Hoofdstuk 2 ie uit een misdrijf d n e g n i r e d r o V ontstaan
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
Uit een misdrijf ontstaat in de regel de strafvordering. Dat wil zeggen dat doordat het misdrijf gepleegd werd, het Openbaar Ministerie een vordering kan instellen in naam van de maatschappij om de pleger van dit misdrijf te sanctioneren door middel van een straf of een maatregel. Dit is de strafvordering. VOORBEELD
Als iemand een diefstal pleegt, kan het Openbaar Ministerie in naam van de maatschappij een vordering instellen voor de rechtbank om deze persoon te straffen voor de feiten. Het gevolg van een misdrijf is dikwijls ook dat er schade toegebracht werd. Dit geeft aanleiding tot een burgerlijke vordering door de benadeelde of het slachtoffer. De burgerlijke vordering wordt niet ingesteld door het Openbaar Ministerie, maar door degene die effectief benadeeld werd. De benadeelde stelt een burgerlijke vordering in om zijn schade vergoed te zien, of tot teruggave van wat hem ontnomen is. VOORBEELD
De benadeelde van deze diefstal kan de strafvordering niet instellen, maar wel een burgerlijke vordering om de schade te vergoeden die hij door de diefstal geleden heeft (teruggave van de gestolen goederen en vergoeding van de schade). Deze burgerlijke vordering kan enkel door het slachtoffer ingesteld worden en niet door het Openbaar Ministerie. Niet elk misdrijf heeft schade tot gevolg; een misdrijf kan bestaan zonder dat er schade is (bv. dronken een voertuig besturen, verboden wapendracht, valsheid in geschriften zonder dat die gebruikt werden enz.). Dit misdrijf geeft dan enkel aanleiding tot strafvordering.
1
De strafvordering
1.1
De uitoefening van de strafvordering
1.1.1
Het Openbaar Ministerie
Volgens art. 28quater, tweede lid Sv. oefent de procureur des Konings de strafvordering uit op de wijze die de wet bepaalt.
1.1.1.1
Wie is het Openbaar Ministerie?
Bij de rechtbank van eerste aanleg is er de procureur des Konings en zijn substituten. Een aantal van deze substituten zijn aangeduid als eerste substituut; in voorkomend geval zijn er daarnaast nog toegevoegde substituten, en naargelang van hun specialisatie fiscale, economische en strafuitvoeringssubstituten. Gerechtelijk stagiairs zijn afgestudeerd in de rechten (doctor, licentiaat of master) en moeten vooraf gedurende minstens één jaar een stage gedaan hebben aan de balie of andere juridische functies uitgeoefend hebben. Als zij aangesteld worden als gerechtelijk stagiair bij een parket krijgen zij het statuut van officier van gerechtelijk politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Ze hebben niet de hoedanigheid van magistraat, maar kunnen na zes maanden aangesteld worden om het ambt van Openbaar Ministerie uit te oefenen.
27
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
Bij de arbeidsrechtbank is er het arbeidsauditoraat met de arbeidsauditeur en de substituten arbeidsauditeurs, die de vorderingen doen voor de strafrechtbanken in sociale zaken. Bij het hof van beroep bestaat het Openbaar Ministerie uit de procureur-generaal bij het hof van beroep, de advocaten-generaal en de substituten procureur-generaal. Bij het arbeidshof bestaat het Openbaar Ministerie uit de procureur-generaal bij het hof van beroep, de advocaten-generaal en de substituten-generaal. Bij het Hof van Cassatie is er de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en zijn/haar advocaten-generaal. Het federaal parket bestaat uit de federale procureur en achttien federale magistraten: zij zijn bevoegd voor het volledige grondgebied van het Rijk en treden voornamelijk op in dossiers die het grondgebied van een arrondissement of een rechtsgebied overschrijden, of die een internationale dimensie hebben, en bij de behandeling van complexe gespecialiseerde zaken (art. 144ter, § 1 Ger.W.). Ze treden op als Openbaar Ministerie voor de politierechtbanken, de correctionele rechtbanken, de hoven van beroep en de hoven van assisen. Door de wet van 17 februari 2021 werd de ‘Europese aanklager’ ingevoerd in het wetboek van straf vordering (art. 47quaterdecies en quindecies Sv.). Dat is de openbaar aanklager van het ‘Europees parket voor fraudebestrijding’. De Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklager bezitten alle wettelijke bevoegdheden van de procureur des Konings. Zij kunnen over het hele grondgebied opsporingshandelingen of handelingen van het gerechtelijk onderzoek verrichten of gelasten die tot hun bevoegdheden horen, en de strafvordering instellen. Het Europees parket voor fraudebestrijding is opgericht in juni 2021 om subsidiefraude met Europese gelden te voorkomen en te vervolgen. In het opsporingsonderzoek (zie de paragraaf hierover in het hoofdstuk over opsporing en onderzoek van strafbare feiten) zal de procureur des Konings vorderen voor de strafrechtbanken, de vonnisgerechten; in het gerechtelijk onderzoek (zie de paragraaf hierover in het hoofdstuk over opsporing en onderzoek van strafbare feiten) zal de procureur des Konings vorderen voor het onderzoeksgerecht (de raadkamer of de kamer van inbeschuldigingstelling). De strafvordering instellen wil dus zeggen: de zaak aanhangig maken bij een rechter. Het Openbaar Ministerie oordeelt over de vervolging op basis van het opportuniteitsbeginsel: de procureur des Konings kan zelf oordelen of het opportuun is om een zaak aanhangig te maken voor een rechtbank, dan wel te seponeren. Hij kan ook een buitengerechtelijke afhandeling, minnelijke schikking of bemiddeling in strafzaken verkiezen boven een vervolging. Of, sinds de wet van 5 februari 2016, is de mogelijkheid voorzien voor een VES, een ‘voorafgaande erkenning van schuld’, die deels buiten, deels in de rechtbank gebeurt. Over al die opties volgt verder meer (zie in het hoofdstuk ‘Afsluiting van het onderzoek – rechtspleging voor de onderzoeksgerechten’: 1 ‘Afsluiting van het opsporingsonderzoek’).
28
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
1.1.1.2 Kenmerken van het Openbaar Ministerie A Het Openbaar Ministerie is hiërarchisch opgebouwd De leden van een bepaald parket staan onder het gezag van het hoofd van dat parket, de procureur des Konings of procureur-generaal, die de gepaste en nodige onderrichtingen geeft. Het hoofd van het parket is onderworpen aan het toezicht van zijn hiërarchisch meerdere. De procureur-generaal bij het hof van beroep heeft gezag, leiding en toezicht over alle parketmagis traten in zijn rechtsgebied. Hij volgt de belangrijke zaken en staat in voor de strafvordering in zijn rechtsgebied. Hij moet, in onderling overleg met de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs, waken over een coherente en geïntegreerde uitoefening van de strafvordering in zijn rechtsgebied. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie heeft geen toezicht over de strafvordering in de onderscheiden rechtsgebieden; hij heeft enkel een disciplinair toezicht over de procureurs-generaal bij de hoven van beroep. De minister van Justitie maakt geen deel uit van het Openbaar Ministerie; hij oefent zelf niet de strafvordering uit; hij heeft niet de leiding, wel het toezicht en gezag over de magistraten van het Openbaar Ministerie. Hij oefent het tuchtrecht uit; de leden van het Openbaar Ministerie zijn magistraat van de rechterlijke orde, maar ze zijn niet onafzetbaar zoals de rechters. Het college van procureurs-generaal bestaat uit de procureurs-generaal van de hoven van beroep. Het college wordt voorgezeten door de minister van Justitie en beslist over de coherentie en coördinatie van het strafrechtelijk beleid en over de algemene werking van het Openbaar Ministerie. Als het college geen consensus bereikt, neemt de minister de nodige maatregelen om de toepassing van zijn richtlijnen te verzekeren. De uiteindelijke beslissingsmacht voor het vaststellen van prioriteiten bij de uitoefening van de strafvordering ligt bij de minister van Justitie. Eens de richtlijnen vastgelegd zijn, zijn ze bindend voor alle leden van het Openbaar Ministerie. De hiërarchisch meerdere kan elke ondergeschikte parketmagistraat verplichten om te vorderen wat hij voorschrijft en dus conclusies in die zin neer te leggen. Dit verhindert niet dat de magistraat ter zitting een ander standpunt kan innemen en vrij kan vorderen wat naar zijn overtuiging terecht is. ‘Si la plume est serve, la parole est libre.’ B Het Openbaar Ministerie is ondeelbaar De magistraten van het Openbaar Ministerie treden allen op als orgaan van één functionele eenheid; elk lid van het parket heeft binnen dat parket dezelfde bevoegdheid en ze kunnen elkaar dus vrij vervangen, zelfs tijdens de behandeling van een zaak. Ze treden nooit op in eigen naam en zijn dus verwisselbaar. VOORBEELD
Bij de vordering van het Openbaar Ministerie zegt men meestal niet: ‘Ik vorder ...’, maar ‘Mijn ambt vordert ...’. Dit duidt op de ondeelbaarheid van het Openbaar Ministerie: de procureur en zijn substituten treden op als één ambt. Uitzondering: in het sociaal strafrecht zijn de magistraten van het arbeidsauditoraat niet verwisselbaar met die van het gewone parket. Dit alles verhindert niet dat er binnen een parket een strikte werkverdeling doorgevoerd wordt.
29
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
C Het Openbaar Ministerie is onafhankelijk Het Openbaar Ministerie is een partij in de strafzaak en heeft als dusdanig geen bevelen of verbod te ontvangen van de rechtbank. Het Openbaar Ministerie is totaal onafhankelijk t.a.v. de rechtbank. Het vertolkt het standpunt van de gemeenschap en treedt op in haar naam. De magistraten van het Openbaar Ministerie hebben het recht om voor de rechtbank alles te zeggen wat hun nodig lijkt voor de uitoefening van de strafvordering en ze kunnen daar niet voor gestraft worden. Het positief injunctierecht van de minister van Justitie (art. 151 Ger.W. en art. 364 Sv.) De minister van Justitie kan de vervolging bevelen in een bepaalde zaak. Het Openbaar Ministerie moet dan volgen en de strafvordering inzetten. De minister heeft echter geen negatief injunctierecht en kan dus de vervolging die ingezet werd door het Openbaar Ministerie of die het Openbaar Ministerie wil inzetten niet verhinderen. Sinds 2014 bestaat het positief injunctierecht ook voor de regeringen van de deelstaten. De minister-president van de deelstaat bezorgt het verzoek aan de minister van Justitie.
1.1.2 De burgerlijke partij Het slachtoffer van een misdrijf kan een klacht indienen waarbij hij vraagt dat de pleger van het misdrijf vervolgd en eventueel gestraft zal worden. Een klacht stelt de strafvordering niet in werking; de klager signaleert aan de overheid dat een bepaald misdrijf gepleegd is en stelt geen burgerlijke vordering in. Dit verschilt van de ‘burgerlijke partijstelling’ waarbij het slachtoffer vergoeding vraagt voor de opgelopen schade. Als de strafvordering al ingesteld werd zal de burgerlijke vordering toegevoegd worden aan de strafvordering; als er nog geen strafvordering ingesteld werd, kan het slachtoffer zich volgens art. 63 Sv. burgerlijke partij stellen bij de onderzoeksrechter, en kan zo de strafvordering ook ingesteld worden. Dit is een belangrijk correctief op het monopolie van het Openbaar Ministerie om de strafvordering in te stellen. Op deze manier kan het slachtoffer zelf invloed uitoefenen op de strafvordering, bijvoorbeeld ingeval de zaak geseponeerd werd door het Openbaar Ministerie. Voor sommige zaken kan men zich niet burgerlijke partij stellen bij de onderzoeksrechter; bv. t.o.v. minderjarigen, parlementairen tijdens de zittijd van het parlement, personen die genieten van voorrecht van rechtsmacht … Het slachtoffer kan ook rechtstreeks dagvaarden voor de correctionele rechtbank inzake correctionele zaken (art. 64 Sv.). VOORBEELD
Er werd ingebroken bij mevrouw Houben: het slot van de deur werd opengebroken en er was 50,00 EUR gestolen. De politie kon de dader, buurjongen Alex, vatten. Hij bekende onmiddellijk. Als het Openbaar Ministerie beslist om Alex te vervolgen en te dagvaarden voor de correctionele rechtbank, dan kan mevrouw Houben zich burgerlijke partij stellen en de teruggave van de 50,00 EUR en een vergoeding van de schade aan de deur vorderen voor de correctionele rechtbank. Als het Openbaar Ministerie beslist om de zaak te seponeren, aangezien het om een eerste misdrijf ging en de buit klein was, dan heeft mevrouw Houben de volgende mogelijkheden:
30
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
– ze kan zich burgerlijke partij stellen bij de onderzoeksrechter voor de 50,00 EUR en de vergoeding van de schade aan de deur, zodat Alex alsnog vervolgd wordt; – ze kan bij de rechtbank van eerste aanleg een burgerlijke vordering instellen tot betaling van 50,00 EUR en de schade aan de deur. Zij moet dan wel de fout van Alex bewijzen. Dit kan vrij eenvoudig door het proces-verbaal van verhoor van Alex waarin hij bekent; – ze kan rechtstreeks dagvaarden bij de correctionele rechtbank.
1.1.3 Anderen In bepaalde materies is het recht om de strafvordering in te stellen voorbehouden aan bepaalde besturen, met uitsluiting van of in samenwerking met het Openbaar Ministerie en/of de burgerlijke partij: – het Bestuur van Financiën inzake douane en accijnzen; – het Bosbeheer; – het Bestuur van Waters en Bossen.
1.2
Tegen wie wordt de strafvordering uitgeoefend?
De strafvordering wordt ingesteld tegen een persoon: een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. Deze persoon kan de dader of mededader zijn van een misdrijf. In het stadium van heel het onderzoek is deze persoon de ‘verdachte’; in het gerechtelijk onderzoek kan hij formeel ‘in verdenking gesteld’ worden door de onderzoeksrechter; vanaf dat ogenblik is hij de ‘inverdenkinggestelde’. Eenmaal de zaak aanhangig is voor de rechtbank wordt de verdachte de ‘beklaagde’, of de ‘beschuldigde’ voor het hof van assisen. De burgerrechtelijk aansprakelijke partij Men kan een persoon die burgerlijk aansprakelijk is voor de schade aangericht door de beklaagde (volgens art. 6.12 tot 6.15 NBW) ook in de zaak betrekken met het oog op een veroordeling tot betaling van (een deel van) de schadevergoeding en eventueel de gerechtskosten; maar dit is een burgerrechtelijke veroordeling en staat buiten de strafvordering als dusdanig.
1.3
Wijze van uitoefening van de strafvordering
Het Openbaar Ministerie kan op verschillende manieren kennis krijgen van een misdrijf: – door eigen waarneming; – door processen-verbaal van de politie; – door aangifte; – door klacht. Of het Openbaar Ministerie de strafvordering uitoefent of niet zal afhangen van het oordeel van de procureur des Konings: hij vormt zich een oordeel volgens het opportuniteitsbeginsel, m.a.w. hij zal beslissen of het wel de moeite loont om de strafvordering in te stellen. De procureur des Konings kan eveneens menen dat in een gegeven geval het beter is om de zaak te seponeren (= voorlopig zonder gevolg klasseren), omdat er niet voldoende bewijzen voorhanden zijn, omdat het gewicht van de zaak niet voldoende is (bv. diefstal van 2,00 EUR), omdat het een
31
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
eerste misdrijf is van de verdachte, of omwille van het negatieve sociale effect van de vervolging (bv. bij burenruzies), of omdat er op dit ogenblik niet kan vervolgd worden (bv. omdat de verdachte niet geïdentificeerd kan worden). Bovendien kan de procureur des Konings beslissen om een minnelijke schikking of bemiddeling in strafzaken of eventueel een ‘voorafgaande erkenning van schuld’ (VES) voor te stellen, in plaats van onmiddellijk te vorderen (zie de paragraaf over afsluiting van het opsporingsonderzoek in het hoofdstuk over afsluiting van het onderzoek).
1.3.1 Van ambtswege Het Openbaar Ministerie oefent de strafvordering van ambtswege uit als het kennis krijgt van een misdrijf door eigen waarneming of door een proces-verbaal. VOORBEELD 1
Bij een grote verkeerscontrole door de politie werden een aantal processen-verbaal gemaakt: drie chauffeurs reden onder invloed van alcohol, vijf reden aan te hoge snelheid, bij vier werd in de auto een kleine hoeveelheid cannabis aangetroffen en bij één chauffeur lagen er zelfs baseballbats en een ploertendoder in de auto. Van al deze feiten werden processen-verbaal opgemaakt die werden overgemaakt aan het Openbaar Ministerie: de procureur des Konings zal beslissen voor welke misdrijven hij de strafvordering zal instellen, voor welke hij een minnelijke schikking of bemiddeling in strafzaken zal voorstellen en welke misdrijven hij zal seponeren. VOORBEELD 2
Ter gelegenheid van een huiszoeking bij een persoon die ervan verdacht wordt drugs te dealen, wordt een grote hoeveelheid verboden wapens aangetroffen: het gaat om wapens die niemand in bezit mag hebben omdat er zelfs geen vergunning voor afgeleverd kan worden. De politieambtenaren die de vaststellingen doen, maken een proces-verbaal op. De onderzoeksrechter die de drugshandel onderzoekt, geeft de vaststellingen door aan de procureur des Konings omdat ze buiten het bestek van zijn drugshandelonderzoek vallen. De procureur des Konings zal moeten beslissen of hij de zaak verder zelf zal onderzoeken en er dus een opsporingsonderzoek van maakt, waarna hij kan dagvaarden voor de bevoegde rechtbank; of dat hij een onderzoeksrechter vordert en het onderzoek doorgeeft aan de onderzoeksrechter en er dus een gerechtelijk onderzoek van maakt; waarna hij zal vorderen voor de raadkamer.
1.3.2 Aangifte Aangifte van een misdrijf gebeurt als een persoon – niet slachtoffer van het misdrijf – de feiten gaat melden bij de politie of het parket. Ook nu is het aan de procureur des Konings om, op basis van het opportuniteitsbeginsel, te beslissen of hij de strafvordering zal inzetten. VOORBEELDEN
– Mijn buren zijn op vakantie. Ik heb vorige nacht allerlei geluiden gehoord rond hun huis, en nu blijkt een raam gebroken te zijn. Ik vermoed inbraak en ga dit vertellen bij de politie. De politie zal ter plaatse gaan, vaststellingen doen en die doorgeven aan de procureur des Konings. Die zal beslissen over het verdere verloop van de zaak.
32
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
– Mevrouw Drieskens heeft gezien hoe een aantal jongeren het bushokje in haar straat totaal verwoest hebben. Ze is verontwaardigd en doet aangifte bij de politie. Ze noemt daarbij namen, want ze heeft drie van de vier jongeren herkend. De politie neemt het verhaal van mevrouw Drieskens op in een proces-verbaal en geeft dit door aan het parket. De procureur des Konings zal beslissen wat er verder met dit verhaal gebeurt.
1.3.3 Klacht Klacht gebeurt door de persoon die slachtoffer geworden is van een misdrijf. Het feit dat de persoon klacht indient wil zeggen dat hij het gebeurde wil melden aan de politie en dat hij verwacht dat de persoon die hij aanduidt als verdachte vervolgd en zo nodig gesanctioneerd zal worden. Door een klacht in te dienen stelt men zich niet automatisch burgerlijke partij; men vraagt hier dus (nog) geen schadevergoeding. VOORBEELDEN
– Erika werd, toen ze ’s morgens op weg was naar het werk, ineens zonder reden aangevallen door een medereiziger. De persoon in kwestie had ruzie met andere mensen in de bus, en viel Erika aan omdat de manier waarop ze naar hem keek hem niet aanstond. Erika kreeg een paar klappen in het gezicht en was zwaar onder de indruk. Ze vraagt niet om schadevergoeding, omdat de schade in dit geval moeilijk te bepalen is, maar ze wil dit wel melden aan de politie omdat ze vindt dat er moet gezocht worden naar deze persoon, dat hij voor de rechter gebracht en gestraft moet worden zodat dit niet meer te vlug opnieuw gebeurt. – Mijnheer Vandeun dient klacht in tegen zijn buurman Geysen omdat deze vergif zou gestrooid hebben in het kippenhok van Vandeun. Want, zo zegt Vandeun, zijn twee kippen zijn allebei dood zonder aanwijsbare reden. De politie gaat op eigen initiatief een verklaring afnemen van Geysen. Deze ontkent. Van deze verklaring zal proces-verbaal opgemaakt worden, en ze zal doorgegeven worden aan het parket. De procureur des Konings zal beslissen wat er verder moet gebeuren. Deze zaak zal waarschijnlijk geseponeerd worden. Als mijnheer Vandeun volhardt, kan hij zich burgerlijke partij stellen bij de onderzoeksrechter en die zal hem een provisie laten betalen om verder onderzoek te doen, bijvoorbeeld het aanstellen van een veearts om autopsie te doen op de kippen. Als achteraf blijkt dat er geen spoor is van vergif moet Vandeun opdraaien voor de kosten van dit onderzoek; daarvoor heeft hij de provisie betaald.
1.4
Hinderpalen bij de uitoefening van de strafvordering
1.4.1 Schorsing van de strafvordering ingevolge de persoon van de verdachte – Leden van de federale kamers en van de gemeenschaps- en gewestraden: hier moeten we een onderscheid maken tussen de parlementaire onverantwoordelijkheid en de parlementaire onschendbaarheid: • Parlementaire onverantwoordelijkheid (art. 58 Gw.) betekent dat parlementairen, leden van de federale kamers, de gewestelijke of gemeenschapsraden niet vervolgd kunnen worden wegens het uitdrukken van een mening in de uitvoering van hun functie, zelfs als het gaat om een strafbare mening (racistische uitlatingen, laster en eerroof, ontkennen van de holocaust).
33
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
Zij beschikken dus over een totale vrijheid van meningsuiting in de uitoefening van hun mandaat, in zittingen van het parlement, tijdens werkzaamheden van commissies waarin ze zetelen enz. • Parlementaire onschendbaarheid (art. 59 Gw.) houdt eerder een beperking in van de voorwaarden waaronder een onderzoek tegen een parlementair kan ingesteld of voortgezet worden en van de voorwaarden om een parlementair te kunnen vervolgen. Als een lid van deze kamers of raden vervolgd wordt kan de betreffende kamer of raad met een meerderheid van twee derden beslissen om deze vervolging te schorsen voor de zittijd; dit op initiatief van de persoon die vervolgd wordt, of op eigen initiatief. – Ministers, staatssecretarissen (art. 101 Gw.) en leden van de gemeenschaps- of gewestregeringen (art. 124 Gw.) genieten van dezelfde strafrechtelijke onverantwoordelijkheid voor meningen geuit in de uitoefening van hun mandaat. Ze zijn onderworpen aan een speciale procedure voor misdrijven gepleegd tijdens de uitoefening van hun ambt, of voor misdrijven waarvoor ze tijdens hun ambtstermijn vervolgd worden (om het even wanneer gepleegd). Voor een aantal acties, zoals rechtstreekse dagvaarding en aanhouding buiten heterdaad is toelating van de wetgevende vergadering vereist. – Buitenlandse staatshoofden, regeringsleiders, ministers van Buitenlandse Zaken tijdens de periode dat ze hun functie uitoefenen, en andere personen van wie de immuniteit door het internationaal recht erkend is of door een verdrag dat België bindt, genieten van een strafrechtelijke immuniteit op grond van het internationaal gewoonterecht en van art. 1bis V.T.Sv. Immuniteit bestaat ook voor ieder persoon die door de Belgische autoriteiten of door een internationale organisatie waarmee België een zetelakkoord heeft officieel werd uitgenodigd om hier te verblijven (art. 1bis, § 2 V.T.Sv.) – Diplomatieke vertegenwoordigers van een vreemd land in België genieten, volgens de verdragen van Wenen van 1961, van immuniteit, net als de leden van het gezantschap en de familie van de diplomatieke ambtenaren. VOORBEELD
De dochter van een buitenlandse diplomaat wordt ‘geflitst’ terwijl ze op de autosnelweg met haar Porsche tegen een snelheid van 180 km/uur rijdt. De Belgische autoriteiten kunnen haar hiervoor niet vervolgen. – Consulaire ambtenaren genieten van immuniteit voor zover het gaat om handelingen gesteld tijdens de uitoefening van hun functie. – Voor de ambtenaren van supra- of internationale organisaties bestaan er verdragen over de toegekende immuniteit.
1.4.2 Schorsing van de strafvordering ingevolge een prejudicieel geschil Volgens art. 15 V.T.Sv. beslist de strafrechter over de geschillen van burgerlijk recht die voor hem worden opgeworpen naar aanleiding van misdrijven die bij hem aanhangig gemaakt worden. Soms moet hij zich daarbij gedragen naar de regels van burgerlijk recht (art. 16 V.T.Sv.). Maar uitzonderlijk
34
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
zal de strafrechter zich niet uitspreken over vragen of geschillen die bij hem opgeworpen worden naar aanleiding van een misdrijf, en ze voorleggen of opdragen aan een andere rechtscollege. Dit is een prejudiciële vraag of een prejudicieel geschil. De uitspraak van het rechtscollege aan wie deze vraag of dit geschil voorgelegd is, bindt de strafrechter. – Prejudiciële vragen: Er kan bijvoorbeeld een vraag gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof over conflicten tussen wetten, decreten en ordonnanties; vragen aan het Europees Hof van Justitie over interpretaties van Europese regelgeving, of vragen aan het Benelux-gerechtshof over interpretaties van het Benelux-verdrag. – Prejudiciële geschillen: • art. 16, tweede lid V.T.Sv.: Als de toelaatbaarheid van het getuigenbewijs afhangt van een geschrift dat ontkend wordt door degene tegen wie het is aangevoerd, dan moet het onderzoek naar de echtheid van dit geschrift voor de burgerlijke rechter worden bevolen. In dit geval zal de burgerlijke rechter dus eerst een uitspraak doen of het geschrift al dan niet echt is; de strafvordering wordt zolang geschorst. Als er een uitspraak is van de burgerlijke rechter, is de strafrechter hierdoor gebonden, en kan de strafprocedure verder gaan. • art. 17 en 18 V.T.Sv.: bij een betwisting over een onroerend eigendomsrecht of over een ander onroerend zakelijk recht kan de strafrechter de behandeling van de strafzaak schorsen en de beklaagde opdragen om de zaak binnen een bepaalde termijn (maximaal twee maanden) voor de burgerlijke rechter aanhangig te maken. VOORBEELD
Etienne wordt vervolgd wegens de diefstal van de oogst van drie grote perenbomen uit de boomgaard van Gerard. Etienne beweert dat die bomen op zijn grond staan en door natrekking zijn eigendom zijn; er is volgens hem geen sprake van diefstal. De burgerlijke rechtbank zal hier eerst moeten uitmaken wie eigenaar is van de grond waar de bomen op staan. Ook in andere rechtstakken kunnen er zich prejudiciële geschillen voordoen (bv. in het sociaal recht: het al dan niet bestaan van een arbeidsongeval). Bij een klacht wegens laster zal de strafvervolging geschorst worden als het feit van de tenlastelegging zelf het voorwerp van een strafprocedure uitmaakt. Men zal dan eerst de uitspraak in deze zaak moeten afwachten vooraleer men verder kan gaan met de strafvervolging wegens laster. VOORBEELD
Iemand wordt in het openbaar ten onrechte beschuldigd van diefstal. Men moet eerst de uitspraak in de procedure over de diefstal afwachten vooraleer men een uitspraak kan doen in de zaak van laster. Art. XVII 18 tweede lid WER: als er een vordering tot staking ingesteld is in verband met de feiten die ook voorgelegd zijn aan de strafrechter, kan de strafrechter niet beslissen over de strafvordering vooraleer er een definitieve uitspraak is van de stakingsrechter. Soms moet een prejudicieel geschil opgelost zijn vooraleer men de strafvordering nog maar kan instellen, bijvoorbeeld bij de verduistering van de staat van een kind (bv. onderschuiving van een kind art. 362 Sw.). Hier moet eerst de staat van het betrokken kind vastgesteld worden voordat men de strafvordering kan instellen en volgens art. 331 BW is enkel de familierechtbank bevoegd om de staat van een kind vast te stellen.
35
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
1.5
Verval van strafvordering
1.5.1 Overlijden van de verdachte Art. 20 V.T.Sv. De dood van de verdachte stelt een einde aan de strafvordering, in welke stand van het geding ook. Elke daad van vervolging gesteld na het overlijden van de verdachte is dus nietig. De strafrechtelijke veroordeling van een overledene is onwettig. Als de beklaagde overlijdt tussen het ogenblik van de veroordeling, en de dag waarop het vonnis of arrest kracht van gewijsde krijgt, wordt de uitspraak beschouwd als niet-bestaande.
1.5.2 Ontbinding of vereffening van een rechtspersoon Art. 20 V.T.Sv. De strafvordering vervalt niet noodzakelijk door de ontbinding of vereffening van een rechtspersoon; als kan aangetoond worden dat de ontbinding of vereffening tot doel hebben te ontsnappen aan de vervolging, of als de rechtspersoon door de onderzoeksrechter juist in verdenking gesteld werd (volgens art. 61bis) voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid, kan de strafvordering nog steeds uitgeoefend worden.
1.5.3 Amnestie Door het geven van amnestie is het feit dat vervolgd wordt of zou kunnen worden geen misdrijf meer. VOORBEELD
Fiscale amnestie: mensen die ‘zwart geld ’op een buitenlandse bankrekening hadden kregen de mogelijkheid om het terug legaal naar België te brengen, mits het betalen van een eenmalige lage fiscale ‘boete’. Amnestie voor de mensen die veroordeeld zijn wegens collaboratie gedurende de oorlog.
1.5.4 Opheffing van de strafwet Dit is de meest extreme toepassing van art. 2, tweede en derde lid Sw., de retro-activiteit van de mildere strafwet: als de strafwet wordt opgeheven op het ogenblik dat er nog geen definitieve beslissing ten gronde gevallen is over het gepleegde misdrijf, vervalt de strafvordering.
1.5.5 Minnelijke schikking (verval van strafvordering door betaling van een geldsom) Art. 216bis Sv. Zie de paragraaf over verval van strafvordering door betaling van een geldsom in het hoofdstuk over afsluiting van het onderzoek.
36
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
1.5.6 Bemiddeling in strafzaken of strafbemiddeling (verval van strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden) Art 216ter Sv. Zie de paragraaf over strafbemiddeling in het hoofdstuk over afsluiting van het onderzoek.
1.5.7 Dading Voor bepaalde misdrijven kan een ministerieel departement of een openbare dienst een einde stellen aan de strafvordering door een dading: een transactie of akkoord tot het betalen van een geldsom. Dit kan gebeuren door: – de administratie douane en accijnzen; – de Raad van het Belgisch-Luxemburgs Instituut voor de Wissel; – de administratie van de posterijen; – de administratie van Ruimtelijke ordening en stedenbouw; – de administratie van Volksgezondheid; – economische zaken voor sommige overtredingen.
1.5.8 Onmiddellijke inning bij verkeersovertredingen In art. 65 van de Wegverkeerswet is een systeem uitgewerkt waarbij door de onmiddellijke betaling van een geldsom na een verkeersinbreuk de strafvordering kan vervallen. De onmiddellijke inning wordt niet gedaan door het Openbaar Ministerie, maar door speciaal daartoe aangestelde ambtenaren van de politie of opsporingsambtenaren, onder toezicht van het parket. De dader is niet verplicht hierop in te gaan. Bij weigering wordt gewoon proces-verbaal opgemaakt. Het aanvaarden van de onmiddellijke inning kan de strafvordering doen vervallen, tenzij het Openbaar Ministerie, binnen een maand na betaling, de betrokkenen bij aangetekende brief op de hoogte brengt van zijn voornemen om toch te vervolgen. Het bedrag mag niet hoger zijn dan het maximum van de door de wet bepaalde geldboete. De bedragen van de onmiddellijke inning zijn verhoogd op 1 juli 2026 en zijn: – overtreding van de eerste graad: 64 EUR; – overtreding van de tweede graad: 128 EUR; – overtreding derde graad: 191 EUR; – overtreding vierde graad: wordt door de rechtbank bepaald; voor een overtreding vierde graad is er enkel een onmiddellijke inning voor buitenlanders, en die bedraagt 520 EUR; – snelheidsovertredingen: een geldsom die oploopt naargelang de snelheid met een minimum van 58 EUR; – rijden onder invloed van alcohol: hangt af van de hoogte van de intoxicatie: • van 0,09 mg/l tot 0,22 mg/l: 116 EUR; • van 0,22 mg/l tot 0,35 mg/l: 197 EUR; • van 0,35 mg/l tot 0,44 mg/l: 462 EUR; • van 0,44 mg/l tot 0,50 mg/l: 636 EUR.
37
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
Als de overtreder geen woonplaats of vaste verblijfplaats heeft in België, en niet betaalt, dan moet hij een som in consignatie geven om eventuele boetes en gerechtskosten te dekken; doet hij dit niet dan zal zijn voertuig ingehouden worden gedurende maximaal 96 uur. Het kan daarna in beslag genomen worden door het Openbaar Ministerie.
1.5.9 De administratieve geldboete De administratieve geldboete vindt vooral toepassing in de sociale wetgeving. Voor een aantal misdrijven is in de wet de mogelijkheid voorzien dat de arbeidsauditeur in plaats van de strafvervolging in te stellen de zaak afhandelt via een administratieve geldboete, van 50,00 tot 12 500,00 EUR, vermenigvuldigd met het aantal werknemers waarop het misdrijf betrekking had. De strafvervolging vervalt bij de kennisgeving aan de overtreder van de beslissing van de federale overheidsdienst waarbij het bedrag van de boete vastgesteld wordt. Als de werkgever weigert te betalen kan er geen strafvordering meer ingesteld worden, want die is vervallen. De betaling kan wel met een dwangbevel afgedwongen worden. De arbeidsauditeur kan volgens art. 138bis Ger.W. ook een burgerlijke rechtsvordering instellen bij de arbeidsrechtbank. Als de arbeidsauditeur daartoe beslist, vervalt niet alleen de strafvordering, maar ook de mogelijkheid om een administratieve geldboete te eisen. De gemeentelijke administratieve sancties De materie van de gemeentelijke administratieve sancties (kortweg GAS) wordt nu geregeld in de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties en de bijhorende uitvoeringsbesluiten. Voordien waren de GAS opgenomen in artikel 119bis Nieuwe Gemeentewet. Via het systeem van de GAS kunnen gemeenten sneller en efficiënter optreden tegen de openbare overlast op hun grondgebied om zo gedragingen te kunnen beteugelen die niet als heel ernstig kunnen beschouwd worden, maar toch als bijzonder hinderlijk worden ervaren. Types van inbreuken – De zuiver administratieve inbreuken: enkel een administratieve sanctie. – De gemengde inbreuken: dit zijn de strafrechtelijke inbreuken die toch met een GAS-boete kunnen gesanctioneerd worden. Deze gemengde inbreuken kunnen op zich nog onderverdeeld worden in drie categorieën: – De lichte gemengde inbreuken (art. 3, 2° GAS-wet): art. 193, 194 en 198,1 Sw.: gewelddaden art. 244 Sw.: openbare beledigingen – De inbreuken betreffende het stilstaan en parkeren en enkele andere verkeersinbreuken (art. 3, 3° GAS-wet) – De zware gemengde inbreuken (art. 3, 1° GAS-wet): art. 370 Sw.: grafschennis art. 463 en 465 Sw.: diefstal zonder geweld of bedreiging art. 423 Sw.: gezichtsbedekking in de publieke ruimte art. 514 en 515 Sw.: vandalisme en kwaadwillige vernielingen De lichte gemengde inbreuken verschillen van de zware door een verschillende regeling voor de informatie-uitwisseling met het parket.
38
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
De gemeentelijke administratieve geldboete bedraagt maximaal 500 EUR (voor minderjarigen 175 EUR) of een andere sanctie. Dat kunnen zijn: – de administratieve schorsing van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning; – de administratieve opheffing van een door de gemeente verleende tostemming of vergunning; – de tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting. Minderjarigen vanaf 14 jaar kunnen een GAS-boete opgelegd krijgen (artikel 14 ev. GAS-wet). Voor deze minderjarigen voorziet de GAS-wet evenwel in verschillende specifieke procedurele regels, waaronder: – verplichte bijstand door een advocaat – verplichte bemiddeling – de geldboete is begrensd op maximaal 175 EUR – beroep bij de jeugdrechtbank – de betrokkenheid bij de procedure van de ouders of andere personen die verantwoordelijk zijn voor de minderjarige Sanctionerend ambtenaar De persoon die de GAS-boete oplegt, wordt ‘sanctionerend ambtenaar’ genoemd. Deze persoon wordt aangewezen door de gemeenteraad. Deze persoon kan niet tegelijkertijd vaststellend ambtenaar en bemiddelaar zijn.
1.5.10 De verjaring van de strafvordering De verjaring van de strafvordering is de wettelijke termijn waarbinnen over de strafvordering een definitieve uitspraak ten gronde moet worden gedaan. Wanneer die termijn verstrijkt, vervalt de straf vordering en kan geen strafrechtelijke veroordeling meer volgen. De verjaring van de strafvordering is van openbare orde en moet dus ambtshalve ingeroepen worden. De verjaringstermijn loopt vanaf het ogenblik waarop het misdrijf voltrokken is tot op de dag waarop de bevoegde rechter uitspraak doet. Ook wanneer hoger beroep wordt ingesteld, moet de beslissing van de appelrechter nog binnen de verjaringstermijn worden uitgesproken. De termijnen zijn bepaald in art. 21 en 21 bis V.T.Sv. Een aantal misdrijven zijn onverjaarbaar volgens art. 21 bis V.T.Sv. – Vorderingen in verband met seksuele misdrijven op minderjarigen (art. 134-149, 151-165, 171, 172, 187, 206-211 Sw.) en art. 258 §1,1 Sw. als deze feiten gepleegd worden op minderjarigen. – Misdaden tegen de mensheid, oorlogsmisdaden en het misdrijf van genocide (art. 82-89 Sw.). – Misdrijven van art. 97 en 98 Sw. indien die misdrijven een land of een internationale organisatie ernstig kunnen schaden, of andere zware gevolgen hebben (zie art. 21 bis V.T.Sv.). Voor deze misdrijven kan de strafvordering onbeperkt in de tijd worden ingesteld en uitgeoefend. Verjaringstermijnen – Misdrijven strafbaar met een straf van niveau 1, 2 of 3 verjaren na 10 jaar – Misdrijven strafbaar met een straf van niveau 4, 5 of 6 verjaren na 15 jaar – Misdrijven strafbaar met een straf van niveau 7 verjaren na 20 jaar – Misdrijven strafbaar met een straf van niveau 8 verjaren na 30 jaar
39
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
Berekening van de verjaringstermijn De dies a quo wordt meegerekend, dus de dag waarop het misdrijf gepleegd is. De termijn begint te lopen vanaf het moment dat het misdrijf voltrokken is. Het is aan de rechter ten gronde om uit te maken wanneer dat is. Het kan een groot verschil maken of men te maken heeft met een aflopend of een voortdurend misdrijf. Voor aflopende misdrijven begint de verjaring te lopen zodra alle bestanddelen van het misdrijf vervuld zijn. Voor voortdurende misdrijven begint de verjaring pas te lopen wanneer de wederrechtelijke toestand of gedraging ophoudt. VOORBEELDEN
– Gewelddaden art. 193 tot 198 Sw. (een aflopend misdrijf ): op 3 mei geeft Piet zijn collega Jan een pak slaag. De verjaringstermijn begint te lopen op 3 mei (de dies a quo wordt meegerekend). – Belaging art. 237-239 Sw. (een voortdurend misdrijf ): Sophie wordt al maanden lastig gevallen door haar ex-vriendje Thijs. Hij bestookt haar voortdurend met telefoontjes, kwetsende sms’jes en hij volgt haar overal waar ze gaat. Hij staat haar zelfs ’s morgens op te wachten als ze haar huis verlaat. De verjaringstermijn zal in dit geval maar beginnen te lopen als het (belagend) gedrag ophoudt. De verjaringstermijn van de strafvordering loopt niet meer vanaf de dag van de aanhangig making van de strafvordering voor de politierechtbank, de correctionele rechtbank, het hof van assisen of het hof van beroep zetelend in eerste en laatste aanleg (art. 23 V.T.Sv.). Stuiting van de verjaringstermijn is niet meer mogelijk. Schorsing van de verjaringstermijn (art. 24 V.T.Sv.) De verjaring van de strafvordering wordt geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert. Als de verjaring geschorst wordt, begint er geen nieuwe termijn te lopen: op het ogenblik van de schorsing stopt de verjaring, maar na de schorsing begint de termijn opnieuw te lopen voor het gedeelte dat nog niet voorbij was. Schorsing is een tijdelijke stilstand van de verjaring. De verjaringstermijn wordt verlengd met een periode gelijk aan de schorsing. VOORBEELDEN
– Een verjaringstermijn van tien jaar wordt geschorst nadat er zeven jaar verlopen zijn. Als de schorsing voorbij is, zal de verjaringstermijn verder lopen. Aangezien er maar drie jaar overblijven van de oorspronkelijke termijn, zal de strafvordering hier verjaard zijn na die drie jaar. – Voorbeeld van een wettelijk beletsel dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert: een prejudicieel geschil of een prejudiciële vraag. De redelijke termijn Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken.
40
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van deze gevolgen moet worden uitgesproken. Wanneer de veroordeling bij schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De verbeurdverklaring voorzien door de wet wordt uitgesproken (art. 27 V.T.Sv.)
1.5.11 Het rechterlijk gewijsde – Non bis in idem Het rechterlijk gewijsde of het gezag van gewijsde maakt dat de strafvordering vervalt. Als iemand veroordeeld of vrijgesproken werd voor bepaalde feiten kan men hem niet een tweede keer voor dezelfde feiten vervolgen, zelfs al zou men heel nieuw bewijsmateriaal vinden. Dit wordt gesteld in het adagium ‘non bis in idem’. Men vindt het terug in art. 339 Sv., waar het betrekking heeft op een tweede vervolging na een uitspraak van het hof van assisen, maar volgens het Hof van Cassatie is het ook een algemeen rechtsbeginsel dat in internationale verdragen terug te vinden is (art. 14.7 IVBPR). Tuchtvervolging blijft in principe wel mogelijk. Het gezag van gewijsde is van openbare orde. De beklaagde kan er geen afstand van doen en de rechter moet het ambtshalve inroepen. Het kan ingeroepen worden in elke stand van het geding. Voorwaarden – Er moet een eindbeslissing geweest zijn van de strafrechter over de vervolging. Die beslissing kan zijn: een veroordeling, de vrijspraak of ontslag van vervolging. – Komen niet in aanmerking: • seponering; • een burgerlijke of disciplinaire veroordeling; • een beslissing alvorens recht te doen; • een onbevoegdverklaring; • een beslissing waarbij de strafvordering onontvankelijk verklaard werd. – Het moet gaan om de beslissing van een Belgische strafrechter. – Een veroordeling in het buitenland is in principe geen hinderpaal voor een tweede vervolging in België, maar hier zijn twee uitzonderingen: • art. 13 V.T.Sv.: voor misdrijven die gepleegd zijn op buitenlands grondgebied kan men in België niet een tweede maal vervolgd worden als de verdachte in het buitenland werd vrijgesproken, buiten vervolging gesteld of veroordeeld werd EN zijn straf volledig heeft ondergaan. Hetzelfde geldt na buitenlandse verjaring van de straf of verval ervan; • art. 54 Schengen – uitvoeringsovereenkomst: als iemand in een lidstaat definitief veroordeeld of vrijgesproken werd, belet dat vervolging in een andere lidstaat. – Het moet gaan om een beslissing die kracht van gewijsde heeft, d.w.z. een beslissing waartegen geen beroep of verzet meer mogelijk is. – Het moet gaan om dezelfde feiten; niet de kwalificatie is doorslaggevend. Wie veroordeeld of vrijgesproken wordt voor bepaalde feiten onder een bepaalde kwalificatie, kan niet opnieuw vervolgd worden voor dezelfde feiten onder een andere kwalificatie. VOORBEELD
Iemand wordt veroordeeld of vrijgesproken voor diefstal. Deze persoon kan niet opnieuw vervolgd worden voor dezelfde feiten, die nu gekwalificeerd worden als oplichting of misbruik van vertrouwen.
41
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
– Het moet gaan om dezelfde persoon. VOORBEELD
Na een vroegere veroordeling van persoon X voor feiten van diefstal, is het onmogelijk persoon X opnieuw te vervolgen. Persoon Y kan daarentegen perfect vervolgd worden voor dezelfde feiten als X. De veroordeling van X houdt de strafvervolging van Y niet tegen.
1.6
Bepalingen inzake de extra-territoriale rechtsmacht van de Belgische hoven en rechtbanken (art. 8 tot 14/15 V.T.Sv.)
De Belgische hoven en rechtbanken kunnen kennisnemen van misdrijven: – gepleegd in het buitenland, maar de dader heeft de Belgische nationaliteit en heeft zijn gewone verblijfplaats in België (actieve bevoegdheid); – gepleegd in het buitenland, en het slachtoffer heeft de Belgische nationaliteit (passieve bevoegdheid). De verdediging van de belangen van de Belgische staat of van internationale instellingen waarvan de zetel in België is, of andere belangen zijn aan de orde op basis van het Europees of internationaal recht.
2
De burgerlijke vordering
Art. 3 V.T.Sv.: ‘De rechtsvordering tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt, behoort aan hen die de schade hebben geleden.’ Art. 3bis V.T.Sv.: ‘Slachtoffers van misdrijven en hun verwanten dienen zorgvuldig en correct te worden bejegend, in het bijzonder door terbeschikkingstelling van de nodige informatie en, in voorkomend geval, het bewerkstelligen van contact met de gespecialiseerde diensten en met name de jusititieassistenten. Deze justitieassistenten informeren en ondersteunen de slachtoffers en hun verwanten tijdens de gehele duur van de strafprocedure en ook tijdens de zittingen, met inbegrip van de zittingen met gesloten deuren. Slachtoffers ontvangen met name de nuttige informatie over de nadere regels voor de burgerlijke partijstelling en de verklaring van de benadeelde persoon. (…)’ Art. 4 V.T.Sv.: ‘De burgerlijke rechtsvordering kan terzelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld. (…)’ Het slachtoffer van een misdrijf kan zijn rechten laten gelden en een eis tot schadevergoeding indienen zowel voor de strafrechter bij wie de zaak in behandeling is, als in een aparte vordering voor de burgerlijke rechtbank. Het slachtoffer of de benadeelde kan twee dingen eisen: – teruggave: dit wil zeggen herstel in natura van de geleden schade, bijvoorbeeld het teruggeven van de gestolen goederen; – schadevergoeding. De benadeelde heeft de keuze tussen de burgerlijke rechtbank en de strafrechtbank. Stelt hij zijn eis voor de strafrechtbank, dan kan hij gebruik maken van de bewijsvoering van het Openbaar Ministerie om zijn eis kracht bij te zetten, terwijl voor de burgerlijke rechtbank de bewijsvoering helemaal op de eiser rust. 42
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
De benadeelde kan zijn eis splitsen (bv. morele en materiële schade apart) en een deel eisen voor de strafrechtbank en zich voor een ander deel richten tot de burgerlijke rechtbank. Hij kan zelfs in de loop van het geding afstand doen voor de ene rechtbank en een eis indienen voor de andere.
2.1
De burgerlijke vordering voor de strafrechter
2.1.1 Voor de strafvordering is ingesteld De benadeelde kan zelf de strafvordering, samen met een burgerlijke vordering, instellen op twee manieren: – Door zich burgerlijke partij te stellen bij de onderzoeksrechter (art. 63 Sv.). Dat kan door een verzoekschrift, maar ook door een ondubbelzinnige mondelinge wilsverklaring. De onderzoeksrechter stelt dan een proces-verbaal op van de burgerlijke partijstelling. – Door rechtstreeks te dagvaarden voor het vonnisgerecht. De benadeelde geeft dan opdracht aan een deurwaarder om een bepaald persoon te dagvaarden voor de correctionele rechtbank of de politierechtbank. Dit kan enkel voor correctionele zaken (art. 64, 2 Sv.). In beide gevallen wordt aan de benadeelde gevraagd een bepaalde som in consignatie te geven voor de kosten van de rechtspleging. Deze som wordt bepaald door de onderzoeksrechter (of de griffie) en kan altijd aangevuld worden. De bedoeling daarvan is lichtzinnige eisen af te raden. Bij een definitieve veroordeling van de beklaagde krijgt de burgerlijke partij de som terug. Is er geen veroordeling dan draait ze op voor de kosten en krijgt ze enkel het eventuele overschot terug.
2.1.2 De strafvordering is reeds ingesteld De benadeelde kan zich, in elke stand van het geding tot het sluiten van de debatten, burgerlijke partij stellen. Hij voegt zijn eis bij de strafvordering (voeging van de burgerlijke partij, art. 67 Sv.). In de praktijk wordt de burgerlijke partijstelling meestal gedaan bij het begin van de zitting door het indienen van een schadenota. Wie? Het slachtoffer of zijn rechtsopvolgers of erfgenamen, wettelijke vertegenwoordigers of gesubrogeerden; iedereen die een rechtmatig belang kan doen blijken. Schade? Het slachtoffer moet aantonen dat het gaat om: – reële schade; – persoonlijke schade; – uitzondering: de wet van 1981 tot bestrijding van racisme en xenofobie voorziet dat bepaalde rechtspersonen, die tot doel hebben discriminatie en rassenhaat te bestrijden zich wel burgerlijke partij kunnen stellen, bijvoorbeeld het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding; – veroorzaakt door het vervolgde misdrijf; – de strafrechter is bevoegd deze toe te kennen; – het slachtoffer wenst vergoeding van deze schade. Dit wordt geëist van: – de dader; – de burgerrechtelijk aansprakelijke partij (art. 6.12 tot 6.15 NBW).
43
Hoofdstuk 2 Vorderingen die uit een misdrijf ontstaan
2.1.3 Na de uitspraak over de strafvordering De rechter die de uitspraak over de strafvordering gedaan heeft, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs als er geen burgerlijke partijstelling geweest is. Iedereen die door een strafbaar feit schade geleden heeft, kan een verzoekschrift indienen bij de griffie, in zoveel exemplaren als er partijen zijn, om ervoor te zorgen dat de strafrechter die uitspraak gedaan heeft over de strafvordering, ook kosteloos uitspraak doet over de burgerlijke belangen. Dat verzoekschrift geldt dan als burgerlijke partijstelling. Het verzoekschrift wordt door de griffier ter kennis gebracht van de partijen met vermelding van de dag, het uur en de plaats van de zitting waarop de zaak wordt behandeld. Elke partij kan de rechter verzoeken termijnen vast te stellen voor de overzending en indiening van stukken en conclusies, en de bepaling van de rechtsdag. De rechter doet uitspraak op stukken, behalve wanneer hij het nodig acht de partijen te horen. De burgerlijke vordering kan dus louter schriftelijk afgehandeld worden. Als er enkel uitspraak gedaan wordt over de burgerlijke belangen, is de tegenwoordigheid van het Openbaar Ministerie op de rechtszitting niet verplicht.
2.2
De burgerlijke vordering voor de burgerlijke rechter
2.2.1 De strafvordering werd (nog) niet ingesteld Het gebeurt zelden, maar ingeval het slachtoffer een eis tot schadevergoeding ingesteld heeft bij de burgerlijke rechter vooraleer er een strafvordering ingesteld is, dan is de burgerlijke rechter volkomen vrij in zijn beslissing. De strafrechter die achteraf geadieerd wordt is op geen enkele manier gebonden door wat de burgerlijke rechter beslist heeft.
2.2.2 De strafvordering wordt ingesteld tijdens of voor de burgerlijke vordering In dit geval moet de burgerlijke rechter wachten op het vonnis van de strafrechter, alvorens uitspraak te doen: ‘le criminel tient le civil en état’; de burgerlijke vordering wordt zolang geschorst tot de beslissing van de strafrechter kracht van gewijsde gekregen heeft. Dit is vooral om tegenstrijdigheden te vermijden tussen de beslissingen van de strafrechter en de burgerlijke rechter. Als de uitspraak van de strafrechtbank kracht van gewijsde heeft verkregen is de burgerlijke rechtbank gebonden door deze beslissing: de strafrechter heeft beslist over schuld en onschuld en dit geldt ‘erga omnes’. Bij een schuldigverklaring moet de burgerlijke rechtbank dus volgen en is de fout bewezen. Dat wil echter niet zeggen dat bij een onschuldigverklaring er geen burgerlijke vordering meer mogelijk is of dat deze altijd afgewezen moet worden. Het foutbegrip in het burgerlijk recht is immers veel breder dan in het strafrecht. VOORBEELDEN
– Iemand die vrijgesproken is voor vandalisme (art. 514-523 Sw.), kan nog wel burgerrechtelijk aansprakelijk gesteld worden voor schade wegens gebrek aan voorzichtigheid. – Iemand die door de strafrechter vrijgesproken is voor gewelddaden (die opzet veronderstellen, art. 193-198 Sw.), kan daarentegen achteraf niet burgerrechtelijk aangesproken worden voor het veroorzaken van een integriteitsaantasting door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid (art. 217-218 Sw.) omdat de strafrechter het misdrijf in al zijn facetten moet bekeken hebben en dus ook wat betreft onopzettelijke integriteitsaantasting. Seponering heeft geen enkel gevolg voor de burgerlijke vordering.
44