voor niet-gefactureerde (huur)vergoedingen
Sinds aanslagjaar 2024 is elke vennootschap die huurder is van een onroerend goed of houder is van een zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed, verplicht om bij haar aangifte vennootschapsbelasting een bijlage 270 MLH te voegen waarin zij informatie moet vermelden in verband met het onroerend goed en de identiteit van de verhuurder of de verlener van het zakelijk gebruiksrecht (art. 307, § 2/2 WIB 1992). Het formulier 270 MLH maakt integrerend deel uit van de aangifte vennootschapsbelasting.
3.1.1
Wanneer is de informatieplicht van toepassing?
De rapporteringsplicht geldt van zodra de vennootschap huurder is van een onroerend goed of houder is van een zakelijk recht op een onroerend goed (erfpacht, opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, onroerende leasing, loopbaanpacht, enz.), ongeacht of zij tijdens het betrokken boekjaar vergoedingen heeft betaald en/of in aftrek heeft gebracht. Die informatieplicht (toevoeging van bijlage 270 MLH) geldt ongeacht: – de aard van de overeenkomst, – de ligging van het onroerend goed (in België of in het buitenland), – de vergoedingen al dan niet belastbaar zijn in hoofde van de verkrijger.
3.1.2
Twee uitzonderingen op de rapporteringplicht
Uitzondering 1: gefactureerde (huur)vergoedingen vanuit EER De informatieverplichting geldt niet voor de huur en de vergoedingen voor een ander zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed (opstal, erfpacht, vruchtgebruik, e.d.) toegekend aan: – een belastingplichtige gevestigd in de EER (EU + Noorwegen, IJsland of Liechtenstein), – waarvoor overeenkomstig de btw-wetgeving (W.BTW of Richtlijn 2006/112/EG van 28.11.2006 of elke andere wettelijke of reglementaire bepaling toepasbaar op de belastingplichtige) een factuur of een document in de plaats ervan werd opgesteld (art. 307, § 2/2, lid 4 WIB 1992). Er is dus géén rapporteringsverplichting als de verhuurder een vennootschap is of een vrijgestelde kleine onderneming (vrijstelling van btw van art. 56 W.BTW) in de EER. VOORBEELDEN
– Een managementvennootschap betaalt huur aan haar bedrijfsleider voor het gebruik van een gedeelte van de privéwoning van de bedrijfsleider (kantoorruimte, garage): informatieplicht. – Een vennootschap huurt een magazijn van een particulier: informatieplicht. – Een vennootschap huurt een garage als opslagruimte met factuur (vrijstelling kleine ondernemingsregeling): geen informatieplicht wegens factuur. – Een vennootschap betaalt een vergoeding voor het recht van opstal op een grond aan een natuurlijk persoon: informatieplicht. – Een vennootschap koopt het vruchtgebruik op een nieuw kantoorgebouw met btw aan van een bouwpromotor met factuur: géén informatieplicht wegens ontvangen factuur.
92
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Uitzondering 2: huur conform de pachtwetgeving voor land- en tuinbouw De informatieverplichting geldt ook niet voor de huurvergoedingen met betrekking tot onroerende goederen die conform de pachtwetgeving (of een vergelijkbaar buitenlands recht dat de pachtprijzen beperkt) zijn verhuurd en gebruikt worden voor land- of tuinbouw.
3.1.3
Bijlage 270 MLH
De bijlage nr. 270 MLH moet worden ingevuld per onroerend goed. Hebben de te vermelden (huur)vergoedingen betrekking op meerdere onroerende goederen en/of meerdere (huur)overeenkomsten, dan dient de aangifte dus meerdere bijlagen te bevatten. Op het formulier vermeldt de vennootschap haar eigen identificatiegegevens, de identificatiegegevens van de huurder/verstrekker van het zakelijk recht en de gegevens m.b.t. het onroerend goed.. Gegevens m.b.t. het onroerend goed Gegevens met betrekking tot het onroerend goed: Adres van het onroerend goed: Straat: .............................................................................................................. Gemeente:.......................................................................................................
Nummer: ................... Postcode: ..................
Bus: ................................ Land: ..............................
A. VERHUUR VAN EEN GEBOUWD ONROEREND GOED Bedrag van de huurvergoedingen3 voor het hiervoor vermeld onroerend goed die in het betrokken belastbaar tijdperk - zijn betaald of toegekend: - als (werkelijke) beroepskosten zijn ingebracht:4
Bedrag
B. VERHUUR VAN EEN ONGEBOUWD ONROEREND GOED Bedrag van de huurvergoedingen3 voor het hiervoor vermeld onroerend goed die in het betrokken belastbaar tijdperk - zijn betaald of toegekend: - als (werkelijke) beroepskosten zijn ingebracht:4 C. VERGOEDINGEN VOOR EEN ZAKELIJK GEBRUIKSRECHT (ERFPACHT, OPSTAL, VRUCHTGEBRUIK, ERFDIENSTBAARHEID, ENZ.) OP EEN ONROEREND GOED Bedrag van de vergoedingen voor een zakelijk gebruiksrecht (erfpacht, opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, enz.) 5 voor het hiervoor vermeld onroerend goed die in het betrokken belastbaar tijdperk - zijn betaald of toegekend:
Bedrag
4
- als (werkelijke) beroepskosten zijn ingebracht:
………………..,….. euro ………………..,….. euro
………………..,….. euro ………………..,….. euro Bedrag
………………..,….. euro ………………..,….. euro
Bij de rubrieken A en B moet telkens eerst melding worden gemaakt van het bedrag dat tijdens het boekjaar is betaald of toegekend als huurvergoedingen (de huurprijs en/of huurvoordelen). Vervolgens moet worden aangeduid welk deel van dat bedrag als beroepskost in aftrek is gebracht. Huurvoordelen zijn de lasten die normaliter ten laste van de verhuurder vallen, maar die contractueel aan de huurder verplicht opgelegd worden om deze voor zijn rekening te nemen. Denk bijvoorbeeld aan de onroerende voorheffing die ingeval van een handelshuur door de verhuurder ten laste van de huurder gelegd wordt of grove verbouwingen in ruil voor een verminderde huurprijs. Bij rubriek C moeten de vergoedingen worden vermeld die tijdens het boekjaar zijn betaald of toegekend voor het zakelijk gebruiksrecht en alle andere voordelen die uit hoofde van dat gebruiksrecht
93
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
zijn toegekend aan de verlener ervan. Vervolgens moet ook hier worden aangeduid welk deel daarvan als beroepskost in aftrek is gebracht. Afschrijvingen op zakelijke rechten (bv. vruchtgebruik) zijn geen vergoedingen en moeten niet worden gerapporteerd in rubriek C (bericht BS 14 maart 2024). Koopt de vennootschap het vruchtgebruik op een onroerend goed aan van een derde, dan moet zij als vruchtgebruiker twee keer 0,00 EUR invullen in de opgave 270 MLH (zowel voor de betaalde vergoeding als voor de beroepskosten) (Parl. Vraag nr. 1996 en nr. 1998 van Wouter Vermeersch, 29-03-2024).
3.2
Niet-aftrekbaarheid van huur / vergoeding zakelijke gebruiksrechten
De huurvergoedingen alsmede de vergoedingen voor een zakelijk gebruiksrecht op onroerend goed (opstal, erfpacht, vruchtgebruik en andere) zijn niet aftrekbaar als beroepskost in volgende twee gevallen (art. 53, 33°, WIB 1992): 1 zonder bijlage 275 MLH aan de aangifte (eerste uitsluitingsgrond) of 2 bij kosteloze registratie als privéhuur (tweede uitsluitingsgrond). Op het aangifteformulier vennootschapsbelasting werd hiervoor de code 1248 voorzien in het vak van de verworpen uitgaven: huur en toegekende vergoedingen en voordelen die voortkomen van een zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed. Eerste uitsluitingsgrond: geen aftrek huur/vergoeding bij gebrek aan bijlage De aftrek van de niet-gefactureerde huur/vergoedingen als beroepskost is uitgesloten wanneer de bijlage 270 MLH bij de aangifte ontbreekt, ongeacht de hoedanigheid van de verhuurder. Tweede uitsluitingsgrond: geen aftrek huur bij kosteloze registratie als privéhuur De aftrek van de huur als beroepskost is ook uitgesloten wanneer de huurovereenkomst kosteloos is geregistreerd, omdat het onroerend goed uitsluitend bestemd is tot huisvesting van een gezin of van één persoon (zoals bedoeld in art. 161, 12°, a) of b) W.Reg.). Uitzondering 1: ingeval van kosteloze registratie als privéhuur is de huur toch aftrekbaar als de vennootschap het onroerend goed huurt met als uitsluitend doel de huisvesting te verlenen van een werknemer (bv. een kaderlid) of bedrijfsleider en, desgevallend, hun gezin ingevolge een wettelijke of contractuele verplichting. Uitzondering 2: ingeval van kosteloos geregistreerde huurovereenkomsten is de huur toch aftrekbaar als beroepskost als de huur betrekking heeft op een onroerend goed dat een sociale woonmaatschappij inhuurt om het ter beschikking te stellen aan natuurlijke personen als woning.
3.3
Voorbeelden op informatieplicht
VOORBEELD 1
Een managementvennootschap (boekjaar per kalenderjaar) huurt 25 % van de woning van zijn bestuurder Bram en diens echtgenote Bea. Bestuurder Bram is 75 % eigenaar van de woning en Bea is 25 % eigenaar van de woning. Het KI (niet-geïndexeerd) van de woning is 1 200,00 EUR. Conform de huurovereenkomst betaalt de vennootschap maandelijks 500,00 EUR aan Bram en Bea op hun
94
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
gezamenlijke bankrekening, telkens vóór de 5de van iedere maand. In 2025 betaalde de managementvennootschap dus 6 000,00 EUR aan huur, die zij als beroepskosten wil aftrekken. De huurovereenkomst is niet geregistreerd. De vennootschap heeft géén factuur ontvangen van de verhuurders. Rapporteringsplicht? JA, want de vennootschap is huurder van een onroerend goed in 2025 Formulier 270 MLH in Biztax (aj. 2026): vermits het goed wordt verhuurd door twee mede-verhuurders, zijn er twee lijnen in te vullen (één lijn per medeverhuurder), ook al zijn de medeverhuurders gehuwde partners. A. VERHUUR VAN EEN GEBOUWD ONROEREND GOED ofwel Betaald of toegekend bedrag
Bedrag afgetrokken als beroepskosten
Opmerkingen
Bram
6 000,00
6 000,00
2 verhuurders
Bea
6 000,00
6 000,00
2 verhuurders
Betaald of toegekend bedrag
Bedrag afgetrokken als beroepskosten
Opmerkingen
Bram
6 000,00
6 000,00
2 verhuurders
Bea
0,00
0,00
2 verhuurders
ofwel
Opmerking: ofwel de totale bedragen per medeverhuurder vermelden, ofwel de totale bedragen alleen bij 1 medeverhuurder en bij de andere medeverhuurder nullen. Er wordt géén opsplitsing van de betaalde huurgelden volgens het vermogensrecht gemaakt. Men dient geen rekening te houden met eventuele huurherkwalificatie in hoofde van Bram. Die 6 000,00 EUR huur is aftrekbaar aangezien de rapportering is gebeurd (en aan art. 49 WIB 92 is voldaan).
VOORBEELD 2
Op 01-07-2025 kocht een bv samen met haar bestuurder een kantoorgebouw van de eigenaar. De bv betaalde het vruchtgebruik op 20 jaar voor 300 000,00 EUR en de bestuurder betaalde de blote eigendom voor 195 000,00 EUR. In 2025 boekte de vennootschap een eerste (pro rata temporis) afschrijving op het vruchtgebruik van 300 000,00/20 × 184/365 = 7 561,64 EUR. – Moet het vruchtgebruik worden gemeld? JA. De vennootschap is houder van een zakelijk recht. – Wie moet worden gemeld? de bedrijfseider (de blote eigenaar) – Welk bedrag moet gemeld worden? twee keer 0,00 EUR (Parl. Vraag nr. 1996 van Wouter Vermeersch, 29-03-2025)
95
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
C. VERGOEDINGEN VOOR EEN ZAKELIJK GEBRUIKSRECHT (ERFPACHT, OPSTAL, VRUCHTGEBRUIK, ERFDIENSTBAARHEID, ENZ.) OP EEN ONROEREND GOED Bedrag van de vergoedingen voor een zakelijk gebruiksrecht (erfpacht, opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, enz.) 5 voor het hiervoor vermeld onroerend goed die in het betrokken belastbaar tijdperk - zijn betaald of toegekend: 4
- als (werkelijke) beroepskosten zijn ingebracht:
Bedrag
0,00 euro ………………..,….. ………………..,….. 0,00 euro
VOORBEELD 3
Een bedrijfsleider (natuurlijk persoon) en zijn echtgenote zijn volle eigenaar van een kantoorgebouw. Hun vennootschap (boekhouding per kalenderjaar) kocht op 1 september 2025 het vruchtgebruik van dat kantoorgebouw aan voor 300 000,00 EUR van haar bedrijfsleider en zijn echtgenote. Afschrijving op het vruchtgebruik in 2025: 300 000 × 1/20 × 122/365. – Moet de vennootschap het vruchtgebruik melden? JA, als houder van een zakelijk recht. – Wie moet worden gemeld? De blote eigenaars (= haar bedrijfsleider en de echtgenote) – Welk bedrag moet gemeld worden in de twee regels van rubriek C? C. VERGOEDINGEN VOOR EEN ZAKELIJK GEBRUIKSRECHT (ERFPACHT, OPSTAL, VRUCHTGEBRUIK, ERFDIENSTBAARHEID, ENZ.) OP EEN ONROEREND GOED Bedrag van de vergoedingen voor een zakelijk gebruiksrecht (erfpacht, opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, enz.) 5 voor het hiervoor vermeld onroerend goed die in het betrokken belastbaar tijdperk - zijn betaald of toegekend: - als (werkelijke) beroepskosten zijn ingebracht:4
Bedrag
300 000,00 euro ………………..,….. ………………..,….. 0,00 euro
(Parl. Vraag nr. 116 van Wouter Vermeersch, 05-12-2024) De vennootschap hoeft het bedrag van de afschrijvingen op het vruchtgebruik niet op te nemen in rubriek C, want afschrijvingen zijn geen vergoedingen (Parl. Vraag nr. 1998 van Wouter Vermeersch, 29-03-2024).
3.4
Betaalde huurwaarborg
Bij het aangaan van een huurcontract voor een gebouw stort de huurder een waarborgsom. De vennootschap-huurder moet het bedrag van de waarborg als een actiefbestanddeel boeken onder de rubriek van de financiële vaste activa (rekening 288). In principe vormt de betaalde huurwaarborg geen aftrekbare beroepskost voor de huurder, behalve als de waarborg werkelijk verloren is. VOORBEELD
De verhuurder verwerft het ontvangen bedrag van de huurwaarborg definitief als: – vergoeding voor de aangerichte schade die de huurder heeft veroorzaakt aan het gebouw; – recuperatie voor de niet-betaalde overeengekomen huurgelden. In deze gevallen neemt de huurder het verloren deel van de waarborg terecht in kosten.
96
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Als de hurende vennootschap de betaalde waarborg ten onrechte als kosten heeft geboekt, wordt het bedrag ervan toegevoegd aan haar fiscale winst via de belastbare reserves (zie het hoofdstuk over de belastbare reserves).
3.5
Betaling van huurgelden aan bedrijfsleiders
Als een vennootschap een huurovereenkomst heeft gemaakt met haar bedrijfsleider voor de huur van een gebouw, wordt het overdreven deel van de betaalde huur in hoofde van de bedrijfsleider belast als een bezoldiging. De maximale grens daarvoor is vastgesteld op 5/3 van het gerevaloriseerde kadastraal inkomen. Zelfs als een gedeelte van de huur als bedrijfsleidersbezoldiging wordt gekwalificeerd, blijven de door de vennootschap betaalde huurgelden integraal aftrekbaar.
4
Intresten van leningen
Intresten die een vennootschap verschuldigd is op de door haar aangegane leningen, zijn in principe aftrekbare beroepskosten (art. 52, 2° WIB 1992). Alleen als de vennootschap overdreven intresten betaalt aan andere schuldeisers dan financiële instellingen, wordt de aftrekbaarheid van de intresten wettelijk beperkt.
4.1
Beperking tot de marktrente
De door de vennootschap betaalde of toegekende intresten van kredietverrichtingen bij niet-financiële instellingen, worden slechts als beroepskosten aanvaard in de mate dat ze niet hoger zijn dan de normale marktrente (art. 55 WIB 1992). De maximaal toegelaten rentelast moet voor elke vennootschap afzonderlijk en per kredietverrichting worden bepaald, rekening houdend met factoren die de hoogte van de rente kunnen beïnvloeden, zoals: – de aard van het krediet (lening, handelsschuld, deposito); – bedrag en looptijd van de lening; – risico voor de kredietverstrekker (verstrekte waarborgen); – de munt waarin een buitenlandse lening of schuld is uitgedrukt. De maximale marktrentevoet moet bepaald worden op de dag waarop de lening inkomsten begint op te brengen voor de uitlener. Bij leningen met een variabele of geïndexeerde rente geldt de rente die van toepassing is op iedere vervaldag. Het bewijs dat de intrest niet groter is dan de marktrente, moet geleverd worden door de vennootschap. Zij kan bijvoorbeeld offertes voorleggen van verschillende financiële instellingen voor een gelijkaardig krediet. VOORBEELD
Een winstgevende Belgische nv betaalt 10 % rente op een kortlopende lening van 200 000,00 EUR aangegaan bij een verlieslatende Belgische bv. Beide vennootschappen zijn in handen van dezelfde personen. Als de marktrente voor gelijkaardige leningen 4 % bedraagt, kan de nv van de betaalde intrest (200 000,00 × 10 % = 20 000,00) slechts 8 000,00 EUR als beroepskosten aftrekken.
97
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Creditintresten RC De wetgever beperkt zelf de maximale intrestvergoedingen op creditstanden van de rekening-courant (niet-hypothecaire leningen zonder welbepaalde looptijd). Hiervoor is het criterium ‘marktrente’ als maximale intrestvergoeding vervangen door een concrete referentierentevoet. Het gaat om de rentevoet voor kredieten tot 1 000 000 EUR aan niet-financiële ondernemingen met variabel tarief en met een duurtijd tot één jaar (de zgn. ‘MFI’-rente) voor contracten gesloten in november van het voorgaande jaar, forfaitair verhoogd met 2,5 %. De NBB publiceert deze MFIrentevoet in december op haar website (https://www.nbb.be/doc/dq/mir/nl/data/mir_statmir.htm). Voor kalenderjaar 2025 bedroeg de maximale creditrente 7,08 % (4,58 + 2,5). Voor kalenderjaar 2026 bedraagt de maximale creditrente 6,00 % (3,5 + 2,5).
4.2
Onbeperkt aftrekbare intresten
Intresten die een vennootschap betaalt aan financiële instellingen zoals banken, kredietinstellingen, investeringsmaatschappijen, hypotheekondernemingen, verzekeringsinstellingen enz. zijn altijd aftrekbaar als beroepskosten zonder enig plafond (art. 56, § 2, 2° a WIB 1992). De wet legt ook geen aftrekbeperking op ten aanzien van de intresten die een vennootschap betaalt op haar openbaar uitgegeven obligaties en andere soortgelijke effecten van uitgegeven leningen (art. 56, § 2, 1° WIB 1992). VOORBEELD
Een nv leent 20 000,00 EUR tegen een intrestvoet van 4 % bij KBC Bank om haar vennootschapsbelasting te betalen. De volledige rentelast van die lening is een aftrekbare beroepskost. Ook de intresten, betaald of toegekend aan buitenlandse kredietinstellingen in de EER, zijn volledig aftrekbaar.
4.3
Intresten betaald aan buitenlanders in belastingparadijzen
De Belgische fiscale wetgeving bevat een aantal bepalingen die willen verhinderen dat Belgische ondernemingen hun winst naar buitenlandse belastingparadijzen overhevelen. Krachtens artikel 54 WIB 1992 worden intresten, retributies en bezoldigingen voor prestaties of diensten niet als beroepskosten aangemerkt als zij rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald of toegekend aan buitenlandse natuurlijke personen of rechtspersonen waarmee zij zich in een band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die in hun land van vestiging: – ofwel niet aan de inkomstenbelasting onderworpen zijn; – ofwel voor die inkomsten een aanzienlijk gunstigere belastingregeling genieten dan in België. De vennootschap heeft twee mogelijkheden om een tegenbewijs te leveren: – aantonen dat de betaling werd gedaan aan een onderneming die is onderworpen aan een effectieve inkomstenbelasting van minstens de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als die buitenlandse entiteit in België was gevestigd; – aantonen dat de betaling deel uitmaakt van een authentieke verrichting die tot stand is gekomen om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
98
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Bij de beoordeling of de buitenlandse belastingregeling ‘aanzienlijk gunstiger’ is dan de Belgische, gebruikt de administratie een lijst van landen die voor toepassing van het DBI-stelsel als ‘belastingparadijzen’ beschouwd worden.
4.4
EBITDA-intrestaftrekbeperking
Intresten van leningen zijn onderworpen aan de EBITDA-intrestaftrekbeperking (art. 198/1, § 2, lid 2 WIB 1992). Netto-intrestlasten zijn niet aftrekbaar in de mate dat ze het hoogste van twee grensbedragen overschrijden: de de-minimisdrempel van 3 miljoen EUR of 30 % van de belastbare EBITDA (EBITDA = earnings before interest, taxes, depreciation and amortization).
4.5
Intresten betaald aan bedrijfsleiders
Wanneer bedrijfsleiders (bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of iemand met soortgelijke functies), hun echtgenoot of hun minderjarige kinderen een geldlening toestaan aan hun vennootschap, worden de door de vennootschap betaalde intresten voor die geldlening in bepaalde mate als uitgekeerde dividenden belast (art. 18, 4° WIB 1992 – zie het hoofdstuk over uitgekeerde dividenden).
4.6
In te houden roerende voorheffing
Wanneer de vennootschap intresten toekent aan natuurlijke personen, dan moet zij 30 % roerende voorheffing inhouden en doorstorten aan de Staat binnen de 15 dagen na toekenning.
5
Bezoldigingen van werknemers
Volgende personeelskosten zijn voor de vennootschap aftrekbare beroepskosten: – de eigenlijke bezoldigingen betaald aan personeelsleden zoals wedden, lonen, commissies, bonussen en alle andere bezoldigingen ongeacht hun benaming; – de sociale bijdragen in verband met de bezoldigingen; – de werkgeverstussenkomsten in de woon-werkverplaatsingskosten van personeel; – de kosten die worden gemaakt om voordelen van alle aard te verlenen; – de werkgeversbijdragen voor de vorming van extralegale pensioenen; – de sommen die worden uitbetaald als vergoeding voor kosten die eigen zijn aan de werkgever; – de geboekte voorziening voor het vakantiegeld voor de uitbetaling in het volgende boekjaar.
5.1
Formele verantwoordingsvoorwaarde
De vennootschap moet al haar werknemersbezoldigingen verantwoorden aan de hand van individuele fiches 281.10 (art. 57, 2° WIB 1992). Ook de waarde van de verstrekte voordelen van alle aard en de zuiver forfaitaire terugbetalingen van kosten eigen aan de werkgever moeten daarop vermeld worden. De fiches hebben altijd betrekking op een kalenderjaar. Als het boekjaar van de vennootschap niet samenvalt met het kalenderjaar, moet zij een uitsplitsing maken over de twee jaren. Wanneer de vennootschap bezoldigingen niet vermeldt op fiscale fiches, dan kan de belastingadministratie ze onderwerpen aan de afzonderlijke aanslag (art. 219 WIB 1992).
99
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
In een internationale context kennen buitenlandse moeder- of zustervennootschappen voordelen van alle aard (zoals bv. aandelenopties, gratis aandelen, een bonus, RSU’s, …) rechtstreeks toe aan werknemers van een Belgische dochter- of zustervennootschap. Een Belgische vennootschap wiens werknemer naar aanleiding van het uitoefenen van zijn beroepsactiviteit voordelen ontvangt vanwege een verbonden buitenlandse vennootschap wordt geacht die voordelen zelf te hebben toegekend. Bijgevolg moet de Belgische vennootschap bedrijfsvoorheffing inhouden, en ook de daarmee samenhangende fiches opstellen.
5.2
Voordeel bedrijfsfiets voor woon-werkverplaatsingen
Vennootschappen die een bedrijfsfiets ter beschikking stellen van een werknemer, moeten het voordeel van zo’n bedrijfsfiets vermelden op de jaarlijkse inkomstenfiche van de werknemer, wat inhoudt dat het voordeel moet worden begroot (circulaire 2024/C/22 van 28 maart 2024). De werknemer kan dat voordeel vrijstellen als hij/zij de bedrijfsfiets gebruikt voor effectieve woon-werkverplaatsingen én in de aangifte personenbelasting opteert voor de forfaitaire beroepskosten. Leasefiets: VAA = huur betaald door de vennootschap voor het volledige jaar Wanneer de vennootschap een fiets in leasing neemt, dan mag het voordeel worden vastgesteld op basis van de door de vennootschap betaalde huur voor het volledige jaar wanneer de fiets permanent ter beschikking staat van de werknemer gedurende het volledige jaar. Staat de leasingfiets slechts van tijd tot tijd ter beschikking van de werknemer, dan wordt de betaalde huur pro rata verminderd in functie van het aantal dagen van daadwerkelijk gebruik door de werknemer. Aankoop fiets: VAA = (aankoopprijs fiets + toebehoren) / 5 jaar + kosten herstelling en onderhoud Wanneer de vennootschap de fiets zelf aankoopt en ook de herstellings- en onderhoudskosten ten laste neemt, kan het voordeel worden vastgesteld op basis van de aankoopprijs van de fiets en de toebehoren gespreid over 5 jaar (= de economische levensduur van de fiets) plus de kosten van de herstellings- en onderhoudsovereenkomst. Wanneer de werkgever de totaliteit van de herstellings-, onderhouds- en verzekeringskosten ten laste neemt, aanvaardt de administratie dat het voordeel overeenstemt met de huur die de werkgever had moeten dragen indien hij een leaseovereenkomst had gesloten die een vergelijkbare dienst aanbood.
5.3
Voorziening voor vakantiegeld
Werknemers ontvangen hun vakantiegeld in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin zij gewerkt hebben. Op balansdatum heeft de werkgever dus een schuld uit hoofde van het vakantiegeld dat voortvloeit uit de geleverde arbeidsprestaties van zijn personeel tijdens het voorbije boekjaar maar dat uitbetaald moet worden in het volgende boekjaar. Een vennootschap mag het nog te betalen verlofgeld onder haar aftrekbare beroepskosten boeken in de mate dat het bedrag overeenkomt met het minimumvakantiegeld dat volgend jaar betaald moet worden.
100
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Op het einde van het boekjaar voert de vennootschap de volgende boeking uit: 6291 6292
Voorziening vakantiegeld arbeiders debet XXX Voorziening vakantiegeld bedienden debet XXX @ 4561 Vakantiegeld arbeiders @ 4562 Vakantiegeld bedienden
credit XXX credit XXX
Begrenzingen Voor de aftrekbaarheid als beroepskosten mag het bedrag van de geboekte schuld niet hoger zijn dan een bepaald percentage van de tijdens het boekjaar toegekende bezoldigingen. Voor balansen die afsluiten op 31-12-2025 is de voorziening voor vakantiegeld aftrekbaar als beroepskosten in de mate dat ze niet meer bedraagt dan: – 18,2 % op de vaste en veranderlijke bezoldigingen toegekend aan bedienden; – 10,27 % × 108/100 van de lonen toegekend in 2025 aan arbeiders en leerlingen. Alleen voor de bedienden moet men bepaalde elementen uit de berekeningsbasis van die voorziening halen, in het bijzonder: het vakantiegeld zelf, de eindejaarspremies, de dertiende maand en de bezoldigingen van bedienden die de onderneming verlaten hebben tijdens het referentiejaar. Dat is logisch, aangezien een bediende die het bedrijf verlaat, op dat ogenblik zijn vakantiegeld al vervroegd ontvangt. Zo is de werkgever in het daaropvolgende jaar geen vakantiegeld meer verschuldigd. Arbeiders die de vennootschap tijdens het jaar verlaten, ontvangen hun vakantiegeld van de vakantiekas pas in het daaropvolgende jaar. Voor hen moet de werkgever nog wel vakantiebijdragen betalen aan de RSZ in de loop van het komende jaar, zodat de voorziening gerechtvaardigd is.
5.4
Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
Wegens de loonkosthandicap van België ten opzichte van andere landen, voorziet de wetgever voor specifieke sectoren en/of specifieke werknemers en/of specifieke uurroosters in een vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing die werd ingehouden op de lonen van bepaalde werknemers. Bij IPA-korting gaat het om een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing die gelijk is aan 0,12 % van de totale loonmassa van kleine vennootschappen in de profitsector. Startende kleine vennootschappen (= die sinds ten hoogste 48 maanden zijn ingeschreven bij de KBO) worden ervan vrijgesteld om 10 % van de ingehouden BV op de bezoldigingen van werknemers in de Schatkist te storten. Die vrijstelling bedraagt 20 % voor microvennootschappen. Bij wetenschappelijk onderzoek gaat het om een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing gelijk aan 80 % van de bedrijfsvoorheffing. De vrijstelling doorstorting van bedrijfsvoorheffing bedraagt 40 % op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend aan houders van bepaalde bachelordiploma’s. Werkgevers uit de koopvaardij-, de bagger- of de sleepsector genieten van 100 % vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op de belastbare bezoldigingen van hun communautaire zeelieden die zij tewerkstellen aan boord van schepen geregistreerd in een EER-lidstaat waarvoor een zeebrief wordt voorgelegd.
101
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Bij ploegen- en nachtarbeid is de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing gelijk aan 22,8 % van het belastbare loon. Voor volcontinu arbeid bedraagt de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing 25 % van het belastbare loon. Voor overuren is de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de werkgever gelijk aan 41,25 % van het sociaal brutoloon (32,19 % in PC 124). In steunzones genieten werkgevers een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, gelijk aan 25 % van de bedrijfsvoorheffing die werd ingehouden op de uitbetaalde lonen van de nieuw aangeworven werknemers en dat gedurende twee jaar. Sportclubs genieten van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, gelijk aan 80 % van de bedrijfsvoorheffing die werd ingehouden op de lonen. In de bouwsector geldt een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor wie in ploegen werk in onroerende staat verricht. Die vrijstelling is gelijk aan 18 % van de totale bezoldigingen van de betrokken werknemers. Werkgevers genieten een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing als zij hun personeel bijkomende opleidingen laten volgen bovenop hetgeen reglementair is voorgeschreven (art. 275/12 WIB 1992). De niet door te storten bedrijfsvoorheffing bedraagt 11,75 % van de totale bruto belastbare bezoldigingen van de werknemers die daarvoor in aanmerking komen. Ter ondersteuning van de gelegenheidsarbeiders in de fruit- en groenteteelt bedraagt de niet te storten bedrijfsvoorheffing 1,23 EUR/uur (te indexeren) vermenigvuldigd met het totaal aantal uren die zijn gepresteerd als gelegenheidsarbeider in de fruit- of groenteteelt.
6
Bezoldigingen van bedrijfsleiders
6.1
Aftrekbaarheid van de bezoldigingen
Bezoldigingen die de vennootschap betaalt aan haar bedrijfsleiders zijn altijd als beroepskosten aftrekbaar, met inbegrip van de ermee verband houdende sociale lasten (art. 195, § 1 WIB 1992). In de praktijk zijn de meeste bedrijfsleiders onderworpen aan het sociale statuut van de zelfstandigen, waardoor zij zelf moeten instaan voor de betaling van hun sociale bijdragen. De vennootschap kan echter hun persoonlijke sociale lasten dragen. In dat geval krijgen de door de vennootschap betaalde sociale bijdragen het karakter van een bijkomende bezoldiging voor de genieter en zijn ze aftrekbare beroepskosten voor de vennootschap. Tantièmes die bij de winstverdeling door de algemene vergadering worden toegekend aan bestuurders, zijn voor de toekennende vennootschap aftrekbare uitgaven voor het boekjaar waarop de resultaatverwerking betrekking heeft. In hoofde van genieters-natuurlijke personen worden die tantièmes pas belast in de personenbelasting voor het kalenderjaar waarin de toekenning of de betaalbaarstelling plaatsvond. Op zo’n toegekende tantième moet de vennootschap bedrijfsvoorheffing inhouden.
102
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
In hoofde van genieters-vennootschappen zijn tantièmes belastbaar in de vennootschapsbelasting op het moment van de beslissing door de algemene vergadering der aandeelhouders van de toekennende vennootschap. In dat geval moet er geen bedrijfsvoorheffing worden ingehouden.
6.2
Formele verantwoordingsvoorwaarde
De vennootschap moet de bezoldigingen van haar bedrijfsleiders vermelden op de fiscale fiches 281.20 ten name van de genieter, op straffe van de bijzondere aanslag (art. 219 WIB 1992). Vennootschappen die een bedrijfsfiets ter beschikking stellen van een bedrijfsleider voor woon-werkverplaatsingen moeten het voordeel van de bedrijfsfiets vermelden op de jaarlijkse inkomstenfiche van de bedrijfsleider (circulaire 2024/C/22 van 28 maart 2024). De bedrijfsleider kan dit voordeel vrijstellen van personenbelasting als hij/zij de bedrijfsfiets gebruikt voor effectieve woon-werkverplaatsingen én in de aangifte personenbelasting opteert voor de forfaitaire beroepskosten. Huurherkwalificatie Wanneer een bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of persoon met gelijksoortige functies een in België of in het buitenland gelegen gebouw verhuurt aan zijn vennootschap (waarin hij/zij het mandaat uitoefent), worden de huur en de huurvoordelen gekwalificeerd als bedrijfsleidersbezoldiging in de mate dat zij meer bedragen dan 5/3de van het gerevaloriseerde KI van het gebouw. Vermits de vennootschap de geherkwalificeerde huur als bezoldiging vermeldt op de fiches 281.20 moet zij de juiste berekening maken. De bedrijfsleider moet eigenaar, bezitter, vruchtgebruiker, erfpachter of opstalhouder zijn van het gebouw. Als slechts een van de echtgenoten bedrijfsleider is en het onroerend goed behoort tot het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten, dan geldt de herkwalificatie alsof ieder van hen voor 50 % eigenaar is. De herkwalificatie geldt niet voor de verhuring van een gebouw waarvan de eigendom volledig toebehoort aan een echtgenoot die geen bedrijfsleider eerste categorie in de vennootschap-huurder is. ontvangen huurprijs + huurvoordelen MIN KI (niet-geïndexeerd) × 5/3 × 5,63 = geherkwalificeerde bezoldiging voor kalenderjaar 2025 (5,75 voor kalenderjaar 2026)
Bijzondere gevallen – Als de bedrijfsleider verscheidene gebouwen aan dezelfde vennootschap verhuurt, gebeurt de berekening van de huurherkwalificatie voor elk gebouw afzonderlijk; – Bij onroerende goederen in onverdeeldheid wordt enkel het aandeel van de bedrijfsleider eerste categorie in de onverdeeldheid in aanmerking genomen (voor KI én de huur); – Als het gebouw slechts gedurende een gedeelte van het jaar is verhuurd, past men de herkwalificatie slechts toe voor die periode (te berekenen op dagbasis); – Als het mandaat/de functie begint of eindigt tijdens het jaar, geldt de herkwalificatie enkel voor de periode van uitoefening van het mandaat/de functie als bedrijfsleider eerste categorie; – De voor meerdere jaren vooruitbetaalde huur mag verdeeld worden over de gehele huurperiode mits er een schriftelijk en onherroepelijk akkoord is van de belastingplichtige.
103
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen VOORBEELD
Jan en Mia zijn gehuwd sinds 1999. Ze bezitten een gebouw aangekocht (Jan is voor 20 % eigenaar en Mia voor 80 %) en ze verhuren dat gebouw aan de vennootschap waarin Mia bestuurder is. KI (niet-geïndexeerd) = 1 200,00 EUR en de in 2025 betaalde huur = 18 000,00 EUR/jaar. Als zij gehuwd zijn onder het wettelijk stelsel: In het wettelijk huwelijksstelsel behoort het onroerend inkomen tot de gemeenschap en moeten Jan en Mia principieel ieder de helft van het KI (1 200,00 × 50 % = 600,00 EUR) en de helft van de brutohuur (18 000,00 × 50 % = 9 000,00 EUR) aangeven als onroerend inkomen. Vervolgens wordt bij Mia de huur geherkwalificeerd op basis van haar onroerende inkomsten (KI van 600,00 EUR en brutohuur van 9 000,00 EUR). Huurherkwalificatie = [9 000,00 – (600,00 × 5/3 × 5,63)] = 3 370,00 EUR. Als zij gehuwd zijn met scheiding van goederen: In het stelsel van scheiding van goederen behoort het onroerend inkomen tot het eigen vermogen van de eigenaar. Jan vermeldt een KI van 240,00 EUR en een brutohuur van 3 600,00 EUR. Aan Mia komt een KI van 960,00 EUR en een brutohuur van 14 400,00 EUR toe. Vervolgens wordt bij Mia de huurherkwalificatie toegepast bij haar in aanmerking te nemen onroerende inkomsten (een KI van 960,00 EUR en een brutohuur van 14 400,00 EUR). Huurherkwalificatie = [14 400,00 – (960,00 × 5/3 × 5,63)] = 5 392,00 EUR.
6.3
Bestuurders- en managementvergoedingen betaald aan vennootschappen
De vergoeding die een vennootschap toekent aan een bestuurdersvennootschap is niet zomaar aftrekbaar. De belastingadministratie eist dat bestuurders- en managementvergoedingen die zijn betaald aan andere vennootschappen, voldoen aan de fiscale aftrekvoorwaarden uit art. 49 WIB 1992. Zo moeten de aangerekende vergoedingen beantwoorden aan werkelijke prestaties. Bij bestuurdersvergoedingen is het takenpakket wettelijk vastgelegd terwijl voor managementfees het takenpakket tussen de werkvennootschap en de managementvennoootschap moet afgesproken worden. Dat verschil zorgt er in de praktijk voor dat de administratie eerder moeilijk doet over managementfees dan over bestuurdersvergoedingen. Betalingen aan managementvennootschappen moeten corresponderen met werkelijke prestaties. De betrokken vennootschappen stellen best een schriftelijke managementovereenkomst op waarin zij specifiëren welke prestaties te leveren zijn. De facturen moeten gedetailleerd zijn en verwijzen naar de overeenkomst. Het is ook nuttig om zoveel mogelijk bewijzen bij te houden van de door de managementvennootschap geleverde prestaties, zoals bijvoorbeeld e-mails, verslagen van de vergaderingen, prestatiestaten, rapporten, timesheets e.d.
7
Kosten eigen aan de werkgever
Een vennootschap kan aan haar personeelsleden of bedrijfsleiders vergoedingen betalen voor de kosten die ze hebben gemaakt en die eigen zijn aan de vennootschap. Zo’n vergoeding is dan ook niet belastbaar in hoofde van de werknemer of bedrijfsleider (art. 31, 1° WIB 1992). In hoofde van de vennootschap zijn die vergoedingen aftrekbaar.
104
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
7.1
Bewijslast
De werkgever moet het dubbele bewijs leveren dat: 1 de vergoeding bestemd is om kosten te dekken die hem eigen zijn; 2 die vergoeding ook effectief besteed is aan dergelijke uitgaven.
7.2
Vermelding van vergoedingen op fiscale fiches
Voor de terugbetaling van eigen kosten van de werkgever onderscheiden wij drie categorieën: – forfaitaire vergoedingen overeenkomstig ernstige normen; – forfaitaire vergoedingen niet overeenkomstig ernstige normen; – vergoedingen op basis van bewijsstukken (factuur, btw-bon, GKS-ticket, …). Het werkelijke bedrag van de onkostenvergoeding moet worden vermeld op de fiscale fiches 281.10 en 281.20 in het vak ‘diverse inlichtingen’ (circulaire 2021/C/20 dd. 26.02.2021). Wie zowel een forfaitaire vergoeding als een vergoeding op basis van bewijsstukken ontvangt, moet aantonen dat dezelfde kosten géén twee keer terugbetaald worden. Sanctie vaste vergoedingen KEW
variabele vergoedingen KEW
wettelijke basis
art. 57 lid 1, 3° WIB 1992
art. 57 lid 2 WIB 1992
ficheplicht
bedrag moet vermeld op fiche
bedrag moet vermeld op fiche
sanctie bij niet-vermelding van bedrag op fiche
niet aftrekbaar en/of afzonderlijke aanslag administratieve boete
aftrekbaar (art. 49 WIB 1992) géén afzonderlijke aanslag administratieve boete
Variabele vergoedingen Wanneer de werknemer of de bedrijfsleider werkelijke bewijsstukken voorlegt en de vennootschap deze gemaakte uitgaven terugbetaalt, spreken wij over variabele vergoedingen. Er is géén ficheverplichting als de bedrijfsleider een rechtsgeldige factuur op naam van zijn vennootschap eerst met de eigen privébankkaart betaalt en de vennootschap later dat bedrag aan de bedrijfsleider terugbetaalt of boekt op het credit van diens rekening courant. De privébetaling van een vennootschapsfactuur is vaak te wijten aan het feit dat de bedrijfsleider op dat ogenblik de bankkaart van de vennootschap niet bij de hand had. In zo’n geval gaat het niet om de bedrijfsleider die materiaal aankoopt, maar wel de vennootschap. Daardoor moeten deze voorgeschoten kosten niet opgenomen worden op de fiche. Wanneer het betreffende bewijsstuk niet de identificatie van de vennootschap bevat (bv. een kasticket, een restaurantbonnetje, of een factuur op naam van de werknemer/bedrijfsleider), dan geldt de voorziene verantwoordingsverplichting wel. In dat geval is de vermelding van de terugbetaling op de fiche wel verplicht (circulaire 2022/C/62 van 29.06.2022, nr. 23 en 24). VOORBEELD 1
Een bedrijfsleider bestelt een nieuwe printer voor het kantoor van zijn vennootschap (100 % beroepsgebruik). De aankoopfactuur staat op naam van de vennootschap, maar wordt betaald met de
105
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
privébankkaart van de bedrijfsleider. Dit wordt rechtgezet door een boeking op de rekening-courant van de bedrijfsleider. In zo’n geval koopt de vennootschap het kantoormateriaal. De vennootschap moet de terugbetaling niet vermelden op de fiche 281.20.
VOORBEELD 2
Een werknemer van een aannemingsbedrijf kocht drie dozen schroeven in een doe-het-zelfzaak en betaalt het kassaticket ter waarde van 65,00 EUR met zijn eigen gelden. De werkgever betaalt hem de uitgave terug op basis van het voorgelegde kassaticket. Deze terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever dient gerapporteerd te worden op de fiscale fiche 281.10 op naam van haar werknemer.
7.3
Forfaitaire kostenvergoedingen
De werkgever kan forfaitaire vergoedingen toekennen als terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever. De vergoedingen die de staat aan zijn personeel toekent als kostenvergoeding (o.a. verplaatsingskosten en verblijfkosten) zijn ernstige normen die ook in de privésector gehanteerd kunnen worden. Er zijn forfaits voorzien voor: – de terugbetaling van verplaatsingskosten met een wagen, motorfiets of bromfiets; – dagvergoedingen wegens dienstreizen in België; – dagvergoedingen wegens dienstreizen in het buitenland; – vergoedingen voor telewerkers.
7.3.1
Verplaatsingskosten met auto, motorfiets of bromfiets
Voor dienstverplaatsingen mag de vennootschap het werkelijk aantal afgelegde kilometers vermenigvuldigen met het kilometertarief dat de staat betaalt aan zijn ambtenaren bij dienstreizen met een eigen wagen, motorfiets of bromfiets. Het bedrag van de forfaitaire kilometervergoeding wordt zowel per kwartaal als jaarlijks (op 1 juli) aangepast. Tarief op kwartaalbasis periode
kilometertarieven
Van 01-01-2025 tot 31-03-2025
0,4290 EUR/km
Van 01-04-2025 tot 30-06-2025
0,4320 EUR/km
Van 01-07-2025 tot 30-09-2025
0,4309 EUR/km
Van 01-10-2025 tot 31-12-2025
0,4312 EUR/km
Van 01-01-2026 tot 31-03-2026
0,4326 EUR/km
Van 01-04-2026 tot 30-04-2026
0,4571 EUR/km
Van 01-05-2026 tot 31-05-2026
0,4841 EUR/km
Van 01-06-2026 tot 30-06-2026
0,5055 EUR/km
Als energiesteunmaatregel wordt de kilometervergoeding voor april, mei en juni 2026 maandelijks aangepast, in plaats van driemaandelijks in het gewone systeem (circulaire 2026/C/64, 29-05-2026).
106
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Tarief op jaarbasis periode
kilometertarieven
Van 01-07-2024 tot 30-06-2025
0,4415 EUR/km
Van 01-07-2025 tot 30-06-2026
0,4327 EUR/km
Van 01-07-2026 tot 30-06-2027
0,4761 EUR/km
Kiest de vennootschap voor het jaarforfait, dan moet zij zich daar voor de volledige periode aan houden. Zij kan dan ten vroegste vanaf 1 juli omschakelen naar het forfaitaire kwartaalsysteem (circulaire 2023/C/78 van 18 september 2023). De vennootschap mag een hoger bedrag belastingvrij uitbetalen als zij bewijst dat die hogere forfaitaire vergoeding overeenkomt met de werkelijke kostprijs per kilometer van de wagen van de werknemer of de bedrijfsleider (Parl. Vr. nr. 954 Mevr. De Schamphelaere, 8 december 2000). Let op voor de 40-dagenregel. De belastingvrije dagvergoeding voor dienstverplaatsingen kan niet worden toegekend wanneer de verplaatsing bij toepassing van de 40-dagenregel wordt aangemerkt als een verplaatsing naar een vaste plaats van tewerkstelling. Dergelijke vergoedingen worden aanzien als een belastbaar voordeel van alle aard voor de werknemer of de bedrijfsleider.
7.3.2 Vergoeding voor verplaatsingen met de fiets Voor een dienstverplaatsing per fiets kan de vennootschap aan haar werknemer of bedrijfsleider een kostenvergoeding toekennen van maximaal 0,36 EUR/km voor kalenderjaar 2025. Ook voor woon-werkverplaatsingen per fiets kan de vennootschap dezelfde fietsvergoeding betalen aan haar werknemers en bedrijfsleiders.
7.3.3 Forfaitaire vergoeding voor dienstreizen in België Voor dienstreizen in België, mag de vennootschap forfaitaire dagvergoedingen uitbetalen voor kosten van maaltijden en dranken. Deze vergoeding wordt gegeven omdat de bedrijfsleider of werknemer in de onmogelijkheid verkeert om de maaltijd te gebruiken in de omgeving van zijn normale werkplaats of wanneer hij te ver is om thuis te overnachten. Voor welke verplaatsingen? Een dienstreis is de verplaatsing van de woonplaats naar zeer verscheiden bestemmingen in opdracht van de werkgever. Ook een verplaatsing van de woonplaats naar een werkplaats die niet de vaste plaats van tewerkstelling is, is een dienstverplaatsing. 40-dagenregel. De belastingvrije dagvergoeding voor dienstverplaatsingen kan niet worden toegekend wanneer de verplaatsing bij toepassing van de 40-dagenregel wordt aangemerkt als een verplaatsing naar een vaste plaats van tewerkstelling. Wie opdrachten uitvoert bij een vaste klant (bv. consultants) voor meer dan 40 dagen kan daarvoor géén belastingvrije dagvergoeding genieten.
107
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Toepasselijke bedragen Dagelijkse forfaitaire vergoeding (maaltijden)
Maandelijkse forfaitaire vergoeding (maaltijden)
Forfaitaire vergoeding voor verblijfskosten
Vanaf 01-06-2024
20,80 EUR/dag
16 × 20,80 EUR/maand
156,05 EUR/nacht
Vanaf 01-03-2025
21,22 EUR/dag
16 × 21,22 EUR/maand
159,17 EUR/nacht
Vanaf 01-03-2026
21,64 EUR/dag
16 × 21,64 EUR/maand
162,35 EUR/nacht
Voorwaarden voor dagvergoeding Een vennootschap mag de dagvergoeding toekennen aan werknemers en bedrijfsleiders op binnenlandse dienstreis, mits naleving van de volgende drie voorwaarden: 1 de dienstverplaatsing duurt minimaal 6 uur; 2 de werkgever of een derde mag de kost van de maaltijd niet op zich nemen; 3 de verplaatsing geeft geen aanleiding tot enig ander voordeel om maaltijdkosten te dekken. Maandelijkse forfaitaire vergoeding Voor een werknemer of bedrijfsleider die regelmatig binnenlandse dienstreizen maakt, kan de vennootschap een maandelijkse forfaitaire vergoeding toekennen voor maaltijdkosten. Dat is 16 keer het bedrag van de dagelijkse forfaitaire vergoeding voor een personeelslid met voltijdse prestaties. De voorwaarde dat de verplaatsing minimaal 6 uur duurt, geldt dan niet. Huisvestingkosten Als een werknemer of bedrijfsleider n.a.v. een binnenlandse dienstreis buiten zijn woonplaats moet logeren, kan de vennootschap een dagelijkse forfaitaire vergoeding voor verblijfkosten toekennen. Maaltijdcheque en dagvergoeding? Indien de vennootschap naast de dagvergoeding ook maaltijdcheques geeft en de werkdag niet langer dan 8 uur duurt, dan moet zij de werkgeversbijdrage in de maaltijdcheque aftrekken van de forfaitaire dagvergoeding.
7.3.4 Forfaitaire vergoeding voor dienstreizen in het buitenland Een buitenlandse dienstreis is een opdracht in het buitenland die een werknemer of bedrijfsleider maakt in dienst van de werkgever (Ci.RH. 241/534.514 d.d. 11 mei 2006). De administratie aanvaardt de dagvergoedingen van de FOD Buitenlandse Zaken. De administratie maakt een onderscheid tussen korte en lange dienstreizen (Ci.RH. 241/609.972, AAFisc Nr. 38/2013 d.d. 10 oktober 2013). Korte buitenlandse dienstreis Een korte dienstreis is een opdracht van korte duur van maximaal 30 opeenvolgende kalenderdagen in effectieve dienst of opdracht van de vennootschap waarin men werknemer of bedrijfsleider is. De 30-dagenlimiet geldt niet per boekjaar. Er staat geen beperking op het aantal dienstreizen per jaar. Lange buitenlandse dienstreis Voor een beroepsmatig verblijf van meer dan 30 kalenderdagen met een maximum van 24 maanden in het buitenland mogen de forfaitaire verblijfsvergoedingen van de tweede categorie van de FOD Buitenlandse Zaken voor agenten ‘op post’ worden gehanteerd.
108
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
De 40-dagenregel is niet van toepassing op de buitenlandse dienstreizen van meer dan 30 dagen. Toepasselijke tarieven Er werd een lijst gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad met het forfaitair bedrag per land (zie BS van 15 februari 2023). De vergoeding van 37,18 EUR/dag geldt als een algemeen minimum. Welke kosten dekt het forfait? Het forfaitaire bedrag bevat lunch- en dinerkosten, drank- en snackkosten, lokale verplaatsingskosten en andere kleine uitgaven gemaakt ter plaatse (bv. gebruik van een taxi, openbaar vervoer e.d.). Hotel- en reiskosten zitten niet begrepen in het forfait. Voor de hotel- en reiskosten zijn bewijsstukken nodig en worden geen forfaits aanvaard. Ontbijtkosten zijn niet begrepen in de dagvergoeding. Procentuele verminderingen van de dagvergoeding Als de overnachtingkosten door de vennootschap en laste worden genomen en die hotelfactuur ook bepaalde maaltijden of kleine uitgaven bevat, dan moeten de dagelijkse forfaitaire dagvergoedingen worden verminderd met (circulaire 2023/C/61 van 19 juni 2023): – 35 % voor het middagmaal; – 45 % voor het avondmaal; – 20 % voor de kleine uitgaven. Verschillende landen? Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de bezochte stad in een land, behalve voor één land, nl. de Verenigde Staten. Bij dienstreizen waarbij verschillende landen worden aangedaan is de plaats van de laatste overnachting determinerend voor het eerstvolgende etmaal. Hogere dagvergoedingen Betaalt de vennootschap een vergoeding die hoger is dan deze vastgesteld door de FOD Buitenlandse Zaken of het plafond van 37,18 EUR, dan merkt de administratie in principe enkel het excedent aan als een belastbare bezoldiging. Voor wie? Beoogd worden de werknemers en bedrijfsleiders die hoofdzakelijk een sedentaire beroepswerkzaamheid uitoefenen en in het kader daarvan eenmalig, occasioneel of zelfs regelmatig dienstreizen naar het buitenland maken. De regeling geldt niet voor de werknemers/bedrijfsleiders voor wie verplaatsingen van en naar het buitenland deel uitmaken van hun normale, dagelijkse beroepsactiviteit (Ci RH. 241/607.210, AAFisc Nr. 21/2011 d.d. 15 april 2011).
7.3.5 Vergoedingen voor thuiswerk Veel bedrijven laten hun werknemers thuiswerken. Thuiswerk veroorzaakt bijkomende kosten voor de werknemer in de private lokalen. Een werkgever kan een vergoeding toekennen aan werknemers die structureel en op regelmatige basis een substantieel deel van hun arbeidstijd aan thuiswerk doen (circulaire nr. 2021/C/20 van 26-02-2021).
109
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Forfaitaire kantoorvergoeding van 1 maart 2025 t.e.m. 28 februari 2026
157,83 EUR/maand
vanaf 1 maart 2026
160,99 EUR/maand
De forfaitaire kantoorvergoeding dekt alle kantoorkosten die courant moeten worden gemaakt om de beroepsactiviteit op een normale manier te kunnen uitoefenen, zoals de inrichting van een kantoorruimte thuis (inclusief huur of afschrijvingen), printer- en computermateriaal (papier, USB-stick, muismatje, inkt …), kantoorbenodigdheden (mappen, cursusblokken, balpen …), onderhouds- en schoonmaakkosten, nutsvoorzieningen zoals water, elektriciteit en verwarming, verzekeringen, onroerende voorheffing, water, koffie en versnaperingen en dergelijke. De werknemers moeten structureel en op regelmatige basis thuiswerken. Het moet gaan om het equivalent van één werkdag per week. De beoordeling daarvan gebeurt op maandbasis. In het geval van deeltijdse prestaties moet het maximumbedrag niet evenredig worden verminderd. De forfaitaire kantoorvergoeding mag ook worden uitbetaald tijdens het jaarlijkse verlof. Tussenkomst in aankoop van kantoormeubilair/informaticamateriaal Naast de forfaitaire kantoorvergoeding mogen werkgevers ook tussenkomen in de door de werknemer gefinancierde aankoop van kantoormeubilair/informaticamateriaal. Het gaat limitatief over het volgende materiaal: bureaustoel, bureautafel, bureaukast, functionele bureaulamp, een tweede computerbeeldscherm, printer/scanner, toetsenbord, muis, voetmuis, trackpad of trackball, hoofdtelefoon, specifieke apparatuur die personen met een handicap nodig hebben om vlot te kunnen werken met de pc. Professioneel gebruik eigen computer en eigen internet Wanneer een werknemer zijn eigen internetaansluiting en abonnement gebruikt voor thuiswerk, dan mag de werkgever daarin tussenkomen tot maximaal 20 EUR per maand. Wanneer een werknemer zijn privécomputer (inclusief randapparatuur en noodzakelijke software) gebruikt in het kader van thuiswerk, mag de werkgever daarin forfaitair tussenkomen tot maximaal 20 EUR per maand. Wanneer de werknemer enkel een eigen tweede computerbeeldscherm en/of printer/scanner (= een limitatieve opsomming) gebruikt voor het thuiswerk omdat de werkgever de computer ter beschikking stelt, dan aanvaardt de administratie een vergoeding van 5 EUR per maand per item gedurende maximaal drie jaar, maar met een absolute begrenzing van maximaal 10 EUR per maand (circulaire nr. 2021/C/20 van 26-02-2021).
7.4
Jaarlijkse bijdrage gereglementeerd beroep
De administratie aanvaardt voor 16 gereglementeerde beroepen dat de door de werkgever betaalde ledenbijdrage betaald aan een orde of een beroepsinstituut, kwalificeert als kosten eigen aan de werkgever onder vijf voorwaarden (Circulaire AAFisc 34/2015, Ci.RH.241/634.124 van 3 september 2015). – het moet gaan om een gereglementeerd beroep met een wettelijk beschermde beroepstitel; – het beroep staat wettelijk onder de supervisie van een Orde of Instituut; – het lidmaatschap is verplicht om het specifieke beroep te mogen uitoefenen; – men oefent nog actief het beroep uit.
110
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Het gaat om de volgende 16 beoogde beroepen: vastgoedmakelaar, effectenmakelaar, architect, advocaat, erkend boekhouder, erkend fiscalist, auto-expert, landmeter-expert, gerechtsdeurwaarder, bedrijfsjurist, arts, notaris, apotheker, psycholoog, bedrijfsrevisor en dierenarts. Dezelfde regels gelden ook voor de bijdragen die werknemers of stagiairs verschuldigd zijn.
8
Loonbonussen voor werknemers
Werkgevers kunnen jaarlijks een fiscaalvriendelijke loonbonus uitbetalen. Het is een niet-periodieke premie omdat de onderneming dankzij de inzet van zijn werknemers een bepaald objectief heeft bereikt. Officieel spreekt men van ‘niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen’. Zelfstandige bedrijfsleiders zijn uitgesloten van dit systeem. Loonbonussen mogen enkel toegekend worden bij de realisatie van objectief meetbare collectieve doelstellingen zoals het bereiken van een bepaalde omzet of winst, het verminderen van het aantal afwezigheidsdagen, het verminderen van het aantal arbeidsongevallen, het realiseren van een aantal nieuwe projecten of het behalen van nieuwe kwaliteitsdoelstellingen. Niet toegelaten zijn doelstellingen met betrekking tot de aandelenkoers van de onderneming in kwestie, doelstellingen verbonden aan individuele prestaties zoals jaarlijkse evaluatie- of functioneringsgesprekken en doelstellingen waarvan de realisatie ‘kennelijk’ zeker is op het ogenblik van de invoering. Op deze voordelen tot 3 622,00 EUR voor het kalenderjaar 2025 per werknemer was géén bedrijfsvoorheffing verschuldigd (art. 257bis WIB 1992).
9
Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekeringen
Een vennootschap kan ten voordele van haar personeelsleden of bedrijfsleiders een extralegaal pensioen of een overlijdenskapitaal opbouwen.
9.1
Aanvullende verzekering ten voordele van de werknemers
Voor de externe financiering van het extralegale pensioen kan de vennootschap bijdragen aan een verzekeringsmaatschappij of in een pensioenfonds storten.
9.1.1
Formele voorwaarden voor de aftrekbaarheid van premies
Deze werkgeversstortingen in het kader van een groepsverzekering of aan een pensioenfonds zijn maar aftrekbaar als strikte vormvoorwaarden worden nageleefd (art. 59 WIB 1992). Zo moeten de bijdragen: – gestort zijn buiten elke wettelijke verplichting; – aan een in de EER gevestigde levensverzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds; – in uitvoering van een verzekeringscontract of pensioenreglement; – dienen voor het vormen van een rente of kapitaal bij leven of overlijden; – en de nodige info is verstrekt aan de Sigedis-databank.
111
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
9.1.2
Begrenzing van de aftrekbaarheid
Bovendien beperkt de fiscale wet het aftrekbare bedrag van de werkgeversbijdragen als het toekomstige extralegale pensioenkapitaal te groot is in functie van de brutojaarwedde van de betrokkene. In het vakjargon spreken we over de ‘80 %-grens’ (zie het hoofdstuk over verworpen uitgaven).
9.2
Aanvullende verzekering ter voordele van de bedrijfsleiders
De vennootschap kan haar bedrijfsleider(s) een extralegaal pensioen aanbieden op het einde van hun carrière of bij vroegtijdig overlijden. Zulke pensioenengagementen kunnen op verschillende manieren extern gefinancierd worden: – via de groepsverzekering voor de categorie der bedrijfsleiders; – via de oude bedrijfsleidersverzekering; – via de individuele pensioentoezegging (IPT).
9.2.1
Wettelijke aftrekbaarheidsvoorwaarden voor de premies
Als de vennootschap een groepsverzekering of een IPT-verzekering heeft afgesloten voor haar bedrijfsleider, moet zij de hierboven geciteerde wettelijke voorwaarden ten voordele van werknemers (art. 59 WIB 1992) ook respecteren. Daarbovenop zijn er nog twee extra voorwaarden gesteld voor de bezoldigingen van de begunstigde (art. 195, § 1, 2de lid WIB 1992): – de premies moeten betrekking hebben op bezoldigingen die regelmatig en ten minste om de maand worden betaald of toegekend; – de bezoldigingen moeten toegekend zijn voor het einde van het boekjaar waarin de prestaties werden geleverd en door de vennootschap op de resultaten van dat boekjaar zijn aangerekend. Bij gebrek aan regelmatige en maandelijkse bezoldiging, worden de vennootschapspremies in het kader van een IPT-verzekering fiscaal behandeld als een voordeel van aard in hoofde van de bedrijfsleider (art. 38, § 1, 19° WIB 1992).
9.2.2 Begrenzing van de aftrekbaarheid Ook de bijdragen in het voordeel van de bedrijfsleiders zijn fiscaal maar aftrekbaar als het ermee gevormde pensioenkapitaal niet te groot is in functie van de laatste brutojaarbezoldiging, d.w.z. voor zover de 80 %-limiet niet wordt overschreden (zie het hoofdstuk over verworpen uitgaven). Premies van zuivere overlijdensverzekeringen zijn volledig aftrekbaar zonder enige begrenzing.
9.2.3 Klassieke bedrijfsleidersverzekering In het verleden gebruikten vele ondernemingen een bedrijfsleidersverzekering. In haar klassieke verschijning bestond zij uit twee aparte contracten: – een individuele pensioenbelofte overeengekomen tussen de vennootschap en haar bedrijfsleider, waarbij de vennootschap zich engageert om aan de bedrijfsleider een pensioen uit te keren bij zijn pensionering of aan zijn erfgenamen bij overlijden; – een individueel levensverzekeringscontract op het hoofd van de bedrijfsleider waarbij de vennootschap zowel begunstigde als verzekeringsnemer was.
112
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Heden ten dage wordt de bedrijfsleidersverzekering enkel nog voor een overlijdensrisico gebruikt. De individuele pensioenopbouw ten voordele van zelfstandige bedrijfsleiders gebeurt nu d.m.v. individuele pensioentoezeggingen (zgn. IPT’s).
9.2.4 Externe IPT Een vennootschap doet vaak aan haar zelfstandige bedrijfsleider een individuele pensioentoezegging en sluit daarvoor een individuele levensverzekering op het hoofd van haar bedrijfsleider. Die verzekering loopt dan in het rechtstreekse voordeel van de verzekerde bedrijfsleider. De zaakvoerder of bestuurder verwerft onmiddellijke en definitieve rechten en kan zijn/haar pensioen aanspraken rechtstreeks laten gelden op de verzekeringsmaatschappij. De vennootschap betaalt periodieke premies aan de verzekeringsmaatschappij. Bij het bereiken van de pensioenleeftijd of als de bedrijfsleider eerder overlijdt, betaalt de verzekeringsmaatschappij het verzekerde kapitaal plus de winstdeelname rechtstreeks uit aan de bedrijfsleider of aan diens erfgenamen. Verzekeringsnemer: Verzekerde: Begunstigde: Premiebetaling:
de vennootschap de bedrijfsleider de bedrijfsleider de vennootschap kapitaal + winstdeelname LEVENSVERZEKERING
verzekeringsmaatschappij
vennootschap
bedrijfsleider pensioentoezegging
premies Als de vennootschap een individuele pensioentoezegging doet aan haar werknemers, dan wordt de aftrek van deze werkgeverspremies beperkt tot een absoluut bedrag van 3 060,00 EUR (aanslagjaar 2026) per jaar en per werknemer (art. 53, 22° WIB 1992).
9.2.5 Premietaks van 4,4 % Op de premies van een groepsverzekering is de vennootschap een taks van 4,40 % verschuldigd. De verzekeringsmaatschappij houdt die taks in van iedere betaalde premie. In de mate waarin de verzekeringspremie niet aftrekbaar is wegens overschrijding van de 80 %-grens, wordt ook de daarin begrepen premietaks verworpen (Parl. vr. nr. 30 De Maght, 07 december 2009 en Ci.RH. 243/594.796, 03 februari 2009).
113
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
9.2.6 Wyninckx-bijdrage op hoge pensioenverzekeringspremies Een vennootschap is op hoge premies in het kader van een groeps- en IPT-verzekering met het oog op de opbouw van een aanvullend pensioen (leven/overlijden) een bijzondere socialezekerheidsbijdrage verschuldigd, de zgn. ‘Wyninckxbijdrage’. Deze bijdrage is te betalen door de vennootschap aan de RS(V)Z en fiscaal aftrekbaar. De Wijninckx-bijdrage is slechts verschuldigd als de som van het wettelijk pensioen (als werknemer en/of als zelfstandige) en het tweedepijlerpensioen (ook als werknemer en/of als zelfstandige), uitgedrukt in een rente, meer bedraagt dan het maximale ambtenarenpensioen. Sinds 2026 werd de bijdrage verhoogd van 3 % naar 12,5 % (wet van 18-12-2025, BS 30-12-2025).
10
Commissies en erelonen betaald aan derden
Erelonen, commissie- en makelaarslonen, restorno’s en andere vergoedingen die een vennootschap verschuldigd is aan derden, zijn in principe aftrekbare beroepskosten, als ze worden verantwoord met individuele fiches 281.50 op naam van de genieters (art. 57, 1° WIB 1992). Voor erelonen, commissielonen, makelaarslonen en dergelijke hoeft er géén fiche 281.50 meer opgemaakt te worden wanneer er een factuur of een document in de plaats daarvan is uitgereikt door een belastingplichtige gevestigd op het grondgebied van de EER (art. 57, lid 3 WIB 1992). Binnen de EER volstaat een factuur overeenkomstig de btw-reglementering als verantwoording, alsook een creditnota, een vereenvoudigde factuur (art. 13 btw-KB nr. 1) of een bijzonder stuk binnen de btw-eenheid (in de zin van art. 53, § 3 WBTW). De fiscale fiches 281.50 moeten jaarlijks worden ingediend bij de Documentatiecentra voor Bedrijfsvoorheffing, uiterlijk op 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar waarop de formulieren betrekking hebben.
10.1
Wanneer moet een fiche 281.50 worden opgesteld?
1 Commissies, makelaarslonen, handelsrestorno’s enz. De vennootschap vult vak 3, a van de fiche 281.50 in voor commissielonen, makelaarslonen, handelsrestorno’s enz. (excl. btw) die zij toekent aan natuurlijke personen of rechtspersonen waarvoor zij niet over een factuur of een document in de plaats ervan beschikt. VOORBEELD
Makelaarslonen betaald door een vennootschap aan een verzekeringsagent zijn te verantwoorden met de fiche 281.50, als zij geen factuur heeft ontvangen.
114
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
2 Erelonen van vrije beroepers zonder factuur Voor erelonen of vacatiegelden toegekend aan natuurlijke personen die een vrij beroep, ambt, post of winstgevende bezigheid uitoefenen, vult de vennootschap vak 3, b van de fiscale fiche 281.50 in ingeval zij géén factuur of een document in de plaats ervan heeft ontvangen van de betrokkene. 3 Voordelen van alle aard voor zakenrelaties Als de vennootschap belastbare voordelen van alle aard aan zelfstandige klanten of zakenrelaties heeft toegekend, moet zij die voordelen (inclusief btw) vermelden in vak 3, c van de fiche 281.50. Het betreft voordelen van eender welke aard. VOORBEELDEN
– toeristische privé- of groepsreizen; – duurzame gebruiksgoederen die gratis of tegen sterk verminderde prijs zijn aangeboden; – geschenken in natura. 4 De kosten gedaan voor rekening van de verkrijger In vak 3, d moet het bedrag van de kosten worden vermeld die voor rekening van de genieter werden gedaan of werkelijk ten laste werden genomen.
10.2 Wanneer moet er geen fiche 281.50 worden opgesteld? Voor volgende kosten moet er geen fiche 281.50 opgemaakt worden (Com.IB 57/64): 1 vergoedingen of voordelen waarvan het totale bedrag per jaar en per genieter niet meer dan 250,00 EUR bedraagt (KB van 10 april 2022, BS 26 april 2022); 2 betalingen waarvoor een factuur of een document in de plaats daarvan (creditnota, vereenvoudigde factuur of stuk binnen de btw-eenheid) wordt uitgereikt door personen gevestigd in de EER; 3 handelskortingen die rechtstreeks op de facturen betreffende de leveringen in mindering zijn gebracht. Als de handelskortingen via een afzonderlijke creditnota zijn toegekend, moeten zij wel op de fiche 281.50 komen (Parl. Vr. Daems, nr. 775, 19 februari 1997); 4 vergoedingen betaald aan buitenlandse podiumkunstenaars en sportbeoefenaars waarvoor fiches 281.30 moeten worden opgemaakt; 5 inkomsten uit auteursrechten, naburige rechten en wettelijke en verplichte licenties die op individuele fiches 281.45 moeten worden vermeld; 6 winst en baten uit diensten verleend in het kader van de deeleconomie, die op individuele fiches 281.29 moeten worden vermeld.
10.3 Buitenlandse genieters Ten aanzien van buitenlanders moet het onderscheid worden gemaakt naargelang de tegenpartij in de EER of buiten de EER is gevestigd. Tegenpartij binnen de EER. Er hoeft géén fiche 281.50 te worden opgemaakt voor erelonen, commissielonen, makelaarslonen en dergelijke waarvoor een factuur of een document in de plaats daarvan (= creditnota, vereenvoudigde factuur of bijzonder stuk in kader van btw-eenheid) is uitgereikt door de buitenlandse genieter die is gevestigd op het grondgebied van de EER (art. 57, lid 3 WIB 1992).
115
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Tegenpartij buiten de EER. Er moeten wél fiches 281.50 opgemaakt worden voor commissielonen, makelaarslonen en dergelijke vergoedingen die worden betaald of toegekend aan buitenlandse genieters die gevestigd zijn buiten de EER, ongeacht of zij al dan niet gefactureerd werden.
10.4 Praktische richtlijnen voor de vermeldingen op de fiches In principe moet de vennootschap het totale bedrag exclusief btw inschrijven van alle commissies en dergelijke vergoedingen die zij tijdens het kalenderjaar heeft toegekend. Wanneer de vennootschap belastbare voordelen van alle aard verleent aan zelfstandigen, vermeldt zij op de fiches de werkelijk gedragen kostprijs inclusief btw. De op de fiches te vermelden gegevens hebben altijd betrekking op een kalenderjaar. Als het boekjaar van de vennootschap niet samenvalt met het kalenderjaar, moet de vennootschap een uitsplitsing maken. VOORBEELD
Een nv sluit haar boekjaar telkens af op 30 september. De door haar toegekende commissies en erelonen tijdens de periode van 1 oktober 2025 tot 30 september 2026 worden geboekt in het boekjaar 2025/2026. De nv vermeldt op de fiche 281.50 voor het jaar 2025 de kosten die effectief betrekking hebben op dat kalenderjaar 2025. Als het bedrag van de tijdens een bepaald kalenderjaar als beroepskosten geboekte commissies en erelonen niet overeenstemt met het werkelijk tijdens dat jaar uitbetaalde bedrag, moet het werkelijk betaalde bedrag afzonderlijk vermeld worden op de fiche 281.50 (vak 3, rubriek g). Een vennootschap moet ook fiches 281.50 opmaken voor de toekenningen aan gemengde btw-belastingplichtigen ter vergoeding van hun vrijgestelde dienstprestaties. Er moet immers geen factuur worden uitgereikt voor leveringen van goederen of diensten die zijn vrijgesteld door artikel 44 W.Btw. Vaak verenigen ziekenhuisartsen zich voor hun prestaties binnen het ziekenhuis in een associatie of maatschap zonder rechtspersoonlijkheid (= een artsenpool). In dat geval stort het ziekenhuis de honoraria op de bankrekening van de maatschap of de associatie. De maatschap of de associatie verdeelt dan de ontvangen erelonen volgens een bepaalde verdeelsleutel over de artsen. Het ziekenhuis moet de fiches 281.50 opstellen op naam van iedere individuele arts op basis van de verdeelsleutel van die fiscaal transparante artsenpool (mond. vr. nr. 18902, Luk Van Biesen, 28 juni 2017).
11
Afschrijvingen
Op fiscaal vlak worden afschrijvingen toegelaten op oprichtingskosten, immateriële vaste activa en materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur voor zover die afschrijvingen: – gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde; – noodzakelijk zijn; en – samengaan met een waardevermindering tijdens het boekjaar (art. 61 WIB 1992). Alleen boekhoudkundig afschrijfbare activa komen in aanmerking voor fiscale afschrijvingen. Terreinen, antiek of kunstwerken zijn niet afschrijfbaar.
116
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Ten opzichte van de boekhoudwetgeving is de fiscale wet strenger omdat ze uitdrukkelijk het bewijs van de waardevermindering eist. Antiek: afschrijfbaar? Antiek is in principe niet afschrijfbaar behalve ingeval antieke kasten en antieke bureaus die als kantoormeubilair worden aangewend, omdat ook antieke meubelen verslijten door het effectieve beroepsmatige gebruik als kantoormateriaal en dus een waardevermindering ondergaan. Kunstvoorwerpen: afschrijfbaar? De belastingadministratie aanvaardt geen afschrijvingen op kunstvoorwerpen (zoals schilderijen, beeldhouwwerken, antiquiteiten e.d.) die geen integrerend deel uitmaken van de lokalen waarin ze zijn geplaatst, bij gebrek aan een waardevermindering (Com.IB92, 61/58). Enkel kunstwerken die integrerend deel uitmaken van bestaande ondernemingsgebouwen, zijn afschrijfbaar in de mate van de werkelijke waardevermindering (Com.IB92, 61/233). Ziekenhuiscliënteel: afschrijfbaar? Bij de inbreng door een zelfstandig ziekenhuisgeneesheer in een professionele vennootschap neemt de administratie aan dat er géén belangrijke immateriële vaste activa kunnen worden ingebracht, zeker indien het eigenlijke cliënteel eigendom blijft van het ziekenhuis (Parl. Vr. nr. 1049 Mevr. Pieters, 5 juli 2002). Volgens de administratie kan de ziekenhuisgeneesheer die nagenoeg uitsluitend actief is binnen het ziekenhuis zoals een anesthesist of een radioloog geen immateriële vermogensbestanddelen overdragen omdat hij niet persoonlijk eigenaar is van enig patiëntenbestand. De rechtspraak stelt zich milder op en oordeelde dat artsenvennootschappen het patiëntenbestand van een ziekenhuisgeneesheer wel kunnen afschrijven.
11.1
Afschrijfbare basis
Afschrijvingen moeten worden berekend op de aanschaffings- of beleggingswaarde van de activa. Naargelang de manier waarop het investeringsgoed wordt verworven, stemt die aanschaffingswaarde overeen met: – de aanschaffingsprijs = de aankoopprijs plus de bijkomende aankoopkosten zoals vervoers- en installatiekosten, honoraria van notarissen en registratierechten, niet-aftrekbare btw; – de vervaardigingsprijs = de aankoopkosten van grond- en hulpstoffen, verbruiksgoederen, de geactiveerde productiekosten die rechtstreeks op de activa toerekenbaar zijn (zoals lonen, sociale lasten ...) en eventueel het evenredig deel van de onrechtstreekse productiekosten; – de inbrengwaarde = de overeengekomen waarde van de inbreng die echter nooit hoger mag zijn dan de werkelijke marktwaarde van de ingebrachte goederen. De bijkomende belastingen en kosten mogen niet opgenomen worden in de inbrengwaarde. Die kosten worden ofwel geboekt als oprichtingskosten en zo afgeschreven, ofwel volledig als kosten geboekt voor het jaar van inbreng. Bijzonder geval: geleasede materiële vaste activa De leasingnemer schrijft het actief af op basis van de aanschaffingswaarde van het leasinggoed, zoals vermeld in de leasingovereenkomst, verminderd met het bedrag van de aankoopoptie. Die waarde wordt afgeschreven volgens de normale gebruiksduur van het in leasing genomen goed, die niet altijd overeenstemt met de looptijd van de leasingovereenkomst.
117
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen VOORBEELD
Een vennootschap sluit een financiële-leasingcontract af voor een personenwagen Audi A6 voor een periode van 3 jaar. Zij moet de geleasede wagen lineair afschrijven tegen 20 % per jaar. Als de vennootschap na 3 jaar de koopoptie niet licht, zal zij de geleasede wagen aan de leasingmaatschappij teruggeven en een uitzonderlijke afschrijving boeken ten bedrage van de resterende boekwaarde van de auto.
11.2
Fiscaal aanvaarde afschrijvingsmethoden
11.2.1 Lineaire afschrijvingsmethode Bij de lineaire afschrijvingsmethode blijven de afschrijvingskosten in principe elk jaar gelijk door een vast percentage toe te passen op de aanschaffings- of beleggingswaarde van het actiefbestanddeel. Het lineaire afschrijvingspercentage wordt verkregen door het cijfer 100 te delen door het aantal jaar van de normale gebruiksduur van het afschrijfbare actiefbestanddeel.
11.2.2 Degressieve afschrijvingsmethode (art. 64 WIB 1992) Vennootschappen mogen het degressieve afschrijvingsstelsel niet toepassen op activa verkregen of tot stand gebracht vanaf 1 januari 2020 (art. 196 WIB 1992). Op investeringen gedaan tot en met 31 december 2019 kunnen de gestarte degressieve afschrijvingen verdergezet worden, ook na 01.01.2020. Het jaarlijkse degressieve afschrijvingsbedrag wordt verkregen door een vast percentage toe te passen op de nog niet afgeschreven boekwaarde van de activa (de residuwaarde). Zodra het degressieve afschrijvingsbedrag kleiner wordt dan het lineaire afschrijvingsbedrag, mag de vennootschap overstappen op de lineaire methode zonder enige formaliteit te vervullen.
11.2.3 Progressieve afschrijvingsmethode Bij de progressieve afschrijvingsmethode worden prijsannuïteiten afgeschreven door elke schijf van de variabele vergoeding te delen door het aantal jaren dat overblijft tussen de datum van de totstandkoming van de vergoeding en de vermoedelijke levensduur van het actief (CBN-advies nr. 2012/9 van 6 juni 2012). De progressieve afschrijvingsmethode wordt gebruikt wanneer een vennootschap vaste activa, zoals cliënteel of goodwill, verwerft waarvoor een prijs wordt betaald die deels bestaat uit een later te betalen variabel gedeelte gelijk aan een bepaald percentage van het omzetcijfer dat werd gerealiseerd dankzij het overgenomen actiefbestanddeel. Bij een levensduur van tien jaar wordt de eerste schijf van de variabele vergoeding over tien jaar afgeschreven, de tweede schijf van de variabele vergoeding over negen jaar, de derde schijf over acht jaar enzovoort, en de tiende schijf ineens.
118
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
11.3
Gebruikelijke afschrijvingspercentages
De afschrijvingstermijnen en de afschrijvingspercentages worden niet vastgelegd door de wet. Als leidraad geeft de belastingadministratie een aantal aanvaardbare afschrijvingspercentages (Com.IB 61/104 tot 61/135).
11.3.1 Materiële vaste activa activa
afschrijvingspercentage
nijverheidsgebouwen
5%
kantoor- of handelsgebouwen
3%
winkeluitrusting
10 %
bureaumaterieel en -machines
10 %
meubilair
10 %
machines
10 %
wagens
20 %
informatica-apparatuur
20 % (mogelijk 33 %)
Zakelijke rechten op onroerende goederen De vergoedingen die een vennootschap betaalt om een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een onroerend goed te verkrijgen, worden afgeschreven over de duur van dat zakelijke recht of op basis van de kortere economische gebruiksduur van het onroerend goed. VOORBEELD
Een vennootschap koopt het vruchtgebruik van een kantoorgebouw voor een periode van 15 jaar tegen eenmalige vergoeding van 200 000,00 EUR. Die vergoeding voor het vruchtgebruik mag zij over 15 jaar afschrijven.
11.3.2 Immateriële vaste activa Fiscaal moeten immateriële vaste activa lineair worden afgeschreven over volgende minimumtermijn (behalve voor audiovisuele werken): – 3 jaar voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling; – 5 jaar voor al de overige immateriële investeringen. 1 Afschrijvingen op software Software die bestemd is om duurzaam te worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteit moet beschouwd worden als een immaterieel vast actief. De auteursrechtelijke bescherming bewijst immers dat software slaat op een intellectuele prestatie.
119
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
2 Afschrijvingen op goodwill Als een eenmanszaak wordt verkocht of ingebracht in een vennootschap, wordt er een vergoeding betaald voor de goodwill. Onder het begrip goodwill vallen diverse immateriële activa die medebepalend zijn voor de waarde van een onderneming zoals de naam, de reputatie en de clientèle. In de praktijk maakt de clientèle dikwijls het hoofdbestanddeel uit van de goodwill. Als een vennootschap de clientèle of het handelsfonds verwerft, mag de afschrijvingstermijn nooit korter zijn dan 5 jaar. Bij discussie wordt 10 tot 12 jaar als redelijk beschouwd (Parl. Vr. nr. 199, 9 september 1992). Als de vennootschap een sneller afschrijvingsritme wil, moet zij de bijzondere oorzaken van de waardedaling uiteenzetten. In de praktijk is de stabiliteit van het klantenbestand doorslaggevend. Als een clientèle op zeer korte termijn roteert en stelselmatig volledig vervangen wordt, is het op een korte termijn afschrijfbaar. Een vast en duurzaam clientèle daarentegen moet afgeschreven worden over een langere periode.
11.4
Begin van de afschrijvingen
Een vennootschap mag beginnen afschrijven vanaf het moment dat de investering is verkregen of tot stand is gebracht.
11.4.1 Tijdstip van aanvang van de afschrijvingen Twee tijdstippen zijn bepalend voor de datum van verkrijging of totstandkoming van de investering (ComIB92, 61/84): – datum van werkelijke levering van het actiefbestanddeel; – datum van de juridische eigendomsoverdracht van een voltrokken koop, ook al is het nog niet geleverd en/of betaald. Men kan pas juridische eigenaar worden als er overeenstemming is tussen de twee partijen over de prijs en de zaak (m.a.w. het actiefbestanddeel moet geïndividualiseerd zijn).
11.4.2 Vooruitbetalingen Voor investeringen in aanmaak waarvoor een overeenkomst is gemaakt (een bestelling of aanneming) mag de vennootschap al afschrijvingen boeken op de betalingen die ze tijdens het boekjaar effectief heeft verricht en geboekt (ComIB 61/86). Deze vervroegde afschrijving op het bedrag van de vooruitbetaling is facultatief. Activa in aanbouw die de vennootschap zelf tot stand brengt en nog niet zijn voltooid op het einde van het jaar, zijn al afschrijfbaar op basis van de tot dan bestede vervaardigingsprijs.
11.5
Eerste afschrijvingsbedrag
Boekjaar met looptijd van twaalf maanden Alle vennootschappen zijn verplicht om pro rata temporis af te schrijven in het boekjaar van verkrijging of totstandkoming van hun immateriële en materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur (art. 196, § 2, 1° WIB 1992).
120
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Vennootschappen moeten de eerste afschrijving op dagbasis berekenen over de bezitsduur van de investering, ongeacht de toegepaste afschrijvingsmethode. Het verloren gedeelte van de jaarafschrijving uit het jaar van verwerving is wel nog bruikbaar in het boekjaar dat volgt op het laatste boekjaar van een normale vaste annuïteit. VOORBEELD 1
Op 01-12-2025 kocht een bestaande kleine vennootschap (boekjaar volgens kalenderjaar) een nieuwe personenwagen aan voor 60 000,00 EUR plus 12 600,00 EUR btw. De vermoedelijke levensduur is vijf jaar. De vennootschap kon 50 % van de betaalde btw op die personenwagen terugvorderen. Voor het aanslagjaar 2026 wordt de fiscaal aanvaarde afschrijving op die personenwagen als volgt berekend: 66 300,00 × 20 % × 31/365 = 1 126,19 EUR. VOORBEELD 2
Op 20-08-2025 kocht een bestaande kleine vennootschap (boekhouding volgens kalenderjaar) zes nieuwe computers aan, die ze lineair afschrijft over drie jaar. Factuurbedrag = 15 000,00 EUR, exclusief 21 % btw. De fiscaal aanvaarde afschrijving voor aanslagjaar 2026 is als volgt te berekenen: 15 000,00 × 1/3 × 134/365 = 1 835,62 EUR. Boekjaar korter of langer dan twaalf maanden Voor activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een boekjaar dat langer of korter is dan twaalf maanden, ondergaat de eerste afschrijvingsannuïteit een dubbele pro rata: – pro rata op maandbasis in functie van de lengte van het boekjaar; én – pro rata op dagbasis in verhouding tot de bezitsduur van de investering. De administratie heeft daarvoor een dubbele breuk uitgewerkt (Com.IB 61/8788). De eerste maandbreuk past de jaarafschrijving aan in verhouding tot het aantal volle maanden van het boekjaar (lengte boekjaar uitgedrukt in maanden). De tweede dagbreuk prorateert de afschrijving tijdsevenredig aan de bezitsduur van de investering (bezitsduur uitgedrukt in dagen): dagen bezitsduur aantal maanden boekjaar aantal ____________________ ___________________ × jaarafschrijving × 12 aantal dagen boekjaar VOORBEELD
Een nieuwe kleine vennootschap (btw-plichtig) werd opgericht op 16-05-2024 en sloot haar eerste boekjaar af op 31-12-2025. Op 12-11-2025 kocht zij kantoormeubilair aan voor 12 000,00 EUR, exclusief btw. Het kantoormeubilair wordt lineair afgeschreven over vijf jaar. Voor het eerste boekjaar van twintig maanden bedraagt de afschrijving op het meubilair: 12 000,00 × 20 % × 20/12 × 50/595 = 336,13 EUR.
11.6
Bijkomende aankoopkosten
Voor de bij de aankoop komende kosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen kleine en grote vennootschappen (art. 196, § 4 WIB 1992). Kleine vennootschap Kleine vennootschappen mogen de bijkomende aankoopkosten op twee manieren ten laste nemen (art. 196, § 4, lid 1 WIB 1992): – ineens afschrijven in het boekjaar waarin de kosten zijn gemaakt (= aan 100 %); – gespreid afschrijven op dezelfde wijze als de hoofdsom van de activa.
121
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Wanneer de vennootschap de bijkomende aankoopkosten ineens afschrijft (afschrijvingspercentage = 100 %), dan worden de kosten aan 100 % ten laste van het resultaat gelegd van het boekjaar waarin de kosten zijn gemaakt. Die afschrijving hoeft niet verdeeld te worden over twee boekjaren, aangezien de fiscale proratering enkel van toepassing is op de eerste afschrijvingsannuïteit van de hoofdsom van de activa, en niet op de bij de aankoop komende kosten. VOORBEELD
Een ziekenhuis-nv (niet btw-plichtige vennootschap) met boekjaar volgens kalenderjaar kocht op 08-12-2025 een nieuwe medische installatie voor 100 000,00 EUR plus 21 000,00 EUR btw (levensduur = tien jaar). Als die bv een kleine vennootschap is voor aanslagjaar 2026, mag ze de 21 000,00 EUR niet-aftrekbare btw in één keer (aan 100 %) afschrijven in het jaar van aanschaf. Daarnaast bedraagt de eerste geprorateerde lineaire afschrijvingsannuïteit dan: 100 000,00 × 10 % × 24/365 = 657,53 EUR. Grote vennootschap Grote vennootschappen die niet beantwoorden aan de groottecriteria van art. 1:24 §§ 1-6 WVV, moeten de bij de aankoop komende kosten op dezelfde wijze en volgens hetzelfde ritme afschrijven als de activa waarop de kosten slaan (art. 196, § 4, lid 2 WIB 1992). VOORBEELD
Een ziekenhuis-nv (niet btw-plichtig met boekjaar volgens kalenderjaar) kocht op 10-11-2025 een medisch apparaat van 400 000,00 EUR + 84 000,00 EUR btw (levensduur = tien jaar). Is die bv een grote vennootschap voor aanslagjaar 2026, dan moet ze de 84 000,00 EUR niet-aftrekbare btw samen met de aankoopprijs van 400 000,00 EUR activeren en afschrijven tegen 3 % per jaar. Ingevolge de verplichte proratering voor het jaar van aanschaf wordt de eerste afschrijvingsannuïteit beperkt op dagbasis tot: 484 000,00 × 10 % × 52/365 = 6 895,34 EUR. Uitzondering 1. Alle vennootschappen moeten de bijkomende aankoopkosten van personenwagens, wagens voor dubbel gebruik en minibussen (zoals de niet-aftrekbare btw) steeds tegen hetzelfde tempo als het voertuig zelf afschrijven, tenzij die wagens uitsluitend voor een taxidienst of voor verhuring met chauffeur worden gebruikt. Uitzondering 2. Alle vennootschappen die gronden (al dan niet bebouwd) aankopen, mogen een waardevermindering boeken ten belope van de bijkomende aankoopkosten van de grond in het jaar van aankoop (bv. registratieen notariskosten).
11.7
Oprichtingskosten en onrechtstreekse productiekosten
Art. 62 WIB 1992 voorziet een bijzondere afschrijvingsregeling voor: – oprichtingskosten; – onrechtstreekse productiekosten. Oprichtingskosten en onrechtstreekse productiekosten zijn afschrijfbaar naar wens.
122
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Dat wil zeggen: – ofwel ineens afschrijven tijdens het boekjaar waarin ze zijn gemaakt; – ofwel afschrijven volgens een eigen lineair afschrijvingsritme, gespreid over het aantal jaren dat de vennootschap zelf kiest (zonder onderbreking); – ofwel samen en aan hetzelfde ritme afschrijven als het hoofdbestanddeel zelf.
11.8
Einde van de afschrijvingen
Afschrijvingen worden door de administratie niet toegelaten voor het boekjaar waarin: – de activa al volledig zijn afgeschreven; – de activa zijn vervreemd of vernield (dan wordt een meer- of minderwaarde bepaald). Wanneer een onderneming in vereffening gaat of een vestiging sluit, kan zij wel een uitzonderlijke afschrijving boeken. Volgens het eenjarigheidsbeginsel zijn uitzonderlijke afschrijvingen pas fiscaal aftrekbaar als ze worden geboekt in het boekjaar waarin het actief buiten gebruik is gesteld.
11.9
Afschrijvingsexcedenten
Wanneer er boekhoudkundig meer is afgeschreven dan het fiscaal toegelaten bedrag, spreken we van een afschrijvingsexcedent of overdreven afschrijvingen. Een afschrijvingsexcedent wordt als een belastbare reserve opgenomen in het fiscaal resultaat van de vennootschap (art. 24, eerste lid, 4° WIB 1992). In de aangifte is daarvoor een regel voorzien in het vak ‘BELASTBARE GERESERVEERDE WINST’, onder ‘onzichtbare reserves’ (overdreven afschrijvingen). Afschrijvingsexcedenten kunnen in een later boekjaar ingehaald worden, zodra de fiscaal toelaatbare afschrijving groter is dan het geboekte afschrijvingsbedrag. Die inhaling gebeurt in de aangifte VenB. door het belaste excedent te verminderen.
11.10 Afschrijvingstekorten Een afschrijvingstekort doet zich voor als de fiscaal aanvaardbare afschrijving hoger is dan de door de vennootschap geboekte afschrijving. Afschrijvingstekorten mogen worden ingehaald tijdens latere jaren, tot en met de volledige recuperatie van de aanschaffings- of beleggingswaarde. Dit heeft meestal een verlenging van de afschrijvingsperiode tot gevolg.
11.11 Terugneming van afschrijvingen Afschrijvingen m.b.t. immateriële en materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur mogen worden teruggenomen wanneer blijkt dat het ervoor toegepaste afschrijvingsplan, wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden, een te snelle afschrijving tot gevolg heeft gehad. Via de boeking op een rekening 760-terugneming van afschrijvingen behoort de terugname tot de belastbare winst.
123
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Latere afschrijvingen op bedoelde terugneming worden geweigerd, vermits de totale fiscale afschrijving de aanschaffingswaarde of beleggingswaarde van de betrokken bestanddelen niet mag overtreffen.
11.12 Afschrijvingen op de herwaarderingen van vaste activa Als de vennootschap een afschrijving boekt op geherwaardeerde activa, worden de afschrijvingen die slaan op die herwaarderingsmeerwaarde fiscaal niet aanvaard. Het aldus geboekte afschrijvingsbedrag wordt in de belastbare winst opgenomen door de herwaarderingsmeerwaarde om te zetten van een vrijgestelde reserve in een belaste reserve ten bedrage van de geboekte afschrijvingen (zie het hoofdstuk over de belastbare reserves). Hier vindt geen correctie via afschrijvingsexcedenten of verworpen uitgaven plaats. Voor de bespreking van alle voorwaarden en modaliteiten verwijzen wij naar het onderdeel ‘Aanpassingen in meer van de begintoestand van de reserves’ van het hoofdstuk over de belastbare reserves.
12
Waardeverminderingen
Naast de oprichtingskosten, immateriële en materiële vaste activa met beperkte levensduur kunnen ook de andere actiefbestanddelen in waarde dalen zoals voorraden, obligaties en vorderingen. De vennootschap kan de boekwaarde ervan aanpassen aan hun werkelijke waarde door een waardevermindering te boeken langs het debet van de resultatenrekening. Als die activa effectief minder waard zijn geworden, behoren de geboekte waardeverminderingen fiscaal tot de aftrekbare beroepskosten. Voor de waardeverminderingen op aandelen heeft de wetgever een specifieke reglementering uitgewerkt (zie het hoofdstuk over verworpen uitgaven). Voor de waardeverminderingen op twijfelachtige handelsvorderingen heeft de fiscale wetgever een specifieke reglementering uitgewerkt (zie het hoofdstuk over de vrijgestelde reserves).
13
Vennootschapsbijdrage
De Belgische vennootschappen moeten jaarlijks een vennootschapsbijdrage betalen via de sociale verzekeringsfondsen, die bestemd is voor het sociaal statuut der zelfstandigen. De bijdrage is aftrekbaar als beroepskost. Een verhoogde vennootschapsbijdrage is verschuldigd wanneer het balanstotaal van het voorlaatst afgesloten boekjaar een bepaald maximum overschrijdt. Vennootschapsbijdrage jaar 2025:
124
Is het balanstotaal 2023 ≤ 858 605,72 EUR
Basisbijdrage = 399,73 EUR
Is het balanstotaal 2023 > 858 605,72 EUR
Verhoogde bijdrage = 998,47 EUR
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Vennootschapsbijdrage jaar 2026: Voor 2026 blijft het tarief afhankelijk van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar. Voortaan zijn er drie verhoogde tarieven in plaats van één. De tabel hierna bevat de grensbedragen en tarieven voor het bijdragejaar 2026. Kleine vennootschappen betalen iets minder dan in 2025, terwijl de bijdrage voor de grootste vennootschappen stijgt. Balanstotaal boekjaar 2024 0,00 EUR tot 879 163,00 EUR
Bijdrage in 2026 393,11 EUR
879 163,00 EUR tot 5 119 716,00 EUR
1 023,95 EUR
5 119 716,00 EUR tot 10 239 431,00 EUR
1 535,91 EUR
Meer dan 10 239 431,00 EUR
2 047,89 EUR
Pas opgerichte vennootschappen hebben geen voorlaatst afgesloten boekjaar waarop de bijdrage gebaseerd kan zijn. Zij betalen de vennootschapsbijdrage volgens het laagste tarief. Vrijstelling voor jonge personenvennootschappen Startende vennootschappen die niet de vorm van een nv hebben, kunnen tijdelijk vrijgesteld worden van bijdragebetaling gedurende de eerste drie jaar op voorwaarde dat: – de bestuurder(s) ten hoogste 3 jaar zelfstandige zijn geweest in de 10 jaar voor de oprichting van hun vennootschap, en – de meerderheid van de werkende vennoten die geen bestuurder zijn, ten hoogste 3 jaar zelfstandigen zijn geweest in de 10 jaar voorafgaand aan de oprichting. – ze ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO). Die vrijstelling moet aangevraagd worden bij het sociaal verzekeringsfonds via een modelformulier. Vrijstelling voor niet-actieve vennootschap Indien een vennootschap gedurende een bepaald jaar geen enkele activiteit gehad heeft, is de vennootschapsbijdrage voor dat jaar ook niet verschuldigd. Zij moet dan die niet-activiteit wel kunnen bevestigen op basis van een attest van de controle vennootschapsbelasting waaruit blijkt dat ze gedurende het volledige kalenderjaar geen enkele activiteit heeft uitgeoefend.
125
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
14
Oefeningen
Oefening 1 De nv Verona voert haar boekhouding per kalenderjaar. Gedurende het boekjaar 2025 heeft zij diverse intresten geboekt onder de rekening 650 ‘Financiële kosten’. In welke mate zijn die intresten fiscaal aftrekbaar als beroepskosten? 1 Op 28-02-2025 leende nv Verona 300 000,00 EUR bij de commerciële Belgische nv Kemmo. Er werd overeengekomen dat nv Verona in 2025 nog geen kapitaalbedrag hoeft terug te betalen. De contractueel bedongen rentevoet bedraagt 8,5 % op jaarbasis. Op die lening betaalde nv Verona 21 250,00 EUR aan intresten in 2025. Uit offertes van andere bankinstellingen bleek dat de marktrente voor een dergelijke lening 3 % per jaar bedraagt, gelet op de aard, de looptijd en de gestelde waarborgen van het krediet. De nv Verona kan het verschil tussen de betaalde intrest en de marktrente niet verklaren. 2 Op 30-03-2025 sloot nv Verona een lening van 50 000,00 EUR af bij Fortis Bank tegen een vaste rentevoet van 3 % op jaarbasis. Met dat geld deed ze voorafbetalingen op de VenB. De nv Verona betaalde in 2025 op die lening een intrest gelijk aan 1 125,00 EUR intrest (50 000,00 × 3 % × 9/12). 3 De nv Verona betaalde 37 500,00 EUR intresten op een lening van 250 000,00 EUR bij een holdingvennootschap die gevestigd is in Liechtenstein. 4 De nv Verona betaalde 400,00 EUR intresten (10 % op jaarbasis) wegens laattijdige betaling van een omvangrijke inkomende factuur van geleverde handelsgoederen. 5 De nv Verona betaalde een intrest van 350,00 EUR als tussenkomst in de private intrestlast van de zaakvoerder, uit een persoonlijke lening om een boot te kopen. 6 Op 1 november 2025 leende de nv Verona bij KBC 30 000,00 EUR tegen een intrestvoet van 2,5 % ter financiering van een installatie. De kapitaalaflossingen en intresten zijn driemaandelijks betaalbaar, voor de eerste keer op 1 februari 2026. Op 31 december 2025 boekte de vennootschap de volgende journaalpost: 6500
Financiële kosten van leningen 125,00 @ 492 Toe te rekenen intrestkosten
125,00
Oefening 2: fiscaal aanvaardbare afschrijvingen De bestaande nv UBIZEN (kleine vennootschap) voert haar boekhouding per kalenderjaar. Op 15-102025 kocht zij een bestaand kantoorgebouw met woonruimte aan voor de prijs van 600 000,00 EUR met de volgende waardebepaling: – waarde van de grond = 200 000,00 EUR – waarde van het gebouw = 400 000,00 EUR De nv betaalde daarvoor 72 000,00 EUR aan bijkomende kosten (60 000,00 EUR registratiebelasting en 12 000,00 EUR ereloon van de notaris).
126
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
Het gebouw wordt voor 70 % door de vennootschap gebruikt als kantoor. De overige 30 % is het bewoonbare gedeelte dat de nv gratis ter beschikking stelt aan haar afgevaardigd bestuurder. Er wordt tegen 3 % per jaar lineair afgeschreven. Bereken de fiscaal aanvaardbare afschrijvingskosten voor aanslagjaar 2026. Oefening 3: fiscaal aanvaardbare afschrijvingen Een bv werd opgericht op 03-02-2025 en sloot haar eerste boekjaar af op 31-12-2025. Op 04-04-2025 kocht zij een professionele hogedrukreiniger voor een bedrag van 120 000,00 EUR, exclusief btw. Zij raamt de levensduur op 4 jaar en de administratie stemt hiermee in. Welke afschrijvingskosten zijn fiscaal aanvaardbaar? Oefening 4: fiscaal aanvaardbare afschrijvingen Een bestaand Universitair Ziekenhuis (niet btw-plichtig) baat haar hospitaal uit in de vorm van een handelsvennootschap (boekjaar = kalenderjaar). Op 15-05-2025 kocht zij drie nieuwe ziekenwagens aan bij een Belgische leverancier voor 40 000,00 EUR/wagen, exclusief 21 % btw. Het ziekenhuis schrijft die wagens lineair af over 5 jaar. Voor het boekjaar 2025 vinden we de volgende bedragen terug onder de afschrijvingskosten: – op de wagens: (3 × 40 000) : 120 000 × 20 % = 24 000,00 EUR – op de betaalde btw: 120 000 × 21 % = 25 200,00 EUR Zijn die geboekte afschrijvingen fiscaal aanvaardbaar? Oefening 5: ficheverplichting voor erelonen, commissielonen enz. Moet de vennootschap in de onderstaande situaties een fiche 281.50 opmaken en zo ja, voor welk bedrag? 1 Een nv betaalt een factuur van 3 000,00 EUR + 630,00 EUR btw aan een advocaten-bv voor de verdediging van haar belangen in een fiscaal geschil. 2 Een nv ontving een factuur van 500,00 EUR van een zelfstandig controlearts (factuur met vrijstelling van btw als kleine onderneming). 3 De farmaceutische vennootschap Omega Pharma schenkt een iPad aan een zelfstandige apotheker. Omega Pharma heeft die iPad aangekocht voor 600,00 + 126,00 btw. 4 Een nv betaalt een factuur aan een notaris voor het verlijden van een akte van vruchtgebruik: 2 000,00 + 420,00 btw. 5 Een nv ontving een factuur van een Nederlandse accountantsvennootschap (BV) voor het vervullen van haar btw-formaliteiten ten opzichte van de Nederlandse fiscus: 1 400,00 EUR. 6 Een nv betaalt een factuur van 820 EUR + 172,20 EUR btw als commissielonen aan een Belgische zelfstandige vertegenwoordiger voor zijn geleverde verkoopprestaties.
127
Hoofdstuk 5 De aftrekbare beroepskosten van vennootschappen
7 Een nv ontving een factuur van een zelfstandige architect voor het tekenen van verbouwingsplannen die aan haar bedrijfsgebouw uitgevoerd zullen worden. Factuurbedrag = 2 400,00 + 504,00 btw. De nv betaalt die factuur pas in een volgend kalenderjaar. 8 Een bv – groothandel in speelgoed – schenkt een bloemstuk ter waarde van 200,00 EUR (inclusief btw) aan een van haar klanten (een zelfstandige uitbaatster van een speelgoedwinkel) voor haar huwelijk. 9 Een nv betaalt een factuur van 250,00 EUR + 21 % btw aan een nv gerechtsdeurwaarderskantoor voor het schrijven van aanmaningsbrieven. 10 Een nv betaalt aan een particulier 100,00 EUR per maand voor het aanbrengen van reclame m.b.t. de nv aan de zijgevel van diens enige eigen woning. 11 Een nv ontving een factuur voor commissielonen uit Dubai: 2 000,00 EUR. Oefening 6: rapporteringsverplichting huur Moet de vennootschap in onderstaande situaties de bijlage 270 MLH toevoegen als bijlage bij haar aangifte vennootschapsbelasting aanslagjaar 2026? Geval 1 Vanaf 01-01-2025 huurt de vennootschap (boekjaar per kalenderjaar) een gebouwd onroerend goed van haar bedrijfsleider en zijn echtgenote. De vennootschap heeft in 2025 de volledige huur voor de komende 9 jaren vooruitbetaald (45 000,00 EUR) aan haar bedrijfsleider en zijn echtgenote. De bedrijfsleider en zijn echtgenote opteren in de personenbelasting voor de gespreide taxatie van de huur en voegen hiertoe een schriftelijk en onherroepelijk akkoord toe aan de aangifte. Ze delen dit mee aan de vennootschap, samen met hun rijksregisternummers. In de boekhouding draagt de vennootschap de huur via overlopende rekening voor 8/9 over naar de volgende jaren (40 000,00 EUR). Geval 2 De vennootschap (boekjaar per kalenderjaar) huurt een gebouwd onroerend goed van haar bedrijfsleider. Ze heeft in 2022 de volledige huur voor de komende 9 jaren vooruitbetaald aan haar bedrijfsleider (45 000,00 EUR). Via overlopende rekeningen wordt een deel van die huur als beroepskost afgetrokken in 2025 (5 000,00 EUR). De onroerende voorheffing wordt contractueel ten laste gelegd van de huurder. Het aanslagbiljet in de OV voor aanslagjaar 2025 van 1 200,00 EUR werd door de bedrijfsleider ontvangen op 15-082025 en doorgerekend aan de huurder. De vennootschap betaalde op 15-10-2025 dit bedrag terug aan de verhuurder en boekte dit integraal in kosten. Geval 3 Een natuurlijk persoon verkocht op 01-07-2025 het vruchtgebruik op een kantoorgebouw aan de vennootschap (boekhouding per kalenderjaar) voor 300 000 EUR (betaald in 2025). De bedrijfsleider van de vennootschap kocht de blote eigendom van het kantoorgebouw aan. De vennootschap schrijft het vruchtgebruik af op 20 jaar. In boekjaar 2025 boekte de vennootschap in kosten: 300 000 EUR × 1/20 × 184/365 = 7 561,64 EUR.
128